CConstaterende datVught
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage - Ontwerpbestemmingsplan - Toelichting

Raadsvergadering 4 april 2024, gemeente VughtBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan ‘Den Hoek 2, Cromvoirt’16.880 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Continueren integraal werken. 3. Samenwerken met inwoners en ondernemers. Het belangrijkste punt wat wordt benoemd in het ‘Programma Water en Riolering 2022 – 2026’ van de gemeente Vught is dat wanneer er een toename van verhard oppervlak groter van 100 m 2 is als gevolg van een herontwikkeling er een compensatie geldt. Deze compensatie bestaat uit 60 mm waterberging per m2 aan verharding in het betreffende plangebied. In de beoogde ontwikkeling is er echter geen sprake van toename van verhard oppervlakte.

4.2.2. Bestaande waterhuishoudkundige situatie

In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende perceelsloten. Op het bedrijf wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. Er is sprake van good-house-keeping management. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Op het bedrijf vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het nietverontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelsloten.

4.2.3. Beoogde waterhuishoudkundige situatie

Zoals bovenstaand in het gemeentelijke beleid is benoemd, is er in de beoogde situatie geen sprake van toename in verhard oppervlak. In de beoogde ontwikkeling zal gebruik worden gemaakt van de bestaande bebouwing. Echter zal er wel een overkapping worden geplaatst, maar deze komt over een bestaande sleufsilo, derhalve is hier geen sprake van toename in verharding. Met de beoogde ontwikkeling wordt juist een natuurlandschap gerealiseerd met poeltjes en derhalve heeft de beoogde ontwikkeling juist een positief effect op de waterhuishouding. Bij het bouwen van de overkapping zal gebruik worden gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen en niet van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie.

Pagina 25 van 50

Verder zal de waterhuishoudkundige situatie met betrekking tot het bedrijfsafvalwater en het huishoudelijke afvalwater niet veranderen ten opzichte van de bestaande situatie. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief. Hierbij valt tevens op te merken dat het Waterschap een positief advies heeft uitgebracht ten aanzien van de beoogde ontwikkeling en de beoogde waterhuishoudkundige situatie. 4.3. Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.

4.3.1. Natuurnetwerk Nederland (NNN) In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. Het Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: ▪ Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; ▪ Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; ▪ Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ▪ Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; ▪ Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen.

Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan. Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Interim omgevingsverordening (Iov) de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Iov. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ van de Iov is binnen de planlocatie een NNB aanwezig, zie Afbeelding 10. Het gaat enkel om het stuk bebost gebied aan de oostzijde van het plangebied.

Dit bebost gebied blijft behouden, er worden enkel paden aangelegd binnen dit gebied. Het gebied zal in gebruikt genomen voor een natuur inclusieve paardenhouderij. De natuurwaarden van het gebied staan hoog in het vaandel van het bedrijf. Er valt derhalve te concluderen dat met deze beoogde ontwikkeling geen aantasting plaatsvindt van de aanwezige ecologische waarden en kenmerken. De beoogde

Pagina 26 van 50

ontwikkelingen hebben daarom geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan. Daarbij wordt opgemerkt dat door de aanleg van de zorgvuldige landschappelijke inpassing de ecologische waarden in de omgeving versterkt zullen worden.

Afbeelding 10: Uitsnede Iov, Natuur Netwerk Brabant kaart, locatie rood omlijnd

4.3.2. Wet natuurbescherming

In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en de provinciale verordening. In Nederland zijn 161 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek, Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen en Kampina & Oisterwijkse Vennen. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd.

Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden.

Pagina 27 van 50

Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek, dat op een afstand van circa 350 meter ligt. Echter vindt de bedrijvigheid op een grotere afstand plaats, namelijk op een afstand van circa 700 meter. Elke ruimtelijke ontwikkeling kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er zijn namelijk verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht spelen hierbij een belangrijke rol, omdat deze ook op grote afstand van een gebied voor effecten kunnen zorgen. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt.

Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht

Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Om aan te tonen dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt zijn middels het rekenprogramma AERIUS verschilberekeningen gemaakt tussen de uitgangssituatie en de gebruiksfase en de bouwfase van het initiatief. De uitgangspunten voor deze berekeningen zijn uiteengezet in Bijlage 3. In Bijlage 4 en Bijlage 6 zijn de rekenresultaten van deze berekeningen opgenomen. Hieruit blijkt dat de stikstofdepositie van het plan niet groter is dan 0,00 mol/ha/jaar. Ook volgt uit de AERIUS-verschilberekening van de gebruiksfase dat de stikstofdepositie afneemt ten opzichte van het bestaande, planologisch legale gebruik. Het aspect stikstofdepositie vormt derhalve geen belemmering voor vaststelling en uitvoering van het plan.

Overige storingsfactoren

Vanwege de ruime afstand van de planlocatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling.

Conclusie

Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.

Pagina 28 van 50

In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in de planlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: ▪ Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); ▪ Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); ▪ Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Den Hoek 2 te Cromvoirt, dient bepaald te worden of ter plaatse van het plangebied beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding.

Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Gezien het huidige intensieve gebruik van het bouwvlak en de landbouwgronden grenzend aan het bouwvlak is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten echter niet te verwachten. Door middel van de ‘Effectenindicator soorten’ van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is gekeken of de werkzaamheden voor het realiseren van de beoogde situatie een bedreiging vormt voor de beschermde diersoorten. Voor de realisatie is er sprake van de activiteiten ‘Inrichting of mijnbouwwerk oprichten of veranderen (Milieu)’, ‘Overig bouwwerk bouwen’ en ‘Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’. Uit de effectenindicator volgt dat de aanwezigheid van beschermde soorten onwaarschijnlijk is, zie onderstaande afbeeldingen.

Pagina 29 van 50

Afbeelding 11: Effectenindicator soorten

Pagina 30 van 50

Gezien het voorstaande kan geconcludeerd worden dat het aantreffen van beschermde natuurwaarden niet aan de orde is. Een omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van soorten is op grond van de Wet natuurbescherming derhalve niet noodzakelijk. Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden zoals die is vastgelegd in de Wnb vloeit voort uit de voormalige Boswet. Voorwaarden zijn gericht op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en liggend buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Met het initiatief is geen sprake van het vellen van houtopstanden. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van houtopstanden noodzakelijk is. 4.4. Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde paardenhouderij moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.

4.4.1. Cultuurhistorie en aardkunde

Uit de cultuurhistoriekaart van de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat de planlocatie wel in een gebied ligt met aardkundige of cultuurhistorische waarden, zie Afbeelding 12. In het vigerende bestemmingsplan is de aanduiding ‘Cultuurhistorisch waardevol gebied’ opgenomen voor het plangebied. Hieronder zal nader worden ingegaan op de voorwaarden voor deze aanduiding. Het is op of in de gronden met de aanduiding ‘overige zone – cultuurhistorisch waardevol gebied’ niet mogelijk om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning buiten het bouwvlak de volgende werkzaamheden te verrichten: • afgraven, ophogen; • aanbrengen oeverbeschoeiing; • opplanten; • graven sloten, dempen sloten, dempen poelen; • verharden oppervlak. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling zullen poeltjes, tracks en zandbergen worden aangelegd. Het afgraven en ophogen van de gronden binnen de aanduiding ‘overige zone – cultuurhistorisch waardevol gebied’ zal wel plaatsvinden. Hiervoor zal na de vaststelling van onderhavig bestemmingsplan een omgevingsvergunning worden aangevraagd. De overige werkzaamheden vinden niet plaats in de beoogde situatie. Gezien het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan zal worden aan cultuurhistorische waarden of aardkundig waardevol gebied.

Pagina 31 van 50

Afbeelding 12: Uitsnede Iov, Aardrijkkundig en cultuurhistorisch waardevol gebied kaart, locatie rood omlijnd

4.4.2. Archeologie

De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d. Conform het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan Archeologie’, heeft het plangebied de waarden ‘Archeologie 3’ en waarde ‘Archeologie 4’ toegekend gekregen. In het onderhavige bestemmingsplan zijn de regels opgenomen voor gronden met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ en ‘Waarde – Archeologie 4’. In de regels van deze dubbelbestemmingen zijn grenzen opgenomen voor wanneer een archeologisch rapport overlegd dient te worden met het bevoegd gezag alvorens bodem verstorende werkzaamheden plaats mogen vinden. In de beoogde situatie zullen poeltjes, tracks en zandbergen worden aangelegd. Hiervoor zal een omgevingsvergunning worden aangevraagd nadat onderhavig bestemmingsplan is vastgesteld. Indien het noodzakelijk blijkt zal er een archeologisch rapport worden overlegd aan het bevoegd gezag alvorens de poeltjes, tracks en zandbergen worden aangelegd. 4.5.

Landschappelijke inpassing De landschappelijke inpassing van het initiatief aan Den Hoek 2 te Cromvoirt is afgestemd op de kwaliteiten en kenmerken van het ter plaatste aanwezig landschap en op de Nota Groen Verbindt. De locatie is gelegen ter plaatse van hogere dekzandgebieden. Landschappelijke kenmerken van deze locatie en de omgeving zijn het relatief open en rationeel verkavelde landschap met grote percelen en

Pagina 32 van 50

linten met laan- en singelbeplanting. Ten noorden en oosten van het plangebied is het Natuur Netwerk Brabant (NNB) gelegen. Het is gewenst om in het gebied kleine landschapselementen te plaatsen (Nota Groen). In de huidige locatie wordt het plangebied reeds landschappelijk ingepast. Aan de westzijde is een struweelsingel te vinden. Aan de oostzijde staan vele bomen die aansluiten op het NNB. Ook staan in het noorden en zuiden enkele bomen. In de beoogde situatie blijven bovengenoemde landschapselementen gehandhaafd. Langs de randen zullen enkele struweelvormers worden aangeplant. Ook zullen enkele bomen in het noorden worden bijgeplant zodat deze kleine landschapselementen aansluiten op de Nota Groen en de landschappelijke kenmerken van de omgeving. Deze elementen zorgen voor een versterking van de groene omzooming van het plangebied en zorgen dat het plangebied wordt verzacht en geheel of gedeeltelijk aan het zicht wordt onttrokken. Het zorgt ten slotte voor een versterking van het landschapsbeeld en heeft een kwaliteitsverbetering tot gevolg. De landschappelijke inpassing op schaal is bijgevoegd in bijlage 2. 4.6. Bodemkwaliteit In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen dient de aanwezige bodemkwaliteit te passen bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem.

Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Indien de bodemkwaliteit (humane) risico’s met zich mee brengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico’s zijn beheerst of weggenomen door sanering. Een historisch en verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 dient te worden uitgevoerd wanneer de bestemming en/of gebruik wordt gewijzigd én wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. Aangezien het in dit geval gaat om de bestemming op de planlocatie te wijzigen naar een ‘Agrarisch met waarden – Landschaps en natuurwaarden 2’ bestemming, met tevens een aanduiding ‘Paardenhouderij’ ter plaatse van een natuurinclusieve paardenhouderij. Het gebruik van de bestaande bedrijfswoning wijzigt hierbij niet. Er wordt derhalve geen nieuw gebruik gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. De bestaande bedrijfswoning mag namelijk al als zodanig worden gebruikt. De agrarische bedrijfsgebouwen die behouden blijven zullen worden gebruikt voor de paardenhouderij.

Dit gebruik is vergelijkbaar met het huidige gebruik als stal en dus niet gericht op het verblijf van mensen voor een periode van 2 uur of langer. Er is derhalve geen sprake van onaanvaardbare risico’s voor de huidige en toekomstige gebruikers van de bodem. Ten aanzien van het aspect bodem zijn er derhalve geen bezwaren voor de gewenste ontwikkeling. Een nader onderzoek naar de bodemgesteldheid is dan ook niet noodzakelijk. 4.7. Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: • Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; • Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie

Pagina 33 van 50

over de ruimtelijk relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en veiligheid) en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: • Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. • Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid). De planlocatie ligt in omgevingstype ‘gemengd gebied’. Dit omgevingstype wordt gekenmerkt door een matige tot sterke functiemenging. In de omgeving bevinden zich direct naast woningen andere functies zoals o.a. (niet) agrarische bedrijfsbestemmingen. Een paardenhouderij is niet opgenomen in de handreiking. Meest overeenkomende bedrijfsvorm is de categorie ‘paardenfokkerij’.

Conform de handreiking behoren deze bedrijven tot milieucategorie 3.1, waarvoor een richtafstand van 50 meter is vastgesteld, deze afstand wordt in gemengd gebied verkleind naar 30 meter. De dichtstbij liggende bouwvlak van de woonbestemming van derden (Den Hoek 3) bevindt zich op een afstand van ca. 13 meter van het bouwvlak van het bedrijf op het plangebied aan de Den Hoek 2. Dit ligt binnen de richtafstand van de ‘Bedrijven en milieuzonering’. Echter valt hier op te merken dat het dichtstbijzijnde gebouw een opslag/berging gebouw is en de stallen van de paardenhouderij op een afstand van circa 42 meter van het bouwvlak liggen. Hier wordt derhalve wel voldaan aan de richtafstanden uit de ‘Bedrijven en milieuzonering’. De dichtstbijzijnde niet-agrarische bedrijvigheid is een cultuur- en civieltechnisch bedrijf (Achterstraat 16-18), dit bedrijf is niet opgenomen in de ‘Bedrijven en milieuzonering’. Derhalve is er aansluiting gezocht bij een ‘aannemersbedrijf’, worst-case behoort een aannemersbedrijf tot milieucategorie 3.1. Conform de handreiking geldt voor een bedrijf in deze milieucategorie, liggend in gemengd gebied, een richtafstand van 30 meter. Het bedrijf ligt op circa 62 meter van de planlocatie. Er wordt dus ruimschoots voldaan aan de richtafstanden voor een verantwoorde afstand tussen de bedrijvigheid aan de Achterstaat en het plangebied aan de Den Hoek 2.

Op grond hiervan kan worden gesteld dat wordt voldaan aan de richtafstanden. 4.8. Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. Indirect heeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: 1. Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabij gelegen veehouderijen? 2. Is ter plaatse van de planlocatie een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd?

4.8.1. Omgekeerde werking

Met de beoogde ontwikkeling worden geen nieuwe geurgevoelige objecten opgericht. De bedrijfswoning is en blijft een geurgevoelig object in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij. De vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen die in gebruik worden genomen ten behoeve van de bedrijfsfunctie zijn niet bestemd voor menselijk verblijf en worden derhalve niet beschouwd als geurgevoelig.

Pagina 34 van 50

Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wgv moet de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een veehouderij, ten minste 50 meter bedragen indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom ligt. Deze afstand moeten veehouderijen in de omgeving in de bestaande situatie dus al in acht nemen en dat blijft in de beoogde situatie het geval. Daar de bedrijfswoning met het initiatief niet dichter bij veehouderijen in de omgeving wordt gesitueerd, verandert de toetsingsafstand voor die veehouderijen niet. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling met zekerheid niet zorgt voor een onevenredige belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen in de omgeving.

4.8.2. Voorgrondbelasting

Conform artikel 4.1 van Wet geurhinder en veehouderij gelden vaste afstanden voor veehouderijen waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissie is vastgesteld en een geurgevoelig object. Paarden hebben geen geuremissie conform de ministeriële regeling, derhalve wordt getoetst aan artikel 4.1. Conform artikel 4.1 van de Wet geurhinder en veehouderij dient de afstand tussen het emissiepunt van een dierenverblijf en een geurgevoelig object minimaal 50 meter te bedragen buiten de bebouwde kom. Het dichtstbijzijnde geurgevoelig object ligt op de locatie aan de Den Hoek 3. In Afbeelding 13 is te zien dat de 50 meter contourlijn rond het de woning net iets over het gebouw komt waar deels paarden worden gehuisvest aan de Den Hoek 2. In dit gedeelte van het gebouw worden geen paarden gehouden. Zoals tevens is te zien wordt enkel het zuidelijke gedeelte van het gebouw gebruikt als dierenverblijf. De deur van dit gebouw ten behoeve van de paarden is ook aan de zuidwestzijde gesitueerd. Hiermee ligt het emissiepunt buiten de gestelde afstandseis van 50 meter. Voor de volledigheid zullen de nok en de zijgevels binnen de 50 meter van de woning aan de Den hoek 3 luchtdicht worden uitgevoerd.

Zoals tevens in Afbeelding 13 te zien is, is de overkapping, waar de schuilmogelijkheid van de paarden is beoogd, tevens gelegen buiten de 50 meter contour van de omliggende woningen. Naast de minimale afstand tussen het emissiepunt van een dierenverblijf en een geurgevoelig object, is er tevens een minimale afstand vastgesteld voor de afstand tussen de gevel van een dierenverblijf en een geurgevoelig object. Binnen de bebouwde kom dient de afstand tussen de gevel van een dierenverblijf en een geurgevoelig object tenminste 50 meter te bedragen, buiten de bebouwde kom geldt een minimale afstand van 25 meter. Het dichtstbijzijnde geurgevoelig object, Den Hoek 3, ligt op een afstand van circa 40 meter van de gevel van het dierenverblijf. Uit bovenstaande blijkt dat er kan worden voldaan aan de afstandseisen uit de Wet geurhinder en veehouderij.

Pagina 35 van 50

50 meter om Den hoek 3

Den hoek 3

Paardenstal Den hoek 2

Paardenstal Overkapping/ bestaande sleufsilo Den hoek 1

50 meter om Den hoek 1

Afbeelding 13: Situatietekening met betrekking tot geur

4.8.3. Woon- en leefklimaat

Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat er ter plaatse van de planlocatie sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur. Om dit te kunnen beoordelen is in eerste instantie aangesloten bij de richtafstanden die zijn gesteld in de VNG-handreiking. De dichtstbijzijnde veehouderij ten opzichte van de planlocatie ligt aan Deutersestraat 22. Dit betreft een rundveehouderij. Hiervoor geldt op grond van de VNG-handreiking een richtafstand van 100 meter. De rundveehouderij ligt op een afstand van circa 540 meter ten opzichte van de planlocatie. De dichtstbijzijnde intensieve veehouderij ligt aan de Kruishoeveweg 3 op een afstand van 2,3 kilometer. Dit betreft een varkenshouderij. Voor dit bedrijfstype geldt een richtafstand van 200 meter. Er kan dus ruimschoots worden voldaan aan de richtafstanden ten opzichte van (intensieve) veehouderijen in de omgeving. Om het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur ter plaatse van het plangebied nader te beschouwen wordt gebruik gemaakt van de achtergrondbelastingkaart, opgesteld door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant. Als bronnenbestand is een export van het Bestand Veehouderijen Brabant genomen met als peildatum maart 2022. Daartoe kan de kaart als vrij recentelijk en accuraat worden beschouwd.

Uit Afbeelding 14 blijkt dat ter plaatse van het plangebied de kwaliteit van de leefomgeving zeer goed is, waardoor het woon- en leefklimaat aanvaardbaar zal zijn voor wat betreft het aspect geur.

Pagina 36 van 50

Afbeelding 14: Uitsnede Achtergrondbelastingkaart ODZOB

4.9. Luchtkwaliteit In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de Wet luchtkwaliteit in beeld te worden gebracht. Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). In de Wet luchtkwaliteit zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Met name de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) worden beleidsmatig relevant geacht. Er dient te worden aangetoond dat het woonen leefklimaat ten aanzien van deze stoffen ter plaatse aanvaardbaar is en als gevolg van de beoogde ontwikkeling in de omgeving aanvaardbaar blijft.

4.9.1. Niet in betekenende mate

Indien ontwikkelingen binnen de planlocatie gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht. Volgens de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 moeten de concentraties worden bepaald vanaf de grens van het terrein van de inrichting. Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe bestemming betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen als genoemd in de Regeling niet in betekende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide de 3% grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt. Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een plan niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.16, lid 1, sub c, van de Wet milieubeheer. Het Besluit NIBM legt vast wat geldt als niet in betekenende mate bijdragen.

Voor de volgende categorieën in de Regeling NIBM kan getoetst worden aan of een plan NIBM bijdraagt: ▪ Categorie woningbouwlocaties; ▪ Categorie kantoorlocaties; ▪ Combinatie van woningbouw en kantoren; ▪ Categorie inrichtingen. Er is dus geen relevantie als aannemelijk kan worden gemaakt, dat de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM.

Pagina 37 van 50

Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO 2 en PM10. Voor de beoogde paardenhouderij dient bepaalt te worden of de eventuele toename in het aantal verkeersbewegingen van en naar de inrichting invloed hebben op de luchtkwaliteit in de omgeving. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft hier in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil een specifieke rekentool voor ontwikkeld. Met die tool kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of de verkeersaantrekkende werking van een functie ‘Niet In Betekenende Mate’ bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Om de verkeersaantrekkende werking van de beoogde bedrijfsopzet te bepalen kan worden aangesloten bij de CROW. Voor een bedrijf in de categorie ‘paardenhouderij’, dat ligt in het buitengebied, wordt een verkeersgeneratie van 4 voertuigen per paard per dag voorgeschreven. Dit resulteert in een worst-case scenario in een weekdaggemiddelde van 396 verkeersbewegingen van en naar de inrichting. Binnen de beoogde ontwikkeling zullen namelijk nooit meer dan 100 paarden en/of pony’s worden gehouden, zoals al eerder is beschreven. Er wordt derhalve rekening gehouden met een worst-case van 99 paarden/dierplaatsen. Er wordt uit gegaan van een aandeel van 10% vrachtverkeer.

Er valt hierbij echter op te merken dat de verkeersbewegingen, met name de lichte vervoersbewegingen, in de werkelijkheid vele malen lager zullen liggen. Dit komt ten eerste omdat er is gerekend met een worst-case aantal dierplaatsen. Ten tweede komt dit door dat de klanten welke naar de natuurinclusieve paardenhouderij komen, één keer naar de locatie toe komen en één keer weg zullen rijden. Dit resulteert in 2 vervoersbewegingen per dierplaats. Hierbij dient tevens rekening gehouden te worden met het feit dat de klanten niet iedere dag naar hun paard komen, slechts gemiddeld 3 keer per week. Dit resulteert in een veel lager werkelijk aantal vervoersbewegingen. De Den Hoek en de Achterstraat hebben voldoende capaciteit om het aantal lichte en zware vervoersbewegingen welke ontstaan door de beoogde ontwikkeling af te wikkelen. Uit de berekening met de NIBM-tool blijkt dat bij een toename met dit aantal de bijdrage aan de fijnstofconcentratie nog NIBM is. Bovendien vinden er in de bestaande situatie ook al verkeersbewegingen van en naar de inrichting plaats. De beoogde ontwikkeling heeft dus met zekerheid geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving.

De beoogde ontwikkeling heeft dus met zekerheid geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving. Er kan worden geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het initiatief.

4.9.2. Woon- en leefklimaat

Op grond van de Wet luchtkwaliteit zijn grenswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3. Vanaf 1 januari 2015 geldt daarnaast een grenswaarde voor PM 2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde is opgenomen in de Wet milieubeheer en bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Voor de kortdurende

Pagina 38 van 50

blootstelling van de mens aan piekconcentraties van NO 2 geldt een grenswaarde van 200 μg/m3 voor het uurgemiddelde van NO2. Indien aan deze grenswaarden wordt voldaan, mag worden aangenomen dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit aanvaardbaar is. Het RIVM heeft Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland waarop de achtergrondconcentratie van fijnstof PM10, PM2,5 en NO2 ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat geraadpleegd kan worden. De jaargemiddelde fijnstofconcentratie binnen de planlocatie is conform de GCN-kaart voor fijnstof PM10 14,71 μg/m3, voor PM2,5 8,172 μg/m3 en voor NO2 X μg/m3, zie Afbeelding 15, Afbeelding 16 en Afbeelding 17.

Afbeelding 15: GCN en GDN kaart, fijnstof (PM10), locatie met rode stip aangegeven

Pagina 39 van 50

Afbeelding 16: GCN en GDN kaart, fijnstof (PM2,5), locatie met rode stip aangegeven

Afbeelding 17: GCN en GDN kaart, fijnstof (NO2), locatie met rode stip aangegeven

Ten aanzien van de luchtkwaliteit zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

Pagina 40 van 50

4.10. Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) vormt sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. In de Wgh is bepaald dat voor locaties in een bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting dient te worden onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. In de omgeving van de planlocatie liggen geen spoorwegen of industrieterreinen. De planlocatie ligt wel binnen het geluidszone van enkel de straat de Den hoek. Met de beoogde ontwikkeling wordt echter geen nieuw geluidsgevoelig object opgericht. De bedrijfswoning betreft een reeds bestaand geluidsgevoelig object in het kader van de Wgh. Dit verandert met de beoogde ontwikkeling niet. Er hoeft derhalve geen onderzoek te worden gedaan naar de geluidsinvloed van industrieterreinen in de omgeving of omliggende wegen en spoorlijnen op geluidsgevoelige objecten binnen de planlocatie. Er kan worden geconcludeerd dat er voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.11.

Verkeer en parkeren Binnen de planlocatie dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor.

Pagina 41 van 50

De planlocatie ligt aan de Den Hoek. Een verharde, doodlopende weg die enkel wordt gebruikt door bestemmingsverkeer. De weg wordt ontsloten door de Achterstraat. Deze ontsluitingsroutes beschikken over voldoende capaciteit om verkeersbewegingen met voornamelijk lichte motorvoertuigen af te wikkelen. Er zullen de beoogde situatie namelijk voornamelijk personenvervoersmiddelen van en naar de inrichting bewegen. Tevens zullen er wel enkele zware vervoersbewegingen plaatsvinden ten behoeve van de paardenhouderij. Ten opzichte van de bestaande situatie zullen de vervoersbewegingen wel toenemen, met name in de lichte vervoersbewegingen. Om de verkeersaantrekkende werking van de beoogde bedrijfsopzet te bepalen kan worden aangesloten bij de CROW. Voor een bedrijf in de categorie ‘paardenhouderij’, dat ligt in het buitengebied, wordt een verkeersgeneratie van 4 voertuigen per paard per dag voorgeschreven. Dit resulteert in een worst-case scenario in een weekdaggemiddelde van 396 verkeersbewegingen van en naar de inrichting. Binnen de beoogde ontwikkeling zullen namelijk nooit meer dan 100 paarden en/of pony’s worden gehouden, zoals al eerder is beschreven. Er wordt derhalve rekening gehouden met een worst-case van 99 paarden/dierplaatsen. Er wordt uit gegaan van een aandeel van 10% vrachtverkeer.

Er valt hierbij echter op te merken dat de verkeersbewegingen, met name de lichte vervoersbewegingen, in de werkelijkheid vele malen lager zullen liggen. Dit komt ten eerste omdat er is gerekend met een worst-case aantal dierplaatsen. Ten tweede komt dit door dat de klanten welke naar de natuurinclusieve paardenhouderij komen, één keer naar de locatie toe komen en één keer weg zullen rijden. Dit resulteert in 2 vervoersbewegingen per dierplaats. Hierbij dient tevens rekening gehouden te worden met het feit dat de klanten niet iedere dag naar hun paard komen, slechts gemiddeld 3 keer per week. Dit resulteert in een veel lager werkelijk aantal vervoersbewegingen. De Den Hoek en de Achterstraat hebben voldoende capaciteit om het aantal lichte en zware vervoersbewegingen welke ontstaan door de beoogde ontwikkeling af te wikkelen. Conform het ‘Parapluplan Parkeren’, d.d. 06-06-2018, van de gemeente Vught dient er voldoende parkeergelegenheid te worden gerealiseerd. Aangezien hier geen exacte aantallen worden genoemd, wordt er aansluiting gezocht bij de CROW om voldoende parkeergelegenheid te kunnen realiseren. In de CROW zijn voor uiteenlopende functies parkeernormen opgenomen. Voor een bedrijf in de categorie ‘Paardenhouderij’ dat ligt in het buitengebied geldt een parkeernorm minimaal 0,3 parkeerplaats per paard(enbox).

Binnen de beoogde ontwikkeling zullen nooit meer dan 100 paarden en/of pony’s worden gehouden, zoals al eerder is beschreven. Er wordt derhalve rekening gehouden met een worst-case van 99 paarden/dierplaatsen. Dit betekent dat ten behoeve van deze functie voorzien moet worden in 30 parkeerplaatsen. Conform het ‘Parapluplan Parkeren’, d.d. 06-06-2018, van de gemeente Vught dienen deze parkeerplaatsen gerealiseerd te worden binnen de planlocatie. Op de landschappelijke inpassing is te zien dat parkeerplaatsen binnen de planlocatie zullen worden gerealiseerd. De beoogde ontwikkeling vormt dus geen belemmering voor wat betreft de aspecten verkeer en parkeren. 4.12. Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute.

4.12.1. Regelgeving

De regelgeving rondom externe veiligheid is opgenomen in diverse besluiten en regelingen. Besluiten en regelingen, waarin de aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd, zijn: ▪ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) ▪ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) ▪ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt)

Pagina 42 van 50

De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De externe veiligheidsrisico’s worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) binnen het invloedsgebied. In onderstaand kader worden deze risico’s nader uitgelegd. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een bepaalde horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door te stellen dat een (fictief) persoon zich 24 uur per dag gedurende een heel jaar onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt. De plaatsgebonden risicocontour is een contour waarbij alle punten met een gelijk risico met elkaar verbonden worden. Deze punten worden bepaald door de kans van optreden van diverse ongeval scenario’s. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is 10-6 per jaar en geldt voor nieuwe situaties.

Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten worden toegevoegd en ook nieuwe beperkt kwetsbare objecten, zijn in beginsel niet toegestaan. Als het plaatsgebonden risico 10-8 per jaar is, wordt het als verwaarloosbaar beschouwd. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico wordt behalve de ongevalfrequentie en het aantal transporten van gevaarlijke stoffen, tevens bepaald door de hoeveelheid aanwezige mensen in de nabijheid van een mogelijk ongeval. Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de hoeveelheid aanwezige mensen. Naarmate de groep slachtoffers groter wordt, moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn. Bij het bepalen van het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde, hiervoor zijn geen vaste contouren beschikbaar. Invloedsgebied Gebied aan weerszijden van een weg, spoorweg of binnenwater waar ten hoogste 1% van de in dat gebied aanwezige personen kan overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval op die weg, spoorweg of binnenwater waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor wat betreft risicobedrijven is het invloedsgebied het gebied, dat in het Reglement externe veiligheid inrichtingen is bepaald, waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico.

4.12.2. Toetsing aan beleid

Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken. Toetsing aan het beleid begint met de inventarisatie van de omgeving van de planlocatie. Dit is inzichtelijk gemaakt middels onderstaande uitsnede van de Risicokaart Nederland, zie Afbeelding 18.

Pagina 43 van 50

Afbeelding 18: Uitsnede Risicokaart, locatie blauw omlijnd

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Gezien de aard van de voorgenomen activiteiten, het wijzigen van de bestemming op de planlocatie is het Bevi niet van toepassing. De werkzaamheden omvatten niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Uit de risicokaart blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten aanwezig zijn op of nabij de planlocatie. Er ontstaan daardoor geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen op de planlocatie. Het plan voorziet wel in de realisatie van nieuwe beperkt kwetsbare objecten. Aangezien de planlocatie niet binnen een risicoaanduiding of binnen veiligheidsafstanden ligt zijn geen risico’s aanwezig voor de voorgenomen ontwikkelingen. Daarom kan worden geconcludeerd dat er voor dit plan geen belemmeringen zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De ontwikkeling ligt buiten de invloedsfeer van zowel het spoortraject als de Rijksweg. Derhalve is verdere beoordeling aan het Bevt niet van toepassing. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) In het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Vught 2022’ is in de nabijheid een dubbelbestemming ‘Leiding – Brandstof’ opgenomen. De voorgenomen ontwikkelingen liggen deels binnen deze dubbelbestemming. Echter hebben de voorgenomen ontwikkelingen geen invloed op het bepaalde in de bijbehorende regels.

De ontwikkeling heeft derhalve geen invloed op de Bevb. Daarom is verdere beoordeling aan het Bevb niet van toepassing. Voor de volledigheid wordt er wel contact opgenomen met de leidingbeheerder met betrekking tot de beoogde ontwikkeling. Tevens worden de regels uit het vigerende bestemmingsplan met betrekking tot de buisleiding overgenomen in onderhavig plan.

Conclusie

Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er geen belemmeringen zullen zijn in het kader van externe veiligheid.

Pagina 44 van 50

4.13. Technische infrastructuur In of nabij de planlocatie ligt een planologisch relevante brandstof-buisleiding, echter wordt er op of nabij deze leiding geen gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde geplaatst. Er lopen geen relevante straalpaden (zoals te zien op de risicokaart in Afbeelding 18). Voordat de overkapping over de sleufsilo gebouwd wordt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen van de planlocatie in beeld te brengen. 4.14. Volksgezondheid Gezondheidsrisico’s zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Bij blootstelling wordt er gekeken hoeveel ziekteverwerkers een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt. Er zijn al diverse onderzoeken uitgevoerd naar de mogelijke relatie tussen (intensieve) veehouderij en volksgezondheid. De laatste onderzoeken dateren van 16 juni 2017 en 1 september 2018 en zijn vervolgonderzoeken op het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO), dat op 7 juli 2016 is gepubliceerd.

In dit onderzoek is endotoxine in de (fijn)stof emissie uit intensieve veehouderijen een relevante component gebleken voor luchtwegklachten. Gezondheidseffecten worden veroorzaakt door de combinatie van emissies van fijnstof, aan stofdeeltjes gebonden endotoxine en ammoniaksecundair fijnstof uit de veehouderijen. Endotoxine wordt gezien als een goede indicator voor blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Derhalve wordt een maximale endotoxinewaarde van 30 EU/m3 geadviseerd. Uit de vervolgonderzoeken is o.a. gebleken dat de concentratie endotoxinen in de lucht toeneemt naarmate de afstand tot een veehouderij kleiner wordt of de dichtheid toeneemt. In paragraaf 4.9 is reeds uiteen gezet dat de dichtstbijzijnde veehouderij ten opzichte van de planlocatie ligt aan de Deutersestraat 22 op een afstand van circa 540 meter. Dit betreft een rundveehouderij. Voor rundveehouderijen geldt dat de effecten op de volksgezondheid naar de omgeving zeer beperkt zijn vanwege de beperkte emissies van met name fijnstof. Bovendien moet iedere veehouderij voldoen aan wet- en regelgeving voor diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aan- en afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc.

Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning dus niet verleend worden. Er mag vanuit worden gegaan dat de grenswaarden die in de wet zijn opgenomen de volksgezondheid in voldoende mate beschermen. Gezien de grote afstand van de planlocatie tot veehouderijen in de omgeving, kan dus worden geconcludeerd dat er vanuit het aspect volksgezondheid geen onevenredige nadelige effecten zullen optreden binnen de planlocatie.

Pagina 45 van 50

5. Juridische planbeschrijving In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de juridische regeling van dit bestemmingsplan. 5.1. Juridische achtergrond De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten bestemmingsplannen op te stellen. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan (ook: wijzigingsplan) in ieder geval moet bestaan. Het gaat om een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast biedt zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet worden gedacht aan de toepassing van afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. Het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen betreffende de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels evenals de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan. Bij bestemmingsplannen gaat het om de belangen van burgers en bedrijven.

Zij dienen zich snel en op eenvoudige wijze een juist beeld te kunnen vormen van de planologische mogelijkheden en beperkingen op één of meerdere locatie(s). Daarnaast is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen van belang voor degenen die deze plannen in grotere samenhang wensen te bezien. Hierbij kan gedacht worden aan degenen die betrokken zijn bij de planvoorbereiding, de planbeoordeling en het monitoren van beleid. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zo ook voor de regels. Voor bestemmingsplannen, zoals dit plan, is het verplicht de regels van de SVBP te volgen. 5.2. Toelichting verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd.

Op de verbeelding zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen: • Enkelbestemming: Agrarisch met waarden – Landschaps- en Natuurwaarden 2; • Enkelbestemming: Groen; • Enkelbestemming: Natuur; • Dubbelbestemming: Leiding – Brandstof; • Dubbelbestemming: Waarde – Archeologie 3; • Dubbelbestemming: Waarde – Archeologie 4; • Figuur: hartlijn leiding – brandstof; • Bouwvlak; • Maatvoering: maximum bebouwd oppervlak: 1.375 m2; • Bouwaanduiding: specifieke bouwaanduiding – bestaande bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan; • Functieaanduiding: paardenhouderij • Gebiedsaanduiding: overige zone – Natuur Netwerk Brabant; • Gebiedsaanduiding: overige zone – attentiezone waterhuishouding; • Gebiedsaanduiding: overige zone – cultuurhistorisch vlak; • Gebiedsaanduiding: overige zone – enkeer gronden; • Gebiedsaanduiding: overige zone – groenblauwe mantel; • Gebiedsaanduiding: overige zone – stalderingsgebied. Voor de benaming van de bestemmingen en aanduidingen is aangesloten bij het moederplan bestemmingsplan ‘Buitengebied Vught 2022’ en ‘Paraplubestemmingsplan Archeologie’. Voor het overige wordt aangesloten bij het SVBP.

Pagina 46 van 50

5.3. Toelichting regels De regels behorende bij dit bestemmingsplan bestaan uit inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. De regels bij dit bestemmingsplan worden gewijzigd ten opzichte van het geldende bestemmingsplan. Echter waar het mogelijk is wordt aangesloten bij de regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Vught 2022’. De regels hebben betrekking op de in de verbeelding opgenomen bestemmingen en aanduidingen. Ter borging van de aanleg en instandhouding van het landschappelijk inpassingsplan zijn de enkelbestemmingen ‘Groen’ en ‘Natuur’ binnen het plangebied toegepast met een voorwaardelijke verplichting. Hiervan kan alleen worden afgeweken mits er voldaan blijft worden aan het regionale afsprakenkader voor kwaliteitsverbetering van het landschap.

Pagina 47 van 50

6. Uitvoerbaarheid In dit hoofdstuk wordt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan uiteengezet. 6.1. Financiële uitvoerbaarheid De voorgestane ontwikkeling aan de Den Hoek 2 te Cromvoirt betreft een particulier initiatief. De met de ontwikkeling gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de desbetreffende particuliere initiatiefnemer. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. Dit plan heeft geen financiële consequenties voor de gemeente. Dit kan worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst, waarbij de eventuele planschade voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond. 6.2. Maatschappelijke uitvoerbaarheid De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel aan te tonen dat het plan maatschappelijk draagvlak heeft. In dat kader is de gelegenheid tot inspraak geboden, dit wordt gedaan in de vorm van publicatie van het (voor)ontwerpbestemmingsplan. Ook gaat er vooroverleg plaatsvinden met de daartoe aangewezen instanties en er heeft een omgevingsdialoog plaats gevonden.

6.2.1. Vooroverleg en omgevingsdialoog

In het kader van artikel 3.1.1 Bro gaat een overleg gevoerd over het voorontwerp bestemmingsplan met de gebruikelijke overlegpartners, Waterschap De Dommel en provincie Noord-Brabant. Naar aanleiding van dit overleg worden eventuele opmerkingen verwerkt in het bestemmingsplan. Naast het overleg met de gebruikelijke partners, is tevens een omgevingsdialoog gevoerd met de omwonende van de paardenhouderij. De reacties op de dialoog zijn bijgevoegd in het verslag omgevingsdialoog in bijlage 5.

6.2.2. Zienswijzen en beroep

De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening. Het ontwerp wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. De eventueel ingebrachte zienswijzen worden behandeld in de zienswijzenota. De eventuele wijzigingen t.o.v. het ontwerp zullen hierin worden verwoord. Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden beroep instellen tegen het vaststellingsbesluit bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens kan er beroep worden ingesteld tegen de eventueel gewijzigde onderdelen. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking. Gezien een ieder de mogelijkheid heeft om te reageren op het bestemmingsplan door het kenbaar maken van beroepschrift, wordt na afloop van de hierboven beschreven procedure het plan als maatschappelijk uitvoerbaar beschouwd.

Pagina 48 van 50

7. Bijlagen Bijlage 1: Mailcontact Bijlage 2: Landschappelijke inpassing Bijlage 3: Invoergegevens AERIUS Bijlage 4: AERIUS-verschilberekening Bijlage 5: Verslag omgevingsdialoog Bijlage 6: AERIUS-berekening bouwfase Bijlage 7: MER-beoordelingsnotitie

Pagina 49 van 50

Pagina 50 van 50

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vught&id=9a051d90-85b8-4aad-9585-c0b46fac2e33