Bijlage - Toelichting
Tekst van het document
blad 34 van 56
Figuur 4.4: kaart bodemloket (www.bodemloket.nl) Uit de kaart in figuur 4.4 blijkt dat het noordoosten van het plangebied is onderzocht (paarse blokjes arcering). De resultaten van het uitgevoerde (historische) bodemonderzoek ter plekke geven aan dat de (voormalige) activiteiten en/of de onderzoekslocatie voldoende zijn onderzocht in het kader van de Wet bodembescherming. De rest van het plangebied heeft geen specifieke verwachtingswaarde als het gaat om mogelijke bodemverontreiniging die op dit moment onderzocht zou moeten worden. Bovendien worden er geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Conclusie Het aspect bodem geeft geen beperkingen voor de gewenste functiewijziging van het perceel.
4.4
Externe veiligheid Externe veiligheid gaat om het beperken van de kans op het effect van een ernstig ongeval voor de omgeving door: het gebruik, de opslag en productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); het transport van gevaarlijke stoffen (wegen, buisleidingen, waterwegen en spoorwegen); het gebruik van luchthavens. Het externe veiligheidsbeleid stelt twee zaken centraal:
blad 35 van 56
1.
de bescherming van personen bij een risicobron tegen de kans op overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen een vliegtuig op of bij een luchthaven of een windturbine; 2. de bescherming van de samenleving tegen het ontwrichtende effect van een dergelijke ramp met een groot aantal slachtoffers. Uitgangspunt bij het huidige externe veiligheidsbeleid is een risicobenadering op basis van risicoberekeningen, met daarbij een wettelijke norm voor het plaatsgebonden risico (een basisbeschermingsniveau voor elk individu) en een afwegingsruimte voor het bevoegd gezag om te bepalen welke risico's voor grotere groepen mensen aanvaard worden (de verantwoordingsplicht van het groepsrisico). De doelstelling van het externe veiligheidsbeleid luidt: 'Het uitvoeren van een veiligheids- en risicobeleid om mens en milieu te beschermen tegen maatschappelijk onaanvaardbaar geachte gezondheids- en milieurisico's. De overheid garandeert een zogenaamd 'basisbeschermingsniveau' voor externe veiligheid.' Ruimtelijke scheiding De kern van het externe veiligheidsbeleid is ruimtelijke scheiding (zoneren) tussen (geprojecteerde) kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en risicobronnen. De veiligheidsafstanden bij risicobronnen zijn meestal gebaseerd op (berekende) risico's. Soms zijn ze gebaseerd op te verwachten effecten bij een calamiteit.
Denk hierbij aan ontplofbare stoffen als vuurwerk en munitie. Er is een onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Risicobronnen kunnen worden opgesplitst in: inrichtingen waar risicovolle activiteiten plaatsvinden; transportroutes van gevaarlijke stoffen; buisleidingen. Onderzoek De mogelijkheden uit dit bestemmingsplan zorgen niet voor een toe- of afname van het aantal mensen in het plangebied. Het bestemmingsplan legt de bestaande situatie vast en voorziet die van een uniforme planologische regeling. Risicovolle bedrijven Op basis van de risicokaart is een inventarisatie gedaan om te bepalen of er risicovolle bedrijven in het plangebied aanwezig zijn die vallen onder de wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid. In het plangebied zijn dergelijke bedrijven niet aanwezig (zie figuur 4.5). Buisleidingen Uit de Risicokaart Nederland volgt tevens dat er in de omgeving van het plangebied geen buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen liggen.
blad 36 van 56
Figuur 4.5: fragment risicokaart (www.risicokaart.nl) Transportroutes Langs en in het plangebied liggen wel transportroutes waarover vervoer van gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden. Het betreft de volgende routes: rijksweg N65 (zuidkant plangebied); rijksweg A2 (oostkant plangebied); spoorlijn 's Hertogenbosch-Tilburg (zuidkant plangebied); spoorlijn 's Hertogenbosch-Eindhoven (oostkant plangebied). Ten aanzien van deze routes is het volgende van toepassing: Vervoer van gevaarlijke stoffen over de N65 de maximale 10-6 plaatsgebonden risicocontour bedraagt 0 meter en levert derhalve geen belemmeringen op; de hoogte van het groepsrisico neemt niet toe of af door dit bestemmingsplan en blijft onder de oriëntatiewaarde; een beperkte verantwoording van het groepsrisico is conform artikel 7 en 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes is van toepassing. Vervoer van gevaarlijke stoffen over de A2 in het kader van de capaciteitsuitbreiding A2 is ten tijde van het Tracébesluit onderzoek gedaan naar het risico verbonden aan het vervoer van gevaarlijke stoffen. Conclusie was/is dat bij het voorkeursalternatief noch het referentiealternatief de grenswaarde van het plaatsgebonden risico (PR) en de oriëntatiewaarde van het groepsrisico (GR) worden overschreden tussen A2 knooppunt Vught – knooppunt Ekkersweijer.
Uit het oogpunt van externe veiligheid was het daarom niet nodig om in het kader van het Tracébesluit maatregelen te treffen.In de tussentijd zijn er binnen het plangebied van dit bestemmingsplan geen aanapssingen en of ruimtelijke ingrepen gedaan die nu blad 37 van 56
onderzocht zou moeten worden in het kader van externe veiligheid.. met dit bestemmingsplan worden geen concrete ontwikkelingen ten opzichte van het geldend bestemmingsplan voorzien. beperkte verantwoording van het groepsrisico is conform artikel 7 van het Besluit externe veiligheid Transportroutes van toepassing. Vervoer van gevaarlijke stoffen over de spoorlijn 's Hertogenbosch-Tilburg de spoorlijn heeft geen 10-6 plaatsgebonden risicocontour. Het plaatsgebonden risico levert daarmee geen belemmeringen op; de hoogte van het groepsrisico van de spoorlijn bevindt zich in zowel de huidige als de toekomstige situatie onder 10% van de oriëntatiewaarde; beperkte verantwoording van het groepsrisico is conform artikel 7 en 8 van het Besluit externe veiligheid Transportroutes van toepassing. Vervoer van gevaarlijke stoffen over de spoorlijn 's Hertogenbosch-Eindhoven de spoorlijn is niet met naam genoemd in het basisnet. Een verder risicobeschouwing is dan ook niet noodzakelijk. In de nabije toekomst wordt echter wel transport van gevaarlijke stoffen over deze route verwacht. Het groepsrisico zal onder de oriëntatiewaarde liggen en zal ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling afnemen; omdat er gevaarlijke stoffen over de spoorlijn vervoerd mogen worden is conform artikel 7 van het Bevt een beperkte verantwoording van het groepsrisico verplicht.
Indien wordt uitgegaan van de in de nabije toekomst verwachte vervoersaantallen kan, omdat het groepsrisico lager is dan de oriëntatiewaarde en door de voorgenomen ontwikkeling niet toe neemt, kan ook worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Verantwoording groepsrisico Op basis van bovenstaande analyse blijkt dat er geen 10-6 plaatsgebonden risicocontouren over het plangebied heen liggen. Omdat er geen toe- en/of afname van het aantal mensen in dit plangebied ontstaat door de mogelijkheden die dit bestemmingsplan biedt zal er ook geen toe- of afname zijn van het groepsrisico. Nader berekenen of verantwoorden van de risico’s is niet aan de orde. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen beperking voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.5
Geluid Algemeen Geluid is één van de factoren die de beleving van de leefomgeving in belangrijke mate bepaalt. Door de toename van het verkeer en de bedrijvigheid wordt de omgeving in steeds sterkere mate belast met geluid. Dit leidt tot steeds meer klachten. In een aantal gevallen wordt de gezondheid beïnvloed door geluid. Hoge geluidsniveaus kunnen het gehoor beschadigen en ook de verstoring van de slaap kan op de lange duur slecht zijn voor de gezondheid. Door de toename van het geluid in de omgeving, wordt de behoefte aan stilte steeds meer als een noodzaak gevoeld.
blad 38 van 56
Regelgeving De Wet geluidhinder, de Luchtvaartwet en de Wet milieubeheer zijn in het kader van geluidhinder van belang. Bij nieuwe ontwikkelingen van geluidgevoelige bestemmingen dient de geluidssituatie in beeld gebracht te worden. De geluidsniveaus op de gevels van de nieuwe gebouwen worden getoetst aan de geluidsnormen. Het juridisch kader voor wegverkeerslawaai, spoorlawaai en industrielawaai wordt gevormd door de Wet geluidhinder. Vliegtuiglawaai wordt geregeld in de Luchtvaartwet. Er liggen geen geluidszones voor industrielawaai en vliegtuiglawaai over het plangebied, waardoor deze niet nader beschouwd worden. Onderzoek Er is voor het gehele plangebied sprake van een bestaande situatie. Het grootste gedeelte van de woonwijken heeft een snelheidslimiet van 30km/u. Daarnaast is er sprake voor de doorgaande wegen van een snelheidslimiet van 50 km/u. Ten aanzien van spoorweglawaai is in het tracébesluit onderzoek gedaan naar de geluidsaspecten. Omdat er geen nieuwe woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen direct mogelijk gemaakt of gerealiseerd kunnen worden is er op dit moment geen noodzaak om het geluidsaspect specifiek te onderzoeken. Conclusie Het bestemmingsplan is passend binnen de huidige wet- en regelgeving ten aanzien van geluid.
4.6
Kabels en Leidingen In een bestemmingsplan kunnen kabels en leidingen beschermd worden door middel van een dubbelbestemming. Aanwezige nutsvoorzieningen en leidingen kunnen beperkingen geven voor het functioneren van bestaand bebouwd gebied en nieuwe ontwikkelingen als gevolg van het directe ruimtebeslag en in acht te nemen toetsings- en veiligheidsafstanden (het indirecte ruimtebeslag). De reguliere leidingen voor gas, water en electra zijn gelegen in het openbaar gebied en maken onderdeel uit van het straatprofiel. De leidingen behoeven geen nadere planologische bescherming, maar zijn op andere wijze beschermd.
4.7
Lucht Algemeen Door de uitstoot van gassen door onder andere de industrie en het verkeer komen schadelijke stoffen in de lucht. Vooral langs drukke wegen kunnen de concentraties van verschillende stoffen zo hoog zijn dat deze de gezondheid kunnen aantasten. Om te voorkomen dat de gezondheid wordt aangetast door luchtverontreiniging dient bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden te worden met de luchtkwaliteit ter plaatse. Regelgeving Het wettelijk kader voor luchtkwaliteit is beschreven in titel 5.2 van de Wet milieubeheer en de algemene maatregelen van bestuur inzake de luchtkwaliteitseisen. In de Wet milieubeheer is van bepaalde projecten getalsmatig vastgelegd dat ze "niet in betekenende
blad 39 van 56
mate" (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Met de inwerkingtreding van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) op 1 augustus 2009, zijn deze grenzen zoals deze in de Wet luchtkwaliteit waren opgenomen verruimd. Een project draagt volgens het NSL "niet in betekende mate" bij zolang de toename van de concentratie fijnstof of stikstofdioxide maximaal 3% bedraagt van de grenswaarde. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van projecten (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Op grond van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn (onder andere) de volgende projecten vrijgesteld van toetsing: woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen met één ontsluitingsweg; projecten die leiden tot minder dan 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) met twee ontsluitingswegen. Deze grens komt overeen met 1.401 auto's dan wel 109 vrachtwagens per weekdagetmaal.
Voor kantoren geldt dat kantoren met een brutovloeroppervlak van maximaal 100.000 m2 bij 1 ontsluitingsweg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen niet in betekende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Onderzoek Er worden middels onderhavig plan geen nieuwbouwlocaties mogelijk gemaakt. Derhalve bestaat er geen noodzaak om luchtkwaliteitonderzoek uit te voeren omdat het bestemmingsplan onder de regeling NIBM valt. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan.
4.8
Natuurtoets Algemeen Natuur en groen wordt over het algemeen positief gewaardeerd. Zowel in als buiten de bebouwde kom vertoeven veel mensen in hun vrije tijd graag in de bossen en parken. De aanwezigheid van voldoende groen op een bereikbare afstand bepaalt voor een belangrijk deel de leefbaarheid van een woongebied. Ook de aanwezigheid van dieren, bijvoorbeeld vogels, in bebouwd gebied wordt over het algemeen als positief ervaren. De aanwezigheid van voedsel-, nest- en rustgebied is voor deze dieren van essentieel belang. Regelgeving In het kader van de uitvoerbaarheid van ruimtelijke plannen dient getoetst te worden aan beschermde natuurwaarden. De effecten op natuurwaarden dienen te worden beoordeeld in relatie tot bestaande wet- en regelgeving op het gebied van soortenbescherming en gebiedsbescherming. De wettelijke grondslag hiervan ligt per 1 januari 2017 in de Wet natuurbescherming (Wnb).
blad 40 van 56
Bij soortenbescherming van planten en dieren moet aandacht worden besteed aan de in het wild voorkomende vogels onder de vogelrichtlijn en de dier- en plantensoorten onder de habitatrichtlijn. Dier- en plantensoorten die in de bijlage van de wet genoemd worden vallen ook onder de beschermde soorten, op deze lijst mogen provincies een 'lijst met vrijstellingen' opstellen (Wnb art. 3.11). Gebiedsbescherming houdt in dat gebieden met belangrijke natuurwaarden wettelijk zijn beschermd. Het gaat hierbij om het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur of EHS), Natura 2000-gebieden, natuurreservaten en andere in bestemmingsplannen aangeduide natuurgebieden. Onderzoek Het gebied maakt geen onderdeel van een Natura 2000-gebied. Vrijwel het hele gebied ligt ook buiten het door de provincie aangewezen Natuurnetwerk Brabant (NNB). Alleen in het noordwesten van het plangebied (voormalige Frederik HendrikKazerne) is een gedeelte van het bestaande groen als zodanig aangewezen. Dit gebied is in de regels van dit bestemmingsplan beschermd. Omdat het een bestemmingsplan is, dat verder ook geen ontwikkelingen mogelijk maakt, is er op dit moment geen noodzaak een natuurtoets uit te voeren. Dat zal wel moeten (en is ook afdwingbaar) als er ontwikkelingen zijn waarvoor dit bestemmingsplan aangepast moet worden door bijvoorbeeld een wijzigingsplan.
Bovendien is de Wet natuurbescherming een zelfstandig toetsingskader dat bij ontwikkelingen altijd van toepassing is. Conclusie Het aspect natuur geeft geen beperkingen voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.9
Besluit milieueffectrapportage Wettelijk kader In het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd dat voor elke ruimtelijke ontwikkeling die genoemd wordt in de C- of D-lijst een motivering moet worden gegeven waarin wordt beoordeeld of een m.e.r.-procedure doorlopen dient te worden. Deze motivering dient op basis van dezelfde criteria als de m.e.r.-beoordeling te worden doorlopen. De diepgang kan echter anders zijn en er zijn geen vormvereisten. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. In bijlage D is als categorie D11.2 de volgende activiteit opgenomen. De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. Als je het project beschouwd als een stedelijk ontwikkelingsproject dan zou de m.e.r.-regelgeving van toepassing zijn. Onderzoek Het voorliggend bestemmingsplan is een consoliderend bestemmingsplan waarbij geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt die nog niet eerder zijn onderzocht Er is dus geen sprake van een stedelijke ontwikkelingsproject. Daarom wordt geconcludeerd dat er ook geen sprake is van (mogelijke) nadelige milieugevolgen die op dit moment onderzocht zouden moeten worden in het kader van dit bestemmingsplan.
blad 41 van 56
Conclusie Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling zodat de m.e.r.-regelgeving niet van toepassing is in het kader van deze bestemmingsplanprocedure.
4.10
Water Algemeen Mede ten gevolge van de waterproblemen die in een aantal winters aan het eind van de 20e eeuw in Nederland optraden ten gevolge van hevige regenval, is het besef gegroeid dat water een belangrijke plaats verdient in toekomstige ruimtelijke plannen. Om het hoofd te kunnen bieden aan zeespiegelstijging, toenemende neerslag en rivierwaterafvoer en verder gaande bodemdaling, nu en in de toekomst, is het van essentieel belang dat het waterbeheer een belangrijke plaats inneemt in de ruimtelijke ordening. Sleutelbegrippen hierbij zijn: meer ruimte voor water en waterbewust bouwen en inrichten. Waterwet Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Een achttal wetten is samengevoegd tot één wet, de Waterwet. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de huidige vergunningstelsels uit de afzonderlijke waterbeheerwetten worden gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de Watervergunning.
Nationaal Waterplan 2016-2021 De minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken hebben op 10 december 2015 het Nationaal Waterplan 2016 – 2021 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan (Wind op Zee buiten 12 nautische mijl en verankering rijksbeleid Deltabeslissingen). Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het NWP is zelf bindend voor het Rijk. Het Rijk is in Nederland verantwoordelijk voor het hoofd-watersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Rijkswaterstaat (RWS) neemt in het Beheer- en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren (Bprw) de condities en maatregelen op voor het operationeel beheer om deze strategische doelen te bereiken. Het NWP is kader stellend voor het Bprw. Het kabinet vraagt andere overheden het NWP te vertalen in hun beleidsplannen. Provinciaal waterplan 2016-2021 Provinciale Staten hebben op 18 december 2015 het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PMWP) vastgesteld. Het PMWP staat voor samenwerken aan Brabant waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving.
De zorg voor een duurzaam schone en veilige fysieke leefomgeving staat centraal in dit Provinciaal Milieu- en Waterplan (PMWP). De Agenda van Brabant plaatst provinciaal beleid in dienst van gezondheid, biodiversiteit, sociale ontwikkeling en een innovatieve, duurzame economie. Het Provinciaal Milieuplan 2012-2015 en het Provinciaal Waterplan 2010-2015 gaven hieraan de afgelopen jaren invulling. Het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 integreert de milieu- en de wateropgave. Het zet de nieuwe koers uit
blad 42 van 56
voor de provinciale inzet met betrekking tot water, bodem, lucht en de overige milieuaspecten. Het PMWP staat niet op zichzelf. Er is een provinciaal natuurbeleidsplan (Brabant Uitnodigend Groen), een energieplan (Energieagenda) en beleid om de Brabantse agrofoodsector duurzaam te maken (Uitvoeringsagenda Brabantse Agrofood). Het PMWP vult deze plannen aan waar er grote raakvlakken zijn met het milieu- en waterbeleid. Bijvoorbeeld met de (voorheen geldende) Programmatische Aanpak Stikstof. Op deze manier wordt gewerkt aan een integrale benadering van de duurzame fysieke leefomgeving. Waterbeheerplan waterschap De Dommel 2022-2027 Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap De Dommel. Het geldende beleid van het waterschap is vastgelegd in het Waterbeheerprogramma 2022-2027 en omschrijft de koers en de ambities van het waterschap voor de periode 2022 – 2027. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de watertransitie; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding in 2050. Dat vertaalt zich in een koerswijziging voor het waterschap en met een verschil in aanpak en boodschap naar de gebieden. De rode draad daarbij is het belang van water voor een toekomstbestendige leefomgeving. Het waterschap werkt aan een toekomstbestendige leefomgeving, waarvoor een toekomstbestendige waterhuishouding nodig is.
Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in het hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Om inhoudelijke sturing te geven aan de watertransitie wordt uitgegaan van 3 richtinggevende principes: 1. 2. 3.
Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt; Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan; Wat schoon is moet schoon blijven.
Programma water en riolering 2022-2026 Voor de beheersing van water heeft de gemeenteraad op 19 mei 2022 het "Programma Water en Riolering 2022-2026" vastgesteld. De regels voor het afvoeren van afval-, hemel- en grondwater zijn opgenomen in de gelijktijdig vastgestelde waterafvoerverordening. Plan en verordening zijn zodanig opgesteld dat deze eenvoudig zijn in te passen in de omgevingsvisie, -plan en -programma als bedoeld in de Omgevingswet. Onderzoek Zoals eerder beschreven zorgt dit bestemmingsplan niet voor ontwikkelingen. Het doel is om de bestaande situatie te voorzien van een actuele planologische regeling. Op basis hiervan zal er ook geen verandering aan de waterhuishouding plaatsvinden. Het meest noordelijke deel (ten noorden van de Postweg net buiten het plangebied) wordt beheerd door Waterschap Aa en Maas. Het Drongelens kanaal is aangwezen als een A-watergang. Binnen dit bestemmingsplan vinden geen wijzigingen plaats die van invloed zijn op de werking van deze A-watergang.
blad 43 van 56
Figuur 4.6: Overzicht beschermingsgebied Drongelens kanaal Verreweg het grootste deel van het plangebied is in beheer bij Waterschap De Dommel. Omdat er geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt worden is de inhoud van dit bestemmingsplan in overeenstemming met de algemene doelstellingen van het waterschap ten aanzien van de beheersing van water in het plangebied. Naast de algemene uitgangspunten dat water zoveel mogelijk geïnfiltreerd zou moeten worden op eigen terrein en het realiseren en behouden van groen (om bijvoorbeeld hittestress tegen te gaan) zorgt dit bestemmingsplan ook niet voor veranderingen aan de waterhuishouding. Conclusie Het plan is passend binnen de kaders die de waterschappen daarvoor hebben vastgesteld deze kaders vormen geen beperking voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
blad 44 van 56
Hoofdstuk 5
5.1
Juridische toelichting
Inleidende regels De gemeente heeft een uniforme systematiek in de verschillende plangebieden als doel gesteld. Dit proces is gestart met de bestemmingsplannen Vijverhof 2016 en Molenstraat e.o. 2016. Qua systematiek is hier zoveel mogelijk bij aangesloten. Dit bestemmingsplan is een zogenoemd gedetailleerd bestemmingsplan met een beheerskarakter. De keuze voor de 'mate van gedetailleerdheid' uit zich vooral in een op perceelsniveau goed uitgewerkte verbeelding. Op perceelsniveau is voor woningen en voorzieningen afzonderlijk aangegeven wat waar gebouwd mag worden en wel op een zodanige wijze dat de belangen van derden en de omgeving daarbij vooraf zijn meegewogen. Door een uniforme regeling voor alle inwoners en gebruikers van het plangebied ontstaat rechtszekerheid en rechtsgelijkheid. Het wettelijk kader wordt sinds 1 juli 2008 gevormd door de Wet ruimtelijke ordening (Wro). De wettelijke regeling voor bestemmingsplannen is vervolgens verder ingevuld door het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012. Het bestemmingsplan dient te voldoen aan de als bijlage bij de voornoemde Regeling opgenomen Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Dit heeft tot gevolg dat bestemmingsplannen kwalitatief gelijkwaardig zijn en uniform in aanpak, uitvoering, uitwisseling van gegevens en de raadpleging daarvan.
5.2
Bestemmingsregels Per bestemming, die op de verbeelding wordt gebruikt, worden gebruiks- en bouwregels opgenomen. De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
bestemmingsomschrijving; bouwregels; afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden; 7. omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; 8. wijzigingsbevoegdheid. Niet alle onderdelen komen bij elke bestemming voor. Van de meest gebruikte onderdelen volgt hieronder een korte toelichting.
5.2.1
Bestemmingsomschrijving In de bestemmingsomschrijving wordt een omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functie(s). De hoofdfunctie(s) worden als eerste genoemd. Indien van toepassing worden ook de aan de hoofdfunctie ondergeschikte functies genoemd. De ondergeschiktheid kan worden aangegeven door de woorden 'met daaraan ondergeschikt'. De ondergeschikte functies staan ten dienste van de hoofdfunctie binnen de betreffende bestemming.
blad 45 van 56
5.2.2
Bouwregels In de bouwregels is bepaald welke bouwwerken mogen worden opgericht, waarbij in ieder geval een onderscheid wordt gemaakt tussen de regeling voor gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde en daar waar van toepassing ook tussen hoofdgebouwen en bijgebouwen. Voorts bevatten de bouwregels, voor zover van toepassing, minimale en maximale maten voor de diverse bouwwerken zoals goothoogtes, bouwhoogtes, oppervlaktes en dakhellingen. De bouwregels zijn zoveel mogelijk uniform opgesteld binnen alle bestemmingen waar gebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegestaan. Er worden regels gegeven voor: gebouwen; (bedrijfs)woning(en); bijgebouwen; erkers; bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
5.2.3
Afwijken van de bouwregels Door het opnemen van afwijkingsbevoegdheden wordt flexibiliteit in bestemmingsregels gecreëerd door mogelijkheden te bieden om in beperkte mate af te wijken van de algemeen toegestane bouwregelingen. Deze bevoegdheden zijn niet bedoeld voor afwijkingen van de bouwregels, waarvan de verwachting is, dat ze veelal kunnen worden verleend. In dat geval zijn de bouwregels hierop aangepast. Voor elke afwijking is aangegeven waarvan een omgevingsvergunning voor het afwijken van de bouwregels wordt verleend, de maximale afwijking die met de omgevingsvergunning kan worden toegestaan en meestal de situaties of voorwaarden waaronder een omgevingsvergunning wordt verleend. Het gaat hier om afwijkingsbevoegdheden voor specifieke bestemmingen. Indien afwijkingsbevoegdheden gelden voor meerdere bestemmingen dan wel een algemene strekking hebben, zijn ze opgenomen in hoofdstuk 3 van de regels (de algemene regels).
5.2.4
Specifieke gebruiksregels Met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is artikel 7.10 Wet ruimtelijke ordening vervallen. In dit artikel was het opgenomen verbod om gronden te gebruiken die in strijd is met het bestemmingsplan. Derhalve moeten in de specifieke gebruiksregels bepaalde functies concreet worden genoemd als zijnde verboden gebruik. Ook het laten gebruiken moet specifiek worden genoemd.
5.2.5
Afwijken van de gebruiksregels Door middel van een omgevingsvergunning kan van de gebruiksregels in het plan worden afgeweken ten behoeve van een concrete vorm van grondgebruik. Dit mag echter niet leiden tot een feitelijke wijziging van de bestemming. Het afwijken van de gebruiksregels dient te zien op kleinere, planologisch minder ingrijpende onderwerpen. Functiewijzigingen en grotere, ruimtelijke ingrepen dienen te worden geregeld via een wijzigingsbevoegdheid, een afzonderlijke bestemmingsplanherziening of via de mogelijkheden van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (buitenplans).
blad 46 van 56
5.2.6
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden Voor het uitvoeren van specifieke inrichtingsactviteiten is een omgevingsvergunning vereist. Onder deze inrichtingsactiviteiten valt niet het bouwen en het gebruiken van bouwwerken en gronden. Een vergunningenstelsel wordt opgenomen om extra bescherming te bieden aan een specifieke waarde van de bestemming, zoals landschappelijke of natuurlijke waarden, ecologische waarden of de groen- en/of waterstructuur.
5.2.7
Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk Voor het slopen van een bouwwerk kan een omgevingsvergunning nodig zijn, bijvoorbeeld voor beschermde gebouwen, rijksmonumenten of andere objecten. In andere gevallen voorziet het Bouwbesluit in een grondslag voor het doen van een sloopmelding.
5.2.8
Wijzigingsbevoegdheid Een wijzigingsbevoegdheid maakt het voor het college van burgemeester en wethouders mogelijk om een bestemming te wijzigen. Hiervoor wordt een wijzigingsplan geschreven, inclusief omgevingsonderzoeken en vervolgens in procedure gebracht. Als de Omgevingswet in werking treedt, naar verwachting per 1 januari 2024, zullen de wijzigingsbevoegdheden die zijn opgenomen in dit bestemmingsplan procedureel niet meer toegepast mogen worden en vervallen. Vanaf dat moment kunnen de wijzigingsregels en voorwaarden die in een wijzigingsbevoegdheid staan, voor de gemeente, dienst doen als toetsingskader voor omgevingsvergunningen. De procedure zal onder de Omgevinsgwet alleen anders worden doordat naar verwachting vaak een reguliere procedure doorlopen kan worden.
5.3
Bestemmingen Het bestemmingsplan Vught Noord heeft diverse bestemmingen. Deze bestemmingen worden voorafgegaan door de inleidende regels. Inleidende regels Artikel 1 (begrippen) geeft uitleg van de diverse begrippen die gebruikt worden in het bestemmingsplan. In artikel 2 (wijze van meten) is de wijze van meten beschreven. Hierin staat hoe er gemeten moet worden om bijvoorbeeld een oppervlakte of hoogte te bepalen. Bouwvlakken voor het hoofdgebouw en bijgebouwen Alle bestemmingen hebben voor de hoofdgebouwen een bouwvlak op de verbeelding. Dit bouwvlak is gekoppeld aan bouwregels voor de bouw van de hoofdgebouwen. Daarnaast is op de rest van het perceel (achter de voorgevel van het hoofdgebouw) met de aanduiding 'bijgebouwen' aangegeven waar de bijgebouwen gerealiseerd mogen worden. Ook deze aanduiding is in de regels van de diverse bestemmingen gekoppeld aan bouw- en gebruiksregels. Onderstaand een korte beschrijving van de inhoud per bestemming: Artikel 3 Bedrijf De bestemming 'Bedrijf' is toegekend aan de bestaande bedrijven in het plangebied. Op grond van de regels en bijbehorende bijlage zijn alleen bedrijven uit milieucategorie 1
blad 47 van 56
toegestaan. Welke bedrijven dit zijn is weergegeven in een bijlage (Lijst van Bedrijfsactiviteiten) bij de regels. Voor de gebouwen is een bouwvlak opgenomen. Om meer flexibiliteit te kunnen bieden is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor bedrijven met milieucategorie 2, zoals opgenomen op de in de bijlage bij de regels opgenomen Lijst van Bedrijfsactiviteiten. Echter dit type bedrijven moeten wel passen binnen de woonomgeving. Het kan voorkomen dat een bepaald bedrijf niet voorkomt om de Lijst van Bedrijfsactiviteiten, maar die toch passend zijn binnen de woonomgeving. Ook hiervoor is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen. Artikel 4 Bedrijf - Nutsvoorzieningen De bestemming 'Bedrijf - Nutsvoorzieningen' toegekend aan de nutsvoorzieningen in het plangebied. Ook hier zijn de gebouwen voorzien van een bouwvlak met bouwregels. De maximale bouwhoogte van een nutsgebouw mag niet meer dan 5 meter bedragen. De toegestane bouwhoogte van telecommunicatiemasten bedraagt maximaal 20 meter. Artikel 5 Bos De bestemming 'Bos' is toegekend aan het gedeelte van de Vughtse Heide dat onderdeel uitmaakt van dit plangebied. Binnen deze bestemming mogen geen gebouwen gebouwd worden. Bouwwerken geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming mogen niet hoger zijn dan 4 meter.
Er is een omgevingsvergunning nodig voor (o.a.) het verwijderen van groen, ophogen / afgraven van de gronden en aanleggen van verhardingen. Artikel 6 Detailhandel De bestemming 'Detailhandel' is toegekend aan percelen waar detailhandel op de begane grond is toegestaan. De (bedrijfs)woningen die op dit moment (legaal) aanwezig zijn, zijn ook bestemd net als ondergeschikte algemene voorzieningen zoals water, tuinen erven en terreinen. Gebouwen moeten in het bouwvlak gebouwd worden. In de specifieke gebruiksregels is een aantal vormen van detailhandel als strijdig gebruik aangemerkt. Het gaat dan om bijvoorbeeld grootschalige, volumineuze detailhandel en horeca. Er is tevens een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de bestemming te kunnen wijzigen naar de bestemming 'Wonen' als de detailhandelsactiviteiten zijn beëindigd. Middels deze wijzigingsbevoegdheid is het mogelijk om meerdere woningen te realiseren op een perceel, mits het aantal past binnen het gemeentelijk woningbouwprogramma. Voor wat betreft de bouwmogelijkheden wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de bouwmogelijkheden voor woningen binnen de bestemming 'Wonen' in dit bestemmingsplan. Artikel 7 Dienstverlening De bestemming 'Detailhandel' is toegekend aan de percelen waar dienstverlenende bedrijven en/of kantoren zich op de begane grond bevinden.
Ook binnen deze bestemming zijn de bestaande (bedrijfs)woningen toegestaan voor zover die legaal aanwezig zijn. Deze woningen worden gerespecteerd en daarom ook niet onder het overgangsrecht geplaatst. Daarnaast mag het perceel met de bestemming 'Dienstverlening' ook voor wonen gebruikt worden indien het perceel specifiek is aangeduid met de functieaanduiding 'wonen'. In sommige gevallen is het aantal toegestane woningen ook specifiek op de planverbeelding opgenomen. Ook bij deze bestemming zijn de ondergeschikte algemene voorzieningen toegestaan binnen de bestemming. In de specifieke gebruiksregels is een aantal vormen van gebruik als strijdig gebruik blad 48 van 56
aangemerkt. Het gaat dan om bijvoorbeeld detailhandel en ook horeca. Binnen deze bestemming is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de bestemming te wijzigen naar 'Wonen'. Deze bevoegdheid is van toepassing op die percelen waar de functieaanduiding 'wonen' niet is opgenomen en waar slechts een maximum aantal wooneenheden is toegestaan. Voor deze percelen is het noodzakelijk dat er een nadere afweging wordt gemaakt en dat er dus voldaan moet worden aan de in de wijzigingsbevoegdheid opgenomen voorwaarden. Artikel 8 Gemengd De bestemming 'Gemengd' is toegekend aan de locaties waar op het perceel meerdere gelijkwaardige functies aanwezig zijn of waar de uitwisseling van de toegestane functies aanvaardbaar is. Artikel 9 Groen De bestemming 'Groen' is o.a toegekend aan de groenstroken in het plangebied, inclusief het water. Binnen de bestemming zijn fiets- en voetpaden toegestaan. Een gedeelte van de groenvoorzieningen in het noordelijke deel van het plangebied kan ook dienst doen als retentiegebied bij een teveel aan water dat moet worden afgevoerd. De waardevolle bomen die aanwezig zijn binnen deze bestemming worden middels de algemene gebruiksregels beschermd. Er is een omgevingsvergunning nodig voor (o.a.) het verwijderen van groen, ophogen / afgraven van de gronden en aanleggen van verhardingen.
Binnen de aanduiding 'scouting' zijn activiteiten georganiseerd door de Scouting toegestaan. Dit zijn vooral buitenactiviteiten waaronder ook kamperen wordt verstaan. Artikel 10 Groen - Park De bestemming 'Groen - Park' is toegekend aan het gedeelte van het Loyolapark, dat onderdeel uitmaakt van dit bestemmingsplan. Deze bestemming is ook toegekend voor de instandhouding en ontwikkeling van natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Binnen deze bestemming mogen geen gebouwen en ook geen bouwwerken, geen gebouwen zijnde gebouwd worden. Alleen met een omgevingsvergunning voor een binnenplanse afwijking van de regels kan een gebouwtje voor opslag van gereedschap en/of stalling van dieren mogelijk worden gemaakt. Er is een omgevingsvergunning nodig voor (o.a.) het verwijderen van groen, ophogen / afgraven van de gronden en aanleggen van verhardingen. Artikel 11 Horeca De bestemming 'Horeca' is toegekend aan de horecabedrijven en tevens een wellnesscentrum. Horeca tot en met categorie 3 is toegestaan. De wellness-activiteiten mogen uitsluitend ter plaatse van de functieaanduiding plaatsvinden. Per bestemming mag maximaal één bedrijfswoning gebouwd worden. Grootschalige en volumineuze detailhandel is niet toegestaan. Mocht de horecafunctie beëindigd zijn, dan kan de bestemming gewijzigd worden naar de bestemming 'Wonen' of 'Dienstverlening'.
Artikel 12 Maatschappelijk De bestemming 'Maatschappelijk' is toegekend aan de locaties waar religieuze, maatschappelijk en culturele voorzieningen aanwezig zijn. Het gedeelte van het militaire terrein dat onderdeel uitmaakt van het plangebied is middels een specifieke aanduiding opgenomen in deze bestemming. Ook de Scouting is specifiek aangeduid. Voor het militaire blad 49 van 56
terrein is ook een vergunningstelsel opgenomen, dat het weghalen van groen, aanbrengen van verharding alleen mogelijk maakt na het verlenen van een omgevingsvergunning. Artikel 13 Natuur De bestemming 'Natuur' is opgenomen in het noordwestelijke deel van het plangebied. Behoud en herstel van de natuurlijke waarden staat voorop. Gebouwen zijn niet toegestaan. Deze mogen alleen als het bevoegd gezag hier een vergunning voor verleent. Ook in deze bestemming is een omgevingsvergunning nodig voor het verwijderen van groen, ophogen / afgraven van de gronden en aanleggen van verhardingen en andere grondwerkzaamheden. Dit ter bescherming van de aanwezige natuurwaarden. Artikel 14 Sport De bestemming 'Sport' is toegekend aan de sportcomplexen binnen het plangebied. Ondergeschikte horeca ten dienste van de bestemming is toegestaan tot een oppervlakte van maximaal 300 m². Parkeren dient in hoofdzaak op eigen terrein te geschieden. Zelfstandige horeca, detailhandel, verblijfsrecreatie zijn niet toegestaan. Artikel 15 Verkeer De bestemming 'Verkeer' is toegekend aan de wegen, voet- en fietspaden en infrastructurele voorzieningen en straatmeubilair in het plangebied. Ook parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en nutsvoorzieningen zijn binnen de bestemming mogelijk.
Artikel 16 Verkeer - Railverkeer De bestemming 'Verkeer - Railverkeer' is toegekend aan het gedeelte van het spoor dat buiten het tracebesluit valt. Binnen deze bestemming zijn bouwwerken geen gebouwen zijnde toegestaan. Dit zijn bouwwerken ten behoeve van de geleiding van het railverkeer en/of geluidwerende voorzieningen. Artikel 17 Water De bestemming 'Water' is toegekend aan de waterpartijen / vijvers in het plangebied. Hier mogen geen gebouwen gebouwd worden maar wel infrastructurele voorzieningen zoals bruggen en duikers. Artikel 18 Waterstaat - Waterkering De dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' is toegekend aan de beschermingszone van het afwateringskanaal ‘s-Hertogenbosch-Drongelen. Bouwwerken en werkzaamheden mogen geen nadelige gevolgen hebben voor de bescherming van dit kanaal. Artikel 19 Wonen De meest voorkomende bestemming in het plangebied in de bestemming 'Wonen'. Hier vallen alle woningen in het plangebied onder. Per bouwvlak op de verbeelding is één woning toegestaan tenzij er een aanduiding is opgenomen met een afwijkend aantal. Bij woningen is een bedrijf- of beroep aan huis toegestaan. De locaties waar nu een afwijkende functie aanwezig is, zijn specifiek aangeduid in de regels en op de verbeelding. Hoofdgebouwen moeten in het bouwvlak gebouwd worden en mogen maximaal 14 meter hoog worden, tenzij op de planverbeelding anders ia aangeduid.
De goothoogte mag blad 50 van 56
maximaal 8 meter bedragen. De bouw- en goothoogte van bijgebouwen mogen 5 meter en 3,25 meter bedragen en moeten binnen het gebied gebouwd worden dat is voorzien van de aanduiding 'bijgebouwen', maar mogen ook binnen het bouwvlak worden gebouwd .
5.4
Algemene regels In de algemene regels worden de regels beschreven die voor allen bestemmingen geldend zijn. Het gaat dan om de volgende regels die in dit plan zijn opgenomen: Artikel 20 Anti-dubbeltelregel Deze regel is opgenomen om bijvoorbeeld te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel of een bepaalde oppervlakte van een bouwperceel mogen beslaan, het resterende onbebouwde terrein ook nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. De redactie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening en overeenkomstig opgenomen. Artikel 21 Algemene bouwregels In de algemene bouwregels zijn regels opgenomen voor het ondergronds bouwen van kelders en afvalcontainers in het plangebied. Kelders moeten onder het gebouw gerealiseerd worden en mogen geen zelfstandige toegang van buitenaf krijgen. Ook zijn er algemene regels opgenomen voor de realisatie van nutsvoorzieningen. De bouwaanduidingen voor monumenten en beeldbepalende panden zijn hier ook opgenomen. Artikel 22 Algemene gebruiksregels Een aantal vormen van gebruik wordt in het algemeen in dit bestemmingsplan niet toegestaan. Welke dat zijn en hoe hiermee omgegaan wordt, is opgenomen in dit artikel. Tevens zijn er regels opgenomen voor het toestaan van evenementen die maximaal 7 dagen mogen duren.
Tevens zijn in dit artikel de parkeernormen opgenomen waar bij functiewijziging en/of uitbreiding aan voldaan moet worden. Deze parkeerplekken moeten dan gerealiseerd worden en in stand gehouden worden. De regels voor aan huis gebonden beroepen/bedrijven zijn eveneens beschreven in dit artikel. Binnen een gedeelte van de oppervlakte van de woning is een beroep/bedrijf aan huis toegestaan. In dit artikel is ook een regeling opgenomen voor kamerverhuur. Dit kan alleen toegestaan worden nadat het bevoegd gezag hiervoor een vergunning verleend heeft. Door de initiatiefnemer dient aangetoond te worden dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het woon- en leefklimaat, er voldoende parkeerplekken zijn (ook voor fietsen) en er geen onevenredige toename van de verkeersaantrekkende werking plaatsvindt. Artikel 23 Algemene aanduidingsregels De algemene aanduidingsregels zijn opgenomen om een aantal veiligheidzones langs het spoor en de weg te beschermen en een veiligheidszone voor het behoud en herstel watersystemen.
blad 51 van 56
Tevens is een zone opgenomen voor een evenemententerrein, specifiek voor jeugdwerk. Tenslotte is er een regeling opgenomen voor het kappen van waardevolle bomen en groenstructuren in het plangebied. Deze bomen en groenstructuren zijn aangeduid met de aanduiding 'overige zone - groen Stadhouderspark ' op de verbeelding of opgenomen in bijlage 2 van de regels. Kappen van deze bomen en groenstructuren is niet zondermeer mogelijk en kan alleen plaatsvinden na vergunningverlening van de gemeente. Artikel 24 Algemene afwijkingsregels In dit artikel is in aanvulling op de afwijkingsregels uit de bestemmingen nog een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Het betreft hier een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken. Artikel 25 Algemene wijzigingsregels Op grond van de mogelijkheden in dit artikel kan het plan gewijzigd worden om in geringe mate de bestemmingsgrenzen tot maximaal 2 meter te overschrijden indien de werkelijke situatie afwijkt van de planologische situatie op de verbeelding.
5.5
Overgangs- en slotregels In deze regels wordt het overgangsrecht, zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening, overgenomen. Als laatste wordt de slotregel opgenomen, ook zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening. Deze regel schrijft voor hoe het plan kan worden aangehaald.
blad 52 van 56
Hoofdstuk 6
Financiele uitvoerbaarheid Bij een bestemmingsplan dient inzicht gegeven te worden in de financiele uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan heeft tot doel de bestaande situatie te bestemmen. Het opnieuw vastleggen van bestaande rechten heeft geen financiele consequenties voor de gemeente. Er worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt waarvoor op dit moment met initiatiefnemers financiele afspraken gemaakt hoeven te worden in het kader van de bestemmingsplanprocedure. De financiële haalbaarheid van mogelijke ontwikkelingen op grond van de vigerende bouwtitels, alsmede wijzigings- of afwijkingsbevoegdheden binnen het bestemmingsplan dienen afzonderlijk te worden aangetoond door de initiatiefnemers zelf. Er is dan ook geen noodzaak om een anterieure overeenkomst en/of exploitatieplan op te stellen. Het bestemmingsplan Vught Noord 2022 is daarmee financieel uitvoerbaar.
blad 53 van 56
vastgesteld bestemmingsplan Vught Noord 2022 Gemeente Vught Projectnummer 478521.100
blad 54 van 56
Hoofdstuk 7
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het bestemmingsplan heeft de in de Wet ruimtelijke ordening vastgelegde procedure doorlopen. In dit hoofdstuk wordt de te volgen procedure kort beschreven.
7.1
Voorontwerp bestemmingsplan De eerste stap in de bestemmingsplanprocedure is, op grond van artikel 1.3.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de vooraankondiging dat de gemeente een bestemmingsplanproceure gaat starten. De eerste stap is een voorontwerp bestemmingsplan in procedure brengen. Het voorontwerp bestemmingsplan zal ex artikel 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening worden aangeboden aan Rijksoverheid, provincie, Waterschap en andere belanghebbende instanties zodat deze diensten hun reactie kunnen geven op de inhoud van het bestemmingsplan. Eventuele reacties worden door het college van burgemeester en wethouders van inhoudelijk commentaar voorzien. Dit kan leiden tot aanpassingen van het voorontwerp. Het voorontwerp van het bestemmingsplan Vught Noord 2022 heeft van 11 maart tot en met 21 april 2021 ter inzage gelegen. Daarbij is een ieder in de gelegenheid gesteld om mondeling of schriftelijk zijn mening over het plan kenbaar te maken. Van de terinzagelegging is vooraf kennis gegegeven in het weekblad 'Het Klaverblad' en via de gemeentelijke website op 10 maart 2021. Tegen het voorontwerp zijn 13 inspraakreacties binnengekomen. In de bij dit plan behorende 'Nota inspraak en vooroverleg voorontwerp-bestemmingsplan 'Vught Noord 2022'. zijn de inspraak- en vooroverlegreacties, samengevat weergegeven en is de reactie van de gemeente geformuleerd.
Daarna is aangegeven op welke wijze het voorontwerp mogelijk is aangepast. Na deze fase is er sprake van een ontwerp-bestemmingsplan.
7.2
Ontwerp bestemmingsplan Het ontwerp-bestemmingsplan is vanaf 27 oktober 2022 gedurende zes weken ter inzage gelegd. Binnen deze termijn kon een ieder een zienswijze kenbaar maken. Van deze gelegenheid is gebruik gemaakt en er zijn 7 zienswijzen ingediend. In de bij dit plan behorende 'Nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen bestemmingsplan Vught Noord 2022' zijn de zienswijzen samengevat weergegeven en is de reactie van de gemeente formuleerd. Alle ingekomen zienswijzen zijn door de gemeenteraad betrokken bij het besluit om het bestemmingsplan vast te stellen. Indieners hebben de kans gekregen om hun zienswijze mondeling toe te lichten tijdens een commissievergadering. In de bovengenoemde Nota van zienswijzen is aangegeven of een zienswijze gegrond of ongegrond is verklaard en of een zienswijze geleid heeft tot aanpassing van het ontwerp-bestemmingsplan. Tevens zijn er nog enkele ambtshalve wijzigingen doorgevoerd. Een overzicht daarvan is ook opgenomen in de nota van zienswijzen.
blad 55 van 56
7.3
Vastgesteld bestemmingsplan Het door de gemeenteraad vastgestelde bestemmingsplan wordt zes weken ter inzage gelegd zodat beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Middels een verzoek om voorlopige voorziening kan de inwerkingtreding van het plan worden opgeschort.
blad 56 van 56