CConstaterende datVught
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage - Toelichting bestemmingsplan

Raadsvergadering 1 februari 2024, gemeente VughtBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Huis voor Vincent13.920 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water- en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’: op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving.

Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: − Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt − Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan − Wat schoon is moet schoon blijven

31

We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor MiddenBrabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij: − van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. − van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied. − van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.

Gemeentelijk beleid - Gemeentelijk Rioleringsplan Vught 2018 - 2023 Het gemeentelijke water en rioleringsbeleid is vastgelegd in het Gemeentelijk Rioleringsplan Vught 2018- 2023. In het plan is verwoord hoe de gemeente Vught invulling geeft aan de specifieke zorgtaken rondom stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater. Voor de specifieke zorgplichten, is het maatschappelijk belang in de gemeente Vught vertaald naar doelstelling voor de watertaken. Hierdoor is de gemeente tot de volgende (wettelijke) hoofddoelstellingen gekomen: 6 Doelmatig inzamelen en transporteren van stedelijk afvalwater; 7 Doelmatig inzamelen en verwerken van hemelwater; 8 Doelmatig voorkomen dat grondwater de bestemming van een gebied structureel nadelig beïnvloed. Toetsing Bestaande situatie In de huidige situatie is het plangebied voor een groot deel bebouwd en verhard behorend bij de functie van voormalige school. De maaiveldhoogte binnen het plangebied bedraagt circa NAP + 7,5 meter. Oppervlaktewater In het plangebied is momenteel geen oppervlaktewater aanwezig. Wel zal er een kunstmatige wadi aangelegd worden, welke dient als compensatiemaatregel voor de geringe toename in verharding. Waterveiligheid In of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen primaire of regionale waterkeringen aanwezig. Als gevolg van de klimaatverandering nemen de overstromingsrisico's toe.

Op de waterkaart zijn daarom zogenaamde dijkringgebieden vastgelegd. Onderhavig plangebied ligt in dijkringgebied 36 ‘Land van Heusden/De Maaskant’. Het gebied heeft een overstromingskans per jaar van > 1/100.

32

Wateroverlast Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen neemt het oppervlakte verhard in veel gevallen toe. Toch zal het toekomstige gebied moeten voldoen aan het watersysteem zoals dat tegenwoordig wordt voorgesteld waarin rekening is gehouden met klimaatverandering. Een belangrijk principe is dat een deel van het afstromend hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. Binnen het voorliggende plangebied is sprake van een geringe toename aan verhard oppervlak ten opzichte van de huidige situatie. Het gaat om circa 300 m 2. Dit is minder dan 500 m2, waardoor geen bergingsopgave vanuit de Keur 2015 geldt. In de huidige situatie hebben de onverharde gronden van het plangebied een braakliggend en egaal karakter, waarover hemelwater gemakkelijk wegstroomt. Om hemelwater in de toekomstige situatie langer vast te houden worden aan zowel de voorzijde als ook de achterzijde van de bebouwing tuinen gerealiseerd.

De tuinen zullen het diepste punt in het midden hebben, waardoor water hier langer vastgehouden kan worden. Geacht wordt dat met de aanleg van de tuinen de geringe toename in verharding voldoende wordt gecompenseerd en geen alternatieve maatregelen benodigd zijn. Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Voor de aanleghoogte van gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt een aanleghoogte van de vloer geadviseerd van minimaal 80 centimeter ten opzichte van de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG). Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. In gebieden waar grondwateroverlast op kan treden, adviseert het waterschap de volgende voorkeursvolgorde toe te passen: (1) kruipruimteloos bouwen, (2) ophogen van het plangebied of (3) toepassen van drainage in openbaar gebied en particulier terrein.

33

Waterkwaliteit Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater wordt vervuild. In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen. Er mogen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen gebruikt worden op delen die het hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Afkoppeling van hemelwater zorgt ervoor dat het aantal riooloverstorten laag is. Ook dit komt de waterkwaliteit (in de omgeving) ten goede. Riolering De gemeente heeft een zorgplicht voor doelmatige verwerking en afvoer van hemelwater, afvalwater en grondwater. Aan de Kastanjelaan is een gescheiden rioolstelsel aanwezig. Aansluiting van de riolering in het plangebied op het bestaande stelsel wordt in een later stadium uitgedetailleerd. Feit is dat het hemelwater en het afvalwater gescheiden tot aan de perceelgrens zal moeten worden aangeboden. Beheer en onderhoud Het beheer en onderhoud van het inzamelings- en transportstelsel van afvalwater, kortom de riolering, ligt bij de gemeente. Het Waterschap is verantwoordelijk voor de zuivering van het aangeleverde afvalwater.

Het Waterschap is de beheerder van het totale watersysteem en van de waterkeringen. Het onderhoud van de waterkeringen en hoofdwatergangen is tevens de verantwoordelijkheid van het Waterschap. Het onderhoud van de overige watergangen ligt bij particulieren, de gemeente en andere instanties. Het beheer en onderhoud van het gemeentelijke inzamelings- en transportstelsel ligt bij de gemeente tot aan het eindgemaal dat in beheer is van waterschap De Dommel. Het Waterschap is verantwoordelijk voor het transport vanuit het eindgemaal tot en met afvalwaterzuiveringsinstallatie en voor de zuivering. De gemeentelijke riolering moet bereikbaar zijn voor beheer en onderhoud. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.9

Natuur Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen.

34

Toetsing SAB heeft met een quick scan natuur 8 onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het plangebied. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied. Navolgend worden kort de conclusies van de quick scan uiteengezet. Gebiedsbescherming In de buurt van het plangebied zijn de Natura 2000-gebieden Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen, Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek en Kampina & Oisterwijkse Vennen gelegen. Een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van deze Natura 2000-gebieden is vanwege een mogelijke toename in stikstofdepositie door de ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied niet uit te sluiten. Derhalve is een onderzoek naar stikstofdepositie in zowel de aanleg- als ook de gebruiksfase uitgevoerd9. Uit de uitgevoerde berekeningen van de aanlegfase (bij het toepassen van 6% en 7% AdBlue en een elektrische kraan op bouwstroom) blijkt dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden.

Uit de uitgevoerde berekeningen van de gebruiksfase blijkt ook dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden ten gevolge van de ontwikkeling. Er is geen vergunning ten behoeve van de Wet natuurbescherming benodigd. Verder blijkt uit de quick scan dat in de omgeving van het plangebied geen Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde natuur aanwezig is. De provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg en nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk. Soortenbescherming In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg.

Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat in en rondom het plangebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield.

8

SAB (2021). Quick scan natuur. Helvoirt, Kastanjelaan 10-12. Projectnummer: 210317. 15 juli 2021.

9

SAB (2023). Onderzoek stikstofdepositie. Helvoirt, Kastanjelaan. Projectnummer: 210317. 22 november 2023. 35

Mogelijk is er een nestplaats aanwezig van de sperwer, boomvalk, roek of ransuil. Nestplaatsen van deze soorten zijn jaarrond beschermd. Verder zijn mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen en steenmarter aanwezig. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten is een aanvullend onderzoek ecologie 10 uitgevoerd. Hieruit blijkt dat in het plangebied geen nesten van huismus, gierzwaluw, boomvalk, ransuil, roek en sperwer aanwezig zijn. Ook zijn geen verblijfplaatsen of essentiële leefgebieden van steenmarter of vleermuizen aangetroffen. De beoogde ingreep leidt daarom niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming is derhalve niet benodigd. Andere essentiële elementen, zoals essentieel leefgebied of verblijfplaatsen, van andere beschermde soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, zijn niet aanwezig. De bescherming van deze categorie soorten staat de ontwikkeling niet in de weg. Klimaatadaptatie Het grootste gedeelte van wat wordt bestemd, ontworpen en vergund in de openbare ruimte is ervoor bedoeld om decennia lang mee te kunnen. Daarom is het belangrijk om klimaatadaptatie en andere duurzaamheidsthema’s mee te nemen in het proces, ontwerp en planvorming.

In dat kader is voor voorliggend plan voorzien in een quick scan klimaatadaptatie11, waarin is ingegaan op de uitdagingen en de kansen door toedoen van klimaatadaptatie in relatie tot voorliggende ontwikkeling. In de navolgende tabel zijn mogelijke kansen opgenomen. Klimaataspect

Kansen

Hitte

- Zorg aan de zuidzijde voor een vaste overstek of luifels - Situeer slaapkamers bij voorkeur aan de noordkant van de gebouwen - Zet groen in voor schaduwwerking en verkoelend effect - Groene daken of een groene muur voor het tegengaan van hittestress in de gebouwen - Zet halfverharding in waar mogelijk - Zorg voor een lichte kleurstelling van de gebouwen en buitenruimte

Droogte

- Zorg voor waterinfiltratie door aanleggen groen, halfverhardingen, waterpasserende verhardingen zodat de grondwaterstanden aangevuld blijven - Kies in het beplantingsplan voor soorten die relatief goed tegen droogte kunnen

10

Blom Ecologie (2022) Aanvullend onderzoek ecologie. Kastanjelaan 10-12 te Helvoirt. Projectnummer: 2021-856. 16 augustus 2022.

11

SAB (2023). Quick scan klimaat. Helvoirt, Kastanjelaan Huis voor Vincent. Projectnummer: 210317. 22 februari 2023. 36

Wateroverlast

- Zorg voor de benodigde ruimte voor de berging van water - Richt het openbare terrein klimaatadaptief in door bijvoorbeeld reliëf toe te passen - Bij de aanleg van groen is het van belang dat het water ook de kans krijgt hierheen te stromen

Energietransitie

- Zet in op verduurzaming van de gebouwen - Minimaliseer het energieverbruik in de zomer, door het opwarmen van de gebouwen tegen te gaan - Zorg voor (gemakkelijke aanleg van) elektrische oplaadpunten - Maak de aanleg van zonnepanelen op daken toegankelijk door alvast te voorzien in een elektriciteitsnetwerk richting het dak en een goede constructie

Ecologie en Biodiversi-

- Faciliteer de flora en fauna in de omgeving

teit

- Hoe biodiverser de omgeving, hoe beter de luchtkwaliteit en kleiner de kans op uitval - Laat door een ecoloog de kansen op natuurinclusieviteit onderzoeken

Beschermde houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Conclusie De resultaten van het nader soortenonderzoek worden toegevoegd. Met inachtneming hiervan vormt het aspect natuur geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.10

Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die in 2022 in werking zal treden. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere 37

wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Toetsing Met de voorgenomen ontwikkeling wordt een oud schoolgebouw en naastgelegen directeurswoning herontwikkeld ten behoeve van maatschappelijke voorzieningen en (zorg)woningen. De ontwikkeling vindt grotendeels plaats in de bestaande bebouwing, waarmee geen grondwerkzaamheden benodigd zijn. De nieuwbouw (veranda, serre en paviljoen) behoeft eveneens geen (dieproerende) grondwerkzaamheden. Ten slotte geldt dat er in het geldende bestemmingsplan geen archeologische dubbelbestemming geldt waar rekening mee gehouden dient te worden. Dit tezamen maakt dat wordt geacht dat geen nader onderzoek noodzakelijk is. Er wordt, mede op basis van de provinciale verwachtingskaart, een gemeentelijk paraplubestemmingsplan archeologie opgesteld. Indien ter plaatse van het plangebied verwachtingswaardes worden opgenomen zullen deze middels een dubbelbestemming tevens worden opgenomen in het voorliggende plan, zodat de eventueel te verwachten archeologische waardes juridisch-planologisch zijn geborgd.

Conclusie Met inachtneming van het voorgaande vormt het aspect archeologie geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.11

Cultuurhistorie Algemeen Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Toetsing Het aspect cultuurhistorie is van groot belang voor voorliggend plan. De gebouwen binnen het plangebied betreffen namelijk gemeentelijke monumenten en kennen daarmee historische waarde. Daarnaast blijkt uit de Cultuurhistorische Waardenkaart Brabant dat ook de stedenbouw en structuur waarde kent:

38

Bron: Cultuurhistorische Waardenkaart Brabant (plangebied zwart omcirkeld) Het plangebied raakt de volgende lagen: − Historische stedenbouw van hoge waarde: het plangebied ligt binnen een gaaf voorbeeld van een secundaire kerknederzetting uit de periode 1850-1900, ten noorden van de oorspronkelijke dorpskern. − Lijn historische geografie: de Kastanjelaan heeft een redelijke hoge waarde. Met de voorgenomen herontwikkeling worden de monumentale en stedenbouwkundige waarden gerespecteerd en worden aspecten van het verleden teruggebracht. Het monumentale aanzien wordt zo niet aangetast en brengt het gebouw een zo gunstig mogelijk rendement. Naast het terugbrengen van de veranda voorziet het plan in het ordenen van de vertroebelde achterzijde van het terrein. Zo wordt het monumentale en stedenbouwkundige karakter van het plangebied niet alleen gerespecteerd, maar ook versterkt. Ten slotte heeft er een waardestelling en cultuurhistorische verkenning12 plaatsgevonden van zowel het exterieur als het interieur van de gebouwen, alsmede van de buitenruimte. Dit geldt als randvoorwaardekader waarbinnen de herontwikkeling plaatsvindt. Conclusie Met inachtneming van het voorgaande vormt het aspect cultuurhistorie geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.12

Verkeer en parkeren Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer die wordt gegenereerd bij een bepaalde ontwikkeling, hanteert het CROW13 kencijfers voor wat betreft verkeersgeneratie. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale

12

van Meijel - adviseurs in cultuurhistorie (2021). Helvoirt: voormalige Landmanschool cultuurhistorische verkenning (quickscan). 12 februari 2021.

13

CROW, publicatie 381, Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen. 39

hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. Onderstaande tabel geeft de toekomstige verkeersgeneratie weer, waarbij de gemiddelde kencijfers zijn aangehouden voor ‘serviceflat’ en ‘theater, schouwburg’ (als zijnde worst case categorieën). Tevens is de categorie ‘rest bebouwde kom’ aangehouden. Verkeersgeneratie kenmerk Serviceflat Theater, Schouwburg

aantal

kencijfer

per

gemiddeld

23

2,45

woning

56,4

13,1

100 m2 bvo

262,0

20

totaal verkeersbewegingen:

318,4

totaal afgerond

320

Dit extra verkeer kan worden opgenomen in het huidige verkeersbeeld. Eens temeer aangezien de generatie niet is afgezet tegen de huidige situatie. Parkeren Bij de te realiseren ontwikkeling dienen voldoende parkeerplaatsen te worden ingepast. De gemeente Vught heeft voor Helvoirt nog geen beleid vastgesteld. Tot het nieuwe parkeerbeleid in werking treedt, kan er gebruik worden gemaakt van de kerncijfers van het CROW. Bij aanvragen om omgevingsvergunning voor de voorgenomen ontwikkeling dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. In de regels van dit bestemmingsplan wordt het juridisch-planologisch vastgelegd. Dit betekent dat bij de omgevingsvergunning voor het bouwen en/of wijzigen van het gebruik getoetst zal worden of het plan voorziet in voldoende parkeergelegenheid. Daarmee wordt gesteld dat het aspect ‘parkeren’ voldoende in dit plan is gewaarborgd. Naast parkeerfaciliteiten op het eigen terrein zijn er voldoende parkeermogelijkheden op het aansluitende (gemeentelijke) parkeerterrein. Tussen de ontwikkelende partij en de gemeente wordt een overeenkomst gesloten waarbij een deel van het betreffende terrein exclusief voor dit project wordt bestemd. Conclusie Met inachtneming van het voorgaande vormt het aspect verkeer en parkeren geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.13

Trillingen Algemeen In Nederland bestaat geen wetgeving voor het voorkomen van hinder of schade door trillingen. Dit betekent niet dat bij het opstellen van ruimtelijke plannen het aspect trillingen geen aandachtspunt is. De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening. Hierin is de zorg voor een goede ruimtelijke ordening voorgeschreven. Om aan te kunnen tonen of er voor een beoogd plan sprake is van een goede ruimtelijke ordening is het noodzakelijk om mogelijke trillingshinder inzichtelijk te maken. Er is een aantal richtlijnen en beleidsregels die hiervoor worden gebruikt, namelijk: 40

− − − −

SBR-richtlijn; Beleidsregel trillingshinder spoor; Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen; Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening.

De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder door spoor wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Dat binnen een zone van 100 meter tot het spoor rekening gehouden moet worden met trillingen betekent niet dat er binnen deze zone altijd maatregelen nodig zijn. Toetsing Vanwege de korte afstand tussen het plangebied en de spoorlijn Tilburg - Vught is een trillinghinderonderzoek14 uitgevoerd. Op basis van de verrichte metingen kan worden geconcludeerd dat de in het kader van trillinghinder in woningen na te streven waarden zoals aangegeven in de Richtlijn deel B ‘Hinder voor personen in gebouwen door trillingen, Meet- en beoordelingsrichtlijn’ van de Stichting Bouwresearch (SBR) van augustus 2006 zullen worden overschreden. Hierbij wordt gezien de constatering dat sprake is van transformatie vooralsnog uitgegaan van de streefwaarden voor bestaande situaties. Op basis van ervaring dient de situatie beoordeeld te worden als technisch oplosbaar. De exacte maatregelen kunnen pas in een later stadium worden gedimensioneerd.

Middels deze maatregelen kan een acceptabel woonklimaat worden gewaarborgd zodat qua trillingen geen belemmeringen bestaan om het bestemmingsplan vast te stellen. Om een goede ruimtelijke ordening te kunnen waarborgen is in de regels van dit bestemmingsplan een zogenoemde voorwaardelijke verplichting opgenomen waarin is vastgelegd dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning niet eerder verleend kan worden dan nadat is aangetoond dat er voldoende maatregelen zijn genomen om een acceptabel woonklimaat vanuit het aspect trillingen kan worden gewaarborgd. Conclusie Met inachtneming van het voorgaande vormt het aspect trillingen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

14

Peutz (2021). Te verwachten trillingniveaus als gevolg van railverkeer. Huis voor Vincent te Helvoirt. Rapportnummer: H 8065-1-RA. 10 september 2021. 41

4.14

Kabels en leidingen Er zijn geen planologisch relevante leidingen aanwezig waarmee in het plangebied rekening moet worden gehouden. De dichtstbijzijnde hoogspanningsleiding bevindt zich op circa 10 kilometer afstand.

42

5 5.1

Juridische toelichting Algemeen Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. In deze paragraaf worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012 en de Wabo. Opzet bestemmingsplan Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van Huis voor Vincent, waarin maatschappelijke voorzieningen en (zorg)woningen zijn beoogd. Het plan is voorzien van een (globale) eindbestemming. Op grond van deze bestemming geldt een rechtstreekse bouwtitel.

De bestemming is inhoudelijk gestoeld op het precieze ontwerp, maar biedt tegelijkertijd de nodige flexibiliteit. Door deze opzet wordt de gewenste flexibiliteit gedurende het ontwikkelingstraject gecreëerd, om te voorkomen dat later knelpunten ontstaan bij ondergeschikte wijzigingen in de bouwplannen.

5.2

Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.

43

5.3

Bestemmingsregels

5.3.1

Opbouw bestemmingen Bestemmingsomschrijving Bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de grond worden toegekend. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies. De aard van de toegelaten inrichtingen van gronden (bouwwerken en werken, geen bouwwerken zijnde) vloeit dan voort uit de toegelaten functies. Bouwregels In de bouwregels worden voor alle hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding. Afwijken van de bouwregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan burgemeester en wethouders ten aanzien van bepaalde bouwregels. Specifieke gebruiksregels In dit onderdeel kan worden aangegeven welke vormen van gebruik men in ieder geval strijdig acht met de bestemming. Het is niet de bedoeling alle mogelijke strijdig gebruiksvormen te noemen, maar alleen die vormen van gebruik waarvan het niet op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de bestemmingsomschrijving.

Afwijken van de gebruiksregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde gebruiksregels. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden In dit onderdeel zijn voor bepaalde (grond)werkzaamheden verbodsbepalingen opgenomen, om te voorkomen dat specifieke landschappelijke kwaliteiten of mogelijk aanwezige waarden (in de bodem) verstoord of vernietigd worden.

5.3.2

Bestemmingen In deze paragraaf zijn de feitelijk in het plan voorkomende bestemmingen beschreven. Per bestemming is kort toegelicht welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden. Gemengd De voor ‘Gemengd’ aangewezen gronden zijn bestemd voor maatschappelijke en culturele voorzieningen op de begane grond, alsmede (zorg)woningen. Er zijn in totaal maximaal 23 (zorg)woningen toegestaan. Gebouwen zijn enkel toegestaan binnen het bouwvlak, waarbij moet worden voldaan aan de maximale goot- en bouwhoogte en het bebouwingspercentage. Daarnaast gelden separate bouwregels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Ten slotte gelden specifieke gebruiksregels met 44

betrekking tot strijdig gebruik en aan huis verbonden beroepen. Bij omgevingsvergunning kunnen eveneens aan huis verbonden bedrijven worden mogelijk gemaakt. Er is een specifieke regeling opgenomen in verband met het geluid vanuit de brandweerkazerne. Uit het akoestische onderzoek in verband daarmee volgt dat de binnenruimtes direct achter de gevels van het gebouw aan de zijde van de Stationsweg niet mogen worden gebruikt voor geluidgevoelige ruimtes. Op de verbeelding en in de regels is dit vastgelegd door middel van een regeling die dove gevels voorschrijft.

5.4

Algemene regels Dit hoofdstuk bevat een aantal algemene regels, onderverdeeld over de volgende artikelen: Anti-dubbeltelregel In deze regel is vastgelegd dat grond die in aanmerking moest worden genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning, waarvan de uitvoering heeft plaatsgevonden of alsnog kan plaatsvinden, bij de beoordeling van een andere aanvraag om omgevingsvergunning niet opnieuw in beschouwing mag worden genomen. Algemene bouwregels In dit artikel is een aantal aanvullende bouwregels opgenomen dat voor alle bestemmingen kan gelden. Het gaat om regels voor ondergronds bouwen en om bestaande afwijkingen, die als minimaal of maximaal toegestaan gelden. Algemene gebruiksregels In dit artikel is een regeling opgenomen met betrekking tot strijdig gebruik. Algemene afwijkingsregels Dit artikel is een aanvulling op de afwijkingsregels uit de bestemmingen. In het artikel is een aantal algemene afwijkingen opgenomen, dat middels een omgevingsvergunning kan worden verleend. Het betreft een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan bij een omgevingsvergunning mogelijk te maken. Ook geldt een afwijkingsregel voor het toestaan van evenementen.

Algemene wijzigingsregels Op grond van de mogelijkheden in dit artikel kan het plan gewijzigd worden om in geringe mate de bestemmingsgrenzen te overschrijden tot maximaal 2 meter indien de werkelijke situatie afwijkt van de planologische. Overige regels In dit artikel is een parkeerregeling opgenomen.

45

5.5

Overgangs- en slotregels In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. In de slotregel is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald.

5.6

De verbeelding Voor het verbeelden van de geometrisch bepaalde bestemmingen is een BGT-ondergrond gebruikt. Dit bestand is opgebouwd in coördinaten in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting, of kortweg Rijksdriehoekscoördinaten (ook wel: RD-coördinaten). Dit zijn de coördinaten die in Nederland worden gebruikt als grondslag voor onder meer geografische aanduidingen, waarbij de exacte locatie van een gebied wordt vastgelegd. In het plan is met behulp van lijnen, coderingen en arceringen aan gronden (en in dit geval ook wateren) een bepaalde bestemming toegekend. Binnen een bestemmingsvlak zijn met aanduidingen nadere regels aangegeven. Op een afdruk van de geometrische plaatsbepaling, de verbeelding, zijn alle bestemmingen en aanduidingen naast elkaar zichtbaar.

46

6 6.1

Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Op basis van artikel 3.1.6, lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. De ontwikkelingen die concreet mogelijk worden gemaakt door het wijzigingsplan moeten (economisch) uitvoerbaar zijn, omdat er anders sprake is van een oneigenlijke bestemming. Het voorliggende plan wordt gerealiseerd op particulier initiatief. De gemeente en de initiatiefnemer hebben een anterieure overeenkomst gesloten waarin de rechten en plichten van zowel de ontwikkelaar als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling van kostenverhaal. Met deze overeenkomst is het plan verzekerd van kostendekking, het opstellen van een exploitatieplan is daarom overeenkomstig artikel 6.12, lid 2 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening niet nodig. Gesteld kan worden dat er geen verplichting is om tegelijkertijd met de ruimtelijke procedure een exploitatieplan op te stellen. De economische uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is hiermee aangetoond.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1

Participatie Ten behoeve van de planvorming van dit project zijn op 11 oktober en 14 november 2022 inloopbijeenkomsten georganiseerd in het HelvoirThuis op het adres Kloosterstraat 30 te Helvoirt. Belanghebbende zijn hiervoor uitgenodigd middels een uitnodiging in diverse Whatsapp-groepen voor omwonenden. Daarnaast is er huis aan huis in de Kastanjelaan en Kloosterstraat een uitnodiging in de brievenbus gedaan. Tijdens de bijeenkomsten zijn omwonenden geïnformeerd over voorliggend voornemen. De opkomst van de omwonenden was aanzienlijk (circa 23 personen). Er is een aanwezigheidslijst bijgehouden. Door omwonenden zijn meerdere punten aangekaart en zijn vragen beantwoordt. Bepaald zal worden of en hoe deze kunnen worden meegenomen in het plan. Een samenvatting van de participatiebijeenkomsten15 is als bijlage van de toelichting bijgevoegd.

6.2.2

Vooroverleg Op grond van ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voert het college van burgemeester en wethouders, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan, overleg met andere bestuursorganen van bijvoorbeeld buurgemeenten, het waterschap en de provincie.

15

Samenvattend verslag - 1e en 2e participatiebijeenkomst Huis voor Vincent. 47

Het overleg tussen de bestuurlijke instanties dient in een redelijke verhouding te staan tot de aard en omvang van het bestemmingsplan. Het overleg dient dan ook beperkt te blijven tot die overheidsinstanties waarmee overleg werkelijk noodzakelijk is om te voorkomen dat de taak of verantwoordelijkheid van het andere overheidsorgaan ontoelaatbaar wordt beperkt, of dat het door dat orgaan te behartigen belang aantoonbaar wordt benadeeld. Vanuit de provincie Noord-Brabant zijn er geen opmerkingen op het bestemmingsplan. Het Waterschap heeft wel inhoudelijk gereageerd en deze opmerkingen zijn verwerkt in het bestemmingsplan. 6.2.3

Zienswijzen Na afronding van het vooroverleg start de formele bestemmingsplanprocedure. Het ontwerpbestemmingsplan zal voor een periode van zes weken voor een ieder ter inzage gelegen. Een ieder kan in deze periode zienswijzen indienen. In deze paragraaf of in een bijlage bij dit bestemmingsplan zullen de binnengekomen zienswijzen worden samengevat en van een beoordeling worden voorzien.

48

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vught&id=f094ce0e-898c-4347-81ef-d1f79bbefd6e