CConstaterende datVught
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage - Ruimtelijke onderbouwing & regels BP Helvoirtseweg 207A

Commissievergadering 8 december 2022, gemeente VughtBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Helvoirtseweg 207A25.083 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen

2

‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.

Hoofdstuk 4

28

andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. 4.4.2 Onderzoek Vanwege de ligging in een woonwijk dient uitgegaan te worden van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. In de omgeving van het plangebied zijn voornamelijk woningen gelegen, met uitzondering van enkele maatschappelijke- en bedrijfs-/detailhandelbestemmingen. Voor de beschrijving van het aspect bedrijven en milieuzonering wordt getoetst op basis van de vigerende bestemmingsplannen ‘Villapark Loonsebaan’, vigerend vanaf 17 maart 2013, bestemmingsplan ‘Vijverhof 2016’, vigerend vanaf 9 juni 2016 en bestemmingsplan ‘N65 Vught’, vastgesteld op 14 mei 2020. Echter, in het bestemmingsplan ‘Vijverhof 2016’ zijn hoofdzakelijk woningen aangegeven. Op meer dan 300 meter bevindt zich de meest nabijgelegen maatschappelijke functie. Hierdoor wordt het bestemmingsplan ‘Vijverhof 2016’ buiten beschouwing gelaten voor het aspect bedrijven en milieuzonering. Daarnaast is er een nieuw bestemmingsplan in procedure; ‘Vught Noord’, status voorontwerp 3 december 2020.

Voor de volledigheid wordt er eveneens aan dit in voorontwerp liggende bestemmingsplan getoetst.

Figuur 8 Uitsnede vigerende en omliggende bestemmingsplannen met omliggende bedrijvigheid

Helvoirtseweg 166 Oost – West Buffet Het plangebied is gelegen op circa 110 meter van de meest nabijgelegen horecabestemming volgens het vigerende bestemmingsplan ‘Villapark Loonsebaan’. Dit betreft het restaurant Oost – West Buffet. Hiervoor geldt een maximale milieucategorie 1 met een bijbehorende maximale richtafstand van 10 meter. Deze afstand wordt ruimschoots gehaald.

Hoofdstuk 4

29

In het vigerende bestemmingsplan N65 Vught is er op bovenstaande locatie echter geen horecabestemming meer gelegen op de locatie (zie afbeelding 7). De horecabestemming is wegbestemd in het vigerende bestemmingsplan ‘N65 Vught’. Ook in het in voorontwerpfase bevindende bestemmingsplan ‘Vught Noord’ is er geen detailhandelbestemming meer gelegen op de locatie van de Helvoirtseweg 166. Dit betekend dat er geen ‘Horeca’ meer mogelijk is op de locatie aan de Helvoirtseweg 166. Hiermee kan worden geconcludeerd dat de (voormalige) horecabestemming geen belemmering vormt voor onderhavig ruimtelijk initiatief. Helvoirsteweg 168 Robben Rosmalen Aan de Helvoirtseweg 168 is volgens het vigerende bestemmingsplan ‘Villapark Loonsebaan’ detailhandel toegestaan. Op deze locatie is Robben Rosmalen gelegen, een kleinschalige dealer in tweedehands motorvoertuigen. Een autodealer wordt gezien als een bedrijf in milieucategorie 2 met een bijbehorende maximale richtafstand van 30 meter. Deze detailhandel bestemming is gelegen op een afstand van circa 95 meter van het plangebied. Het plangebied ligt op voldoende afstand van de kleinschalige dealer in tweedehands motorvoertuigen. Ook in het in voorontwerp bevindende bestemmingsplan ‘Vught Noord’ bevindt zich op voorgenoemde locatie de bestemming ‘Detailhandel’. Voorgenoemde locatie is niet opgenomen in het bestemmingsplan ‘N65 Vught’.

Dit betekend dat er in de toekomstige situatie geen detailhandel meer is toegestaan op de locatie aan de Helvoirtseweg 168 en dat de huidige bebouwing weldra zal worden geamoveerd. Helvoirtseweg 170 Medicab Ten westen van Robben Rosmalen is Medicab gelegen aan de Helvoirtseweg 170. Medicab is eveneens gelegen binnen de bestemming ‘Detailhandel’ van het vigerende bestemmingsplan ‘Villapark Loonsebaan’. Medicab betreft een bedrijf dat is gericht op de verkoop van sauna’s. Hiervoor geldt milieucategorie 1 met een maximale richtafstand van 10 meter. De afstand van het plangebied tot Medicab bedraagt circa 85 meter waardoor er ruimschoots wordt voldaan aan de richtafstanden. In het in voorontwerp bevindende bestemmingsplan ‘Vught Noord’ bevindt zich op voorgenoemde locatie de bestemming ‘Bedrijf’. Voorgenoemde locatie is niet opgenomen in het bestemmingsplan ‘N65 Vught’, doordat de ontwikkeling van de N65 geen invloed heeft op de ligging van de bestemming ‘Bedrijf’. 4.4.3 Conclusie Er wordt voldaan aan de geldende richtafstanden. Omgekeerd wordt er geen milieubelastende inrichting in het plangebied mogelijk gemaakt. Vanuit bedrijven en milieuzonering gelden geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.5 Geur 4.5.1 Toetsingskader Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in werking getreden. Deze wet vormt het toetsingskader voor vergunningen op grond van de Wet milieubeheer, waar het gaat om stank veroorzaakt door het houden van dieren. Daarnaast is de wet van belang in verband met de zogenoemde ‘omgekeerde werking’ in het kader van de ruimtelijke ordening.

Hoofdstuk 4

30

4.5.2 Onderzoek In een straal van 500 meter rondom het plangebied zijn geen agrarische bedrijven aanwezig. Binnen het plangebied kan daarom uit het oogpunt van geur een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Tegelijkertijd zal de ontwikkeling geen belemmering opleveren voor de bedrijfsvoering van omliggende veehouderijbedrijven. 4.5.3 Conclusie Het aspect geurhinder vormt geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling.

4.6 Trillingen 4.6.1 Toetsingskader Voor het omgevingsaspect trillingen geldt geen wetgeving. Wel zijn er beoordelingscriteria opgenomen in de publicatie van de Stichting Bouw Research: Trillingsrichtlijn SBR. Voor de beoordeling van de in dit onderzoek geprognoticeerde trillingsniveaus zijn derhalve de toetsingscriteria uit de SBR Trillingsrichtlijn gehanteerd. Er is hiertoe gebruik gemaakt van de in 2002 door de Stichting Bouwresearch (SBR) gepubliceerde richtlijn deel B. Dit deel gaat over het meten en beoordelen van trillingen met het oog op mogelijke Hinder voor Personen. Onder hinder voor mensen in gebouwen wordt in deze richtlijn verstaan:  waarneming van trillingen waardoor verstoring kan optreden van activiteiten of processen die rust en/of concentratie behoeven;  waarneming van trillingen met een zodanige sterkte dat bepaalde activiteiten fysiek worden belemmerd of verstoord. In genoemde richtlijn zijn streefwaarden gedefinieerd voor het Veff,max (de hoogst optredende trillingssterkte) en het Vper (tijdsgemiddelde trillingsniveau). De streefwaarden hangen af van de aard van de trillingen en van het feit of sprake is van een 'bestaande' of 'nieuwe situatie' en gelden voor het trillingsniveau op de vloer van de woning.

De door de verkeerspassages veroorzaakte trillingen vallen onder de noemer van 'herhaald voorkomende trillingen gedurende lange tijd (weg- en railverkeer)’ zoals beschreven in paragraaf 10.5.3 van de SBR richtlijn. De SBR richtlijn maakt vervolgens onderscheid tussen een 'bestaande ' en een 'nieuwe situatie'. De streefwaarden voor een 'nieuwe situatie' zijn lager dan de streefwaarden voor een 'bestaande situatie'. Wat exact onder een 'bestaande situatie' dan wel een 'nieuwe situatie' valt wordt in de SBR richtlijn niet verder omkaderd. In onderstaande tabel zijn de streefwaarden voor een 'nieuwe situatie' (hier van toepassing) weergegeven. Tabel 4 Streefwaarden voor herhaald voorkomen trillingen gedurende lange tijd voor nieuwe situaties

Hoofdstuk 4

31

4.6.2 Onderzoek Om een indruk te verkrijgen van de verwachte trillingsniveaus in het plangebied hebben we indicatieve berekeningen uitgevoerd met de Software Geomilieu, module trillingen. De berekeningen zijn gebaseerd op de empirische formule van Barkan:

Voor de berekeningen is uitgegaan van passages van goederentreinen en zware locomotieven op het spoor. Hierin zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:  Berekening op basis van nieuwe situatie van de Rijksweg N65;  trillingsbronsterkte Vmax vanwege verkeer op de N65: 0,058 mm/s op 22,5 meter afstand, gebaseerd op de trillingsprognose voor het vastgestelde bestemmingsplan N65 Vught (rapport Trilling prognose reconstructie N65 te Vught, Royal Haskoning DHV, BH2010IBRP01F02_20200220_N65_trillingen, 20-2- 2020; voor de bepaling van de bronsterkte is uitgegaan van de prognoses voor het adres Boslaan 11 (in de nabijheid van het plangebied gelegen), waarbij de bronsterkte in het maaiveld is bepaald door te corrigeren voor overdracht van maaiveld naar fundering (overdrachtsfactor van 0,7) en te corrigeren voor de opslingering in de vloer (vergrotingsfactor van 2,8 (houten vloer in woning Boslaan 11); gehanteerde factoren zijn overeenkomstig CUR 166;  standaard geometrische uitbreidingsfactor van 0,3 (default waarde voor een lijnbron);  aanname van de bodemdemping op basis van een zandachtige ondergrond, gebaseerd op database Geomilieu module trillingen;  bouwwijze beoogde woningen beton/betonvloeren; overeenkomstig CUR 166 is hiervoor rekening gehouden met een overdrachtsfactor van 0,7 van ondergrond naar fundering en een dynamische vergrotingsfactor van 1,8.

Met de aldus uitgevoerde berekeningen is het Veff, max bepaald op een aantal rekenpunten op de beoogde woningen. Uit het uitgevoerde indicatieve onderzoek volgt dat wordt voldaan aan de streef- en grenswaarden die volgen uit de SBR richtlijn deel B. Een verhoogde kans op trillingshinder op beoogde woningen is daarom in voldoende mate uit te sluiten. 4.6.3 Conclusie Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor onderhavig ruimtelijk initiatief.

4.7 Kabels en leidingen In het plangebied zijn geen kabels of leidingen gelegen die bescherming behoeven en daarom een belemmering van het initiatief vormen. Wanneer graafwerkzaamheden worden uitgevoerd zal een KLIC-melding worden aangevraagd om ervoor te zorgen dat geen kabels worden beschadigd.

Hoofdstuk 4

32

4.8 Externe veiligheid 4.8.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met:  activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;  transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;  transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.

Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.

4.8.2 Onderzoek De externe veiligheidsrisico's voor het plangebied zijn met behulp van de risicokaart geïnventariseerd.

Hoofdstuk 4

33

Figuur 9 Uitsnede risicokaart (plangebied blauw omlijnd)

Risicovolle inrichtingen In en nabij het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen. De meest nabijgelegen risicovolle inrichting betreft een gasdrukregel- en meetstation. Dit is geen Bevi-inrichting maar heeft wel een plaatsgebonden risicoafstand (PR 10-6) van 15 meter. Deze afstand moet gemeten worden vanaf het gebouw. De afstand van het gebouw tot de bestemmingsplangrens bedraagt circa 1.000 meter. Zodoende vormt het gasdrukregelstation geen belemmering. Buisleidingen In de omgeving van het plangebied zijn drie buisleidingen gelegen, te weten Z-515-01, Z-515-04 en Defensie Pijpleiding Organisatie. Buisleiding Diameter Werkdruk 100% - letali1% - letaliWerkelijke af(inch) (bar) teitsafstand teitsafstand stand (in m.) (in m.) (in m.) Z-515-01 12 40 70 140 1.612 Z-515-04 8 40 50 100 986 Defensie Pijpleiding 6 80 50 100 1.644 Organisatie Bovenstaande tabel geeft de letaliteitsafstanden en werkelijke afstand van het plangebied tot de buisleidingen weer. Hieruit valt op te maken dat het plangebied gelegen is buiten de invloedsgebieden van de buisleidingen. Transportroutes gevaarlijke stoffen Volgens de risicokaart zoals is afgebeeld op figuur 9 is het plangebied niet gelegen binnen het invloedsgebied van transportroutes van gevaarlijke stoffen.

Echter blijkt uit de externe veiligheidsstudie van Antea Group (zie bijlage 4) dat er weldegelijk transportroutes voor gevaarlijke stoffen gelegen zijn in de omgeving van het plangebied, namelijk: 1. Rijksweg N65 (A65); 2. Spoorlijn Tilburg-Vught.

Hoofdstuk 4

34

Rijksweg N65 (A65) Direct ten noorden van het plangebied bevindt zich de Rijksweg N65 (A65). De Rijkswegweg N65 (A65) is opgenomen in de Regeling basisnet, het landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het plangebied bevindt zich binnen 200 meter van deze risicobron. In de Regeling basisnet is voor de N65 (A65) aangegeven dat de weg geen plasbrandaandachtsgebied (PAG) heeft. In de Regeling basisnet is de transportintensiteit aangegeven die dient te worden gehanteerd bij beschouwing van het aspect externe veiligheid in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: het aantal transporten GF3 (brandbaar gas) per jaar. Deze transportintensiteit bedraagt voor de N65 (A65) ter hoogte van het plangebied 1.500 transporten GF3 per jaar. Het invloedsgebied van GF3 is volgens de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) 355 meter. Plaatsgebonden risico Het risicoplafond van het vervoer van gevaarlijke stoffen is vastgelegd in de Regeling basisnet. Hierin staat vermeld dat er voor de weg ter hoogte van het plangebied sprake is van een maximale PR 10-6contour van 0 meter. Er wordt daarmee voldaan aan de grens- en richtwaarden ten aan van het plaatsgebonden risico.

Groepsrisico In de bijlage van het HART (paragraaf 1.2.3) staan vuistregels beschreven om een indicatie van de hoogte van het groepsrisico te geven en wanneer er sprake zal zijn van een groepsrisico hoger dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde. Voor het trajectdeel ter hoogte van het plangebied moet de gemiddelde personendichtheid op 50 meter van de weg hoger zijn dan 60 personen per hectare (op basis van tweezijdige bebouwing). Op basis van de omgevingskenmerken (voornamelijk verspreide woningen) moet gesteld worden dat de personendichtheid zowel in de huidige als de toekomstige situatie lager is (ter indicatie, voor een drukke woonwijk is het gebruikelijke kengetal 70 personen/hectare en voor bedrijventerreinen met een hoge personeelsdichtheid 80 personen/hectare). Het groepsrisico van de N65 (A65) is zowel in de huidige als in de toekomstige situatie (inclusief voorgenomen ontwikkeling) lager dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde en zal in de toekomstige situatie toenemen ten opzichte van de huidige situatie. Omdat het plangebied binnen het invloedsgebied van de weg is gelegen, is een beperkte verantwoording van het groepsrisico (beschouwen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) conform het Bevt verplicht. Elementen ter verantwoording van het groepsrisico zijn uitgewerkt in hoofdstuk vier.

Spoorlijn Tilburg – Vught De spoorlijn Tilburg - Vught bevindt zich op circa 400 meter ten noorden van het plangebied. Het plangebied bevindt zich binnen het invloedsgebied van de spoorlijn (> 4.000 meter). In de Regeling basisnet is voor de spoorlijn Tilburg - Vught aangegeven dat het spoor geen plasbrandaandachtsgebied (PAG) heeft. Plaatsgebonden risico De maximale PR 10-6-contour van de spoorlijn bedraagt conform de Regeling basisnet 0 meter. Er wordt daarmee voldaan aan de grens- en richtwaarden ten aanzien van het plaatsgebonden risico.

Hoofdstuk 4

35

Groepsrisico Het invloedsgebied van de spoorlijn bedraagt > 4.000 meter (stofcategorieën B3 en D4) conform de HART. Aangezien het plangebied binnen het invloedsgebied van de spoorlijn is gelegen, is verantwoording van het groepsrisico conform het Bevt verplicht. Omdat het plangebied buiten de 200 meterzone van het spoor is gelegen, is een zogenaamde beperkte verantwoording van het groepsrisico van toepassing (beschouwen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid). Voor de beschouwing van de zelfredzaamheid en de bestrijdbaarheid wordt verwezen naar hoofdstuk 4 van bijlage 4. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is de mate waarin personen in staat zijn zichzelf (zonder hulp van buitenaf) in geval van een calamiteit in veiligheid te brengen. Het gewenste handelingsperspectief in geval van een calamiteit (schuilen en/of vluchten) is afhankelijk van het scenario. Gerichte risicocommunicatie met aanwezigen (bijvoorbeeld via NL-Alert) kan ertoe bijdragen dat alarmering van het gebied sneller verloopt. Hierbij dient aan te worden gegeven wat het gewenste handelingsperspectief is (schuilen of vluchten). Bij een calamiteit met brandbare vloeistoffen moeten aanwezige personen zich in veiligheid brengen op ruime afstand van de weg, buiten het invloedsgebied van brandbare vloeistoffen (45 meter).

In het geval van een BLEVE is er geen tijd om te vluchten en zullen alle personen binnen de 100 procent-letaliteitscontour slachtoffer worden (deze zone bedraagt bij de weg circa 150 meter). Buiten deze zone is schuilen in een gebouw in beginsel de beste manier om de calamiteit te overleven. Bij een calamiteit waarbij toxische gassen vrijkomen is zo snel mogelijk schuilen in een gebouw het voorkeurscenario. Bij een calamiteit met toxische gassen zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. Snel reageren, naar binnen vluchten en ramen en deuren sluiten is bij dit scenario dus van belang. Daarnaast is het raadzaam om de initiatiefnemers c.q. de toekomstige bewoners actief te informeren over het aanwezige risico en handelingsperspectief. Deze informatie kan worden meegenomen in het besluit om zich op deze locatie te vestigen. Hiermee wordt in optimale vorm invulling gegeven aan het risicobewustzijn van- en het nemen van een eigen verantwoordelijkheid door de burger. Deze informatie zorgt er ook voor dat de bewoners op het moment dat een incident plaats vindt direct weten hoe te handelen, dit heeft een positieve invloed op de mate van zelfredzaamheid.

Bestrijdbaarheid Bestrijdbaarheid is de mate waarin een rampscenario door de brandweer te bestrijden is. De verschillende scenario’s vragen allen een ander aanvalsplan. De mate waarin uitvoering aan deze aanvalsstrategieën kan worden gegeven hangt af van de capaciteit van de brandweer (opkomsttijd en beschikbare blusmiddelen) en de bereikbaarheid van het plangebied (opstelplaatsen). Bij een ongeval met brandbare vloeistoffen, waarbij een plasbrand kan ontstaan, kan de brandweer snel ter plaatse zijn. Een plasbrand is dan goed te bestrijden. Overwogen kan worden om aan de gevels een betere brandwerendheid te realiseren tegen het scenario van een plasbrand.

Hoofdstuk 4

36

Het ontstaan van een koude BLEVE is niet te bestrijden, omdat de tank meteen explodeert. De branden die door de explosie in de omgeving ontstaan kunnen wel bestreden worden. Bij een ongeval met toxische vloeistoffen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. 4.8.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid zorgt niet voor belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.

4.9 Ecologie 4.9.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staat. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Bij ruimtelijke ingrepen, waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen.

Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische be-

Hoofdstuk 4

37

grenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Noord-Brabant bestaat het NNN uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Ecologische Verbindingszones (EVZ). Daarnaast wordt ook de groenblauwe mantel beleidsmatig beschermd. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Bescherende houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb).

Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Soortenbescherming De Wnb onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wnb drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;  soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);  soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);  andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 van de Wnb zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10, niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer of gebruik dan wel ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.

4.9.2 Onderzoek Er is door BRO een quickscan Flora en Fauna3 uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. In onderstaande tabel is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en/of gebieden, en wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Voor het aspect stikstofdepositie wordt verwezen naar de volgende paragraaf.

3

BRO, Qs FF Helvoirtseweg 207a Vught, d.d. 17 maart 2021

Hoofdstuk 4

38

Tabel 5. Overzicht (potentiele) aanwezigheid beschermde soorten/gebieden en te nemen vervolgstappen

Tabel 6 Overzicht (potentiële) aanwezigheid beschermde soorten en te nemen vervolgstappen

Daarnaast is er een stikstofdepositieberekening opgesteld doordat het plangebied gelegen is op circa 2,1 kilometer van een Natura 2000-gebied. Uit de berekening blijkt dat er geen depositieresultaten zijn hoger dan 0,00 mol/ha/j voor zowel de sloop- en aanlegfase als voor de gebruiksfase. Voor de volledige toelichting en de invoergegevens verwijzen we u naar de bijlage van voorliggend bestemmingsplan. Uit bovenstaande tabel blijkt dat er geen vervolgonderzoeken noodzakelijk worden geacht. Daarnaast heeft er een onderzoek plaatsgevonden waarbij middels een sporenonderzoek is bekeken of er mogelijk verblijfplaatsen zijn van vleermuizen in de spouwmuren. Uit het onderzoek blijkt dat er geen plekken en sporen voor vleermuizen zijn aangetroffen waardoor kan worden verondersteld dat het aspect ecologie geen belemmering vormt voor onderhavig ruimtelijk initiatief.

Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen:  Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten;  In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.

Hoofdstuk 4

39

4.9.3 Conclusie Op basis van hetgeen voorgaand beschreven kan worden geconcludeerd dat het aspect ecologie geen belemmering vormt voor onderhavig ruimtelijk initiatief.

4.10 Bodem 4.10.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat, indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. 4.10.2 Onderzoek Door Aeres Milieu is een bodemonderzoek uitgevoerd. Onderstaand zijn de belangrijkste aspecten weergegeven. Voor de volledige rapportage wordt u naar de bijlage verwezen. Op 21 mei 2021 is door Aeres Milieu een veldinspectie uitgevoerd. Hierbij zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. In het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuiglijk geen bijzonderheden waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond licht verhoog is met lood.

De ondergrond is licht verhoogd met lood en som PCB. In het freatisch grondwater zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. De resultaten van het bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. Daarnaast geven de milieuhygienische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor het voorgenomen ruimtelijk initiatief. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond mogelijk niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit en Tijdelijk Handelingskader PFAS van toepassing. 4.10.3 Conclusie Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor onderhavig ruimtelijk initiatief.

Hoofdstuk 4

40

4.11 Water 4.11.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding, die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling, die mogelijk wordt gemaakt. Het waterbeleid in Nederland wordt van Europees niveau vertaald via rijks-, provinciaal en waterschapsbeleid, naar gemeentelijk beleid om samen de waterproblematiek in Nederland aan te pakken. Dit resulteert in de verplichting een watertoets uit (te) laten voeren. De voorschriften zijn vastgelegd in onder andere de Europese Kaderrichtlijn Water (22 december 2004) en zijn verder geïmplementeerd in het rijksbeleid. Dit om door samenwerking van organen met de verschillende bevoegdheden tot een duurzaam watersysteem te komen. Naast dit beleidskader is in het provinciaal Milieu- en waterplan Noord-Brabant 2016-2021 (PNWP) ook het toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water opgenomen. Dit plan staat voor "samenwerken aan Brabant, waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving". Voor het grotere oppervlaktewaterstelsel zijn er in Nederland diverse waterschappen actief die zich richten op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen.

De waterbeheerders werken daarom integraal samen met gemeenten, die het beheer over de ruimtelijke ordening en openbare ruimte hebben, om deze doelstellingen te halen. Het plangebied valt onder het beheer van waterschap De Dommel. De doelen van het waterschap voor de periode van 2016 tot 2021 staan beschreven in het waterbeheersplan “Waardevol Water” en zijn gericht op een veilig en bewoonbaar beheergebied, voldoende, schoon, natuurlijk en recreatief water. Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert het waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water. Deze uitgangspunten gelden als vertrekpunt bij het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Bij planontwikkelingen wordt tevens de gemeente betrokken omdat deze meestal het beheer over het lokale (opper)vlaktewater heeft De drie Brabantse waterschappen De Dommel, Aa en Maas en Brabantse Delta hebben een gezamenlijke Keur opgesteld. De regels in de Keur hebben betrekking op het lozen, afvoeren, onttrekken of aanvoeren van grondwater en water uit sloten en andere watergangen. Iedereen die werkzaamheden uitvoert of activiteiten plant in en om waterlopen of dijken, heeft met de Keur te maken en moet een vergunning aanvragen. In sommige gevallen volstaat een melding. De uitzonderingen staan beschreven in de Algemene regels.

Afhankelijk van de werkzaamheden in of aan het oppervlaktewater kan een vergunning benodigd zijn. De gemeente heeft ten aanzien van de beheersing van water een rioleringsplan opgesteld. Het gemeentelijk water en rioleringsbeleid is vastgelegd in het Gemeentelijk Rioleringsplan 2012-2017. Dit heeft de gemeenteraad op 22 december 2011 vastgesteld. Tegelijkertijd heeft de gemeenteraad nieuwe verordeningen vastgesteld: De verordening op de heffing en invordering van de rioolheffing, de aansluitverordening en de hemelwaterverordening.

Hoofdstuk 4

41

4.11.2 Onderzoek Grondwater Het plangebied is gelegen in een gebied waarvoor een matige/goede infiltratiemogelijkheid verwacht wordt. De Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand is ter plaatse op 60-80 cm-mv en de Gemiddeld Laagste Grondwaterstand tussen de 180 - 200 cm-mv te verwachten. Voor zover bekend bevindt zich op en in de directe omgeving van het plangebied geen (geval van een) ernstige grondwaterverontreiniging. Oppervlaktewater In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen oppervlaktewateren welke opgenomen zijn in de leggerkaart van het Waterschap De Dommel. De meest nabijgelegen B-watergang bevindt zich op meer dan 110 meter van het plangebied. De meest nabijgelegen A-watergang bevindt zich op circa 330 meter ten zuiden van het plangebied. Daarnaast zijn er verder geen waterstaatswerken gelegen in de omgeving van het plangebied. Hemelwater Ten aanzien van de zorgplicht voor regenwater is in het rioleringsplan aangegeven dat de perceeleigenaar primair zelf verantwoordelijk is voor de verwerking van hemelwater op zijn/haar terrein. Zoals hiervoor eerder is behandeld, maken de waterschappen in de Keur bij het stellen van eisen onderscheid tussen situaties waarbij de verharding al dan niet meer dan 500 m² toeneemt. Daar waar mogelijk en doelmatig moet minimaal 15 mm waterberging worden gemaakt ten opzichte van het totale verharde oppervlak.

Gemeente Vught maakt dit onderscheid niet. De zorg voor het verwerken van schoon hemelwater rust op de perceeleigenaar:  Als het een perceel in het buitengebied betreft;  Als op het perceel terreinverharding wordt aangebracht of aangepast en het mogelijk is het regenwater van de verharding en dakoppervlak, te infiltreren: via de verharding of; via aan te brengen of aan te passen groenzones rond de verharding;  Als er geen openbaar hemelwaterriool aanwezig is, én: het perceel direct aan oppervlaktewater grenst; óf het perceel goede infiltratiemogelijkheden heeft én het perceel groter is dan 400 m². In dergelijke gevallen kan de perceeleigenaar het hemelwater zelf verwerken. Doordat er in het voorgestelde plan drie vrijstaande woningen worden gerealiseerd dient hemelwater ter plaatse verwerkt te worden. Bij een nieuwbouwwoning dient aangesloten te worden op het vrijvervalrioolstelsel, waarbij het afvalwater op het DWA-rioolstelsel aangesloten dient te worden. Voor een bui van T = 60 bedraagt de benodigde waterberging zonder aanvullende maatregelen circa 46,50 m³ (774,96 m² x 0,06 m). Ter plaatse is geen minderingsfactor van toepassing. Binnen het perceel is voldoende ruimte aanwezig om water bovengronds te verwerken. Afvalwater Onder de Helvoirtseweg 207a is een vrijvervalriolering (vuil- en hemelwaterriolen) gelegen.

Binnen de gemeente Vught is het verboden om hemelwater en afvalwater gemengd af te voeren. De nieuwbouwwoningen zullen, evenals de huidige dienstwoning en het huidige kantoorpand, op het vrijvervalriool worden aangesloten worden. Doordat de huidige bedrijfsvoering zal worden stopgezet en er slechts drie vrijstaande woningen gerealiseerd zullen worden, wordt verwacht dat het rioolstelsel de nieuwe

Hoofdstuk 4

42

hoeveelheid afvalwater goed kan verwerken. Daarnaast kan worden aangenomen dat er minder personen gebruik maken van de percelen (doordat een kantoor zorgt voor een hogere dichtheid van personen) waardoor er ook minder afvalwater zal worden geproduceerd. 4.11.3 Conclusie Vanuit het aspect water zijn er geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.

4.12 Archeologie 4.12.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden.

4.12.2 Onderzoek Volgens de archeologische beleidsadvieskaart (zie onderstaande afbeelding) van de gemeente Vught ligt de onderzoekslocatie in een gebied met categorie 3 (terrein met archeologische waarde) en categorie 5 (terrein met middelhoge archeologische verwachting). Derhalve is voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd aan de Helvoirtseweg 207a te Vught (gemeente Vught).

Hoofdstuk 4

43

Figuur 10 Uitsnede archeologische verwachtingskaart (plangebied blauw omlijnd)

Van oudsher zijn de kampementen van de jager-verzamelaars gesitueerd op de overgang van nat naar droog. Er zijn geen (natuurlijke) waterlopen aanwezig in de (directe) omgeving van het plangebied. Echter de hoge en droge ligging van het plangebied vormt een gunstige vestigingsplek voor jager-verzamelaars vanwege de beschutting van het op de hoger gelegen gronden aanwezige bos waar men goed kon jagen en verzamelen. Op basis hiervan geldt er een middelhoge verwachting voor de periode laat-paleolithicum tot mesolithicum. Op basis van de landschappelijke ligging zal het plangebied ook in de latere pre- en protohistorische perioden aantrekkelijke vestigingsplaats zijn geweest. Echter de aanwezigheid van landduinen binnen het plangebied maakt het plangebied minder aantrekkelijk als vestigingslocatie. Zandverstuivingen en vorming van landduinen vonden met name plaats in de late bronstijd tot en met Romeinse tijd maar ook in de middeleeuwen hebben verschillende verstuivingsperiodes plaatsgevonden. Als het stuifzand vrij jong is kan de locatie in de prehistorie wel geschikt zijn geweest als vestigingslocatie. Voor het plangebied geldt daarom een middelhoge verwachting voor de periode neolithicum tot en met vroege middeleeuwen. Het plangebied ligt aan de Helvoirtseweg. Deze weg vormde een oude verbindingsweg tussen de historische dorpskernen van Vught en Helvoirt.

Uit bestudering van historische kaarten blijkt dat het plangebied onbebouwd is en in gebruik als bouwland. Direct ten noorden is een woonhuis aanwezig. Dit gebouw verdwijnt als de Helvoirtseweg wordt verbreedt. Het is niet uit te sluiten dat binnen het plangebied historische bebouwing aanwezig was. Op basis van deze gegevens geldt voor het plangebied een middelhoge verwachting voor de periode late middeleeuwen en nieuwe tijd. Wat betreft de conservering en gaafheid van eventuele archeologische resten kan het volgende gesteld worden: Wegens de verwachte aanwezigheid van een stuifzanddek en eerdlaag, zijn eventuele archeologische resten beschermd tegen latere invloeden. Bij haar- en veldpodzolgronden zijn de om-

Hoofdstuk 4

44

standigheden voor het aantreffen van organische resten minder goed: door de relatief lage grondwaterstand (GWT VII) kunnen organische resten vaak enkel in dieper, waterhoudende sporen zoals waterputten bewaard blijven. Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat in het grootste deel van het plangebied in de bodem is geroerd tot minimaal in de top van de BC-horizont en/of C-horizont. De oorspronkelijke bodemopbouw is verdwenen, mogelijk als gevolg van de egalisatie van het plangebied voorafgaand aan de bouw van de huidige bebouwing. Als gevolg hiervan wordt de kans klein geacht dat er intacte archeologische vindplaatsen aanwezig zijn in het plangebied. Voor het plangebied wordt om bovenstaande redenen geen archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk geacht. 4.12.3 Conclusie Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor onderhavig ruimtelijk initiatief.

4.13 Cultuurhistorie 4.13.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. 4.13.2 Onderzoek De locatie van de Helvoirtseweg 207a is op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van NoordBrabant gelegen in het cultuurhistorische landschap de ‘Meierij’. Op circa 220 meter, aan de Hoevensestraat 7, is een cultuurhistorisch landhuis gelegen genaamd Coebax.

De industriële complexen, kloosters, landgoederen en militaire complexen zijn kenmerkend voor Brabant. Verder zijn er in de omgeving van het plangebied geen cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de cultuurhistorische waarde van het landhuis aan de Hoevensestraat 7.

Hoofdstuk 4

45

De betrokken percelen en objecten zijn op basis van de Erfgoedverordening van de gemeente niet aangemerkt als monument of beschermd dorpsgezicht. Daarnaast worden de drie vrijstaande woningen gerealiseerd binnen de bestaande wegen- en lanenstructuur. Er gaan daarnaast geen historische gebouwen verloren. Derhalve heeft de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling geen negatieve invloed op de cultuurhistorische waarde van dit gebied. 4.13.3 Conclusie Vanuit het aspect cultuurhistorie zijn er geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.

4.14 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4.14.1 Toetsingskader Bij besluit van 21 februari 2011 zijn het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht gewijzigd. De belangrijkste wijziging betreft het meer in lijn brengen van het besluit m.e.r. met de Europese richtlijn m.e.r. Dit houdt in dat onder andere de zogenaamde drempelwaarde voor activiteiten een indicatief karakter heeft gekregen. Met dit wijzigingsbesluit is bepaald dat voor activiteiten, die op de bij het besluit behorende C- en D-lijst zijn opgenomen, altijd aandacht aan m.e.r. geschonken dient te worden. Dit strekt tot het bepalen of een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat voor activiteiten die behoren tot de C-lijst een m.e.r.-plicht volgt en voor activiteiten op de D-lijst volgt dan wel een m.e.r.(beoordeling). Hierbij is (onder meer) de bij de activiteit behorende drempelwaarde van belang. Op 16 mei 2017 is een herziening van de m.e.r- wetgeving in werking getreden. Als een project (activiteit die voorkomt in Bijlage D van het Besluit m.e.r.) nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben moet een initiatiefnemer dit melden bij het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag moet dan binnen 6 weken beslissen of een m.e.r.-plicht geldt. 4.14.2 Aanmeldingsnotitie m.e.r. Voor de beoogde ontwikkeling is een aanmeldingsnotitie en vormvrije m.e.r.-beoordeling4 opgesteld.

Het bevoegd gezag beslist of er een m.e.r.-plicht geldt. De conclusie van de m.e.r.-beoordeling is dat het plan geen belangrijke negatieve gevolgen zal hebben voor de kenmerken van het gebied en voor het woon- en leefmilieu in de omgeving. Er worden geen negatieve effecten verwacht vanwege de ligging van het plangebied ten opzichte van gevoelige gebieden. Geconcludeerd wordt dat geen belangrijke nadelige milieugevolgen worden verwacht en dat het opstellen van een MER niet noodzakelijk wordt geacht. In de notitie wordt het bevoegd gezag geadviseerd te besluiten dat er geen MER behoeft te worden vastgesteld. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vught heeft besloten dat er geen milieueffectrapportage (m.e.r.) hoeft te worden opgesteld voor het bestemmingsplan ‘Helvoirtseweg 207a’. Formeel heeft het college daarmee een besluit genomen over de vormvrije m.e.r.beoordeling van het plan. Het college is tot dit besluit gekomen, omdat er geen belangrijke nadelige

4

BRO, Aanmeldingsnotitie en vormvrije m.e.r.-beoordeling, bestemmingsplan Helvoirtseweg 207a, d.d. 16 april 2021

Hoofdstuk 4

46

gevolgen voor het milieu te verwachten zijn. Het besluit is bijgevoegd aan Bijlage 10 Aanmeldingsnotitie m.e.r..

Hoofdstuk 4

47

5.

JURIDISCHE PLANOPZET In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.

5.1 Inleiding Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.

5.2 Plansystematiek Het bestemmingsplan bestaat uit de juridisch bindende regels en verbeelding en gaat vergezeld van een toelichting. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, regels omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij de harde randvoorwaarden. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Hieronder wordt de systematiek, opbouw en indeling van de regels kort toegelicht. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.

Hoofdstuk 5

48

Hoofdstuk 1: Inleidende regels In artikel 1 wordt een omschrijving van de in de regels gehanteerde begrippen gegeven. Artikel 2 geeft de meet- en rekenwijze aan:  Begrippen: In deze regels zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begrippen zijn alleen nodig wanneer die gebruikt worden in de regels en wanneer deze tot verwarring kunnen leiden of op meerdere manieren te interpreteren zijn.  Wijze van meten: Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels In het tweede hoofdstuk komt de bestemming aan de orde. De opbouw van de bestemming ziet er als volgt uit:  Bestemmingsomschrijving: de omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functie.  Bouwregels: in de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd.

Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart).  Afwijken van de bouwregels: burgemeester en wethouders kunnen door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning bepaalde oppervlaktematen van bijgebouwen en herbouw van een woning buiten het bouwvlak, die conform de bouwregels niet zijn toegestaan, toch toestaan. De criteria, die bij toepassing van deze bevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.  Specifieke gebruiksregels: in dit artikel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die, waarvan het op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de in de bestemmingsomschrijving genoemde doeleinden. Hoofdstuk 3: Algemene regels In het derde hoofdstuk zijn de regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het gehele plan. De algemene regels zijn (evenals de inleidende regels) van belang voor een juiste interpretatie van de bestemmingsregels.

 Anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.  Algemene gebruiksregels: deze regels geven algemene regels over wat onder een strijdig gebruik wordt verstaan. Ook is een regeling opgenomen ter waarborging van voldoende parkeergelegenheid.  Algemene afwijkingsregels: in deze regels is aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.

Hoofdstuk 5

49

Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregel(s) In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en de slotregel opgenomen:  Overgangsrecht: bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsregel houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet. Een hardheidsclausule is opgenomen zodat het bevoegd gezag kan afwijken van het overgangsrecht voor gebruik.  Slotregel: deze regel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald (de naam van het bestemmingsplan).

5.3 Toelichting op de bestemmingen Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit de volgende bestemming. Wonen De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. Wonen in de vorm van woningen, niet zijnde woonwagens; b. Ondergeschikte voorzieningen zoals verkeers- en groenvoorzieningen, voorzieningen van algemeen nut, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, tuinen, erven en terreinen.

Hoofdstuk 5

50

6.

UITVOERBAARHEID

In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

6.1 Economische uitvoerbaarheid De uitvoering van de ontwikkeling is volledig voor rekening en risico van een particuliere initiatiefnemer. Met deze initiatiefnemer heeft de gemeente een anterieure realisatieovereenkomst gesloten zoals bedoeld in artikel 6.12 lid 2 Wro juncto artikel 6.24 Wro. Met die overeenkomst is verzekerd dat alle wettelijk te verhalen kosten die de gemeente maakt, worden verhaald op de initiatiefnemer. Eventuele kosten voor de inrichting en overige voorzieningen zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond. 6.1.1 Financieel economische haalbaarheid De initiatiefnemer beschikt over voldoende middelen om het initiatief te kunnen realiseren. Er zijn geen onvoorziene hoge kosten te verwachten. De financieel-economische haalbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond. De haalbaarheid van de gehele grondexploitatie is kostendekkend. 6.1.2 Kostenverhaal Op grond van afdeling 6.4. van de Wro geldt voor de gemeente de verplichting tot kostenverhaal in de gevallen die zijn aangewezen in het Bro.

Het Bro stelt kostenverhaal verplicht in geval er sprake is van een van de volgende bouwplannen:  de bouw van één of meer woningen en andere hoofdgebouwen;  de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met één of meer woningen;  de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits tenminste 10 woningen worden gerealiseerd;  de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt;  de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de bouw van 3 nieuwe woningen. Er is derhalve sprake van een of meerdere bouwplannen als bedoeld in het Bro en dus is kostenverhaal aan de orde. Ten behoeve van onderhavig grondexploitatie heeft de gemeente met de ontwikkelende partij een (anterieure) realisatieovereenkomst gesloten waarin de kosten voor de grondexploitatie worden verhaald

Hoofdstuk 6

51

op deze ontwikkelende partij. Hiermee is het verhaal van kosten anderszins verzekerd en is het opstellen van een exploitatieplan in dit kader op basis van artikel 6.12 lid 2 van de Wro niet noodzakelijk. De raad heeft ook voor het overige afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Er zijn wettelijke eisen met betrekking tot de voorbereiding en totstandkoming van een bestemmingsplan. Artikel 3.8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan de in afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregelde uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. Dit houdt in dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het gewenst dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dientengevolge zijn de volgende stappen te onderscheiden:  Vooroverleg;  Zienswijzen;  Inspraak;  Vaststellingsprocedure. 6.2.1 Vooroverleg en inspraak Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan worden geïnformeerd. Na het voeren van vooroverleg zullen de uitkomsten van het overleg voor het bestemmingsplan worden beschreven in deze paragraaf.

Vanwege de ligging in de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – weg’ dient vooroverleg gevoerd te worden met Rijkswaterstaat. De Wro zelf bevat geen bepalingen omtrent inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze en aan wie de mogelijkheid wordt geboden hun mening kenbaar te maken. Het voorontwerp van het bestemmingsplan heeft van 29 september tot en met 26 oktober 2021 vier weken ter inzage gelegen. In die periode heeft eenieder de gelegenheid gehad om zijn mening over het plan kenbaar te maken. De terinzagelegging is gepubliceerd in het online gemeenteblad, in Het Klaverbad en op de gemeentelijke website. Ook is ter voldoening aan het bepaalde in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening het voorontwerp van het bestemmingsplan ‘Helvoirtseweg 207a’ toegezonden aan de bij het plan betrokken instanties, te weten: 1. Provincie Noord-Brabant 2. Waterschap De Dommel 3. Veiligheidsregio Brabant-Noord 4. Rijkswaterstaat

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vught&id=0418bebf-2eda-4952-a03e-169e10cdd700