CConstaterende datVught
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage - Bijlagen bij de toelichting Bestemmingsplan `De Gijzel 30 te Helvoirt'

Raadsvergadering 19 november 2024, gemeente VughtBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan De Gijzel 30 te Helvoirt16.505 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan De Gijzel 30 te Helvoirt

Bijlagen bij de toelichting

1. Situatietekening 2. Landschappelijk inpassingsplan 3. Ontwikkelingsrichting 4. Verkennend bodemonderzoek 5. Akoestisch onderzoek 6. Advies Veiligheidsregio Brabant Noord 7. Schematische weergave waterplan 8. AERIUS-berekeningen 9. Quick scan flora en fauna

Beoogde situatie

Bestaande situatie

G

1

D2312

0 39

0 F

D2312

D

D5380

D5380

H C

D5379

D5379

H

B

B

D2313

D2313

E

D4964

D4964

A

A

Bebouwing "de Gijzel 30" - Beoogd A. Bedrijfswoning (excl. bijgebouw) B. Machinestalling D. Nieuwbouw machineberging

opp. erfverharding

Bebouwing "de Gijzel 30" - Bestaand A. Bedrijfswoning (excl. bijgebouw) B. Machinestalling C. Veestal / Opslag (te slopen) E. Opslag / werkplaats (te slopen) F. Drijfmestsilo (te slopen) G. Kuilvoeropslag (te slopen)

187 m² 681 m² 1287 m² 2155 m² ca. 3855 m²

187 m² 681 m² 564 m² 459 m² 266 m² 463 m² 2157 m²

Grens inrichting: ca. 9032 m² opp. erfverharding

ca. 2541 m²

Bouwvlak bedrijf: ca. 3298 m² Grens inrichting: ca. 9032 m² H.

Schaal:

1:1000

Gemeente: Sectie: Nummer:

Vught D 2312, 2313, 4964, 5379, 5380

Tijdelijk bijgebouw 2 stuks

8000+

Peil 800-

6000+

5250+

4500+

Gebouw B

4000+

2600+

Peil 700-

Peil Gebouw C

1400-

Kerkstraat 2 6095 BE Baexem tel.: 0475-459260 www.aelmans.com

Onderwerp

Parklaan 21 5261 LR Vught tel.: 073-3032700 www.aelmans.com

Ontwerptekening Bladnr:

situatie bestaand - beoogd Project

Aanpassing naar verhuurbedrijf machines en werktuigen

8000+

Opdrachtgever

Schuurmans Helvoirt Verhuur B.V.

Adres

De Gijzel 30

Projectleider

TKA

4000+

Woonplaats

5268 CN Helvoirt

Projectnummer

D217382

Telefoon

0411-643392

Schaal

1:1000

Datum

12-07-2023

Bladformaat

A3

Wijziging

15-08-2024

Getekend

RS

9800+ 5400+

5000+ 1500+ Peil 800-

4300+ Gebouw D

Peil 700-

Peil Gebouw E

B01

Mestsilo F

MEMO LANDSCHAPPELIJK INPASSINGSPLAN Datum Betreft Project

: 15 augustus 2024 : Landschappelijk inpassingsplan De Gijzel 30 Helvoirt : D217382

1. Aanleiding De bedrijfslocatie aan De Gijzel 30 te Helvoirt is ontstaan vanuit het van oorsprong agrarisch bedrijf. Begin jaren ‘80 heeft het agrarisch bedrijf uitgebreid met loonwerk- en grondverzetactiviteiten. De werkzaamheden zijn in de loop der jaren verschoven van agrarisch gerelateerd loonwerk en grondverzet naar verhuur van machines voor hoofdzakelijk infra- en bouwwerkzaamheden en in beperkte mate agrarische werkzaamheden. De wens is om de bebouwing ten behoeve van een agrarische functie op de locatie te slopen en een nieuw loods te bouwen, waarbij de netto bebouwing op de locatie zal afnemen. De bedrijfslocatie zal praktischer ingericht worden, waarbij de voorste loods midden op het terrein behouden blijft, en een aanvullende loods achter deze gerealiseerd zal worden die dienst zal doen als berging voor te verhuren machines. Hierbij is er geen uitbreiding of wijziging van het bouwvlak nodig.

2. Ligging plangebied De bedrijfslocatie ligt op een afstand van ongeveer 400 meter ten westen van de kern Helvoirt. Aan de noordzijde ligt op korte afstand de spoorlijn Tilburg-Den Bosch. Ten noorden van deze spoorlijn ligt een bosgebiedje ‘Brokkenbroek’. De rijksweg N65 ligt op een afstand van ongeveer 750 meter ten zuidoosten van de bedrijfslocatie. De directe omgeving omvat voornamelijk agrarische percelen met daartussen de buurtschappen Gijzel en Laar. De ligging van het plangebied in zijn omgeving is in onderstaande figuur op een luchtfoto weergegeven.

D171209.002, pagina 2 van 13

3. Landschappelijke analyse In de ijstijd is middels de overwegende noordwestelijke wind vanuit het drooggevallen Noordzeebekken zand aangevoerd naar deze streek. Ter plekke is over de jaren een laag dekzand afgezet. Deze dekzandlaag heeft vervolgens blootgestaan aan verdere geologische processen, waarbij ter plekke een (eolische) dekzandwelving (donkergroene kleur) is ontstaan. Daartussen hebben zich beken ingesneden en voor het daarbij behorende reliëf en bodems gezorgd. Tussen de dekzandwelvingen zijn vlaktes van ten dele verspoelde dekzanden ontstaan (lichtgroene kleur). Het plangebied ligt op een overgang tussen beide typen. Het reliëf ter plekke is zeer beperkt, het betreft hooguit enkele decimeters.

Uitsnede geomorfologische kaart met ligging plangebied (bron: Kaartbank Brabant)

D171209.002, pagina 3 van 13

Kampen- en hoevenlandschap Bij de ontginning van het dekzandlandschap ter plekke is een kleinschalig landschap ontstaan met een verspreid nederzettingspatroon met blokvormige kavels, omgeven door houtwallen of heggen, zogenaamde kampen. Kampen behoorden meestal tot één boerderij of eigenaar. Daartegenover staan de hoeven, die grootschaliger van opzet zijn doordat sprake was van een grootgrondbezitter. Hierbij ontstonden uitgestrektere cultuurlandschappen. Door de afwisseling van open percelen in combinatie met tal van landschapselementen als houtwallen, heggen, bomenlanen en bosjes heeft dit landschapstype hoge landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden door de afwisseling van gradiënten en structuren. Door de ligging in het waardevolle kampen- en hoevenlandschap liggen rond het plangebied tal van cultuurhistorische elementen. De weg ‘Gijzel’ is door de ouderdom van redelijk hoge cultuurhistorische waarde. Tevens hebben de omliggende (nog bestaande) bospercelen historische en natuurlijke waarden. Deze bospercelen zijn tevens opgenomen in het Natuurbeheerplan van de provincie Noord-Brabant.

Uitsnede Cultuurhistorische Waardekaart met ligging plangebied (bron: Kaartbank Brabant)

Direct rond het plangebied komen twee bostypen voor die in het Natuurbeheerplan zijn opgenomen, namelijk het Haagbeuken- en essenbos (N14.03) en Vochtig bos met productie (N16.04).

D171209.002, pagina 4 van 13

Uitsnede kaart Natuurbeheerplan met ligging plangebied (bron: Kaartbank Brabant)

N14.03 Haagbeuken- en essenbos Haagbeuken- en essenbos wordt gedomineerd door diverse boomsoorten zoals haagbeuk, gewone es, esdoorn en gladde iep. Het meeste bos wat tot het beheertype behoort is aangeplant. Ook aangeplante wilgen- en populierenbossen in polders behoren hiertoe. De cultuurlijke oorsprong verraadt zich bijvoorbeeld door sporen van voormalig hakhoutbeheer of aanplant in rijen. Het betreft rijke bossen op klei- of leemgrond en/of op bodems waar aanrijking plaatsvindt met basen door periodiek hoge grondwaterstanden buiten de invloed van beek of rivier. Het bostype is vaak rijk in structuur en kent een opvallende voorjaarsflora. Haagbeuken- en essenbos komt op verschillende bodemtypen voor met een basisch en vochtig tot vrij nat karakter. N16.04 Vochtig bos met productie Vochtig bos met productie bestaat uit loofbossen die gedomineerd worden door diverse boomsoorten zoals populier, es, esdoorn, beuk, haagbeuk, eik, iep en els. Het is een grotendeels gesloten bos met een weelderige ondergroei. Dit bostype is de productievariant van delen van het haagbeuken- en essenbos en beek- en rivierbegeleidend bos.

D171209.002, pagina 5 van 13

4. Maatregelen landschappelijke inpassing Een tekening van het landschappelijk inpassingsplan is in bijlage 1 op schaal 1:1000 opgenomen. Tevens wordt puntsgewijs toegelicht welke maatregelen dienen te worden getroffen voor het uitvoeren van het inpassingsplan. Hierbij is rekening gehouden met de ligging in het hoeven- en kampenlandschap, waarbij door middel van landschapselementen wordt beoogd een kleinschalig landschap te creëren waarin de bestaande en nieuwe bebouwing wordt ingebed tussen groen.

Landschappelijke inpassing, in de bijlage 1 is de tekening schaal 1:1000 bijgevoegd

Ten behoeve van het voornemen zijn een aantal 3D-visualisaties van de nieuwe situatie opgesteld waarin de stedenbouwkundige en landschappelijke inpassing van de bestaande en nieuwe bebouwing is weergegeven. De visualisaties zijn op groot formaat toegevoegd in bijlage 2.

D171209.002, pagina 6 van 13

3D-renders nieuwe situatie (in bijlage 2 op groot formaat opgenomen

D171209.002, pagina 7 van 13

Behouden bestaande elementen Aan de voorzijde van het plangebied, langs de weg ‘Gijzel’ is reeds sprake van een aantal landschapselementen aanwezig die zorgen voor een goede inpassing van het perceel. Eikenbomen op hoekpunt perceel Op de zuidwestelijke hoek staan vier volwassen, robuuste eiken. Deze eiken worden behouden. Beplanting voor de woning Voor de langgevelboerderij zijn door de initiatiefnemer reeds vier fruitbomen en een beukenhaag aangeplant. Ook deze elementen dragen bij aan de groene uitstraling van het plangebied. Deze elementen worden duurzaam onderhouden. De bestaande haag dient 2 keer per jaar gesnoeid te worden om de gewenste hoogte te handhaven. Voor de fruitbomen dient onderhoudssnoei plaats te vinden, bij voorkeur in de winter of vroege voorjaar (januari tot maart), waarbij dode en kruisende takken, opslag aan de stam en waterloten worden verwijderd.

Bestaande beplanting voor langgevelboerderij (foto: Google Streetview; april 2023)

Beplanting voor bedrijfsloods Voor de bestaande bedrijfsloods is reeds een beukenhaag en een aantal leibomen aangeplant. Ook deze elementen worden behouden. De bestaande haag dient 2 keer per jaar gesnoeid te worden om de gewenste hoogte te handhaven. De leibomen dienen twee keer per jaar te worden gesnoeid voor een goede, dichte structuur te krijgen. De eerste keer wordt in de winter (periode oktober – februari) gesnoeid, in de zomer wordt rond juni nogmaals gesnoeid om de vorm te behouden.

D171209.002, pagina 8 van 13

Bestaande beplanting voor bedrijfsbebouwing (foto: Google Streetview; april 2023)

Aanplant struweel/mantelvegetatie Aan de oostzijde van het plangebied wordt over een strook met een breedte van ongeveer 5 meter middels mantelvegetatie aangeplant, zodat een landschappelijke, natuurlijke en ecologische overgang wordt gevormd richting de bosschage op het naastgelegen perceel en het bos verderop op het naastgelegen perceel. Mantelvegetaties komen voor op de overgang van graslanden (of andere landschappen met lage vegetatie) naar bos. De mantelzone is van groot belang voor het versterken van de biodiversiteit (zowel flora als fauna). De soortensamenstelling van de mantelvegetatie dient aan te sluiten op de bestaande soorten in het natuurtype ‘Haagbeuken- en essenbos’. In het beheeradvies voor dit natuurtype wordt geadviseerd om onder andere haagbeuk, Spaanse aak en hazelaar aan te planten. Verder komen in dit natuurtype in de struiklaag gele kornoelje, meidoorn en wegedoorn voor, deze worden ook in het sortiment opgenomen. Daarmee ontstaat een gevarieerde mantel dat een landschappelijke overgang vormt naar het bos op het naastgelegen perceel. De mantelvegetatie heeft een totale oppervlakte van ongeveer 380 m². De aanplant bestaat uit 3 rijen met een onderlinge plantafstand van 1,5 meter. Tussen de rijen is tevens sprake van 1,5 meter, zodat de aanplant bestaat uit een driehoeksverband.

De eerste vijf jaar dient het struweel uit te groeien tot een mantelvegetatie. De onderhoud in deze fase bestaat uit het vrijhouden van de aanplant zodat deze niet raken overwoekerd door grassen en andere lage vegetatie als brandnetels. Vervolgens wordt de vegetatie eens in de vijf jaar afgezet, waarbij de beplanting tot 10 – 20 cm boven de grond wordt afgezaagd. Op deze manier krijgt de overige beplanting meer licht en groeimogelijkheden waardoor de beplanting weer uitgroeit. Voor een goed resultaat dient niet het gehele struweel in één keer te worden afgezet, dit beheer vindt gefaseerd plaats. Per keer kan 30% - 50% worden afgezet. Aanplant beukenhaag met leibomen ter vervanging laurierhaag Op de oostelijke hoek van het plangebied, langs de weg ‘De Gijzel’, is momenteel een laurierhaag aanwezig. Deze soort is niet inheems en heeft geen toegevoegde landschappelijke waarde. Ter

D171209.002, pagina 9 van 13

plekke wordt een beukenhaag aangeplant. De haag wordt aangeplant met de inheemse soort beuk. De haag heeft een beperkte hoogte van circa 1,5 meter. De haag bestaat uit 1 rij met een plantverband van 4 planten per meter. De onderlinge plantenafstand bedraagt 0,25 meter. De haag dient 2 keer per jaar gesnoeid te worden om de gewenste hoogte te handhaven. Tevens worden, om aan te sluiten bij de bestaande beplanting langs ‘De Gijzel’ in de haag een aantal leilindes aangeplant. De leilindes, met plantmaat 12-14 cm, worden ongeveer 4 meter uit elkaar aangeplant. De leibomen dienen twee keer per jaar te worden gesnoeid voor een goede, dichte structuur te krijgen. De eerste keer wordt in de winter (periode oktober – februari) gesnoeid, in de zomer wordt rond juni nogmaals gesnoeid om de vorm te behouden. Aanplant inheemse zomereik op hoek perceel Op de hoek van het perceel blijft een gedeelte van het plangebied vrij van verharding. Ter plekke wordt als landschappelijke inpassing en aanvullende natuurlijke en cultuurhistorische waarden een zomereik aangeplant. Deze eik kan uitgroeien tot een robuuste boom. Bij de aanplant worden boompalen en boomband aangebracht ten behoeve van rechte stamgroei (te verwijderen 5 jaar na aanplant). De bomen worden opgekroond op 4 meter en worden jaarlijks gecontroleerd op afstervende takken.

Het opkronen en begeleiding snoei wordt bij voorkeur uitgevoerd tussen juni en oktober. Wordt buiten deze periode snoei toegepast, dan bestaat de kans dat de bomen doodbloeden. Bij eventuele uitval wordt de betreffende boom in het voorjaar vervangen. Aanplant beukenhaag met leibomen langs gevel loods Als aanvullende groene aankleding van het plangebied en ter inpassing van de nieuwe bebouwing, worden langs de gevel – zichtbaar vanaf de openbare weg – een beukenhaag en leilindes aangeplant. De haag heeft een beperkte hoogte van circa 1,5 meter. De haag bestaat uit 1 rij met een plantverband van 4 planten per meter. De onderlinge plantenafstand bedraagt 0,25 meter. De haag dient 2 keer per jaar gesnoeid te worden om de gewenste hoogte te handhaven. De leilindes, met plantmaat 12-14 cm, worden ongeveer 4 meter uit elkaar aangeplant. De leibomen dienen twee keer per jaar te worden gesnoeid voor een goede, dichte structuur te krijgen. De eerste keer wordt in de winter (periode oktober – februari) gesnoeid, in de zomer wordt rond juni nogmaals gesnoeid om de vorm te behouden.

Aanleggen natuurlijke rand langs noordzijde erf Ten behoeve van de verder kwaliteitsverbeterende landschappelijke en natuurlijke maatregelen, wordt beoogd een gedeelte van het perceel, langs de noordrand van het bedrijfsperceel op de overgang naar het grasland, om te zetten naar een bloemen- en kruidenrijk grasland. In bloemenen kruidenrijk grasland domineren grassen, maar hebben kruiden ook een vrij groot aandeel (> ca. 20%). De verschillende bloem-, kruid- en grassoorten groeien gemengd en de kruiden komen verspreid voor, niet alleen in haarden van één soort. Goed ontwikkelde bloemen- en kruidenrijk

D171209.002, pagina 10 van 13

graslanden hebben een gevarieerde structuur. Bij waardevolle soorten in kruidenrijk grasland moet vooral gedacht worden aan dagvlinders, bijen, hommels en (broed)vogels. Na aanleg wordt het extensieve grasland één keer per jaar gemaaid in september (na de bloeiperiode). Gemaaid wordt met de cyclomaaier of de messenbalk ter bevordering van het natuurlijk uitzaaien, er mag niet worden gemaaid met een klepelmaaier. Het maaisel moet enkele dagen blijven liggen ter bevordering van het verspreiden van de zaden, vervolgens wordt het maaisel afgeharkt en afgevoerd. Als aanvullende inpassings- en kwaliteitsbijdrage, wordt binnen deze strook, naast de nieuw te bouwen loods, een struweel aangeplant. Dit struweel, met een oppervlakte van ongeveer 300 m² en met dezelfde soortensamenstelling als de struweelrand aan de oostzijde, breekt het zicht op de nieuwbouw. De aanplant bestaat uit 3 rijen met een onderlinge plantafstand van 1,5 meter. Tussen de rijen is tevens sprake van 1,5 meter, zodat de aanplant bestaat uit een driehoeksverband. De eerste vijf jaar dient het struweel uit te groeien tot een mantelvegetatie. De onderhoud in deze fase bestaat uit het vrijhouden van de aanplant zodat deze niet raken overwoekerd door grassen en andere lage vegetatie als brandnetels.

Vervolgens wordt de vegetatie eens in de vijf jaar afgezet, waarbij de beplanting tot 10 – 20 cm boven de grond wordt afgezaagd. Op deze manier krijgt de overige beplanting meer licht en groeimogelijkheden waardoor de beplanting weer uitgroeit. Voor een goed resultaat dient niet het gehele struweel in één keer te worden afgezet, dit beheer vindt gefaseerd plaats. Per keer kan 30% - 50% worden afgezet. Tevens wordt binnen deze strook een aantal inheemse bomen aangeplant. Bij de aanplant worden boompalen en boomband aangebracht ten behoeve van rechte stamgroei (te verwijderen 5 jaar na aanplant). De bomen worden opgekroond op 4 meter en worden jaarlijks gecontroleerd op afstervende takken. Het opkronen en begeleiding snoei wordt bij voorkeur uitgevoerd tussen juni en oktober. Wordt buiten deze periode snoei toegepast, dan bestaat de kans dat de bomen doodbloeden. Bij eventuele uitval wordt de betreffende boom in het voorjaar vervangen. Aanleg natuurlijke oever langs sloot oostelijke perceelsgrens Ten behoeve van het verhogen van de natuurlijke en ecologische waarden van het plangebied, wordt langs het buurperceel met de bestaande natuur (N14.03 Haagbeuken- en essenbos) de bestaande sloot verbreed en omgevormd tot een natuurlijke. Op het eigen terrein wordt de sloot verbreed door de aanleg van een flauwe oever (talud 1:5).

Hiermee ontstaat een geleidelijke overgang van droog naar nat, waardoor een aantrekkelijke biotoop ontstaat voor tal van flora en fauna waarmee de biodiversiteit ter plekke wordt versterkt. Het natte gedeelte van de berm wordt aangeplant met rietstekken met afwisselend gedeelten voor overige oeverplanten, vochtige graslanden en ruigtekruiden. Bij één maaibeurt per jaar zal een bloemrijke grasvegetatie ontstaan, bij eenmaal maaien per 2 tot

D171209.002, pagina 11 van 13

4 jaar zal er meer sprake zijn van rietvegetatie. Er wordt gefaseerd gemaaid, tot maximaal 50% van het totale oppervlakte zal per maaibeurt worden gemaaid. Kwaliteitsbijdrage – Agrarische gronden omvormen tot extensief natuurlijk grasland Als aanvullende kwaliteitsverbetering wordt de agrarische grond ten noorden van het plangebied omgevormd tot een natuurlijk, extensief beheerd grasland waarop enkele koeien en/of paarden kunnen grazen. Het grasland wordt daarvoor omgevormd tot een bloemen- en kruidenrijk grasland, dit wordt mede bereikt door een extensiever beheer en het zaaien van een bloemmengsel. Na aanleg wordt het extensieve grasland één keer per jaar gemaaid in september (na de bloeiperiode). Gemaaid wordt met de cyclomaaier of de messenbalk ter bevordering van het natuurlijk uitzaaien, er mag niet worden gemaaid met een klepelmaaier. Het maaisel moet enkele dagen blijven liggen ter bevordering van het verspreiden van de zaden, vervolgens wordt het maaisel afgeharkt en afgevoerd. Tevens worden als aanvullende landschappelijke inpassing en kwaliteitsbijdrage enkele solitaire bomen binnen het extensief grasland aangeplant. Bij de aanplant worden boompalen en boomband aangebracht ten behoeve van rechte stamgroei (te verwijderen 5 jaar na aanplant). De bomen worden opgekroond op 4 meter en worden jaarlijks gecontroleerd op afstervende takken.

Het opkronen en begeleiding snoei wordt bij voorkeur uitgevoerd tussen juni en oktober. Wordt buiten deze periode snoei toegepast, dan bestaat de kans dat de bomen doodbloeden. Bij eventuele uitval wordt de betreffende boom in het voorjaar vervangen.

5. Lijst van toe te voegen beplanting Omva ng va n el ement

Naam

Omva ng bi j a a npl a nt (cm)

1. Aanplant struweel als mantelvegetatie aan oostzijde Aanplant struweel; sortimentkeuze: 380 m² / 153 s t 80 - 100 cm Spa a ns e a a k

Acer campestre

Ha a gbeuk

Carpinus betulus

Ei ndhoogte/ breedte Hoogte 4 m; Breedte: 5 m

Gel e kornoel je Cornus mas Ha zel a a r

Corylus avellana

Mei doorn

Crataegus monogyna

Wegedoorn

Rhamnus cathartica

Pl a ntverba nd

a a npl a nt in dri ehoeks verba nd 1,5 m x 1,5 m

* Sluit aan bij beplanting natuurtype N14.03

2. Aanplant beukenhaag met leilindes ter vervanging laurierhaag 11 m / 44 s t 80 - 100 cm 1,5 m / 1 m 4 s t/m Aanplant haag: Beuk

Fagus sylvatica 3 st

Aanplant leibomen: Li nde

n.v.t.

4 m h.o.h.

16-18 cm

n.v.t.

n.v.t.

Tilia europaea 'Pallida'

3. Aanplant inheemse zomereik op hoek perceel 1 st Aanplant boom: Zomerei k

12-14 cm

Quercus robur

D171209.002, pagina 12 van 13

Omva ng va n el ement

Naam

Omva ng bi j a a npl a nt (cm)

4. Aanplant beukenhaag met leibomen langs gevel loods 9 m / 36 s t 80 - 100 cm Aanplant haag: Beuk

Pl a ntverba nd

1,5 m / 1 m 4 s t/m

Fagus sylvatica 3 st

Aanplant leibomen: Li nde

Ei ndhoogte/ breedte

12-14 cm

n.v.t.

4 m h.o.h.

Tilia europaea 'Pallida'

5. Natuurlijke rand noordzijde Aanleggen bloem- en kruidenrijk grasland: Bl oemri jk gra s l a nd: cruydthoeck G1 832 m²/ 4.160 g 500 g/a re Bl oemri jk gra s l a ndmengs el voor Duizendblad - Achillea millefolium; Gewoon barbarakruid - Barbarea vulgaris; Knoopkruid - Centaurea jacea; Groot streepzaad - Crepis biennis; Klein streepzaad - Crepis capillaris; Peen - Daucus carota; Slangenkruid - Echium vulgare; Gewone reigersbek - Erodium cicutarium; Glad walstro - Galium mollugo subsp. Erectum; Schermhavikskruid - Hieracium sectie Hieracioides; Sint Janskruid Hypericum perforatum; Gewoon biggenkruid - Hypochaeris radicata; Zandblauwtje - Jasione montana; Gewone margriet - Leucanthemum vulgare; Gewone rolklaver - Lotus corniculatus var. Corniculatus; Gewone veldbies - Luzula campestris; Muskuskaasjeskruid - Malva moschata; Middelste teunisbloem Oenothera biennis; Smalle weegbree - Plantago lanceolata; Gewone brunel - Prunella vulgaris; Scherpe boterbloem - Ranunculus acris; Kleine ratelaar - Rhinanthus minor; Vertakte leeuwentand Scorzoneroides autumnalis; Dagkoekoeksbloem - Silene dioica; Gele morgenster - Tragopogon pratensis subsp. Pratensis; Hazenpootje - Trifolium arvense

Aanplant struweel; sortimentkeuze: Spa a ns e a a k

Acer campestre

Ha a gbeuk

Carpinus betulus

275 m² / 111 s t 80 - 100 cm

Hoogte 4 m; Breedte: 5 m

a a npl a nt in dri ehoeks verba nd 1,5 m x 1,5 m

6 s tuks

n.v.t.

n.v.t.

Gel e kornoel je Cornus mas Ha zel a a r

Corylus avellana

Mei doorn

Crataegus monogyna

Wegedoorn

Rhamnus cathartica

Aanplant bomen, keuze uit: Ha a gbeuk

Carpinus betulus

Gewone es

Fraxinus excelsior

Zoete kers

Prunus avium

16-18 cm

6. Agrarische gronden omvormen tot extensief natuurlijk grasland Aanleggen bloem- en kruidenrijk grasland: Bl oemri jk gra s l a nd: cruydthoeck G1 Bl oemri jk gra s l a ndmengs el voor Zie samenstelling onder punt 2 tabel

Aanplant bomen, keuze uit: Ha a gbeuk

Carpinus betulus

Iep

Ulmus x hollandica

Li nde

Tilia cordata

7.523 m²/ 37.615 g 5 s tuks

500 g/a re

16-18 cm

n.v.t.

n.v.t.

6. Kwaliteitsbijdrage Op basis van de bepalingen van de Provincie Noord-Brabant is tevens de kwaliteitsverbetering door voorliggend plan bepaald. Op basis van de tabel op de volgende pagina is te concluderen dat door voorliggend voornemen sprake is van een waardedaling ten gevolg van de gewijzigde bestemmingen van € 276.633,- ten opzichte van de bestaande situatie.

D171209.002, pagina 13 van 13

Huidige situatie Bestemming Bedrijf Agrarisch met waarden

Bestaand m² Waarde per m² Waarde

Totaal

9032 9414

€ 100,00 € 5,00

18446

€ 903.200 € 47.070 € 950.270

Nieuwe situatie Beoogd m² Waarde per m² Waarde Bestemming Bedrijf, met bouwvlak 3298 € 100,00 € 329.800 Bedrijf, zonder bouwvlak 5571 € 60,00 € 334.260 Natuur 8445 € 1,00 € 8.445 Groen 1132 € 1,00 € 1.132 Totaal

18446

Waardeverschil:

€ 673.637 -€ 276.633

Bij ontwikkelingen is de te leveren kwaliteitsbijdrage gekoppeld aan de waardestijging door het project. 20% van deze stijging moet als kwaliteitsbijdrage worden geïnvesteerd in nieuw groen. Echter, doordat sprake is van een daling van waarde, is deze financiële bijdrage niet nodig. Desondanks is een versterking van de omgevingskwaliteit nog steeds noodzakelijk. Bij voorliggend plan wordt dat gerealiseerd door: • Een verkleining van het bouwvlak; • Het omzetten van agrarische gronden naar natuur; • Een goede landschappelijke inpassing conform voorliggend plan; • Verwerken van hemelwater op eigen terrein.

Bijlagen: Bijlage 1: Bijlage 2:

Tekening landschappelijk inpassingsplan De Gijzel 30 te Helvoirt (schaal 1:1000) 3D-visualisaties nieuwe situatie De Gijzel 30 te Helvoirt

Aan te planten: Solitaire bomen in weiland

Omva ng va n el ement

Naam

Omva ng bi j a a npl a nt (cm)

1. Aanplant struweel als mantelvegetatie aan oostzijde Aanplant struweel; sortimentkeuze: 380 m² / 153 s t 80 - 100 cm Spa a ns e a a k

Acer campestre

Ha a gbeuk

Carpinus betulus

Gel e kornoel je Cornus mas Ha zel a a r

Corylus avellana

Mei doorn

Crataegus monogyna

Wegedoorn

Rhamnus cathartica

Ei ndhoogte/ breedte Hoogte 4 m; Breedte: 5 m

Aan te leggen/te verbreden: Sloot met flauw talud (1:5) t.b.v. verhogen biodiversiteit

a

28

Pl a ntverba nd a a npl a nt in dri ehoeks verba nd 1,5 m x 1,5 m

Aan te leggen: Natuurlijke rand tbv landschappelijke inpassing; bloemrijk grasland (breedte: 10 m) met vijvers t.b.v. infiltratie hemelwater, struweel en enkele bomen

Om te vormen tot natuur: extensief grasland

* Sluit aan bij beplanting natuurtype N14.03

2. Aanplant beukenhaag met leilindes ter vervanging laurierhaag 11 m / 44 s t 80 - 100 cm 1,5 m / 1 m 4 s t/m Aanplant haag: Beuk

Grindkoffer

Fagus sylvatica

Aanplant leibomen: Li nde

3 st

12-14 cm

n.v.t.

4 m h.o.h.

Tilia europaea 'Pallida'

3. Aanplant inheemse zomereik op hoek perceel 1 st Aanplant boom: Zomerei k

16-18 cm

n.v.t.

Quercus robur

4. Aanplant beukenhaag met leibomen langs gevel loods 9 m / 36 s t 80 - 100 cm Aanplant haag: Beuk

n.v.t.

Aan te planten: Struweelrand als mantelvegetatie langs bedrijfslocatie (5 m breed)

Erfverharding 1,5 m / 1 m 4 s t/m

Aan te planten: Leibomen ter verzachting aanzichten gevel nieuwe loods

Fagus sylvatica

Aanplant leibomen: Li nde

3 st

12-14 cm

n.v.t.

4 m h.o.h.

Tilia europaea 'Pallida'

5. Natuurlijke rand noordzijde Aanleggen bloem- en kruidenrijk grasland:

Bl oemri jk gra s l a nd: cruydthoeck G1 832 m²/ 4.160 g 500 g/a re Bl oemri jk gra s l a ndmengs el voor Duizendblad - Achillea millefolium; Gewoon barbarakruid - Barbarea vulgaris; Knoopkruid - Centaurea jacea; Groot streepzaad - Crepis biennis; Klein streepzaad - Crepis capillaris; Peen - Daucus carota; Slangenkruid - Echium vulgare; Gewone reigersbek - Erodium cicutarium; Glad walstro - Galium mollugo subsp. Erectum; Schermhavikskruid - Hieracium sectie Hieracioides; Sint Janskruid Hypericum perforatum; Gewoon biggenkruid - Hypochaeris radicata; Zandblauwtje - Jasione montana; Gewone margriet - Leucanthemum vulgare; Gewone rolklaver - Lotus corniculatus var. Corniculatus; Gewone veldbies - Luzula campestris; Muskuskaasjeskruid - Malva moschata; Middelste teunisbloem Oenothera biennis; Smalle weegbree - Plantago lanceolata; Gewone brunel - Prunella vulgaris; Scherpe boterbloem - Ranunculus acris; Kleine ratelaar - Rhinanthus minor; Vertakte leeuwentand Scorzoneroides autumnalis; Dagkoekoeksbloem - Silene dioica; Gele morgenster - Tragopogon pratensis subsp. Pratensis; Hazenpootje - Trifolium arvense

Aanplant struweel; sortimentkeuze: Spa a ns e a a k

Acer campestre

Ha a gbeuk

Carpinus betulus

275 m² / 111 s t 80 - 100 cm

Gel e kornoel je Cornus mas Ha zel a a r

Corylus avellana

Mei doorn

Crataegus monogyna

Wegedoorn

Rhamnus cathartica

Aanplant bomen, keuze uit:

6 s tuks

Ha a gbeuk

Carpinus betulus

Gewone es

Fraxinus excelsior

Zoete kers

Prunus avium

16-18 cm

Hoogte 4 m; Breedte: 5 m

n.v.t.

a a npl a nt in dri ehoeks verba nd 1,5 m x 1,5 m

n.v.t.

Aan te planten: Inheemse zomereik op hoek perceel

l

e

D Aan te leggen: extensief grasland; 262 m² aan groen

Langgevelboerderij (bedrijfswoning)

Tuin

Aanplant bomen, keuze uit:

0

5 s tuks

Ha a gbeuk

Carpinus betulus

Iep

Ulmus x hollandica

Li nde

Tilia cordata

10

20

30

7.523 m²/ 37.615 g

30

40

50 m

Bestaande beplanting voorzijde (fruitbomen + beukenhaag)

500 g/a re

16-18 cm

N

n.v.t.

n.v.t.

G

Aan te planten: Beukenhaag met leibomen ter vervanging laurierhaag

Bestaande beplanting voorzijde (leibomen + beukenhaag); 115 m² aan bestaand groen

6. Agrarische gronden omvormen tot extensief natuurlijk grasland Aanleggen bloem- en kruidenrijk grasland: Bl oemri jk gra s l a nd: cruydthoeck G1 Bl oemri jk gra s l a ndmengs el voor Zie samenstelling onder punt 2 tabel

e ijz

Bestaande eikenbomen (180 m² aan bestaand groen)

15 augustus 2024 - Landschappelijk inpassingsplan - De Gijzel 30 Helvoirt - schaal 1:1000 32

3D-visualisatie vanaf de bocht (westzijde plangebied) De Gijzel op bestaande bedrijfswoning

3D-visualisatie vanaf de weg De Gijzel op nieuwbouw met inpassingsmaatregelen

3D-visualisatie vanaf oostzijde plangebied De Gijzel 30 met rechts de bestaande en nieuwe bebouwing achter de inpassingsmaatregelen

Ontwikkelingsrichting

Omgeving De Gijzel, Helvoirt (gem. Vught)

Rapportage Ontwikkelingsrichting Omgeving de Gijzel, Helvoirt Gemeente Vught

Rapportnummer:

P217382.001.010/GWI

Status:

definitief

Datum:

9 september 2024

Pouderoyen Tonnaer is een handelsnaam van Pouderoyen B.V. Wijchenseweg 102 6538SX Nijmegen T +31 (0)24 322 45 79 info@pouderoyentonnaer.nl pouderoyentonnaer.nl

Op onze dienstverlening zijn de DNR 2011 van toepassing die u vindt op pouderoyentonnaer.nl

Ontwikkelingsrichting omgeving De Gijzel 1. Inleiding 1.1 Aanleiding Het voornemen bestaat om voor het agrarische loonwerkersbedrijf, gelegen aan De Gijzel 30 te Helvoirt, een functiewijziging naar een verhuurbedrijf van machines voor infra- en bouwprojecten mogelijk te maken. Een van de belangrijkste provinciale randvoorwaarden voor eventuele goedkeuring aan de voorgenomen functiewijzing op de planlocatie (zoals opgenomen in artikel 3.73 van de huidig geldende Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant) betreft dat het voornemen moet passen binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied op basis van een (globale) gebiedsvisie. Aangezien er momenteel nog geen gebiedsvisie en/of ontwikkelingsrichting voor het gebied voorhanden is, wordt met voorliggende notitie beoogd alsnog een globale visie voor de planlocatie en de directe omgeving van de planlocatie op te stellen.

1.2 Begrenzing onderzoeksgebied Ten behoeve van de op te stellen ontwikkelingsrichting is in overleg met de gemeente Vught de begrenzing van het onderzoeksgebied voor deze notitie bepaald. Het onderzoeksgebied van ca. 280 ha groot wordt aan de oostzijde begrensd door de kern Helvoirt. Aan de noordzijde wordt het te onderzoeken gebied begrensd door de Udenhoutseweg, aan de westzijde door de Gijzelsestraat (tevens de gemeentegrens met de gemeente Tilburg) en aan de zuidzijde door de Rijksweg N65.

Begrenzing onderzoeksgebied ontwikkelingsrichting

1.3 Leeswijzer Ten behoeve van de gebiedsvisie is eerst een ruimtelijke analyse gemaakt van de bestaande situatie op basis van de lagenbenadering (hoofdstuk 2). In hoofdstuk 3 is een korte beschrijving van algemene trends in het landelijk gebied opgenomen. Vervolgens is het relevant beleidskader voor het gebied beschreven (in hoofdstuk 4). Op basis hiervan is een globale ontwikkelingsrichting voor het gebied opgesteld (hoofdstuk 5). Vervolgens is in hoofdstuk 6 het concrete voornemen op de planlocatie kort beschreven. Tenslotte wordt in hoofdstuk 7 beschreven in hoeverre het concrete voornemen op de planlocatie passend wordt geacht binnen de opgestelde globale ontwikkelingsrichting.

2. Gebiedsanalyse onderzoeksgebied 2.1 Inleiding Ten behoeve van de ruimtelijke analyse is gebruik gemaakt van de lagenbenadering. De toepassing van de lagenbenadering omvat een analyse van de effecten van een ruimtelijke ontwikkeling op: •

de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden;

•

de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen, waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer;

•

de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu;

Hierbij gaat het niet alleen om de afzonderlijke effecten per laag, maar ook de onderlinge wisselwerking met elkaar alsmede de tijdsdimensie.

2.2 Ondergrond 2.2.1

Bodem

De gronden in het onderzoeksgebied zijn in zijn geheel te typeren als eerdgronden. Eerdgronden zijn moerige en minerale gronden met humusrijke bovengrond, die doorgaans het gevolg is van een eeuwenlange geleidelijke ophoging met humushoudend materiaal door de mens. Tussen de eerdgronden zijn in het onderzoeksgebied nuanceverschillen te vinden: ter plekke van de planlocatie is sprake van een beekeerdgrond (bodemtype pZg23), het type eerdgrond dat voorkomt in een beekdal. Dit betreft een zandgrond met een humeuze toplaag. Dit type bodem komt voor in beekdalen waar eerst dekzand door wind is afgezet en waar zich vervolgens een humeuze toplaag heeft ontwikkeld. Ten noorden van de planlocatie zijn woudeerdgronden (bodemtype pLn5) gelegen, ontstaan uit de vermenging van verslagen veen. In het westelijk gedeelte van het onderzoeksgebied is sprake van een van oudsher groter agrarisch complex, waartoe de gronden bij Laar behoren. De enkeerdgronden hier (zEz23) maken deel uit van een kunstmatige ophoging (esdek) van ten minste 50 centimeter dik.

Uitsnede bodemkaart met onderzoekgebied en planlocatie

2.2.2

Geomorfologie

De gronden van het onderzoeksgebied sluiten qua geomorfologische karakteristiek aan bij het complex aan oude dekzandgronden ten noorden van Tilburg. Het onderzoeksgebied maakt onderdeel uit van een geologisch dalingsgebied, de Centrale Slenk. Het gebied is gelegen op de overgang van dekzandruggen en dekzandvlaktes. De vlaktes zijn ontstaat doordat er zand van de dekzandruggen in de beekdalen (van onder andere de Raamse Loop) door de wind is afgezet. Hierdoor werden de beekdalen steeds vlakker en zijn deze afgevlakt naar de hoogte van het omliggend maaiveld. Deze vlaktes liggen lager dan de dekzandruggen en hebben hierdoor veelal ook een hogere grondwaterstand. In de landschapsstructuur is dit te zien aan het watergangenstelsel. Op de dekzandvlakten zijn meer watergangen aanwezig dan op de hogere dekzandruggen. Van oorsprong kwamen op de dekzandvlakten bos- en heidegebieden voor. Zij werden in de 20e eeuw als laatste ontgonnen, waardoor de hoofdfunctie veranderde in afwisselend grasland, bouwland en boomteelt.

Uitsnede geomorfologische kaart

2.2.3

Water

Het oppervlaktewater binnen het onderzoeksgebied valt volledig binnen het stroomgebied van de Zandleij. De hoofdtak van de Zandleij begint bij Tilburg en stroom in noordoostelijke richting om uit te monden in het Drongelens kanaal nabij Cromvoirt. Aan de oostgrens van het onderzoeksgebied is een belangrijke zijtak van de Zandleij gesitueerd, te weten de Raamse Loop. Via een stelsel van sloten vindt waterafvoer via dit beeksysteem plaats

Uitsnede Legger Oppervlaktewateren Waterschap de Dommel met ligging onderzoeksgebied rood omlijnd, ligging planlocatie zwart omlijnd

In het onderzoeksgebied zijn verschillende A-, B- en C-watergangen aanwezig. Er zijn twee Awatergangen die het gebied van zuidwestelijke in noordoostelijke richting splitsen. A-wateren zijn de belangrijkste wateren met een afvoer van 30 liter per seconde of die met een bijzondere functie. Daarnaast zijn binnen het onderzoeksgebied een groot aantal B-wateren gelegen, voornamelijk parallel aan en ten zuiden van de spoorlijn ’s-Hertogenbosch – Eindhoven. Ten westen van de kern Helvoirt en centraal binnen het onderzoeksgebied zijn enkele natuurlijke overstromingsgebieden (licht groen op de legger) gelegen.

2.2.4

Landschap

In het gebied zijn een viertal landschapstypen te onderscheiden: kampen- en hoevenlandschap, besloten bosgebieden, jonge zandontginning en beekdallandschap. Het merendeel van het onderzoeksgebied maakt onderdeel uit van het kampen- of hoevenlandschap. Dit betreft een afwisselend open en besloten kamerlandschap bestaande uit dorpen, oude (bolle) akkers, bosje en houtwallen. Karakteristiek voor dit landschap zijn de diverse landschapselementen zoals houtwallen, hakhoutbosjes, lanen, solitaire bomen en bloem- en kruidenrijke bermen. Basis van de landschapsstructuur vormt de afwisseling van openheid en beslotenheid. Het centraal Brokkenbroek betreft een nat broekbosgebied. De gronden rondom de Brokkenbroek betreffen eveneens natte gronden, die als een van de laatste gronden werden ontgonnen. Ze maken

daarom onderdeel uit van de jonge zandontginningen. Kenmerkend is de rechte verkaveling. Kavels zijn vaak voorzien van sloten, zodat het water sneller weg kan lopen. Vanwege het natte karakter bevindt zich hier van nature minder (historische) bebouwing.

Uitsnede landschapstypen (Bron: Visie Wonen)

Aan de oostgrens van het onderzoeksgebied, tegen de kern van Helvoirt, is het beekdal van de Raamse Loop gelegen, die verderop uitmondt in de Zandleij. In het verleden waren beekdalen te herkennen aan de relatief lage ligging en aanwezigheid van opgaande beplanting dwars op de beek. De gronden waren veelal in gebruik als weide- of hooiland. De beekdalen zijn nu minder goed te herkennen, doordat de beek genormaliseerd en gekanaliseerd is.

2.2.5

Natuur

Centraal en noordelijk binnen het onderzoeksgebied is een groot bebost gebied gelegen ‘de Brokkenbroek’. Dit betreft een nat broekbos dat aan de zuidzijde grotendeels wordt afgeschermd door de spoorlijn ’s-Hertogenbosch – Eindhoven. Ten zuiden van deze spoorlijn zijn nog enkele uitstulpingen van het beboste gebied aanwezig. Aan de noordzijde van de Udenhoutseweg trekt de groene zone zich al dan niet versnipperd door in de richting van de Loonse en Drunense Duinen. Aan de westkant van het onderzoeksgebied zijn overwegend agrarische gronden gelegen en is minder ruimte voor natuur. Ten zuiden van het onderzoeksgebied zijn eveneens weinig natuurzones en overwegend agrarische gronden gelegen. Aan de oostelijke zijde wordt het onderzoeksgebied begrensd door de rechtgetrokken Raamse Loop en de kern Helvoirt, waar eveneens weinig natuurwaarden aanwezig zijn.

Lange bomenrijen zijn voornamelijk ten zuiden van het onderzoeksgebied aanwezig. Binnen het onderzoeksgebied zijn deze grotendeels gefragmenteerd en daarmee in de huidige situatie veelal afwezig. De structuren qua opgaande beplanting zijn in de vorm van bospercelen en boomteeltpercelen met eventueel boskamers. Verder zijn er lijnstructuren gesitueerd langs de perceelsgrenzen, veelal in de vorm van struweelstroken met daarin enkele bomen. Daarnaast zijn diverse woon- en bedrijfserven beplant met scheer- en kniphagen en bomenrijen op de perceelsgrenzen.

Luchtfoto met onderzoeksgebied rood omlijnd

2.3 Netwerklaag De netwerklaag omvat het geheel aan infrastructurele netwerken. Het onderzoeksgebied wordt deels begrensd door grote verkeersaders. De grootste autoweg is de Rijksweg N65 aan de zuidzijde van het onderzoeksgebied, die in het verlengde ligt van het traject van de A65 en hiermee de verbinding vormt van ’s-Hertogenbosch naar Tilburg.

Impressie infrastructurele situatie in en rondom onderzoeksgebied

In het onderzoeksgebied zelf is sprake van een lage infrastructurele dichtheid. De Gijzel is ter plekke van de planlocatie eigenlijk de enige ontsluitingsroute die het gebied kent. Daarnaast wordt de noordgrens van het onderzoeksgebied gevormd door de Udenhoutseweg. De dichtheid aan wegen is in het zuidwesten van het onderzoeksgebied het grootst, waar enkele wegen ontsluiten op de Rijksweg ten zuiden van het gebied en de Gijzelsestraat aan de westzijde van het onderzoeksgebied. Ten noorden van de spoorweg zijn tussen de Udenhoutseweg en de spoorlijn geen wegen gesitueerd (met uitzondering van de erftoegangsweg Klein Laar aan de noordwestzijde van het onderzoeksgebied).

2.4 Occupatielaag De occupatielaag is een weerspiegeling van het menselijk handelen en kent vergeleken met de andere lagen een hoge veranderingssnelheid. De occupatielaag zal ook in het buitengebied onder invloed van externe factoren op grote schaal veranderen in de komende jaren.

2.4.1 Historische ontwikkeling Het onderzoeksgebied bevindt zich op de overgang van de hoge zwarte enkeerdgronden naar de lagere gronden. De zwarte enkeerdgronden zijn de hogere gronden, die enken/essen genoemd worden. Deze zijn ontstaan zijn door het potstalsysteem waarbij plantenzoden werden geplagd en gemengd met uitwerpselen en vervolgens verspreid werden op de overgangszone van hoge naar lage gebieden. De boerderijen werden ook op deze overgangszone gevestigd. In het onderzoeksgebied bevinden zich een tweetal historische buurtschappen. De Gijzel in het zuidoosten van het onderzoeksgebied en Groot en Klein Laar in het noordwesten van het onderzoeksgebied. De namen van deze buurtschappen zijn al te vinden op kaarten uit 1815.

Topografische kaart van 1900 met ligging onderzoeksgebied en planlocatie (bron: TopoTijdreis)

De Gijzel en de Udenhoutseweg vormen al geruime tijd een ontsluitingsroute in het buitengebied ten westen van Helvoirt. Het gebied ten westen van Helvoirt wordt doorsneden door bospercelen behorend bij het historisch natuurgebied Brokkenbroek. Deze bospercelen vormen in deze periode een natuurlijke uitloper van de Loonse en Drunense Duinen ten westen van Gijzel. De grens tussen de kleinere bospercelen en de open agrarische percelen is ook duidelijk herkenbaar rondom Laar (aan de noordwestzijde). Een belangrijke ontwikkeling die zijn sporen heeft nagelaten in het onderzoeksgebied is de aanleg en ingebruikname van de spoorlijn Nijmegen – Tilburg. De spoorlijn vormde een harde doorsnijding van de bospercelen van Brokkenbroek en een onderbreking van de groenstructuur tussen Brokkenbroek en de Loonse en Drunense Duinen. Na de aanleg van de spoorlijn, verandert er gedurende decennia weinig aan het landschap. De karakteristieke lintbebouwing is ondanks de doorsnijding van de spoorlijn in deze periode intact gebleven. Rondom de jaren ’60 en ’70 breidt de kern van Helvoirt zich verder uit. In eerste instantie is dit uitbreiding in de vorm van lintbebouwing langs de ontsluitingswegen van de kern: de Achterstraat en de Udenhoutseweg. Ook aan De Gijzel dijt de kern verder uit in deze periode, waardoor ook de bebouwde kern van Helvoirt dichterbij de planlocatie komt te liggen.

2.4.2 Huidig functioneel gebruik

Analyse bestaande bestemmingen onderzoeksgebied

Het onderzoeksgebied betreft een kleinschalig, half besloten landschap in de overgangszone van de kern Helvoirt naar het buitengebied met enkele bestaande historische bebouwingslinten. Het onderzoeksgebied betreft een gemengd landelijk gebied, waarbij reeds sprake is van een zekere menging van functies. Naast de aanwezigheid van diverse agrarische bedrijfslocaties, waaronder ook enkele veehouderij- locaties, bevinden zich in het onderzoeksgebied met name burgerwoningen en enkele niet-agrarische bedrijfslocaties. De burgerwoningen zijn hoofdzakelijk gelegen langs het lint van de Gijzel. Daarnaast bevinden zich ook aan de Udenhoutseweg in het noorden en de Gijzelsestraat in het westen nog enkele burgerwoningen. Het grootste cluster van burgerwoningen is te vinden op de splitsing van de Gijzel met de Kreitestraat. Hoewel De Gijzel voornamelijk een historisch lint in het buitengebied is, begint deze oostelijk van het plangebied al dieper in de kern van Helvoirt, op de kruising Biestakkerstraat/Schoorstraat/Lange Pad/De Gijzel. De woningen staan veelal aan de weg en zijn hier ook op georiënteerd. Er bevinden zich geen woningen in de 2e lijn. De niet-agrarische bedrijfslocaties bevinden zich bijna uitsluitend in het bebouwingslint van de Gijzel, waarbij deze afwisselend gelegen zijn tussen woonbestemmingen.

Grondgebruik De onbebouwde gronden in het onderzoeksgebied zijn veelal in agrarisch gebruik. De Basisregistratie Gewaspercelen (BRP) koppelt de locatie van landbouwpercelen met het grondgebruik. Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen bouwland, braakland, grasland en natuurterrein. Het agrarisch grondgebruik in het onderzoeksgebied kan op basis van de Basisregistratie Gewaspercelen (BRP)

grofweg gekarakteriseerd worden als een 50/50 verdeling tussen grasland en bouwland ten behoeve van akkerbouw, maar met name boomteelt. In het noordoosten van het onderzoeksgebied bevindt zich het broekbos ‘Brokkenbroek’. Daarnaast zijn met name ten zuiden van de spoorlijn nog enkele solitaire bospercelen gelegen.

Agrarisch grondgebruik agrarische percelen binnen het onderzoeksgebied (BRP)

3. Trends Algemeen De verwachting is dat de functie van het buitengebied de komende jaren steeds meer gaat wijzigen van productieruimte naar consumptieruimte. Van een agrarisch productielandschap verandert het buitengebied steeds meer in een gebied waar op steeds grotere schaal functiemenging plaatsvindt. De agrarische sector neemt in aantal bedrijven landelijk in een rap tempo af, de resterende agrarische bedrijven worden groter en boeren specialiseren zich meer of ontplooien nevenactiviteiten. Tegelijkertijd nemen andere sectoren zoals wonen, recreatie en natuur toe. Daarnaast groeit ook het belang van een aantrekkelijk buitengebied als vestigingsfactor. Als gevolg van deze ontwikkelingen verandert ook de relatie tussen stad en platteland. Waar de omgeving van de stad in het verleden vooral werd gezien als leverancier van voedsel voor de stedeling, is het platteland in de loop der jaren voor de stedeling uitgegroeid tot ontspanningsruimte. Landbouw De landbouw staat onder druk vanwege toenemende wet- en regelgeving.

Zo leiden de zogenaamde stoppersregeling (een gedoogregeling voor veehouders die niet voldoen aan emissie-eisen van het Besluit emissiearme huisvesting), de warme sanering varkenshouderij, de eisen die door de provincie Noord-Brabant in de Interim Omgevingsverordening (IOV) zijn gesteld aan stallen van veehouderijen en uiteraard de huidige stikstofproblematiek tot wezenlijke veranderingen, vraagstukken of zelfs problemen in het buitengebied. Steeds strengere milieuregels (zoals eisen over emissies stikstof en ammoniak) hebben geleid tot een lagere uitstoot, duurzamere productie en een verhoging van het dierenwelzijn. Maar, tegelijkertijd stellen ze ook strengere grenzen en voorwaarden aan ontwikkelingsmogelijkheden voor de veehouderij. Het voldoen aan de strengere eisen vraagt grote investeringen van boeren, bijvoorbeeld in de vorm van luchtwassers. Boeren worden voor de keuze gezet: produceren voor de wereldmarkt (bulk), produceren voor een nichemarkt (bijvoorbeeld streekproducten), produceren voor een kwaliteitsmarkt (bijvoorbeeld één ster Beter Leven), of stoppen. De verwachting is dat een aanzienlijk aantal veehouders moet of wil stoppen. Hergebruik vrijkomende agrarische bebouwing Voor veel gestopte agrariërs geldt dat zij nog op het erf blijven wonen en de bedrijfsgebouwen voor hobbymatige agrarische activiteiten gebruiken.

Daarnaast vindt er in veel gevallen ook herbestemming plaats. De plattelandseconomie wordt hierdoor multifunctioneler en hergebruik van VAB's biedt ook kansen om het buitengebied leefbaar en vitaal te houden. In het verleden lag het accent bij het hergebruik van VAB's op kleine familiebedrijven met verouderde bebouwing. Door de schaalvergroting in de landbouw is echter een deel van de agrarische bedrijven steeds omvangrijker geworden en zijn de stallen steeds groter. Gezien de verwachting dat het aantal agrarische bedrijven gaat afnemen, wordt verwacht dat de hoeveelheid vrijkomende agrarische bebouwing gaat toenemen. Leegstand Leegstand van vrijkomende bebouwing kan grote gevolgen hebben voor de kwaliteit van het buitengebied. Veel partijen zien leegstand als ongewenst doordat het enerzijds kan leiden tot individuele problemen, zoals schulden bij moeilijk te verkopen vastgoed en anderzijds doordat het kan leiden tot diverse maatschappelijke problemen. Hierbij valt te denken aan aantasting van de vitaliteit van het buitengebied, verloedering van het landschap en risico's voor de volksgezondheid als gevolg van verweerde asbestdaken. Daarnaast zijn ondermijning en criminalisering op het platteland een groeiend probleem.

De kans bestaat dat leegstaande stallen en schuren worden gebruikt voor criminele activiteiten, zoals drugslabs of –afvaldumping met enorme maatschappelijke kosten tot gevolg. Bij een financieel heikele situatie kan het voor de boer ook steeds moeilijker worden om weerstand te bieden aan deze druk.

4. Beleidskader 4.1 Rijksbeleid 4.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is op 11 september 2020 vastgesteld. Deze visie is door het Rijk opgesteld in het kader van de nieuwe Omgevingswet, die naar verwachting in 2024 in werking treedt. Aan de hand van een toekomstperspectief is hierin de langetermijnvisie in beeld gebracht. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Hiervoor worden de volgende vier prioriteiten onderscheiden: 1. Ruimte voor klimaat adaptatie. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel. 3. Sterke en gezonde steden en regio's. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om invulling te kunnen geven aan deze vier prioriteiten hanteert het Rijk de volgende drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaat voor enkelvoudige functies. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. 3. Afwentelen wordt voorkomen. In de NOVI wordt prioriteit gegeven aan toekomstbestendige ontwikkelingen van het landelijk gebied. Dit houdt in dat landgebruik in balans moet worden gebracht met natuurlijke systemen en dat ontwikkelingen in het landelijk gebied niet ten koste moeten gaan van landschappelijke kwaliteiten. Met ontwikkelingen kan bijgedragen worden aan sterke en gezonde steden en regio’s. Door bijvoorbeeld leegstand te voorkomen kan afwentelen in landelijk gebied worden voorkomen.

4.2 Provinciaal beleid 4.2.1 Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ Op 14 december 2018 hebben de Provinciale Staten de Omgevingsvisie 'De kwaliteit van Brabant' vastgesteld. Met de Omgevingsvisie formuleert de provincie haar ambitie over hoe zij de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit wil laten zien. Daarbij stelt zij tussendoelen voor 2030, maar legt nu nog niet vast hoe zij die doelen wil bereiken. Rode draad in de visie is om de kwaliteit van de Brabantse leefomgeving te behouden, te versterken en door te geven aan volgende generaties. Er is sprake van een nieuw samenspel: •

•

•

Een 'diepe' manier van kijken: er wordt niet alleen gekeken naar effecten op de bovenste laag in het hier en nu, maar hierin worden de dynamiek en randvoorwaarden betrokken die de onderste lagen meegeven. Daarbij wordt op verschillende schaalniveaus gekeken naar gelang een vraagstuk daarom vraagt en wordt de factor tijd actief benut. Hierbij wordt ook naar het verleden gekeken, de geschiedenis van de lagen op een plek, en naar (effecten in) de toekomst. Een 'ronde' manier van kijken: er wordt niet sectoraal gekeken maar opgaven en kansen worden gecombineerd zodat ontwikkelingen optimaal bijdragen aan een circulair, sterk en sociaal Brabant, waarin alle Brabanders zich prettig voelen. Vanuit een gebiedsgerichte insteek. Een nieuwe ronde manier van kijken met een balans tussen people, planet en profit. Een 'brede' manier van kijken: er wordt niet vanuit één gezichtspunt gekeken maar er worden veel partijen bij betrokken, met al hun gezichtspunten, meningen, wensen, ideeën en belangen.

De provincie hanteert vijf kernwaarden voor haar denken en handelen. Er wordt ingezet op:

1. 2. 3. 4. 5.

Meerwaardecreatie; technische en sociale innovatie; kwaliteit boven kwantiteit; een continue verbetering van de leefomgeving; proactief en preventief handelen boven gevolgbeperking en herstel.

Met de visie geeft de provincie aan wat zij belangrijk vindt voor de verbetering en duurzame ontwikkeling van Brabant. Daarbij ligt de focus op vier hoofdopgaven voor de middellange en lange termijn:  werken aan energietransitie;  een klimaatproof Brabant;  de slimme netwerkstad, en  een concurrerende duurzame economie. Deze vier hoofdopgaven staan ten dienste van de basis opgave: werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit.

4.2.2 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant De IOV is op 25 oktober 2019 vastgesteld en nadien enkele malen partieel gewijzigd. De IOV betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Interim Omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er bij het vaststellen geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de Omgevingsvisie. Belangrijke uitgangspunten vanuit de Omgevingsvisie zijn verwerkt. De nieuwe manier van werken met diep, rond en breed kijken is opgenomen en er wordt vaker een koppeling gelegd met omgevingskwaliteit door bijvoorbeeld sanering van leegstaand vastgoed. De IOV wil goede initiatieven ondersteunen. Daarvoor sluit de IOV aan bij de nieuwe manier van werken uit de Brabantse Omgevingsvisie en worden meer mogelijkheden geboden voor maatwerk. Hiertoe zijn in de IOV in plaats van middelvoorschriften doelvoorschriften opgenomen en wordt uitgegaan van een 'ja, mits - benadering'. Belangrijk voor het beleid in het buitengebied is de zonering van het gemengd landelijk gebied, de groenblauwe mantel en het Natuurnetwerk Brabant.

Aan deze zonering zijn de ontwikkelingsmogelijkheden gekoppeld voor de agrarische en niet agrarische functies. Natuur Netwerk Brabant

Uitsnede Natuurnetwerk Brabant

Het Brokkenbroek betreft een waardevol (nat) natuurgebied, dat evenals enkele solitaire bospercelen ten zuiden van de spoorlijn onderdeel uit maakt van het Natuur Netwerk Brabant (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). Deze gronden zijn bestemd voor het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken.

Groenblauwe mantel De gronden rondom het Brokkenbroek zijn aangeduid als groenblauwe mantel. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw (het NNB) en het gemengd landelijk gebied. De mantel beschermt het kerngebied groenblauw en zorgt voor verbinding met het omliggende gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit grondgebonden agrarisch gebied, met belangrijke nevenfuncties voor natuur, water en (niet-bezoekersintensieve) recreatie. Door in de groenblauwe mantel in te zetten op het behoud en ontwikkeling van natuur en water(beheer) wordt bijgedragen aan de bescherming van de waarden in het aanliggende kerngebied groenblauw. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen de mantel zijn mogelijk, als ze een positief effect hebben op de bestaande en te ontwikkelen natuur- en landschapswaarden en/of op het bodem- en watersysteem in het gebied: de 'ja-mits benadering'. De waarden in de groenblauwe mantel zijn vaak gekoppeld aan het bodemwatersysteem (zoals de aanwezigheid van kwel), aan landschapselementen (zoals houtwallen en heggen), en de aanwezigheid van bijzondere planten en dieren.

Uitsnede situering groenblauwe mantel (groen gearceerd) en gemengd landelijk gebied (bruine arcering)

Gemengd landelijk gebied De gronden in het westen en zuiden van het onderzoeksgebied zijn in de IOV aangeduid als gemengd landelijk gebied. Het gemengd landelijk gebied betreft de agrarische gronden, gelegen buiten de groenblauwe structuur. Het gebied biedt een multifunctionele gebruiksruimte voor land- en tuinbouw, natuur, water, recreatie, toerisme en kleinschalige stedelijke functies. Land- en tuinbouw zijn daarbij de grootste ruimtegebruikers. In het gebied worden de agrarische functies in samenhang met de

andere functies uitgeoefend. Voor wat betreft het agrarisch gebied vraagt de provincie aan gemeenten om aan te geven welke ontwikkelmogelijkheden er zijn voor een gevarieerde plattelandseconomie. Binnen gemengd landelijk gebied gelden andere regels dan binnen de groenblauwe mantel. Binnen het gemengd landelijk gebied zijn er over het algemeen meer vestigings- en ontwikkelingsmogelijkheden.

Beperking veehouderij: geen uitbreiding iv bedrijven Voor een groot deel van het onderzoeksgebied in een ruime zone rondom het Brokkenbroek en nabij de kern van Helvoirt geldt dat de uitbreiding van, vestiging van, en omschakeling naar een veehouderij alleen onder strikte voorwaarden is toegestaan. Aangezien het onderzoeksgebied voor een groot deel is gelegen binnen de aanduiding 'Beperkingen veehouderij '. De begrenzing van deze aanduiding komt overeen met de voormalige begrenzing 'extensiveringsgebied' uit het voormalige reconstructieplan. Binnen deze aanduiding is iedere uitbreiding van bestaande bebouwing en voorzieningen (peildatum 21 september 2013) van veehouderijen niet toegestaan, tenzij sprake is van een 'grondgebonden veehouderij'.

Uitsnede aanduiding ‘beperking veehouderij’

Attentiezone waterhuishouding Een groot gedeelte van het onderzoeksgebied, in een ruime cirkel rondom het Brokkenbroek is tevens aangewezen als attentiegebied waterhuishouding. Dit betreft agrarische gebieden rondom kwetsbare natuurgebieden ter bescherming van de waterhuishouding van de NNB. De Attentiezone waterhuishouding strekt tot bescherming van de waterhuishouding en sluit functies en activiteiten uit die een negatief effect hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant. Voor bodemingrepen die een negatief effect kunnen hebben op de (grond)waterstand van het nabijgelegen natuurgebied is hier een omgevingsvergunning vereist.

Uitsnede attentiezone waterhuishouding

Waterbergingsgebied Binnen het onderzoeksgebied zijn ook diverse gronden aangeduid als waterbergingsgebied, met name in het midden en oosten. Deze gronden dienen mede tot behoud van het waterbergend vermogen van dat gebied. Er gelden beperkingen voor de oprichting van gebouwen, omdat deze gronden nodig zijn om wateroverlast tegen te gaan. Gronden aangeduid met reserveringsgebied waterberging betreffen slechts zoekgebieden. Hier is bij eventuele ontwikkelingsverzoeken nog een nadere afweging mogelijk.

Uitsnede situering regionale waterbergingsgebieden waterberging (lichtblauw)

(donkerblauw)

en

reserveringsgebied

Niet-agrarische gebruiksfuncties: plattelandsvernieuwing – hergebruik In de IOV zijn tevens specifieke regels opgenomen met betrekking tot een aantal niet-agrarische ontwikkelingen in het buitengebied, bijvoorbeeld functiewijziging en ontwikkelingsmogelijkheden van bedrijven. De regels zijn erop gericht om een kader te geven voor de aard en omvang van de ontwikkelingen, waarbinnen de gemeente haar eigen ruimtelijke afweging kan maken. Toename van bebouwing in het buitengebied dient zoveel mogelijk te worden voorkomen. Algemeen uitgangspunt is dat gebruik moet worden gemaakt van bestaande bebouwing en een bestaande bedrijfslocatie. Daarnaast moet overtollige bebouwing worden gesloopt en moet onderbouwd worden dat de voorgenomen ontwikkeling ook op de lange termijn past binnen de beoogde ontwikkeling van het gebied, gelet op de aard, situering en omvang van het voornemen en bijdraagt aan versterking van de omgevingskwaliteit.

4.3 Gemeentelijk beleid

4.3.2 Omgevingsvisie De gemeente heeft op 21 december 2023 een nieuwe gemeentebrede structuurvisie in de vorm van een Omgevingsvisie vastgesteld. De Omgevingsvisie betreft een visie op hoofdlijnen, waarin staat beschreven hoe de gemeente de leefomgeving op de lange termijn vorm en inhoud wil geven, deels gebaseerd op vastgesteld beleid. In

de visie staat wat wij de gemeente belangrijk vindt om te behouden, te versterken en te ontwikkelen. Op basis van 4 leidende principes zijn 3 hoofddoelstellingen geformuleerd: 1. De leefomgeving is toegankelijk, gezond en veilig, zowel voor mens, dier als plant; 2. Wonen, werken en voorzieningen zijn in balans en iedereen kan meedoen; 3. Er is een goede balans tussen gebruik en bescherming van de natuur, bodem, water en lucht. In de omgevingsvisie is de gemeente in 7 verschillende deelgebieden onderverdeeld. Het onderzoeksgebied maakt onderdeel uit van de agrarische zone. Dit landelijke gebied heeft overwegend een agrarisch karakter en ligt met name tussen Helvoirt, Cromvoirt en de Loonse en Drunens Duinen in. Het betreft een afwisselend gebied met veel verschillende functies, cultuurhistorische structuren en elementen, waaronder zandpaden, bebouwingslinten, groene landschapselementen, boerenvelden en paardenweides.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vught&id=1c485ad2-c6dd-4ffe-ae16-26827c000c3a