CConstaterende datVught
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage - Toelichting bestemmingsplan

Raadsvergadering 1 februari 2024, gemeente VughtBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Huis voor Vincent13.920 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan | Toelichting

Huis voor Vincent, Helvoirt

Gemeente Vught

Datum: 4 december 2023 Projectnummer: 210317 ID: NL.IMRO.0865.helvBPKastjlaan10-ON01

INHOUD TOELICHTING

1

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3 1.4

Aanleiding Ligging en begrenzing plangebied Geldend bestemmingsplan Leeswijzer

3 3 4 5

2

Planbeschrijving

6

2.1 2.2

Huidige situatie Toekomstige situatie

6 7

3

Beleid en regelgeving

11

3.1 3.2 3.3

Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid

11 13 15

4

Milieu- en omgevingsaspecten

18

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13 4.14

Milieueffectrapportage Bodem Geluid Luchtkwaliteit Bedrijven en milieuzonering Geur Externe veiligheid Water Natuur Archeologie Cultuurhistorie Verkeer en parkeren Trillingen Kabels en leidingen

18 19 19 20 22 26 27 30 34 37 38 39 40 42

5

Juridische toelichting

43

5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6

Algemeen Inleidende regels Bestemmingsregels Algemene regels Overgangs- en slotregels De verbeelding

43 43 44 45 46 46

6

Uitvoerbaarheid

47

6.1 6.2

Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

47 47

Bijlagen Bijlage 1: vormvrije m.e.r.-beoordeling Bijlage 2: akoestisch onderzoek (rail)wegverkeerslawaai Bijlage 3: quick scan bedrijven en milieuzonering Bijlage 4: akoestisch onderzoek industrielawaai Bijlage 5: kwantitatieve risicoanalyse Bijlage 6: quick scan natuur Bijlage 7: onderzoek stikstofdepositie Bijlage 8: aanvullend onderzoek natuur Bijlage 9: quick scan klimaatadaptatie Bijlage 10: cultuurhistorische verkenning Bijlage 11: trillinghinderonderzoek Bijlage 12: samenvatting participatiebijeenkomsten

1

Inleiding

1.1

Aanleiding Aan de Kastanjelaan 10-12 te Helvoirt bevindt zich de Oude Dr. Landmanschool en de voormalige directeurswoning. Deze karakteristieke, beeldbepalende panden werden ruim honderd jaar geleden gebouwd en kwamen zo’n tien jaar geleden leeg te staan. Sindsdien wordt het gebouw gebruikt door een aantal verenigingen. Het voornemen bestaat om de bestaande panden te herontwikkelen ten behoeve van diverse cultureel-maatschappelijke functies en (zorg)woningen, waarbij de monumentale waarde in ere wordt hersteld. Met respect voor het verleden wordt het gebouw door een nieuw entreegebied toegankelijker gemaakt en wordt aan de achterzijde voorzien in een serre en paviljoen. Deze ontwikkeling is niet mogelijk binnen de kaders van het geldende bestemmingsplan ‘Helvoirt’, aangezien de thans geldende bestemming ‘Maatschappelijk’ geen woningbouw mogelijk maakt. Daarnaast bieden de bouwregels geen ruimte voor de volledige uitbreidingen aan de voor- en achterzijde van het bestaande gebouw. Om de beoogde ontwikkeling alsnog mogelijk te maken wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld. Voorliggend document voorziet hierin.

1.2

Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied ligt aan de noordzijde van de kern Helvoirt, behorende tot de gemeente Vught, provincie Noord-Brabant. Het plangebied bestaat uit de adressen Kastanjelaan 10 en 12. Deze straat behoort tot één van de historische linten van de kern. Op de navolgende afbeeldingen is de globale ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding van dit bestemmingsplan.

Globale ligging plangebied (in geel weergegeven) in relatie tot de kern Helvoirt (Bron: PDOK Viewer).

3

Globale begrenzing plangebied (Bron: PDOK Viewer).

1.3

Geldend bestemmingsplan De huidige juridisch-planologische situatie van het plangebied is vastgelegd in het bestemmingsplan ‘Helvoirt’ (vastgesteld op 30 juni 2010) en het ‘Parapluplan kamerverhuur Vught’ (vastgesteld op 22 juli 2021). De navolgende afbeelding betreft een uitsnede van het bestemmingsplan ‘Helvoirt’.

Uitsnede verbeelding bestemmingsplan ‘Helvoirt’ met daarop de globale begrenzing van het plangebied in blauw weergegeven (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl).

Op grond van het geldende bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemming ‘Maatschappelijk’, met de aanduiding ‘wonen’ ter plaatse van de Kastanjelaan 10. Ter plaatse van deze bestemming zijn de gronden bestemd voor maatschappelijke 4

voorzieningen, wonen ter plaatse van de voornoemde aanduiding en bijbehorende voorzieningen. Gebouwen moeten worden voorzien binnen het bouwvlak en dienen te voldoen aan de gestelde goot- en bouwhoogte alsmede het gestelde bebouwingspercentage. Er geldt een maximum bouwhoogte voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, van 2,5 meter Het ‘Parapluplan kamerverhuur Vught’ voorziet in een eenduidige regeling ten aanzien van een aantal definities met betrekking tot bijzondere woonvormen voor de gehele gemeente Vught. Op basis van het geldende bestemmingsplan is het niet mogelijk om binnen het gehele plangebied woningen mogelijk te maken. Daarnaast is de bouwregeling niet afdoende om te kunnen voorzien in de beoogde ontwikkeling. Zodoende is het initiatief zowel strijdig met de bouw- als de gebruiksregels. Daarom wordt voor de ontwikkeling een nieuw bestemmingsplan opgesteld.

1.4

Leeswijzer Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en deze toelichting. De toelichting is opgebouwd uit 6 hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en komt de planbeschrijving aan de orde. In hoofdstuk 3 wordt de toets aan het beleidskader weergegeven, waarna in hoofdstuk 4 de haalbaarheid van het plan aangetoond wordt voor wat betreft milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische planopzet. Het laatste hoofdstuk behandelt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.

5

2 2.1

Planbeschrijving Huidige situatie Onderhavig plangebied omvat de oude Dr. Landmanschool en de directeurswoning aan de Kastanjelaan 10-12 te Helvoirt. De school werd gebouwd in 1918 door de Helvoirtse huisarts Landman. Tot 1974 was de school enkel toegankelijk voor jongens. Daarna werd het een algemeen toegankelijke school. Het gebouw was in eerste instantie voorzien van één laag met schildkap, een veranda met poort en een omsloten speelplaats. De speelplaats was gesitueerd aan de voorzijde, aangezien het gebouw ver terug ligt ten opzichte van de Kastanjelaan. Vanaf 1950 werd er een extra laag gebouwd, alsmede een gymzaal aan de achterkant. Inmiddels is het voorterrein niet meer omsloten en is de veranda niet meer aanwezig. De achterkant is vertroebeld. In de gehele geschiedenis kent de gevel van de school een symmetrisch gevelaanzicht. De navolgende afbeelding toont de ontwikkeling van het gebouw door de tijd.

Ontwikkeling gebouw door de tijd (Bron: Braaksma & Roos Architectenbureau).

De gebouwen zijn karakteristiek, beeldbepalend en aangewezen als gemeentelijke monumenten. De gebouwen staan inmiddels zo’n tien jaar leeg en zijn in de tussentijd nog verhuurd geweest aan een aantal verenigingen. Navolgende afbeelding toont de huidige situatie van het plangebied, met links het schoolgebouw en rechts de directeurswoning.

Huidige situatie plangebied (Bron: Google Maps).

6

Naast de bijzondere opzet en karakteristieke architectuur heeft de oude school een belangrijke cultuurhistorische betekenis voor het dorp en leeft het sterk in het collectieve geheugen van Helvoirt

2.2

Toekomstige situatie Het voornemen bestaat om de oude Dr. Landmanschool en directeurswoning te herontwikkelen, waarbij de bijzondere opzet en karakteristieke architectuur, alsook de cultuurhistorische waarde en betekenis voor het dorp wordt gerespecteerd. Dit is beoogd door de realisatie van ‘Huis voor Vincent’: een culturele basis voor ontmoeting, creativiteit en sociale betrokkenheid door een ontwerp bestaande uit verschillende artistieke, culturele en maatschappelijke functies, aangevuld met woonfuncties voor kunstenaars en begeleid wonen. De veranda wordt herbouwd en op het achterterrein wordt voorzien in een nieuwe serre en een paviljoen. Daarnaast wordt de openbare ruimte ingericht met een beelden- en moestuin aan de achterzijde en een bloementuin aan de voorzijde. Het monumentale exterieur van het schoolgebouw en de directeurswoning blijven behouden. Ook het interieur wordt zoveel als mogelijk intact gelaten. Aan de achterzijde van zowel het schoolgebouw als de directeursgebouw wordt de later toegevoegde bebouwing – die geen cultuurhistorische waarde heeft – gesloopt, om plaats te maken voor respectievelijk de serre/paviljoen en woonruimte. Programma De begane grond wordt hoofdzakelijk ingericht ten behoeve van de maatschappelijke, culturele en artistieke functies.

Dit behelst een toeristisch punt, koffiecorner en ontmoetingsplek in de veranda, repetitieruimte voor de harmonie in de oude gymzaal en atelierruimtes in de beoogde nieuwe serre en het paviljoen. Daarnaast worden drie woningen in de tuin mogelijk gemaakt. Twee van deze woningen betreffen kunstenaarswoningen. De derde betreft begeleid wonen. In de voormalige school worden in totaal maximaal zestien appartementen gerealiseerd voor begeleid wonen. In de naastgelegen directeurswoning zijn nog eens vier woningen beoogd. In totaal biedt het perceel dus ruimte voor 23 woningen. Voor de invulling van de zorg bestaat het voornemen om woonruimte te bieden aan verstandelijk gehandicapten (zorgprofiel 3 of hoger). Navolgend zijn impressies van deze woningen opgenomen.

7

Impressie begane grond en openbare ruimte (Bron: Braaksma & Roos Architectenbureau).

8

Impressie woningen 1e verdieping (Bron: Braaksma & Roos Architectenbureau).

Impressie woningen 2e verdieping (Bron: Braaksma & Roos Architectenbureau).

9

Zoals hiervoor kort benoemd zijn in de directeurswoning vier appartementen beoogd. Hiervoor wordt aan de achterzijde een deel gesloopt en teruggebouwd. De uitgangspunten voor deze werkzaamheden zijn in de navolgende afbeelding weergegeven.

Ontwikkeling directeurswoning (Bron: Braaksma & Roos Architectenbureau).

Met de onderhavige ontwikkeling is aandacht voor duurzaamheid. Er wordt gebruik gemaakt van zonnepanelen en van warmtepompen. Daarnaast zal de isolatie worden verbeterd. Met de onderhavige ontwikkeling is sprake van een toekomstbestendige invulling van een monumentaal pand, waarbij de beleefbaarheid, samenhang en identiteit wordt versterkt.

10

3

Beleid en regelgeving

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

De Nationale Omgevingsvisie De NOVI Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving met ambities. In deze NOVI worden de nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Er worden vier prioriteiten voor Nederland geformuleerd: − ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; − duurzaam economisch groeipotentieel; − sterke en gezonde steden en regio's; − toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven; 1 Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Er wordt weer gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van ruimte. 2 Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: er moet altijd gekeken worden naar de context van het gebied. Keuzes in verschillende gebieden kunnen daarom verschillen. 3 Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.

Toetsing Het Rijk zet in de NOVI onder andere in op de energietransitie, duurzaam groeipotentieel, sterke en gezonde steden, combinaties van functies en identiteit. Gelet op het feit dat er met voorliggend plan wordt voorzien in een duurzame en toekomstbestendige inrichting van bebouwing met monumentale waarde, waarbij wordt geïnvesteerd in functiemenging en sociale betrokkenheid, wordt een bijdrage geleverd aan het realiseren van de Rijksprioriteiten uit de NOVI.

3.1.2

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) bepaalt welke kaderstellende uitspraken van het kabinet bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische hoofdstructuur, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen.

11

Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Ten aanzien van de begrenzing van het NNN is bepaald dat niet het Rijk, maar de provincies die grenzen (nader) bepalen. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Toetsing Het voorgenomen plan raakt geen van de nationale belangen en is niet in strijd met het bepaalde in de SVIR en het Barro. 3.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking (Bro 3.1.6 tweede lid) Vanuit het Rijk wordt een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte bevorderd. Hiervoor is de Ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd en als procesvereiste opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de Ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Toetsing Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bro opgenomen.

Een stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Uit jurisprudentie1 blijkt dat een woningbouwplan dat voorziet in de realisatie van maximaal 11 woningen binnen een kern niet hoeft te worden aangemerkt als woningbouwlocatie of een andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Uit de overzichtsuitspraak2 van de Afdeling volgt verder dat er in beginsel geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling indien er met een maatschappelijk ontwikkeling minder dan 500 m2 bruto-vloeroppervlakte wordt toegevoegd.

1

Zie hiervoor de uitspraak van de ABRvS d.d. 16 september 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2921).

2

Zie hiervoor https://www.infomil.nl/onderwerpen/ruimte/gebiedsontwikkeling/ladder-duurzame/handreiking-ladder/buttons/kopie-jurisprudentie/#hc4689667-5490-45bb-a4667e949f6f94a2. 12

Het plangebied kent in de huidige situatie een maatschappelijke bestemming. De bebouwing- c.q. gebruiksoppervlakte ten behoeve van maatschappelijke voorzieningen neemt niet met meer dan 500 m2 toe door toedoen van onderhavig ontwikkeling. Dit onderdeel van de voorliggende ontwikkeling is derhalve niet aan te merken als stedelijke ontwikkeling. In totaal maakt het onderhavige plan maximaal 23 woningen mogelijk. Binnen een gedeelte van het plangebied (de directeurswoning) is wonen reeds toegestaan. Daarbij is geen maximum gesteld aan het aantal woningen, waardoor het geldende bestemmingsplan de realisatie van meerdere wooneenheden in de directeurswoning niet in de weg staat. Dit neemt niet weg dat het voorliggende bestemmingsplan meer dan 11 nieuwe woningen mogelijk maakt en de ontwikkeling dus getoetst moet worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Nederland staat voor een enorme woningbouwopgave; er bestaat op dit moment een grote behoefte aan nieuwe (zorg)woningen. Voorliggende ontwikkeling voorziet hierin. Gelet op de grote behoefte aan (zorg)woningen in Nederland, het feit dat de voorliggende ontwikkeling voorziet in een specifiek segment en het een herontwikkeling van bestaand erfgoed betreft, kan verondersteld worden dat de voorgenomen ontwikkeling voorziet in de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte aan woningen.

Bovendien is de ontwikkeling gelegen binnen bestaand stedelijk gebied, waarbij slechts op zeer beperkte schaal nieuwe bebouwing wordt toegevoegd. Zodoende kan gesteld wordt dat het plan voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Brabantse Omgevingsvisie De Brabantse Omgevingsvisie is een samenhangende visie op de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. De basisopgave binnen de Omgevingsvisie is het werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Daarnaast bevat de visie ambities op het gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Het gaat om de volgende kernwaarden: − meerwaarde-creatie; − technische en sociale innovatie; − kwaliteit boven kwantiteit; − steeds beter; − proactief en preventief boven gevolgbeperking en herstel. Toetsing Met voorliggende herontwikkeling wordt een karakteristiek, beeldbepalend gebouw in Helvoirt voorzien van een kwaliteitsimpuls, passend binnen de stedenbouwkundige en functionele kenmerken van (de omgeving van) het plangebied. Zo wordt de omgevingskwaliteit ter plaatse verbeterd. Het betreft tevens een herontwikkeling in bestaand stedelijk gebied, waardoor aangesloten wordt bij het principe van zorgvuldig ruimtegebruik.

Daarnaast is met de combinatie van (begeleid) wonen en (sociaal-culturele) voorzieningen ook sprake van meervoudig ruimtegebruik. Ook levert de 13

herontwikkeling een bijdrage aan de verduurzaming van de bebouwde omgeving door toepassing van zonnepanelen, warmtepompen en betere isolatie. Zo sluit deze herontwikkeling aan bij de ambities en kernwaarden uit de Brabantse Omgevingsvisie. 3.2.2

Interim omgevingsverordening Noord-Brabant In de Brabantse Omgevingsvisie hebben provinciale staten de visie op de fysieke leefomgeving verwoord. Met de totstandkoming van de Interim omgevingsverordening zijn de verschillende regelingen op provinciaal niveau over de fysieke leefomgeving samengebracht. Dit betekent dat de regels uit de Interim omgevingsverordening betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter en is vooral bedoeld om bestaande regelingen samen te voegen. Uitgangspunt van deze Interim omgevingsverordening is dat de huidige regels met het huidige beschermingsniveau zijn gehandhaafd. In het algemeen geldt daarbij dat de inzet van de verordening in de provincie Noord-Brabant is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor het vanuit provinciale belangen nodig is om regels in te zetten of waarvoor het vanuit de wet verplicht is om regels te stellen in de verordening. Het is een ‘Interim’ omgevingsverordening om zo te benadrukken dat dit een tussenstap is naar de ‘definitieve’ omgevingsverordening gebaseerd op de Omgevingswet. De Interim omgevingsverordening is gebaseerd op de huidige wetgeving en moet aan de wettelijke bepalingen van die wetgeving voldoen. Dat betekent dat nieuwe mogelijkheden uit de Omgevingswet nog niet zijn verwerkt.

Er is wel zo veel als mogelijk aansluiting gezocht bij de Omgevingswet en de voorwaarden voor een omgevingsverordening (bijvoorbeeld bij de opbouw en de digitale vormgeving). Toetsing In algemene zin geldt voor ontwikkelingen dat voldaan moet worden aan de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit (artikel 3.5). Dit bestaat uit het rekening houden met een zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 3.6), de bestaande waarden in een gebied (artikel 3.7) en meerwaardecreatie (artikel 3.8). Aangezien de herontwikkeling is voorzien in bestaand stedelijk gebied en voorziet in een specifieke behoefte geldt dat sprake is van een zorgvuldig ruimtegebruik. Ook wordt de ontwikkeling ingepast in de bestaande ruimtelijke structuren en sluit het aan op de aard, schaal en maat van haar omgeving. Er wordt rekening gehouden met de verschillende waarden in het plangebied en de directe omgeving; zowel vanuit het verleden als vanuit het heden. Tot slot geldt dat een bijdrage wordt geleverd aan het realiseren van meerwaardecreatie: niet alleen wordt het monumentale pand voorzien van een kwaliteitsimpuls, ook draagt de ontwikkeling bij aan het versterken van de leefbaarheid van het dorp en wordt voorzien in een duurzaamheidsimpuls door toepassing van zonnepanelen en warmtepompen. Conclusie Het voorgenomen plan is in lijn met het provinciale beleid.

14

3.3

Gemeentelijk beleid Algemeen Daar waar het beleid van de voormalige gemeente Haaren nog niet is vervangen door actueel Vughts beleid wordt in dit bestemmingsplan nog uitgegaan van het beleid van de voormalige gemeente Haaren.

3.3.1

Structuurvisie Haaren 2013 De voormalige gemeente Haaren (thans: gemeente Vught) is een groene gemeente. Dit groene karakter wil ze graag behouden. Tegelijkertijd wil de gemeente haar ogen niet sluiten voor ontwikkelingen. De gemeente wenst daarom de ruimtevraag in zijn geheel te bekijken en daar een allesomvattend beleid voor hebben. Deze visie heeft zijn beslag gekregen in de Structuurvisie Haaren die op 22 januari 2015 door de raad van de toenmalige gemeente Haaren is vastgesteld. Deze structuurvisie is de concretisering van de abstracte doelen zoals verwoord in de in 2011 vastgestelde Toekomstvisie Haaren. Ten aanzien van het beleid inzake wonen en woonomgeving heeft de gemeente haar algemeen beleid als volgt verwoord: “Het beleid ten aanzien van wonen heeft betrekking op wonen in één van de vier dorpen binnen de (voormalige) gemeente en nadrukkelijk ook in het buitengebied. Doel van beleid is dat het voor iedereen fijn wonen is in de gemeente. Een leefbare woonomgeving houdt in dat er een goede balans bestaat tussen woningvoorraad en woningbehoefte. Beschreven dominante trends als krimp, vergrijzing en de economische recessie kunnen consequenties hebben voor het type woningen dat gebouwd moet worden en hoe we met de bestaande voorraad omgaan.

Voor de gemeente is daarom flexibiliteit in meerdere opzichten van belang, zodat aanpassing aan de veranderende eisen mogelijk is en ruimtelijke kwaliteit gewaarborgd wordt.” De basisverantwoordelijkheid heeft de gemeente als volgt verwoord: “Het bieden van onderscheidende woonmilieus, voldoende woningaanbod en een woningvoorraad die toegankelijk is voor doelgroepen van beleid door middel van duurzame planontwikkeling”. Onderscheidende woonmilieus De gemeente biedt onderscheidende woonmilieus ten opzichte van omliggende stedelijke regio’s; dit houdt in dat op dorpse wijze wordt gebouwd. Eenvormigheid wordt daarbij niet voorgestaan. Elk dorp heeft een eigen identiteit. Dit betekent onder andere dat de gemeente voorstaat om een bebouwingstypologie voor te staan die past bij een lage bebouwingsdichtheid. Voldoende woningaanbod Voor een voldoende woningaanbod die aansluit bij de actuele vraag zet de gemeente in op een inhaalslag. In het verleden zijn de benodigde aantallen namelijk niet gehaald waardoor het aantal inwoners in de gemeente afnam. De gemeente wil daarom de komende jaren een inhaalslag maken. De gemeente wil daarom planologische en stedenbouwkundige condities creëren waarbinnen woningen, ook in de toekomst, kunnen worden gebouwd binnen de kaders van omgevingskwaliteit.

15

Duurzame planontwikkeling De gemeente wil geen onnodige beperkingen opleggen om plannen aan te passen aan de laatste behoeften. Duurzame planontwikkeling moet bijdragen aan de doelstelling een continue bouwstroom te houden. Uitgangspunt is dat de continue bouwstroom aan blijft sluiten bij de actuele behoefte. Hiervoor zal de gemeente optimaal anticiperen op de trends en ontwikkelingen. Dit heeft tot gevolg dat de gemeente de komende jaren inzet op de flexibilisering van woningbouwplannen. Toegankelijkheid woningmarkt Elke inwoner moet in beginsel in staat zijn binnen het eigen dorp een passende woning te vinden. Passend ten aanzien van de aard van de woning, de bereikbaarheid van noodzakelijke voorzieningen, maar ook ten aanzien van de betaalbaarheid. Binnen de bestaande woningmarkt, en de wijze waarop deze is georganiseerd, is een groot deel van de inwoners van de gemeente in staat daarbij hun eigen keuzen te maken. Haarens kwaliteitsmenu Onderdeel van de Structuurvisie Haaren 2013 is het Haarens Kwaliteitsmenu. Hierin wordt per onderscheiden omgeving beschreven wat de specifieke kwaliteiten zijn en hoe de kwaliteiten verder ontwikkeld kunnen worden. Zo wordt bij ieder initiatief getoetst of het past binnen de kwaliteiten van de omgeving. Toetsing Met de voorgenomen ontwikkeling worden, naast maatschappelijke voorzieningen, (zorg)woningen mogelijk gemaakt.

Er is nadrukkelijk sprake van een onderscheidend woonmilieu gezien de mix met maatschappelijke voorzieningen in een monumentaal pand. Er is sprake van inbreiding, waarbij wordt gezorgd dat de markante bebouwing een toekomstbestendige invulling krijgt. De beoogde ontwikkeling is zodoende in lijn met de beleidsuitgangspunten uit de structuurvisie. 3.3.2

Woonvisie Vught 2021-2025 Door de gemeenteraad van Vught is op 30 september 2021 de nieuwe woonvisie vastgesteld. De visie gaat uit van circa 2.000 nieuwe woningen tot aan 2020: 1700 in Vught, 260 in Helvoirt en 40 in Cromvoirt. De woonvisie stelt dat er grote schaarste is aan woningen door de regionale aantrekkingskracht van Vught. Waren er volgens eerdere prognoses tot 2030 circa 1.000 extra woningen nodig in Vught, nu is de ambitie 2.000 woningen. Naast de kwantitatieve behoefte wordt in de woonvisie ook ingegaan op de kwalitatieve behoefte. De gemeente wilt niet alleen meer bouwen, maar ook bestaande bebouwing splitsen in meer appartementen. Ook maatschappelijk vastgoed en zorggebouwen kunnen appartementen worden; mogelijkerwijs verdeeld over meerdere woonlagen en meer woningen bij elkaar. Ten slotte moet ruimte geboden worden aan woonvormen voor beschermd wonen, maatschappelijk opvang van hulpbehoevenden en tijdelijke woonruimte.

16

Toetsing Uit de woonvisie volgt dat er een grote opgave bestaat in de gemeente Vught. Als mogelijke strategie wordt genoemd het herbestemmen van maatschappelijk vastgoed. Met het voorgenomen initiatief wordt deze strategie gehanteerd, waarbij onder andere voorzien wordt in woonruimte voor zorgbehoevenden; een doelgroep die expliciet wordt benoemd in de visie. Het plan draagt zodoende concreet bij aan het behalen van de gemeentelijke ambities. Conclusie Het plan is in lijn met het gemeentelijk beleid.

17

4 4.1

Milieu- en omgevingsaspecten Milieueffectrapportage Algemeen Voor plannen en activiteiten, die mogelijk belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, kan het noodzakelijk zijn dat een milieueffectrapport wordt opgesteld. In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage is dit geregeld. Er is een m.e.r.-plicht voor plannen (planMER) en een m.e.r.-plicht voor besluiten. Een plan is plan-m.e.r.-plichtig als het plan kaders stelt voor m.e.r.-plichtige activiteiten. Toetsing Onderhavig plan betreft de herontwikkeling van bestaande panden ten behoeve van diverse cultureel-maatschappelijke functies en (zorg)woningen. Het plan kan worden gekwalificeerd als de wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen als genoemd in onderdeel D.11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r.. Bij de uitleg van de Europese m.e.r.-richtlijn wordt immers aangegeven dat 'stedelijke ontwikkelingsprojecten' breed moet worden geïnterpreteerd en een herontwikkeling wordt als wijziging in de zin van het Besluit m.e.r. beschouwd. Bij de activiteit zijn drie relevante indicatieve drempelwaarden opgenomen, namelijk: − een oppervlakte van 100 hectare of meer; − een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen; − een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.

Het plan blijft ver onder de indicatieve drempelwaarden en daarmee kan in eerste instantie met een vormvrije m.e.r.-beoordeling worden volstaan. In de vormvrije m.e.r.beoordeling wordt beoordeeld of de activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben. Hierbij moet in het bijzonder worden nagegaan of er sprake is van de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de Europese Richtlijn betreffende de milieueffectbeoordeling. Daarbij dient te worden ingegaan op de volgende onderdelen: − de kenmerken van het project; − de plaats waar de activiteit plaatsvindt; − de kenmerken van het potentiële effect. Er is een vormvrije m.e.r.-beoordeling3 uitgevoerd. Hieruit volgt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het plan, die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Het volgen van een m.e.r.-(beoordelings-) procedure is daarom niet nodig. Conclusie Het aspectmilieueffectrapportage vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

3

SAB (2023). Vormvrije m.e.r.-beoordeling, Helvoirt, Huis voor Vincent. Projectnummer: 210317. 22 februari 2023. 18

4.2

Bodem Algemeen In het kader van het bestemmingsplan moet zijn aangetoond dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Toetsing Met de voorgenomen ontwikkeling wordt een voormalig schoolgebouw en naastgelegen directeurswoning herontwikkeld ten behoeve van maatschappelijke voorzieningen en (zorg)woningen. De ontwikkeling vindt plaats in de bestaande bebouwing, waarvoor geen grondwerkzaamheden benodigd zijn. De nieuwbouw (veranda, serre en paviljoen) behoeft eveneens geen (dieproerende) grondwerkzaamheden. Het feitelijk gebruik gaat over van een zeer kwetsbaar object (school) naar een kwetsbaar object. Dit tezamen maakt dat bodemonderzoek niet noodzakelijk wordt geacht in het kader van de bestemmingsplanprocedure. De bodem wordt geschikt geacht voor het toekomstige gebruik. Conclusie Met inachtneming van het voorgaande vormt het aspect bodem geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.3

Geluid Algemeen De mate waarin het geluid onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het bestemmingsplan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Wegen met een maximale snelheid van 30 km/uur zijn uitgesloten van akoestisch onderzoek. Toetsing Met voorliggend plan worden geluidgevoelige objecten mogelijk gemaakt in de directe nabijheid van (spoor)wegen. Daartoe is voorzien in een akoestisch onderzoek (rail)wegverkeersonderzoek4. Navolgend worden kort de conclusies van het onderzoek uiteengezet. Wegverkeerslawaai − De geluidbelasting vanwege de niet-gezoneerde wegen Stationsweg, Torenstraat, Lindelaan, Broekwal, Achterstraat en Kerkstraat is lager dan de gehanteerde voorkeursgrenswaarde. Vanwege deze wegen wordt voldaan aan een goede ruimtelijke ordening;

4

SAB (2023). Akoestisch onderzoek rail- en wegverkeerslawaai. Kastanjelaan, Helvoirt. Projectnummer: 210317. 17 november 2023. 19

− De geluidbelasting vanwege de niet-gezoneerde Kastanjelaan bedraagt maximaal 51 dB. Dit is hoger dan de voorkeursgrenswaarde maar lager dan de maximaal te ontheffen geluidsbelasting. Maatregelen zijn derhalve onderzocht; − Onderzoek naar bron- en overdrachtsmaatregelen voor wegverkeerslawaai wijst uit dat deze niet voldoende soelaas bieden, financieel niet acceptabel zijn en stedenbouwkundig en landschappelijk onwenselijk zijn. Er dienen derhalve maatregelen aan de ontvanger zijde te worden getroffen in het kader van een goede ruimtelijke ordening; − Door het treffen van maatregelen bij de ontvanger zal de binnenwaarde van 33 dB worden gewaarborgd. Dit dient in een bouwakoestisch onderzoek aangetoond te worden; Spoorweglawaai − De geluidbelasting vanwege de gezoneerde spoorlijn Tilburg-Nijmegen bedraagt maximaal 68 dB. Dit is hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 55 dB. Maatregelenonderzoek heeft plaatsgevonden; − Onderzoek naar maatregelen voor railverkeerslawaai wijst uit dat het plaatsen van twee reflecterende geluidschermen van 160 meter lengte en 4 meter hoogte volstaat om de geluidbelasting tot onder de voorkeurswaarde te brengen. De maatregel stuit echter op financiële bezwaren; − Voor het plan dienen op basis van de maximaal planologische mogelijkheden hogere grenswaarden te worden aangevraagd (68 dB) vanwege railverkeerslawaai.

Deze dienen voor de vaststelling van het plan verkregen zijn. Naast een toetsing aan de maximaal planologische mogelijkheden is in het akoestisch onderzoek ook een akoestische inzage gegeven van het beoogde ontwerp scenario 9. Hiertoe zijn enkel de geluidsgevoelige gevels getoetst. Het beoogde ontwerp blijkt akoestisch inpasbaar. Conclusie Met inachtneming van het voorgaande vormt het aspect geluid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.4

Luchtkwaliteit Algemeen Eisen met betrekking tot luchtkwaliteit zijn verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en vormen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM 10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan.

20

Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM.

Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden. Toetsing De ministeriële regeling NIBM kwantificeert de (N)IBM-grens niet voor alle beoogde functies binnen het plangebied. Dit betekent dat op een andere manier aannemelijk gemaakt moet worden dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

Hiertoe is gebruik gemaakt van de NIBM-tool, waarvoor de paragraaf verkeer als uitgangspunt heeft gediend (zie paragraaf 4.12). Navolgend is het resultaat van de NIBM-tool weergegeven.

21

Bron: Infomil/RIVM

Uit de berekening met de NIBM-tool blijkt dat de planbijdrage van het plan ruimschoots voldoet aan de NIBM-grens van 1,2 μg/m3, zoals navolgend weergegeven. Daardoor zal het plan ‘Niet in betekenende mate’ bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Ook volgt uit de NSL-monitoringstool dat de luchtkwaliteit rondom Helvoirt voldoet aan de grenswaarden. Ook dreigt er geen overschrijding van deze grenswaarden. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. Vanuit zowel de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening vormt het plan op het gebied van luchtkwaliteit daarom geen belemmering. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.5

Bedrijven en milieuzonering Algemeen Indien door middel van een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs

22

hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten betreffend perceel. Toetsing Door SAB is een quick scan bedrijven en milieuzonering uitgevoerd 5. Uit deze quick scan volgt dat in de directe omgeving een mix aan functies is terug te vinden (wonen, maatschappelijke voorzieningen en andere functies). Tevens voorziet het plan zelf in een gemengde ontwikkeling. Daarom is de omgeving van het plangebied te typeren als ‘gemengd gebied’. Aangezien voorliggend plan voorziet in de realisatie van woningen en maatschappelijke voorzieningen, wordt op basis van de VNG-brochure geconstateerd dat sprake is van zowel een milieuhinder-veroorzakende als een nieuwe milieugevoelige ontwikkeling.

Externe werking De ontwikkeling beoogd bewust in een combinatie van zowel hinderveroorzakende functies (bijvoorbeeld de repetitie- en expositieruimte) en hindergevoelige functies (de (zorg)appartementen) te voorzien. Zo wordt getracht een levendig gebied te creëren waarbij verschillende functies in harmonie met elkaar samengaan en van elkaar gebruik maken. Zoals hierboven beschreven staat is ook de omgeving te classificeren als ‘gemengd gebied’ met een afwisseling van functies. Er is ter plaatse dus sprake van functiemenging en derhalve wordt deze systematiek gevolgd. De beoogde functies in het plangebied zijn allemaal te scharen onder categorie A of B inrichting. Dergelijke functies zijn direct naast of beneden woningen toegestaan, omdat de ruimtelijke uitstraling c.q. milieubelasting dusdanig beperkt is, dat deze functies het woon- en leefklimaat niet onevenredig aantasten. Daarmee is een goed woon- en leefklimaat voldoende verzekerd, zowel binnen het plangebied, als in de directe omgeving. Interne werking Ten aanzien van hinder van bestaande bedrijvigheid op de beoogde ontwikkeling wordt geconcludeerd dat voor de gronden direct ten oosten van de ontwikellocatie niet wordt voldaan aan de richtafstand ten opzichte van het kindcentrum. Als de functiemengingslijst wordt gehanteerd, wordt een dergelijke functie gerangschikt als activiteit van categorie B.

Onder categorie B vallen activiteiten die in een gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden. Een goed woon- en leefklimaat kan derhalve op de ontwikkellocatie vanwege dit kindcentrum geborgd zijn. Een nadere beschouwing is niet benodigd.

5

SAB (2023). Quick scan bedrijven en milieuzonering. Huis voor Vincent te Helvoirt. Kenmerk: 210317. 22 februari 2023. 23

Er wordt eveneens geconcludeerd dat voor de gronden direct ten noordwesten van de ontwikkellocatie (brandweerkazerne) niet zonder meer kan worden voldaan aan de richtafstand voor het aspect ‘geluid’ uit de VNG-brochure. Daarmee is niet zonder meer te stellen dat een goed woon- en leefklimaat op de locatie door deze functies wordt geborgd. Voor de brandweerkazerne is zodoende voorzien in een akoestisch onderzoek industrielawaai6. Getoetst is op de maximaal planologische mogelijkheden die dit bestemmingsplan mogelijk gemaakt. Daarnaast is een akoestische inzage gegeven van het beoogde ontwerp scenario 9. Dit scenario is akoestisch inpasbaar geacht door het bevoegd gezag. Hieronder volgen de conclusies uit het onderzoek. Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau Goede ruimtelijke ordening Uit de berekeningen blijkt dat de richtwaarde vanuit de VNG-publicatie wordt overschreden. Dit betreffen de richtwaarden van stap-2 (50 dB(A) etmaalwaarde), als ook stap-3 (55 dB(A) etmaalwaarde). Een uitruk met sirene in de avond- en nachtperiode en het oefenen van de brandweer op eigen terrein zijn daarin maatgevend. Activiteitenbesluit Zowel met als zonder sirenes vinden er overschrijdingen plaats van het Activiteitenbesluit gedurende de dag- en avondperiode. De overschrijdingen worden veroorzaakt door de oefeningen van de brandweer op eigen terrein.

Voor de nachtperiode geldt dat er enkel overschrijdingen plaatsvinden wanneer sirenes worden meegenomen in de berekeningen. Maatregelenonderzoek Maatregelen zijn onderzocht om de geluidbelastingen te reduceren. Uit het onderzoek en het vervolgoverleg met het bevoegd gezag is besloten dat achter de gevels waar de overschrijdingen significant zijn geen geluidgevoelige ruimten toe te staan. In de volgende afbeelding is dit weergegeven.

6

SAB (2023). Akoestisch onderzoek industrielawaai. Kastanjelaan, Helvoirt. Projectnummer: 210317. 17 november 2023. 24

Overzicht geveldelen waarachter geen geluidsgevoelige ruimten achter mogen bevinden (rode lijnen)

Maatregelen bij de ontvanger Op grond van het Bouwbesluit 2012 worden eisen gesteld aan het akoestische binnenniveau bij appartementen ten gevolge van wegverkeerslawaai en industrielawaai. Afhankelijk van de maatgevende geluidbelasting (wegverkeerslawaai of industrielawaai) wordt de minimaal benodigde karakteristieke gevelwering bepaald. Ten gevolge van weg- en railverkeerslawaai (als ook ten gevolge van industrielawaai waarbij transportbronnen maatgevend zijn) dient voldaan te worden aan een binnenniveau van 33 dB, ten gevolge van industrielawaai betreft dit 35 dB. Eventuele te treffen geluidweringen van de gevel dienen onderzocht te worden in een bouwakoestisch onderzoek. Eindafweging langtijdgemiddelde beoordelingsniveau In de gepresenteerde bedrijfssituatie zijn overschrijdingen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau geconstateerd. Door het bepalen dat achter gevels waar een te hoge geluidsbelasting optreedt, geen geluidgevoelige ruimten toe te staan, wordt gestreefd naar een acceptabel leefklimaat. De overschrijdingen die overblijven worden

25

acceptabel geacht gezien de essentiële taak die de brandweer heeft in het onderhouden van een veilige leefomgeving en worden beschouwd als een maatschappelijk belang. Hiervoor dienen wel maatwerkvoorschriften te worden opgesteld. Maximaal geluidsniveau Goede ruimtelijke ordening Uit de berekeningen blijkt dat de richtwaarde vanuit de VNG-publicatie wordt overschreden. Dit betreffen de richtwaarden van stap-2 (70 dB(A) etmaalwaarde), als ook stap-3 (70 dB(A) etmaalwaarde). Een uitruk met sirene en het oefenen van de brandweer op eigen terrein zijn hierbij maatgevend. Op toetspunten waarachter geluidsgevoelige ruimten mogen bestaan is de hoogste geluidbelasting 87 dB(A) vanwege sirenes, tijdens een uitruk. Activiteitenbesluit Voor het activiteitenbesluit wordt piekgeluid vanwege een uitruk uitgesloten, daarmee blijft er een maximale geluidsbelasting van 86 dB(A) en dus een overschrijding van de grenswaarde van het activiteitenbesluit (70 dB(A)). Eindafweging maximaal geluidsniveau Gelet op de essentiële taak van de brandweer in het onderhouden van een veilige leefomgeving en het dienen van het maatschappelijke belang, alsmede het ontzien van de geluidgevoelige ruimten, wordt de geluidsbelasting als acceptabel beschouwd. Indirecte hinder Ten slotte blijkt dat er geen grenswaarde van indirecte hinder wordt overschreden.

Akoestische inzage beoogd ontwerp Naast een toetsing aan de maximaal planologische mogelijkheden is ook een akoestische inzage gegeven van het beoogde ontwerp (scenario 9). Hiertoe zijn enkele de geluidsgevoelige gevels getoetst. In overleg met het bevoegd gezag is besloten tot een mogelijke afscherming van circa 2 meter op de kavelgrens. Hiermee is gerekend. De geluidbelastingen op de gevel zijn acceptabel geacht gezien het maatschappelijk belang van de brandweer. Gevelmaatregelen zullen erop moeten toezien dat aan de binnenwaarde vanuit het Bouwbesluit kan worden voldaan. Maatwerkvoorschriften zullen worden opgesteld. Conclusie Met inachtneming van het feit dat maatregelen dienen te worden genomen in het kader van industrielawaai, welke in een later stadium worden gedimensioneerd, is aangetoond dat het aspect bedrijven en milieuzonering, door toedoen van de te nemen maatregelen, geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.6

Geur Algemeen De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt in eerste instantie het wettelijk kader bij de beoordeling van een aanvraag om een milieuvergunning voor dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft hiervoor geurbelastingen afstandsnormen in relatie met geurgevoelige objecten in de nabijheid van de

26

(geprojecteerde) veehouderij. De Wgv heeft betrekking op twee aspecten. Ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging voor een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een partij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad. Toetsing Op ruim 400 meter afstand van het plangebied is één pluimveehouderij gevestigd (Parallelweg 10B). Voor de veehouderijen op grotere afstand wordt geconcludeerd dat er ruimschoots aan de eis met betrekking tot vaste afstanden voldaan kan worden. Ook is er vanwege deze grote afstand sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gelet op de voorgrondbelasting geur. Op basis van de navolgende uitsnede blijkt dat de achtergrondbelasting geur in het plangebied tussen de 0 en 3 ou/m3 is. Dit is een zeer goed woon- en leefklimaat. Omliggende veehouderijen worden niet belemmerd door de bestemmingsplanwijziging.

Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.7

Externe veiligheid Algemeen 27

Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (chemische fabriek, lpg-vulpunt) en de mobiele bronnen (route gevaarlijke stoffen). Er wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde. Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt.

Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Toetsing Het plangebied ligt in de directe nabijheid van de spoorlijn Tilburg-Nijmegen, waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Hiertoe is een kwantitatieve risicoanalyse 7 uitgevoerd. Als gevolg van het ontwikkelplan zal de personendichtheid in het invloedsgebied van het spoortraject toenemen. Het spoortraject kent in de nabijheid van de ontwikkellocatie geen plasbrandaandachtsgebied en geen PR 10-6/j contour. Tevens is gebleken dat zowel in de huidige als in de toekomstige situatie de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet wordt overschreden en het groepsrisico minder dan 10% toeneemt. Ingevolge artikel 8 kan een volledige verantwoording van het groepsrisico achterwege blijven als de verandering van de dichtheid van personen met niet meer dan 10% toeneemt en de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden. Wel is het wenselijk het groepsrisico van de in de 10-8/j plaatsgebonden risicocontour liggende bebouwing zoveel mogelijk te minimaliseren. Hiertoe is een beperkte verantwoording van het groepsrisico opgesteld. Beheersbaarheid/bestrijdbaarheid Allereerst is het voor de bestrijdbaarheid van een ramp of zwaar ongeval van belang om de aanrijdtijden van de brandweer voor het plangebied te inventariseren.

De brandweerkazerne Helvoirt grenst aan de ontwikkellocatie, vandaar dat het perceel vanuit daar direct toegankelijk is. Wanneer deze brandweerkazerne niet bereikbaar is, mede gezien het feit dat de locatie eveneens aan het spoortraject grenst, dan is de

7

SAB (2022). Externe veiligheid. Helvoirt, Kastanjelaan. Projectnummer: 210317. 23 februari 2022. 28

ontwikkellocatie het snelst bereikbaar vanuit de brandweerkazerne Haaren, binnen circa 5 minuten. Geconcludeerd wordt dat het plangebied en diens directe omgeving goed bereikbaar is voor de brandweer. Dezelfde conclusie geldt voor het nabije spoortraject dat via de Spoorstraat goed bereikbaar is bij een calamiteit. Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid bij het toxische scenario worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Ten aanzien van het brandbare scenario, zet de brandweer eveneens in op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. Wel is het van belang dat zich in het plangebied voldoende bluswatervoorzieningen bevinden. Het is te veronderstellen dat gezien het gegeven dat de locatie een oud schoolgebouw betreft, voldoende voorzieningen hiervoor aanwezig zijn. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten.

De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen en/of er een explosie plaatsvindt, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde toxische incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. Een deel van de woningen kan tevens in vorm van zorgwoningen worden ontwikkeld waarmee op locatie ook sprake zal zijn van minder zelfredzame personen. Tevens geldt dat bij maatschappelijke activiteiten op het perceel personen aanwezig kunnen zijn die niet of nauwelijks kennis hebben van mogelijke vluchtroutes. Het is derhalve essentieel dat de ontwikkellocatie wordt voorzien van toereikende bebording voor vluchtroutes en tevens beschikt over voldoende opgeleide bhv’ers die (kwetsbare) mensen helpen bij een calamiteit.

Het regelmatig trainen en het opleiden van voldoende geschikte BHV’ers dient continu een aandachtspunt te zijn, dit is met name van toepassing op weekenden en ’s nachts wanneer er minder personeel aanwezig is om kwetsbare bewoners te helpen bij calamiteiten. Conclusie Met inachtneming van het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

29

4.8

Water Rijksbeleid - Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 wordt allereerst de belangrijkste nationale belangen opgesomd: − waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); − waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; − waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; − in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; − realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO₂ arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; − Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; − Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. Deze nationale belangen worden aangevuld met drie hoofdambities: 1.

Een veilige en klimaatbestendige delta: Naast bescherming tegen overstromingen is de ambitie dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht is. In het Deltaprogramma is afgesproken dat overheden stresstesten uitvoeren om de risico’s in kaart te brengen en een adaptatiestrategie met een uitvoeringsprogramma opstellen 2. Een concurrerende, duurzame en circulaire delta: een goede zoetwatervoorziening is van groot belang voor de economie. Nederland moet in 2050 weerbaar zijn tegen zoetwatertekorten. Daarom werkt het Rijk in de planperiode van het NWP samen met de zoetwaterregio’s en de gebruikers aan maatregelen om ervoor te zorgen dat Nederland ook in droge perioden over voldoende zoetwater beschikt voor bijvoorbeeld landbouw, natuur, historisch groen, industrie en scheepvaart. 3. Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur: Het Rijk werkt aan schoon en ecologisch gezond (grond)water voor duurzaam gebruik en een leefomgeving van hoge kwaliteit. In de planperiode van het NWP wordt gewerkt aan structurele vermindering van lozingen en verspreiding van opkomende stoffen, onder andere via het Actieprogramma PFAS in water. Het beleid voor grondwaterkwaliteit is erop gericht verontreiniging van bodem en grondwater zo veel mogelijk te voorkomen.

Provinciaal beleid - Regionaal Water en Bodem programma Noord-Brabant 2022-2027 Het Regionaal Water en Bodem programma Noord-Brabant 2022-2027 is op 3 december 2021 vastgesteld. In het Provinciaal Waterprogramma 2022-2027 zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationaal Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Noord- Brabant. Het Waterplan is onderverdeeld in vijf deelprogramma’s:

30

1 Voldoende water: de provincie creëert beleidsinstrumenten en uitgangspunten voor een goed peilbeheer. Het tegengaan van de verzilting en voldoende water voor natuur vormen andere speerpunten. 2 Schoon water: Zowel het afvalwater als het grond- en oppervlaktewater moeten zonder schadelijke stoffen (her)gebruikt kunnen worden. De provincie wil in het bijzonder aandacht besteden aan natuurgebieden en grondwaterbeschermingszones. 3 Veilig water: het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem. 4 Vitale bodem: De sponswerking van de bodem is de laatste jaren afgenomen door verdichting. De provincie wil meer natuurinclusievere ruimtelijke ontwikkelingen faciliteren 5 Klimaatadaptatie: de provincie zet zich scherp in op een klimaatbestendige en waterrobuuste provincie. Deze constatering vertaald zich in het aanpassen van ons handelen op deze verandering, bijvoorbeeld het beperken van de hittestress en de aanpassing van ruimtelijke ontwikkelingen aan hevige buien. Waterschapsbeleid – Waterbeheerprogramma De Dommel 2022-2027 Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vught&id=f094ce0e-898c-4347-81ef-d1f79bbefd6e