Bijlage - Toelichting Bestemmingsplan `De Gijzel 30 te Helvoirt'
Tekst van het document
De aanleg en instandhouding van de beplantingsstrook, zoals opgenomen in het landschappelijk inrichtingsplan, is juridisch gewaarborgd met een voorwaardelijke verplichting in de regels. 4.3.2 Geur In de beoogde situatie worden er geen dieren meer gehouden. De betreffende opstallen welke voorheen hiervoor gebruikt werden worden immers gesloopt. Er is derhalve geen sprake meer van een geurcontour van het eigen bedrijf. Hiermee valt de bedrijfswoning onder de uitzondering conform art. 3, lid 2 van de Wet geurhinder en veehouderij. Het betreft namelijk een geurgevoelig object dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een veehouderij.
Bestemmingsplan De Gijzel 30 te Helvoirt Aelmans Bouwadvies B.V.
24
D217382.002.001/JSE
Hiervoor geldt een vaste afstand van ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Ter plaatse van de locatie De Gijzel 32 is een pluimveehouderij gevestigd. De afstand van het dichtstbij gelegen emissiepunt tot aan onderhavige bedrijfswoning bedraagt ca. 60 meter. Hiermee wordt voldaan aan de Wet geurhinder en veehouderij en vormt onderhavige ontwikkeling geen belemmering voor de pluimveehouderij aan De Gijzel 32. Op het perceel wordt een machineberging opgericht. In het gebouw worden machines gestald en verblijven geen mensen, uitgezonderd van korte duur om de machines te stallen. Er vindt geen reparatie van machines in het gebouw plaats. Er is derhalve geen sprake van het oprichten van een milieugevoelig c.q. geurgevoelig object. Echter sluit het bestemmingsplan het toevoegen van een geurgevoelig object niet uit. Het zou dan wel een geurgevoelig object bij een voormalige (na 19 maart 2000 beëindigde) veehouderij betreffen. Voor een dergelijk geurgevoelig object geldt een afstand van 50 meter tot emissiepunten van stallen. Gezien de ligging van de bestaande woning aan De Gijzel 30 ten opzichte van de meest nabij gelegen veehouderij aan De Gijzel 32 zal een nieuw geurgevoelig object binnen het bouwvlak van De Gijzel 30 geen belemmering opleveren voor de veehouderij.
Gezien de bestaande bebouwing zal een nieuw geurgevoelig object buiten de afstand van 50 meter rondom emissiepunten van stallen van de veehouderij aan De Gijzel 32 worden gerealiseerd. Voor de overige veehouderijen in de omgeving geldt hetzelfde met als verschil dat deze op een veel grotere afstand van onderhavige locatie zijn gelegen. Geurhinder vormt derhalve geen belemmering voor het plan. 4.3.3 Conclusie milieuzonering Gelet op vorenstaande vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.
4.4
Luchtkwaliteit 4.4.1 Algemeen Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen inzake de luchtkwaliteit opgenomen in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna ook: Wm). Omdat de luchtkwaliteitseisen op zijn genomen in titel 5.2 van de Wm, staat deze ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Het doel van titel 5.2 Wm is om de mensen te beschermen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op hun gezondheid. In de wet- en regelgeving zijn de richtlijnen uit de Europese regelgeving opgenomen, waaraan voorgenomen ontwikkelingen dienen te voldoen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid van een bestuursorgaan ex. artikel 5.16 Wm: -
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde; een project leidt al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit;
Bestemmingsplan De Gijzel 30 te Helvoirt Aelmans Bouwadvies B.V.
25
D217382.002.001/JSE
-
een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) of een regionaal programma van maatregelen.
4.4.2 Het besluit NIBM Deze Algemene maatregel van Bestuur (AmvB) legt vast wanneer een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de toename van concentraties van bepaalde stoffen in de lucht. Een project is NIBM wanneer het aannemelijk is dat het een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Het NSL is vanaf augustus 2009 van kracht, zodat de 3% grens aangehouden dient te worden. In de regeling NIBM is (onder andere) aangegeven dat een plan tot 1.500 woningen niet in betekenende mate bijdraagt aan de toename van de concentratie fijn stof en stikstofdioxide in de lucht. NIBM-tool InfoMil InfoMil heeft een NIBM-tool ontwikkeld waarmee een ‘worst-case’ berekening kan worden verricht voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit. Dit rekenmodel toont aan dat tot 2.290 extra voertuigen (weekdaggemiddelde) niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Hierbij wordt uitgegaan van 0% vrachtverkeer. Bij 100% vrachtverkeer bedraagt dit 204 bewegingen. Van een dergelijke toename in het aantal verkeersbewegingen is bij onderhavig voornemen geen sprake.
Het gaat hier om een toename van maximaal enkele vrachtbewegingen per etmaal.
Uitsnede NIBM-tool met weergave worstcase situatie
4.4.3 Conclusie Gelet op vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling.
Bestemmingsplan De Gijzel 30 te Helvoirt Aelmans Bouwadvies B.V.
26
D217382.002.001/JSE
4.5
Externe veiligheid Externe veiligheid (EV) gaat over het beheersen van risico’s die mensen lopen door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen. Risicobronnen kunnen onderscheiden worden in risicovolle inrichtingen (onder andere LPGtankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen (via wegen, spoorwegen, vaarwegen) en buisleidingen (onder andere aardgas en brandbare vloeistoffen). De wet- en regelgeving ten aanzien van externe veiligheid zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), Structuurvisie buisleidingen, het Basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Om voldoende ruimte te scheppen tussen risicobronnen en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen. Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans dat een persoon die (onafgebroken en onbeschermd) op een bepaalde plaats aanwezig is, overlijdt als gevolg van een calamiteit met een inrichting of een transportmodaliteit.
Het GR bestaat uit de cumulatieve kans per jaar dat een groep van een bepaalde omvang overlijdt als gevolg van een calamiteit met een inrichting of een transportmodaliteit. Uit inventarisatie met behulp van de nationale risicokaart blijkt dat het plangebied niet in plasbrandaandachtsgebieden en/of PR 10-6 contouren van inrichtingen, transportroutes (weg, spoor of water) en buisleidingen ligt. Wel valt de locatie binnen het invloedsgebied van de spoorweg Tilburg – ‘s-Hertogenbosch en het toxische invloedsgebied van de autoweg N65. Zie onderstaande figuur.
Uitsnede risicokaart met aanduiding projectlocatie
Bestemmingsplan De Gijzel 30 te Helvoirt Aelmans Bouwadvies B.V.
27
D217382.002.001/JSE
Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer groepsrisico verantwoorden? Bron Wanneer groepsrisicoverantwoording? Inrichtingen (Bevi) Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Buisleidingen (Bevb) Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 10% en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of 3) personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden.
Bij een beperkte verantwoording dient een toelichting te worden gegeven op artikel 12 lid 1 onder a b, f en g van het Bevb. Weg, spoorweg of Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt binnenwater (Bevt) genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 10% en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of 3) personen zich buiten de 200 meter-zone bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. Hoewel de extra machineberging niet voorziet in een personentoename, moet invulling gegeven worden aan artikel 7 van het Bevt omdat voor de functiewijziging een nieuw ruimtelijk besluit nodig is. Artikel 7 van het Bevt geeft aan dat in elk geval ingegaan moet worden op bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Hiervoor is verplicht advies ingewonnen bij de Veiligheidsregio Brabant Noord (zie bijlage 6). Zij achten een nader advies niet noodzakelijk omdat de functiewijziging en het oprichten van een machineberging geen negatieve gevolgen heeft voor de benodigde inzet van hulpverleningsdiensten en voor de zelfredzaamheid van personen in het plangebied. Het aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering voor het planvoornemen.
Bestemmingsplan De Gijzel 30 te Helvoirt Aelmans Bouwadvies B.V.
28
D217382.002.001/JSE
5
Overige ruimtelijke aspecten Naast de diverse milieutechnische aspecten, zoals uiteengezet in hoofdstuk 4, dient tevens te worden gekeken naar de overige ruimtelijke aspecten. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de aspecten archeologie, kabels en leidingen, verkeer en parkeren, waterhuishouding, natuur- en landschap, flora en fauna en duurzaamheid.
5.1
Archeologie en cultuurhistorie 5.1.1 Archeologische monumentenzorg (Erfgoedwet) Archeologische waarden zijn bij wet beschermd. Daaromtrent zijn in de Erfgoedwet bepalingen opgenomen die de gemeenteraad in acht moet nemen. 5.1.2
Dubbelbestemming Waarde - Archeologie Conform de wettelijke verplichting wordt in bestemmingsplannen rekening gehouden met bekende en verwachte archeologische waarden. De actuele inzichten met betrekking tot archeologie zijn verwerkt in het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan Archeologie’ vastgesteld op 6 april 2023. Door het toekennen van de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie’ worden gebieden die een archeologische verwachtingswaarde hebben, beschermd. Onderhavig plangebied is gedeeltelijk gelegen binnen de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ en gedeeltelijk binnen de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 6’, zie onderstaande afbeelding.
Uitsnede ruimtelijke plannen met weergave dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 5’
Ten aanzien van het oprichten van bebouwing gelden de volgende regels: a. Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het oprichten van één bouwwerk of meerdere bouwwerken van tezamen groter dan 250 m² en met een bodemverstoring dieper
Bestemmingsplan De Gijzel 30 te Helvoirt Aelmans Bouwadvies B.V.
29
D217382.002.001/JSE
dan 0,3 m onder maaiveld of dieper dan 0,5 m onder maaiveld bij de aanduiding ‘overige zone - enkeerdgronden ’, dient de aanvrager een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft, in voldoende mate is vastgesteld; b. Indien uit het in onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; 3. de verplichting de activiteit die tot de bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een erkende archeologische partij of deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties. 4.
de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan; 5. richtlijnen geven omtrent de wijze waarop omgegaan wordt met (toevals)vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden. c. het overleggen van een rapport is niet nodig als de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg, afdoende is vastgesteld. De bouw- en sloopwerkzaamheden vinden geheel plaats binnen de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’. De bouwwerkzaamheden hebben betrekking op een loods/machineberging van 1.287 m2. Deze loods wordt voor het grootste deel ter plaatse van een bestaande loods en mestsilo gebouwd. Voor een klein deel wordt de loods opgericht ter plaatse van een voormalige stal en voor het overige deel ter plaatse van het voormalige erf. Dit betekent dat ter plaatse in het verleden graafwerkzaamheden hebben plaatsgevonden voor de bouw van de voormalige veestal, mestsilo en loods. Deze graafwerkzaamheden zijn altijd ruimer dan het gebouw zelf. Dit betekent dat de ondergrond ter plaatse van de nieuw te bouwen loods nagenoeg geheel geroerd zal zijn. Daarnaast wordt bij de bouw van de nieuwe loods alleen gegraven ter plaatse van de poeren.
Dit zijn 36 poeren à 1,2 x 1,2 meter. Uitgaande van een bouwput per poer van 1,5 x 1,5 meter zal in totaal ter plaatse van 81 m2 gegraven worden en bodemverstoring plaatsvinden. Verder worden er sleuven gegraven t.b.v. leidingen (afvoer hemelwater). Dit betreft in totaal 230 m1, sleuf a 30 cm. Dit betreft 69 m2. In totaal gaat het om een bodemverstoring van 150 m2 welke voor een groot deel ter plaatse van bestaande bebouwing plaatsvindt. Er kan derhalve gesteld worden dat voldaan wordt aan de regels van bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan Archeologie’. Ter plaatse van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 6’ wordt niet gebouwd. Hier wordt wel gegraven en beplanting aangebracht t.b.v. realisatie van het landschappelijk inpassingsplan. Dit betreft echter veel minder dan 10.000 m2 (onderzoekgrens). Het totale perceel is immers maar ca. 7.800 m2.
Bestemmingsplan De Gijzel 30 te Helvoirt Aelmans Bouwadvies B.V.
30
D217382.002.001/JSE
De dubbelbestemmingen ‘Waarde-Archeologie’ leveren derhalve geen beperkingen op voor het planvoornemen. 5.1.3
Cultuurhistorie
Per 1 september 2017 is de Erfgoedwet in werking getreden. Nationaal staat het cultuurhistorisch beleid in het teken van het behoud en het beheer van de cultuurhistorische waarden. In een bestemmingsplan dient op grond van het Bro artikel 3.1.6 een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. Ook de facetten historische bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Bij de opstelling en uitvoering van ruimtelijke plannen moet met de cultuurhistorische (landschaps)waarden van bovenlokaal belang rekening worden gehouden De provincie heeft hiertoe in haar Interimverordening cultuurhistorisch waardevolle gebieden aangeduid. Deze gebieden verdienen specifieke aandacht vanwege de onvervangbaarheid van de aanwezige waarden. Gemeenten dienen de cultuurhistorische waarden en kenmerken van deze gebieden te behouden, herstellen en/of duurzaam te ontwikkelen. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen hier enkel worden toegestaan, indien zij de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied niet aantasten. Op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW 2010, herziening 2016) is bepaald welke cultuurhistorische waarden of elementen binnen of in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn.
Zie onderstaande figuur voor ligging onderhavige bedrijfslocatie op de CHW.
Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW)
De planlocatie is niet gelegen in een door de provincie aangeduid cultuurhistorisch waardevol gebied. De locatie maakt conform de provinciale cultuurhistorische waardenkaart ook geen onderdeel uit van een overig aangeduid waardevol historisch geografisch vlak. Evenmin is sprake van aardkundig waardevol gebied, blijkens de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW).
Bestemmingsplan De Gijzel 30 te Helvoirt Aelmans Bouwadvies B.V.
31
D217382.002.001/JSE
Het noordelijk gelegen Brokkenbroek is aangeduid als waardevol historisch groen element. Het betreft een omvangrijk loofbosgebied globaal daterend uit 1850-1890, Het voornemen leidt niet tot aantasting van het bosgebied. Aangrenzende agrarische gronden worden juist natuurlijker ingericht om een natuurlijkere overgangszone te creëren met de planlocatie. Daarnaast is de Gijzel (evenals vele overige wegen in het buitengebied) aangeduid als historische weg van redelijk belang. Met de voorgestane ruimtelijke ontwikkelingen vindt er evenwel geen aantasting van de bestaande wegenstructuur plaats. Binnen de planlocatie bevindt zich geen monumentaal pand. Er bevinden zich ook geen overige (rijks)monumenten of andere cultuurhistorische elementen die mogelijk 'aangetast' zouden kunnen worden met het voorgenomen initiatief. De bestaande gebouwen hebben geen bijzondere cultuurhistorische waarde. Buiten de kern van Helvoirt is veel (historische) lintbebouwing langs wegen gelegen. In de gemeentelijke welstandsnota is de Gijzel aangeduid als jong bebouwingslint. De jonge bebouwingslinten zijn van een recentere datum dan de historische bebouwingslinten. Bij deze jonge bebouwingslinten is nauwelijks een relatie te onderkennen tussen het bebouwingslint en de omliggende akkers. Aan deze linten is bovendien veel minder cultuurhistorische bebouwing aanwezig.
De lintbebouwing aan De Gijzel bestaat uit verspreid liggende boerderijen, waaronder de langgevelboerderij. De boerderijen bestaan uit één laag en hebben veelal een mansardekap. Ook het wolfsdak en het zadeldak zijn veel voorkomende kapvormen. De boerderijen zijn veelal aan de weg gelegen. De bijgebouwen, zoals de stallen schuren en de bedrijfsgebouwen, zijn doorgaans op het achtererf gelegen. Op de planlocatie is van oudsher al sprake van bebouwing, zie onderstaande historische topografische kaarten (1970 respectievelijk 1870)..
Uitsnede historisch topografische kaarten 1970 respectievelijk 1870
Met het voornemen blijft de bestaande langgevelboerderij (in gebruik als bedrijfswoning) gehandhaafd en vindt uitsluitend wijziging plaats van de bedrijfsbebouwing op het achtererf. De voorgenomen bouw van een machineberging heeft geen nadelig effect voor het aspect
Bestemmingsplan De Gijzel 30 te Helvoirt Aelmans Bouwadvies B.V.
32
D217382.002.001/JSE
cultuurhistorie. Het aspect cultuurhistorie leidt voor het voornemen niet tot een belemmering.
5.2
Kabels en leidingen Ruimtelijk relevante kabels en leidingen, zoals hoogspanningskabels en ondergrondse transportleidingen, zijn onder andere weergegeven op de verbeelding van het bestemmingsplan Buitengebied. Op basis van deze verbeelding wordt geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied geen sprake is van hoogspanningskabels en/of leidingen in de grond. Overigens moet iedereen die grondwerkzaamheden gaat verrichten nagaan of hierdoor schade aan kabels of leidingen kan ontstaan. Bij het uitvoeren van graafwerkzaamheden dient een melding gedaan te worden bij de stichting KLIC (Kabels en Leidingen Informatiecentrum), die onderdeel uitmaakt van het Kadaster.
5.3
Verkeer en parkeren Met betrekking tot onderhavige planontwikkeling dienen de (eventuele) gevolgen voor de verkeersstructuur alsmede het parkeren inzichtelijk te worden gemaakt. 5.3.1 Verkeersstructuur Het plan betreft een moderniseringsslag die ervoor zorgt dat buitenstalling en buitenopslag overdekt kan plaatsvinden. Dit levert geen intensivering van de bedrijfsactiviteiten op of een wijziging in de bedrijfsvoering en heeft derhalve geen effect op de verkeersstructuur ter plaatse. Daarnaast wordt er in de nieuwe situatie voorzien in voldoende erfverharding om met vrachtwagens op het eigen terrein te kunnen manoeuvreren, waardoor het niet meer nodig is om vanuit De Gijzel achteruit het terrein op te rijden of te verlaten. Dit komt de verkeersveiligheid ter plaatse ten goede. 5.3.2 Parkeren Door herinrichting van de bedrijfslocatie ontstaat een betere situatie voor het manoeuvreren met vrachtwagens. Daarnaast is er meer gelegenheid voor parkeren voor vrachtwagens en personenauto’s. Uitgangspunt is dat vrachtwagens en overig materieel binnen de nieuw te realiseren loods worden geparkeerd. De grootte van de loods is afgestemd met het wagenpark van onderhavig bedrijf. In onderstaande figuur is de nieuwe situatie weergegeven.
Bestemmingsplan De Gijzel 30 te Helvoirt Aelmans Bouwadvies B.V.
33
D217382.002.001/JSE
Weergave nieuwe situatie erfindeling
Naast de manoeuvreerruimte voor vrachtwagens is de verharding nodig om vrachtwagens met materiaal te kunnen lossen met een heftruck om dit vervolgens in de loods te kunnen stallen. Daarnaast moeten laad- en losactiviteiten niet tot gevolg hebben dat de overige vrachtwagens niet kunnen vertrekken of aankomen en parkeren.
5.4
Waterhuishouding 5.4.1 Inleiding Doel van de waterparagraaf is de component water in een zo vroeg mogelijk stadium te adresseren in het besluitvormingsproces van ruimtelijke plannen. De paragraaf beschrijft de actuele waterhuishouding in het plangebied. Daarnaast wordt, binnen de gestelde randvoorwaarden van het bestemmingsplan, vastgelegd aan welke watereisen de ontwikkeling moet voldoen. Ruimtelijke plannen worden onder meer getoetst aan "hydrologisch neutraal" ontwikkelen conform landelijk en lokaal waterbeleid. Met deze waterparagraaf wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 1, onder c van het Besluit ruimtelijke ordening. 5.4.2 Beleid Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) Het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het
Bestemmingsplan De Gijzel 30 te Helvoirt Aelmans Bouwadvies B.V.
34
D217382.002.001/JSE
Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen. Doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. Principes RWP: 1. Watervoorraad in balans: De watervoorraad is in balans als zowel de totale voorraad aan grondwater als de ondiepe grondwaterstanden voldoende zijn. We moeten aan het oppervlaktewater en het ondiepe en diepe grondwater niet meer onttrekken dan er is aangevuld. Alleen dan kan er blijvend genoeg water zijn voor menselijke consumptie, industrie, natuur en het tegengaan van schadelijke droogval in het oppervlaktewater. 2. Elke druppel telt: Het (regen)water wordt zo min mogelijk afgevoerd en wordt zoveel mogelijk vastgehouden in de bodem zodat het kan infiltreren in het grondwater. Hoger gelegen gebieden functioneren als infiltratiegebieden, lager gelegen gebieden zijn structureel natter. 3. Niet alles kan overal: Het grondgebruik is volgend op wat het water- en bodemsysteem aan kan: niet alle gebruiksfuncties kunnen overal plaatsvinden in Brabant.
Zo zijn in gebieden waar we ons drinkwater halen uit ondiepe pakketten de mogelijkheden voor bodemenergie beperkt. 4. Brabant is in staat extreme weersituaties op te vangen: Bij het optreden van extreme situaties zoals piekbuien, hoogwater of langdurige droogte, is er minder snel of minder ernstige overlast of schade. In de toekomst biedt het water- en bodemsysteem ‘ruimte’ om extreme situaties zoals piekbuien, hoogwater of langdurige droogte op te vangen in ruimte en tijd. Bij het optreden van extremen is er sprake van minder snel of minder ernstige overlast of schade. 5. Bescherming van water- en bodemkwaliteit: De kwaliteit van het water- en bodemsysteem is op orde. Bij het gebruik van water - zoals voor landbouw, wonen en industrie – is er aandacht voor de water- en bodemkwaliteit. In daartoe aangewezen gebieden wordt het grondwater aanvullend beschermd: in grondwaterbeschermingsgebieden voor het gebruik van het grondwater voor menselijke consumptie (drinkwater) en in en nabij natuurgebieden ten behoeve van het behalen van natuurdoelen. 6. Gebruikers zijn maximaal verantwoordelijk: Gebruikers zijn maximaal verantwoordelijk voor het voorkomen van watervervuiling en verstoring van bodemprocessen die leiden tot een verminderde kwaliteit.
Daar waar lozingen of afspoelingen plaatsvinden naar het water- en bodemsysteem moeten maatregelen worden getroffen om vervuilingen en verstoringen zoveel als mogelijk te voorkomen. Uitgangspunt is en blijft het principe dat de vervuiler of verstoorder betaalt. 7. Circulair denken en doen: Kringlopen worden zoveel mogelijk gesloten. Vrijkomende stromen vanuit het ene proces vormen de grondstoffen voor één of meerdere ander(e) proces(sen). De bodem en het bodemleven zijn een essentieel onderdeel van de kringloop. Voor het watergebruik wordt zoveel mogelijk gewerkt volgens de trits ‘reduceren > hergebruiken > recyclen’: hoogwaardig (grond)water niet verspillen voor laagwaardige functies, verminderen van watergebruik en afvalstromen, hergebruik van stoffen uit het water of opwerken naar nieuwe grondstoffen.
Bestemmingsplan De Gijzel 30 te Helvoirt Aelmans Bouwadvies B.V.
35
D217382.002.001/JSE
Onderhavige ontwikkeling heeft geen betrekking op een toename van het waterverbruik. Daarnaast wordt er geen gebruik gemaakt van een grondwaterbron. Verder wordt al het hemelwater wat valt op verharding en daken opgevangen en naar een grindkoffer en een infiltratiestrook gebracht, zie het waterplan in bijlage 7 en paragraaf 5.4. Hiermee wordt aangesloten bij de principes van het RWP. Waterafvoerverordening Vught 2022 De gemeente mag op basis van de algemene verordeningsbevoegdheid (artikel 149 Gemeentewet) eisen stellen aan het aansluiten van de particuliere riolering op het openbare riool. Deze aansluiting is in principe toelaatbaar (en gewenst) als voldaan is aan de bouwregelgeving en de milieuregelgeving. Het doel van de bepalingen in Hoofdstuk 2 van deze verordening is om een mogelijkheid te hebben om aansluiting op de riolering te weigeren, als niet aan de bouwregelgeving of milieuregelgeving is voldaan. Ten aanzien van het lozen van hemelwater gelden de volgende regels: Artikel 13. Verbod op lozen van hemelwater op de riolering 1. Het is verboden vanaf een nieuw bouwwerk of een nieuw verhard oppervlak hemelwater te lozen op de openbare riolering of openbaar terrein; dit moet op het eigen perceel worden verwerkt. 2.
De eigenaar van een perceel heeft bij de verwerking van hemelwater op het eigen perceel de vrije keuze tussen de toe te passen voorziening(en), waarbij het volgende geldt: a. de te realiseren hemelwatervoorziening moet tenminste 60 liter per m2 verhard oppervlak, recht van boven bemeten, kunnen verwerken; b. indien uit de gevoeligheidsfactor, zoals opgenomen in de actuele Keur van Waterschap De Dommel, een lagere compensatie-eis blijkt voor het betreffende perceel dan wordt de verwerkingseis zoals opgenomen in lid 2a overeenkomstig verlaagd; c. voor het oppervlak aan groen dak in m2, recht van boven bemeten, wordt geen (aanvullende) hemelwatervoorziening vereist; d. de benodigde voorzieningen moeten volledig boven de ter plekke optredende gemiddeld hoogste grondwaterstand worden gerealiseerd; e. de benodigde voorziening(en) dienen uiterlijk 10 weken na het gereedkomen van het nieuw bouwwerk of aanleg van het nieuw verhard oppervlak gerealiseerd te zijn en moeten blijvend in stand gehouden worden; f. bij elke activiteit mag de reeds aanwezige totale hoeveelheid (hemel)waterberging op het perceel niet afnemen. 3. De beheerder kan ontheffing verlenen van het verbod, zoals bedoeld in lid 1, indien van de eigenaar van het nieuw bouwwerk of het nieuw verhard oppervlak redelijkerwijs een te grote inspanning wordt geëist in verhouding tot het doel van het verbod.
De beheerder kan voorwaarden of voorschriften verbinden aan de verleende ontheffing. Aan bovenstaande regels wordt voldaan. Verder is er geen nieuwe aansluiting voor het vuil waterriool nodig. De bestaande aansluiting blijft ongewijzigd in gebruik. Programma Water en Riolering (PWR) Het PWR is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het PWR leggen we vast wat we willen bereiken en wat de rolverdeling
Bestemmingsplan De Gijzel 30 te Helvoirt Aelmans Bouwadvies B.V.
36
D217382.002.001/JSE
is tussen overheid en bewoners/ondernemers ten aanzien van afval-, hemel-, en grondwater. Het gemeentelijke waterbeheer staat niet op zich, maar is continu in beweging door diverse uitdagingen en ontwikkelingen. Ten aanzien van hemelwater worden de volgende doelen geformuleerd: • Doelmatige inzameling en verwerking van hemelwater. • Beperken van het risico op wateroverlast. • Beperken van de milieubelasting op bodem en oppervlaktewater. • Bijdragen aan klimaatadaptatie. Onderhavige ontwikkeling draagt hieraan bij en voldoet aan waterbergingsopgave, zie ook verder onder Keur Waterschap De Dommel 2015. Waterbeheerprogramma Het waterschap de Dommel heeft een waterbeheerprogramma opgesteld waarin de beleidsdoelen voor de periode 2022-2027 zijn beschreven. Het plan is afgestemd op het Stroomgebiedsbeheerplan Maas, het Nationaal Waterplan en het Regionaal Water en Bodem Programma. De komende zes jaar wil het Waterschap het verschil maken en een trendbreuk in gang zetten, op weg naar 2050. De missie van het Waterschap is dat ze een toekomstbestendige leefomgeving voorstaan, waar een toekomstbestendige waterhuishouding een noodzakelijke voorwaarde voor is. Een waterhuishouding die robuust is, wendbaar en in balans met de omgeving is. En een waterhuishouding die voorziet in een goede waterkwaliteit. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe ze dit gaan bereiken.
Meer dan voorheen brengen ze een focus aan in hun aanpak. Ze gaan daarbij: • van beekdalgericht naar gebiedsgericht: onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. • van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied. • van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. In dit Waterbeheerprogramma geeft het waterschap aan hoe ze hier invulling aan geven en waar ze hun gebiedspartners zullen uitdagen en ondersteunen. Samen met alle partijen in het gebied hanteren ze drie eenvoudige, sterke richtinggevende principes voor alle ontwikkelingen. Deze principes geven richting en prioriteiten aan de watertransitie op de korte, middellange en lange termijn. De drie richtinggevende principes zijn: 1. Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt; 2. Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan; 3. Wat schoon is moet schoon blijven. Onderhavig initiatief sluit aan bij bovenstaande principes, zie ook onder 5.4.4. Keur Waterschap De Dommel 2015 Het waterschap is verantwoordelijk voor het waterbeheer (waterkwaliteit en - kwantiteit) binnen het plangebied. Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de Keur van toepassing.
In de Keur staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels.
Bestemmingsplan De Gijzel 30 te Helvoirt Aelmans Bouwadvies B.V.
37
D217382.002.001/JSE
Op 26 februari 2015 heeft het waterschap de nieuwe Keur vastgesteld, die op 1 maart 2015 inwerking is getreden. Deze keur is in samenwerking tussen de waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel tot stand gekomen, waardoor nu sprake is van een uniforme Keur. Bij onderhavige ontwikkeling is sprake van het toevoegen van ca. 712 m2 verhard oppervlak, incl. erfverharding. Het bouwplan heeft betrekking op een groter verhard oppervlak dan de ondergrens van 500 m2 waardoor het bouwplan voorgelegd moet worden aan het Waterschap en dient te voldoen aan de rekenregel. De rekenregel luidt als volgt: Benodigde compensatie (in m3) = Toename verhard oppervlak (in m²) * Gevoeligheidsfactor * 0,06 (in m) In de navolgende paragrafen wordt dit voor onderhavige ontwikkeling nader uitgewerkt. 5.4.3 Bestaande situatie plangebied In de bestaande situatie is sprake van de volgende bouwwerken:
Zie ook de situatietekening bestaand in bijlage 1. Naast bebouwing is tevens erfverharding aanwezig. Dit betreft incl. kuilvoeropslag ca. 3.004 m2. In totaal is in de bestaande situatie sprake van een verhard oppervlak van ca. 5.161 m2. De gronden maken onderdeel uit van een dekzandrug. Ter plaatse bestaat de bodem overwegend uit Beekeerdgronden. Het maaiveld bevindt zich ter plaatse op ca 7,3 meter +NAP. (Bron: Actueel Hoogte Bestand Nederland). De gronden hebben een grondwatertrap van Vb (bron: Bodematlas, Provincie Noord-Brabant). Hiervoor geldt dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand GHG is gelegen op een diepte van 25 - 40 cm beneden maaiveld. In de huidige situatie stroomt het hemelwater wat valt op de gebouwen via goten naar het oppervlaktewater en het hemelwater wat valt op de erfverharding stroomt af naar de omringende bodem, alwaar het in de bodem infiltreert en gedeeltelijk via kolken naar het oppervlaktewater. Het plangebied is vanwege de bestaande functies (Agrarisch verwant bedrijf met bedrijfswoning) reeds aangesloten op het gemengde rioolstelsel van de gemeente. 5.4.4 Gevolgen waterhuishouding toekomstige situatie In de toekomstige situatie is sprake van de volgende bouwwerken:
Bestemmingsplan De Gijzel 30 te Helvoirt Aelmans Bouwadvies B.V.
38
D217382.002.001/JSE
Zie ook de situatietekening beoogd in bijlage 1. Naast bebouwing is tevens erfverharding aanwezig. Dit betreft ca. 3.855 m2. In totaal is in de toekomstige situatie sprake van een verhard oppervlak van ca. 6.010 m2. Het totaal aan verhard oppervlak neemt derhalve toe met 6.010 – 5.161 = 849 m2. In de toekomstige situatie wordt het volledige verhard oppervlak van alle nieuwe gebouwen en nieuwe erfverharding afgekoppeld en middels kolken en goten afgevoerd naar de grindkoffer en infiltratiestrook aan de noordzijde van de locatie, zie bijlage 7 Schematische weergave waterplan. Dit betreft de nieuwe machineberging van 1.287 m2 en toename van de erfverharding 3.855 – 3.004 = 851 m2. Totaal gaat het om 2.138 m2 af te koppelen verhard oppervlak. Bodem Bodemkenmerken binnen de planlocatie: De bodem is globaal opgebouwd uit sterk tot uiterst siltig zand; bekend is verder dan over het gehele plangebied en omgeving leemlagen van wisselende hoogte aanwezig zijn. Maaiveldhoogte ten opzichte van N.A.P.
(Nieuw Amsterdams Peil): Ter plaatse van grindkoffer (overgang verharding naar groenstrook aan de noordzijde) bedraagt de hoogte 7,09 m +NAP; als Peil wordt aangehouden de deurdorpel van de bedrijfsdeur van de afgewerkte betonvloer in machineberging B = 7,25 +NAP Doorlatendheid van de bodem: De doorlatendheid is goed door de aanwezigheid van zand, echter ter plaatse van de moeilijk waterdoorlatende leemlagen in het pakket is er een verstoring. Motivering ontwerp en meetresultaten Meetresultaten voorkomend uit het verkennend bodemonderzoek zijn verwerkt in het ontwerp van de toekomstige situatie. Geschiktheid bodem voor de nieuwe functie en toekomstige verontreinigingen: De bodem is geschikt voor de toekomstige activiteiten, verontreinigen in de bodem worden voorkomen door het nemen van bouwkundige maatregelen in de vorm van vloeistof kerende vloeren en voorzieningen waar vereist. Grondwater Onderbouwing GHG (gemiddeld hoogste grondwaterstand): Op basis van de gegevens van het Waterschap is de GHG ter plaatse van de infiltratiesloot 25-40 cm –maaiveld. Worst-case is uitgegaan van 25 cm – maaiveld. De te realiseren nieuwbouw machineberging D komt op gelijke peilhoogte met de bestaande bedrijfsruimte B1 nl. 7,25 +NAP. Er is geen aanleiding concrete bouwpeilen op te nemen in de planregels van het bestemmingsplan.
Onderbemaling De aanwezigheid van moeilijk waterdoorlatende leemlagen is aanleiding geweest tot aanleg van een onderbemalingssysteem. In de bestaande watergang aan de westzijde, is de GHG niet meetbaar aanwezig, immers de sloot staat vrijwel altijd droog door de aanwezigheid van onderbemaling. De onderbemalingspomp is eigendom van- en in beheer bij- opdrachtgever en met toestemming van het waterschap geplaatst rond 1975 en bevindt zicht aan de noordwestzijde van het perceel ter hoogte van de spoorlijn
Bestemmingsplan De Gijzel 30 te Helvoirt Aelmans Bouwadvies B.V.
39
D217382.002.001/JSE
Tilburg – s’-Hertogenbosch. Aanwezigheid van onderbemaling is bekend bij het waterschap. Hemelwater Voor hemelwater vraagt het waterschap om onderstaande voorkeursvolgorde toe te passen, waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 5 het minst wenselijk is: 1. hergebruik 2. vasthouden / infiltreren 3. bergen en afvoeren 4. afvoeren naar oppervlaktewater (direct of indirect) 5. afvoeren naar de riolering Ad 1. alhoewel het meest wenselijk is hergebruik niet passend binnen de toekomstige bedrijfsvoering. Ad 2. in de toekomstige situatie is d.m.v. de toe te passen groenstrook met poelen vasthouden en infiltreren het meest passend binnen het plangebied in combinatie met bergen en afvoeren door de aanwezige onderbemaling. Ad 3. door de aanwezige leemlaag is vasthouden en infiltreren slechts ten dele voldoende en wordt gekozen voor een combinatie van bergen en afvoeren alsmede vasthouden / infiltreren. Ad 4. is niet gewenst en niet noodzakelijk. Ad 5. is niet gewenst door het ontbreken van een passend afvoersysteem, niet noodzakelijk voor de bedrijfsvoering alsmede de beoogde milieudoelstelling. Conclusie: Gekozen wordt voor optie 2: vasthouden / infiltreren in combinatie met optie 3: bergen en afvoeren. Bepalingen uit de Keur 2015 van het Waterschap.
In bijlage 7 is een schematische weergave opgenomen op welke manier de toekomstige afvoer en berging/infiltratie van het hemelwater wordt uitgevoerd. De onderbemalingspomp is van voldoende capaciteit om in extreme omstandigheden het overtollige hemelwater af te voeren. De afvoer van percelen buiten het plangebied wordt niet beïnvloed en niet gewijzigd, waardoor het niet aannemelijk is dat de voorgestelde situatie tot problemen elders leidt. Activiteitenbesluit milieubeheer: Voor het bedrijf is een “Melding Activiteitenbesluit” noodzakelijk. Deze melding zal gelijktijdig met de aanvraag omgevingsvergunning worden gedaan. Het bedrijf zal voldoen aan de bepalingen die aan het activiteiten besluit zijn verbonden. De noodzakelijke bronmaatregelen zijn hierin voldoende vastgelegd. Er moet bij een toename van het verhard oppervlak van 2.138 m2 als benodigde compensatie minimaal 128,3 m3 hemelwater geborgen worden in de genoemde voorziening. Zie capaciteitsberekening in paragraaf 5.4.5.
Bestemmingsplan De Gijzel 30 te Helvoirt Aelmans Bouwadvies B.V.
40
D217382.002.001/JSE
5.4.5 Afvalwater en hemelwater Op welke wijze wordt omgegaan met het afval- en hemelwater binnen het onderhavige plangebied wordt hierna uiteengezet. Afvalwater Bij onderhavige ontwikkeling is er geen sprake van een nieuwe aansluiting voor afvalwater. Er is reeds een bestaande aansluiting voor het vuilwater op het gemeentelijk drukriool aanwezig. Voor de nieuwe machineberging is geen aansluiting voor afvalwater nodig. Hemelwater (dak)verhardingen Het hemelwater dat valt op de bestaande en nieuwe (dak)verharding zal worden opgevangen en via goten worden afgevoerd naar de aan te leggen infiltratiezone aan de noordzijde van de bedrijfslocatie. De infiltratiezone bestaat uit een groenstrook met verlaagd maaiveld en poelen. Vanuit de poelen wordt een overloop gerealiseerd naar de watergang aan de westzijde van het plangebied. Capaciteit hemelwatervoorziening Met behulp van een eenvoudige rekenregel uit de Algemene regel (Artikel 15 Afvoer hemelwater door verhard oppervlak), behorend bij de keuren van de drie Brabantse waterschappen, kan de vereiste compensatie voor een specifieke locatie berekend worden in gevallen wanneer schriftelijke instemming van het waterschap op de waterparagraaf ontbreekt. Deze rekenregel geldt voor een toename van het verhard oppervlak tussen 500 m² en maximaal 10.000 m².
De vereiste compensatie kan berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m²) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm (0,06 m). Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m3). De kaart Algemene regel afvoer regenwater door verhard oppervlak 2015 geeft vervolgens aan of voor een specifieke locatie met minder compensatie volstaan kan worden. Deze kaart is gebaseerd op een combinatie van locatiespecifieke bodemkundige en hydrologische omstandigheden. De kaart kent drie verschillende gevoeligheidsgebieden (zie hiervoor ook paragraaf 3.3.). Gevoeligheidsfactor 1 (vermenigvuldigt de berekende compensatie met één) geeft aan dat alleen met de volledige compensatie volstaan kan worden. Gevoeligheidsfactor ½ (vermenigvuldigt de berekende compensatie met een half) geeft aan dat met de helft van de berekende capaciteit volstaan kan worden. Tenslotte geeft gevoeligheidsfactor ¼ (vermenigvuldigt de berekende compensatie met een kwart) aan dat met ¼ van de berekende capaciteit kan worden volstaan. In onderhavige situatie dient gevoeligheidsfactor 1 aangehouden te worden. Onderhavige ontwikkeling heeft betrekking op het toevoegen van ca. 2.138 m2 verhard oppervlak.
De infiltratievoorziening voor onderhavige ontwikkeling kan als volgt berekend worden: Benodigde compensatie (in m3) = Toename verhard oppervlak (in m²) * Gevoeligheidsfactor * 0,06 = 2.138 x 1 x 0,06 = 128,3 m3. Op basis van de gegevens van het Waterschap zit de GHG ter plaatse van de infiltratiestrook en grindkoffer op 6,82 Het peil bij het begin van de groenstrook, tegen de erfverharding bedraagt 7,09 +NAP. Het gemiddelde peil van de groenstrook wordt 10 cm lager aangehouden om in extreme situatie een extra buffer te hebben en bedraagt derhalve 6,99 m +NAP. Er resteert derhalve een buffercapaciteit van gemiddeld 17 cm ter plaatse van de groenstrook en grindkoffer. Hemelwater
Bestemmingsplan De Gijzel 30 te Helvoirt Aelmans Bouwadvies B.V.
41
D217382.002.001/JSE
afvloeiend van de verharding en bebouwing wordt allereerst opgevangen in een nieuw aan te leggen grindkoffer direct langs de verharding aan de noordkant van het plangebied. De grindkoffer heeft de volgende afmetingen 4 m x 82,7 m x 0,17 = 56 m³. Vanuit deze grindkoffer wordt een overloop naar de infiltratiebuffer, natuurlijke rand van 5,5m x 90m x 0,17 = 84 m³ gerealiseerd. Dit resulteert in een infiltratiecapaciteit van 56 + 84 = 140 m3. Dit is ruim voldoende gezien de benodigde capaciteit van 128,3 m3. Tevens wordt vanuit de grindkoffer en de natuurlijke rand een overlaat voorzien naar de westelijk gelegen greppel vanwaar het hemelwater via onderbemaling wordt overgepompt naar een sloot van het waterschap. In de onderstaande figuur is de ligging van de infiltratie-voorziening weergegeven. De complete tekening met schematische weergave van het waterplan is als bijlage 7 toegevoegd.
Figuur: Uitsnede Waterplan
5.4.6 Conclusie Gelet op vorenstaande uiteenzetting van de toekomstige infiltratievoorziening in combinatie met de (bestaande) onderbemaling vormt het aspect waterhuishouding geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling.
5.5
Natuur en landschap 5.5.1 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Natuurgebieden in Nederland zijn erg versnipperd. Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS)
Bestemmingsplan De Gijzel 30 te Helvoirt Aelmans Bouwadvies B.V.
42
D217382.002.001/JSE
heeft als doel om natuurgebieden te vergroten en met elkaar te verbinden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland. Zoals zichtbaar in onderstaande figuur valt het plangebied buiten het Natuurnetwerk Nederland. In de noordoosthoek grenst het plangebied aan een onderdeel van het NNN waar het natuurbeheertype N14.03 Haagbeuken- en essenbos op rust.
Figuur Plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van NNN (bron: kaartbank.brabant.nl)
Effectbeoordeling Het plangebied is buiten het Natuurnetwerk Nederland gelegen. De nieuwe loods zal dichterbij het Natuurnetwerk Nederland komen te staan dan de huidige. De aanleg van een grondwal met groenstrook aan de oostzijde en een forse groenstrook van 10 meter breed aan de noordzijde zal eventuele invloeden van licht of geluid fors verminderen richting het Natuurnetwerk Nederland. Daarnaast wordt voorzien in infiltratie van het hemelwater, waardoor eventuele verdrogende effecten worden voorkomen. Dankzij deze maatregelen kunnen negatieve effecten op het NNN worden uitgesloten.
5.5.2 Natura2000 Natura2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Natura2000 gebieden worden bepaalde diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd door de biodiversiteit te behouden. Natura2000 gebieden worden beschermd door de ‘Wet Natuurbescherming’. Het meest nabijgelegen Natura2000-gebied is “Loonse en Drunense Duinen en Leemkuilen”. Het is
Bestemmingsplan De Gijzel 30 te Helvoirt Aelmans Bouwadvies B.V.
43
D217382.002.001/JSE
gelegen op 1,7 kilometer ten noorden van het plangebied. Effectbeoordeling Aangezien het plangebied buiten het Natura 2000-gebied ligt, kunnen alleen effecten optreden op het gebied middels externe werking. Gezien de aard van de voorgenomen plannen, behoud van het huidige bouwvlak, slopen van gedeelte bestaande bebouwing, zijn mede gezien de afstand negatieve effecten uit te sluiten. De nieuwe loods zal evenals de oude, dienst doen als opslagruimte voor machines. Effecten als gevolg van stikstofemissie zijn als volgt onderzocht. Op het moment van vaststellen van het vigerende bestemmingsplan was er nog sprake van het houden van rundvee. De mogelijkheid voor het houden van vee vervalt met het vaststellen van onderhavig bestemmingsplan. Daarnaast nemen de vervoersbewegingen slechts beperkt toe. Om te bepalen of er sprake is van significante effecten zijn berekeningen gemaakt met AERIUS calculator van de gebruiksfase en de bouwfase. De resultaten hiervan zijn als bijlage 8 aan deze toelichting toegevoegd. Uit de Aerius berekeningen van zowel de gebruiksfase als de sloop- en bouwfase blijkt dat er geen significante toename van de depositie van stikstof plaatsvindt als gevolg van onderhavig voornemen. Conclusie De voorgenomen plannen zullen geen negatieve effecten hebben op het Natura 2000-gebied vanwege de aard van de voorgenomen plannen.
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op ongeveer 1,7 kilometer afstand van het plangebied en betreft de “Loonse en Drunense Duinen en Leemkuilen”. Uit de depositieberekeningen van de gebruiksfase en bouwfase blijkt dat er geen sprake is van een toename van meer dan 0,00 mol depositie op de Natura2000 gebieden. 5.5.3 Inpassingsplan In de onderstaande figuur is een uitsnede van het inpassingsplan weergegeven. Het inpassingsplan is als bijlage 2 aan deze toelichting toegevoegd.
Bestemmingsplan De Gijzel 30 te Helvoirt Aelmans Bouwadvies B.V.
44
D217382.002.001/JSE
Afbeelding landschappelijk inpassingsplan De Gijzel 30 te Helvoirt
De landschappelijke inpassing bestaat uit de volgende onderdelen: • Aan de oostzijde van het perceel wordt een grondwal aangelegd met daarop een struweelrand van 5 meter breed; • Aan de noordzijde wordt een 10 meter brede groenstrook voorzien met poelen. Bij deze groenstrook wordt het maaiveld verlaagd om een buffer te creëren ten behoeve van infiltratie van het hemelwater; • Perceel agrarische grond aan noordzijde omvormen tot extensief natuurlijk grasland; • Aanleggen/verbreden sloot met flauw talud aan oostzijde. Voor een complete uiteenzetting van het landschappelijk inpassingsplan met plantaantallen en soorten wordt verwezen naar het landschappelijk inpassingsplan in bijlage 2.
5.6
Flora en fauna 5.6.1 Algemeen Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In deze wet zijn de onderdelen uit de Europese Habitatrichtlijn en onder meer de Vogelrichtlijn, die de bescherming van soorten betreft, geïmplementeerd. De wet biedt ook het kader voor de bescherming van inheemse dier- en plantensoorten die geen bescherming genieten op grond van de Habitatrichtlijn. Er gelden een aantal verboden ter bescherming van beschermde dier- en plantensoorten.
Bestemmingsplan De Gijzel 30 te Helvoirt Aelmans Bouwadvies B.V.
45
D217382.002.001/JSE
Artikel 1.11 Wet natuurbescherming voorziet in een algemene verplichting voor een ieder om voldoende zorg te dragen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 5.6.2 Verricht onderzoek Gelet op de beschikbare gegevens is een quickscan flora en fauna verricht. De rapportage hiervan is toegevoegd als bijlage 9. De conclusie is als volgt. Op basis van de quickscan die is uitgevoerd ter plaatse van het perceel Gijzel 30 te Helvoirt kan niet worden uitgesloten dat de voorgenomen sloop- en bouwwerkzaamheden een negatieve invloed hebben op beschermde soorten vanuit de Wet natuurbescherming en natuurgebieden. Voorafgaand aan de ingreep zullen maatregelen genomen moeten worden zoals benoemd in de tabel 3 in hoofdstuk 5, waaronder nader onderzoek naar de huismus in de, veestallen. Voor de voorgenomen werkzaamheden aan de tuin- kap- en opslagschuur is geen nader onderzoek noodzakelijk echter dient er wel rekening gehouden te worden met het broedseizoen. Echter dient de noordelijke muur van de opslagschuur behouden te blijven aangezien het huismusnest aan de zuidzijde van de veestallen tegen deze muur is aangebouwd. Gezien de afstand en de aard van de ingreep worden geen negatieve effecten verwacht op de meest nabijgelegen natuurgebieden (NNB/ Natura 2000).
De ruimtelijke ontwikkeling leidt vermoedelijk niet tot een toename van de stikstofdepositie op de naburige Natura 2000 gebieden. Om te bepalen of dit het geval is zou een Aerius-berekening kunnen worden uitgevoerd. Voor de geplande ingreep zullen geen bomen of struiken worden gerooid. Echter zijn de opstallen geschikt om tijdens het broedseizoen gebruikt te worden door algemene (niet-jaarrond beschermde) vogelsoorten. Aangrenzend aan de onderzoekslocatie staat een houtsingel. Deze houtsingel blijft behouden en de voorgenomen werkzaamheden op de onderzoekslocatie zullen hier geen effect op hebben. Op basis van artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Wnb) is het verboden om opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Gezien er op de onderzoekslocatie vrijgestelde en/of algemene soorten voor kunnen komen dient men zich aan de zorgplicht te houden. Geadviseerd wordt om een ecologisch werkprotocol aan te houden. Door bijvoorbeeld één werkrichting vast te leggen kunnen dieren wegvluchten van de werkzaamheden. De vluchtrichting moet wel naar een realistisch vluchtgebied leiden. Door tijdens de ontwerpfase te denken aan “natuurinclusief” bouwen kan de nieuwe machineberging meer natuurwaarde bieden.
Denk hierbij aan bijvoorbeeld ingebouwde nestkasten voor vleermuizen of huismussen en gierzwaluwen. Ook kan gedacht worden aan het plaatsen van nestkasten voor kerkuilen in de nieuwe loods, maar ook in de nieuwe groenstroken voor steenuilen.
5.6.3 Conclusie flora en fauna Met in achtname van het bovenstaande vormt het aspect Flora en Fauna geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen zal nader onderzoek uitgevoerd worden naar de aanwezigheid van de huismus.
Bestemmingsplan De Gijzel 30 te Helvoirt Aelmans Bouwadvies B.V.
46
D217382.002.001/JSE
5.7
Duurzaamheid Duurzame stedenbouw verbreedt de aandacht naar meer aspecten dan alleen de verkaveling en ontsluiting. Duurzaamheid gaat ook om een zuinig ruimtegebruik, milieuvriendelijkheid, veilig verkeer en vervoer en natuur en rekening houden met het waterhuishoudingsysteem, omgevingsinvloeden, landschapsstructuren en landschapselementen. Dit betekent in de praktijk dat gelet moet worden op het materiaalgebruik, de vormgeving, gebruik van alternatieve energiebronnen, compact bouwen, intensief ruimtegebruik en flexibel bouwen (levensloopbestendig). Duurzaam bouwen heeft een volwaardige plaats in het ontwerp, het bouwen en beheren van de bebouwing. Tijdens de bouw kan door zuinig om te gaan met bouwmaterialen worden voorkomen dat er onnodig afval ontstaat. In onderhavig plan zijn met name de bouwkundige aspecten van belang. Deze zullen verder worden uitgewerkt in de aanvraag van de omgevingsvergunning bouwen. Inmiddels is een convenant Duurzaam Bouwen door diverse partijen ondertekend, waarbij partijen zich verplichten de duurzaamheidmaatregelen uit de Nationale Pakketten Duurzaam Bouwen, uit te voeren. Bij de beoordeling van de aanvraag omgevingsvergunning bouwen zal door de gemeente op de duurzaamheidaspecten worden getoetst.
Bestemmingsplan De Gijzel 30 te Helvoirt Aelmans Bouwadvies B.V.
47
D217382.002.001/JSE
6
Uitvoerbaarheid De uitvoerbaarheid van de planontwikkeling dient in relatie tot de gemeentelijke financiën te zijn gewaarborgd. Daarbij dient ook te worden onderzocht of en in hoeverre de voorgenomen afwijkingen ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan aanleiding kunnen geven tot aanspraken om planschade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening.
6.1
Grondexploitatie 6.1.1 Algemeen Afdeling 6.2 van de Wet ruimtelijke ordening draagt de titel ‘Grondexploitatie’. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de mogelijkheden voor gemeenten (en ook provincie en Rijk indien deze als planwetgever optreden) om langs publiekrechtelijke weg eisen te stellen aan het in exploitatie brengen van gronden. Het gaat dan onder andere om eisen op het gebied van kostenverhaal, sociale woningbouw, particulier opdrachtgeverschap en fasering van de invulling van den openbare ruimte. Ook zijn in afdeling 6.2 Wro twee bepalingen opgenomen over de wijze waarop langs privaatrechtelijke weg eisen gesteld kunnen worden aan het in exploitatie brengen van gronden. 6.1.2 Exploitatieplan Afdeling 6.4 Wro beschrijft een publiekrechtelijk stelsel waarbinnen door gemeenten (en in voorkomend geval provincie of Rijk) eisen gesteld kunnen worden aan de grondexploitatie. Dit publiekrechtelijk instrumentarium is aanvullend van aard. Het primaat ligt bij vrijwillige civielrechtelijke afspraken. Deze civielrechtelijke afspraken worden gemaakt in hetzij een anterieure overeenkomst (er is nog geen exploitatieplan vastgesteld) hetzij een posterieure overeenkomst (er is al een exploitatieplan vastgesteld).
Artikel 6.12, lid 1 Wro bepaalt dat de gemeenteraad wordt verplicht om de gronden, waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen, een exploitatieplan op te stellen. Artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening geeft aan om welke bouwplannen het gaat. Hoofdregel is dat er een plicht bestaat voor het opstellen van een exploitatieplan. Onder artikel 6.12, lid 2 Wro wordt hierop echter een aantal uitzonderingsmogelijkheden geboden: -
het verhaal van kosten over de in het plan of besluit begrepen kosten is anderszins verzekerd; het is niet nodig een tijdvak te bepalen waarbinnen de grondexploitatie zal plaatsvinden; het is niet nodig een fasering op te nemen waarbinnen werken, werkzaamheden en bouwplannen uitgevoerd moeten worden; het is niet nodig eisen en/of regels omtrent de uitvoering te stellen aan het bouwrijp maken en/of de inrichting van de openbare ruimte en/of de aanleg van nutsvoorzieningen; het is niet nodig regels te stellen omtrent de uitvoering van de in het bestemmingsplan opgenomen bepalingen omtrent sociale huur en/of koopwoningen, kavels voor particulier opdrachtgeverschap of branches in de detailhandel.
Bestemmingsplan De Gijzel 30 te Helvoirt Aelmans Bouwadvies B.V.
48
D217382.002.001/JSE
De gemeente Vught heeft met initiatiefnemer een (privaatrechtelijke) anterieure overeenkomst gesloten. Het verhaal van kosten is hierdoor anderszins verzekerd.
6.2
Planschade Artikel 6.1 Wet ruimtelijke ordening biedt de grondslag voor de vergoeding van zogenoemde planschade. Deze schadevergoeding wordt (in beginsel) door het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente toegekend aan degene die als gevolg van een planontwikkeling schade lijdt. Artikel 6.4a Wro bepaalt dat de gemeente de mogelijkheid heeft om met een initiatiefnemer van een planontwikkeling een overeenkomst te sluiten. De strekking van dergelijke planschadeovereenkomst is dat de door derden geleden schade geheel (of gedeeltelijk) voor rekening komt van de initiatiefnemer, omdat de schade voortvloeit uit het op zijn of haar verzoek ten behoeve van een planontwikkeling wijzigen van het bestemmingsplan of verlenen van een omgevingsvergunning. In de met de gemeente Vught gesloten (privaatrechtelijke) anterieure overeenkomst is tevens het verhaal van planschade opgenomen. Eventuele tegemoetkomingen in planschade zijn voor rekening van de initiatiefnemer.
Bestemmingsplan De Gijzel 30 te Helvoirt Aelmans Bouwadvies B.V.
49
D217382.002.001/JSE
7
Planstukken Het bestemmingsplan De Gijzel 30 van de gemeente Vught bestaat uit voorliggende toelichting, regels en een verbeelding op schaal 1:1000.
7.1
Algemeen Op 1 juli 2008 is de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. Behalve een vernieuwd stelsel voor processen voor de ruimtelijke ordening in Nederland, worden met de inwerkingtreding van de nieuwe Wro ook de resultaten van DURP (Digitale Uitwisseling in Ruimtelijke Processen) wettelijk verankerd. Dit houdt in dat nagenoeg alle instrumenten uit de Wro door bronhouders digitaal beschikbaar zijn, waardoor de bestemmingsplannen onderling vergelijkbaar worden. Hiervoor is het pakket ‘RO Standaarden 2008’ ontwikkeld, dat wettelijk is vastgelegd in de bij de Wro behorende ‘Regeling standaarden ruimtelijke ordening’. Vergelijkbaarheid van bestemmings- en inpassingsplannen wordt door de SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012) op drie manieren gerealiseerd: -