CConstaterende datVught
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Bestemmingsplantoelichting

Raadsvergadering 17 juni 2021, gemeente VughtBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Broekwal 18 Helvoirt14.705 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Creatief met leefomgeving Sterk in omgevingsrecht

Ontwerp

Bestemmingsplan “Broekwal 18 Helvoirt” Gemeente Vught

Almystraat 14 | 5061 PA Oisterwijk | 06 232 74 307 | info@burogkracht.nl | burogkracht.nl

Datum: 22 februari 2021 Status: Ontwerp Plancode: NL.IMRO.0865.HELVBPBroekwal18-ON01

2

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Toelichting

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

3

4

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Inhoudsopgave HOOFDSTUK 1 INLEIDING ............................................................................................................. 7 1.1 AANLEIDING ............................................................................................................................. 7 1.2 PLANGEBIED ............................................................................................................................ 7 1.3 DOEL ....................................................................................................................................... 8 1.4 GELDEND BESTEMMINGSPLAN ................................................................................................... 8 1.5 LEESWIJZER............................................................................................................................. 9 HOOFDSTUK 2 BESTAANDE SITUATIE ..................................................................................... 10 2.1 RUIMTELIJKE EN FUNCTIONELE STRUCTUUR ............................................................................. 10 HOOFDSTUK 3 PLANBESCHRIJVING ........................................................................................ 11 3.1 NIEUWE ONTWIKKELING ..........................................................................................................

11 HOOFDSTUK 4 BELEIDSKADER ................................................................................................. 13 4.1 RIJKSBELEID .......................................................................................................................... 13 4.2 PROVINCIAAL BELEID .............................................................................................................. 14 4.3 GEMEENTELIJK BELEID............................................................................................................ 16 HOOFDSTUK 5 MILIEUHYGIËNISCHE EN PLANOLOGISCHE ASPECTEN ............................. 20 5.1 INLEIDING .............................................................................................................................. 20 5.2 PARKEREN EN ONTSLUITING .................................................................................................... 20 5.3 WATER .................................................................................................................................. 20 5.4 NATUUR................................................................................................................................. 22 5.5 ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE ......................................................................................

25 5.6 MILIEUZONERING, GEUR EN SPUITZONES.................................................................................. 26 5.7 MILIEUEFFECTRAPPORTAGE EN VORMVRIJE M.E.R. BEOORDELING ............................................. 27 5.8 GELUID .................................................................................................................................. 27 5.9 LUCHTKWALITEIT .................................................................................................................... 28 5.10 BODEMKWALITEIT ................................................................................................................... 30 5.11 EXTERNE VEILIGHEID.............................................................................................................. 31 5.12 TECHNISCHE INFRASTRUCTUUR............................................................................................... 36 5.13 GEZONDHEID ......................................................................................................................... 37 5.14 HOOGSPANNINGSLIJNEN ......................................................................................................... 38 5.15 DUURZAAMHEID .....................................................................................................................

39 HOOFDSTUK 6 JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING.................................................................. 40 6.1 VERANTWOORDING PLANVORM ............................................................................................... 40 6.2 SYSTEMATIEK BESTEMMINGEN ................................................................................................ 40 6.3 ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING .............................................................................................. 40 HOOFDSTUK 7

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID .............................................................. 42

HOOFDSTUK 8 PROCEDURE ...................................................................................................... 43 8.1 OMGEVINGSDIALOOG .............................................................................................................. 43 8.2 VOOROVERLEG ...................................................................................................................... 43 8.3 VERVOLG VAN DE PROCEDURE ................................................................................................ 43 SEPARATE BIJLAGEN ...................................................................................................................... 44

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

5

6

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1

Aanleiding

Op een perceel aan de Broekwal 18 in Helvoirt, gemeente Vught wordt beoogd een nieuwe vrijstaande woning te realiseren. Het te bebouwen perceel is op dit moment onbebouwd en is de tuin van de woning op nummer 18. Hiervoor wordt een deel van het bestaande woonperceel afgesplitst voor een nieuw bouwkavel. Op grond van het bestemmingsplan “Kom Helvoirt” van de gemeente Vught is de bouw van de nieuwe woning niet rechtstreeks mogelijk. Daarom dient het bestemmingsplan te worden herzien.

1.2

Plangebied

Het plangebied ligt in de gemeente Vught, aan de Broekwal 18 in de dorpskern Helvoirt. Het perceel is gelegen tussen bestaande woningen op nummer 16 en 18. Het plangebied is onderdeel van het perceel met kadastraal nummer 1102 (sectie E, Helvoirt) en heeft een oppervlakte van 1.065m2. Het plangebied zoals weergegeven op de verbeelding is kleiner en meet circa 462 m2. Onderstaande luchtfoto’s geven zicht op het dorp Helvoirt en de ligging van de locatie.

Luchtfoto 1 Westelijke ligging plangebied ten opzichte van Helvoirt, bron: GoogleMaps

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

7

Luchtfoto 2 ligging van het plangebied in rood aangeduid, bron: www.kadastralekaart.com

1.3

Doel

Het doel van dit nieuwe bestemmingsplan is het tot stand brengen van een regeling om op het perceel aan de Broekwal 18 in Helvoirt één nieuwe vrijstaande woning te kunnen realiseren.

1.4

Geldend bestemmingsplan

Het vigerende bestemmingsplan is het bestemmingsplan “Kom Helvoirt”, vastgesteld op 3 juni 2010. De bestemming van het perceel is “Wonen”. Binnen de bestemming “Wonen” is het bouwen van woningen toegestaan binnen het bouwvlak maar gemaximaliseerd tot het bestaande aantal woningen. Het perceel kent ter plaatse van het plangebied geen bouwvlak. De bouw van een woning is derhalve niet mogelijk.

Uitsnede bestemmingsplankaart “Kom Helvoirt”, bron: ruimtelijkeplannen.nl

8

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

1.5

Leeswijzer

Het dorp Helvoirt is ten gevolge van de gemeentelijke herindeling per 1 januari 2021 onderdeel geworden van de gemeente Vught. De toetsing aan het gemeentelijk beleid (paragraaf 4.3.) heeft met name plaats gevonden aan het beleid van de gemeente Haaren waartoe Helvoirt tot 1 januari 2021 behoorde. De gemeente Vught stemt met die toetsing in. Het bestemmingsplan bestaat uit een set regels en verbeelding en een toelichting daarop. Voorliggende toelichting bevat bovendien de onderbouwing om de haalbaarheid aan te tonen voor de beoogde nieuwe ontwikkeling. In hoofdstuk 2 wordt de bestaande situatie beschreven en komen de functionele en ruimtelijke structuur aan bod. In hoofdstuk 3 wordt vervolgens de beoogde ontwikkeling beschreven. Hoofdstuk 4 gaat in op de beleidskaders. Er zal onder andere getoetst worden of de ontwikkeling past binnen de beleidskaders op diverse niveaus. In het daaropvolgende hoofdstuk 5 komen de milieuhygiënische en planologische aspecten aan bod. Beoordeeld wordt of de ontwikkeling negatieve effecten heeft op de aanwezige waarden in het gebied dan wel of er mogelijk nog belemmeringen in de omgeving aanwezig zijn die mogelijk beperkend zijn voor de ontwikkeling. Hoofdstuk 6 bevat een juridische planbeschrijving. In hoofdstuk 7 komt de financiële haalbaarheid van het plan aan de orde.

Tenslotte wordt in hoofdstuk 8 ingegaan op de maatschappelijke haalbaarheid van het plan.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

9

Hoofdstuk 2 Bestaande situatie 2.1

Ruimtelijke en functionele structuur

Het plangebied is gelegen in een bestaande woonstraat aan de westelijke rand van de dorpskern Helvoirt. Het plangebied is gelegen tussen Broekwal 16 en 18. Het betreft een onbebouwd stuk grond dat als tuin tot de woning op nummer 18 behoort.

Foto vanaf voorkant van het perceel met zicht op bestaande woning Broekwal 18 (links in beeld) en tuin

10

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving 3.1

Nieuwe ontwikkeling

Dit bestemmingsplan voorziet in een regeling op basis waarvan de bouw van een nieuwe woning mogelijk wordt. Een concreet bouwplan voor de nieuwe woning is nog niet beschikbaar. Dit bestemmingsplan neemt de bouwregels uit het vigerend bestemmingsplan Kom Helvoirt over waardoor een woning met bijgebouw gerealiseerd kan worden met gelijke hoogten en afstandsmaten tot perceelgrenzen als de overige woningen in de straat. Het bouwvlak wordt ingebed in de bestaande omgeving en vult een open ruimte, binnen de bestaande stedenbouwkundige structuur op. In de volgende afbeelding is in rood de ligging van het bestaand bouwvlak zichtbaar. Het bestaande bouwvlak is onderdeel van een groter bouwvlak waarin meerdere woningen zijn gelegen. Met de beoogde ontwikkeling wordt deze regelsystematiek doorgezet. Het bouwvlak dat binnen het plangebied is gelegen meet circa 292 m2 . In groen is de ligging van dit bouwvlak afgebeeld.

Illustratie van het plangebied met in rood de vorm van het (bestaande) bouwvlak. Om een nieuwe woning te kunnen realiseren wordt een deel van het perceel aan de Broekwal 18 (kadastraal bekend Helvoirt, nr. 1102) gesplitst. De nieuwe bouwkavel zal een oppervlak van ongeveer 462m² omvatten. Hierdoor resteert voor de bestaande woning op nummer 18 een perceel van ongeveer 603 m² omvang. De woning die binnen het plangebied gerealiseerd kan worden is vrijstaand en sluit in goot-, en bouwhoogte aan op de hoogten van de woningen in de directe omgeving. De afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelgrens moet minimaal 3 meter zijn en moet gelegen zijn in het bouwvlak. Op deze manier wordt er voldoende openheid op het perceel behouden. Deze afstand is gelijk aan de afstand op de andere percelen in de omgeving. Voor percelen met een oppervlakte tot 500 m2 zijn bijbehorende bouwwerken toegestaan met een maximale oppervlakte van 75 m2. Bijbehorende bouwwerken mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd. Een concreet bouwplan is nog niet beschikbaar maar het bouwen van een bijgebouw hangt samen met de perceelgrootte van 462 m2. Doordat de regels in het bestemmingsplan gelijk zijn aan de regels uit het vigerend bestemmingsplan Kom Helvoirt zal de toekomstige woning in inhoud, hoogte en verschijning overeenkomen met de woningen in de directe omgeving.

De bestaande woningen in de directe omgeving hebben allen een eigen uitstraling en herkenbaarheid. BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

11

Zo komen er schuine daken voor maar ook platte daken en lessenaarsdaken. Enkele woningen staan met de kopgevel naar de straat, andere woningen (waaronder de bestaande woning aan Broekwal 18) zijn met de langsgevel aan de straat gepositioneerd. De woningen zijn uit hoofdzakelijk uit baksteen opgebouwd en hebben soms houten gevelbekleding. Alle woningen kennen een gematigd uitgesproken uitstraling. Het nieuwe bouwplan past in de omgeving als ze aansluit op deze gematigde uitstraling. Er is ruimte voor eigenheid in kapvorm, materiaalgebruik en positionering.

Broekwal gezien vanuit het oosten (bron: google.nl)

Broekwal gezien vanuit het westen (bron: google.nl)

12

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Hoofdstuk 4 Beleidskader 4.1

Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. Zo beschrijft het kabinet in de Structuurvisie in welke infrastructuurprojecten het de komende jaren wil investeren. Provincies en gemeentes krijgen meer bevoegdheden bij ruimtelijke ordening. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals verbetering van de bereikbaarheid. Op 13 maart 2012 is de SVIR in werking getreden. In de SVIR schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid wordt meer aan provincies en gemeenten overgelaten. Hieronder valt bijvoorbeeld het landschapsbeleid. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR 3 Rijksdoelen geformuleerd: • de concurrentiekracht vergroten door de ruimtelijk-economische structuur van Nederland te versterken. Dit betekent bijvoorbeeld een aantrekkelijk (internationaal) vestigingsklimaat; • •

de bereikbaarheid verbeteren; zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden.

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is tot nu toe gedeeltelijk vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, het Natuur Netwerk Nederland, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Ter bescherming van de nationale belangen is door het Rijk het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) opgesteld. De regels van het Barro moeten in acht worden genomen bij het opstellen van provinciale ruimtelijke verordeningen en bestemmingsplannen. In het Barro zijn regels opgenomen voor de volgende nationale belangen: - Rijksvaarwegen; - Mainportontwikkeling Rotterdam; - Kustfundament; - Grote rivieren; - Waddenzee en waddengebied; - Defensie - Hoofdwegen en landelijke spoorwegen - Elektriciteitsvoorziening; - Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen; - Natuur Netwerk Nederland; - Primaire waterkeringen buiten het kustfundament; - IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte); - Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. Geen van de nationale belangen heeft betrekking op het project.

Ladder voor duurzame verstedelijking De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro bepaalt dat voor onder meer bestemmingsplannen die nieuwe woningen mogelijk maken, de treden van deze ladder doorlopen moeten worden. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

13

goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Artikel 3.1.6, lid 2 van het Bro gaat in op duurzame verstedelijking en luidt als volgt: Lid 2. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef onder i, van het Bro wordt in het Bro de de daarop berustende bepalingen onder stedelijke ontwikkeling verstaan: “ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaven, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Dit bestemmingsplan maakt het mogelijk één nieuwe woning te realiseren. Volgens jurisprudentie is de planologische toevoeging van één woning niet te beschouwen als een “stedelijke ontwikkeling” zoals op grond van artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef onder i, van het Bro wordt verstaan. Toetsing aan de ladder zoals dat in artikel 3.1.6, tweede lid 2, Bro is bepaald is daarom niet aan de orde.

Dit neemt niet weg dat de behoefte aan de nieuwe ontwikkeling in het kader van de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan wel moet worden onderbouwd. De onderbouwing voor de behoefte en de regionale afstemming is opgenomen in paragraaf 4.3 van deze toelichting.

4.2

Provinciaal beleid

Brabantse Omgevingsvisie Vooruitlopend op de Omgevingswet heeft de provincie Noord-Brabant reeds haar Omgevingsvisie opgesteld. De Omgevingswet heeft onder ander als doel om de overzichtelijkheid en gebruiksgemak van het Omgevingsrecht te verbeteren. Ook beoogt de wet meer bestuurlijke afwegingsruimte en een meer samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving. In de Brabantse Omgevingsvisie staat de fysieke wereld centraal. Deze fysieke wereld manifesteert zich in vier elementen: water, aarde, lucht en vuur (energie). De basis is dat deze elementen in balans zijn en blijven bij ruimtelijke transities. Draagvlak en draagkracht zijn hierbij belangrijke aspecten. De Brabantse Omgevingsvisie bestaat uit zeven hoofdstukken. In hoofdstuk 5 staat beschreven wat de kernwaarden zijn voor het handelen van de provincie. Hierin wordt onder andere verwoord dat de Provincie gaat voor meerwaarde-creatie. Dit betekent dat uitdrukkelijk gekeken wordt naar de effecten van ontwikkelingen op sociale inclusiviteit, veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. De beoogde ontwikkeling betreft een goede bijdrage aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit doordat de woning op een passende wijze stedenbouwkundig is ingepast. Het afronden van de stedenbouwkundige structuur versterkt het regelmatig bouwpatroon in de wijk.

Hoewel er nog geen uitgewerkt bouwplan beschikbaar is gaan voor de nieuwe woning dezelfde bouwregels gelden als voor de bestaande woningen in de directe omgeving. Hierdoor moet worden geconcludeerd dat de woning op een goede manier stedenbouwkundig wordt ingepast. Bovendien wordt het bestaand stedelijk gebied beter benut waardoor de ruimteclaim op natuur en landschap voor woningbouw buiten het bestaand stedelijk gebied kleiner wordt. De beoogde ontwikkeling past daarom binnen de kernwaarden voor het handelen van de provincie. Interim omgevingsverordening Noord-Brabant De Interim omgevingsverordening, (vastgesteld op 2 oktober 2019 door Provinciale Staten en per 5 november 2019 in werking getreden) betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Interim omgevingsverordening is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, 14

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

die op grond van de Omgevingswet wordt vastgesteld en die verplicht is voor provincies. De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze in de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is ervoor gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot een Interim omgevingsverordening. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid zoals de omgevingsvisie. Er heeft voor de Interim verordening geen expliciete afweging plaatsgevonden of de inzet van de verordening voor een bepaald onderwerp gecontinueerd moeten worden. In beginsel zijn de huidige regels met het huidige beschermingsniveau gehandhaafd. In het algemeen geldt daarbij dat de inzet van de verordening in de provincie Noord-Brabant is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor het vanuit provinciale belangen nodig is om regels in te zetten of waarvoor het vanuit de wet verplicht is om regels te stellen in de verordening. De Interim omgevingsverordening is digitaal. Dit betekent dat alle regels gekoppeld zijn aan een op een digitale kaart weergegeven werkingsgebied. Door op een willekeurig punt in de kaart te klikken, kan iemand zien welke regels op die plek gelden.

In hoofdstuk 3 zijn de instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen bij de uitvoering van hun bevoegdheden in het kader van de Wet ruimtelijke ordening. De instructieregels uit hoofdstuk 3 gelden niet alleen voor bestemmingsplannen, maar bijvoorbeeld ook voor beheersverordeningen en uitvoeringsbesluiten. Instructieregels voor het plangebied Op basis van kaart 3 voor gemeenten – stedelijke ontwikkeling en erfgoed is duidelijk dat het plangebied is gelegen in het “Landelijke kern” en dat sprake moet zijn van een duurzame stedelijke ontwikkeling. Hiervoor geldt dat de ontwikkeling moet passen in regionale afspraken en dat invulling moet worden gegeven aan de doelen op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie en veilige, gezonde woonomgeving.

Uitsnede kaart 3, Interim Omgevingsverordening De beoogde ontwikkeling voorziet in de bouw van 1 woning. Een dergelijke ontwikkeling past binnen het gemeentelijk woningbouwprogramma zoals beschreven in paragraaf 4.3 en is daarmee in het regionaal ruimtelijk overleg afgezet tegen de actuele behoefte. BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

15

Met de beoogde ontwikkeling wordt het bestaand stedelijk gebied beter benut waardoor sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. De woonfunctie is passend binnen de omgeving die gedomineerd wordt door woningen. Hierdoor wordt er aangesloten op de bestaande lagen (ondergrond- netwerk- en bovenste laag). Bevordering ruimtelijke kwaliteit Voor het plangebied gelden ook de instructieregels aan gemeente die overeenkomen met de zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit: zorgvuldig ruimtegebruik, toepassing van de lagenbenadering en meerwaardecreatie. In artikel 3.5 uit de omgevingsverordening is beschreven dat voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving rekening moet worden gehouden met: a. Zorgvuldig ruimtegebruik b. De waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering c. Meerwaardecreatie Hierbij ligt het provinciaal belang vooral in het landelijk gebied. De ontwikkeling vindt plaats in een bestaande woonwijk. Het bestaand bebouwingspatroon aan de Broekwal wordt aangevuld. De bouwhoogten zijn afgestemd op de hoogten van de bestaande panden doordat de regels van het vigerend bestemmingsplan worden overgenomen. De ontwikkeling past daardoor binnen de omgeving en er is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik door het beter benutten van gronden in bestaand stedelijk gebied.

De lagenbenadering omvat de effecten op de ondergrond (zoals bodem, grondwater en archeologische waarden), de netwerklaag (zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen en een goede afwikkeling van personen en goederenvervoer) en de bovenste laag (zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functies en de bebouwing de effecten op bestaande toekomstige functies en de effecten op volksgezondheid en milieu). In deze toelichting is beschreven hoe wordt omgegaan met de verschillende effecten op de drie lagen. Hieruit blijkt dat er geen nadelige effecten zijn op de waarden in het gebied met de beoogde ontwikkeling. Hierbij speelt nog dat een bestaand bebouwingspatroon aan de Broekwal wordt aangevuld. Hierdoor moet worden geconcludeerd dat vanuit het verleden gezien het plangebied is gelegen op een plek die van oudsher geschikt werd gevonden om te bewonen. Er is sprake van een toekomstbestendige ontwikkeling. De meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling betrokken zijn. Hierbij kan de fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit deel uitmaken van de meerwaardecreatie.

Doordat sprake is van een opvullen van een open ruimte in een bestaande woonstraat en dus een versterking van de bestaande (dorps)structuur is sprake van een verbetering van de ruimtelijke structuur.

4.3

Gemeentelijk beleid

Structuurvisie Haaren 2013 De gemeente Haaren is een groene gemeente. Dit groene karakter wil ze graag behouden. Tegelijkertijd wil de gemeente haar ogen niet sluiten voor ontwikkelingen. De gemeente Haaren wenst daarom de ruimtevraag in zijn geheel te bekijken en daar een allesomvattend beleid voor hebben. Deze visie heeft zijn beslag gekregen in de Structuurvisie Haaren die op 22 januari 2015 door de gemeenteraad is vastgesteld. Deze structuurvisie is de concretisering van de abstracte doelen zoals verwoord in de in 2011 vastgestelde Toekomstvisie Haaren. Ten aanzien van het beleid inzake wonen en woonomgeving heeft de gemeente haar algemeen beleid als volgt verwoord; “Het beleid ten aanzien van wonen heeft betrekking op wonen in één van de vier dorpen binnen de gemeente Haaren en nadrukkelijk ook in het buitengebied. Doel van beleid is dat het voor iedereen fijn wonen is in de gemeente Haaren. Een leefbare woonomgeving houdt in dat er een goede balans bestaat tussen woningvoorraad en woningbehoefte. Beschreven dominante trends als krimp, 16

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

vergrijzing en de economische recessie kunnen consequenties hebben voor het type woningen dat gebouwd moet worden en hoe we met de bestaande voorraad omgaan. Voor de gemeente is daarom flexibiliteit in meerdere opzichten van belang, zodat aanpassing aan de veranderende eisen mogelijk is en ruimtelijke kwaliteit gewaarborgd wordt.” De basisverantwoordelijkheid heeft de gemeente als volgt verwoord; “Het bieden van onderscheidende woonmilieus, voldoende woningaanbod en een woningvoorraad die toegankelijk is voor doelgroepen van beleid door middel van duurzame planontwikkeling”. Onderscheidende woonmilieus De gemeente biedt onderscheidende woonmilieus ten opzichte van omliggende stedelijke regio’s; dit houdt in dat op dorpse wijze wordt gebouwd. Eenvormigheid wordt daarbij niet voorgestaan. Elk dorp heeft een eigen identiteit. Dit betekent onder andere dat de gemeente voorstaat om een bebouwingstypologie voor te staan die past bij een lage bebouwingsdichtheid. De beoogde ontwikkeling is beoordeeld op de eigenheid van de plek. Door te kiezen voor een vrijstaande woning en dezelfde bouwregels te hanteren als voor de bestaande kavels in de directe omgeving wordt aangesloten op een bij Helvoirt en in het bijzonder de directe omgeving passende bebouwingstypologie met een lage dichtheid.

Voldoende woningaanbod Voor een voldoende woningaanbod die aansluit bij de actuele vraag zet de gemeente Haaren in op een inhaalslag. In het verleden zijn de benodigde aantallen namelijk niet gehaald waardoor het aantal inwoners in de gemeente afnam. De gemeente wil daarom de komende jaren een inhaalslag maken. De gemeente wil daarom planologische en stedenbouwkundige condities creëren waarbinnen woningen, ook in de toekomst, kunnen worden gebouwd binnen de kaders van omgevingskwaliteit. De beoogde ontwikkeling voorziet in de bouw van één vrijstaande woning. Ten aanzien van de harde woningcapaciteit ziet de gemeente een bedreiging als ze niet zou worden benut doordat nieuwe bouwprojecten niet van de grond zouden komen en de gemeente hierdoor haar basisverantwoordelijkheid niet verder zou kunnen nakomen. Deze bedreiging wordt met de beoogde ontwikkeling weggenomen. Duurzame planontwikkeling De gemeente Haaren wil geen onnodige beperkingen opleggen om plannen aan te passen aan de laatste behoeften. Duurzame planontwikkeling moet bijdragen aan de doelstelling een continue bouwstroom te houden. Uitgangspunt is dat de continue bouwstroom aan blijft sluiten bij de actuele behoefte. Hiervoor zal de gemeente Haaren optimaal anticiperen op de trends en ontwikkelingen. Dit heeft tot gevolg dat de gemeente de komende jaren inzet op de flexibilisering van woningbouwplannen.

De bouw van één vrijstaande woning heeft een geringe bijdrage aan de bouwstroom. Echter dit bestemmingsplan biedt, binnen de regels een zekere flexibiliteit om een bouwplan te realiseren dat kan anticiperen op trends en ontwikkelingen. Er wordt met dit bestemmingsplan, hoe kleinschalig ook ingezet op flexibilisering van woningbouwplannen. Toegankelijkheid woningmarkt Elke inwoner moet in beginsel in staat zijn binnen het eigen dorp een passende woning te vinden. Passend ten aanzien van de aard van de woning, de bereikbaarheid van noodzakelijke voorzieningen, maar ook ten aanzien van de betaalbaarheid. Binnen de bestaande woningmarkt, en de wijze waarop deze is georganiseerd, is een groot deel van de inwoners van de gemeente Haaren in staat daarbij hun eigen keuzen te maken. Het planvoornemen betreft een eigen keuze van een toekomstige particuliere initiatiefnemer. Het stelt deze initiatiefnemer in staat een passende eigen woning te realiseren. BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

17

Haarens kwaliteitsmenu Onderdeel van de Structuurvisie Haaren 2013 is het Haarens Kwaliteitsmenu. Hierin wordt per onderscheiden omgeving beschreven wat de specifieke kwaliteiten zijn en hoe de kwaliteiten verder ontwikkeld kunnen worden. Zo wordt bij ieder initiatief getoetst of het past binnen de kwaliteiten van de omgeving. Het plangebied is onderdeel van de zone Woongebieden. De kenmerken die verwoord zijn voor deze zone en die betrekking hebben op het plangebied luiden als volgt: • Landelijke en groene uitstraling woongebieden, ruime opzet openbare ruimte met een groen karakter • Veelal vrijstaande en halfvrijstaande woningen in één tot twee bouwlagen met kap, verspreid zijn ook aaneengebouwde woningen aanwezig • Bebouwingsbeeld is kleinschalig en dorps door de toepassing van kappen en metselwerk. De beoogde ontwikkeling bestaat uit de bouw van een nieuwe vrijstaande woning die qua maatvoering en bouwhoogte past binnen de kleinschalige, landelijke en groene uitstraling van het woongebied van Helvoirt. De beoogde ontwikkeling voorziet zoals hierboven beschreven in de beleidsuitgangspunten zoals verwoord in de Structuurvisie Haaren 2013. Woonvisie Haaren 2017-2021 “Van Wensen naar Wonen” De gemeente Haaren is een aantrekkelijke, leefbare en groene gemeente. De vorige woonvisie ‘Jouw kruiwagen naar mooi wonen’ is vastgesteld in 2011.

Sindsdien hebben zich op de woningmarkt, mede onder invloed van de herziene Woningwet, de nodige ontwikkelingen voorgedaan. Deze ontwikkelingen vragen een actuele visie op het wonen in Haaren. Om die reden is de woonvisie geactualiseerd. De Woonvisie Haaren 2017-2021 geeft de visie tot 2021 weer. Nieuwbouw en woningbouwprogrammering De woonvisie beschrijft het volgende ten aanzien van de woningbouwprogrammering; “De huishoudensontwikkeling is een goede voorspeller van de woningvraag. Het bedienen van de huishoudensgroei van +/- 350 huishoudens, vergt een toevoeging van gemiddeld 60 woningen per jaar tot en met 2022. Op de lange termijn stabiliseert de huishoudensomvang, waarna ook deze langzaam terugloopt. Dit vraagt een zorgvuldige afweging rond nieuwbouw, woningen staan er namelijk voor een lange periode. Als het gaat om woningbouwplanning- en programmering maakt Haaren onderdeel uit van de regio Noordoost-Brabant. Met de provincie en de regiogemeenten maakt zij afspraken over het toe te voegen woningaanbod. Daarnaast hebben de gemeente en de provincie in 2008 een overeenkomst gesloten waarin zij aanvullende afspraken hebben gemaakt over toe te voegen plancapaciteit en het aantal te ontwikkelen woningen tot 2020. Dit leidde tot een ‘plus’ op de regionale aantallen. Na het verstrijken van de termijnen uit de overeenkomst wordt teruggevallen op de prognoses van de provincie.

Binnen de bestaande plancapaciteit zijn de toegestane aantallen nagenoeg ingevuld. Dit is vastgelegd in ‘harde’ en ‘zachte’ plancapaciteit, waarbinnen plannen voor toevoeging van woningen in verschillende segmenten (huur/koop) en prijsklassen (goedkoop/middelduur/duur) zijn opgenomen. Er is nog maar (zeer) beperkte ruimte voor nieuwe plannen.” Met dit bestemmingsplan wordt de bouw van één vrijstaande woning in het (middel)dure segment mogelijk gemaakt. De gemeente Haaren heeft een aantal bijzondere doelgroepen gedefinieerd zoals starters op de woningmarkt, jonge gezinnen en zorgbehoevenden. Met de bouw van een vrijstaande woning in Helvoirt wordt niet in specifieke zin een bijzondere doelgroep bediend. Echter, vanuit volkshuisvesting zal een enkele toevoeging van een vrijstaande woning geen ontwrichting van het woningbouwprogramma veroorzaken. Hierdoor is de ontwikkeling mogelijk, ook al is er geen sprake van het bouwen voor een bijzondere doelgroep.

18

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Duurzaamheidsambities gemeente Haaren Ten aanzien van de duurzaamheidsdoelstellingen heeft de gemeente een aantal duurzaamheidsambities. Deze ambities zijn de volgende: 1. De klimaatverandering te stoppen, door de concentratie CO2 in de atmosfeer terug te brengen (klimaatmitigatie): • Minder energie gebruiken • De benodigde energie duurzaam opwekken • CO2 uit de lucht halen en vastleggen in bomen, planten en de bodem 2. Onze leefomgeving voor te bereiden op de klimaatveranderingen (klimaatadaptatie) Voor Haaren gelden gunstige omstandigheden voor de omschakeling richting volledig duurzaam opgewekte energie (ook wel de energietransitie genoemd). De gemeente heeft een grote oppervlakte met relatief weinig inwoners. Er is geen zware en energieslurpende industrie en er is een flink aantal betrokken inwoners en bedrijven actief bezig met verduurzaming. Dat biedt kansen om met een ambitieuze doelstelling aan de slag te gaan. Niet afwachten tot er vanuit de rijksoverheid doelstellingen en taken worden opgelegd, maar zelf achter het stuur gaan zitten en een voorbeeld vormen voor anderen. Op basis van de kennis en ervaring van Enexis en de kracht van de lokale energiecoöperatie DEH (Duurzame Energie Haaren) is het een haalbaar doel om in 2035 CO2-neutraal te zijn.

Een kanttekening is dat we hierbij uiteraard ook deels afhankelijk zijn van andere partijen en maatschappelijke en technologische ontwikkelingen om dit doel te bereiken. Daarnaast heeft de gemeente de wens uitgesproken dat met de nieuwe ontwikkeling wordt ingezet op het vergroten van de biodiversiteit, klimaatadaptie circulair materiaal gebruik, CO2-reductie en dat de nieuwe woning wordt uitgevoerd volgens het BENG-concept (Bijna Energie Neutraal Gebouw). De nieuwe woning wordt duurzaam. Dit wil zeggen dat bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning de woning zal voldoen aan de dan geldende regelgeving ten aanzien van duurzaamheid en bekeken zal worden welke maatregelen in kunnen worden gezet om optimaal in te kunnen inspringen op de duurzaamheidsambities van de gemeente Haaren. Te denken valt aan een hogere isolatiewaarde, het toepassen van PV-panelen en uiteraard omdat dat verplicht is ook het toepassen van een gasloze verwarming.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

19

Hoofdstuk 5 Milieuhygiënische aspecten 5.1

en

planologische

Inleiding

Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid, landschap en ruimtelijke ordening. Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden of er vanuit milieuhygiënisch oogpunt belemmeringen en/of beperkingen aanwezig zijn voor de beoogde ontwikkeling. De milieukwaliteit vormt dan ook een belangrijke afweging bij de ontwikkeling van ruimtelijke functies. In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de milieuhygiënische en overige planologische aspecten. Indien noodzakelijk is aanvullend onderzoek uitgevoerd. De eventuele onderzoeksrapportages zijn separate bijlagen bij de toelichting. In deze toelichting zijn de samenvattingen en conclusies opgenomen.

5.2

Parkeren en ontsluiting

De gemeente Haaren streeft naar een evenwichtige balans tussen parkeervraag en -aanbod waarbij aan de parkeerbehoefte van diverse doelgroepen (bewoners, bezoekers en bedrijven) zoveel mogelijk wordt voldaan, zonder dat dit ten koste gaat van de leefbaarheid in de wijk en de kwaliteit van de openbare buitenruimte. Hiervoor hanteert de gemeente Haaren de normen uit de publicatie CROW, kencijfers parkeren en verkeersgeneratie. Deze publicatie is uitgangspunt voor het parkeerbeleid binnen de gemeente en is gehanteerd bij het samenstellen van de parkeerbalans. Parkeerbehoefte Voor de beoogde ontwikkeling speelt ook de vraag wat de nieuwe functies aan parkeerbehoefte met zich meebrengen en op welke wijze deze parkeervraag kan worden ingepast. Uitgangspunt daarbij is dat deze ruimtebehoefte in principe op het eigen terrein, dus niet in de openbare ruimte wordt opgevangen. Met behulp van de rekentool van het CROW is bepaald dat de locatie is gelegen in de zone “rest bebouwde kom” en dat de stedelijkheidsgraad voor Haaren is bepaald op “niet stedelijk”. Berekening benodigd aantal parkeerplaatsen De rekentool berekent een benodigd aantal parkeerplaatsen voor één woning van minimaal 2 en maximaal 3 parkeerplaatsen. Op het perceel is voldoende ruimte beschikbaar om in de aanleg van deze parkeerplaatsen te voorzien. Hiermee wordt voldaan aan de gestelde parkeernorm.

Bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning zal getoetst worden of voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein wordt ingepast. Het voldoen aan de actuele parkeernormen is voorwaarde voor het verlenen van een omgevingsvergunning. Ontsluiting De woning wordt direct ontsloten op de Broekwal. Met behulp van de rekentool, parkeren en verkeersgeneratie van het CROW is de verkeersgeneratie berekend. De verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling bedraagt 8 motorvoertuigbewegingen per weekdagetmaal. Dit aantal is gering in verhouding tot de bestaande motorvoertuigbewegingen op de bestaande omliggende wegen. Geconcludeerd moet worden dat de capaciteit van de omliggende wegen voldoende is om de verkeersgeneratie van 1 vrijstaande woning op te kunnen vangen. Voor de nieuwe woning wordt een eigen inrit aangelegd. Bij de uitwerking van een bouwplan zal een inritvergunning worden aangevraagd. Het aspect “parkeren” en “ontsluiting” is geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.3

Water

In het kader van het Nationaal Bestuursakkoord Water moet bij ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond, middels een hydrologisch onderzoek, dat de waterhuishouding niet negatief wordt beïnvloed door de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Sinds juli 2003 is de watertoets wettelijk verankerd in het Besluit op de Ruimtelijke Ordening. Het besluit 20

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

verplicht tot het opnemen van een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding in de toelichting van alle ruimtelijke plannen. Ten aanzien van het beleid rond- en om water is het met name van belang of de wijzigingen een effect kunnen hebben op de hydrologische situatie. Met betrekking tot hydrologisch neutraal ontwikkelen hebben de drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hun keuren geharmoniseerd, Keur 2015. Daarnaast zijn de algemene regels vastgelegd binnen de “Algemene regels waterschap De Dommel”. De beleidsregels aanvullend op de Keur zijn verder vastgelegd binnen de “Beleidsregels voor waterkering, waterkwantiteit en grondwater”. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. De grenswaarden waaraan getoetst wordt zijn; minder dan 2.000 m², tussen de 2.000 m² en 10.000 m² en meer dan 10.000 m². Aanvullend op de beleidsregels is het stuk “Hydrologische uitgangspunten bij de keurregel voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen”. Het bovenstaande resulteert in een voorkeursvolgorde voor het verwerken van hemelwater waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 5 het minst wenselijk is: 1. Hergebruik 2. Vasthouden 3. Bergen en afvoeren 4.

Afvoeren naar oppervlaktewater (direct of indirect) 5. Afvoeren naar de riolering Vanuit de Algemene Regel is er geen verplichting tot aanleg van een retentievoorziening of infiltratievoorziening bij een verhardingstoename kleiner dan 2000 m2. Met de gewenste nieuwbouw van één woning is er sprake van een toename van de verharding. Wat de beoogde ontwikkeling betekent voor de waterhuishouding is beschreven in deze waterparagraaf. Attentiegebied Op basis van de Keur van het Waterschap is het plangebied gelegen in de zone “Attentiegebied”. Binnen dit gebied moet verdroging zoveel mogelijk worden voorkomen. Door de aanleg van een hemelwaterberging wordt hier voldoende rekening mee gehouden. Hemelwater Op 18 december 2018 is door de raad van de gemeente Haaren de hemelwater- en grondwaterverordening vastgesteld. Hierin is bepaald dat bij nieuwbouw het hemelwater niet mag worden aangeboden aam het (bestaande) rioolstelsel en volledig verwerkt moet worden op het eigen terrein. Om te bepalen wat de te bergen hoeveelheid hemelwater is, is inzicht nodig in de verhardingstoename als gevolg van het planvoornemen. Het perceel is in de huidige situatie onverhard.

De benodigde bergingscapaciteit als gevolg van de verharding van het plangebied wordt berekend door de verharding (bebouwing en terreinverharding) te vermenigvuldigen met de verwachte neerslag van een maatgevende bui (60 mm) en de gevoeligheidsfactor. De gevoeligheidsfactor voor het plangebied is ‘1’. Het gemiddeld hoogste grondwaterpeil (GHG) is niet bekend bij het Waterschap. Het Waterschap heeft geadviseerd de toekomstige bergingsmogelijkheid iets hoger te leggen dan de GHG om te voorkomen dat de bergingsmogelijkheid deels gevuld wordt met grondwater. Bij de verdere uitwerking van de bouwplannen zal hier rekening mee worden gehouden. De bouwplannen zullen worden getoetst aan de bepalingen uit de hemelwater- en grondwaterverordening. Hierdoor is de aanleg van een infiltratievoorziening verzekerd.

Materiaalgebruik Afkoppeling van de neerslag afkomstig van de verharde oppervlakken is goed mogelijk bij nieuwbouw. Bij het voldoen aan de milieuhygiënische randvoorwaarden (dubo-materialen etc.) kan de afgekoppelde afstromende neerslag vanuit het plangebied rechtstreeks via (mol)goten, lijnafwatering of ander BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

21

traditioneel afvoermateriaal gescheiden van het afvalwater worden aangeboden. Wel moeten in de afvoersystemen voorzieningen worden gerealiseerd die blad, zand e.d., die verstoppingen kunnen veroorzaken, achterhouden. Toe te passen duurzame materialen: • Hellende daken: dakpannen van beton of keramisch materiaal. • Platte daken: beton of bekleed met EPDM-rubber; APP en/of SBS gemodificeerd bitumen. • Dakgoten en afvoerpijpen; PVC/PP/PE/ staal, aluminium of zink alle gecoat. • Ontsluitingspaden/ wegen/ terrassen; voorzien van niet-uitloogbare materialen of betonproducten. Afvalwater Het afvalwater zal gescheiden van het hemelwater worden aangeboden.

5.4

Natuur

Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving. Vanaf 1 januari 2017 is er de Wet natuurbescherming in. Deze wet heeft 3 wetten vervangen: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Er mogen geen ontwikkelingen plaatsvinden die op onoverkomelijke bezwaren stuiten door effecten op beschermde natuurgebieden en/of flora en fauna. De uitvoering van de Wet natuurbescherming ligt bij de Provincie. Gebiedsbescherming In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden zijn de Veluwe, Rijntakken (rivieren), de Waddenzee maar ook Loonse- en Drunense Duinen. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning Natuurbeschermingswet wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Provincies hebben ervoor gekozen om deze gebieden te beschermen via het provinciale beleid.

Ook de provincie Noord-Brabant heeft de gebieden in haar verordening toegewezen aan het Natuur Netwerk Brabant (NNB). Het plangebied ligt niet binnen een beschermd gebied, zoals opgenomen in Natura 2000 en de ecologische hoofdstructuur. Gezien de kleinschaligheid van de ontwikkeling en de afstand (> 800 meter) tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Loonse- en Drunense Duinen) is het niet aannemelijk dat het plan negatieve effecten heeft op natuurgebieden. Stikstofdepositie Te veel stikstofneerslag is slecht voor de natuur. Daarom is een natuurvergunning of een ander toestemmingsbesluit nodig voor activiteiten (bijvoorbeeld in de landbouw, woningbouw, wegenbouw of de industrie) waar stikstof bij vrij komt. Ook voor de bouw van de nieuwe woning is het nodig inzicht te krijgen in de stikstofdepositie op in de omgeving van het plangebied gelegen Natura-2000 gebieden. Om een zorgvuldige afweging te maken bij nieuwe activiteiten wordt AERIUS Calculator ingezet. Hiermee kan berekend worden welke depositie een project veroorzaakt en op welke natuurgebieden die depositie neerslaat. Met het gebruik van AERIUS Calculator kunnen projecten doorgang vinden waar kan worden aangetoond dat een activiteit niet tot een toename van depositie leidt. Er is dan namelijk geen toestemming vereist voor het aspect stikstofdepositie.

Daarnaast is het met AERIUS Calculator mogelijk om vergunningen aan te vragen op grond van intern salderen. Voor het project is een AERIUS berekening opgesteld. De uitgangspunten, resultaten en conclusie van deze berekening is als bijlage aan deze toelichting gevoegd. De conclusie luidt als volgt:

22

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Uit de stikstofberekening blijkt dat de aanlegfase niet leidt tot een toename hoger dan 0,00 mol/ha/jr. De verklaring hiervoor is gelegen in het feit dat de afstand tussen het plangebied en het dichtstbijgelegen Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen circa 1,8 km bedraagt. Gelet hierop en gelet op het eenmalige karakter van de aanlegfase, heeft de depositie van de aanlegfase geen meetbaar of merkbaar effect op de kwaliteit van de stikstofgevoelige habitattypen binnen het Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen. Uit de AERIUS berekening blijkt dat de gebruiksfase geen toename van stikstofdepositie kent boven de 0,00mol/ha/jr. Gelet op de afstand van ca. 1,8 km tot aan het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied de Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen heeft de gebruiksfase geen significant negatief effect op dit Natura 2000-gebied. De stikstofdepositie ter plaatse van het Natura-2000 gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen kent geen toename boven de 0,00 mol/ha/jr in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. Daarnaast heeft de voorgenomen ontwikkeling voor de bouw van een gasloze woning een positieve bijdrage aan het verduurzamen van de woningvoorraad. Soortbescherming In de Wet natuurbescherming staan verbodsbepalingen: activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten zijn verboden.

Hiervoor verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen: Strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de voormalige Vogel- en Habitatrichtlijn. In de tweede categorie staan andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst. Onder de Wet natuurbescherming worden 75 soorten vaatplanten beschermd. Voor de planherziening is een quickscan flora en fauna opgesteld (IJzerman Advies dd 20 december 2019). De rapportage is in zijn geheel als bijlage aan deze toelichting toegevoegd. De conclusie luidt als volgt: “Flora Bij de veldinspectie is het plangebied onderzocht door een ervaren vegetatiekundige, op het voorkomen van beschermde soorten of resten hiervan. Op en langs de randen van de percelen zijn enkel vrijgestelde soorten en zijn er geen beschermde soorten aangetroffen. Het plangebied is met nadruk geïnspecteerd op potentiële groeiplaatsen voor beschermde soorten. Deze soorten of hun groeiplaatsen zijn niet aangetroffen in het plangebied en worden hier ook niet verwacht. Het plangebied is een tuin binnen de bebouwde omgeving van Helvoirt. Ongewervelden Beschermde ongewervelden, zoals bepaalde vlinders, libellen, kevers en mieren, zijn niet aangetroffen op de planlocatie. De locatie bevat geen natuurlijk ontwikkelde oevervegetaties of arme- of matigvoedselrijke vegetaties.

Beschermde soorten zijn vaak zeer specifiek in hun biotoopkeuze en afhankelijk van de aanwezigheid van (vaak zeldzame en kwetsbare) waardplanten of vegetaties. Op de planlocatie ontbreken deze omstandigheden, waardoor ook geschikte biotopen voor deze beschermde ongewervelden ontbreken. Op basis van de aangetroffen omstandigheden kan worden geconcludeerd dat er geen beschermde soorten voorkomen. Amfibieën, vissen en reptielen Potentiële geschikte natuurlijke water- en oeverstructuren voor beschermde soorten ontbreken op de planlocatie zelf. De aanwezige vijver is mogelijk in gebruik als voortplantingsgebied voor algemene amfibieën. Strenger beschermde amfibieën- of vissoorten zullen geen gebruik maken van het plangebied als voortplantingsgebied. De vijver ligt in de bebouwde omgeving en staat niet in verbinding BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

23

met meer natuurlijke waterstructuren of ecologische verbindingszones. De kans dat er belangrijke populaties kwetsbare soorten aanwezig zijn in de vijver is vrijwel nihil. In theorie is het mogelijk dat er in het plangebied enkele algemene amfibieënsoorten, zoals bruine kikker of gewone pad in landfase voorkomen. Hoewel deze soorten beschermd zijn (artikel 3.10), worden zij niet bedreigd in hun voorkomen en staan vermeld als vrijgestelde soorten in de provincie Noord-Brabant. Voor het opzettelijk doden of vangen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen wordt vrijstelling verleend als de handeling verband houdt met ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden (hier van toepassing). Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Bij demping van de vijver dient hiermee rekening te worden gehouden. Na het leegpompen van de vijver is het raadzaam de resterende planten en het slib enige tijd op de kant te leggen, zodat dieren hieruit kunnen ontsnappen. Op de planlocatie zijn geen overig beschermde soorten aangetroffen. Broedvogels Alle bewoonde nesten in het broedseizoen vallen onder de bescherming van de nieuwe Wet natuurbescherming.

U dient daarom gedurende de sloopwerkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Er wordt geen standaardperiode gehanteerd voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden op het moment dat er geen broedgevallen (meer) aanwezig zijn, is overtreding van de wet niet aan de orde. Er is met nadruk gezocht naar sporen die duiden op de aanwezigheid van nestlocaties van uilen, roofvogels, gierzwaluwen en huismussen, soorten waarvan de nesten jaarrond beschermd kunnen zijn. Er zijn geen nesten, prooiresten of uitwerpselen van deze groepen aangetroffen op de locatie. Ter voorkoming van het verstoren van broedende vogels wordt aangeraden eventuele kapwerkzaamheden tussen half juli en half maart (buiten het broedseizoen) te verrichten. Het verstoren van broedende vogels is verboden conform de Wet natuurbescherming. Voor het verstoren van broedende vogels wordt geen ontheffing verleend. Kap in deze periode verkleint de kans op verstoring van broedende vogels. Zoogdieren Het is mogelijk dat er een enkel individu van een beschermde soort op de locaties kan worden aangetroffen, zoals egel, mol, konijn, veldmuis en bepaalde spitsmuizen.

Deze soorten zijn weliswaar beschermd, maar behoren in de provincie Brabant tot de vrijgestelde soorten. In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen hoeft voor deze soorten geen ontheffing meer te worden aangevraagd. Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Hierbij valt te denken aan het uitvoeren van de meest verstorende werkzaamheden in de maanden september en oktober. In de provincie Noord-Brabant zijn de bunzing, hermelijn en wezel eveneens beschermd. De locatie is uitvoerig geïnspecteerd op sporen die duiden op de aanwezigheid van deze soorten. Ook is gekeken of er op de locatie potentieel geschikt habitat aanwezig is. Er zijn geen sporen zoals prooiresten, pootafdrukken, wissels, uitwerpselen of nestmateriaal aangetroffen. Alle soorten vleermuizen vallen onder de groep beschermde soorten.

24

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Op de planlocatie staan enkele bomen. Deze bomen zijn echter relatief jong en hebben geen geschikte holtes, gaten of kieren, en zullen derhalve niet gebruikt worden als vaste verblijfslocatie voor boombewonende vleermuizen. Ook als foerageergebied heeft dit grasveld in de bebouwde omgeving geen substantiële functie voor vleermuizen. In de omgeving kunnen in theorie algemene soorten zoals gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) en laatvlieger (Eptesicus serotinus) voorkomen. Deze dieren zijn cultuurvolgers en maken vaak gebruik van lijnvormige groen- en bebouwingsstructuren en straatverlichting. Bestaande lijnvormige groenstructuren waarlangs migratie- of foerageerroutes van vleermuizen zouden kunnen liggen, worden niet aangetast door de voorgenomen plannen. Eventuele vliegroutes worden niet onderbroken. De geplande ontwikkeling heeft door gebrek aan geschikte verblijfslocaties of het ontbreken van een gebruiksfunctie (foerageergebied of vliegroute) geen negatieve effecten op lokale populaties vleermuizen.” Met de beoogde ontwikkeling worden geen natuurwaarden geschaad.

5.5

Archeologie en cultuurhistorie

De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Gemeenten hebben een belangrijke rol in het archeologisch stelsel. In bestemmingsplannen houden ze rekening met (te verwachten) archeologische waarden. In een plantoelichting dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Archeologie Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologievriendelijke alternatieven. Bij ingrepen waarbij de ondergrond ernstig wordt geroerd, moet worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Voor het plangebied is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd. De rapportage (Aeres Milieu, dd 6 mei 2020) is in zijn geheel aan de toelichting toegevoegd. De conclusie luidt als volgt: “Op basis van het uitgevoerde archeologisch booronderzoek, verkennende fase, kan worden gesteld dat de bodemopbouw binnen het plangebied, niet meer intact is.

De bodemopbouw bestaat uit een AC profiel, waarbij in een aantal boringen een scherpe overgang naar de C-horizont aanwezig is wat wijst op aftopping van het bodemprofiel. Andere boringen vertonen een verstoorde overgang van de A naar de C-horizont. Mogelijk zijn deze verstoringen ontstaan bij de aanleg van de tuin en de vijver. Op basis van het bovenstaande wordt de archeologische verwachting voor de periode laat paleolithicum tot vroege middeleeuwen bijgesteld naar laag. De lage verwachting voor de periode late middeleeuwennieuwe tijd wordt gehandhaafd. Voor het plangebied wordt om bovenstaande redenen geen vervolgonderzoek noodzakelijk geacht.” Daarnaast geldt dat het ten alle tijden mogelijk is dat tijdens (overige) werkzaamheden archeologische resten of sporen aangetroffen worden, moet hiervan terstond melding worden gemaakt bij de bevoegde overheid. Als blijkt dat de aangetroffen resten of sporen gedocumenteerd dienen te worden, zal overleg BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

25

plaatsvinden tussen de initiatiefnemer en de bevoegde overheid waarin besproken wordt welke tijd en ruimte beschikbaar is om op een gedegen manier onderzoek te plegen. Cultuurhistorie Binnen of in de nabijheid van het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle elementen of gebouwen aanwezig. Het aspect “archeologie en cultuurhistorie” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.6

Milieuzonering, geur en spuitzones

Bij elk ruimtelijk besluit zal er sprake moeten zijn van een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent dat gevoelige functies (zoals wonen) geen overlast mogen hebben van in de omgeving aanwezige en toegestane bedrijven. Aan de andere kant moet ook gemotiveerd zijn dat de rechten van bestaande bedrijven in de omgeving niet geschaad worden door een besluit dat een nieuw gevoelig object mogelijk maakt. Omdat hier sprake is van de toevoeging van één woning (gevoelig object) verdient het aspect “milieuzonering” aandacht. Bedrijvigheid en richtafstanden Op basis van milieuzonering wordt bepaald welke categorieën bedrijfsvestigingen en/of inrichtingen mogelijk kunnen worden gemaakt. Dit houdt in dat er een voldoende ruimtelijke scheiding aanwezig dient te zijn tussen milieubelastende bedrijven en/of inrichtingen en woongebieden of woningen. Hoe zwaarder de toegestane milieucategorie, hoe groter de afstand. Zonering of functiemenging Bij het bepalen van deze afstand wordt gebruik gemaakt van de VNG - brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009 (VNG-brochure). In deze brochure worden onder meer richtafstanden aangegeven tot de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied. Bij een gemengd gebied geldt dat de in de brochure genoemde richtafstand met één stap kan worden verlaagd.

Ook beschrijft de brochure gebieden waarbinnen functiemenging juist gewenst is bijvoorbeeld in stadscentra. Voor dit soort gebieden kent de brochure de systematiek van functiemenging. De projectlocatie is gelegen in een rustige woonwijk waar geen bedrijven in nabijheid zijn gelegen. Een beoordeling op basis van inpasbaarheid ten aanzien van bedrijven en bedrijfsactiviteiten in de omgeving kan daarom met deze inventarisatie volstaan. Er is sprake van een goed woon-, en leefklimaat en er worden geen belangen van bedrijven geschaad. Geurhinder agrarische bedrijvigheid De wetgeving rondom geur heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting door het opnemen van geurnormen en vaste afstanden. Hierbij is het mogelijk dat de gemeenteraad afwijkende normen vaststelt in een gemeentelijke geurverordening. Met deze opgenomen normen moet rekeningen gehouden worden bij beslissingen in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Indirect heeft de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt de omgekeerde werking genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: • •

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vught&id=275fb3f3-7620-4759-acf1-1738b7401b9e