BIjlage - Bijlagen bij de motivering
Tekst van het document
Bijlagen bij de motivering TAM-IMRO omgevingsplan “Hoofdstuk 22b Gestelstraat 2 Helvoirt”
Bijlage 1. Landschappelijk inpassingsplan Bijlage 2. Quickscan Flora en Fauna Bijlage 3. Stikstofonderzoek Bijlage 4. Bodemonderzoek Bijlage 5. Akoestisch onderzoek Bijlage 6. Archeologisch onderzoek Bijlage 7. Vooroverlegreactie waterschap Bijlage 8. Verslag omgevingsdialoog Bijlage 9. Rekenmodule regeling Maatwerk met als doel omgevingskwaliteit Bijlage 10. Certificaat bouwtitel
Landschapsplan voor het landschappelijke inpassingsplan Molenstraat en Gestelstraat 2, Helvoirt. Dit landschapsplan is onderdeel van het plan voor de realisatie van 2 ruimte voor ruimte kavels (maximaal 4 woningen) op de hoek Molenstraat/Gestelstraat en onderdeel van de omzetting van de agrarische bedrijfswoning Gestelstraat 2 naar burgerwoning.
De grootste kwaliteitsverbetering landschap als gevolg van dit plan vindt plaats in het Helvoirts Broek waardoor dit plan een belangrijke ontbrekende schakel in het Natuurnetwerk van agrarisch perceel naar natuurperceel wordt omgezet. Voor de benodigde landschappelijke inpassing van de woningen en de landschappelijke inpassing van de voormalige agrarische bedrijfswoning wordt aansluiting gezocht bij de systematiek van de groene kamers die is beschreven in deel B van de Structuurvisie van de voormalige gemeente Haaren. Ook sluiten het landschapsplan aan bij de Groenvisie gemeente Vught 2023-2033 en de Ontwerp omgevingsvisie van de gemeente Vught 2023-2033.
De Groene Kamers Tussen de Margriet, Helvoirtsche heide en het Hengstven ligt centraal in de gemeente Haaren het gebied dat in de Structuurvisie is aangeduid als ‘De Groene Kamers’. Kenmerkend voor het uitgestrekte gebied is de kleinschalige openheid, ofwel het halfopen landschap met groene kamers. Deze groene kamers worden gevormd door de laanbeplantingen langs de wegen in dit deel van het buitengebied. Ze bieden een ruimtelijk casco, waarbinnen ruimtelijke ontwikkelingen kunnen worden ingepast. Het plangebied wordt ingepast in het ruimtelijke casco (de groene kamer) van de Molenstraat, de Hoge Raam, de Antwerpse baan en de Gestelstraat.
Illustratie groenkamer
Schets van verkavel
(bron: structuurvisie gemeente Haaren deel B)
(Bron gemeente Vught, ruimtelijkeplannen.nl bewerkt bureaumarco)
Uitgangspunten uit de structuurvisie van de voormalige gemeente Haaren zijn voor dit plan zijn het behoud en versterken van de kleinschalige openheid/het halfopen landschap van de groene kamers door onder andere.: • Gevarieerd landschaps- en bebouwingsbeeld met een afwisseling landschap van open en besloten delen; • Het casco van de groene kamers wordt gevormd door wegen met tweezijdige laanbeplanting; • Binnen het casco een verfijning met landschapselementen als houtwallen, bospercelen, boomteeltpercelen en erven met beplanting. Gemengd gebruik agrarische gronden als weiland, akker en voor de boomteelt; 1
• • • •
Bebouwing geclusterd per perceel met wisselende groene erfinrichting (open erven, hagen en heggen, bosschages en bomen); Bebouwing gesitueerd aan oude ontsluitingswegen in linten, geclusterd in kleine buurtschappen en solitair; Aanleg van nieuwe lineaire beplantingselementen/laanbeplanting ter versterking van het casco van de groene kamers; Ontwikkelingen per groene kamer landschappelijk inpassen met landschapselementen als bomenlanen, houtwallen, heggen en boomteeltpercelen.
De percelen op de hoek Molenstraat/Gestelstraat worden landschappelijk ingepast op een wijze die past bij de uitgangspunten van De Groene Kamers. Het bebouwingscluster is gelegen aan een oude ontsluitingsweg van de Molenstraat. Het toevoegen van woningen ten zuiden van de Gestelstraat en ten westen van de Molenstraat sluit aan op de oude bebouwingsconcentratie en past logisch in het landschap. De locatie sluit aan bij de bestaande bebouwing langs de Molenstraat. De westzijde van de weg kent rond de aansluiting tussen de Gestelstraat en de Molenstraat al een concentratie van bebouwing. De nieuwe bebouwing ligt terug en is zo gesitueerd vanwege de geluidsbelasting op de woningen door de Molenstraat . Er blijft ruimte tussen het meest zuidelijke nieuwe kavel en het perceel van Molenstraat 18 om het ritme van de bebouwing en open stukken te behouden. Tevens blijft zo een zichtlijn open naar het hart van de groene kamer. Er ontstaat een compact cluster van bebouwing rond de aansluiting van beide straten en een logische en duurzame begrenzing van het bebouwingscluster. De openheid naar het Helvoirts Broek wordt niet aangetast. Door de landschappelijke inpassing wordt aangesloten op het coulisselandschap. De bestaande groenstructuren nemen de bebouwing gemakkelijk op in het landschap.
De ontsluiting van de percelen vindt plaats op de Molenstraat op een manier die aansluit bij de ontsluiting van de bestaande bebouwing. Via een gezamenlijk erf, met een mogelijkheid voor overdekt parkeren. De woningen kennen aan de westkant een brede groenstrook om de overgang naar de groene kamer vorm te geven, hierin is tevens de wateropvang van de percelen gesitueerd (in de vorm van een Wadi/greppel). In het weiland is een spuitvrije zone opgenomen. Het gaat bij dit plan om 2 ruimte voor ruimte titels waarbij mogelijk gebruik wordt gemaakt van de provinciale regeling om van twee ruimte voor ruimte titels voor grote woningen, 4 kleinere woningen te bouwen. Het is wenselijk om deze flexibiliteit in het plan op te nemen om de ontwikkeling flexibel in de markt te kunnen zetten. Voor dit plan betekend dit dat deze flexibiliteit niet mag leiden tot een woningbouwontwikkeling die niet past bij de maat en schaal van de woningen die al aanwezig zijn in dit bebouwingscluster aan de Molenstraat Daarom is een beeldkwaliteitplan opgesteld om deze kwaliteit te garanderen, het beeldkwaliteitplan bestaat uit een tekstuele en visuele toelichting van de beoogde beeldkwaliteit.
De opsplitsing van de 2 ruimte voor ruimte titels in eventueel 4 kleinere kavels (of een ander variant) heeft, doordat het bouwvolume niet toeneemt, geen invloed op de landschappelijke inpassing van het cluster. Binnen het casco vormt de collectieve groenstrook, die wordt ingevuld met een houtwal, een verfijning in de kamer en zal als overgang dienen van de tuinen van de woningen naar het agrarische landschap. Vanuit de Gestelstraat blijft een gebied open tussen het voormalige agrarisch bouwblok en de nieuwe kavels. De open ruimte in deze groene kamer is onder andere de huiskavel van het agrarische bedrijf aan de Molenstraat 20 en wordt gebruikt voor de weidegang. Het gebruik sluit aan bij het gewenste 2
gevarieerde beeld van de kamers en is onderdeel van de principes van de carrousel van natuurontwikkeling rond het Helvoirt Broek, waar dit plan onderdeel van is. Hiermee wordt voldaan aan de op de locatie van toepassing zijn de uitgangspunten die zijn beschreven in de structuurvisie voor dit landschapstype.
De Groenvisie gemeente Vught 2023-2033 . In de Groenvisie Gemeente Vught gaat vooral om het stimuleren en versterken van de biodiversiteit, het klimaat, de identiteit, gezondheid en samenwerking Met name de thematische benadering mbt groenstructuur, biodiversiteit en identiteit zijn direct van toepassing op deze ontwikkeling en hebben een directe relatie met de effecten van deze ontwikkeling op het landschap. Als het gaat om klimaat, gezondheid en samenwerking zijn de relatie en effecten wat indirecter. Groenstructuur “De huidige groenstructuren beschermen, behouden, verbinden en versterken wij. Nieuwe groenstructuren richten we toekomstbestendig in.” De beleidspunten die volgen uit de groenstructuur zijn: • Groen is een sturend principe bij planvorming. • We stellen een groennorm vast van minimaal 100 m2 groen per woning bij de bouw van nieuwe woningen om voldoende openbaar groen te waarborgen. • Wanneer structuurbepalend en beeldbepalend groen niet behouden kunnen worden, moet gelijkwaardig groen worden teruggebracht. • Overig groen moet ook gecompenseerd worden door gelijkwaardig groen of door een bedrag in het groenfonds. • We leggen belangrijke natuurlijke landschapselementen vast in een duurzame (groen)structuur die wordt beschermd.
De plan ontwikkeling en het ingang zetten van de carrousel, de effecten op het Helvoirts Broek, het gebruik maken van ruimte voor ruimte kavels (waardoor elders in Brabant kwaliteitsverbetering plaatsvindt) en de landschappelijke inpassing van het plan leveren direct en concreet op 3 schaalniveaus een bijdrage aan de ambities uit de Groenvisie gemeente Vught 2023-2033. Biodiversiteit De beleidspunten voor het behouden, versterken en stimuleren van de biodiversiteit zijn: • Meer gebiedseigen soorten te gebruiken bij (her) inrichtingen. • Gerichte (ecologische) beheermaatregelen uitvoeren voor vastgestelde doelsoorten. • De weerstand tegen een natuurlijk beeld te verminderen door onze bewoners voor te lichten. • De resterende ecologische verbindingszones in de gemeente aan te leggen De planontwikkeling draagt op 3 schaalniveaus een bij aan het verstreken van de biodiversiteit, door het ingang zetten van de carrousel, en de positieve effecten daarvan op het Helvoirts Broek, door het gebruik maken van ruimte voor ruimte kavels (waardoor elders in Brabant kwaliteitsverbetering plaatsvindt) en door de landschappelijke inpassing. Versterking van de biodiversiteit in de directe omgeving van het plan door de verschillende landschapselementen, en in het Helvoirts Broek door het versterken van de ecologische verbindingszone en het uitbreiden van het natuur areaal in het beekdal.
Identiteit Helvoirt heeft haar naam te danken aan de ligging. Het dorp ontstond middenin een moerassig gebied, rondom een ondiepe doorgang (de huidige Torenstraat). Een ander woord voor ondiepe doorgang was ‘voirt’. En het moeras werd ervaren als de ‘hel’. Vandaar de naam Helvoirt. Het moerasgebied werd het Helvoirt Broek genoemd, Broek is een andere benaming voor een laag stuk 3
land dat regelmatig overstroomt. De moerassen en plassen van het Helvoirt Broek zijn rond 1900 drooggelegd. Daarna breidde het dorp Helvoirt verder uit. Begin 1900 telde het twaalfhonderd inwoners, nu bijna vijfduizend. In 1994 werd het Helvoirts Broek omgevormd tot een natuurgebied grotendeels in het bezit van het Brabants Landschap. Andere natuurgebieden zijn de Helvoirtse heide en de beekdalen van de Broekleij en de Raamsche Loop. Ook de bijzondere kerken, landgoed Zwijnsbergen en een aantal monumentale villa’s en boerderijen maken van Helvoirt een unieke plaats. De plan ontwikkeling draagt in sterke mate bij aan de versterking van het Helvoirts Broek een beweging die vanaf 1994 is ingezet. Met dit plan wordt weer een deel van die ambitie wordt gerealiseerd.
Structuurkaart Groenvisie gemeente Vught 2023-2033 (bron gemeente Vught) De locatie ligt aan een structuur bepalende laan in het plan wordt daar rekening mee gehouden met de positionering van de uitrit en de noordelijke structuurbepalende laan wordt behouden en beschermd.
4
Thema kaart Groenvisie gemeente Vught 2023-2033 (bron gemeente Vught)
De totale ontwikkeling draagt bij aan het versterken van de natte ecologische verbinding door het effect van de grondruil op het Helvoirts Broek.
5
Ontwerp omgevingsvisie van de gemeente Vught 2023-2033 Het gebied wordt in de ontwerp omgevingsvisie aangeduid als agrarische zone.
Waarde kaart (bron ontwerp omgevingsvisie gemeente Vught) De agrarische zone is een afwisselend gebied met veel verschillende functies. Er zijn ook veel cultuurhistorische waarden, zoals zandpaden, bolle akkers, houtwallen. Er zijn hoge natuurwaarden, bijvoorbeeld in de beekdalen. Er is ruimte voor gezonde (agrarische) bedrijven die op de toekomst zijn voorbereid. De ambitie van de gemeente Vught is het versterken van de waarde van het gebied vanuit het standpunt van natuurbescherming. Er komen veilige en aantrekkelijke routes voor fietsers vanuit Vught, Helvoirt en Cromvoirt, regionale fietsroutes en meer recreatieve routes. We geven ruimte aan woningbouw in woningbouwconcentraties die landschappelijk worden ingepast. Daarbij zijn water en bodem sturend. Deze hele ontwikkeling draagt bij aan de uitgangspunten van de visie door dat carrousel van natuur ontwikkeling rond het Helvoirts broek ontwikkelingen op gang brengt die het beekdal en het Helvoirts Broek verstreken. En door het stopen van het agrarische bedrijf komt er een grondruil opgang die naast natuur ontwikkeling in het Helvoirts broek, het huiskavel van het nabijgelegen agrarische bedrijf vergroot waardoor meer weide gang mogelijk is. Hierdoor staan er meer en vaker koeien in de wei wat het gebied op zijn beurt weer recreatief aantrekkelijker maakt. Dit sluit aan bij de ambitie van de gemeente Vught.
Door in het inpassingsplan in te zetten op het versterken en beschermen van bestaande houtwallen en groen elementen in het landschap en het aanbrengen van nieuwe structuren draagt het bij aan de gemeentelijke ambities.
6
Het landschapsplan Binnen het casco worden verschillende landschapselementen toegevoegd zoals houtwallen, heggen en solitaire bomen.
Schema Landschappelijke inpassing (bron: ruimtelijkeplannen.nl, bewerkt door Bureaumarco)
De landschappelijke inpassing bestaat uit 8 ingrepen. Eén: De eerste ingreep is het handhaven van bomen en onder beplanting in de bestaande groenstrook ten zuiden van de Gestelstraat, een waardevolle en oude bosstrook die het beeld van de kamer aan de noordkant bepaald. Deze wordt in zijn huidige vorm gelaten. Door het in stand houden van deze bomenstructuur wordt een relatie aangegaan met de Molenstraat, de variatie in open en gesloten behouden en het kamer principe versterkt. Deze ingreep sluit aan op de ambitie: We behouden en herstellen boomstructuren en leggen waar mogelijk nieuwe aan.
Foto Bosstrook aan de Gestelstraat (bron: Google Maps, bewerkt)
7
Twee: De tweede ingreep is het handhaven van een haag links en rechts van de inrit van de voormalige agrarische woning zodat de rest van de houtwal langs de Gestelstraat wordt beschermd.
Foto van de bestaande inrit met haag (bron: Google Maps, bewerkt)
Drie: Aan de westzijde van de nieuwe percelen wordt een collectieve groenstrook aangelegd. De strook wordt ingevuld met een houtwal, een verfijning in de kamer en dient als overgang van de tuinen naar het agrarische landschap. Deze houtwal is vijf meter breed en bestaat uit een gemengd struweel van Vlier, Meidoorn, Sleedoorn, Vuilboom, Hulst en Lijsterbes en een wadi voor de waterberging. Op de overgangen van het ene perceel naar het andere wordt een diversiteit aan bomen aangeplant. Hierdoor wordt het kamereffect versterkt. De kamer krijgt een gemengde groene wand door de diversiteit in de houtwal en door de verschillende soorten bomen. Door de plaatsing van de bomen op de perceelovergangen blijft er voldoende openheid in de groenstrook zodat dat de tuinen niet in zijn geheel in de schaduw komen te liggen. Het afplanten met een te dikke groenstrook (door bijv. drie plant rijen) is niet wenslijk omdat vanuit de woning en de tuin ook de relatie met het landschap moet blijven bestaan. Daarnaast is de zichtbaarheid van deze zijde van de percelen beperkt door de noordelijke houtwal en door de maat van de kamers waardoor de overkant beperkt zichtbaar is.
Voorbeeld van wilde haag/houtwal (bron: stichting vitaal platteland Harderberg)
8
Vier: De oostzijde van de kavel van de voormalige boerderij is nu nog open en wordt aangeplant met drie bomen, deze staan ruim uit elkaar waardoor het geen hinder oplevert voor vleermuizen of andere soorten rond om de voormalige agrarische bebouwing. Dit is onderdeel van de landschappelijke inpassing van de voormalige agrarische bedrijfswoning. Door deze vorm van landschappelijke inpassing wordt de overgang van het opengebied naar het huiskavel verzacht, zonder het in zijn geheel te verstoppen (door een dichte houtwal) of vanuit de woning het zicht op het landschap te ontnemen. De bomen vormen voor de erf soorten op de huiskavel de overgang naar het open landschap. Door het aanbrengen van dit soort groenelementen ontstaat er meer gradiënt in het landschap wat de ecologische waarde vergroot en de noordelijke houtwal verbind met de landschappelijke structuren en groen elementen in de kamer.
Beeld afplanten boerderij (bron: Google Maps, bewerkt door Bureaumarco)
Vijf: De huidige houtwal van het voormalige agrarische perceel heeft geen formeel beschermde status. De houtwal is ooit aangelegd als onderdeel van de aankleding van de huiskavel en mag zonder vergunning gekapt worden. Op deze manier krijgt de houtwal wel een beschermde status als onderdeel van het landschapsplan en kan vanuit de Groenvisie Vught aangedragen worden als Structuurbepalend groen (SBG). Hier worden nog twee extra bomen aangeplant om de hoek van het perceel landschappelijk te versterken en te markeren, de bomen zijn een aanvulling op de bestaande bomen Dit is onderdeel van de landschappelijke inpassing van de voormalige agrarische bedrijfswoning. Zes: Het nieuwe perceel van de voormalige agrarische bedrijfswoning, dat ontstaat na het slopen van de stallen en het weghalen van de voederkuilen, wordt afgeplant met een houtwal die bestaat uit verschillende nieuwe delen en deels een bestaande houtwal (zonder status nieuwgroen/vrij-groen). Deze houtwal wordt aangevuld en krijgt een beschermde status als onderdeel van het landschapsplan. Er blijft een opening in de zuidzijde van het perceel om de relatie tussen de voormalige boerderij en het landschap te behouden. Dit is onderdeel van de landschappelijke inpassing van de voormalige agrarische bedrijfswoning.
De aan de zuidkant van de houtwal wordt een poel gesitueerd en daarom heen een ruime groenzone die vrij is van agrarisch gebruik . Met een oppervlak van + 1800 m2 (60 breed en 30 diep). Om deze groene zone ligt een spuitvrije zone aan de oost en westkant van 50 m en aan de zuidkant 20m .
9
Zeven: De open ruimte in deze groene kamer is onder andere de huiskavel van Molenstraat 20 en wordt gebruikt voor de weidegang. Het gebruik sluit aan bij het gewenste gevarieerde beeld van de kamers. Om de openheid sterker te maken wordt een deel van de oude houtwal rond de voerkuilen van de voormalige boerderij weggehaald op één solitaire boom na. Zo ontstaat er een bredere doorkijk de groene kamer in. De solitaire boom geeft maat en schaal aan de ruimte. Dit is onderdeel van de landschappelijke inpassing van de voormalige agrarische bedrijfswoning. Dit wordt herhaald bij de westhoek van de voerkuilen. Het is wenselijk deze dan een monumentale of landschappelijk waardevolle status te geven.
Beeld van zicht in de groene kamer (bron: Google Maps, bewerkt door Bureaumarco)
Acht: Aan de zuidkant van de percelen van de nieuwe woningen wordt een stevige haag gesitueerd om de privacy van het perceel van Molenstraat 18 te garanderen, te voorkomen dat er een schutting wordt gebouwd en het kamereffect te versterken. Negen: Aan de zuidzijde van het nieuwe perceel van de voormalige agrarische bedrijfswoning, dat ontstaat na het slopen van de stallen en het weghalen van de voederkuilen, wordt op de groene zone van + 1800 m² een marterhoop gerealiseerd. De hoop ligt ten oosten van de poel op een beschutte plek achter de te handhaven schuur. Er bestaan twijfels over de aanwezigheid van een steenmarter in de schuur, het slopen van de schuur is mogelijk te beschouwen als aantasting van een rust- en verblijfplaats, daarom wordt er marterhoop aanlegt op een geschikte beschutte plek op het terrein achter de schuur. Met als doel het verleiden van een evt. steenmarter om deze te gaan gebruiken als verblijfplaats i.p.v. de schuur.
10
De materhoop wordt als volgt opgebouwd:
Beeld van de stapsgewijze opbouw van een materhoop (bron Buitenmeesters.nl)
Met dit landschapsplan wordt voldaan aan de op de locatie van toepassing zijnde uitgangspunten die zijn beschreven in de structuurvisie voor dit landschapstype en voldoet het aan de ambities en uitgangspunten uit de Ontwerp omgevingsvisie gemeente Vught 2023-2033.
11
Quickscan flora en fauna Gestelstraat 2 te Helvoirt Versie 1.0 Ecologie
blad 2 van 35
Het resultaat Projectnummer: 244349 Onderzoekslocatie: Gestelstraat 2 te Helvoirt
28 oktober 2024
De uitkomsten
Vervolg
De initiatiefnemer is voornemens om de locatie, Gestelstraat 2 te Helvoirt, te ontwikkelen. Om te bepalen of deze ontwikkeling strijdig is met de Omgevingswet is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Uit de quickscan blijkt dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn op beschermde gebieden en houtopstanden. De aanwezigheid van beschermde soorten op de projectlocatie kan niet worden uitgesloten.
Gezien de aard van de werkzaamheden is nader onderzoek naar de aanwezigheid van kleine marterachtigen en de steenmarter noodzakelijk. Maatregelen zijn tevens ook noodzakelijk. Er mogen geen werkzaamheden plaatsvinden binnen het projectgebied zonder goedkeuring van de ecoloog. De conclusie van deze quickscan is opgesteld aan de hand van de verkregen informatie van de werkzaamheden. Indien deze werkzaamheden wijzigen, leidt dit mogelijk tot een wijziging van de conclusie.
Naomi van Pelt
Daltonstraat 30D 3316 GD Dordrecht 06-52441894 Naomi.vanPelt@Equipe-Adviseurs.nl www.equipe-adviseurs.nl
Controleur: T.A. (Mees) van Rhijn
blad 3 van 35
Inhoudsopgave
pagina
1. 1.1 1.2 1.3 1.4
Inleiding ....................................................................................................................................................... 5 Aanleiding.................................................................................................................................................... 5 Doel.............................................................................................................................................................. 5 Geldigheid ................................................................................................................................................... 5 Leeswijzer ................................................................................................................................................... 5
2. 2.1 2.2
Projectomschrijving .................................................................................................................................... 6 Projectlocatie .............................................................................................................................................. 6 Projectvoornemen en werkzaamheden .................................................................................................... 6
3. 3.1 3.1.1 3.1.2 3.1.3 3.2
Methode ...................................................................................................................................................... 8 Bureaustudie ............................................................................................................................................... 8 Gebiedsbescherming ................................................................................................................................. 8 Soortenbescherming .................................................................................................................................. 8 Houtopstanden ........................................................................................................................................... 8 Beperkt veldonderzoek .............................................................................................................................. 8
4. 4.1 4.1.1 4.1.2 4.2 4.2.1 4.2.2 4.3 4.4 4.4.1
Bureaustudie .............................................................................................................................................. 10 Gebiedsbescherming ................................................................................................................................ 10 Natura 2000-gebieden ............................................................................................................................. 10 Bijzondere nationale natuurgebieden en Natuur Netwerk Brabant (NNB) ........................................... 10 Soortbescherming ..................................................................................................................................... 11 Wettelijk beschermde soorten ................................................................................................................. 11 Rode lijstsoorten ........................................................................................................................................ 13 Houtopstanden .......................................................................................................................................... 13 Provinciaal en lokaal beleid ......................................................................................................................
14 Provincie Noord-Brabant .......................................................................................................................... 14
5. Beperkt veldonderzoek en effectenbeoordeling .................................................................................... 15 5.1 Veldwerk .................................................................................................................................................... 15 5.2 Bevindingen veldbezoek en effectenbeoordeling .................................................................................. 15 5.2.1 Algemene broedvogels ............................................................................................................................. 16 5.2.2 Vogels met jaarrond beschermde nesten ............................................................................................... 17 5.2.3 Grondgebonden zoogdieren..................................................................................................................... 18 5.2.4 Vleermuizen .............................................................................................................................................. 20 5.2.5 Amfibieën ................................................................................................................................................... 21 5.2.6 Reptielen ...................................................................................................................................................
22 5.2.7 Vissen ........................................................................................................................................................ 22 5.2.8 Ongewervelden ........................................................................................................................................ 23 5.2.9 Planten en mossen ................................................................................................................................... 24 5.2.10 Rode lijstsoorten ....................................................................................................................................... 24 6. 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.5.1 6.5.2 6.5.3
Samenvatting en advies ........................................................................................................................... 26 Gebiedsbescherming ............................................................................................................................... 26 Soortbescherming .................................................................................................................................... 26 Houtopstanden ......................................................................................................................................... 26 Provinciaal en lokaal beleid ..................................................................................................................... 26 Advies en vervolg ..................................................................................................................................... 27 Nader onderzoek ...................................................................................................................................... 27 Maatregelen .............................................................................................................................................. 27 Aanbevelingen .......................................................................................................................................... 27
7.
Verwijzingen ............................................................................................................................................. 29
Bijlage 1: Bijlage 2:
Stappenplan ecologisch onderzoek............................................................................................. 30 Fotobijlage ..................................................................................................................................... 33
blad 4 van 35
blad 5 van 35
1.
Inleiding
1.1
Aanleiding
Een initiatiefnemer is verplicht te onderzoeken of een ruimtelijke ontwikkeling strijdig is met de Omgevingswet (hierna Ow). Dhr. van Iersel is voornemens om de locatie Gestelstraat 2 te Helvoirt te ontwikkelen. Om te bepalen of deze ontwikkeling strijdig is met de Ow, is in opdracht van dhr. Van Iersel, een quickscan flora en fauna uitgevoerd.
1.2
Doel
De quickscan flora en fauna heeft in eerste instantie het doel om een overtreding op de Ow voorkomen. Door het vaststellen van de potentie van de projectlocatie voor beschermde- en Rode lijstsoorten en het inschatten van mogelijke effecten van het projectvoornemen op beschermde- en Rode lijstsoorten, gebieden en houtopstanden kan worden bepaald of het project (mogelijk) strijdig is met de Ow. Tevens kan aan de hand van de quickscan worden bepaald wat de mogelijke vervolgstappen zijn. Wanneer uit de quickscan blijkt dat beschermde soorten voor kunnen komen binnen de projectlocatie, of wanneer blijkt dat de werkzaamheden een negatief effect kunnen hebben op beschermde soorten, gebieden en houtopstanden, is nader onderzoek nodig. Meer uitleg over het stappenplan voor ecologisch onderzoek is terug te lezen in Bijlage 1: van dit rapport. N.B. Tijdens de quickscan wordt geen volledige veldinventarisatie uitgevoerd, maar wordt gekeken naar de potentie van het projectgebied voor (zwaar) beschermde soorten. Indien er effecten te verwachten zijn op beschermde soorten die mogelijk aanwezig zijn en niet zijn uit te sluiten vanwege het tijdstip van het veldbezoek of niet inspecteerbare delen van het projectgebied, dan wordt een nader onderzoek geadviseerd.
1.3
Geldigheid
De resultaten van deze quickscan hebben een beperkte geldigheidsduur. Gebaseerd op de definitie uit de Omgevingswet Artikel 16.5 lid 1 en Omgevingsregeling Artikel 7.197j2b is de geldigheidsduur in principe twee jaar. Als op basis van de quickscan nader onderzoek wordt uitgevoerd, heeft dit aanvullende onderzoek een geldigheidsduur van in principe drie jaar. De quickscan flora en fauna is een momentopname. Indien er veranderingen optreden in de situatie binnen het projectgebied of in de planvorming, dan kan dit leiden tot andere inzichten en daarmee tot wijziging van conclusies en geldigheid van de rapportage. De Omgevingswet is per 1 januari 2024 ingegaan. Kanttekening bij deze Wet is dat veel onderdelen binnen deze wet nog inhoudelijk invulling krijgen in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Voor de locatie van uw project is dit stelsel op moment van opstellen van de quickscan goed op orde.
1.4
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt dieper ingegaan op de projectlocatie en worden de werkzaamheden omschreven. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 de onderzoeksmethode gepresenteerd. Hierna gaat hoofdstuk 4 in op de resultaten van de uitgevoerde bureaustudie en worden in hoofdstuk 5 de resultaten van het veldonderzoek en de effectenbeoordeling gegeven. In hoofdstuk 6 staat een samenvatting van de conclusies en wordt advies gegeven. In hoofdstuk 7 staat de geraadpleegde literatuur en websites. In Bijlage 1: is een toelichting te vinden op het stappenplan voor ecologisch onderzoek.
blad 6 van 35
2.
Projectomschrijving
2.1
Projectlocatie
In figuur 1 is de projectlocatie weergegeven. Het projectgebied is gelegen aan de Gestelstraat 2 te Helvoirt (Noord-Brabant), in landelijk gebied. Het projectgebied bestaat uit een agrarisch perceel met daarop een bedrijfswoning, twee stallen, een voederkuil en een bomenrij en het aangrenzende weiland aan de oostzijde. De noordzijde van het plangebied wordt begrenst door een bomenrij en de Gestelstraat, de oostzijde door de Molenstraat en de zuid- en westzijde door weiland. figuur 1: Projectgebied in blauw omlijnd (QGIS, 2022).
2.2
Projectvoornemen en werkzaamheden
Het projectvoornemen bestaat uit de (gedeeltelijke) sloop van twee stallen en de voerkuilen. Een deel van de houtwal rond de voerkuilen zal worden gekapt, op één solitaire boom na. De juridische status van de bedrijfswoning zal worden gewijzigd naar burgerwoning. De huidige bouwkundige staat van de bedrijfswoning blijft echter wel behouden. Ter plaatse van het oostelijk gelegen weiland worden twee woningen gerealiseerd. Daarnaast is een landschapsplan voor dit initiatief opgesteld. Ten behoeve van dit landschapsplan worden verschillende landschapselementen toegevoegd zoals houtwallen, heggen, solitaire bomen en een poel. De toekomstige situatie van de voorgenomen plannen is weergegeven in figuur 2.
blad 7 van 35
figuur 2: Toekomstige situatie plangebied (bron: opdrachtgever).
blad 8 van 35
3.
Methode
3.1
Bureaustudie
Middels een bureaustudie is, in hoofdstuk 4, het projectplan en de locatie getoetst aan de eventueel in de omgeving aanwezige beschermde gebieden, soorten en houtopstanden.
3.1.1
Gebiedsbescherming
Tijdens de bureaustudie wordt bekeken of de locatie zich binnen de grenzen van beschermde natuurgebieden bevindt. Indien dit niet het geval is, wordt de afstand tussen de projectlocatie en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en bijzonder nationaal natuurgebied of NNN gemeten en wordt bezien of de werkzaamheden een extern effect kunnen hebben op naastgelegen beschermd gebied.
3.1.2
Soortenbescherming
De werkzaamheden van het initiatief kunnen leiden tot verstoring van alle aanwezige flora en fauna. Om te bepalen of er beschermde flora en fauna aanwezig is, is een bureaustudie en een beperkt veldonderzoek uitgevoerd. Bij de bureaustudie worden de Rode lijstsoorten meegenomen. Rode lijstsoorten zijn met uitroeiing bedreigde of speciaal gevaar lopende dier- en plantensoorten die van nature in Nederland voorkomen. Voor de bureaustudie is gebruik gemaakt van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) (Stichting NDFF, 2009). De NDFF is de meest complete natuurdatabank van Nederland waarbij uitsluitend gevalideerde waarnemingen worden opgeslagen van beschermde en zeldzame planten en dieren. Voor de bureaustudie is een vierkant om het projectgebied gemaakt met een radius van circa 2,5 kilometer om het projectgebied en is de data van de afgelopen 5 jaar genomen. Indien noodzakelijk is de verspreidingsatlas van de NDFF ook gebruikt om een inschatting te maken of een soort op de locatie kan voorkomen (Nationale Databank Flora en Fauna, n.d.). Daarnaast wordt gekeken of van de Rode lijstsoorten uit het NDFF aandachtsoorten of doelsoorten zijn aangewezen vanuit de provincie. Tijdens het beperkt veldbezoek wordt hier specifiek aandacht aan gegeven.
3.1.3
Houtopstanden
Houtopstanden zijn beschermd middels de Ow (Bal). Voor het project wordt, middels luchtfoto’s gekeken of er een boombeplanting aanwezig is, of deze beplanting voldoet aan de definitie van een houtopstand en, indien van toepassing, of het projectvoornemen invloed heeft op deze houtopstand. Vervolgens wordt onderzocht of er een meldings- en of herplantingsplicht geldt.
3.2
Beperkt veldonderzoek
Aanvullend op de bureaustudie wordt een veldbezoek uitgevoerd waarin de potentie van de projectlocatie voor beschermde soorten en Rode lijstsoorten wordt bepaald. Op basis van de door de opdrachtgever geleverde beschrijving van de werkzaamheden wordt een inschatting gemaakt van de effecten op potentieel voorkomende soorten. Waargenomen soorten en effecten worden genoteerd en gepresenteerd in voorliggend rapport in hoofdstuk 5. Tijdens de quickscan wordt geen volledige veldinventarisatie uitgevoerd. Indien er effecten te verwachten zijn op beschermde- of Rode lijstsoorten die mogelijk aanwezig zijn en niet zijn uit te sluiten vanwege het tijdstip van het veldbezoek of niet inspecteerbare delen van het projectgebied, dan wordt een nader onderzoek geadviseerd. Een veldonderzoek wordt bij voorkeur in het voorjaar of de zomer uitgevoerd. In de overige periodes kan wel een veldonderzoek worden uitgevoerd, maar is het soms niet mogelijk om bepaalde soorten waar te nemen.
blad 9 van 35
Het veldwerk wordt uitgevoerd door een ecoloog van Equipe adviseurs. De ecologen van Equipe adviseurs zijn bevoegd conform de definitie van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) voor het uitvoeren van de werkzaamheden.
blad 10 van 35
4.
Bureaustudie
Middels een bureaustudie is, in de onderstaande paragrafen, het projectplan en de locatie getoetst aan de eventueel in de omgeving aanwezige beschermde gebieden, soorten en houtopstanden.
4.1
Gebiedsbescherming
4.1.1
Natura 2000-gebieden
Het projectgebied ligt op circa 2.700 meter van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen (figuur 3). Gezien de aard van de werkzaamheden en de afstand tot het Natura 2000-gebied worden geen negatieve effecten verwacht als gevolg van de toekomstige inrichting van het projectgebied op het Natura 2000-gebied. Een eventuele toename van stikstofemissie en stikstofdepositie op Natura 2000-gebied, als gevolg van het projectvoornemen, is hierbij buiten beschouwing gelaten. Hiervoor zal, indien nodig, een AERIUSberekening uitgevoerd moeten worden. figuur 3: Ligging projectgebied ten opzichte van Natura 2000-gebied (QGIS, 2022).
4.1.2
Bijzondere nationale natuurgebieden en Natuur Netwerk Brabant (NNB)
Het projectgebied ligt op circa 335 meter van het dichtstbijzijnde bijzondere nationale natuurgebied of NNN gebied (figuur 4). Gezien de aard van de werkzaamheden en de afstand tot het bijzondere nationale natuurgebied/NNB / het tussenliggende stedelijk gebied worden geen negatieve effecten verwacht als gevolg van de toekomstige inrichting van het projectgebied op het bijzondere nationale natuurgebied/NNB.
blad 11 van 35
figuur 4: Ligging projectgebied ten opzichte van het Natuur Netwerk Nederland (QGIS, 2022).
4.2
Soortbescherming
In de onderstaande tabellen zijn de beschermde soorten opgenomen die volgens de NDFF de afgelopen vijf jaar binnen een straal van 2,5 kilometer van het projectgebied zijn waargenomen (datum uitvoer NDFF: 03-10-2024). De soorten staan gesorteerd per soortgroep.
4.2.1
Wettelijk beschermde soorten
tabel 1: Beschermde zoogdieren waargenomen binnen een straal van circa 2,5 kilometer van de projectlocatie (Stichting NDFF, 2009). Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
Soortgroep
Beschermingsregime
Das
Meles meles
Zoogdieren, Overige zoogdieren
Andere soorten, Ow
Eekhoorn
Sciurus vulgaris
Zoogdieren, Overige zoogdieren
Andere soorten, Ow
Steenmarter
Martes foina
Zoogdieren, Overige zoogdieren
Andere soorten, Ow
Gewone dwergvleermuis
Pipistrellus pipistrellus
Zoogdieren, Vleermuizen
Habitatrichtlijn
Laatvlieger
Eptesicus serotinus
Zoogdieren, Vleermuizen
Habitatrichtlijn
Rosse vleermuis
Nyctalus noctula
Zoogdieren, Vleermuizen
Habitatrichtlijn
Ruige dwergvleermuis
Pipistrellus nathusii
Zoogdieren, Vleermuizen
Habitatrichtlijn
tabel 2: Beschermde amfibieën en reptielen waargenomen binnen een straal van circa 2,5 kilometer van de projectlocatie (Stichting NDFF, 2009). Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
Soortgroep
Beschermingsregime
Alpenwatersalamander
Ichthyosaura alpestris
Amfibieën
Andere soorten, Ow
blad 12 van 35
Rugstreeppad
Epidalea calamita
Amfibieën
Habitatrichtlijn
tabel 3: Beschermde insecten waargenomen binnen een straal van circa 2,5 kilometer van de projectlocatie (Stichting NDFF, 2009). Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
Soortgroep
Beschermingsregime
Grote vos
Nymphalis polychloros
Insecten - Dagvlinders
Andere soorten, Ow
Kleine ijsvogelvlinder
Limenitis camilla
Insecten - Dagvlinders
Andere soorten, Ow
tabel 4: Beschermde vissen en weekdieren waargenomen binnen een straal van circa 2,5 kilometer van de projectlocatie (Stichting NDFF, 2009). Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
Soortgroep
Beschermingsregime
Grote modderkruiper
Misgurnus fossilis
Vissen
Andere soorten, Ow
tabel 5: Beschermde planten en mossen waargenomen binnen een straal van circa 2,5 kilometer van de projectlocatie (Stichting NDFF, 2009). Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
Soortgroep
Beschermingsregime
Geen beschermde soorten waargenomen
-
-
-
In de onderstaande tabel staan de waargenomen vogels met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 t/m 5) die binnen circa 2,5 kilometer afstand van het projectgebied in de afgelopen vijf jaar zijn waargenomen. tabel 6: Vogels met jaarrond beschermde nesten waargenomen binnen een straal van circa 2,5 kilometer van de projectlocatie (Stichting NDFF, 2009). Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
Boomvalk
Falco subbuteo
Categorie vaste nesten 4
Buizerd
Buteo buteo
4
Gierzwaluw
Apus apus
2
Huismus
Passer domesticus
2
Ransuil
Asio otus
4
Sperwer
Accipiter nisus
4
Steenuil
Athene noctua
1
Boerenzwaluw
Hirundo rustica
5
Bonte vliegenvanger
Ficedula hypoleuca
5
Boomkruiper
Certhia brachydactyla
5
Bosuil
Strix aluco
5
Ekster
Pica pica
5
Groene specht
Picus viridis
5
Huiszwaluw
Delichon urbicum
5
Koolmees
Parus major
5
Pimpelmees
Parus caeruleus
5
Spreeuw
Sturnus vulgaris
5
Torenvalk
Falco tinnunculus
5
Zwarte kraai
Corvus corone
5
Zwarte mees
Periparus ater
5
Zwarte roodstaart
Phoenicurus ochruros
5
In onderstaande tabel staan de waargenomen soorten (op basis van NDFF) die zijn vrijgesteld. Het projectgebied ligt in de provincie Noord-Holland. De waargenomen soorten binnen een straal van circa 2,5 kilometer van de projectlocatie, welke door de provincie zijn vastgesteld als vrijgestelde soort (op basis van de NDFF), zijn weergegeven in
tabel 7.
blad 13 van 35
tabel 7: Vrijgestelde soorten waargenomen binnen een straal van circa 2,5 kilometer van de projectlocatie. Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
Vrijstelling
Egel
Erinaceus europeus
Vrijgesteld in alle provincies behalve in Overijssel
Haas
Lepus europeus
Vrijgesteld in alle provincies behalve in Zeeland en Groningen
Konijn
Oryctolagus cuniculus
Vrijgesteld in alle provincies behalve in Zeeland
Ree
Capreolus capreolus
Vrijgesteld in alle provincies
Veldmuis
Microtus arvalis
Vrijgesteld in alle provincies
Bruine kikker
Rana temporaria
Vrijgesteld in alle provincies
Gewone pad
Bufo bufo
Vrijgesteld in alle provincies
Kleine watersalamander
Lissotriton vulgaris
Vrijgesteld in alle provincies
Middelste groene kikker/Bastaartkikker
Pelophylax klepton esculentus
Vrijgesteld in alle provincies
Zoogdieren
Amfibieën en reptielen
4.2.2
Rode lijstsoorten
In de onderstaande tabel staan de waargenomen categorieën van Rode lijstsoorten die binnen circa 2,5 kilometer afstand van het projectgebied in de afgelopen vijf jaar zijn waargenomen. tabel 8: Categorieën van Rode lijstsoorten waargenomen binnen een straal van circa 2,5 kilometer van de projectlocatie (Stichting NDFF, 2009). Categorie / Soortgroep
Amfibieën
Rode lijststatus en aantallen Gevoelig
Kwetsbaar
Bedreigd
Ernstig bedreigd
Verdwenen uit Nederland
1
-
-
-
-
Zoogdieren
2
1
-
-
-
Geleedpotigen – Insecten Vlinders, Libellen en Juffers
4
8
-
1
-
Geleedpotigen – Insecten- Insecten – Sprikhanen en Krekels
-
-
-
-
-
Insecten – Wespen, Bijen en Mieren
1
-
-
-
-
Korstmossen
-
-
-
-
-
Blad- en Levermossen
-
-
-
-
-
Reptielen
-
-
-
-
-
Schimmels
1
-
1
-
-
Vaatplanten
4
4
-
-
-
Vissen en weekdieren
-
2
-
-
-
Vogels
15
9
1
-
-
Op basis van de aangewezen doelsoorten/aandachtsoorten in de provincie Noord-Brabant en de te verwachten habitatkenmerken van het projectgebied zijn er geen Rode lijstsoorten die specifiek aandacht behoeven tijdens het veldbezoek.
4.3
Houtopstanden
In het Omgevingsplan worden contouren van de bebouwde kom vastgesteld. Hierbinnen gelden de algemene regels van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) ter bescherming van houtopstanden in het landelijk gebied niet (Artikel 2.28 sub g Ow). In de Omgevingsverordening kan de Provincie maatwerkregels stellen over de herbeplantingsplicht.
blad 14 van 35
Binnen de invloedsfeer van het project zijn bomen aanwezig. Deze bomen voldoen niet aan de definitie van een houtopstand. De geplande werkzaamheden zijn dan ook niet in strijd met hoofdstuk 4 van de Ow.
4.4
Provinciaal en lokaal beleid
Op basis van de Ow kan een provincie of stad ook een eigen beleid en regelgeving voeren om aanvullende soorten en/of gebieden te beschermen. Hierbij valt te denken aan weidevogelleefgebied of een ecologische hoofdstructuur of hoofdgroenstructuur binnen een stad. Het beleid en regelgeving voor deze gebieden staat in theorie vermeld in de Omgevingsplan van de gemeente. In de beginfase van de Omgevingswet zijn de Omgevingsplannen nog niet ingevuld en is in andere regionale beleidstukken het nader beleid en de regelgeving terug te vinden. Hiervoor raadplegen wij het DSO (Digitaal Stelsel Omgevingswet).
4.4.1
Provincie Noord-Brabant
In de provincie Noord-Brabant is in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant, in aanvulling op het Natuurnetwerk Nederland (in dit geval Natuurnetwerk Brabant), ook de Groenblauwe mantel als beschermd gebied opgenomen. De Groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw, het agrarische gebied en het stedelijk gebied. De Groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de Groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De Groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap. De Groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw. Het plangebied valt niet binnen bovengenoemde bescherming. Op basis van de uitgevoerde bureaustudie blijkt dat er geen rekening gehouden moet worden met overige relevante (provinciale/gemeentelijk) bescherming.
blad 15 van 35
5.
Beperkt veldonderzoek en effectenbeoordeling
5.1
Veldwerk
Op 4 oktober 2024 is een oriënterend veldonderzoek uitgevoerd. Het doel van dit veldbezoek is het in kaart brengen van de potentie van de projectlocatie voor (beschermde en Rode lijst) soorten. In de onderstaande tabel zijn de gegevens van het uitgevoerde veldonderzoek en de weersgesteldheid samengevat. tabel 9: Uitgevoerd veldbezoek en weersgesteldheid (KNMI, weerstation De Bilt, n.d.). Datum
Aanvang bezoek
Temperatuur (°C)
Wind (richting en snelheid (Bft))
Bewolking
04-10-2024
10:00
9 graden
ONO1
Onbewolkt
De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd door ecoloog N.J. (Naomi) van Pelt.
5.2
Bevindingen veldbezoek en effectenbeoordeling
Het projectgebied is gelegen aan de Gestelstraat 2 te Helvoirt (Noord-Brabant), in landelijk gebied. Het projectgebied bestaat uit een agrarisch perceel met daarop een bedrijfswoning, twee stallen, een voederkuil en een bomenrij en het aangrenzende weiland aan de oostzijde. De noordzijde van het plangebied wordt begrenst door een bomenrij en de Gestelstraat, de oostzijde door de Molenstraat en de zuid- en westzijde door weiland. De bedrijfswoning is opgebouwd uit drie bouwlagen van stenen muren en heeft een zadeldak dat is gedekt met pannen op een houten dakbeschot. Rondom de woning is een tuin aanwezig welke voornamelijk bestaat uit grasveld en is afgeschermd met een haag. Gezien er geen werkzaamheden zullen plaatsvinden aan de bedrijfswoning en de tuin worden deze niet meegenomen tijdens de effectenbeoordeling. Stal A is opgebouwd uit een dubbele stenen muur van circa 1,5 meter tot 4 meter hoog, heeft een stalen constructie en is voorzien van een zadeldak dat is gedekt met golfplaten. De stal wordt gebruikt voor melkvee. De golfplaten zijn gelegd op de stalen constructie van de stal. Aan de langszijden van de stal zijn openingen tussen de gevel en het dak aanwezig. De stal is aan de kopse kanten voorzien van een grote openstaande schuifdeur. Stal B is opgebouwd uit een stenen gevel, en een stalen constructie en heeft eveneens een zadeldak dat is gedekt met golfplaten.
Het voorste deel van de stal, dat behouden zal blijven, wordt momenteel gebruikt als opslag van auto’s en campers en bestaat voornamelijk uit een overkapping. Het achterste deel van de stal, wat zal worden gesloopt, bestaat uit een afgesloten ruimte welke toegankelijk is via een grote openstaande schuifdeur. Dit deel van de stal wordt gebruikt voor jongvee. De voederkuilen in het zuidelijk deel van het plangebied bestaan uit een betonnen constructie. In de voerbakken is opslag van organisch materiaal en grond aanwezig dat begroeid is met kruiden, grassen en braam en is deels afgedekt met zijl. Rondom bijna het gehele agrarische perceel is een bomenrand aanwezig welke voornamelijk bestaat uit eik, es, wilde kardinaalsmuts, gewone vlier, rode kornoelje, hazelaar, zwarte els en braam. Langs de westzijde is rietvegetatie en een watergang aanwezig. Delen van het zuidelijke deel van het perceel zijn bedekt met kunststof rijplaten en overwoekerd met braam en langs de zuidzijde is een drooggevallen sloot gelegen. Het weiland aan de oostzijde bestaat uit frequent beheerd grasland en wordt aan de noordzijde begrenst door een bomenrand met voornamelijk oude en hoge eiken, lijsterbes, hulst en braam en klimop als onderbegroeiing. De soorten die zijn waargenomen tijdens het veldbezoek staan in onderstaande tabel 10.
blad 16 van 35
tabel 10: Waargenomen soorten tijden het veldonderzoek. Waargenomen soort Bont zandoogje
Kauw
Ekster
Pimpelmees
Gaai
Roodborst
Grote bonte specht
Winterkoning
Houtduif
Zwarte kraai
In de volgende paragrafen zullen de bevindingen en effectenbeoordeling van het veldonderzoek worden toegelicht per soortgroep.
5.2.1
Algemene broedvogels
Voor alle in het wild levende (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Omgevingswet een verbod op handelingen die opzettelijke vaste rust- en verblijfplaatsen, nesten of eieren beschadigen, vernielen of verstoren. Het opzettelijke doden, vangen of verstoren van vogels, is eveneens niet toegestaan. Broedende vogels zijn altijd beschermd, ongeacht de periode van het jaar. Echter, in de praktijk betekent dit vaak dat storende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen (grofweg 15 maart tot 15 juli) uitgevoerd mogen worden (Vogelbescherming, n.d.). Daarnaast kunnen ook buiten deze periode broedende vogels aanwezig waar te allen tijde rekening mee gehouden moet worden. Gedurende het veldonderzoek zijn eventueel aanwezige bomen en/of bosschages gecontroleerd op de aanwezigheid van nesten en broedvogels. Tijdens het veldbezoek is een oud nest aangetroffen van een houtduif. De bomenrand, de bosschages, struweel, rietvegetatie en ruigtes binnen en rondom het plangebied bieden zeer geschikte nestlocaties voor algemene broedvogels zoals houtduif, winterkoning, merel, heggemus en rietgors. De aanwezigheid van algemene broedvogels kan daarom niet worden uitgesloten. Conclusie algemene broedvogels Samenvattend, binnen het projectgebied zijn broedvogels te verwachten. Maatregelen zijn noodzakelijk om verstoring van broedvogels te voorkomen (zie H6).
figuur 5: Geschiktheid algemene broedvogels. A. Bomen en ruigtes
B. Rietvegetatie en ruigtes.
blad 17 van 35
5.2.2
Vogels met jaarrond beschermde nesten
Nestlocaties van de boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw genieten een jaarrond beschermde status (categorie 1 t/m 4). Voor de verstoring van deze vaste rust- en verblijfplaatsen en belangrijk leef- of foerageergebied is ook buiten het broedseizoen een vergunning noodzakelijk. Andere beschermde vogels met 'jaarrond beschermde nesten' (categorie 5) zijn alleen binnen het broedseizoen beschermd of als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, 2021). Gedurende het veldonderzoek is gecontroleerd of er nesten of sporen van vogels met jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn. Tevens is een inschatting gemaakt of de projectlocatie geschikt is voor vogels met jaarrond beschermde nesten.
5.2.2.1
Categorie 1 t/m 4
Gebouw bewonende soorten De huismus en de gierzwaluw zijn typische soorten die dicht bij de mens leven (BIJ12, 2017; BIJ12, 2022). Ze maken gebruik van gebouwen om in te nestelen. De huismus en gierzwaluw maken nesten onder dakpannen, maar ook in gaten en kieren in gebouwen. Ook gebruiken ze nestkasten om in te broeden. De huismus komt vaak voor in een wat rommelige omgeving met veel opgaande vegetatie waar ze voldoende voedsel en beschutting kunnen vinden. Voor de gierzwaluw is aanwezigheid voornamelijk afhankelijk van aanwezigheid van voldoende geschikte broedplaatsen (holten) in gebouwen, waar ze vrij in kunnen vliegen. De stallen zijn voorzien van een zadeldak met golfbeplating. Ter plaatse van stal A is een gedeeltelijke betonnen constructie onder het dak aanwezig. Op enkele delen is hierbij een opening ontstaan waardoor de ruimte tussen deze betonnen constructie en de golfbeplating toegankelijk is voor de huismus. Deze openingen waren tijdens het veldbezoek goed te inspecteren. Hierbij is geen nestmateriaal en zijn geen uitwerpselen aangetroffen van deze soort. Daarnaast zijn er tijdens het veldbezoek geen huismussen waargenomen binnen en rondom het plangebied ondanks de optimale weersomstandigheden. Daarnaast zijn er zowel binnen als buiten de stallen geen geschikte openingen, holtes en kieren waargenomen die nestlocaties kunnen bieden voor de gierzwaluw.
De aanwezigheid van de huismus en de gierzwaluw kan daarom worden uitgesloten. Uilen en roofvogels Uilen en roofvogels maken gebruik van (grote) bomen waarin zij hun nest bouwen (al dan niet op een bestaand nesten van andere vogels zoals de ekster en zwarte kraai) (Bijlsma, 2015). Tevens maken ze ook gebruik van nestkasten om in te broeden. Deze nestkasten kunnen aan panden, bomen of losstaand worden aangetroffen. Om te onderzoeken of het plangebied onderdeel uitmaakt van het leefgebied van uilen en roofvogels wordt gezocht naar (oude) nesten of boomholtes welke in potentie geschikt zijn voor de vogels. Tevens wordt gezocht naar uitwerpselen en braakballen van de soorten die veelal te vinden zijn onder bomen die gebruikt worden als slaapplaats, foerageergebied of nestplaats. Ook het aantreffen van prooien of prooiresten, zoals kleine zoogdieren of vogels, geeft een indicatie of het projectgebied onderdeel uitmaakt van het leefgebied van uilen en roofvogels. Tijdens het veldbezoek zijn geen (potentiële) nesten, nestkasten en sporen van uilen en roofvogels aangetroffen. De aanwezigheid van nestlocaties van deze soorten kan daarom worden uitgesloten. De omgeving van het plangebied biedt, door afwisseling van weiland en houtwallen, wel zeer geschikt jachtbiotoop voor deze soorten.
Ten behoeve van de werkzaamheden zal geen afname van functioneel leefgebied plaatsvinden van uilen en roofvogels. Nader onderzoek naar deze soorten is daarom niet noodzakelijk. Grote gele kwikstaart, ooievaar en roek De grote gele kwikstaart is een vogelsoort die zijn leefgebied voornamelijk heeft aan de oevers van beken en rivieren (Vogelbescherming, n.d.). Bij voorkeur worden de oevers omzoomd door loofbos of loofbomen. In bebouwd gebied is de grote gele kwikstaart alleen terug te vinden als er een beek door het gebied loopt. Ze maken nesten nabij stromend water in nissen van bruggen of gebouwen of boomwortels in de oevers. De grote gele kwikstaart wordt vaak waargenomen in de wintermaanden omdat het aantal overwinteraars in Nederland dan groot is.
blad 18 van 35
De ooievaar is een vogelsoort die in de nabijheid van bij de mens leeft, rond extensief beheerde weilanden (Vogelbescherming, n.d.). Ze maken broedsels op (menselijke) bouwsels zoals telefoonpalen, schoorstenen of door de mens gemaakte palen met platform. De roek is een soort die in een kolonie leeft, vaak in de buurt van vrijstaande hoge (groepen) bomen langs o.a. snelwegen, treinsporen en kanalen (BIJ12, 2017). Ze foerageren op ongewervelden in graslanden. Door het ontbreken van beken en rivieren kan de aanwezigheid van nestlocaties van de grote gele kwikstaart worden uitgesloten. Binnen en rondom het plangebied zijn ook geen geschikte nestlocaties aanwezig voor de ooievaar. Het omliggende weiland is mogelijk wel geschikt als foerageergebied van deze soort. De bomenrij van eiken aan de Gestelstraat is geschikt als nestlocatie van de roek. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten aangetroffen van deze soort. Gezien roeken vaak in grote kolonies samenleven is de kans op het missen van nesten van deze soort zeer klein. De aanwezigheid van de roek kan daarom worden uitgesloten.
5.2.2.2
Categorie 5
Binnen het plangebied zijn geen nestkasten en bomen met holtes aangetroffen waardoor holtebroeder kunnen worden uitgesloten. Tijdens het veldbezoek zijn meerdere nesten van boerenzwaluwen aangetroffen in stal A. Daarnaast bieden de bomen binnen en rondom het plangebied nestlocaties voor de ekster en de zwarte kraai. De aanwezigheid van categorie 5 soorten kan daarom niet worden uitgesloten.
5.2.2.3
Conclusie vogels met jaarrond beschermde nesten
Samenvattend, aanwezigheid van vogels met jaarrond beschermde nesten zijn uitgesloten. Met de voorgenomen werkzaamheden worden derhalve geen vogels met jaarrond beschermde nesten verstoord en/of worden nesten beschadigd en/of verwijderd. Nader onderzoek naar vogels met jaarrond beschermde is niet noodzakelijk, wel dienen maatregelen getroffen te worden (H6). Daarnaast dienen werkzaamheden aan de stallen te worden uitgevoerd in de periode dat de boerenzwaluw niet in Nederland is (eind september – april). figuur 6: Geschiktheid vogels met jaarrond beschermde nesten. A. Te kappen bomenrij
5.2.3
B. Nest boerenzwaluw in stal A.
Grondgebonden zoogdieren
Grondgebonden zoogdieren gebruiken veelal begroeide en natuurlijke verbindingszones zoals struwelen en groenstroken als foerageergebied, verblijfplaats of leefgebied. Verblijfplaatsen worden vaak gemaakt in openingen en/of holen in de bodem, bomen of gebouwen. Tijdens het veldonderzoek is de projectlocatie gecontroleerd op aanwezigheid van openingen, holen en sporen van beschermde zoogdieren.
blad 19 van 35
Tevens is een inschatting gemaakt of de projectlocatie geschikt is voor (grondgebonden) zoogdieren. Tijdens het onderzoek is ook ingeschat of er mogelijk verstoring plaatsvindt aan in het water levende zoogdieren, zoals zeezoogdieren. Marterachtigen Marterachtigen, hebben beschutting nodig om zich van verblijfplaats naar foerageergebied te begeven (Bouwens, 2017; BIJ12, 2017; Zoogdiervereniging, n.d). Hierbij maken ze gebruik van kleinschalige landschapselementen en vermijden ze open plaatsen en wegen. Vaak worden hiervoor lijnvormige landschapselementen gebruikt zoals houtwallen, takkenrillen, bos- en struweelranden en rommelhoekjes. Daarnaast is het van belang dat er foerageerplekken aanwezig zijn met voldoende dekking en voedselaanbod. Veelal maken marterachtigen gebruik van diverse verblijf- en/of rust- en schuilplaatsen binnen één territorium. Soms wordt gebruikt gemaakt van al bestaande holen van andere dieren, maar ook in takkenrillen, hout- en/of steenstapels of (verlaten) schuurtjes. De boommarter maakt ook gebruik van holen in bomen als nestplaats (Zoogdiervereniging, n.d.). Specifiek de das graaft zijn verblijfplaats (burcht) op plekken waar de bodem goed vergraafbaar is, vaak een helling aanwezig is, voldoende beschutting aanwezig is en gras- of akkerland in de buurt ligt (bijvoorbeeld in houtwallen of in bosranden) (BIJ12, 2017).
Tijdens het veldbezoek zijn uitwerpselen en vraatsporen van mogelijk steenmarter of vos aangetroffen in stal A. De vraatsporen en uitwerpselen zijn vlak naast elkaar, in dezelfde ruimte gevonden. Hierbij ging het om afgebeten vogelveren (houtduif) en meerdere uitwerpselen op een stuk zeil. Door de aanwezigheid van insectenschildjes kan worden uitgesloten dat de uitwerpselen van één van de katten is die op het erf rondlopen. Daarnaast is de stal via de openingen in de langsgevel goed bereikbaar voor deze soort en is er een gat in de westgevel van stal A aanwezig welke toegang geeft tot een brede spouwruimte. De aanwezigheid van de steenmarter kan derhalve niet worden uitgesloten. Rondom de voerkuilen en de te kappen bomen binnen plangebied is veel verruiging aanwezig in de vorm van braam en klimop. Deze ruigte biedt veel beschutting voor kleine marterachtigen zoals de hermelijn, wezel en bunzing. De drooggevallen sloot en bomenrand zijn tevens geschikt als migratieroute voor deze soorten. De aanwezigheid van hermelijn, wezel en bunzing kan daarom niet worden uitgesloten. Overige grondgebonden zoogdieren Op basis van de NDFF zijn waarnemingen gedaan van de eekhoorn en de das. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van de eekhoorn. Daarnaast biedt het plangebied onvoldoende bosachtig landschap dat essentieel is voor deze soort.