Bijlage - Ontwerpbestemmingsplan - Toelichting
Tekst van het document
Toelichting Bestemmingsplan
Den Hoek 2 te Cromvoirt
Colofon
Gemeente:
Vught
Projectlocatie:
Den Hoek 2, 5266 AS te Cromvoirt
Datum:
30-08-2022 / 05-12-2023
Status:
Ontwerp
IMRO-Code:
NL.IMRO.0865.crvBPDenHoek2-ON01
Opgesteld door:
Van Dun Ontwerp & Planologie Raadhuisstraat 32 5126 CJ Gilze T. 013 519 94 58 Postel 8 5711 ET Someren T. 0493 745 015 E. info@ontwerp-planologie.nl I. www.ontwerp-planologie.nl
Projectnummer:
21258.003 / EH
Pagina 2 van 50
Inhoudsopgave 1. Inleiding ........................................................................................................... 5 1.1.
Aanleiding en doel ........................................................................................... 5
1.2.
Geldend planologisch regime ............................................................................ 5
1.3.
Procedure ....................................................................................................... 7
1.4.
Leeswijzer ....................................................................................................... 7
2. Planbeschrijving............................................................................................... 8 2.1.
Bestaande situatie............................................................................................ 8
2.2.
Beoogde situatie .............................................................................................. 9
3. Beleidskader................................................................................................... 12 3.1.
Provinciaal beleid ............................................................................................ 12
3.1.1. 3.1.2. 3.2.
Omgevingsvisie Noord-Brabant .................................................................. 12 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant ........................................... 12
Gemeentelijk beleid......................................................................................... 18
3.2.1. 3.2.2. 3.2.3.
Structuurvisie ........................................................................................... 18 Bestemmingsplan ..................................................................................... 19 Principebesluit .......................................................................................... 21
4. Milieuhygiënische en planologische aspecten ................................................ 23 4.1.
Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling ...................................... 23
4.2.
Waterhuishouding ........................................................................................... 23
4.2.1. 4.2.2. 4.2.3. 4.3.
Natuur ........................................................................................................... 26
4.3.1. 4.3.2. 4.4.
Waterrelevant beleid................................................................................. 23 Bestaande waterhuishoudkundige situatie .................................................. 25 Beoogde waterhuishoudkundige situatie ..................................................... 25 Natuurnetwerk Nederland (NNN) ............................................................... 26 Wet natuurbescherming ............................................................................ 27
Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie......................................................... 31
4.4.1. 4.4.2.
Cultuurhistorie en aardkunde..................................................................... 31 Archeologie .............................................................................................. 32
4.5.
Landschappelijke inpassing .............................................................................. 32
4.6.
Bodemkwaliteit ............................................................................................... 33
4.7.
Bedrijven en milieuzonering ............................................................................. 33
4.8.
Geur .............................................................................................................. 34
4.8.1. 4.8.2. 4.8.3. 4.9.
Omgekeerde werking ................................................................................ 34 Voorgrondbelasting .................................................................................. 35 Woon- en leefklimaat ................................................................................ 36
Luchtkwaliteit ................................................................................................. 37
4.9.1. 4.9.2.
Niet in betekenende mate ......................................................................... 37 Woon- en leefklimaat ................................................................................ 38 Pagina 3 van 50
4.10.
Geluid ......................................................................................................... 41
4.11.
Verkeer en parkeren .................................................................................... 41
4.12.
Externe veiligheid ........................................................................................ 42
4.12.1. 4.12.2.
Regelgeving ............................................................................................. 42 Toetsing aan beleid .................................................................................. 43
4.13.
Technische infrastructuur ............................................................................. 45
4.14.
Volksgezondheid .......................................................................................... 45
5. Juridische planbeschrijving ............................................................................ 46 5.1.
Juridische achtergrond .................................................................................... 46
5.2.
Toelichting verbeelding.................................................................................... 46
5.3.
Toelichting regels............................................................................................ 47
6. Uitvoerbaarheid ............................................................................................. 48 6.1.
Financiële uitvoerbaarheid ............................................................................... 48
6.2.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid ..................................................................... 48
6.2.1. 6.2.2.
Vooroverleg en omgevingsdialoog .............................................................. 48 Zienswijzen en beroep .............................................................................. 48
7. Bijlagen .......................................................................................................... 49
Pagina 4 van 50
1. Inleiding In dit hoofdstuk komen de aanleiding en het doel, de ligging van de planlocatie, het geldend planologisch regime en de procedure aan bod. Daarnaast is in dit hoofdstuk een leeswijzer opgenomen. 1.1. Aanleiding en doel Aan Den Hoek 2 te Cromvoirt exploiteert de aanvrager een paardenhouderij, op een natuurinclusieve wijze. Op de locatie is een natuurinclusieve paardenhouderij aanwezig sinds 2008, na het beëindigen van de intensieve veehouderij. Deze paardenhouderij is juridisch-planologisch niet geborgd. In 2012 en 2022 heeft er een herziening van het bestemmingsplan buitengebied plaatsgevonden. In deze herziening was het mogelijk om de wijziging van de bestemming van intensieve veehouderij naar paardenhouderij mee te nemen. Hiervoor moesten diverse documenten overgelegd worden. Deze zijn niet overgelegd. Dit heeft als gevolg dat het huidige gebruik op dit moment in strijd is met het bestemmingsplan. Om de strijdigheid op te heffen is mailcontact geweest tussen initiatiefnemer en de gemeente om de locatie te herbestemmen zodat een natuurinclusieve paardenhouderij alsnog is toegestaan. In bijgevoegd mailcontact (zie bijlage 1) is aangegeven dat de gemeente mee zou willen werken aan de wijziging van het plangebied naar een passende bestemming.
De passende bestemming voor de locatie is een ‘Agrarisch met waarden – Landschaps en natuurwaarden 2’ bestemming, met ter plaatse van de aanduiding ‘Paardenhouderij’ tevens een paardenhouderij. Met de bestemmingswijziging kan het pension juridisch-planologisch geborgd worden. Na het wijzigen van de bestemming is het tevens mogelijk om het bedrijf milieukundig te legaliseren. Er rust namelijk ook nog een milieutoestemming voor een intensieve veehouderij op deze locatie. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. 1.2. Geldend planologisch regime Het plangebied aan de Den Hoek 2 te Cromvoirt is gelegen binnen het bestemmingsplan ‘Buitengebied Vught 2022’ van de gemeente Vught. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 21 juli 2022 door de gemeenteraad.
Conform het vigerende bestemmingsplan heeft de locatie aan de Den Hoek 2 de volgende bestemmingen en aanduidingen toegekend gekregen, zie Afbeelding 1: • Enkelbestemming: Agrarisch met waarden – Landschaps- en Natuurwaarden 2; • Enkelbestemming: Natuur; • Dubbelbestemming: Leiding – Brandstof; • Figuur: hartlijn leiding – brandstof; • Bouwvlak; • Functieaanduiding: intensieve veehouderij; • Gebiedsaanduiding: overige zone – cultuurhistorisch vlak; • Gebiedsaanduiding: overige zone – groenblauwe mantel; • Gebiedsaanduiding: overige zone – stalderingsgebied; • Gebiedsaanduiding: overige zone – attentiezone waterhuishouding; • Gebiedsaanduiding: overige zone – Natuur Netwerk Brabant.
Pagina 5 van 50
Afbeelding 1: Uitsnede Ruimtelijke Plannen, Buitengebied Vught 2022, locatie rood omlijnd
Als laatste is voor de locatie aan de Den Hoek 2 te Cromvoirt het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan Archeologie’ van toepassing, dit bestemmingsplan is vastgesteld op 06-042023. Conform het bestemmingsplan heeft de locatie de volgende bestemmingen en aanduidingen toegekend gekregen, zie Afbeelding 2: • Dubbelbestemming: Waarde – Archeologie 4; • Dubbelbestemming: Waarde – Archeologie 3; • Gebiedsaanduiding: overige zone – enkeergronden.
Afbeelding 2: Uitsnede ruimtelijke plannen, Archeologie bestemmingsplan, locatie rood omlijnd
Pagina 6 van 50
Binnen de geldende bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied is het niet mogelijk om een natuur inclusieve paardenhouderij te exploiteren. Derhalve wordt een herziening van het bestemmingsplan aangevraagd om de paardenhouderij, welke al sinds 2008 aanwezig is, te legaliseren. 1.3. Procedure Voor het beoogde initiatief dient een bestemmingsplan te worden vastgesteld, conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het plan doorloopt als volgt de procedure. Allereerst wordt er een voorontwerpbestemmingsplan opgesteld waarin onderbouwd wordt dat het initiatief voldoet aan het gemeentelijk en provinciaal beleid en aan alle relevante milieu- en ruimtelijke ordeningsaspecten. In deze fase wordt overleg gevoerd met de gebruikelijke overlegpartners zoals gemeente, provincie en waterschap. Eventuele opmerkingen worden verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Volgens artikel 3.8 Wro is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Dit houdt in dat het ontwerpbestemmingsplan gedurende 6 weken voor iedereen ter inzage wordt gelegd. Tijdens deze periode van 6 weken kan een ieder zienswijzen kenbaar maken. Binnen 12 weken nadat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen, moet de gemeente beslissen over de vaststelling van het bestemmingsplan. Hierbij worden eventuele zienswijzen in acht genomen.
Nadat het bestemmingsplan is vastgesteld, wordt het opnieuw 6 weken ter inzage gelegd. Binnen deze 6 weken kan een ieder die tijdig een zienswijze kenbaar heeft gemaakt bij het ontwerp en belanghebbenden beroep indienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als er geen beroep wordt ingesteld, dan is het bestemmingsplan daags na afloop van de beroepsperiode onherroepelijk. Zodra het bestemmingsplan in werking is getreden kunnen de benodigde omgevingsvergunningen voor het beoogde initiatief worden aangevraagd. 1.4. Leeswijzer In deze toelichting zijn in het eerste hoofdstuk een inleiding op het initiatief gegeven, waarin de aanleiding, het doel, het geldend planologische regime en de te doorlopen procedure zijn beschreven. In hoofdstuk 2 worden de bestaande en beoogde situatie omschreven. Het van toepassing zijnde provinciaal en gemeentelijk beleid wordt uiteengezet in hoofdstuk 3. Hierna worden in hoofdstuk 4 de milieu-hygiënische en planologische aspecten beschreven. De juridische achtergrond van het bestemmingsplan, een toelichting op de verbeelding en een toelichting op de regels wordt gegeven in hoofdstuk 5. De financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het initiatief wordt verantwoord in hoofdstuk 6.
Pagina 7 van 50
2. Planbeschrijving In dit hoofdstuk worden de bestaande en beoogde situatie beschreven. Hierin komt naar voren welke veranderingen er plaatsvinden binnen de planlocatie. 2.1. Bestaande situatie Het plangebied betreft de percelen waar de paardenhouderij en het woonhuis op is gelegen met bijbehorende weilanden. Deze kadastrale percelen staan bekend als gemeente Vught, sectie H en nummers 2157, 2158, 1768, 1801 en 1802. Deze hebben gezamenlijk een oppervlakte van 94.360 m 2. De locatie ligt in het buitengebied van de gemeente Vught. Het plangebied is gelegen aan de rand van de kern van Cromvoirt, dit ligt op een afstand van circa 0,3 km ten zuidwesten van de locatie aan de Den Hoek 2. Even ten oosten is natuurgebied ‘Vughtse Heide’ gelegen. De ligging van de locatie is duidelijk weergegeven in Afbeelding 3. Verder is het plangebied omringd door landbouwgronden, weilanden, (agrarische) bedrijven en enkele burgerwoningen. Op de locatie aan de Den Hoek 2 is momenteel een ‘intensieve veehouderij’ aanduiding gelegen, reeds is tevens er een vergunning voor het houden van 170 vleesstieren geldend op de locatie. Er kan derhalve momenteel een intensieve veehouderij worden geëxploiteerd op de locatie.
Afbeelding 3: Uitsnede KadastraleKaart, ligging plangebied in de omgeving, locatie blauw gearceerd
In Afbeelding 4 is het plangebied weergegeven. Op het perceel zijn enkele paddocks (nummer 1), een buitenrijbak (nummer 2) en een longeercirkel (nummer 8) aanwezig. Naast deze voorzieningen zijn er tevens een aantal gebouwen aanwezig: • Gebouw nummer 3 dient als paardenstal (467 m2) • Gebouw nummer 4 dient gedeeltelijk als paardenstal, overkapping, schuur en garage (481 m 2) • Gebouw nummer 5 dient als machineberging (165 m2) • Gebouw nummer 7 is het woonhuis (243 m2) Naast het bovenstaande is er tevens een sleufsilo aanwezig, dit is een bouwwerk, geen gebouw zijnde. Hier vindt momenteel opslag plaats van hooi en stro. Deze heeft een oppervlakte van 550 m2. In het totaal is er derhalve 1.375 m2 aan bebouwing aanwezig op de locatie en een sleufsilo (bouwwerk, geen gebouw zijnde) van 550 m2 . De bestaande situatie is in beeld gebracht in Afbeelding 4.
Pagina 8 van 50
Naast het aanwezige bouwvlak, met in totaal circa 1.375 m2 bebouwing en een sleufsilo met een oppervlakte van 550 m2, is tevens 6 hectare weiland aanwezig aan de achterzijde van de inrichting, waar de paarden kunnen grazen. De weilanden zijn rood omlijnd in Afbeelding 4. In totaal worden er op de locatie 27 paarden en 19 pony’s gehouden.
5
3
4 v
7 v
6 2
8 1
Afbeelding 4: Uitsnede GoogleMaps, plangebied aan de Den Hoek 2
2.2. Beoogde situatie Het voornemen van de aanvrager is om de 6 ha weiland welke bij de locatie horen in te richten als een natuurlandschap waar paarden vrij kunnen rondlopen. De bestaande bebouwing zal hierbij als een schuilstal worden gebruikt en de paarden kunnen zelf bepalen waar ze gaan en staan. Deze manier van paarden houden bootst een zo natuurlijk mogelijke manier van houden van paarden na. Dit is een essentieel aspect in het kader van het welzijn van de dieren. Het zorgt er namelijk ten eerste voor dat de paarden niet meer afhankelijk zijn van mensen in hun eigen behoefte, de paarden kunnen zelf bepalen wat zij fijn vinden op dat moment. Daarnaast zorgt meer sociaal contact onderling en meer beweging voor minder kans op het ontwikkelen van stress gerelateerde aandoeningen en/of de kans op blessures wordt aanzienlijk verkleind. In de beoogde situatie is het de bedoeling dat de paarden zelf op zoek gaan naar hun voedsel en water en hiervoor grotere afstanden moeten afleggen, net zoals ze dit in de natuur ook zouden moeten doen. Tevens komt de beweging ten goede van de fysieke gezondheid van het paard. Zoals te zien is in Afbeelding 5 zullen er verschillende drinkpoelen en voederplaatsen aanwezig zijn, hierdoor zal het paard zich verplaatsen van het ene punt naar het andere punt via de speciaal aangelegde tracks.
Deze tracks hebben verschillende obstakels, heuvels en zandbergen zodat de paarden worden uitgedaagd tijdens het verplaatsen. Dit komt de fysieke en mentale gezondheid van het paard ten goede. De vraag naar het op deze manier houden van paarden wordt steeds groter in de huidige maatschappij.
Pagina 9 van 50
Binnen de track worden twee weides aangelegd, hier kunnen de paarden op staan wanneer de grond zich hiernaar leent. Tevens zullen deze weides worden gebruikt ten behoeve van voederwinning voor de paarden. Voor een duidelijk overzicht van de beoogde situatie op schaal wordt verwezen naar bijlage 2. De landschappelijke inpassing zal naast het bovenstaande tevens een positieve bijdrage leveren aan de biodiversiteit ter plaatse van het plangebied. Als laatste zal het bestaande bouwwerk, geen gebouw zijnde, welke dient als sleufsilo worden overkapt in de beoogde ontwikkeling. Met deze ontwikkeling zal geen extra bebouwing en of verharding worden gerealiseerd aangezien het gaat om een bestaande sleufsilo, welke ten westen van de bestaande gebouwen is gelegen. Onder het begrip ‘bebouwing’ valt namelijk conform het vigerende bestemmingsplan het volgende: ‘één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde’ . Gekeken naar de bestaande sleufsilo welke overkapt wordt, is er derhalve geen sprake van een toename in bebouwing. De sleufsilo heeft een oppervlakte van circa 550 m2. De overkapping zal worden gebruikt als schuilmogelijkheid en als hooi en stro opslag. Deze overkapping is noodzakelijk als schuilmogelijkheid in verband met het dierenwelzijn op het bedrijf.
Het aspect dierwelzijn is noodzakelijk voor de paardenhouderij wil het bedrijf een toekomstgericht plan kunnen maken en kunnen blijven bestaan. Het aspect dierwelzijn is namelijk een actueel onderwerp. De extra schuilmogelijkheid is een must voor de beoogde ontwikkeling. De extra schuilmogelijkheid zorgt er namelijk voor dat alle dieren, als ze willen, droog, uit de wind en uit de volle zon kunnen staan, zonder dat zij afhankelijk zijn van mensen. Naast het bovenstaande zorgt de overkapping voor een positief effect gekeken naar het woon- en leefklimaat omtrent geur ten behoeve van de omwonenden. De sleufsilo is namelijk reeds enkel in gebruik voor het opslaan van hooi, echter zorgt het overkappen van de sleufsilo er voor dat de dierverblijven (schuilmogelijkheden voor de paarden) allen kunnen worden gerealiseerd buiten 50 meter van de omliggende woningen. De gebouwen welke momenteel aanwezig zijn, zijn namelijk niet allen buiten 50 meter van de omliggende woningen gesitueerd. Door het in gebruik nemen van de sleufsilo als overkapping en schuilmogelijkheid voor de dieren, zijn alle dierverblijven op voldoende afstand van de omliggende woningen gesitueerd. De delen van gebouwen welke zijn gelegen binnen 50 meter van de omliggende woningen kunnen in gebruik worden genomen ten behoeve van de opslag van hooi.
De functie van de bebouwing wordt op deze manier binnen het plangebied gewisseld. Op deze manier is er derhalve sprake van een milieutechnisch voordeel gekeken naar de vastgestelde afstanden met betrekking tot geur. Tevens valt hierbij op te merken dat er momenteel een vergunning aanwezig is voor het exploiteren van een intensieve veehouderij. De dieren welke worden gehouden op een intensieve veehouderij hebben een geuremissie en veroorzaken derhalve een geurcontour. Paarden hebben geen geuremissie conform de Wet en derhalve is er tevens geen sprake van een geurcontour. Dit zorgt tevens voor een milieutechnisch voordeel met betrekking tot geurbelasting. Er wordt hier nader op ingegaan in onderhavige onderbouwing in paragraaf 4.8. De overkapping wordt, zoals eerder vermeld, tevens in gebruik genomen als opslag van hooi. Dit heeft tevens positieve effecten op het milieu. Het op een droge plek kunnen opslaan van hooi en stro voorziet namelijk in een afname van het gebruik van landbouwplastic. Kortom is er door de beoogde ontwikkeling sprake van een positieve bijdrage voor mens, bedrijf, dier, natuur en milieu. De totale bebouwing binnen het plangebied bedraagt 1.375 m2 samen met een sleufsilo van 550 m2, dit zal in de beoogde situatie niet veranderen. De totale en daarmee maximaal toegestane bebouwing en oppervlakte voor bouwwerken zal tevens worden geborgd in de regels.
Als laatste zullen de paddocks, buitenrijbak en longeercirkel als voorzieningen behouden blijven in de beoogde situatie om de paarden op een goede manier te kunnen trainen wanneer dit gewenst is.
Pagina 10 van 50
Afbeelding 5: Beoogde situatie
Pagina 11 van 50
3. Beleidskader In dit hoofdstuk wordt het relevante beleid uiteengezet. Het initiatief wordt getoetst aan het provinciaal en gemeentelijk beleid. Gezien het initiatief dusdanig klein van aard is dat het geen invloed heeft op nationaal beleid, wordt dit beleidskader niet beschreven. 3.1. Provinciaal beleid Het geldende ruimtelijke beleid van de provincie Noord-Brabant is omschreven in de Omgevingsvisie en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
3.1.1. Omgevingsvisie Noord-Brabant
De provincie Noord-Brabant heeft op 14 december 2018 de omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. De omgevingsvisie vindt zijn legitimatie in de Omgevingswet. Vanzelfsprekend staan de achterliggende doelen van de Omgevingswet dan ook centraal in de positiebepaling van de Brabantse Omgevingsvisie. Onder het motto ‘eenvoudig beter’, doelt de Omgevingswet op meer inzichtelijkheid, en een grotere voorspelbaarheid en gebruiksgemak van het Omgevingsrecht. Ook beoogt de wet meer bestuurlijke afwegingsruimte en een meer samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving. Het doel van de omgevingsvisie is om de kwaliteit van de leefomgeving voor alle Brabanders te verbeteren. In de visie is voor verschillende programma’s de ambitie geformuleerd hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit moet zien. Daarbij zijn mobiliserende tussendoelen gesteld voor 2030 om het einddoel te kunnen bereiken. De uitwerking in programma’s is een opgave die de visie volgt en die in opeenvolgende bestuursperiodes de opdracht en ruimte geeft om dat met eigen accenten in te vullen. Het belangrijkste programma dat hier een rol speelt is ‘omgevingskwaliteit’. Het Brabantse doel voor 2050 in dit programma is:
‘Brabant heeft een goede leefomgevingskwaliteit doordat wij op alle aspecten beter presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. Brabant staat met zijn TOP-landschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal.’ Het tussendoel voor 2030 in dit programma is:
‘Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat wij voor alle aspecten voldoen aan de wettelijke normen. Natuurgebieden zijn ingericht, de afname van biodiversiteit is naar een positieve trend omgebogen, waardevolle cultuurhistorische landschappen zijn behouden en er is breed draagvlak voor de nieuwe energie- en klimaatadaptieve landschappen door de ontwerpende aanpak.’ Deze basisopgave is veelomvattend en gaat over milieuaspecten zoals een schone bodem, schoon water (ondergrond) en schone lucht. Maar ook om landschappelijke- en cultuurhistorische aantrekkelijkheid, een goede woon- en werkomgeving met een aantrekkelijk aanbod aan voorzieningen, stilte en een natuurrijke omgeving, waarin biodiversiteit en recreatie hand in hand gaan. Het initiatief voldoet aan het tussendoel voor 2030 omdat aan alle milieu wet- en regelgeving wordt voldaan. Door een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de planlocatie wordt ook een positieve bijdrage geleverd aan de leefomgevingskwaliteit. Hiermee wordt een eerste stap gezet richting het einddoel van 2050. Het initiatief past dus binnen de Omgevingsvisie voor Noord-Brabant.
3.1.2. Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant
De Interim omgevingsverordening (Iov) betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Iov is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de op handen zijnde Omgevingswet moet worden vastgesteld en die verplicht is voor provincies.
Pagina 12 van 50
De Iov is opgesteld vanuit een doelgroepenbenadering. Dit is ook het systeem dat de Omgevingswet, en de daaronder liggende wetgeving, hanteert. Dit betekent dat de regels in de Iov zijn gegroepeerd in hoofdstukken waarbij de doelgroep van de regel, de zogenaamde normadressaat, leidend is. Regels waar gemeenten bij vaststelling van een bestemmingsplan rekening mee moeten houden zijn opgenomen in hoofdstuk 3. Deze regels zijn in de vorm van instructieregels opgenomen waarbij de verschillende niveau’s zijn opgedeeld in meerdere afdelingen. Voor elke ruimtelijke ontwikkeling geldt dat toepassing moet worden gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies zoals deze zijn opgenomen in paragraaf 3.1.2. Voor het overige dient getoetst te worden aan de regels die van toepassing zijn op het werkingsgebied waarin de planlocatie ligt. In dit geval ligt de planlocatie in de werkingsgebieden ‘Cultuurhistorisch waardevol gebied’, ‘Landelijk gebied’, ‘Groenblauwe mantel’, en ‘Stalderingsgebied’, zie Afbeelding 6.
Afbeelding 6: Uitsnede Iov, locatie rood omlijnd
In de Interim omgevingsverordening zijn in afdeling 3.6 de voorwaarden voor een vitaal platteland opgenomen, deze zijn onder andere van toepassing op de groenblauwe mantel, waarin het plangebied is gelegen. Het initiatief is niet volledig passend binnen deze regels van de Interim omgevingsverordening. Ten behoeve van de beoogde situatie wordt derhalve gebruik gemaakt van artikel 9.9 van de Iov. Artikel 9.9 van de Iov geeft namelijk de mogelijkheid een bestaande situatie planologisch te legaliseren. Dit wordt uitgewerkt in paragraaf 3.1.3. In artikel 3.29 zijn regels ten aanzien van de aanduiding ‘Cultuurhistorisch waardevol gebied’ opgenomen. Deze regels zijn gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de
Pagina 13 van 50
cultuurhistorische waarde en kenmerken. Aangezien de planlocatie binnen het ‘Cultuurhistorisch waardevol gebied’ is gelegen zal aan artikel 3.29 worden getoetst. Artikel 3.52 bevat regels ten aanzien van het stalderingsgebied. Deze regels hebben betrekking op een toename in de oppervlakte dierenverblijven voor hokdieren. Een hokdierhouderij is een veehouderij met uitzondering van een nertsenhouderij, melkrundveehouderij en een schapenhouderij. Aangezien een paardenhouderij niet is aan te merken als een veehouderij is er ook geen sprake van een hokdierhouderij en derhalve zijn de regels met betrekking tot het stalderingsgebied niet van toepassing. Aan de relevante artikelen zal hierna worden getoetst. Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 3.1.2) Onder een evenwichtige toedeling van functies wordt verstaan dat invulling wordt gegeven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Hiervoor moet rekening worden gehouden met: ▪ zorgvuldig ruimtegebruik; ▪ de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; ▪ meerwaardecreatie. Deze aspecten zijn in de Iov nader uitgewerkt in de artikel 3.6 t/m 3.8. Daarnaast geldt voor ontwikkelingen in het landelijk gebied ook dat er sprake moet zijn van kwaliteitsverbetering (zie artikel 3.9). Deze artikelen worden hieronder nader toegelicht. Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel.
3.6) Conform artikel 3.6 houdt zorgvuldig ruimtegebruik in dat in beginsel gebruik wordt gemaakt van een bestaand ruimtebeslag. Een bestaand ruimtebeslag ligt binnen het werkingsgebied ‘Stedelijk gebied’ of een bestaand bouwperceel. Wanneer er sprake is van een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking). Alle gebouwen, bijbehorende bouwwerken en ander permanente voorzieningen dienen te worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. Zoals eerder is beschreven zal de bebouwing in de beoogde situatie behouden blijven. Alle bebouwing en alle voorzieningen zijn reeds geconcentreerd binnen het bouwvlak. Er zal in beoogde situatie, gekeken naar bebouwing, enkel een overkapping over de bestaande sleufsilo worden geplaatst ten behoeve van opslag en schuilgelegenheid voor de paarden. Aangezien alle bebouwing en voorzieningen en beoogde over kapping binnen het bouwvlak zijn gesitueerd, wordt er gebruik gemaakt van bestaand bouwperceel. Aangezien het geen stedelijke ontwikkeling betreft is toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing. Gezien het bovenstaande kan er worden geconcludeerd dat er sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik en derhalve wordt voldaan aan artikel 3.6 van de Interim omgevingsverordening.
Toepassing van de lagenbenadering (artikel 3.7) De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op verschillende lagen. Hierbij dient onderzocht te worden wat de effecten zijn op: ▪ de ondergrond ▪ de netwerklaag ▪ de bovenste laag Met het effect op de ondergrond worden o.a. de aspecten bodem, grondwater en archeologische waarden bedoeld. De netwerklaag omvat aspecten zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. In de beschouwing van de bovenste laag dienen aspecten zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu aan bod te komen.
Pagina 14 van 50
Hierbij dient te worden gekeken naar het verleden, heden en toekomst. De beoogde ontwikkeling mag geen negatieve effecten hebben op de waarden in de omgeving en dient ook in de toekomst geen beperkingen op te leveren voor de omgeving. De toetsing van de gevolgen van het initiatief op bovengenoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in hoofdstuk 4 van deze toelichting. Meerwaardecreatie (artikel 3.8) Het aspect meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Het biedt de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren, waardoor er meerwaarde ontstaat. Daarnaast ontstaat een bijdrage aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. Met de beoogde ontwikkeling wordt een natuurinclusieve paardenhouderij mogelijk gemaakt. Zoals eerder is beschreven, zorgt het realiseren van de natuurinclusieve paardenhouderij voor meerdere voordelen gekeken naar mens, bedrijf, dier, natuur en milieu. Er is namelijk sprake van een forse afname in emissies, dit zorgt voor een beter leefmilieu. Daarnaast heeft de natuurinclusieve paardenhouderij een positief effect op het welzijn van de paarden. Dit zorgt mede op een positieve bijdrage gekeken naar sociale aspecten aangezien het welzijn van dieren tegenwoordig het gesprek van de dag is.
Het op deze wijze houden van paarden, met voldoende buitenruimte en in een natuurlijke omgeving voor de dieren, is een functie die passend is voor het buitengebied. In dit bestemmingsplan wordt als laatste tevens meerwaarde gecreëerd door het herbestemmen van het bedrijf te combineren met een goede landschappelijke inpassing. Kwaliteitsverbetering (artikel 3.9) Een bestemmingsplan in landelijk gebied moet gepaard gaan met een fysieke verbetering van het landschap. Daarnaast moet worden aangetoond hoe deze fysieke verbetering financieel, juridisch en feitelijk wordt verzekerd. Een verbetering kan o.a. bestaan uit een landschappelijke inpassing, behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen, het slopen van bebouwing of aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Deze vormen van kwaliteitsverbetering moeten worden geborgd in het bestemmingsplan. Over de exacte invulling van de kwaliteitsverbetering zijn in het regionaal ruimtelijk overleg tussen gemeenten en provincie afspraken gemaakt. Binnen de gemeente Vught is de Kwaliteitsverbetering van het landschap gemeente Vught van toepassing. Conform de Beleidsnotitie ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap gemeente Vught 2022’ (verder nota) is de beoogde ontwikkeling een categorie 2 ontwikkeling.
Onder een categorie 2 ontwikkeling valt namelijk conform de nota een omschakeling van agrarische bedrijfsvoering, zonder vergroting van het bouwvlak. Aangezien de beoogde ontwikkeling valt onder een categorie 2 ontwikkeling dient er een landschappelijke inpassing te worden opgesteld. Binnen de gemeente Vught is hiervoor de Nota Groen Verbindt van toepassing, de landschappelijke inpassing is afgestemd op deze Nota. Tevens is rekening gehouden met de kwaliteiten en kenmerken van het ter plaatse aanwezige landschap. De elementen in de landschappelijke inpassing zorgen voor een versterking van het landschapsbeeld en zorgen hiermee derhalve voor kwaliteitsverbetering. De aanleg en instandhouding van deze landschappelijke inpassing wordt feitelijk en juridisch verzekerd middels de bestemming ‘Groen’ binnen het plangebied. Daarnaast zal ter plaatse van het NNB-gebied de bestemming ‘Natuur’ worden opgenomen op de verbeelding. Als laatste zal door de opname van een voorwaardelijke verplichting in de regels van het bestemmingsplan de inpassing verzekerd zijn. De beoogde ontwikkeling is derhalve in overeenstemming met artikel 3.9 van de Iov. Cultuurhistorische waarden (artikel 3.29) Voor een bestemmingsplan van toepassing op Cultuurhistorisch waardevol gebied zijn de volgende voorwaarden van toepassing:
a. is mede gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken zoals beschreven in de Cultuurhistorische Waardenkaart; b. stelt regels ter bescherming van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.
Pagina 15 van 50
In het gebied ter plaatse van het plangebied is conform de Cultuur Historische Waardenkaart (CHW) sprake van een natuurlijke laagte, gelegen tussen de van oost naar west lopende zandrug waarom Vlijmen en Drunen liggen en de Loonse en Drunense Duinen. Het was onderdeel van het systeem van de Beerse Maas. Aan de westkant van de overlaat lagen de Liniedijk en de Meerdijk die het gebied van Baardwijk en Waalwijk beschermden, bij Cromvoirt diende de Cromvoirtsche Bandijk als bescherming tegen overstromingen. In de overlaat lagen enkele zomerkaden, die als compartimenteringsdijkjes dienst deden. De Cromvoirtsche Dijk is in de CHW-kaart aangegeven als een historisch groen- en lijnelement. In de omgeving van het gebied is sprake van smalle verkaveling en kamerstructuur. Het initiatief betreft het wijzigen van de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Kampen- of hoevenlandschap’ naar een ‘Agrarisch met waarden – Landschaps en natuurwaarden 2’ bestemming, met tevens een aanduiding ‘Paardenhouderij’ ter plaatse van een natuurinclusieve paardenhouderij. Gezien de kleinschaligheid van het plan en de beoogde activiteiten wordt bij uitvoering van het plan geen wijzigingen aangebracht in de waarden welke aanwezig zijn binnen het plangebied en de omgeving zoals hierboven beschreven.
Om de bescherming van de cultuurhistorische waarden en kenmerken te borgen, blijft de aanduiding ‘cultuurhistorisch waardevol gebied’ op het gehele plangebied behouden in de beoogde situatie. Uit bovenstaande valt te concluderen dat de beoogde ontwikkeling geen onevenredige aantasting zal veroorzaken aan de cultuurhistorische waarden ter plaatse van het plangebied. Daarnaast sluit het plan tevens aan op de strategie. De strategie is namelijk de planologische bescherming van de waarden/kenmerken in het gebied, hierbij sluit het plan zich aan door de gebiedsaanduiding van het vigerende bestemmingsplan over te nemen zoals hiervoor beschreven.
3.1.3. Eerbiedigende werking bestaande planologische mogelijkheden (artikel 9.9)
Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling wordt aangesloten op artikel 9.9 van de Iov. Artikel 9.9 van de Interim omgevingsverordening maakt het mogelijk om een bedrijf wat al een geruime tijd gevestigd is op een locatie te legaliseren. Naast de destijds aanwezige intensieve veehouderij, is de eigenaar sinds 2006 gestart met een paardenhouderij. In 2008 heeft de eigenaar besloten om de intensieve veehouderij te beëindigen en geheel om te schakelen naar een natuurinclusieve paardenhouderij. Het positief bestemmen na bijna 20 jaar is zeker eerbiedig, sterker nog het komt de omgevingskwaliteit ten goede en er komt een functie die passend is binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied. Bij een natuurinclusieve paardenhouderij wordt rekening gehouden met de natuurlijke behoeften en gedragingen van paarden, maar belangrijker ook in een natuurlijke omgeving. Deze manier van het houden van paarden heeft, zoals eerder is beschreven, een positieve bijdrage op het welzijn van de dieren waarbij de impact op de omgeving wordt geminimaliseerd, en in dit geval verbeterd. Enerzijds in vergelijking met de voormalige intensieve veehouderij, maar ook door de landschappelijke inpassing. Bij een natuurinclusieve paardenhouderij wordt dus gestreefd naar een evenwicht tussen het welzijn van de paarden en het behoud en de bevordering van natuurlijke ecosystemen.
Met het uitwerken van de plannen is niet alleen rekening gehouden met de ligging ten opzichte van naastgelegen bouwblokken en functies, maar ook met de doelstellingen en ambities voor de omgeving/ het gebied. Een natuurinclusieve paardenhouderij past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, is goed inpasbaar in overgangszones tussen agrarische gebieden en natuurgebieden. Het is zeker minder (milieu)intensief dan een intensievere veehouderij en verhoudt zich (beter) tot het karakter van het gebied en de aanwezige waarden. Kortom, met de eerbiedige werking van bestaande planologische mogelijkheden en de positieve juridisch-planologische borging van de natuurinclusieve paardenhouderij wordt een functie passend binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied mogelijk gemaakt. Een functie waarmee een grote landschappelijke en milieutechnische kwaliteitsverbetering wordt behaald voor de omgeving. En het op deze manier houden van paarden past gezien het bovenstaande goed binnen het gebied doordat de natuurlijke ecosystemen en de leefomgeving zullen worden bevorderd. Er wordt daarnaast tevens
Pagina 16 van 50
ingespeeld op de steeds meer voorkomende maatschappelijke behoefte van het op deze manier houden van paarden.
Artikel 9.9 Lid 1 Bestaande planologische mogelijkheden, waaronder het feitelijk gebruik van gronden en opstallen die op het moment van inwerkingtreding van deze verordening rechtmatig worden uitgeoefend, worden gerespecteerd en kunnen worden voorgezet. Lid 2 Onder bestaande planologische mogelijkheid, zoals een bestaand bouwperceel, bestaande bebouwing, een bestaande gebruiksactiviteit of een bestaande omvang, wordt verstaan: a. datgene wat het geldende bestemmingsplan zonder toepassing van een wijzigingsbevoegdheid uit artikel 3.6, eerste lid, onder a, Wet ruimtelijke ordening toestaat, met inbegrip van datgene wat nadien wordt toegestaan op grond van een: 1. uitwerking van het geldend bestemmingsplan, als dat niet ouder is dan tien jaar, als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder b, Wet ruimtelijke ordening, of 2. besluit van de gemeente als direct gevolg van een onherroepelijke uitspraak van een bestuursrechter; b. datgene waarvan handhaving wegens strijdigheid met het geldende bestemmingsplan niet meer mogelijk is.
In 2012 heeft er een herziening van het bestemmingsplan plaatsgevonden. In deze herziening heeft de wijziging van de bestemming van ‘intensieve veehouderij’ naar ‘paardenhouderij/paardenpension’ niet plaatsgevonden. Later was een herbestemming niet meer in overeenstemming met het gewijzigde provinciale beleid en is een juiste juridisch-planologische borging achterwege gebleven. Door een wijziging van de Iov is een herbestemming wel weer mogelijk wanneer de ontwikkeling passend is binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied. Derhalve is er een principeverzoek ingediend om de omschakeling naar een natuurinclusieve paardenhouderij alsnog juridisch-planologisch te borgen. Op dit verzoek is een positief principebesluit genomen, d.d. 10 mei 2022 (OW / Z22 – 248566 / UIT / 22 – 482977), omdat de gemeente van mening is dat het saneren van een intensieve veehouderij locatie en de omschakeling naar een natuurinclusieve paardenhouderij passend is binnen het beleid en passend is binnen de ontwikkelingsrichting van het buitengebied. Recentelijk, in 2022, heeft de gemeente het bestemmingsplan ‘Buitengebied Vught 2022’ nogmaals vernieuwd. Gezien het bovenstaande is een zienswijze ingediend met betrekking tot het ontwerpbestemmingsplan. Er is in de zienswijze gevraagd om een mogelijkheid tot het herbestemmen van de locatie ten behoeve van de beoogde ontwikkeling.
Deze zienswijze is gegrond verklaard en binnen bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschaps- en Natuurwaarden 2’ is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen die de vestiging van een paardenhouderij mogelijk maakt. Met onderhavig bestemmingsplan een herziening aangevraagd om alsnog de paardenhouderij op de locatie aan de Den Hoek 2 juridisch-planologisch te borgen. De natuurinclusieve paardenhouderij wordt gezien het bovenstaande in feite rechtmatig uitgeoefend. Dit komt doordat de gemeente toezeggingen heeft gedaan in de vorm van een positief principebesluit en een gegrondverklaring van de zienswijze tegen het bestemmingsplan ‘Buitengebied Vught 2022’. Als laatste wordt deze ontwikkeling gezien als een kleine, extensieve ontwikkeling zonder aanzienlijke milieueffecten, gezien het plangebied betrekking heeft op één natuurinclusieve paardenhouderij op een gebied van circa 7 hectare. Conclusie Gelet op bovenstaande voldoet de ontwikkeling aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
Pagina 17 van 50
3.2. Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid is omschreven in de gemeentelijke structuurvisie en het bestemmingsplan tevens wordt een nadere toelichting gegeven naar aanleiding van het ingediende principeverzoek.
3.2.1. Structuurvisie
De gemeenteraad van de gemeente Vught heeft op 19 december 2013 de Structuurvisie Vught vastgesteld. De gemeente Vught kent een bijzonder gevarieerd, groen en natuurlijk buitengebied. Deze waarden zijn voor een groot deel bepalend voor het ontstaan en de identiteit van de gemeente. De gemeenteraad van de gemeente Vught heeft hoofdopgaven voor het buitengebied opgesteld in de structuurvisie Vught. Een van deze hoofdopgaven is het behouden van de natuurlijke waarden van het buitengebied. Binnen de structuurvisie Vught is het buitengebied opgedeeld in diverse deelgebieden. Het plangebied is ingedeeld in het deel gebied ‘Buitengebied Cromvoirt’, zie Afbeelding 7. De belangrijkste uitgangspunten voor het plangebied zijn: • Behoud en versterking van de kleinschalige en gevarieerde ruimtelijke en functionele
•
karakteristiek. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen doen dusdanige investeringen in het landschap, dat het kleinschalige beeld in stand blijft. Belangrijk is het behoud van de groene uitstraling van het dorp en het vormgeven van de grenzen van het gebied, zoals de Cromvoirtsedijk, de smalle verkaveling in de overgangszone naar de Lunetten en een natuurlijke zone rondom de Zandleij; Behoud van een groene onbebouwde zone tussen de Cromvoirtsedijk en de Lunetten met haar kleinschalige smalle verkaveling en kamerstructuur;
Met de beoogde ontwikkeling wordt de 6 hectare weide behorend bij de locatie ingericht als natuurlandschap. Dit natuurlandschap wordt opgedeeld in weides en paden voor de paarden. Het natuurlandschap binnen het plangebied is enkel toegankelijk voor de klanten van de natuurinclusieve paardenhouderij. Deze manier van het houden van paarden bootst een zo natuurlijk mogelijke manier van het houden van paarden na. Door de natuur binnen het plangebied te versterken wordt er voldaan aan de hoofdopgave van het buitengebied, het behouden van de natuurlijke waarden van het buitengebied. Door het grote perceel op te delen in weides en paden wordt er voldaan aan de belangrijkste uitgangspunten voor het deelgebied ‘Buitengebied Cromvoirt’, namelijk het behouden van de kleinschalige smalle verkaveling en kamerstructuur. Tevens wordt met het plan er voor gezorgd dat het perceel onbebouwd blijft. Op het perceel zullen namelijk enkel paarden worden gehouden en de bebouwing blijft geconcentreerd binnen het bouwvlak. Hiermee wordt voldaan aan de uitgangspunten vanuit de structuurvisie Vught van de gemeente Vught.
Pagina 18 van 50
Afbeelding 7: Uitsnede Structuurvisie Vught, locatie rood omcirkeld
3.2.2. Bestemmingsplan
Het plangebied aan de Den Hoek 2 te Cromvoirt is gelegen binnen het bestemmingsplan ‘Buitengebied Vught 2022’ van de gemeente Vught. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 21 juli 2022 door de gemeenteraad. Conform het vigerende bestemmingsplan heeft de locatie aan de Den Hoek 2 de volgende bestemmingen en aanduidingen toegekend gekregen, zie Afbeelding 1: • Enkelbestemming: Agrarisch met waarden – Landschaps- en Natuurwaarden 2; • Enkelbestemming: Natuur; • Dubbelbestemming: Leiding – Brandstof; • Figuur: hartlijn leiding – brandstof; • Bouwvlak; • Functieaanduiding: intensieve veehouderij; • Gebiedsaanduiding: overige zone – cultuurhistorisch vlak; • Gebiedsaanduiding: overige zone – groenblauwe mantel; • Gebiedsaanduiding: overige zone – stalderingsgebied; • Gebiedsaanduiding: overige zone – attentiezone waterhuishouding; • Gebiedsaanduiding: overige zone – Natuur Netwerk Brabant.
Pagina 19 van 50
Afbeelding 8: Uitsnede Ruimtelijke Plannen, Buitengebied Vught 2022, locatie rood omlijnd
Als laatste is voor de locatie aan de Den Hoek 2 te Cromvoirt het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan Archeologie’ van toepassing, dit bestemmingsplan is vastgesteld op 06-042023. Conform het bestemmingsplan heeft de locatie de volgende bestemmingen en aanduidingen toegekend gekregen, zie Afbeelding 2: • Dubbelbestemming: Waarde – Archeologie 4; • Dubbelbestemming: Waarde – Archeologie 3; • Gebiedsaanduiding: overige zone – enkeergronden.
Afbeelding 9: Uitsnede ruimtelijke plannen, Archeologie bestemmingsplan, locatie rood omlijnd
Pagina 20 van 50
Binnen het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Vught 2022’ ter plaatse van het plangebied is het niet mogelijk om een natuur inclusieve paardenhouderij te exploiteren. Derhalve wordt een herziening van het bestemmingsplan aangevraagd om de paardenhouderij, welke al sinds 2008 aanwezig is, te legaliseren. De regels van deze herziening zullen zo veel mogelijk aansluiten bij het bestemmingsplan ‘Buitengebied Vught 2022’.
3.2.3. Principebesluit
Voor onderhavig initiatief is een principeverzoek ingediend bij de gemeente. Op dit verzoek is een beoordeling gekomen d.d. 10 mei 2022 (OW / Z22 – 248566 / UIT / 22 – 482977). Hieruit is gebleken dat onder voorwaarden het initiatief voorstelbaar is bevonden. Voor de volledigheid zijn de voorwaarden uit de beoordeling hieronder opgesomd: • Ter plaatse van de aanwezige brandstofleiding kunnen er geen begroeiingen en/of bebouwing
worden gerealiseerd. Daarnaast moet er contact opgenomen worden met de leidingbeheerder bij verdere uitwerking van de plannen.
Ter plaatse van de aanwezige brandstofleiding zal geen bebouwing of begroeiing worden gerealiseerd en geen grond verhoogd/verlaagd. De reeds bestaande begroeiing blijft behouden. Tevens is het mogelijk om op deze bestemming voederplaatsen (voederbakken) te plaatsen. Deze voederplaatsen (voederbakken) zijn mobiel en vallen derhalve niet onder een bouwwerk.
• Een landschappelijk inpassingsplan is een voorwaarde bij verdere uitwerking van het plan. Voor het plan is een landschappelijke inpassing gemaakt, deze is bijgevoegd in bijlage 2. In paragraaf 4.5 is een uitwerking van de landschappelijk inpassing beschreven. • De bebouwing op het perceel mag niet toenemen. Om er voor te zorgen dat de bebouwing op het perceel niet zal toenemen is er ter plaatse van het bouwvlak een maatvoering opgenomen voor het maximum bebouwde oppervlakte. • Er moet aangetoond worden dat er sprake is van stikstofvermindering. In hoofdstuk 4 van deze toelichting is door middel van een AERIUS-berekening aangetoond dat er sprake is van stikstofvermindering. •
Voor de paardenopvang moet een ‘Melding Activiteitenbesluit’ worden ingediend bij de gemeente.
Voor de paardenopvang zal een melding in het kader van het Activiteitenbesluit worden ingediend wanneer het ontwerpbestemmingsplan ter inzage ligt. • Er mogen geen manege-activiteiten plaatsvinden. In de regels behorend bij deze bestemmingsplan herziening zal planologisch worden geborgd dat er geen manege activiteiten plaats zullen vinden binnen het plangebied. •
Er moet in het algemeen sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening. Om dit aan te tonen, zullen diverse onderzoeken nodig zijn (dit betreft in ieder geval een onderzoek naar geur en milieuzonering).
Met deze toelichting wordt aangetoond dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In deze toelichting zijn de aspecten geur en ‘Bedrijven en milieuzonering’ beschreven. Hieruit blijkt dat er geen belemmeringen zullen zijn voor deze aspecten. •
U bent zelf verantwoordelijk voor het opstellen van een herziening van het bestemmingsplan of aanvragen van een vergunning. De benodigde onderzoeken en bekostiging hiervan komen voor uw rekening.
In hoofdstuk 6 van deze toelichting is de uitvoerbaarheid beschreven, tevens de financiële uitvoerbaarheid. Hierin staat beschreven dat de bekostiging van de bestemmingsplanprocedure zal plaatsvinden door de desbetreffende particuliere initiatiefnemer.
Pagina 21 van 50
•
Wij vinden een zorgvuldige omgevingsdialoog, waarbij u in gesprek gaat met de omgeving over de door u beoogde ontwikkeling, erg belangrijk. De vorm van de omgevingsdialoog is vrij, maar wij ontvangen graag een verslag van de omgevingsdialoog bij de verdere uitwerking van uw initiatief.
Initiatiefnemer heeft een omgevingsdialoog gehouden, het verslag hiervan is als bijlage bijgevoegd.
Pagina 22 van 50
4. Milieuhygiënische en planologische aspecten Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante milieu-hygiënische en planologische aspecten. In dit hoofdstuk worden deze aspecten beschreven. 4.1. Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming over plannen en projecten. Het gaat hierbij enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waardoor het milieu mogelijk nadelig wordt beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor plannen, waaronder partiële herzieningen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: ▪ Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden. ▪ Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten; Ten aanzien van het eerste criterium geldt dat er in deze situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. In paragraaf 4.3.2 is een uitgebreide toelichting opgenomen voor de mogelijke effecten van het plan op de Natura 2000-gebieden.
Op basis van deze paragraaf kan worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling niet zal zorgen voor negatieve effecten op de omliggende Natura 2000gebieden Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Onder de grenzen uit de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt sinds 7 juli 2017 een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht. Dit houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Een paardenhouderij komt in de C-lijst van het Besluit m.e.r. wel voor. Echter gaat het in de C-lijst om 100 stuks paarden of pony’s en in de beoogde situatie zullen er nooit meer dan 100 paarden of pony’s worden gehouden. Tevens wordt met dit plan middels onder andere een AERIUS-berekening aangetoond dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn op de omliggende Natura-2000 gebieden en gezien de kleinschaligheid van het plan is er een MER voor de besluitvorming over het plan dan ook niet noodzakelijk. Echter voor de volledigheid is er een MER-beoordelingsnotitie opgesteld, deze is bijgevoegd in bijlage 7. 4.2. Waterhuishouding Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen.
Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Door middel van deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: • Beschrijving waterrelevant beleid; • Bestaande waterhuishoudkundige situatie; • Beoogde waterhuishoudkundige situatie.
4.2.1. Waterrelevant beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven door middel van de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen
Pagina 23 van 50
het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Provincie Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Omgevingsvisie en Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De belangrijkste aspecten zijn: • Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; • Een betere waterveiligheid door preventie; • Koppeling van waterberging en droogtebestrijding. Zoals reeds uiteen is gezet in paragraaf 3.2.3 liggen er binnen de Iov geen werkingsgebieden voor wat betreft het aspect water op de planlocatie. Er zijn derhalve geen voorwaarden waar in het kader van de Iov aan getoetst dient te worden. De wijze waarop de provincie omgaat met water, is beschreven in het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027). Provinciale Staten hebben op 3 december 2021 het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027) vastgesteld (RWP). Hiermee is de RWP de opvolger van het Provinciaal Milieu en waterplan (PMWP). Het RWP zal op 22 december 2021 in werking treden.
Door middel van het RWP wordt beleid vastgesteld om te komen tot een klimaat robuust water en bodemsysteem in 2050, en zorg te dragen voor veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem in de provincie Noord-Brabant. Belangrijk uitgangspunt van het RWP is de Europese Kader Richtlijn Water (KRW) als een mijlpaal op weg naar een klimaatrobuust en veerkrachtig water- en bodemsysteem in 2050. In dit programma ligt de focus op zuinig zijn op water en de bodem, en het wateren bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden (systeemgericht). Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we dat het doel om moet; we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem. Doel van RWP: • Voldoende water; • Schoon water; • Veilig water; • Vitale bodem; • Klimaatadaptatie. Waterschap De Dommel Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan.
Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’: op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in het hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. Tevens een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het stedelijke als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water.
Pagina 24 van 50
Waterschap de Dommel hanteert drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: • Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt. • Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan. • Wat schoon is moet schoon blijven. De leefomgeving verandert derhalve is het waterschap opzoek gegaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. De grote uitdaging zit vooral in de vraag hoe het waterschap de doelen wil gaan bereiken. Meer dan voorheen gaat het waterschap daarbij: • van beekdalgericht naar gebiedsgericht; de aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. • van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maakt het waterschap de Dommel keuzes over meerdere opgaven in een gebied. • van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. Gemeentelijk beleid Op 14 december 2021 heeft de gemeente Vught het ‘Programma Water en Riolering, 2022 – 2026, Op weg naar een waterrobuust en klimaatbestendig Vught’ vastgesteld. In deze PWR is omschreven hoe de gemeente Vught een klimaatbestendige en aantrekkelijke gemeente wil ontwikkelen. Voor de komende planperiode met betrekking tot de realisatie van bovenstaande visie zijn de volgende speerpunten geformuleerd: 1. Werken aan een robuust en klimaatbestendig systeem continueren. 2.