Bijlage Bestemmingsplantoelichting
Tekst van het document
Wordt er een onevenredige inbreuk gedaan op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabijgelegen veehouderijen; Is ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd.
Het plangebied is gelegen in een bestaande woonwijk van Helvoirt. In de omgeving van het plangebied, binnen een straal van ruim 330 meter liggen geen veehouderijen. Geur vormt geen belemmering voor het plan. Spuitzones open teelten In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik 26
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn en om een spuitvrije zone aan te houden. Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede locatiespecifieke onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om de drift te voorkomen (bronmaatregelen zoals driftarme spuitdoppen) of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag. In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen kwekersgronden waar gewasbestrijdingsmiddelen worden gebruikt. Een verdere beoordeling op basis van de benodigde afstanden tot de bronnen van gewasbeschermingsmiddelen is derhalve niet aan de orde. Het aspect “milieuzonering, geur en spuitzones” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.7
Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r. beoordeling
Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen, waaronder wijzigingsplannen en bestemmingsplannen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: • Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten; • Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden. Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Het realiseren van een woning valt onder onderdeel D (stedelijke ontwikkeling, categorie D.11.2) maar valt onder de grenzen zodat het niet gezien wordt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Onder de grenzen uit de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt nog wel de plicht om een ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’ uit te voeren.
Dit houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Deze zaken zijn uitgebreid onderzocht in het kader van onderhavige toelichting, tezamen met alle andere milieuhygiënische en planologische aspecten. Hieruit zijn geen bezwaren gebleken.
5.8
Geluid
Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de realisatie van een geluidgevoelig object, maar ook van een wijziging van bouwmogelijkheden nabij geluidbronnen, moet worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In de Wet geluidhinder is bepaald hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, vliegtuigverkeer, industrie en spoorwegen. In de Wgh is geregeld dat bepaalde wegen, spoorwegen en bedrijven(terreinen) een zone hebben. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
27
De Wet geluidhinder beschermt de volgende objecten: • • •
Woningen; Andere geluidsgevoelige gebouwen; Geluidsgevoelige terreinen
Omdat door de beoogde herziening een nieuw geluidsgevoelig object (woning) wordt toegevoegd is aandacht nodig voor het aspect geluid; Normen met betrekking tot verkeerslawaai worden thans in Nederland gebaseerd op de “regels op het gebied van het voorkomen of beperken van geluidhinder” (Wet geluidhinder). Krachtens deze wet worden zones aangegeven aan weerszijden van (spoor)wegen. Binnen de zones wordt geëist, dat de geluidsbelasting ten gevolge van het verkeer op de betreffende weg ter plaatse van de gevels van woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen een zekere maximale waarde niet overschrijdt. Buiten de zones worden geen geluidseisen gesteld met betrekking tot wegverkeerslawaai. (Spoor)wegverkeerslawaai Het plangebied ligt in de zone van de N65. Er is akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de bestaande ligging van de N65. De rapportage (K+ Adviesgroep dd 23 april 2020) is in zijn geheel als bijlage aan de toelichting toegevoegd. In de rapportage is ook aandacht geschonken aan de niet-gezoneerde weg, Broekwal in het kader van een goede ruimtelijke ordening. De conclusie van de rapportage luidt als volgt: N65
•
•
De voorkeursgrenswaarde wordt wel, maar de maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de N65 is maximaal 53 dB (incl. aftrek art. 110g Wgh). Bij de gemeente Haaren kan een verzoek worden ingediend voor het verlenen van een hogere waarde. In de voorliggende situatie kan als ontheffingscriterium worden aangedragen dat het plan naast en tegenover bestaande woonbebouwing ligt.
Broekwal
• • •
Er is sprake van een 30 km/zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de weg wel meegenomen en zijn de optredende gevelbelastingen beschouwd volgens de systematiek van de Wet geluidhinder. De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting is ten hoogste 48 dB (excl. art. 110g Wgh). Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat.
Vliegtuiglawaai Dit aspect is niet aan de orde. Industrielawaai Dit aspect is niet aan de orde Het aspect “Geluid” is na ontheffing van de belasting als gevolg van het wegverkeerslawaai van de N65 geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Er is sprake van een goed woon-, en leefklimaat.
5.9
Luchtkwaliteit
Op 15 november 2007 is de Wet Luchtkwaliteit in werking getreden. De luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in hoofdstuk 5 titel 2 van de Wet milieubeheer (Wm). In artikel 5.16 Wm staat een limitatieve 28
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
opsomming van de bevoegdheden waarbij luchtkwaliteitseisen een directe rol spelen. Het gaat om ruimtelijke besluiten en milieuvergunningen die direct gevolgen voor de luchtkwaliteit hebben en daardoor kunnen bijdragen aan overschrijding van een grenswaarde. Een vaststelling van een bestemmingsplan betreft de uitvoering van een bevoegdheid als bedoeld in artikel 5.16 van de Wm. Vaststelling van een bestemminsplan is mogelijk als: • De concentratie stoffen in de lucht door de voorgenomen ontwikkeling verbetert of gelijk blijft; • Bij beperkte toename van de concentratie, door een met de activiteit samenhangende maatregel of optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbeterd; •
De toename, niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt. Dit is het geval als een project of activiteit maximaal 3% van de jaargemiddelde grenswaarde bijdraagt aan de concentraties PM10 of NO2 (max1,2 μg/m3).
Toetsing initiatief aan “niet in betekenende mate” begrip Projecten die “niet in betekenende mate” bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit hoeven volgens de Wet luchtkwaliteit niet afzonderlijk te worden getoetst op de grenswaarde, tenzij een dreigende overschrijding van één of meerdere grenswaarden te verwachten is. De grens van “niet in betekenende mate” ligt volgens de gelijknamige AMvB bij 3% van de grenswaarde van een stof. Hiervan is volgens de ministeriële regeling van “niet in betekenende mate” sprake bij de realisatie van minder dan 1500 woningen op één ontsluitingsweg of minder dan 3000 woningen op twee ontsluitingswegen. Dit bestemmingsplan betreft het bestemmen van één extra woning. Deze ontwikkeling is daarmee een ontwikkeling die kleiner is dan 1500 woningen met één ontsluitingsweg. De ontwikkeling zal dan ook 'niet in betekenende mate' bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Toetsing initiatief aan “goede ruimtelijke ordening” Naast de toetsing of het bouwplan een bijdrage levert aan de luchtkwaliteit dient beoordeeld te worden of sprake is van een goed woon-, en leefklimaat en daarmee of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De GGD geeft op lokaal niveau advies over luchtkwaliteit in relatie tot gezondheid en ruimtelijke ordening.
Juist bij gevoelige bestemmingen nabij drukke wegen is het wenselijk dat de gemeente om advies vraagt aan de GGD. Het plangebied is niet gelegen in de nabijheid van een drukke weg. Toch is inzicht gezocht in de luchtkwaliteit. Dit is onderzocht door middel van de actuele kaartgegevens met betrekking tot de aspecten stikstofdioxide, fijnstof, zeer fijnstof en roet. (nsl-monitoring.nl). Hieruit blijkt dat nabij de Rijksweg N65 ruimschoots wordt voldaan aan de grenswaarden (stikstofdioxide: 40 μg/m3 en fijn stof: 40 μg/m3). Voor stikstofdioxide en PM10 is de achtergrondwaarde gelegen tussen 0 en 19 μg/m3 en voor zeer fijn stof (PM2,5) is de waarde gelegen lager 12 μg/m3. Ter plaatse van het plangebied is sprake van een goede luchtkwaliteit.
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
29
Uitsnede kaart actuele fijnstof in Nederland (pm10) met in rood het plangebied; bron: nsl-viewer. Het aspect “Luchtkwaliteit” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.10 Bodemkwaliteit Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening dient inzicht te bestaan in de bodemkwaliteit teneinde de geschiktheid van de bodemkwaliteit voor een beoogde (nieuwe) bestemming te kunnen aantonen. Bij een bestemmingswijziging is het van belang dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Voor inzicht in de actuele bodemkwaliteit op het perceel is onderzoek gedaan (verkennend bodemonderzoek, Aeres Milieu, dd 13 december 2019). Het onderzoek is in zijn geheel aan deze toelichting toegevoegd. De conclusie luidt als volgt; “Tijdens de veldinspectie zijn er geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreinigingen of bronnen van verontreinigingen. Bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn in het opgeboorde bodemmateriaal en in het opgepompte grondwater zintuiglijk geen bijzonderheden waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt dat in de bovengrond en in het freatisch grondwater geen verhoogde gehalten zijn aangetoond. De ondergrond is licht verhoogd met nikkel. De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend of nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor het voorgenomen nieuwbouwplan (bouw van een woning).
Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond mogelijk niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing”.
30
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Het aspect “Bodemkwaliteit” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.11 Externe Veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico: Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR.
Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (= ‘1’). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer.
In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
31
Wanneer verantwoorden?
Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat de benodigde veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Overige wet- en regelgeving Tot slot wordt in het kader van een “goede ruimtelijke ordening” (artikel 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het activiteitenbesluit en effectafstanden uit de “Circulaire effectafstanden LPG-tankstations”. Werkdocument Verantwoording Groepsrisico Haaren De gemeente Haaren heeft met het Werkdocument Verantwoording Groepsrisico Haaren beschreven hoe de gemeente omgaat met externe veiligheidsvraagstukken binnen haar gemeente. Dit werkdocument dient aanvullend op de landelijke wetgeving betrokken te worden bij de beoordeling van de externe veiligheidsrisico’s. Beschouwing risicobronnen Met behulp van de risicokaart is beschouwd of risicobronnen in de omgeving van het plangebied een risico vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. In navolgend figuur is een uitsnede weergegeven van de risicokaart.
32
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Uitsnede risicokaart met in blauw de locatie van de nieuwe woning. Bron: Risicokaart Uit de risicokaart blijkt, dat er verschillende inrichtingen met externe veiligheidsrisico’s in de omgeving van het plangebied is gelegen. Hieronder volgt een opsomming van deze bronnen: • LPG tankstation (BP), gelegen op 250 meter afstand van het plangebied; • LPG tankstation (ESSO), gelegen op 500 meter afstand van het plangebied; • Rijksweg N65, gelegen op 160 meter afstand van het plangebied; • Spoorlijn Tilburg-’s-Hertogenbosch op 700 meter afstand van het plangebied. Inrichtingen Voor het LPG tankstation (BP) met SBI-code 505 geldt een richtafstand van minimaal 200 meter. De afstand tot het plangebied bedraagt ongeveer 250 meter waarmee aan deze afstand wordt voldaan. Voor het LPG tankstation (ESSO) geldt dezelfde richtafstand. Aangezien het ESSO tankstation op ongeveer 500 meter is gelegen, wordt eveneens aan de richtafstand van 200 meter voldaan. Er zijn geen buisleidingen en vaarwegen aanwezig, waarover of waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd, in de omgeving met een risicocontour (veiligheidscontour, PR-10-6 contour en/of invloedsgebied) over het plangebied. Rijksweg N65 Op circa 160 meter ten zuiden van het plangebied ligt de Rijksweg A65/N65. Conform bijlage 1 van de Regeling Basisnet heeft deze weg geen plaatsgebonden risicocontour 1×10-6/jaar.
Ook heeft de weg geen plasbrandaandachtsgebied. Over de weg worden stoffen van diverse stofcategorieën vervoerd met een invloedsgebied conform de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) groter dan 160 meter (o.a. stofcategorieën GF3 en LT3). Het plangebied ligt dan ook volledig binnen het invloedsgebied van de weg. Conform het Bevt dient voor een plan binnen 200 meter van een transportroute een verantwoording van het groepsrisico uitgevoerd te worden. Het Bevt artikel lid 2 geeft echter voor plannen, die een groepsrisicotoename van minder dan 10 procent geven, de mogelijkheid om te volstaan met een beperkte verantwoording. Het onderhavige plan betreft het bestemmen van een nieuwe woning in een bestaande woonwijk in Helvoirt. Door het plan zal het aantal personen binnen het gebied niet significant toenemen. Het plan BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
33
zal derhalve niet leiden tot een toename van het groepsrisico met meer dan 10%. In het onderhavige plan kan dan ook volstaan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Een beperkte verantwoording van het groepsrisico gaat (alleen) in op de zelfredzaamheid van personen en de bestrijdbaarheid van de gevolgen van een ramp binnen het plangebied. Hierover is tevens verplicht advies gevraagd aan de Veiligheidsregio conform Bevt artikel 7 en artikel 9. Op 1 juli 2020 heeft de Veiligheidsregio een advies gegeven. Dit advies luidt als volgt: “Informeer de initiatiefnemers c.q. de toekomstige bewoners actief over het aanwezige risico en handelingsperspectief. Deze informatie kan worden meegenomen in het besluit om zich op deze locatie te vestigen. Hiermee wordt in optimale vorm invulling gegeven aan het risicobewustzijn van- en het nemen van een eigen verantwoordelijkheid door de burger. Deze informatie zorgt er ook voor dat de bewoners op het moment dat een incident plaats vindt direct weten hoe te handelen, dit heeft een positieve invloed op de mate van zelfredzaamheid.” De gemeente Haaren beschikt over een werkdocument ‘Verantwoording groepsrisico Haaren’. In dit document wordt de zone langs de weg, die relevant zijn voor het plan, benoemd als Zone 2: 30 – 200 meter.
Zone 2: 30-200 meter Deze zone omvat het BLEVE aandachtsgebied (het gebied waar de effecten van een BLEVE (explosie) het hevigst zijn). In deze zone zijn personen (ook personen in gebouwen) onvoldoende beschermd tegen een BLEVE. Voor zeer kwetsbare objecten geldt verantwoordingsniveau 1, voor (beperkt) kwetsbare objecten niveau 2. De woning is een beperkt kwetsbaar object. Hiervoor geldt dan ook conform het werkdocument ‘Verantwoording groepsrisico Haaren’ het verantwoordingsniveau 2. Spoorlijn Tilburg- ‘s-Hertogenbosch De spoorlijn bevindt zich op een afstand van circa 700 meter van het plangebied. De spoorlijn is opgenomen als Basisnetroute in de Regeling Basisnet. Over de spoorlijn worden onder andere stoffen vervoerd van stofcategorie GT4. Deze stofcategorie heeft conform de HART een invloedsgebied van >4000 meter. Het plangebied ligt dan ook volledig binnen het invloedsgebied van de spoorlijn. De overige stofcategorieën over de spoorlijn hebben een invloedsgebied wat niet reikt tot aan het plangebied. Conform het Bevt dient voor een plan binnen het invloedsgebied van een transportroute een verantwoording van het groepsrisico uitgevoerd te worden. Aangezien het plan niet binnen 200 meter van de transportroute ligt, volstaan worden met beperkte verantwoording. In het werkdocument ‘Verantwoording groepsrisico Haaren’.
Wordt de zone langs de spoorlijn, die relevant is voor het plan, benoemt als Zone 3: 200 - 1500 Zone 3a: 200-1500 meter Vanaf 200 meter zijn mensen binnenshuis in principe voldoende veilig voor een BLEVE. Vanaf 200 meter wordt daarom alleen nog rekening gehouden met de effecten van een toxische gaswolk. In dit gebied kan bescherming wordt geboden door ramen en deuren te sluiten. Voor alle objecten geldt verantwoordingsniveau 3. Een woning als bedoeld in het onderhavige plan is een kwetsbaar object en hiervoor geldt dan ook het verantwoordingsniveau 3a. De woning is een beperkt kwetsbaar object. Hiervoor geldt dan ook conform het werkdocument ‘Verantwoording groepsrisico Haaren’ het verantwoordingsniveau 3a. Verantwoording groepsrisico Conform het Bevt is voor zowel de spoorlijn als de Rijksweg N65 een beperkte verantwoording 34
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
benodigd en het werkdocument “Verantwoording groepsrisico Haaren” onderschrijft dit. De verantwoording groepsrisico is navolgend uitgewerkt voor eerst de Rijksweg N65 en vervolgens de Spoorlijn Tilburg - ’s-Hertogenbosch. Verantwoording groepsrisico Rijksweg N65 Het plangebied bevindt zich in zone 2 (30 – 200 meter) vanaf de risicobron (Rijksweg A65/N65). Binnen deze zone worden middels de planvorming kwetsbare objecten mogelijk gemaakt en hiervoor schrijft het werkdocument verantwoordingsniveau 2 voor. Daarbij geldt aanvullend dat slechts een beperkte verantwoording benodigd is, waarbij enkel ingegaan dient te worden op de in het werkdocument benoemde algemene beschouwing, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze punten komen overeen met de eisen uit het Bevt artikel 7, 8 en 9. De punten worden navolgend beschouwd, waarbij de algemene beschouwing bestaat uit de eerder beschreven inschatting van de hoogte en toename van het groepsrisico en de onder de navolgende kop ‘Zelfredzaamheid’ beschouwde potentiele aanwezigheid van beperkt zelfredzame groepen. Mogelijkheden bestrijdbaarheid van een calamiteit In geval van een calamiteit zal de brandweer ingezet worden aan de bron ter beperking van de effecten van de calamiteit. Het bestrijdbaarheidsvraagstuk in relatie tot de ontwikkeling op deze grote afstand van de risicobron wordt daarom niet verder beschouwd.
Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote calamiteiten bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting en zijn afhankelijk van het maatgevende scenario. 1. Mogelijkheden zelfredzaamheid De mogelijkheden t.a.v. zelfredzaamheid zijn goed. Er zijn geen aanwijzingen dat een grotere groep niet –of verminderd zelfredzame mensen in het plangebied woonachtig (zullen) zijn. De aanwezigen zijn naar verwachting voldoende mobiel om zelfstandig te kunnen vluchten. Het aantal mensen in het plangebied is beperkt. 2. Is het gebied voldoende ingericht om de zelfredzaamheid te kunnen faciliteren? Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden. Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang dat het plangebied: - goed te alarmeren is; In geval van een calamiteit kan NL-alert worden ingezet. NL-Alert is een alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren.
In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen. - goed te ontvluchten is. Bij een toxisch rampscenario is ontvluchten van het plangebied niet aan te raden. Schuilen binnen de bebouwing is bij dit scenario de beste optie. - goed te schuilen is. Blootstelling aan een toxisch gas is voor het plangebied het bepalende scenario. In geval van een calamiteit dienen personen te schuilen binnen de bebouwing. De mate waarin deze bebouwing afsluitbaar is tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur, dat deze bebouwing wordt blootgesteld aan het toxische gas, zijn hierbij maatgevende parameters voor het beschermingsniveau. Nieuwe bouwwerken zijn, mede vanwege de eisen uit het bouwbesluit, goed geïsoleerd, waardoor ze een goede bescherming bieden tegen het binnendringen van het toxisch gas. Belangrijk is wel dat installatie voor de luchtbehandeling van het gebouw, waarbinnen geschuild wordt, met één druk op de knop uit te schakelen zijn.
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
35
Verantwoording groepsrisico Spoorlijn Tilburg-‘s-Hertogenbosch Het plangebied bevindt zich in zone 3 (200-1500 meter). In dit deel wordt de nieuwe woning mogelijk gemaakt. Hier kan volgens het werkdocument “Verantwoording groepsrisico Haaren” een standaard verantwoordingstekst worden toegepast (verantwoording Groepsrisico niveau 3a). De standaardtekst voldoet tevens aan de vereisten uit het Bevt artikel 7, 8 en 9. Inleiding Het plangebied bevindt zich op grote afstand van de risicobron. Op deze afstand is het toxisch scenario maatgevend. Effecten als gevolg van een plasbrand of BLEVE reiken niet tot het plangebied. Ontwikkeling groepsrisico Vanwege de grote afstand tot de risicobron zal een toename van personendichtheden niet significant doorwerken in de rekenkundige hoogte van het groepsrisico. De beschouwing van het groepsrisico en de verantwoording daarvan is om deze reden volledig kwalitatief uitgevoerd. Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is op deze grote afstand tot de risicobron geen item. Zoals gesteld heeft op deze afstand een toe- of afname van personendichtheid geen invloed op het groepsrisico. Verder is de kans te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen is in deze gebieden vele malen kleiner dan 1/1.000.000.
Veiligheidsmaatregelen aan de bron zijn daarom niet realistisch. De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval In geval van een calamiteit zal de brandweer ingezet worden aan de bron ter beperking van de effecten van de calamiteit. Het bestrijdbaarheidsvraagstuk in relatie tot de ontwikkeling op deze grote afstand van de risicobron wordt daarom niet verder beschouwd. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Blootstelling aan een toxisch gas is het bepalende scenario. In geval van een calamiteit dienen personen te schuilen. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Nieuwe bouwwerken zijn goed geïsoleerd, waardoor ze een goede bescherming bieden tegen het binnendringen van het toxisch gas. Belangrijk is wel dat luchtbehandelinginstallaties met één druk op de knop uit te schakelen zijn. Verder dient in geval van een calamiteit tijdig gewaarschuwd te worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van NL-alert. Deze verantwoording dient gelezen te worden in combinatie met de Werkdocument verantwoording groepsrisico gemeente Haaren en de daarin gemaakte keuzes. Conclusie De beoogde ontwikkeling voldoet aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico.
Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied transport van gevaarlijke stoffen over de spoorlijn Tilburg – ‘s Hertogenbosch en de Rijksweg N65. Het groepsrisico is beperkt verantwoord en wordt aanvaardbaar geacht. De volgende overwegingen spelen daarbij een rol: • •
het geringe groepsrisico en gelijkblijvende hoogte hiervan, en de goede mogelijkheden binnen het plangebied voor de zelfredzaamheid van personen en het geringe aantal personen.
Het plan voldoet aan de voorwaarden uit het ‘Werkdocument verantwoording groepsrisico Haaren’.
5.12 Technische infrastructuur Planologische relevante leidingen zijn leidingen die bescherming in het bestemmingsplan behoeven. Dit zijn bijvoorbeeld rioolwaterpersleidingen met een grote diameter en waterleidingen met een 36
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
regionale functie. Op deze leidingen zijn geen veiligheidsafstanden van toepassing, maar wordt wel rekening gehouden met een zakelijk rechtstrook van de leidingen. Door binnen deze strook een bouwverbod op te nemen, wordt beschadiging van de leiding voorkomen. In of nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen aanwezig.
5.13 Gezondheid Ten aanzien van eventuele gezondheidsrisico’s in relatie tot veehouderijen in de nabijheid van het plangebied is een aantal aspecten van belang. In het bijzonder gaat het om eventuele risico’s als gevolg van varkens-, en pluimveehouderijen (endotoxinen) en geitenhouderijen. Varkens-, en pluimveehouderijen (endotoxinen) Een veehouderij in de omgeving van een woning kan effecten hebben op de gezondheid. Omwonenden van veehouderijbedrijven worden blootgesteld aan bepaalde micro-organismen en endotoxinen. Zowel micro-organismen en endotoxinen kunnen effecten op de gezondheid hebben. Het gaat dan vooral om effecten op de luchtwegen. Op basis van de “Notitie endotoxine toetsingskader 1.0” kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. In de nabijheid van het plangebied zijn geen varkens-, en/of pluimveehouderijen aanwezig. Daarnaast is het plangebied buiten de richtafstanden gelegen die aangehouden moet worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Geitenhouderijen Mogelijk is er een verband tussen het langdurig verblijven in de nabijheid van een geitenhouderij en het krijgen van longontsteking. In de periode 2009-2013 is het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) uitgevoerd.
De resultaten van het onderzoek zijn op 7 juli 2016 gepubliceerd (hoofdrapport VGO). Gegevens van 110.278 patiënten, die ingeschreven stonden bij 27 huisartspraktijken in het VGO-onderzoeksgebied, zijn hiervoor geanalyseerd. Op 16 juni 2017 is een aanvullend VGO-rapport gepubliceerd. In het aanvullend VGO-onderzoek (VGO-2) zijn de onderzoeksgegevens statistisch uitvoeriger geanalyseerd. Onder andere is onderzocht of er in de jaren 2009-2013 een verband bestond tussen de woonafstand tot geitenhouderijen en het risico op longontsteking. Gemiddeld over deze onderzoeksjaren laten de aanvullende analyses een 29% verhoogde kans op longontsteking zien voor mensen die rondom een individuele geitenhouderij wonen, tot een afstand van 1,5 – 2 km (dit is vergeleken met bewoners zonder een geitenhouderij binnen deze afstand van de woning). Uit het onderzoek volgt dat het risico op longontsteking rond een geitenhouderij bijna drie keer groter is dan het risico op longontsteking tot een afstand van ca. 1 km rond een pluimveehouderij. De oorzaak van deze verhoogde kans op longontstekingen rondom geitenhouderijen kan door de onderzoekers niet worden aangegeven. Het gevolg is dat het nemen van effectieve bedrijfsgerichte maatregelen nu nog niet mogelijk is. Binnen de nabijheid van het plangebied zijn geen geitenhouderijen gelegen.
Een verdere toetsing aan de “Handreiking veehouderij en volksgezondheid” is voor geitenhouderijen niet noodzakelijk. Handreiking veehouderij en volksgezondheid De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie 30 april 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of er sprake is van een verhoogd gezondheidsrisico en of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De stappen kunnen stuk voor stuk worden doorlopen om na te gaan of er knelpunten worden gevonden. Stap 1 Endotoxine Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. De concentratie endotoxine in het plangebied voldoet aan de adviesnorm van 30 EU/m3. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
37
Stap 2 Emissies De ontwikkeling betreft één nieuwe woning en leidt niet tot een toename van emissies van geur en/of fijnstof en/of ammoniak. Stap 3a Geur, toetsen aan aanvaardbaar woon-/leefklimaat a.d.h.v. wettelijk kader De ontwikkeling vindt niet plaats in een gebied met een overbelaste geursituatie. Stap 3b Geur, toetsen aan aanvaardbaar woon-/ leefklimaat Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als gevolg van de geursituatie in het gebied. Stap 4a Meerdere diersoorten in één veehouderij Er zijn geen bedrijven met meer dan één diersoort als bedoeld in de opsomming van stap 4a. Stap 4b De afstand tussen een varkensbedrijf en pluimveebedrijf De afstand tussen het plangebied en de dichtstbijzijnde varkensbedrijf en pluimveebedrijf is groter dan 100 meter. Stap 5a, b en c De afstanden tot geitenhouderijen, pluimveehouderijen en overige veehouderijen Binnen een straal van 1000 meter bevindt zich een pluimveebedrijf. Het plangebied is gelegen in de bebouwde kom. Niet aan alle drie de punten van stap 5 wordt voldaan. Stap 6 Mestbewerking Er is in de nabijheid geen mestbewerking of verwerking. Stap 7 Ongerustheid over de volksgezondheid Er is in de omgeving geen ongerustheid over de volksgezondheid bij omwonenden.
De ontwikkeling vindt plaats binnen bestaand stedelijk gebied op geruime afstand van het pluimveebedrijf, waardoor er reeds meerdere woningen op een afstand dichter bij dit bedrijf staan. Uit het stappenplan zoals hierboven beschreven, kan worden opgemaakt dat sprake is van een gezond woon,- en leefklimaat en dat initiatiefnemer de met de onzekerheid samenhangende risico’s heeft gewogen en geaccepteerd heeft en deze aan eventuele (toekomstige) kopers zal meegeven. Advies van de GGD wordt daarom niet nodig geacht.
5.14 Hoogspanningslijnen Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met de magneetvelden van bovengrondse hoogspanningslijnen. De afgelopen jaren is hier meer aandacht voor. Dit komt omdat er statistische aanwijzingen zijn dat de magneetvelden van bovengrondse hoogspanningslijnen mogelijk van invloed zijn op de gezondheid van kinderen. Voorkomen moet worden dat nieuwe gevoelige functies binnen de magneetveldzone van 0,4 microTesla liggen. Dit blijkt uit het advies van het rijk uit 2005 en de toelichtende brief van 2008 over bovengrondse hoogspanningslijnen. In de brieven van 2005 en 2008 is toegelicht dat bestemmingen waar kinderen (tot 15 jaar) langdurig kunnen verblijven worden aangemerkt als gevoelig. Het gaat hierbij om woningen, scholen, crèches en kinderopvangplaatsen. 'Zoveel als redelijkerwijs mogelijk' houdt in dat er een zorgvuldige afweging moet plaatsvinden. Op de Netkaart van het RIVM zijn indicatieve zones voor magneetvelden van alle bovengrondse hoogspanningslijnen opgenomen. De indicatieve zones zijn de meest ruime afstanden waar rekening mee moet worden gehouden. In de nabijheid van het plan zijn geen hoogspanningslijnen aanwezig.
38
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
5.15 Duurzaamheid De beoogde ontwikkeling maakt het mogelijk het bestaand stedelijk gebied beter te benutten voor de huisvesting van personen. Hiermee wordt voorkomen dat een uitbreiding van het stedelijk gebied ten koste van het open landelijk gebied nodig is. De nieuwe woning wordt duurzaam gebouwd waarmee uitvoering wordt gegeven aan de duurzaamheidsambities van de gemeente.
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
39
Hoofdstuk 6 Juridische planbeschrijving 6.1
Verantwoording planvorm
Het bestemmingsplan is een juridisch plan, dat bindend is voor de burgers en voor de overheid. Wat betreft systematiek van de integrale herziening is aangesloten bij de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP). Er is sprake van een specifiek bestemmingsplan, een postzegelplan. Het perceel ligt in het bestemmingsplan Kom Helvoirt van de gemeente Haaren. Dit postzegelplan sluit qua systematiek en bestemming zo veel mogelijk aan op dit bestemmingsplan.
6.2
Systematiek bestemmingen
De systematiek van de regels kan worden samengevat aan de hand van de hoofdstukindeling. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. 1. Hoofdstuk 1 'Inleidende Regels' gaat in op de begripsomschrijvingen en de wijze van meten. 2. In hoofdstuk 2 van de regels - 'Bestemmingsregels’- wordt een regeling gegeven voor de bestaande functies in het plangebied die positief zijn bestemd. Bepaald is welke vormen van gebruik en bouwwerken rechtstreeks (dus zonder voorafgaande wijziging of afwijking) zijn toegestaan. Indien een bepaalde vorm van bebouwing past binnen de doeleinden van de bestemming en voldaan is aan de bouwregels, dan kan hiervoor in de regel zonder meer een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen worden verleend. 3. In hoofdstuk 3 zijn de algemene regels weergegeven (anti-dubbeltelbepaling, algemene bouwregels etc.). 4. In hoofdstuk 4 zijn de overgangs- en slotbepalingen opgenomen.
6.3
Artikelsgewijze toelichting
Hoofdstuk 1 Inleidende regels Begrippen In dit artikel is omschreven wat in onderhavig plan onder een aantal van de in de regels gebruikte begrippen wordt verstaan. Wijze van meten In dit artikel is vastgelegd hoe bij de toepassing van de bouwregels van onderhavig plan moet worden gemeten. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Het bestemmingsplan kent de bestemmingen Tuin en Wonen. Hierna volgt een korte toelichting op deze bestemmingen. Wonen De bestemming Wonen regelt dat binnen het bestemmingsvlak één vrijstaande woning is toegestaan. De maximale goot-, en bouwhoogte van het hoofdgebouw is op de verbeelding aangeduid. De maximale hoogte van de bijbehorende bouwwerken en overige bouwregels zijn in de regels opgenomen. Deze zijn gebaseerd op de regels van het vigerend bestemmingsplan. Tuin De voor Tuin aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen, met bijbehorende gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. In de regels is een erkerregeling opgenomen en daarnaast een ontheffingsmogelijkheid ten behoeve van het oprichten van een overkapping. Daarnaast is een ontheffingsmogelijkheid opgenomen voor het onder bepaalde voorwaarden bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen behorend bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen. 40
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Hoofdstuk 3: Algemene regels Anti-dubbeltelregel Deze bepaling wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels In de algemene bouwregels is een bepaling opgenomen ten aanzien van ondergeschikte bouwdelen. Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn bepaalde specifieke gebruiksregels opgenomen voor het gebruik van de gronden en bouwwerken binnen het gehele plangebied. Algemene afwijkingsregels In deze bepaling wordt aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om afwijking te verlenen van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. Algemene wijzigingsregels In deze bepaling is gesteld dat het bevoegd gezag onder voorwaarden de ligging en grenzen van bestemmings-, en bouwvlakken en aanduidingen kan wijzigen. Overige regels De overige regels regelen dat voor de afgifte van een omgevingsvergunning voldaan moet worden aan de gemeentelijke parkeernormen. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Overgangsrecht In deze bepaling wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht. Deze regeling is op grond van de Wro verplicht. Slotregel Als laatste wordt de slotbepaling opgenomen.
Deze bepaling bevat zowel de titel van het plan als de vaststellingsbepaling.
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
41
Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling betreft een particulier initiatief. De grond is in eigendom van een particulier waardoor er geen kosten zijn voor de gemeente als gevolg van de wijziging van de bestemming. De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De initiatiefnemer draagt ook de procedurele kosten. Eventuele kosten voor de gemeente zijn hiermee afgedekt en de ontwikkeling wordt daardoor financieel uitvoerbaar geacht. Als met een bestemmingsplan een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. In deze procedure is de exploitatie gewaarborgd door een privaatrechtelijke -met de initiatiefnemer te sluiten- overeenkomst over de verdeling van de kosten bij de grondexploitatie. Voorgaand aan het besluit omtrent vaststelling van het bestemmingsplan zal daarom worden besloten dat het niet noodzakelijk is om een exploitatieplan vast te stellen.
42
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Hoofdstuk 8 Procedure 8.1
Omgevingsdialoog
De voorgenomen plannen zijn door de initiatiefnemer informeel besproken met de omwonenden van de adressen Broekwal 11, 13, 15 en 16 en Hazelaar 2. Veruit de meeste omwonenden kunnen zich vinden in het plan en gaven aan de ontwikkeling als een vanzelfsprekendheid te beoordelen gezien het feit dat nu sprake is van een onbenutte ruimte in het straatbeeld. Een enkele omwonende nam het planvoornemen voor kennisgeving aan.
8.2
Vooroverleg
Op grond van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) wordt het bestemmingsplan “Broekwal 18 Helvoirt” aan de Provincie Noord-Brabant en Waterschap de Dommel voorgelegd. Op deze wijze worden de Provincie en het Waterschap in de gelegenheid gesteld een reactie op het plan te geven. Het Waterschap heeft op 25 mei 2020 ingestemd met het plan. De Provincie Noord-Brabant heeft op 15 juni ingestemd met het plan.
8.3
Vervolg van de procedure
Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening dient de kennisgeving als bedoeld in artikel 3:12 van de Awb in de Staatscourant en een huis-aan-huis blad te worden geplaatst en via elektronische weg te geschieden. Tevens dient de kennisgeving te worden toegezonden aan de wettelijke overlegpartners. Het ontwerpbestemmingsplan wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd. In deze termijn is eenieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan in te dienen. Vervolgens kan het bestemmingsplan worden vastgesteld. Tegen het besluit tot vaststelling staat direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Direct na de beroepstermijn treedt het plan in werking, tenzij binnen de beroepstermijn een verzoek om voorlopige voorziening bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt ingediend. In dat laatste geval wordt de werking van het vaststellingsbesluit opgeschort totdat op het verzoek is beslist.
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
43
Separate bijlagen • • • • • •
44
Bijlage 1: Quick scan flora en fauna, dd 20 december 2019 Bijlage 2: Stikstofberekening in toelichtend memo, dd 12 december 2019 Bijlage 3: Archeologisch onderzoek, dd 6 mei 2020 Bijlage 4: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, dd 23 april 2020 Bijlage 5: Verkennend bodemonderzoek, dd 13 december 2019 Bijlage 6: Stappenplan, Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie 30 april 2018)
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht