CConstaterende datVught
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage - Rapport Toelichting archeologische verwachting- en beleidskaart

Raadsvergadering 19 mei 2022, gemeente VughtBij agendapunt: Vaststellen beleidskader archeologie Vught40.376 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Gebouwplattegronden, andere grafcontexten of infrastructuur uit de bronstijd zijn tot heden nog niet opgegraven in de gemeente Vught en vormen een kennislacune.

67

Archisnr. 3301408100. Archisnr. 2896483100. 69 Archisnr. 2774578100. 70 Archisnr. 4027103100. 71 Particuliere vondst 1107, bron: Erfgoed ’s-Hertogenbosch. 72 Archisnr. 3194692100, bron: Analecta Praehistorica Leidensia 33/34 73 Archisnr. 2954576100; complextype aangegeven als ‘onbekend’. 74 Archisnr. 2905757100. Theunissen & Molenaar 2020, 16-17. 75 Vughts Museum 2012; Smeets 2012. 76 Berkvens & Leenders 2015a, 14, met verwijzing naar de publicatie: ‘Een bronzen speerpunt uit Cromvoirt’, in: ‘Met ganser trou’ (1982). Uitgave van de vereniging Heemkundekring Onsenoort voor de Oostelijke Langstraat en het Bovenland van Heusden 32 (6), 89-90. 68

48

Afb. 4.2 Bronzen randhielbijl gevonden bij de Dommel (bron: Noordbrabants Museum).

4.6 IJzertijd In de ijzertijd neemt het aantal vindplaatsen in de regio aanzienlijk toe (bijlage 4). Vooral op de dekzandrug grenzend aan de Dommel in het oostelijke deel van de gemeente Vught en ten westen en noorden van Helvoirt zijn nederzettingssporen uit de ijzertijd gevonden. Ook in de aangrenzende gemeente ’s-Hertogenbosch zijn meerdere ijzertijdnederzettingen bekend, vooral op de hogere dekzandruggen en flanken daarvan. Desondanks is het aantal goed onderzochte nederzettingen uit de ijzertijd nog gering. Diverse vondsten handgevormd aardewerk afkomstig van oppervlaktekarteringen in 1990 kunnen gekoppeld worden aan de AMK-terreinen 4182 (De Kleine Laar)77 en 4183 (Emmaus)78 ten westen van Helvoirt. Hier zijn tenminste twee nederzettingsterreinen uit de periode ijzertijd-Romeinse tijd aanwezig. Te Helvoirt-Achter Den Hoek heeft BAAC in 2019 een 1,9 ha groot nederzettingsterrein opgegraven, waar ondanks een sterk afgetopt bodemprofiel toch nog zeven huisplattegronden, 39 spiekers en diverse erfgreppels uit de middenijzertijd en late ijzertijd (400-12 v.Chr.) konden worden gereconstrueerd.79 Het nederzettingsterrein lag direct ten noorden van Helvoirt op de oostelijke flank van dekzandwelvingen, ten oosten van het dal van de Broekleij/Helvoirtsche Broek.

Aan de Sint-Michielsgestelseweg te Vught zijn bij proefsleufonderzoek in 2015 sporen uit de ‘ijzertijd-Romeinse tijd’ gevonden op de oostelijke rand van een dekzandrug die ten westen van het beekdal van de Dommel lag.80 Dit onderzoek werd in 2019 gevolgd door een opgraving. Op deze locatie werd een erf uit de vroege ijzertijd ontdekt met een huisplattegrond, een spieker en sporen van een hekwerk (afb. 4.3).81 Drie andere spiekers behoren tot een mogelijk latere bewoningsfase uit de midden-ijzertijd. Het vondstmateriaal betrof vooral handgevormd aardewerk, bewerkt natuursteen en een metaalslak. Enkele greppels en een karrenspoor waren moeilijk te dateren. Zij zullen uit de ijzertijd of jonger zijn. De vindplaats uit de ijzertijd kon tijdens het onderzoek nog niet begrensd worden. De auteur van het opgravingsrapport verwacht dat de sporen zich in alle richtingen doorzetten en dat archeologische resten op de aangrenzende percelen kunnen worden verwacht. Bovendien kunnen op de aangrenzende percelen sporen uit de Romeinse tijd en de vroege en volle middeleeuwen aanwezig zijn, vanwege vondsten uit die perioden in het gebied. Vlak daarbij heeft een particulier in 1989 op een perceel tussen de Haldersebaan en de St.-Michielsgestelseweg divers 77

Archisnrs. 2974137100, 2974145100, 2974153100, 2974178100, 2974194100, 2974218100, 2976770100. 78 Archisnrs. 2974097100, 2974120100. 79 Archis-nrs. 2346905100, 2363389100, 4713490100; Van As & Pieters 2021. 80 Archis-nr. 3979112100. 81 Archis-nr. 4003857100; De Winter 2019.

49

Toelichting archeologische verwachtingskaart Vught

Afb. 4.3 De tot nu toe oudste boerennederzetting in de gemeente Vught: een gecoupeerde gebouwplattegrond van een woonhuis uit de vroege ijzertijd aan de Sint-Michielsgestelseweg (bron: De Winter 2019).

handgevormd aardewerk gevonden, dat eveneens wijst op een nederzetting uit de ijzertijd, mogelijk doorlopend tot in de (vroeg-) Romeinse tijd. Een tweede huisplattegrond uit de ijzertijd is opgegraven aan de Deutersestraat 20 te Cromvoirt.82 Het gaat hier om een huisplattegrond en drie spiekers, gedateerd op de overgang van de vroege naar de midden-ijzertijd. De huisplattegrond is van het type Haps of Oss-4A (afb 4.4) en lag op een hogere dekzandrug onder een plaggendek.

Afb. 4.4 Huisplattegrond van het type Haps of Oss-4A uit de overgangsperiode van de vroege ijzertijd naar de midden-ijzertijd, gevonden aan de Deutersestraat 20 te Cromvoirt (bron: Boots 2016, 15: fig. 6).

82

Archisnr. 2462402100; Boots 2016.

50

De circa 120 scherven handgevormd aardewerk die bij het onderzoek gevonden zijn, dateren uit de periode 600-400 v.Chr. Ten slotte is bij Wargashuyse langs de N65 bij een archeologische begeleiding van ‘Poel 1’ een al eerder bestaande en opgevulde laagte gevonden.83 In de laagte waren handgevormd aardewerk en vier paalsporen uit de ijzertijd en Romeinse tijd aanwezig. Op grond daarvan worden in de onmiddellijke omgeving van deze poel bewoningssporen uit de ijzertijd en/of Romeinse tijd verwacht.84 In (mogelijk verplaatste) aarde op de Dommeloever bij kasteel Maurick is een glazen armbandfragment uit de late ijzertijd gevonden.85

4.7 Romeinse tijd Tussen 58 en 50 v.Chr. veroverden de Romeinen onder leiding van Julius Caesar Gallië en daarmee werd uiteindelijk rond 15 v.Chr. ook het zuidelijke deel van Nederland onderdeel van het Romeinse Rijk. Voor het grootste deel van de Romeinse periode lag de grens van dit rijk bij de Nederrijn - Kromme Rijn - Oude Rijn. De grens (de limes), die Nederland in tweeën deelde, werd bewaakt met behulp van forten en wachttorens. Het zuidelijke deel van Nederland beneden de grote rivieren raakte geromaniseerd. Uit de Romeinse tijd kennen we nog weinig sporen van nederzettingen, grafvelden of infrastructuur in de gemeente Vught zelf, maar wel direct langs de zuidelijke gemeentegrens met de gemeente Boxtel (bijlage 4). Ter hoogte van AMK-terrein 4174 is in het dal van de Broekleij/Helvoirtsche Broek bij Esch-Esschervoort een veenweg (knuppelbrug) gevonden die twee (onbenoemde) Romeinse vindplaatsen zou verbinden.86 De knuppelbrug vormt een logische verbinding (door een smal gedeelte van het beekdal) en is dan deel van een weg tussen een nederzettingsterrein uit de Romeinse tijd in het centrale deel van het AMK-terrein 4176 Belversche Akkers te Haaren (gem. Oisterwijk), een Romeinse villa en Romeinse steen/pannenbakkerij te Zwanenburg (AMK-terrein 4173, gem. Boxtel) en een Romeinse vindplaats in het centrum van Esch (AMK-terrein 16847, gem.

Boxtel).87 De houten constructie van de brug is gedocumenteerd bij onderzoek door RAAP.88 Mogelijk hangt de veenweg dus samen met Romeinse nederzettingsterreinen te Noenes en Haaren, vondsten die rond 1950 op de Kollenberg te Esch zijn gevonden en vier rijke Romeinse graven die bij Hoog Keiteren zijn bloot gelegd. In de buurt hiervan wordt een villa rustica verwacht, maar deze is nog niet gevonden.89 Aardewerk uit de Romeinse tijd komt voor op de ijzertijdnederzettingsterreinen Helvoirt-De Kleine Laar (AMK-terrein 4182), Helvoirt-Emmaus (AMK-terrein 4183) en te Helvoirt-Achter Den Hoek. In die gevallen gaat het vermoedelijk om enige bewoningscontinuïteit vanaf de late ijzertijd, hoewel bij de opgraving te HelvoirtAchter Den Hoek geen bewoningssporen uit de Romeinse tijd zijn ontdekt.90 Bij een booronderzoek te Vught-Vijverbosweg zijn een scherf uit de late ijzertijd en twee scherven gedraaid aardewerk uit de Romeinse tijd-middeleeuwen gevonden, die mogelijk op een laat-prehistorische nederzetting wijzen.91 Een concentratie scherven, gevonden bij de archeologische begeleiding van rioolwerkzaamheden in het noordelijke deel van de Taalstraat, kan een aanwijzing 83

Archisnr. 2421368100. Vansweevelt 2015. 85 Exacte locatie niet bekend. Bron: Van den Eijnde 1993, vermeld in Berkvens & Leenders 2015a, 14. 86 Volgens de ARCHIS-beschrijving bij AMK-terrein 4174. 87 Hessing et al. 2011, 37. 88 Archisnrs. 3209425100 (gem. Vught) en 2911094100 (in gem. Oisterwijk). Bijbehorend RAAPrapport 1291 was helaas niet digitaal beschikbaar, zodat de auteur onbekend is. 89 Hessing et al. 2011, 36, 43; met referentie naar Van den Hurk 1986. 90 Van As & Pieters 2021, 9. 91 Archis-nr. 2471815100; Nales 2015, 16-17. 84

51

Toelichting archeologische verwachtingskaart Vught

zijn voor bewoning in de Romeinse tijd aldaar.92 Daarnaast worden bij de al eerder genoemde ‘Poel 1’ bij Wargashuyse bij de N65 en bij de locatie SintMichielsgestelseweg/Haldersebaan nederzettingssporen uit de Romeinse tijd verwacht (zie par. 4.6). Bij de samenvloeiing van de Dommel en de Essche Stroom te Halder (gem. SintMichielsgestel) en bij de samenvloeiing van de Essche Stroom en Kleine Aa te Esch (gem. Boxtel) is in de Romeinse tijd al gewoond en zijn graven gevonden. Beide locaties liggen net buiten de gemeentegrenzen van Vught. Te Halder is ook een votiefsteen gevonden, die kan wijzen op een religieus gebouw in de buurt. Losse vondsten in Vught en uit Helvoirt zijn wel bekend, vooral diverse munten die bij metaaldetectie-onderzoek door amateurs gevonden zijn (zie bijlage 4) en zelfs een muntschat van 4778 munten (zie hieronder).93 Met uitzondering van de muntschat zijn de losse munten niet bij elkaar gevonden en waarschijnlijk dus verloren door hun eigenaren. Hieruit kunnen we hooguit concluderen dat geromaniseerde burgers op het huidige grondgebied van Vught actief waren en dat zij handelden met de Romeinen. We tasten echter nog in het duister over waar zij woonden. Op ca.

650 m ten zuiden van de ‘Halse brug’ is in 1962 in het ‘Hulsche water’ (andere naam voor de Essche Stroom) een koperen bakje gevonden94, dat een vrij brede datering heeft (Romeinse tijd – late middeleeuwen). Gezien de vondst in water kan het hier om een offergave of depositie gaan. Vlakbij deze locatie (of misschien wel op dezelfde locatie) is bij graafwerkzaamheden langs de Essche Stroom, eveneens in 1962, in uitgebaggerde grond de grootste Brabantse muntschat tot nu toe gevonden: een depot van 4778 Antoniniani (koperen munten uit de Caracallaperiode: 252 tot 273 n.Chr., met een laag zilvergehalte). Verder werden nog twee zilveren lepels en twee halffabricaten van dergelijke lepels gevonden. De muntschat is gevonden op de Gestelse oeverzijde en valt dus in de gemeente St.-Michielsgestel. Aan de Vughtse oeverzijde zouden in 1766 ook 440 munten gevonden zijn, die echter verloren zijn gegaan.95 Tegelijk met deze ‘Vughtse schatvondst’ kwamen vele andere vondsten te voorschijn die duiden op intensieve bewoning in de (midden-)Romeinse tijd, die we dus moeten zoeken in de buurt van de Halse brug.96 Romeinse bewoning te Halder (gem. St.-Michielsgestel) was overigens al bekend. Diverse vondsten afkomstig van opgravingen op de Kollenberg en bij Hoog Keiteren in de buurt van de beekdalnederzetting Esch dateren in de ijzertijd (urnenveld) en de Romeinse tijd (2e - 3e eeuw na Chr.).

Het gaat hier met name om zeven rijke graven. Het is zeer waarschijnlijk dat nabij deze locaties een belangrijke Romeinse nederzetting lag, mogelijk zelfs een deels in steen opgetrokken villa. Continuïteit vanuit de Romeinse tijd naar de middeleeuwen is echter niet aangetoond.97 AMKterrein 4174 betreft een knuppelpad uit de Romeinse tijd dat mogelijk in het verlengde lag van de verbindingsweg tussen die locaties en Noenes, op een punt om het beekdal van de Broekleij over te steken. In de naburige gemeente ’s-Hertogenbosch woonde men in de Romeinse tijd op vrijwel alle hogere gronden, met name de dekzandruggen (en in het rivierengebied ook de donken). Bij Empel stond een Romeinse tempel gewijd aan de god 92

Archis-nr. 2478960100; De Winter 2018, 45, 57. Archis-nrs. 2772171100, 2925091100, 2952307100, 3137124100, 3152733100, 3284018100 (?), 3284148100. 94 Archisnr. 2910665100. In de ARCHIS-melding worden het ‘Hulsche water’ en de ‘Halse brug’ genoemd. De betreffende vondstlocatie ligt ten westen van de Essche Stroom en ten zuiden van de Haldersche brug (= de brug over de Esschestroom, richting Halder, gem. St.Michielsgestel). 95 Vughts Museum 2012; Smeets 2012. 96 Bogaers 1962; Kanters 1965/1966; Van Gelder & Boersma 1967. Zie ook: Berkvens & Leenders 2015a, 15-16. 97 Hessing et al. 2011. 93

52

Magusanus (afb. 4.5). Ondanks het feit dat in ‘s-Hertogenbosch 119 vondstlocaties uit de vroege en midden-Romeinse tijd bekend zijn, is hier slechts één (gedeeltelijke) huisplattegrond bekend.98 Het gaat om een deel van een plattegrond die is gedocumenteerd bij de verbreding van een watergang in het industriegebied Maaspoort in 1991.99 De laat-Romeinse tijd is met slechts enkele vondstmeldingen vertegenwoordigd. Met uitzondering van de goed gedocumenteerde religieuze locatie van de Tempel van Empel en de graven bij Esch (zie boven) is dus zowel voor Vught als voor ’s-Hertogenbosch sprake van een kennislacune voor de Romeinse tijd, vooral wat betreft de complextypen bewoning, begraving en infrastructuur.

Afb. 4.5 Deel van de opgraving van het tempelcomplex van Empel. De uitbraaksporen van de tempel tekenen zich als donkere banen af. Foto BAM.

4.8 Vroege middeleeuwen (450-1050) In de derde en vierde eeuw n.Chr. werden de aanvallen van de Germanen steeds heviger en de aansturing van troepen vanuit Rome steeds zwakker, wat uiteindelijk heeft bijgedragen aan de val van het Romeinse rijk in het begin van de vijfde eeuw n.Chr. Nederland maakte vanaf de achtste eeuw onderdeel uit van het keizerlijke rijk van Karel de Grote (742-814 n.Chr.). Over de periode tussen de val van het Romeinse rijk en de vorming van het rijk van Karel de Grote is historisch weinig bekend. Wel is duidelijk dat de bevolking sterk afnam in de laat-Romeinse tijd en daarmee ook het aantal nederzettingen. Pas in de loop van de 7e eeuw nam de bevolkingsdichtheid weer toe. Vanaf die periode groeiden de nederzettingen (huizengroepen en gehuchten) weer uit tot volwaardige dorpen en steden. Het Frankische rijk bekeerde de bevolking tot het christendom en voerde een feodaal systeem in waarbij belastingen moest worden betaald. Hierdoor ontstond tevens een meer hiërarchische sociale structuur.100 In de gemeente Vught zijn nog geen duidelijk begrensde vroegmiddeleeuwse nederzettingen, graven of grafvelden of infrastructuur bekend. Enkele losse vondsten kennen we wel. Uit de vroege middeleeuwen zijn tot nu toe ook nauwelijks vondsten en nog geen sporen bekend.

Uitzondering is een 18-tal zilveren munten uit de periode 814-852 die een detectoramateur heeft gevonden bij de

98

Van Putten 2020. Vindplaatsnr. 85; Archief BAM, opgravingscode DBMI. 100 Beuker et al. 1993. 99

53

Toelichting archeologische verwachtingskaart Vught

Zuiderplas in het Bossche Broek.101 Omdat ‘s-Hertogenbosch toen nog niet bestond, kan deze vondst mogelijk gekoppeld worden aan een handelsplaats in of in de buurt van Vught. In het tracé van de A2 bij Heijmhoef is een loden wieltje met inkeping gevonden met een datering vroege middeleeuwen C (Karolingische tijd).102 Het voorwerp zou een amulet kunnen zijn. Bij restauratie van de NH St.Lambertuskerk in Vught in 1957 werd een tufstenen fundering opgegraven, die de RCE dateert in de vroege middeleeuwen.103 De kerk staat aan de Helvoirtseweg 5 in het oude centrum van Vught en daar kunnen dus ook andere sporen uit de vroege middeleeuwen worden verwacht. Een lemen vloer die tot de oudste kerk heeft behoord, is gedateerd omstreeks 1000 n.Chr.104 In 2015 heeft de gemeentelijke adviseur Karolingisch aardewerk (1000-1200) gevonden bij de begeleiding van de aanleg van een rioolsleuf op het Marktveld in Vught, vlakbij de voormalige SintPieterskerk.105 Bij onderzoek in 2019 op het Maurickplein zijn vele graven gevonden op de oude locatie van de Sint-Pieterskerk, maar tot nu ontbreken daar sporen uit de vroege middeleeuwen of van de kerk zelf.106 Wel is hier tufsteen gevonden, dat kan wijzen op een vroege datering van een voorganger van deze kerk uit de 10e tot 12e eeuw.

De aanwijzingen voor bewoning en begraving van voor de 10e eeuw zijn dus nog schaars en vooral het aantal vondsten uit de periode 450-700 is zeer gering, maar het oude driehoekige centrum van Vught in de buurt van de beide kerklocaties en de omgeving van het Maurickplein en aangrenzende zone naar het Dommeldal (zie paragraaf 4.9 en afb. 4.7) hebben de beste kansen op het aantreffen van sporen uit de vroege middeleeuwen. Dat in ieder geval in de Karolingische tijd sprake is van bewoning bewijzen de oudste vermeldingen van enkele dorpen in historische bronnen. De rond ’s-Hertogenbosch liggende plaatsen Engelen, Empel, Orthen en Rosmalen worden voor het eerst vermeld in 815, wanneer de Frankische edelman Alfger goederen schenkt aan de abdij van Lorsch. De toen vermelde dorpen lagen vermoedelijk op dezelfde plaats als de huidige dorpskernen. Vught wordt dan nog niet vermeld. Van een locatie bij Bleijendijk is nog wel aardewerk bekend uit de negende eeuw. Bij wegwerkzaamheden aan de A2 Eindhoven-’s-Hertogenbosch in 1990 zijn hier de resten van een waterput ontdekt, die gemaakt was van bekapt eikenhout. Een amateurarcheoloog verzamelde in de buurt hiervan nog enkele Karolingische scherven en wat vroeg Pingsdorf aardewerk (9e eeuw).

Ook vond hij een opmerkelijke bronzen riemtong (het metalen uiteinde van het deel van de riem dat door de gesp gaat), die waarschijnlijk dateert uit de vroege middeleeuwen.107 De nederzettingen in de vroege middeleeuwen verplaatsten zich over korte afstand. Waarschijnlijk werden in de loop van de tijd de hogere delen van het landschap verlaten. Deze hoger gelegen delen vormden namelijk gunstige gebieden voor akkerbouw. De opkomende dorpen en steden zorgden voor een goede afzetmarkt voor deze producten. De verplaatsing van de middeleeuwse nederzetting ging over kleine afstanden, de gebieden zelf bleven continu bewoond.108 Vanaf de Karolingische tijd en mogelijk zelfs al vroeger zijn de locaties van dorpen echter vast komen te liggen en zijn de bewoningskernen niet meer verplaatst. Voor Vught begint dan een belangrijk deel van de geschiedenis, zoals we in de volgende paragraaf zullen zien.

101

Toorians 2020, 44-46 met verwijzing naar Van Genabeek 2013. Archisnr. 3149056100. 103 Archisnr. 2876273100. 104 Van den Eijnde 2013, 41-56, gerefereerd in Berkvens & Leenders 2015a, 17. 105 Nog niet in Archis vermeld. Zie ook Ball & Huibers 2020. 106 Archisnr. 4634304100; Mol 2019; Pels-Ouweneel & Kruithof 2020; Ball & Huijbers 2020. 107 Vermelding in Berkvens & Leenders 2015a, p. 14. De exacte coördinaten van de waterput en scherven zijn helaas niet bekend. 108 Waterbolk 1980, 202; Van Zeist & Palfenier-Vegter 1979, 291-299; Harsema 1980, 58-59. 102

54

4.9 Volle middeleeuwen: Vught als handelsplaats? (bijdrage A.M.J.H. Huijbers) 4.9.1 Inleiding Vught lijkt op het eerste gezicht een ‘gewoon’ Brabants zanddorp dat zich, zoals vele andere, heeft ontwikkeld na een verplaatsing van bewoning van ‘hoog naar laag’ op de rand van een beekdal na 1200/1250. Echter, al in de volle middeleeuwen was Vught een bijzondere plaats. In een eerdere studie is daar uitgebreid op ingegaan, we zullen hier ingaan op de hoofdlijnen van dat artikel.109 Vught was - in elk geval in de volle middeleeuwen - een handelsplaats en kan worden beschouwd als de voorganger van de stad ’s-Hertogenbosch die deze rol overnam. De aanwezigheid van een handelsplaats te Vught kan worden aangenomen op grond van het bestaan van een tolrecht en muntslag in Vught. In de 11 e eeuw schonk Ansfried (de bisschop van Utrecht, voorheen graaf en adellijk grootgrondbezitter) van beide de helft aan het klooster Hohorst te Amersfoort, de latere Sint-Paulusabdij te Utrecht.110 De tol wordt genoemd in drie oorkonden (1006, 1028 en 1050) en de muntslag in twee oorkonden (1006 en 1050).111 De oorkonde van 1006 wordt als vals betiteld, de twee latere worden als echt aangemerkt.112 Onderzoek wijst op een verband tussen plaatsen met tolheffing en plaatsen met muntslag, beide komen vaak samen voor.

Tegelijkertijd is waar sprake is van een muntplaats, vrijwel zeker ook sprake van een markt.113 Een eigen munt in een plaats wijst namelijk op de ‘warendwang’: men was verplicht met lokale munten waren te kopen en te verkopen, waardoor een heer ervan verzekerd was dat zijn munten in omloop kwamen. Kooplieden die op de marktplaats kwamen, moesten eerst met eigen geld plaatselijk geld kopen. Vervolgens konden ze met het verkregen plaatselijke geld waren kopen en/of verkopen.114 4.9.2 De fiscus Vught Wie hadden op lokaal niveau belangen in de centrale marktplaats Vught en daarmee (wellicht) in de muntslag, de tolheffing en de warenruil aldaar? Een analyse van de toenmalige bezitsverhoudingen werpt daar licht op. Tot dusver zijn steeds markante topografische elementen genomen als uitgangspunt om de bezitsverhoudingen van Vught in de middeleeuwen te reconstrueren: de middeleeuwse kerken en de middeleeuwse burcht op de plaats van kasteel Maurick.115 Om de ontwikkeling van de bezitsverhoudingen te begrijpen, is het echter van belang de gehele topografie van Vught als uitgangspunt en studie-object te nemen. Op grond van de genoemde tol en munt, alsmede de aanwezigheid van een foreest te Ruimel (een koninklijk jachtwoud)116, genoemd in de oorkonden

109

Huijbers 2010. Deze paragraaf is een sterk verkorte, zeer selectieve en in het licht van een recente muntschat op het Maurickplein uit de 12e eeuw enigszins aangepaste, weergave van het deel over Vught in dat artikel. 110 Over Ansfried jr. als graaf en adellijke grootgrondbezitter: zie Monna 1982; idem 1988; Grosse 1987, 115-154; Dierkens 1987; Aarts 1992; idem 1994; idem 2003. 111 Camps 1979, nr. 27, nr. 28, nr. 29 (nr. 27, d.d. 18 november 1006: ‘…in Fugthe dimidium census theolonarii et monete…’, nr. 28, d.d. 3 februari 1028: ‘…dimidium theolonarii census in Fugthe…’, nr. 29, d.d. 26 juni 1050: ‘…in Fuhthe dimidium thelonei atque monete…’ ). 112. Over de echtheid/onechtheid van die oorkonden zie Broer 2000, 239-246; Henderikx 1990; idem 2001; Steurs 1993, 274-276. Over de tol en munt te Vught zie ook Hardt-Friedrichs 1980; Monna 1988, 46-48; Steurs 1993, 274-276, 355; Broer 2000, 249-259. Over de munt in Vught zie ook Albrecht 1959, 12 en Karte 1, nr. 62 (uit de valse oorkonde van 1006). 113 Hess 1974. Zie ook Ennen 1987 (1972). Over de relatie munt en markt: zie ook Hess 1982; Hägermann 1990 en Derschka 2006. 114 Hess 1974, 184; idem 1982, 117. Over warendwang: zie ook Flach 1976, 341-353. 115 Kappelhof 1995; Aarts 2003. 116 '…et foreste in Rumelo…' (Camps 1979, nr. 29, d.d. 26 juni 1050). Over de betekenis van het woord forestis zie Jeitler 2008.

55

Toelichting archeologische verwachtingskaart Vught

inzake de Ansfriedschenking aan Hohorst kan men het bestaan veronderstellen van een koninklijk domein of fiscus in Vught of met Vught als centrum.117 Vught omvatte in de middeleeuwen twee parochies, de Petrusparochie en de Lambertusparochie, elk verbonden aan een kerk. De Lambertusparochie omvatte ook een gebied in wat nu Sint-Michielsgestel is, bij Oud/Out-Herlaer. De tienden (een kerkelijke belasting, omvattende een tiende deel van de oogst) van beide parochies lagen op het akkergebied van de Petrusparochie. De Lambertusparochie had zelf nauwelijks eigen akkerland. De Petrusparochie lijkt daarom ouder dan de Lambertusparochie.118 De Petruskerk en -parochie zijn in de visie van de auteur waarschijnlijk stichtingen door Bruno, aartsbisschop van Keulen. Die visie steunt op een hypothese van Theuws & Bijsterveld uit 1991. Volgens die hypothese kreeg aartsbisschop Bruno, een broer van de keizer, in de tiende eeuw koninklijk bezit.119 Zo ook kan de aartsbisschop de fiscus Vught van zijn broer hebben gekregen. Al in de vroege middeleeuwen kan te Vught een koninklijk domein hebben gelegen, dat rond 950 werd geschonken aan Bruno, aartsbisschop van Keulen.120 Een deel van het akkerland van dat domein kwam rond 1000 in handen van de bisschop van Luik, zo is geredeneerd.121 De aan de fiscus verbonden tol en munt kwamen vermoedelijk geheel in handen van graaf Ansfried jr.

Ansfried behield de helft en schonk de andere helft aan de bisschop van Luik. Ansfried kan de tol en munt rechtstreeks van de koning hebben gekregen, maar het is ook mogelijk dat die van de aartsbisschop van Keulen kwam. Het aandeel van Ansfried in de tol en munt kwam vervolgens in handen van het klooster Hohorst, verwoord in de twee schenkingsoorkonden uit 1028 en 1050. Het is te veronderstellen dat zowel het grondbezit van de fiscus evenals kerkelijke rechten en de tol in latere tijd deels of geheel werden toegeëigend door de opkomende aristocratische families Van Vught en Van Herlaer.122 Beide families bewoonden een burcht aan de Dommel. Bij die van de familie Van Vught betreft het mogelijk een motteburcht, nabij kasteel Maurick.123 Bij die van de Van Herlaers gaat het met zekerheid om een motteburcht, omdat recent onderzoek aantoonde dat de kasteelheuvel circa 3 m boven het omliggende Dommeldal uitsteekt.124 4.9.3 Kooplieden in Vught in de volle middeleeuwen De aartsbisschop van Keulen en de bisschop van Luik kunnen de handel in Vught hebben georganiseerd en geleid. In dat opzicht is een vermelding in een oorkonde uit 1201 van belang, waarin sprake is van de homines sancti Lamberti en hominibus

117

Vgl. de visie van Broer: …Van dit economisch centrum (= Vught) mag wel worden aangenomen dat het ooit een koninklijk domein vormde of daarvan deel heeft uitgemaakt…. (Broer 2000, 256). Over het begrip fiscus als een domaniaal landgoed van de koning tegenover een villa als een domaniaal landgoed van anderen: Verhulst 1977-1999, 4, 502; idem 2002, 32; Hackeng 2006, 130, 213, 498. Voorbeelden van fisci zijn Maastricht (Gorissen 1961; Hackeng 2006, 213), Aken (Hackeng 2006, 130) en Lens (Hackeng 2006, 498). Een fiscus als domaniaal landgoed wordt ook aangeduid als een palatium (Verhulst 2002, 32). Een voorbeeld van een palatium is Meerssen (Gussone 1997). 118 Toorians (2020, p. 55-58) gaat echter uit van het tegenovergestelde (dus: Lambertusparochie ouder), omdat de gepubliceerde legenda van de tiendkaart in de Vughtse Historische Reeks niet juist bleek te zijn. Wat op de tiendkaart als bezit van de Petrusparochie staat aangegeven, zou juist bezit van de Lambertusparochie zijn. In dat geval is de Lambertusparochie dan ouder! 119 Theuws & Bijsterveld 1991. 120 Of een centraal gedeelte van een koninklijk domein, zie onder. 121 Huijbers 2010. 122 Zie Huijbers 2010. Over de toe-eigening van grondbezit en rechten door opkomende lokale en regionale aristocraten in de twaalfde en dertiende eeuw: zie Bijsterveld 1989. Over de familie Van Vught: zie Kappelhof 1995; Aarts 2003.

Over de familie Van Herlaer: zie Spierings 1977; Kuys 1980; Kappelhof 1995; Aarts 2003; Van Doornmalen 2017. 123 Aarts 2003, 2015, 2018. 124 Mooren 2020.

56

sancti Micaelis (Sint-Lambertusmannen en Sint-Michielsmannen).125 Die groep valt in algemene zin te interpreteren als de lieden van de familia van Lambertus (van de Lambertuskerk te Vught, het Lambertuskapittel te Luik of van de bisschop van Luik).126 In specifieke zin kan dat ook anders geïnterpreteerd worden. Verhulst wijst op het bestaan van groepen in steden die ook als zodanig worden aangeduid, het gaat dan vaak om kooplieden die aangeduid worden als homines, verbonden met een patroonheilige (homines sancti N.).127 Omdat sprake is van de SintLambertusmannen versus de Sint-Michielsmannen kan het, bezien in een lokaal perspectief, zijn dat het om lieden verbonden met Vught-Lambertus versus SintMichielsgestel gaat. Beide parochies met die patroonheiligen liggen immers tegenover en naast elkaar. In het licht van Verhulst’s vaststelling dat het bij homines sancti N. in steden vaak om kooplieden gaat, kan men de vraag stellen of dat daarmee de kooplieden van Vught-Sint-Lambertus versus die van Sint-Michielsgestel bedoeld kunnen zijn, juist omdat Vught in het gebied van de latere Meierij rond 1000 een belangrijke centrale plaats is waar kooplieden te verwachten zijn. De homines sancti Lamberti zouden met andere woorden de kooplieden van Vught kunnen zijn. De koopmannen waren dan verbonden met de Lambertusparochie en stonden primair in relatie tot de bisschop van Luik.

Secundair, op een later tijdstip, kunnen de Lambertusmannen in Vught ook tot het gevolg van de aristocratische families Van Herlaer en/of Van Vught hebben behoord op basis van claims op rechten en/of op basis van leenbanden met de bisschop van Luik. Dat de heer van Herlaer een leenman van de bisschop van Luik was, staat overigens ter discussie. De heer van Herlaer wordt als zodanig genoemd in een oorkonde uit 1315,128 maar het is onzeker of de heren van Herlaer voor dat jaar ook leenmannen van Luik waren.129 Aangaande de mogelijkheid van homines sancti N. die tot het gevolg van een Vughtse aristocratische familie kunnen hebben behoord, is een oorkonde uit 1232 van belang.130 Daarin is sprake van de homines van Boudewijn van Vught. Een passage in die oorkonde vermeldt de afspraak tussen Boudewijn en de hertog dat de hertog de homines van Boudewijn niet zal opnemen in een van zijn steden, behalve diegenen die reeds in 's-Hertogenbosch wonen. In 's-Hertogenbosch woonden dus reeds voor 1232 homines van Boudewijn waarmee van migratie van homines uit Vught naar die stad sprake was. Het is verleidelijk om in die mannen homines sancti N. te zien te Vught. Op het Maurickplein is onlangs in een inhumatiegraf bij de locatie van de oude St.-Pieterskerk een muntschat van 158 munten uit de twaalfde eeuw gevonden (afb.

4.6).131 Op basis van de samenstelling vertegenwoordigt die muntschat een zilvervoorraad voor handelstransacties door een koopman. Daarom is het niet ondenkbaar dat het om (het graf van) een vertegenwoordiger van de homines sancti Petri gaat: een koopman uit de parochie van Sint-Petrus en verbonden aan de aartsbisschop van Keulen en de heren van Vught.

125

Camps 1979, nr. 92. Vgl. Verhulst 1999, 120. 127 Verhulst 1999, 120-121. Verhulst noemt de homines sanctae Mariae en de homines sancti Vedasti. 128 Blijkende uit een oorkonde uit 1315: Poncelet 1898, 62. 129 Zie Van Doormalen 2017 en in voorb. 130 Camps 1979, nr. 160. 131 Pels-Ouweneel & Kruithof 2020; Ball & Huijbers 2020. 126

57

Toelichting archeologische verwachtingskaart Vught

Afb. 4.6 Buidel met zilveren munten uit de 12e eeuw, gevonden in een inhumatiegraf op het Maurickplein (bron: Schatten van Vught).

De aanwezigheid van verschillende (inter)regionale en lokale machthebbers in Vught, twee kerken, twee burchten132 en tol- en muntrechten wijst er op dat Vught een plaats was waar ‘men’ in de volle middeleeuwen wilde zitten. Waarschijnlijk was dat vanwege handelsactiviteiten in Vught, handelsactiviteiten tussen het rivierengebied (vooral de Maas) en het stroomgebied van de Dieze, Dommel en Aa en vanwege de controle over die activiteiten.133 Vught ligt verkeersgeografisch gezien op een punt waar het rivierengebied (de Maas) en het stroomgebied van Dieze, Dommel en Aa elkaar ontmoeten. In het gebied van de latere Meierij vinden we in elke nederzetting uit de vroege en volle middeleeuwen goederen die boeren niet zelf produceerden (keramiek, maalstenen, slijpstenen, glas, brons) en die zullen op een of andere manier moeten zijn aangevoerd over water en/of over land. Potten uit het Midden-Maasgebied zuidelijk van Luik werden over de Maas aangevoerd, niet (alleen) over land vanuit dat gebied, zo bleek uit een vondst van een scheepswrak met Andenne-potten uit het Midden-Maasgebied in Limburg. We kunnen aannemen dat Vught een belangrijke rol speelde in de overslag van goederen (via warenruil al dan niet met muntgeld), vanwege de ligging tussen de drie zijrivieren/beken in de Meierij en het rivierengebied van Maas en Rijn.

4.9.4 Mogelijke locaties van handelsactiviteiten in Vught Een belangrijke vraag is waar in Vught gehandeld kan zijn. Belangrijk voor het begrip van de microtopografie van Vught in de volle middeleeuwen is de ligging van de St.-Pieterskerk (bedoeld wordt de oude locatie aan het Maurickplein) tegenover de markt en tegenover het beekdal van de Dommel. Overigens wordt deze riviertak pas op kaarten van na de 18e eeuw aangeduid als ‘Dommel’, daarvoor werd in historische bronnen ook de naam Dieze gebruikt (afb. 4.7). Die kerk ligt precies op het snijpunt van wegen naar en van de Markt, de burcht van Maurick, de Lambertuskerk en een weg naar een gebied met de intrigerende toponiemen Kleine en Grote Gent. Volgens Sprenger de Rover verwijzen de namen Kleine en Grote Gent naar een samenvloeiing van twee rivieren.134 Op de kadasterkaart valt op dat

132

Zie over het grondbezit, de kerken en de burchten Kappelhof 1995; Aarts 2003; Huijbers 2010. 133 Zie Huijbers 2010. 134 Sprenger de Rover 1955.

58

Afb. 4.7 Ingekleurde kadasterkaart voor de omgeving van Vught rond 1832, met in de gele ovaal de aanduiding van de Grote en Kleine Gent bij een voormalige loop van de Dommel (NB: van de middeleeuwen tot de 18e eeuw nog aangeduid als ‘Dieze’). In de volle middeleeuwen is hier mogelijk handel gedreven (naar Huijbers 2010). Legenda: 1 = Dommel en waterlopen, 2 = Agrarisch gebied, 3 = Bebouwing, 4 = Kasteelterrein, 5 = niet gekarteerd, omgeving.

precies op de plaats waar beide wegen beginnen en samenkomen, een aftakking van de Dommel ligt die in historische bronnen nog is aangeduid als Dieze. Die aftakking gaat over in een weg die zich opsplitst in De Kleine en Grote Gent. In oorsprong kunnen op de plaats van beide wegen waterlopen hebben gelegen, die dan uitkwamen op een weg die naar de St.-Pieterskerk voerde. Niet uit te sluiten is dat de plaats van de Kleine en Grote Gent een aanmeerplaats voor schepen was, komende van en gaande naar de Dieze/Dommel. De aanwezigheid van kades en aanlegsteigers kan alleen met archeologisch onderzoek worden getoetst, maar dat is

59

Toelichting archeologische verwachtingskaart Vught

op deze locaties nog niet uitgevoerd. Bekende plaatsen met kaden en steigers uit de Karolingische tijd en volle middeleeuwen zijn Dorestad, Tiel, Stavoren, Haithabu (Duitsland), Schleswig (Duitsland) en Bergen (Noorwegen).135 De hypothese is dan dat tussen de Grote en Kleine Gent de 10e/11e-eeuwse ‘haven’ van Vught lag (afb. 4.7). Verder is het de vraag wat het karakter van de handel in de 10e/11e eeuw te Vught was. Lag er een plein waar handel werd gedreven of werd handel gedreven op een oever langs de toenmalige Dieze (afb. 4.7)? In het laatste geval kan men spreken van een oevermarkt. De huidige markt hoeft niet per se op de plaats te liggen van een markt van rond het jaar 1000. Een opgraving aan de huidige Markt zou dit beeld kunnen bevestigen c.q. weerleggen. De opgraving aan het Maurickplein heeft overigens nog geen vroegmiddeleeuws aardewerk aangetoond, maar wel een muntschat uit de 12e eeuw (afb. 4.6), volmiddeleeuws inheems kogelpot-aardewerk en ook import-aardewerk, zoals protosteengoed, Andenne-, Pingsdorf- en blauwgrijs Elmpt/Paffrath aardewerk.136 Bovendien dateren tenminste twee begravingen op het Maurickplein uit de 10e eeuw en dat impliceert dat bij de oude locatie van de St.-Pieterskerk in de vroege en volle middeleeuwen gewoond zal zijn. Het oudste aardewerk op de onlangs opgegraven locatie aan het Marktveld dateert uit de volle middeleeuwen.

Een opmerkelijke losse vondst in deze omgeving is verder een vleugellanspunt uit de periode 1000-1200, opgeploegd aan de oeverzone van de Dommel op de rand van de gracht van voormalig kasteel Spreeuwenburg.137 Een tweede speerpunt en enkele scherven aardewerk zijn gevonden in werkput 3 van de opgraving Spreeuwenburg. Een vergelijkbare speerpunt is in Duitsland gevonden en wordt in de tweede helft van de 11e of de eerste helft van de 12e eeuw gedateerd.138

4.10 Staatssamenlevingen (late middeleeuwen-nieuwe tijd) Vindplaatsen, vondsten en sporen uit de periode late middeleeuwen tot nieuwe tijd (1250 – heden) zijn volop aanwezig in de gemeente Vught. Hun locaties zijn bekend van archeologisch onderzoek, historisch kaartmateriaal, soms als losse vondsten en vanuit cultuurhistorisch onderzoek.139 De vindplaatsen die tot het complextype nederzetting, begraving, economie, infrastructuur en religie behoren, zijn opgenomen in de kaartlaag ‘Staatsamenlevingen’ (bijlage 5). De vindplaatsen die tot het complextype verdedigen behoren, zijn echter opgenomen in de aparte kaartlaag ‘conflictarcheologie’ (bijlagen 6 en 6B). Daaronder vallen ook de sporen en mogelijke vindplaatsen uit de Tweede Wereldoorlog en de Koude Oorlog. We zullen hieronder een toelichting geven op de belangrijkste categorieën. 4.10.1 Inrichting landschap Vanaf de Karolingische tijd nam de bevolking in Noord-Brabant toe en lagen de kernen van de oudste nederzettingen min of meer vast. Daarna ontstaan echter nog wel enkele nederzettingen zoals Helvoirt, Cromvoirt, de buurtschappen Bergenshuizen, Distelberg, Gijzel en Laar en niet onbelangrijk: de stad ’sHertogenbosch op het noordelijke deel van de dekzandrug. De nabijheid van de Maas en haar zijrivieren/beken (Dieze, Dommel en Aa) leverde een voordeel op.

De rivieren waren de snelste verbindingswegen met andere gebieden en waren gunstig voor de handel. Dat is één van de redenen dat mogelijk Vught (zie paragraaf 4.9) en later ‘s-Hertogenbosch al snel na de stichting konden uitgroeien tot een belangrijke handelsnederzetting. Een nadeel was echter dat het lager gelegen dekzandgebied 135

Dorestad: Van Es/Verwers 1980; idem 2002; Van Es 1990; Tiel: Sarfatij 1999; Bartels/Oudhof 2007; Haithabu: Schietzel 1984; Bergen: Herteig 2002. Over Stavoren en Schleswig: zie De Groot 1997b. 136 Mol 2019. 137 Geen Archisnr. bekend, particuliere melding 1087 bij Erfgoed ‘s-Hertogenbosch. 138 Van den Brink 2020, 14. 139 Berkvens & Leenders 2015a.

60

ten noordwesten van Vught en ten noorden van Helvoirt en de komgebieden van de Maas ten noorden daarvan in de winter lange tijd onder water stonden. Het gebied kende aanvankelijk nog geen bedijking. Het was dus zaak dat men zich vestigde op de hoger gelegen dekzandruggen. Vanaf de 12e eeuw krijgen we vanuit historische bronnen en later ook kaartmateriaal en afbeeldingen steeds beter zicht op het gebruik en de inrichting van het landschap en de ligging en aard van de bewoning. Naarmate de mens door het reguleren van de waterhuishouding en het creëren van polders meer grip kreeg op het landschap, kon het landschap verder worden ingericht en verkaveld. Het landschap is te verdelen in een aantal gebieden met elk hun eigen karakteristieken wat betreft waterhuishouding, vegetatie, landgebruik en verkavelingspatroon. Op de oudste topografische kaarten is een vrij traditionele verdeling te zien van bewoning op de grens van hoog naar laag, akkers op de hogere dekzandgronden en hooi- en weilanden op de lagere dekzandgronden. De hooi- en weilanden lagen in de Gement (waarvan het toponiem is afgeleid van de gemeenschappelijke gronden, ook wel Gemeynt of Gemeentens Weiden), het noordelijke lage deel van de Helvoirtse Heide en in het Dommeldal.

Akkers in het zandgebied De oudste dorpskernen van Vught, Cromvoirt, Helvoirt en de buurtschappen Bergenshuizen, Distelberg, Gijzel, Heikant, Laar, Loveren, Moleneind, Pepereind en Vliert liggen alle op een hogere dekzandrug (afb. 3.2). Rond deze nederzettingen zijn de zandruggen al in de middeleeuwen gebruikt voor akkerbouw. Hoger gelegen akkercomplexen zijn in Noord-Brabant vanaf de vijftiende eeuw140 ontstaan door regelmatige bemesting door middel van mest gemengd met heideplaggen. De bemesting was noodzakelijk, omdat de zandgrond van nature niet vruchtbaar genoeg was. Aanvankelijk werd dit ondervangen door als de akker uitgeput dreigde te raken de akker en soms de hele nederzetting te verplaatsen. Toen vanaf de 13 e eeuw de bevolkingsdruk en de vraag naar landbouwgrond toenamen, was men gedwongen de akkers permanent te gebruiken en regelmatig te bemesten. Het akkerareaal breidde zich uit over de oude woonplaatsen heen en de bewoning verschoof naar de randen van de akkers. Min of meer aaneengesloten akkercomplexen in de gemeente Vught zijn op de Bonnekaart makkelijk te herkennen als de witte percelen bij Vliert-Moleneind-Vlasmeer, marksrondom Helvoirt, ten westen van Bergenshuizen, bij Vughtse Hoeven en langs de Hoogstraat bij DistelbergCromvoirt-Loveren-Pepereind (afb. 4.8).

Afb. 4.8 Landgebruik rond Vught en Cromvoirt omstreeks 1900, met de akkercomplexen in wit, de weilanden/hooilanden in lichtgroen, bos in donkergroen en heidevelden in roze. 140

61

Spek 2004.

Toelichting archeologische verwachtingskaart Vught

Een aaneengesloten strook akkers is ook aanwezig ten noordoosten van Voorburg langs het Dommeldal. Ook langs de buurtschappen Gijzel, Heikant, Laar en Raam zijn akkercomplexen aanwezig. Door de regelmatige bemesting met onder meer heideplaggen inclusief een grote hoeveelheid zand werd de akkerlaag steeds dikker, soms tot meer dan een meter. De van nature al iets hoger liggende akkers kwamen daardoor nog hoger te liggen. Het plaggendek bedekte de restanten van de bewoning uit de periode van vóór het ontstaan van de akkers. Deze restanten zijn over het algemeen goed geconserveerd, omdat ze nu te diep liggen om bij het ploegen geraakt te worden. De heidevelden, waar de plaggen gestoken werden, lagen tussen Cromvoirt en Vught in (Vughtse heide) en ten zuidwesten van Bergenshuizen. Ten westen van Cromvoirt en ten noorden van Heikant lag de ‘Helvoortsche Heide’, ook wel Hooge Heide genoemd. De Bonnekaarten geven daar enkele vennen aan (Hengstven, Diepven en Boompjesven), die mogelijk in de steentijd al bestonden. De ontwatering van dit deel was namelijk toen al slecht door een blokkerende dekzandrug. De regelmatige ‘oogst’ van heideplaggen zorgde ervoor dat de heidevelden in stand bleven en niet regenereerden tot bos. Door de opkomst van kunstmest aan het eind van de negentiende eeuw verviel de noodzaak van plaggenbemesting.

De plaggendekken groeiden niet verder aan en heidevelden konden nu ook ontgonnen worden.

Gement en aansluitend komgebied Ten zuiden van de oeverwal van de Maas bevindt zich een vrij uitgestrekt komgebied waar tijdens periodieke hoogwaters klei is afgezet. Het noordelijke deel van de Gement behoort daar nog net toe. In de twaalfde eeuw zijn de eerste dijken langs de Maas aangelegd ter hoogte van het huidige ‘s-Hertogenbosch. Een aaneengesloten dijk bestond nog niet, maar wel stukken Maasoever die bedijkt werden. Deze dijken werden in eerste instantie opgeworpen om de lager gelegen komgronden te kunnen ontginnen.141 In de dertiende eeuw probeerden de landsheren hun macht te consolideren door zich te bemoeien met de inrichting van hun gebieden. Hertog Jan II van Brabant deed dit door op grote schaal gronden uit te geven aan zijn onderdanen: de gemeyntgronden. Tevens bemoeide hij zich met de - tot dan toe autonome - streekwaterschappen. Al snel na het aanleggen van de dijken ontstond behoefte aan een bestuursorgaan om de polders en dijken in goede conditie te houden. In de dertiende eeuw ontstonden voorlopers van de huidige waterschappen, bestuurd door particulieren, die pas in de veertiende eeuw werden geïnstitutionaliseerd.142 Vanaf deze periode werden weteringen gegraven ter ontwatering van de polders, zoals in Vught de polder de Ham en Rijskampen. Deze polder kan gezien worden als een zogenaamde binnenpolder.

Het oprichten van een binnenpolder, die relatief ver van de Maas af lag, is niet verwonderlijk. Dit gebied ondervond jaarlijks last van afstromend water via de Beerse-Baardwijkse overlaat, die verderop nog aan bod komt. Na het sluiten van de Beerse Overlaat in 1942 en daardoor het verdwijnen van de Beerse Maas, had de polder geen functie meer als overloop.143 Na aanleg van de eerste dijken konden de nieuwe gronden ingericht worden. Het verkavelingspatroon werd uitgezet vanaf de Maasoever naar het zuiden en vanaf de nederzettingen op de dekzandruggen naar het noorden toe. De Langstraat richting Vlijmen-Nieuwkuik-Drunen-Waalwijk was in smalle stroken verkaveld144, maar de meer zuidelijk en iets hoger liggende Gement was rond 1900 al vrij rationeel verkaveld. De Bonnekaart toont dan in de ‘Gemeentens Weiden’ vooral brede tot blokvormige kavels, enkele plassen en twee eendenkooien (afb. 4.9). Er waren 141

Zie bv. Hoogma & Steketee 1996, 89. Leenders 1977, 114-115. 143 De taken kwamen in handen van andere corporaties, zoals de gemeente Rosmalen en Nuland, het waterschap De Maaskant en het waterschap De Polders Vliert en Ertveld. Buijks, 1984, 44-46. 144 De Bont 1993, 54; De Boer 2017. 142

62

echter ooit drie eendenkooien in de Gement, die alle in de 17e eeuw al bestonden. De Oude Kooi of Grobbendonckse kooi dateert uit 1608, de Nieuwe (grote) Kooi dateert uit 1652, en de Hamse kooi (vlakbij de Moerputtenspoorlijn/brug) dateert uit 1621.145 Eendenkooien dienden om wilde eenden te vangen. Aangezien hiervoor een rustige omgeving nodig was, mochten binnen een straal van 750 tot 1200 meter rond de kooi geen activiteiten worden uitgevoerd die de rust konden verstoren. De oudste eendenkooien in Nederland dateren vermoedelijk uit de 14e eeuw.146 De twee eendenkooien in de Gement zijn in elk geval al aanwezig op een kaart uit 1603 en op de kaart van Verhees uit 1798.147 Omdat het laag liggende dekzandgebied in de Gement een slechte afwatering kende en omdat het gevaar bestond dat ze in de winter bij hoogwater van de Maas als deel van de Beerse overlaat onder water kwamen te staan, werd het land voornamelijk gebruikt als gras- en hooiland. Het plaatselijk venige gebied was vanwege de natte omstandigheden tussen het neolithicum en de late middeleeuwen waarschijnlijk niet bewoond. Richting het westen gaat dit gebied over in een nat en drassig deel van de Helvoirtsche Heide (in de gemeente Heusden).

Afb. 4.9 Blokvormige verkaveling en twee eendenkooien in de Gement (Bonnekaart, ca. 1900).

4.10.2 Kastelen Kastelen vinden we vooral langs het Dommeldal (de kastelen Maurick, Spreeuwenburg, Oud en Nieuw Herlaer), bij Helvoirt (Zwijnsbergen) en langs de Essche stroom bij Esch (het nu verdween kasteel Baarschot). Voor de kastelen Maurick en Oud Herlaer (net over de gemeentegrens) wordt aangenomen dat zij de opvolgers zijn van een motteburcht uit de 12e of 13e eeuw.148 De oudste bouwfase van het huidige kasteel Maurick dateert uit de jaren ’30 van de vijftiende eeuw.149 Funderingen van kasteel Spreeuwenburg (oudste fase: 15e eeuw) zijn ontdekt aan de Taalstraat 88 in 2014150 en vervolgens opgegraven, waarbij tevens een viertal grachtstructuren is gevonden (afb. 4.10).151 In de vondsten van een speerpunt uit de 11e-12e eeuw en aardewerk uit de 13e eeuw uit de oudste grachtvullingen van Spreeuwenburg zien de opgravers een aanwijzing voor bewoning van een eerdere moerasburcht in de volle middeleeuwen. Zionsburg is van oorsprong geen kasteel, 145

Schriftelijke mededeling Thiers, februari 2022. www.eendenkooi.net en www.home.versatel.nl/eendenkooi-maaspoort/index.html. 147 Thiers 2017, 18: Grobbendonkse (eenden)kooi, en Thiers 2017, 43. ‘Kaart figuratief van het grootste gedeelte van Bataafsch Braband (1794/1810-1814)’: toponiem ‘Vogel Kooijen’. 148 Aarts 2003, 2015, 2018. 149 Gruben & Hermans 2015, 92-95. 150 Tump 2016 (Archisnr. 2429355100). 151 Van den Brink 2020, 15; Van den Brink & Van Renswoude 2021 (Archisnr. 4604229100; fase 2: 4898325100). 146

63

Toelichting archeologische verwachtingskaart Vught

maar een versterkt huis dat na 1270 is neergezet voor de Duitse Commanderij. Het exacte bouwjaar is tot nu toe onbekend. De Duitse Orde, een geestelijke ridderorde die in 1190 in Palestina was gesticht, vestigde zich ergens tussen 1270 en 1334 in Vught. Zij stichtten er, tegenover de Sint-Lambertuskerk (ter hoogte van landgoed Zionsburg), een commanderij, die in 1543 samen met een groot deel van Vught door de Gelderse troepen (Maarten van Rossum) werd platgebrand, waarna alleen een ruïne achterbleef.152 Een herbouwfase van het huidige huis dateert uit de late 19 e eeuw. Tussen het Zionsburg van Marggraff en de Duitse Orde heeft ook nog een villa gestaan, zo blijkt uit een gouache van Van Geusau omstreeks 1830.

Afb. 4.10 Dronefoto van het funderingswerk van kasteel Spreeuwenburg, ontdekt in 2014 en opgegraven in 2018 (bron: Van den Brink 2020).

Ten noordwesten van Helvoirt ligt het kasteelterrein van kasteel Zwijnsbergen. In de dertiende eeuw was al sprake van een ‘mansus Zwensberch’. Dit zou een voorloper kunnen zijn van het huidige kasteel Zwijnsbergen. Het kasteelterrein van kasteel Zwijnsbergen omvatte het kasteel, een gracht en rondom Zwijnsbergen was een uitgestrekte tuin met vijverpartijen aanwezig (nu park). Het hoofdgebouw van het huidige huis stamt uit de tweede helft van de zeventiende eeuw. De toren is waarschijnlijk zestiende-eeuws, en samen met de kelders vormen het zij het oudste gedeelte van het huis. Het gebouw is in de loop van de eeuwen diverse keren uitgebreid. Bij een verbouwing in 1817 is het voor een gedeelte belangrijk van gedaante gewijzigd. In 1884 werden de bijgebouwen gebouwd.153 4.10.3 Dorpskernen en buurtschappen in de gemeente Vught

Vught Vught behoort tot de oudste dorpen in de gemeente zoals hiervoor al is besproken. De naam Vught verwijst als Germaans toponiem mogelijk naar een vochtig gebied. De eerste betrouwbare vermelding van Vught in historische bronnen (‘Fuhte’/ ‘Fughte’) dateert omstreeks 1028 en mogelijk al in 1006, afhankelijk van de betrouwbaarheid van een oorkonde uit dat jaar.154 De oudste kern van Vught

152

Ball & Huijbers 2020, 43. https://www.kasteleninbrabant.nl/kastelen/kasteel-zwijnsbergen/ 154 Zie Huibers 2010, Ball & Huijbers 2020 en discussie in Toorians 2020, 41-43, 47, 55-58. 153

64

vinden we rond de twee oudste kerken, ieder vernoemd naar een eigen parochie: de St.-Lambertuskerk en de St.-Pieterskerk. De oude St.-Pieterskerk stond destijds nog op de plek van het huidige Maurickplein, de nieuwe is verplaatst naar de kruising Heuvel-Marktveld-Dorpsstraat en daar pas in 1882-1884 gebouwd. De oudste kern bestond vermoedelijk al in of zelfs nog voor het jaar 1000, als we de hierboven vermelde muntvondst uit het Bossche Broek uit de tweede helft van de negende eeuw daaraan mogen toeschrijven. Langs de weg van Vught richting de huidige Vughterpoort in ‘s-Hertogenbosch ontwikkelde zich lintbebouwing, die al op de vroegst beschikbare kaart uit 1545 van Jacob van Deventer voor ‘s-Hertogenbosch staat ingetekend (afb. 4.11: nr. 1).

1

10

2

3

8

5

4

11

9 6

7

Afb. 4.11 Het dorp Vught met lintbebouwing en de locatie van het Kartuyser klooster (‘Cartusers’) langs de Taalstraat op de kaart van Jacob van Deventer uit 1545. Rechts-midden: 1 = het straatgehucht Vranckenhofstad (met een oude molen), linksboven: 2 = straatgehucht ’t Reut.155 De straatgehuchten liggen aan weerszijden van een hoog akkercomplex, met Vranckenhofstad op de overgang naar het beekdal van de Dommel. 3 = groot onbekend pand, 4 = gehucht Taalstraat, 5 = Kartuizer klooster, 6 = Zionsburg, 7 = Lambertuskerk en kern Vught. 8 = herberg ‘De Stockvis’. 9 = de molen ‘Aen die Heyde’, 10 = de molen ‘Aen die bruggen’. Nr. 11 geeft kasteel Spreeuwenburg aan.

155

Vos 2009, 62. In Berkvens & Leenders (2015b) is het gehucht linksboven ‘Aan de Molenvenseweg’/ Vranckenhofstad genoemd en zou ‘t Reuth langs de Taalstraat liggen.

65

Toelichting archeologische verwachtingskaart Vught

Na georeferentie van deze kaart (zie appendix) kunnen we de lintbebouwing van Vranckenhofstad (afb. 4.11: nr. 1) verwachten langs de voorganger van de huidige Taalstraat. De bebouwing van het straatgehucht ‘t Reut (afb. 4.11: nr. 2) ligt in de buurt van de huidige straten ‘Achter de Bredase Wagen’-MolenvensewegKampdijklaan. Deze route ligt ter hoogte van een afsplitsing van de Taalstraat naar het westen toe, die in de 16e eeuw al bestond. Belangrijke (omgrachte) gebouwen in de buurt van de historische kern van Vught waren natuurlijk Kasteel Maurick156 (op oudere kaarten ook wel ‘Mouwerik’ of ‘Mauwerik’), huis Muizerik (‘Muyserick’), het kasteel Spreeuwenburg (afb. 4.11: nr. 11), huis Kouwenberg, huis Leeuwenburg157 en vanaf 1473 de locatie van het Kartuizer klooster ten oosten van de dorpskern van Vught op de rand met het Dommeldal (afb. 4.11: nr. 5). Het landgoed Zionsburg (afb. 4.11: nr. 6) is in de 15e eeuw ontstaan rondom de Commanderij van de Duitse Orde, dat mogelijk al in de 13e eeuw bestond. Recent (beperkt) onderzoek op deze locatie heeft vooral muurresten van 16e-eeuwse, 17e-eeuwse en laat-19e-eeuwse bouwfasen opgeleverd.158 Van een laatmiddeleeuwse voorganger zijn (nog) geen muurwerk of sporen gezien en slechts drie vondsten betreffen laatmiddeleeuws aardewerk. Op de eerste kadastrale kaarten omstreeks 1832 (afb.

4.12, 4.14) is daar ook een rechthoekige omgrachting te zien, die nu niet meer bestaat. De kern van Vught heeft historisch gezien veel meegemaakt. De hiernavolgende tekst is overgenomen uit Berkvens & Leenders.159 Het historische hart van Vught is door de eeuwen heen meerdere malen aangetast en soms zelfs vernietigd. Dat gebeurde bijvoorbeeld in 1542-1543, toen Maarten van Rossum, krijgsheer in dienst van de hertog van Gelre, Vught verwoestte. Omstreeks 1582 raakte Vught grotendeels ontvolkt door de pest. Inmiddels was de Tachtigjarige Oorlog gaande, die tot 1629 tot gevolg had dat allerlei legers door Vught trokken om ‘sHertogenbosch te verdedigen of aan te vallen. Op 25 juli 1583 staken troepen van de Staten van Holland een deel van Vught in brand. Twee jaar later gingen opnieuw meer dan honderd hoeven in Vught in vlammen op. In 1586 waren Vught en Cromvoirt helemaal leeg. In 1594, 1601 en 1603 zorgden de belegeringen van de stad ‘s-Hertogenbosch door prins Maurits voor veel schade in Vught. Zijn broer Frederik Hendrik kwam in 1629 ‘s-Hertogenbosch opnieuw belegeren. Vught werd zijn legerplaats, van waaruit de aanval werd ingezet op de forten Isabella en Anthonie en op de stadswallen in de buurt van de Vughterpoort. Toen de prins ‘sHertogenbosch veroverd had, bleek van Vught nauwelijks wat over. Ook in latere eeuwen kwamen oorlogen over Vught.

In de Napoleontische tijd (1794-1814) werd het dorp eerst de uitvalsbasis voor de Fransen om ‘s-Hertogenbosch in handen te krijgen. Later waren het de tegenstanders van Napoleon die ‘s-Hertogenbosch vanuit Vught aanvielen. Pruisen en Kozakken maakten Vught toen onveilig, hoewel ze de bevrijders van de nederzetting waren.160 Vught is na de 17e eeuw nog lange tijd een vrij landelijke nederzetting gebleven. Op zowel het kadastrale minuutplan uit 1832 (afb. 4.12 en 4.14) als de Bonnekaart uit 1896 is de bebouwing nog vooral rond de twee kerken en langs de uitvalswegen aanwezig en zijn tussenliggende percelen nog in gebruik als onbebouwd erf of voor agrarisch gebruik. Het bebouwingslint langs de (later rechtgetrokken) Taalstraat is dan nog goed te herkennen. De locatie van de Sint-Pieterskerk is rond 1884 circa 265 m in westelijke richting verplaatst van het Maurickplein naar de huidige plek aan de 156

Aarts 2003; Splinter 2016. Maurick, Spreeuwenburg, Kouwenberg en Leeuwenburg staan samen met de twee kerken en het kartuizer klooster aangegeven op een kaart uit 1603: zie Thiers 2017, 17. Huis Muizerik en Zionsburg ontbreken op die kaart, maar Muizerik staat wel op de kaart van het Beleg van ’sHertogenbosch uit 1629. Zionsburg was toen al verwoest (in 1543). 158 Den Hartog 2020. 159 Berkvens & Leenders 2015a. 160 Overgenomen uit Berkvens & Leenders 2015a, 20-21. 157

66

kruising Marktveld-Heuvel-Dorpsstraat. Op het Maurickplein zijn nog altijd inhumatiegraven aanwezig die in of rond de oude kerk lagen.161 Muurwerk van de kerk is echter nauwelijks gevonden, op enkele tufstenen fragmenten na. Gezien het belang van de historische kern van Vught verbaast het niet dat deze kern is aangemerkt als beschermd dorpsgezicht.

Afb. 4.12 Het dorp Vught op een uitsnede van het kadastrale minuutplan van 1832 (NB: het noorden ligt op deze uitsnede links).

Cromvoirt Cromvoirt is een lintdorp op de overgang van een hogere dekzandrug naar lager gelegen veen- en klei-op-zandgronden in het noorden. Cromvoirt is rond 1100 ontstaan, maar wordt pas voor het eerst vermeld in 1312.162 De naam is ontleend aan een doorwaadbare plaats (voorde) bij de Broekleij. Rondom het lage deel van Cromvoirt is in het westen, noorden en oosten een ringdijk/bandijk aanwezig die het dorp beschermde tegen hoogwater (afb. 4.13). Het dorp strekt zich uit langs de voormalige Hoogstraat (nu: St.-Lambertusstraat), vanaf de oudere buurtschappen Loveren en Pepereind in het oosten, via Cromvoirt centraal op de dekzandrug tot aan het buurtschap Distelberg in het westen. Aan de noordzijde van de Hoogstraat/St.-Lambertusstraat was het landgebruik wat meer divers en kleinschaliger verkaveld (akkers en weiland) dan aan de zuidzijde daarvan (vooral akkers, grotere blokvormige kavels).

De Hubertuskapel te Cromvoirt wordt al in 1485 vermeld (gesloopt in 1828).163 Pas vanaf 1717 zijn op de locatie van het huidige kerkhof een schuurkerk en pastorie aanwezig, die na een brand tussen 1891 en 1897 zijn vervangen door de huidige Sint-Lambertuskerk aan de St.-Lambertusstraat.164 Archeologisch onderzoek ten noorden van de St.-Lambertusstraat in het projectgebied Golfbaan Cromvoirt heeft vooral greppels en enkele paalkuilen uit de nieuwe tijd opgeleverd.165 Archeologisch vooronderzoek ten behoeve van een groter terrein bestemd voor de nieuwbouw van woningen aan de Achterstraat te Cromvoirt166 bevestigde hier de aanwezigheid van een (deels al verstoord) humeus dek op dekzand, maar dat leidde niet tot een vervolgonderzoek. Volgens de provinciale ontgrondingenkaart zouden verschillende delen van de dekzandruggen 161

Van den Brink 2020; waarneming Erfgoed ’s-Hertogenbosch. Berkvens & Leenders 2015b, 188; Slegers 2020, 312. 163 Deze lag op het terrein achter gemeenschapshuis the Battle Axe: St.-Lambertusstraat 60. 164 Haans & Van den Broek 2009. 165 Archisnr. 4036532100; Kooi 2017. 166 Archisnr. 4570647100; Weerheijm & van der Klooster 2018. 162

67

Toelichting archeologische verwachtingskaart Vught

in Vught zijn ontgrond, vooral de akkergebieden rond Cromvoirt.167 Het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN-3) laat hier inderdaad meerdere rechthoekige percelen zien die duidelijk lager liggen en mogelijk al verstoord zijn.

Afb. 4.13 De ringdijk om Cromvoirt en rechtsboven de Honderdmorgendijk ten westen van de Honderdmorgen-kavels – ‘100 mergen‘ – ten NW van Fort Isabella op een kaart van Lefevre & Draack omstreeks 1740, noorden boven (bron: BHIC, cat.nr. 343-000671).

Helvoirt Helvoirt ontstond in de middeleeuwen als een agrarisch dorp langs de weg tussen de Broekleij en de Raamse Loop. De percelering is sinds de 19e eeuw nauwelijks veranderd en waarschijnlijk nog middeleeuws. Al in de 12e eeuw was een kerk aanwezig (de oude St.-Nicolaaskerk). Het centrum van Helvoirt lag oorspronkelijk tussen deze kerk en de oude herberg de Zwarte Leeuw bij gehucht ‘t Eind. De Kerkstraat (thans Torenstraat) en het meest noordelijke deel van de Molenstraat sloten aan op Helvoirtseweg (later ook N65) richting Vught/’s-Hertogenbosch. Gehucht ’t Eind lag aan een verbreed deel van de Molenstraat en had een dorpspleintje met dorpslinde (nu deels verdwenen onder het kruispunt van de N65 en de Molenstraat).168 In dit gehucht stonden een café, twee herbergen en waren een oliemolen en later ook een smidse aanwezig. Ten zuiden daarvan lag het landhuis ‘Rosen Haeghe’ uit 1860 (daarvoor: Molenhuize genoemd, gesloopt in 1960).169 De oude herberg (en later horeca-uitspanning) de Zwarte Leeuw zou al bestaan in 1438 en dan de op één na oudste herberg van Nederland zijn.170 Dat pand stond/staat op de zuidwestelijke hoek van de kruising Helvoirtseweg/N65 en de Molenstraat/Torenstraat. Diverse panden in het gehucht ’t Eind worden al genoemd in akten uit de 16e-17e eeuw.

Omdat de Molenstraat en Torenstraat/Kerkstraat aansloten op de doorgaande verkeersweg van ‘s-Hertogenbosch naar Tilburg/Breda en Antwerpen/Brugge (in Helvoirt: de latere Antwerpsebaan/Groenewouddreef)171 ontstonden juist hier de diverse horecapanden/herbergen vanwege de gunstige ligging langs deze handelsroute. In 1958 zijn hier diverse panden gesloopt in verband met de verlegging/verbreding van de huidige Helvoirtseweg naar het zuiden toe. Ter voorbereiding op verdere verbreding van de N65 is dit gebied wel 167

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vught&id=46f02870-afc0-4ee7-a732-c0426e9d05ff