CConstaterende datVught
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage - Toelichting en regels bestemmingsplan

Raadsvergadering 25 november 2021, gemeente VughtBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemming St. Lambertusstraat ong. Cromvoirt19.958 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan St. Lambertusstraat ong. te Cromvoirt Gemeente Vught Vast te stellen

Bestemmingsplan St. Lambertusstraat ong. te Cromvoirt Gemeente Vught Vast te stellen

Rapportnummer:

P02758_6

IMRO-identificatienummer:

NL.IMRO.0865.crvBPslambertusong-ON01

Datum:

16 september 2021

Projectteam BRO:

TS

Concept:

april 2020

Voorontwerp:

september 2020

Ontwerp:

maart 2021

Vaststelling:

november 2021

Bron foto kaft:

BRO

Beknopte inhoud:

Bestemmingsplan ten behoeve van het toevoegen van een bouwvlak voor één woning aan de St. Lambertusstraat ong. (tussen nummers 102 en 102a) te Cromvoirt (gemeente Vught).

BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl

Toelichting

Hoofdstuk 6

43

Inhoudsopgave

pagina

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer

4 4 4 5 6

2. PLANBESCHRIJVING

6

3. BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid

9 9

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.2 Provinciaal beleid

9 9 10 11

3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant 3.3 Gemeentelijk beleid

11 12

3.3.1 Structuurvisie Vught 3.3.2 Gebiedsvisie Buitengebied Vught 3.3.3 Woonvisie en woningbouwprogramma 3.3.4 Parkeerbeleid en Parkeernota 2013-2022

12 14 14 15

4. OMGEVINGSASPECTEN 4.1 Verkeer en parkeren

16 16

4.1.1 Toetsingskader 4.1.2 Onderzoek 4.1.3 Conclusie 4.2 Geluid

16 16 16 17

4.2.1 Toetsingskader 4.2.2 Onderzoek 4.2.3 Conclusie 4.3 Luchtkwaliteit

17 18 18 18

4.3.1 Toetsingskader 4.3.2 Onderzoek 4.3.3 Conclusie 4.4 Bedrijven en milieuzonering

18 19 20 21

4.4.1 Toetsingskader 4.4.2 Onderzoek

Inhoudsopgave

21 21

1

4.4.3 Geuronderzoek 4.4.4 Akoestisch onderzoek industrielawaai 4.4.5 Conclusie 4.5 Geur agrarisch

22 23 23 23

4.5.1 Toetsingskader 4.5.2 Onderzoek 4.5.3 Conclusie 4.6 Externe veiligheid

23 24 24 24

4.6.1 Toetsingskader 4.6.2 Onderzoek 4.6.3 Conclusie 4.7 Ecologie

24 25 25 25

4.7.1 Toetsingskader 4.7.2 Onderzoek 4.7.3 Conclusie 4.8 Bodem

25 27 28 28

4.8.1 Toetsingskader 4.8.2 Onderzoek 4.8.3 Conclusie 4.9 Water

28 28 28 29

4.9.1 Toetsingskader 4.9.2 Onderzoek 4.9.3 Conclusie 4.10 Archeologie

29 29 30 31

4.10.1 Toetsingskader 4.10.2 Onderzoek 4.10.3 Conclusie 4.11 Cultuurhistorie

31 31 32 33

4.11.1 Toetsingskader 4.11.2 Onderzoek 4.11.3 Conclusie 4.12 Toetsing Besluit m.e.r. / Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4.13 Explosieven

33 33 34 34 35

5. JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Inleiding 5.2 Plansystematiek 5.3 Bestemmingen

37 37 37 39

6. UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid

40 40

Inhoudsopgave

2

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

40

6.2.1 Inspraak en vooroverleg 6.2.2 Vaststellingsprocedure

40 41

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 2: Geuronderzoek Bijlage 3: Akoestisch onderzoek industrielawaai Bijlage 4: Quickscan Flora en Fauna Bijlage 5: Bodemonderzoek Bijlage 6: Archeologisch onderzoek Bijlage 7:Selectiebesluit Archeologie Bijlage 8: Aerius berekening Bijlage 9: Aanmeldnotitie MER Bijlage 10: Programma van Eisen archeologie Bijlage 11: Proefsleuvenonderzoek Bijlage 12: Selectiebesluit archeologie Bijlage 13: Nota inspraak

Inhoudsopgave

3

1.

INLEIDING 1.1 Aanleiding Het voornemen bestaat om één kleine (senioren) woning te realiseren op het perceel aan de St. Lambertusstraat ong. (tussen nummers 102 en 102a) te Cromvoirt. In de huidige situatie is het in gebruik als tuin. De gewenste woning kan niet gerealiseerd worden conform het geldende bestemmingsplan “Buitengebied 2011” vastgesteld op 14 mei 2014. Het plangebied heeft namelijk de bestemming ‘Wonen’, maar door het ontbreken van een bouwvlak is het niet mogelijk om een woning te bouwen. Om deze reden is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk op deze locatie. Onderhavig bestemmingsplan geeft de nieuwe kaders aan het plangebied en maakt het mogelijk om de gewenste woning te realiseren.

1.2 Plangebied Het plangebied is gelegen aan het adres St. Lambertusstraat ong. (tussen nummers 102 en 102a) te Cromvoirt. Cromvoirt is een dorp in de gemeente Vught, gelegen in de provincie Noord-Brabant. In het noorden wordt het plangebied begrensd door de St. Lambertusstraat. Ten noorden van het plangebied ligt een weiland. Ten oosten van het plangebied (St. Lambertusstraat 102) staat een gebouw, waarin een detailhandel gevestigd is. Aan de westkant (St. Lambertusstraat 102a) van het plangebied staat een gesplitste woonboerderij. Kadastraal staat het plangebied bekend als de gemeente Vught, sectie I en perceel nummer 740. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 1.840 m 2.

Figuur 1.1: Ligging plangebied (bron: pdok.nl)

Hoofdstuk 1

4

Figuur 1.1: Begrenzing plangebied op luchtfoto met kadastrale percelen (bron: pdok.nl)

1.3 Vigerend bestemmingsplan Voor onderhavig plangebied is het bestemmingsplan “Buitengebied 2011”, onherroepelijk vastgesteld op 14 mei 2014, vigerend. Een uitsnede van de verbeelding (bestemmingsplankaart) van dit plan is weergegeven in figuur 1.3. Voor het perceel geldt de bestemming ‘Wonen - 1’. Daarnaast zijn de volgende gebiedsaanduidingen op het perceel aanwezig:  Gebiedsaanduiding ‘Bebouwde kom Cromvoirt’;  Gebiedsaanduiding ‘Middelhoge en hoge archeologische verwachtingswaarde’. De op de plankaart voor ‘Wonen – 1’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:  Wonen in de vorm van woningen, niet zijnde woonwagens, al dan niet in combinatie met een bedrijf of beroep aan huis;  Bed & breakfast met maximaal 5 kamers binnen de bestaande bebouwing; met de daarbij behorende voorzieningen:  Tuinen, erven en terreinen;  Parkeervoorzieningen;  Nutsvoorzieningen;  Water en waterhuishoudkundige voorzieningen;  Groenvoorzieningen. Voor het bouwen van woningen geldt de volgende regel:  Per bouwvlak is één woning toegestaan, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’ het maximum aantal woningen geldt zoals aangegeven op de verbeelding. De gewenste woning kan gezien bovenstaande bestemmingsomschrijving niet worden gerealiseerd binnen de huidige woonbestemming. Dit komt doordat er geen bouwvlak aanwezig is op het perceel.

Hoofdstuk 1

5

Om de woning mogelijk te maken is daarom een afwijking middels een bestemmingsplanherziening noodzakelijk.

Figuur 1.2: Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan 'Buitengebied 2011' met ligging plangebied (rood omkaderd) (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 waarin een beschrijving van het plan is opgenomen. De daaropvolgende hoofdstukken vormen de verantwoording van de ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. In hoofdstuk 3 wordt het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in diverse planologische aspecten die van belang zijn voor het voorliggende bestemmingsplan. In hoofdstuk 5 is de juridische toelichting op de planopzet gegeven. In het laatste hoofdstuk komt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde.

Hoofdstuk 1

6

2.

PLANBESCHRIJVING Het perceel aan de St. Lambertusstraat ong. te Cromvoirt is op dit moment in gebruik als tuin. Er is geen bebouwing aanwezig op het perceel. Aan de noordzijde van het perceel staat een hek die het perceel van de openbare weg scheidt. Een aanzicht van de huidige situatie is weergegeven in figuur 2.1.

Figuur 2.1: Weergave huidige situatie plangebied (bron: Google Maps)

Initiatiefnemer heeft het voornemen om één woning te realiseren. Hiervoor moet een bouwvlak worden toegevoegd in het plangebied. De woning wordt gericht op de St. Lambertusstraat. De voorgevel heeft een breedte van 7 meter. De woning krijgt een diepte van maximaal 8 meter en bestaat uit één bouwlaag met kap. De voorgevelrooilijn ligt op 3 meter vanaf de weg. De maximale goothoogte bedraagt 4 meter en de maximaal bouwhoogte/ nokhoogte bedraagt 6 meter. Om de woning te ontsluiten, wordt een uitrit toegevoegd. De uitrit zal aangelegd worden tussen de bestaande bomenstructuur en de verkeersdrempel. Hier is voldoende ruimte voor. Zowel de bomen als de drempel blijven intact. Hierbij wordt rekening gehouden met de verkeersveiligheid. In figuur 2.2 is een globale weergave van de toekomstige situatie weergegeven. De twee bomen aan voorzijde van het kavel zijn onderdeel van de structuurbepalende groenstructuur (van bomen) aan weerzijden van de St.-Lambertusstraat. Deze bomen blijven behouden. Er is voldoende ruimte tussen de bomen voor de toekomstige inrit. In de ‘Parkeerbeleid en Parkeernota 2013 – 2022’ van de gemeente Vught is de parkeernorm van een vrijstaande woning op 2,0 parkeerplaatsen per woning vastgesteld. In de nieuwe situatie is behoefte aan 2,0 parkeerplaatsen. De parkeerplaatsen voor de woning worden volledig op eigen terrein opgevangen.

In de regels is tevens een voorwaardelijke verplichting opgenomen ten aanzien van parkeren

Hoofdstuk 2

7

die borgt dat voldoende parkeergelegenheid gerealiseerd wordt. Ook borgt het ‘Parapluplan Parkeren’ (vastgesteld 6 juni 2018) al dat voldoende parkeerplekken gerealiseerd zal worden.

Figuur 2.2: Impressie toekomstige situatie

Hoofdstuk 2

8

3.

BELEIDSKADER In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het plan toegelicht en wordt het plan hieraan getoetst. Er is sprake van een doorwerking van beleid dat is vastgesteld op verschillende niveaus van bestuur.

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) In de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, vastgesteld op 12 maart 2013, staan de plannen van de Rijksoverheid voor ruimte en mobiliteit. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de ruimtelijke ordening over aan de decentrale overheden (provincie en gemeenten) en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor die belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Tevens werkt het Rijk aan een eenvoudigere regelgeving. Hierdoor neemt de bestuurlijke druk af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk.

Uit de 13 nationale belangen zijn voor de regio Brabant de volgende opgaven van nationaal belang naar voren gekomen:  Het verbeteren van het vestigingsklimaat van de Brainport Zuidoost-Nederland;  Versterking van de primaire waterkeringen;  Deelprogramma’s Veiligheid, Zoetwater, en Nieuwbouw en herstructurering van het Deltaprogramma;  EHS inclusief Natura 2000-gebieden;  Buisleidingennetwerk ruimtelijk mogelijk maken;  Onderzoek naar goederenvervoer over het spoor;  Hoofdenergienetwerk (380 KV) over de grens;  Voorkeursgebieden grootschalige windenergie Westelijk Noord-Brabant. Conclusie Het initiatief aan de St. Lambertusstraat ong. te Cromvoirt heeft geen nationaal belang en het rijksbeleid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. Deze vorm van normstelling sluit aan op de vroegere planologische kernbeslissingen (pkb’s) met concrete beleidsbeslissingen en beslissingen van wezenlijk belang die ook van betekenis waren voor de lagere overheden. Het besluit (eerste tranche) is vastgesteld op 22 augustus 2011 en is op 30 december 2011 in werking getreden.

Op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen in werking getreden. In mei 2016 is het Barro op enkele punten geactualiseerd.

Hoofdstuk 3

9

In de SVIR is vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet door de Rijksoverheid. Het gaat onder meer om de volgende nationale belangen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Ecologische Hoofdstructuur, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament en IJsselmeergebied. In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een ‘ja, mits’, een ‘ja, voor zover’, een ‘nee, tenzij’, een ‘nee, als’ of een stringente ‘nee’ bepaling.

Conclusie Er worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt met onderhavig bestemmingsplan die in strijd zijn met één van de nationale belangen. Onderhavige ontwikkeling is dus in overeenstemming met het Barro. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn.1 Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden.

Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Conclusie Met dit initiatief wordt één woning gerealiseerd in de bebouwde kom (en het bestaand stedelijk gebied) van Cromvoirt. Dit wordt niet gezien als een stedelijke ontwikkeling. Het doorlopen van de ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook niet noodzakelijk.

1

O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).

Hoofdstuk 3

10

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant Op 14 december 2018 hebben de Provinciale Staten de omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. Deze omgevingsvisie vervangt de voorheen geldende structuurvisie. Met de omgevingsvisie formuleert de provincie haar ambitie over hoe zij de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit wil zien. Daarbij stelt zij tussendoelen voor 2030, maar legt nu nog niet vast hoe zij die doelen wil bereiken. De provincie wilt daarmee ruimte bieden voor inbreng vanuit partijen en disciplines. Om hiermee aan de slag te gaan is volgens de provincie een verder uitwerking van de ambities nodig in de vorm van programma’s. Met de visie geeft de provincie aan wat zij belangrijk vindt voor de verbetering en duurzame ontwikkeling van Brabant. Daarbij legt zij de focus op vier hoofdopgaven voor de middellange en lange termijn: werken aan energietransitie, een klimaatproof Brabant, de slimme netwerkstad en een concurrerende duurzame economie. Deze vier hoofdopgaven staan ten dienste van de basisopgave: werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Om te komen tot de slimme netwerkstad richt de provincie zich op duurzame verstedelijking. Zij wil daarin richting geven door middel van het bevorderen van regionale afspraken, het sturen op zorgvuldig ruimtegebruik en het periodiek opstellen van prognoses.

Verder wil zij een actieve rol spelen om beweging te stimuleren (o.a. door samen te werken bij gebiedsopgaven en bij het opstellen van uitvoeringsprogramma’s) en gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken. Conclusie De betreffende ontwikkeling vindt plaats binnen het bestaand stedelijk gebied en voldoet daarmee aan de provinciale omgevingsvisie van zorgvuldig ruimte gebruik. Nadere regels van de provincie NoordBrabant voor ruimtelijke projecten zijn opgenomen in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Hierna wordt ingegaan op deze verordening. 3.2.2 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant Op 25 oktober 2019 is de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. De Interim omgevingsverordening betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Interim omgevingsverordening is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de Omgevingswet wordt vastgesteld en die verplicht is voor provincies.

Hoofdstuk 3

11

Figuur 3.1: Uitsnede kaart Interim omgevingsverordening Noord-Brabant met ligging plangebied

In de ‘Interim omgevingsverordening’ is het plangebied aangeduid als landelijke kern. De gebieden aangeduid als ‘landelijke kern’ zijn juist bedoeld voor functies zoals woningen. Er worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt met onderhavig bestemmingsplan die in strijd zijn met één van de provinciale belangen. Conclusie Onderhavige ontwikkeling is in overeenstemming met de Omgevingsverordening.

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie Vught De gemeenteraad van Vught heeft op 19 december 2013 de Structuurvisie Vught vastgesteld. Figuur 3.2 geeft een uitsnede van de plankaart. De ligging van het plangebied is aangegeven. Het plangebied ligt in de het bestaand stedelijk gebied.

Hoofdstuk 3

12

Figuur 3.2: Uitsnede structuurvisie Vught met plangebied omcirkeld

Conclusie In de structuurvisie is onderscheid gemaakt tussen verschillende delen van de gemeente Vught. Het plangebied ligt binnen Cromvoirt. Hier wordt onder andere het volgende over gezegd: De authenticiteit wordt geborgd door het behoud van de karakteristieke dorpslinten inclusief bestaande doorzichten naar het buitengebied. Een deel van de open bebouwingslinten bevindt zich aan de St. Lambertusstraat en de Loverensestraat binnen de bebouwde kom van Cromvoirt. Deze linten waren van oorsprong open boerderijlinten en zijn in de loop der tijd verdicht. Inbreiding langs deze linten is evenwel mogelijk mits de belangrijkste doorzichten behouden blijven. Onderhavig initiatief voorziet in de ontwikkeling van één woning in de bebouwde kom van Cromvoirt aan de St. Lambertusstraat. De bebouwde kom is bedoeld voor functies zoals deze woning. Er is hiermee ook geen sprake van uitbreiding van de kern. Daarnaast wordt gezorgd dat de openheid en doorzichten zo veel mogelijk behouden blijven. In figuur 3.2 zijn belangrijke doorzichten aan de straat weergegeven. Hier is te zien dat ter plaatse van de nieuwe woning geen doorzicht is opgenomen. Wel is aan de overzijde van de straat zo’n doorzicht ingetekend. Hier doet het plan geen afbreuk aan. De St Lambertusstraat is in de afgelopen decennia al steeds meer volgebouwd.

Op de initiatieflocatie is een kleine opening van 13 meter overgebleven, terwijl andere openingen vele malen breder zijn. De realisatie van één woning op deze locatie zal daarom een kleine ingreep zijn, die geen onevenredige afbreuk doet aan het historische karakter van het lint. In dit gedeelte van het bebouwingslint staan de woningen dichter op elkaar. Op de locatie van het plangebied is een smalle en langgerekte open ruimte aanwezig. Hierdoor wordt de bebouwingsstructuur onderbroken. De bouw van een woning op deze plek vult het bebouwingslint op een logische wijze aan. De ruimtelijke structuur van het bebouwingslint wordt hierdoor vanuit stedenbouwkundig oogpunt versterkt. Dit terwijl grote waardevolle openingen worden gerespecteerd. In de structuurvisie worden verder geen andere aandachtspunten of uitgangspunten beschreven waar onderhavige ontwikkeling niet op aansluit. De ontwikkeling van het initiatief past binnen de structuur bestaand stedelijk gebied en sluit daarmee goed aan op de gemeentelijke structuurvisie.

Hoofdstuk 3

13

3.3.2 Gebiedsvisie Buitengebied Vught De Gebiedsvisie Buitengebied Vught is een beleidsdocument voor het buitengebied op basis waarvan de gemeente kan toetsen of concrete initiatieven toelaatbaar zijn en onder welke voorwaarden. De basis hiervoor zijn de ontstaansgeschiedenis van het gebied en de ruimtelijke vormers van het gebied, ofwel de elementen die kenmerkend zijn. Aan de hand van dit document voert de gemeente dus de regie op de ruimtelijke ontwikkelingen. De gebiedsvisie Buitengebied Vught betrof een uitwerking van de Structuurvisie landelijk gebied 2009. De Structuurvisie landelijk gebied 2009 is na vaststelling van de Structuurvisie Vught komen te vervallen. De gebiedsvisie Buitengebied Vught blijft van kracht als toetsingsinstrument. Het beleid van de gebiedsvisie Buitengebied Vught is grotendeels overgenomen in de Structuurvisie Vught, maar is in de Structuurvisie Vught op enkele plekken aangevuld en herzien. Conclusie Met de bouw van één woning op de locatie van het plangebied gaan geen waardevolle doorzichten verloren. In de planregels is opgenomen dat minimaal één zijde naast de woning vrijgehouden moet worden van bijgebouwen. Hiermee blijft het achterliggende open buitengebied zichtbaar vanaf de weg. Bij het ontwerp van de woning wordt rekening gehouden met het zicht op het buitengebied.

3.3.3 Woonvisie en woningbouwprogramma Woonvisie In de Woonvisie Vught 2016, vastgesteld op 9 juni 2016, zet de gemeente Vught koers uit op het gebied van wonen voor de komende vier jaar. Deze koers is samen met partners bepaald en dit wil de gemeente graag voortzetten met diezelfde partners. De doelstelling van de visie is om iedereen prettig te laten wonen in Vught en woonwensen en woningbehoefte van de inwoners zoveel mogelijk te realiseren binnen de gemeentegrenzen en passend bij het profiel van Vught. De woonvisie is een flexibel document dat ruimte biedt aan initiatieven van inwoners en uit de markt, passend binnen de ambities. Streven naar flexibiliteit is de rode draad die door deze woonvisie loopt. Woningbouwprogramma In het woningbouwprogramma van de gemeente Vught is onder andere gekeken naar de woningbouwbehoefte in de periode 2019-2028. Conclusie De beoogde ontwikkeling sluit aan op de uitgangspunten van de gemeentelijke woonvisie. Daarin staat onder meer dat ingezet moet worden op de bouw van geschikte woningen voor senioren. In de beoogde ontwikkeling wordt een senioren woning gerealiseerd, waardoor wordt aangesloten op de gemeentelijke woonvisie. De toekomstige woning is geschikt voor senioren, aangezien het gebouw bestaat uit een bouwlaag met kap.

Hierdoor kan een slaapruimte op de begane grond gerealiseerd worden en kan in de kap nog een eventuele tweede kleine slaapkamer gerealiseerd worden of wasruimte/berging. De woning wordt daarmee specifiek ingericht voor senioren. In het woningbouwprogramma van Vught wordt bij de doorkijk naar de periode 2021-2028 specifiek ‘Cromvoirt bp Buitengebied’ als zachte plancapaciteit genoemd. Het aantal te bouwen woningen wordt verder niet benoemd. In het woningbouwprogramma worden geen specifieke aandachtspunten beschreven voor dit plan. Daarnaast is sprake van de toevoeging van slechts een seniorenwoning. Dit past binnen het programma van Vught.

Hoofdstuk 3

14

3.3.4 Parkeerbeleid en Parkeernota 2013-2022 De gemeente Vught streeft naar een evenwichtige balans tussen parkeervraag en –aanbod waarbij aan de parkeerbehoefte van diverse doelgroepen (bewoners, bezoekers en bedrijven) zoveel mogelijk wordt voldaan, zonder dat dit ten koste gaat van de leefbaarheid in de wijk en de kwaliteit van de openbare buitenruimte. Hiervoor heeft de gemeente Vught haar “Parkeerbeleid en Parkeernota 20132022” vastgesteld. Dit beleid is uitgangspunt voor het parkeerbeleid binnen de gemeente en is gehanteerd bij het samenstellen van de parkeerbalans. Conclusie Voor de beoogde ontwikkeling speelt de vraag wat de parkeerbehoefte is en op welke wijze deze parkeervraag kan worden ingepast. Uitgangspunt daarbij is dat deze ruimtebehoefte in principe op eigen terrein, dus niet in de openbare ruimte wordt opgevangen. De parkeernota van de gemeente is tevens opgenomen in het paraplu bestemmingsplan van de gemeente Vught. Voor het onderdeel parkeren wordt verwezen naar paragraaf 4.1.

Hoofdstuk 3

15

4.

OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst.

4.1 Verkeer en parkeren 4.1.1 Toetsingskader Verkeer Voor het onderdeel verkeer is het van belang dat met een ontwikkeling geen nadelige gevolgen ontstaan voor de verkeersdrukte en –veiligheid. Om te bepalen wat de invloed is van een nieuwe functie op het verkeer wordt gebruik gemaakt van CROW-kengetallen, die zijn opgenomen in de Nota “Toekomstbestendig parkeren – Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie”. Parkeren De gemeente Vught streeft naar een evenwichtige balans tussen parkeervraag en –aanbod waarbij aan de parkeerbehoefte van diverse doelgroepen (bewoners, bezoekers en bedrijven) zoveel mogelijk wordt voldaan, zonder dat dit ten koste gaat van de leefbaarheid in de wijk en de kwaliteit van de openbare buitenruimte. Hiervoor heeft de gemeente Vught haar “Parkeerbeleid en Parkeernota 20132022” vastgesteld. Dit beleid is uitgangspunt voor het parkeerbeleid binnen de gemeente en is gehanteerd bij het samenstellen van de parkeerbalans. 4.1.2 Onderzoek Verkeer De toevoeging van één woning heeft een zeer beperkte impact op het verkeersaspect. De St. Lambertusweg is een belangrijke ontsluiting van Cromvoirt, met een relatief hoge verkeersintensiteit. De toevoeging van één woning aan deze straat heeft geen negatieve invloed op de verkeersdrukte. De verkeersgeneratie van één woning bedraagt namelijk maximaal circa 8,6 mvt/etmaal (volgens CROW publicatie 381).

Bij de woning wordt een uitrit gerealiseerd, die aansluiting vindt op de St. Lambertusstraat. Tussen de bomen aan de voorzijde van het perceel is voldoende ruimte om met een voertuig het perceel te bereiken. Bij de aanvraag van de vergunning voor de inrit wordt rekening gehouden met de aansluiting op de weg en de drempel. Parkeren In de ‘Parkeerbeleid en Parkeernota 2013 – 2022’ van de gemeente Vught is de parkeernorm van een vrijstaande woning op 2,0 parkeerplaatsen per woning vastgesteld. In de nieuwe situatie is behoefte aan 2,0 parkeerplaatsen. De parkeerplaatsen voor de woning worden volledig op eigen terrein opgevangen. Hierbij zal worden voldaan aan hetgeen is opgenomen in het ‘Parapluplan Parkeren’ (vastgesteld 6 juni 2018). In de regels is tevens een voorwaardelijke verplichting opgenomen ten aanzien van parkeren die borgt dat voldoende parkeergelegenheid gerealiseerd wordt. 4.1.3 Conclusie Het aspect ‘verkeer en beleid’ zorgt niet voor belemmeringen.

Hoofdstuk 4

16

4.2 Geluid 4.2.1 Toetsingskader Wegverkeer Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor:  De toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg;  De aanleg van een nieuwe weg;  De reconstructie van een bestaande weg. De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten. Tabel: Breedte geluidszones langs wegen Stedelijk gebied Buiten stedelijk gebied

Aantal rijstroken

Zone breedte

1 of 2

200 meter

3 of meer

350 meter

1 of 2

250 meter

3 of 4

400 meter

5 of meer

600 meter

In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient middels een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld. Tabel: Maximale ontheffingswaarden Situatie

Maximale ontheffings-

Artikel

waarde Stedelijk gebied 

Nieuwe woningen

63 dB

Artikel 83, lid 2 Wgh

Vervangende nieuwbouw

68 dB

Artikel 83, lid 5 Wgh

Buiten stedelijk gebied 

Nieuwe woningen

53 dB

Artikel 83, lid 1 Wgh

Agrarische bedrijfsbebouwing

58 dB

Artikel 83, lid 4 Wgh

Vervangende nieuwbouw

58 dB

Artikel 83, lid 7 Wgh

Vervangende nieuwbouw* binnen de zone van

63 dB

Artikel 83, lid 6 Wgh

een autoweg of autosnelweg

*Met dien verstande dat de vervanging niet zal leiden tot een ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige functie of structuur en een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden bij toetsing op bouwplanniveau voor ten hoogte 100 woningen.

Hoofdstuk 4

17

4.2.2 Onderzoek Er is door K+ Adviesgroep onderzoek uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen Het akoestisch onderzoek is niet noodzakelijk in het kader van de Wet geluidhinder gezien het plan niet binnen de zone van een gezoneerde weg ligt. Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd in het kader van een goede ruimtelijke ordening. De Sint Lambertusstraat is opgenomen in het onderzoek. Er is sprake van een 30 km/zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt de weg wel beschouwd en wordt ook het toetsingskader van de Wet geluidhinder gehanteerd. In een aantal waarneempunten zijn gevelbelastingen vastgesteld hoger dan de ‘voorkeursgrenswaarde’. De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 65 dB, zonder aftrek artikel 110g. Zou die aftrek wel worden gehanteerd, dan is de geluidbelasting 60 dB waarmee deze boven de voorkeursgrenswaarde zou liggen wanneer getoetst zou worden aan de Wet geluidhinder. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. Omdat geen sprake is van een gezoneerde weg, hoeft ook geen hogere waarden ten aanzien van deze weg worden aangevraagd. Formeel hoeven ten gevolge van deze weg geen maatregelen te worden getroffen aan de gevel.

Goede ruimtelijke ordening Wel moet sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening. Uit het oogpunt van wooncomfort en gezondheid wordt daarom geadviseerd wel maatregelen te treffen om een binnenniveau van 33 dB te garanderen. In het akoestisch onderzoek zijn in tabel 4.2 kolom ‘comforteis’ de benodigde gevelgeluidweringen weergegeven. Om te zorgen voor een binnenwaarde van maximaal 33 dB dient de gevel op punten minimaal 32 dB te weren. In het kader van de omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen zal gekeken worden naar de gevelwering. 4.2.3 Conclusie Het aspect ‘akoestiek’ zorgt niet voor belemmeringen. In de regels van dit bestemmingsplan is geborgd dat aan de maximale binnenwaarde van 33 dB zal worden voldaan. Hiermee is geborgd dat in de woning een goed woon- en leefklimaat aanwezig is.

4.3 Luchtkwaliteit 4.3.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:  er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;  het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;  het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;

Hoofdstuk 4

18

het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.

Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:  het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM;  het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3). 4.3.2 Onderzoek Bij het bepalen van wat ‘niet in betekenende mate is’ gaat het uitsluitend om de toename van de concentraties fijnstof. Dit kan berekend worden op basis van de NIBM-tool. Hieronder is het resultaat weergegeven op basis van de verkeersgegevens uit paragraaf 4.1. Geconcludeerd wordt dat het plan valt binnen de regeling NIBM. Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie

2021

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

8,6

Aandeel vrachtverkeer

0,0%

NO2 in μg/m3

0,01

PM10 in μg/m3

0,00

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m 3

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig

Daarnaast moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening gekeken worden of sprake is van een goed wonen en leefklimaat in het kader van de luchtkwaliteit. Dit kan o.a. achterhaald worden op basis van de NSL-monitoringstool en kaarten uit de Atlas Leefomgeving. In onderstaande tabel zijn de waarden uit de NSL-monitoringstool weergegeven ter plaatse van de dichtstbijzijnde meetpunten. Id

NO2 μg/m3

PM10 μg/m3

PM10 over- PM2.5 schrijdings- μg/m3 dagen

Jaar

20979

14.5

17.7

6.2

10.9

2020

20980

14.4

17.7

6.2

10.9

2020

21053

14.3

17.7

6.2

10.9

2020

21054

14.3

17.7

6.2

10.9

2020

708225

19.8

19.0

6.8

11.6

2020

732065

20.7

18.9

6.8

11.6

2020

Norm

40

40

35

25

Hoofdstuk 4

19

Uit het overzicht kan afgelezen worden dat de waarden van fijnstof en stikstof ter plaatse van het plangebied ruim onder de gestelde norm liggen. Geconcludeerd wordt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. In figuur 4.1. zijn daarnaast kaarten weergegeven met de gehaltes stikstof en fijnstof in de lucht. Hier is te zien dat bij het plangebied sprake is van concentraties die beschouwd kan worden als een matig tot goed leefklimaat. Zowel in de huidige als toekomstige situatie (na planrealisatie) is dus sprake van een acceptabele luchtkwaliteit bij het plangebied.

Figuur 4.1: Kaarten luchtkwaliteit (bron; Atlas Leefomgeving)

4.3.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat en het plan geen negatieve invloed heeft op luchtkwaliteit.

Hoofdstuk 4

20

4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.4.1 Toetsingskader Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 2. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. 4.4.2 Onderzoek Aan de oostzijde van het plangebied ligt een perceel met de bestemming ‘Detailhandel’. Op basis van het bestemmingsplan Buitengebied 2011 is het mogelijk om op deze locatie detailhandel te vestigen. Op basis van de VNG-Brochure geldt een richtafstand van 10 meter gerekend vanaf de perceelsgrens. De nieuw te bouwen woning valt hierbinnen.

Op korte afstand mag een woning gerealiseerd worden, mits op basis van akoestisch onderzoek, aangetoond wordt dat voldaan kan worden aan de geldende geluidsnormen en er sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor de bewoners. Op de locatie St. Lambertusstraat 108 is veebedrijf Rooij Landbouw BV gevestigd. Kijkend naar de omgekeerde werking van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) voor geurcontouren, dan geldt voor rundvee en paarden dat een vaste richtafstand in acht moet worden genomen. Binnen de bebouwde kom bedraagt de richtafstand 100 meter voor een geurgevoelig object. Het plangebied valt binnen

2

‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.

Hoofdstuk 4

21

deze richtafstand. Op korte afstand mag een woning gerealiseerd worden, mits het bedrijf aan de eisen van de Wet geurhinder en veehouderijen (Wgv) en-/ of het activiteitenbesluit voldoet en gemotiveerd kan worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor woningen zonder het bedrijf in zijn belangen te schaden. In het noordoosten van het plangebied ligt de bestemming ‘Bedrijf’ met functieaanduiding ‘Specifieke vorm van bedrijf – palletbedrijf en mozaiekhandel’. Op basis van het bestemmingsplan Buitengebied 011 is het mogelijk om op deze locatie een palletbedrijf en mozaiekhandel te vestigen. Op basis van de VNG-Brochure geldt een richtafstand van 30 meter gerekend vanaf de perceelsgrens. De nieuw te bouwen woning valt hierbuiten. Hieronder zijn de verschillende milieucategorieën weergegeven per bestemming, met daarnaast de aan te houden richtafstand en de daadwerkelijke afstand tot de woning. Bestemming/ functie Wonen Detailhandel Agrarisch Bedrijf

Milieucategorie 1 3.2 2

Richtafstand 10 m 100 m 30 m

Daadwerkelijke afstand 0m 0m 42 m 50 m

Uit de tabel blijkt dat een nader onderzoek moet worden verricht voor geur en geluid.

Figuur 4.2: Bestemmingsplan Buitengebied 2011, plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl).

4.4.3 Geuronderzoek Er is door De Roever Omgevingsadvies een geuronderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen bij deze toelichting. Hieronder worden de belangrijkste conclusies beschreven.

Hoofdstuk 4

22

Geconcludeerd wordt dat:  ten aanzien van afstanden sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat veehouderijen niet in hun belangen worden geschaad;  ten aanzien van voorgrondbelasting is sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat veehouderijen niet in hun belangen worden geschaad:  ten aanzien van de achtergrondbelasting sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Geurhinder van veehouderijen vormt geen belemmering voor het plan. 4.4.4 Akoestisch onderzoek industrielawaai Om te bepalen wat de eventuele hinder is van de naastgelegen detailhandel is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek, opgesteld door De Roever Omgevingsadvies, is opgenomen in de bijlagen bij deze toelichting. Hieronder worden de belangrijkste conclusies beschreven. In het onderzoek is de maximale planologische situatie in beeld gebracht voor detailhandel. Er is geconstateerd dat bestaande woningen al een beperking voor mogelijke bedrijfsactiviteiten vormen. Dat geldt vooral voor verkeersbewegingen in de avond- en nachtperiode. Bij de nieuwe woning kan er theoretisch sprake zijn van piekgeluiden hoger dan de wettelijke normen. Met geluidswering van de gevels van de nieuwe woning dat noodzakelijk is in verband met hoge geluidbelasting als gevolg van het verkeer zou er geen sprake zijn van te hoge binnenniveau.

Bij starten of wijzigen van bedrijfsactiviteiten naast de nieuwe woning moet in de toekomst altijd rekening te worden gehouden met de normen uit het Activiteitenbesluit. In de huidige situatie vormt de nieuwe woning geen beperking voor bestande bedrijfsactiviteiten. 4.4.5 Conclusie Op basis van de uitgevoerde quickscan en onderzoeken kan geconcludeerd worden dat bij de woning sprake is van een goed woon- en leefklimaat en de woning de omliggende bedrijven niet in hun belangen schaadt. Het onderdeel bedrijven en milieuzonering zorgt niet voor belemmeringen.

4.5 Geur agrarisch 4.5.1 Toetsingskader Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend. De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld.

Hoofdstuk 4

23

4.5.2 Onderzoek De gewenste woning ligt binnen de geurcirkel (100 meter) van het agrarische bedrijf aan de St. Lambertusstraat 108. Om aan te tonen dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat heeft een geuronderzoek plaatsgevonden. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 4.4. 4.5.3 Conclusie Het aspect ‘geur’ zorgt niet voor belemmeringen.

4.6 Externe veiligheid 4.6.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met:  Activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;  Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;  Transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.

Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (Pr) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.

Hoofdstuk 4

24

4.6.2 Onderzoek In figuur 4.3 is een uitsnede van de risicokaart weergegeven. Hier is te zien dat in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen of buisleidingen liggen. In het zuidwesten van het plangebied loopt een aardgasleiding. De leiding heeft een uitwendige diameter van 12.76 inch en een maximale werkdruk van 40 bar. Voor deze leiding geldt een 100% letaliteitsafstand van 70 meter en 1% letaliteitsafstand van 140 meter. Het plangebied ligt op circa 280 meter en dus buiten de risicoafstanden. Een verantwoording van het groepsrisico is daarom ook niet noodzakelijk. 4.6.3 Conclusie Er zijn geen belemmeringen ten aanzien van het aspect externe veiligheid voor het plan.

Figuur 4.3: Uitsnede risicokaart plangebied rood omcirkeld (bron: risicokaart.nl).

4.7 Ecologie 4.7.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag.

Hoofdstuk 4

25

Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2.

Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime.

Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;  Soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);  Soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);  Andere soorten (artikel 3.10).

Hoofdstuk 4

26

Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 4.7.2 Onderzoek Er is door BRO een onderzoek uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Natura 2000 en stikstof Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden, “Loonse en Drunense Duinen” en “Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek” bevinden zich op circa 1,5 kilometer afstand ten westen en 1 kilometer afstand ten noorden van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten.

Daar de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van een enkele levensloopbestendige woning betreft, is een beperkte toename aan stikstofuitstoot te verwachten. Om te bepalen of er een toename is aan stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden is een Aerius berekening uitgevoerd voor zowel de gebruiks- als aanlegfase. Deze zijn opgenomen in de bijlagen. Voor de bouwperiode is uitgegaan van realisatie van de woning binnen één jaar. Er is gebruik gemaakt van referentiecijfers op basis van eerder projecten. De woning wordt gasloos gerealiseerd en zorgt dus niet voor een stikstofdepositie. De verkeergeneratie van de woning wel. Dit is dan ook berekend bij de gebruiksfase. Uit de berekeningen blijkt dat het plan zorgt voor een stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jaar bij Natura 2000-gebieden in de omgeving. Negatieve effecten op een Natura 2000-gebied zijn daarmee uit te sluiten zijn. NNB Het plangebied is niet gelegen binnen het NNB. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNB ligt ongeveer 250 meter ten zuiden en noordwesten van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNB wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.

Soorten Op basis van deze quickscan wordt vervolgonderzoek naar het voorkomen van verschillende soortgroepen of effecten op beschermde gebieden niet noodzakelijk geacht. Evenmin is er sprake van een noodzaak tot het indienen van een ontheffingsaanvraag voor overtreding van verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming ten aanzien van soorten dan wel een vergunningsaanvraag in het kader van gebiedsbescherming. Het onderdeel houtopstanden is bij dit plan niet aan de orde. Ten behoeve van (incidenteel) aanwezige algemene soorten dient de zorgplicht in acht te worden genomen.

Hoofdstuk 4

27

4.7.3 Conclusie Het onderdeel ‘flora en fauna’ zorgt niet voor belemmeringen.

4.8 Bodem 4.8.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. 4.8.2 Onderzoek Er is door Aeres Milieu een onderzoek uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Tijdens de uitgevoerde terreininspectie zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreinigingen of bronnen van verontreinigingen. Bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn in het opgeboorde bodemmateriaal van de bovengrond en ondergrond en in het opgepompte grondwater zintuiglijk geen bijzonderheden waargenomen.

Uit de analyseresultaten blijkt dat in de grond geen verhoogde gehalten zijn aangetoond. Het freatisch grondwater is licht verhoogd met zware metalen (barium, cadmium en zink). De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling (woningbouw). Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond mogelijk niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Bij dit plan zal sprake zijn van een gesloten grondbalans. Eventuele af te graven grond wordt in het plangebied hergebruikt en dus niet afgevoerd. Indien dit alsnog zal worden afgevoerd dient eerst gekeken te worden naar de gehalten aan pfas in de grond. Het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is niet multifunctioneel toepasbaar. Het wordt daarom afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater. 4.8.3 Conclusie Het onderdeel bodem zorgt niet voor belemmeringen.

Hoofdstuk 4

28

4.9 Water 4.9.1 Toetsingskader Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets te doorlopen. Hierin dient inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente wateradvies in te winnen bij de waterbeheerder. De gemeente en het waterschap kunnen praktische afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. Voor ieder ruimtelijk plan is een formele watertoets noodzakelijk. De watertoets is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Door samenwerking met de verschillende bevoegdheden (Gemeente, Provincie, Waterschap, Rijk) wordt gestreefd naar een duurzaam watersysteem. Sinds maart 2015 is een gezamenlijke Keur door de Brabantse Waterschappen opgesteld. Op grond van de Keur zijn Algemene regels (Algemene regels Keur Waterschap De Dommel 2015) en een aantal Beleidsregels opgesteld. Door samenwerking met de verschillende bevoegdheden (Gemeente, Provincie, Waterschap, Rijk) wordt gestreefd naar een duurzaam watersysteem. Naast het beleidskader is in het Provinciaal Milieu- en Waterplan Noord-Brabant (2016 – 2021) ook het toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water opgenomen.

Het ‘PMWP’ staat voor samenwerken aan Brabant waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving. Voorts zijn er in Nederland diverse waterschappen die zich richten op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. De waterbeheerders werken daarom integraal samen met gemeenten, die het beheer over de ruimtelijke ordening en openbare ruimte hebben, om deze doelstellingen te halen. Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap De Dommel. De doelen van het waterschap voor de periode van 2016 tot 2021 staan beschreven in het waterbeheerplan “Waardevol Water” en zijn gericht op een veilig en bewoonbaar beheergebied, voldoende, schoon, natuurlijk en recreatief water. Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder nieuwbouwplannen, hanteert het waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Het Waterschap is verantwoordelijk voor het waterkeringenbeheer, het waterbeheer en het transporteren en zuiveren van afvalwater. In aansluiting op het landelijke beleid hanteert het Waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen onderzocht dient te worden hoe omgegaan wordt met het schone hemelwater. Het uitgangspunt is om ontwikkelingen hydrologisch neutraal uit te voeren.

Kortom, het initiatief mag niet leiden tot een verandering in de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse en in de directe omgeving. Daarnaast is het streven om het schone en het verontreinigde water zoveel mogelijk te scheiden. 4.9.2 Onderzoek De (water)systemen zoals die in het plangebied en omgeving voorkomen, worden onderverdeeld in grondwater, oppervlaktewater, hemelwater en afvalwater.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vught&id=f78741a5-c265-437a-84f5-5a8819007a1e