Bijlage - Bestemmingsplan - toelichting
Tekst van het document
Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het wateren bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’: op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving.
Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: - Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt. - Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan. - Wat schoon is moet schoon blijven. We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar MiddenBrabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur.
De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij: - van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. - van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied.
Bestemmingsplan – Kruishoeveweg 5
25
-
van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.
Programma Water en Riolering 2022-2026 De gemeente Vught heeft het PWR beleid opgenomen, in bijlage C van dit beleid wordt ingegaan op hemelwater. Hierin wordt beschreven wat de visie van de gemeente Vught is omtrent hemelwater en hoe er met hemelwater om gegaan wordt. Zo wil de gemeente zorgen dat hemelwater niet meer allemaal afstroomt naar het riool omdat de bestaande riolering dit niet langer aankan. In de toekomst wordt het schone en vuile water gescheiden, wordt de hoeveelheid hemelwater op het riool verminderd, het verwerken van hemelwater op lokaal niveau, enkel afvoeren wanneer het infiltreren en/of bergen niet realistisch is en worden risico’s tijdens extreme neerslag beperkt. Met de beoogde ontwikkeling wordt er waterberging gerealiseerd om het hemelwater op te vangen. Hiermee wordt er een bijdrage geleverd aan de visie van de gemeente Vught. Waterafvoerverordening Vught 2022 In hoofdstuk 3 van de verordening zijn de regels omtrent het lozen van hemel- of grondwater opgenomen. In artikel 13 is opgenomen dat het verboden is om hemelwater te lozen dat afkomstig is van een nieuw gebouw/nieuw verhard oppervlak. Dit dient op het eigen perceel gerealiseerd te worden. hierbij dient voldaan te worden aan een aantal regels, de hemelwatervoorziening moet tenminste 60 liter per m2 opvangen, de voorziening dient boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand te worden realiseert.
De hoeveelheid berging mag niet afnemen. In paragraaf 4.1.3 van onderliggende toelichting wordt uitgelegd hoe er voldaan wordt aan de genoemde eisen.
4.1.2. Bestaande waterhuishoudkundige situatie
De planlocatie is gelegen in een gebied met enkeerdgronden, specifiek te typeren als hoge zwarte enkeerdgronden, leemarm en zwak lemig. Volgens de kwel- en infiltratiekaart van de provincie NoordBrabant is ter plaatse sprake van ‘infiltratie’. De watergang die ten noorden van de planlocatie in oost-westrichting is gelegen, is op de Legger Oppervlaktelichamen 2018 van het waterschap aangemerkt als B-watergang. Op navolgende afbeelding is deze B-watergang weergegeven. Voor deze B-watergang zijn geen beschermingszones opgenomen. De planlocatie bevat tevens geen KRW lichamen, keringen en bevindt tevens niet in een waterbergingsgebied.
Afbeelding 14: uitsnede Legger Waterschap de Dommel (bron: Waterschap de Dommel)
In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Reinigingswater van de hokken van het pension wordt opgevangen in de mestkelders en met de mest verspreid over de landbouwgronden. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd/ geïnfiltreerd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m 3 niet-
Bestemmingsplan – Kruishoeveweg 5
26
verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geïnfiltreerd op omliggende perceelsloten. Op het bedrijf wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. Er is sprake van good-house-keeping management. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Op het bedrijf vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het niet-verontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geïnfiltreerd op de omliggende percelen. Zie ook de volgende paragraaf.
4.1.3. Beoogde waterhuishoudkundige situatie
In de beoogde waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard ook geloosd op het gemeentelijk riool. Bij de nieuwbouw zal gebruik worden gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen en niet van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie.) Ter hoogte van de aangegeven B-watergang zal het initiatief plaatsvinden. Deze B-watergang zal gedempt worden. Hiervoor zal te zijner tijd een watervergunning worden aangevraagd. Zoals aangegeven is waterschap de Dommel de beheerder van de kwaliteit en kwantiteit van het gronden oppervlaktewater binnen het plangebied. Door middel van de Keur van Waterschap de Dommel, die in werking is getreden op 1 maart 2015, kan worden bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Dit om versnelde afvoer van hemelwater op het watersysteem te voorkomen. Bij voorkeur wordt ervoor gezorgd dat het hemelwater alsnog kan infiltreren in de bodem, eventueel via mitigerende maatregelen zoals een retentievoorziening. De Keur schrijft voor dat mitigerende maatregelen nodig zijn indien sprake is van een toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m2.
De grootte van de retentievoorziening moet worden berekend conform de rekenregel die in de nieuwe Algemene regels van de Keur van de waterschappen is geïntroduceerd. Deze rekenregel luidt als volgt: Benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (m2) x ‘gevoeligheidsfactor’ x 0,06 (m) In de beoogde situatie is er een toename van circa 2.100 m2 verhard oppervlak. Omdat er een toename van verharding is dient er een compenserende maatregel getroffen te worden om het hemelwater op te vangen. De grootte van de retentievoorziening wordt berekend conform de rekenregel die in de nieuwe Algemene regels van de Keur van de waterschappen is geïntroduceerd. Deze rekenregel luidt als volgt: De gevoeligheidsfactor is af te leiden uit de kaart die bij de nieuwe Keur is gevoegd. Hierbij is het grondgebied van het desbetreffende waterschap, in dit geval de Dommel, verdeeld in drie categorieën. Naarmate de gevoeligheid van een gebied of oppervlaktewatersysteem voor de gevolgen van piekafvoeren lager is, is minder compensatie nodig. Er worden drie waarden voor de gevoeligheidsfactor gehanteerd: ¼ (Laag), ½ (Gemiddeld) en 1 (Hoog). Zoals uit navolgende afbeelding blijkt is er voor de locatie aan de Kruishoeveweg 5 een gevoeligheidsfactor van 1 (Hoog) van toepassing.
Bestemmingsplan – Kruishoeveweg 5
27
Planlocatie
Afbeelding 15: uitsnede kaart ‘Gevoeligheidsfactor’ (bron: waterschap de Dommel)
De factor 0,06 (m) vertegenwoordigt een waterschijf van 60 mm (600 m 3/ha) die de hoeveelheid water aangeeft die onder maatgevende omstandigheden daadwerkelijk op het watersysteem terecht zou komen als er geen voorziening wordt aangelegd. Deze is door het waterschap vastgelegd op basis van eigen onderzoek en toekomstscenario’s. Dit is een vast gegeven in de formule. Alle onderdelen van de rekenregel zijn bekend. Dit betekent dat de volgende rekensom gemaakt kan worden. Benodigde compensatie = 2.100 m2 x 1 x 0,06 = 126 m3 Bij de uitwerking van de compenserende maatregelen zal ook rekening gehouden moeten worden met de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). De voorziening mag namelijk niet dieper worden afgegraven dan de GHG ter plaatse. De gemiddelde hoogste grondwaterstand is af te leiden uit de gedetailleerde bodematlas van de provincie Noord-Brabant. Zoals uit navolgende afbeelding blijkt ligt de gemiddelde hoogste grondwaterstand ter plaatse van de beoogde bedrijfsbebouwing tussen 40 en 60 cm beneden maaiveld.
Bestemmingsplan – Kruishoeveweg 5
28
Locatie wadi
Afbeelding 16: uitsnede Bodematlast ‘Gemiddelde hoogste grondwaterstand’ (bron: provincie Noord-Brabant)
Er zal ten behoeve van dit initiatief een retentie/infiltratievoorziening worden gerealiseerd nabij het plangebied, ter hoogte van de nieuw te realiseren houtsingels. Deze houtsingel zal een lengte hebben van ca. 100 m1, een gemiddelde breedte van 5,0 meter en zal verlaagd worden gerealiseerd en hierdoor een gemiddelde diepte van 0,2 meter hebben. De inhoud van deze houtsingel zal ca. 100 m3 bedragen. Ook zal er een wadi in de vorm van een poel worden gerealiseerd met een omvang van ca. 100 m 2 (excl. oevertaluds) en een gemiddelde diepte van 0,4 meter (inhoud 40 m3). De voorzieningen zijn samen voldoende groot zijn om te voldoen aan de benodigde compensatie. Door de aangegeven bodemsoort (enkeerdgronden) en de aanduiding ten behoeve van infiltratie (van de kwel- en infiltratiekaart van de provincie Noord-Brabant) kan worden gesteld dat de locatie geschikt is voor infiltratie van regenwater vanuit de bergingsvoorzieningen. De voorzieningen worden zo geplaatst dat bij eventuele overloop er geen wateroverlast ontstaat bij de gebouwen. Op navolgende afbeelding zijn de beoogde voorzieningen weergegeven, met daarbij een doorsnede-tekening van de houtsingel. Het hemelwater stroomt allemaal richting de beoogde watervoorzieningen, dit omdat de watervoorziening op een lager gelegen stuk van het perceel gerealiseerd zal worden.
Op onderstaande afbeelding is te zien dat de beoogde retentievoorziening circa 60 cm lager ligt dan aan te brengen verhardingen.
Bestemmingsplan – Kruishoeveweg 5
29
Afbeelding: Hoogtekaart planlocatie
Doorsnede voorziening: 0,2 0,5
4,0
0,5
Afbeelding 17: weergave beoogde infiltratiesloot met doorsnede-tekening
Bestemmingsplan – Kruishoeveweg 5
30
Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.2. Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.
4.2.1. Natuurnetwerk Nederland (NNN)
In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruitgaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. De Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: - Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; - Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; - Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; - Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; - Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan.
Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Interim omgevingsverordening (Iov) de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Iov. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ van de Iov is binnen de planlocatie de aanduiding ‘attentiezone waterhuishouding’ aanwezig, zie navolgende afbeelding. De regels behorende bij deze aanduiding zijn uitgewerkt in paragraaf 3.2.3 van deze toelichting.
Hieruit blijkt dat de beoogde ontwikkelingen geen invloed hebben op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan 2016. Daarbij wordt opgemerkt dat door de aanleg van de zorgvuldige landschappelijke inpassing de ecologische waarden in de omgeving versterkt zullen worden.
Bestemmingsplan – Kruishoeveweg 5
31
Planlocatie
Afbeelding 182: uitsnede kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ Iov
4.2.2. Wet natuurbescherming
In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en provinciale verordening. In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen en Kampina & Oisterwijkse Vennen. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen.
Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft zijn Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen, dat op een afstand van circa 2,15 kilometer ligt. De uitbreiding van de veehouderij kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er zijn verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht zijn van toepassing bij de ontwikkeling van veehouderijen. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt.
Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht
Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen).
Bestemmingsplan – Kruishoeveweg 5
32
Om aan te tonen dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt is middels het rekenprogramma AERIUS een verschilberekening gemaakt tussen de uitgangssituatie en de beoogde bedrijfsopzet. Uit de AERIUS-berekening, die is bijgevoegd in bijlage 2 (en de bijbehorende toelichting in bijlage 3), blijkt dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daarom geen negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstof uit de lucht.
Overige storingsfactoren
Vanwege de afstand van de planlocatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied zijn Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling.
Conclusie
Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.
In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in de planlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: - Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); - Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); - Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Kruishoeveweg 5, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de nieuw te realiseren bebouwing en erfverharding, beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding.
Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Gezien het huidige intensieve gebruik van het bouwvlak en de landbouwgronden grenzend aan het bouwvlak is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten echter niet te verwachten.
Bestemmingsplan – Kruishoeveweg 5
33
Er is voor het initiatief een Quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd door Holag (rapportnummer 140121, uitgave 14-01-2021). Het rapport van deze Quickscan is als separate bijlage bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 4). Het doel van de quickscan is om antwoord te krijgen op de volgende vragen: - Is de planlocatie geschikt als leefgebied voor beschermde soorten? - Is de planlocatie geschikt voor de aanwezigheid van beschermde soorten met een vast rust of verblijfplaats? - Zijn er sporen van beschermde soorten waar te nemen op de planlocatie? - Is er nader onderzoek nodig om antwoord te kunnen geven op de vraag of de geplande werken mogelijk een negatief effect hebben op de te verwachten beschermde soorten? In de quickscan is specifiek gekeken naar bebouwing welke gesloopt zullen gaan worden en bomen die eventueel gekapt moeten worden ten behoeve van het initiatief. De navolgende conclusies zijn getrokken in de quickscan: 1. De planlocatie is niet geschikt als leefgebied beschermde soorten. De te slopen/te saneren objecten zijn door het gebruik als veehouderij niet of minder geschikt voor beschermde soorten. Het erf en de gebouwen zijn schoon er zijn geen ruige plekjes te vinden. De te slopen objecten en het intensieve gebruik zijn ongeschikt voor vleermuizen. In de toekomst kan er mogelijk meer ruimte komen voor soorten om zich te vestigen (zie gebiedsbescherming).
Versterking van de natuurwaarde kan door eenvoudige maatregelen als het hangen van nestkasten, en nectar- en vruchtdragende soorten te gebruiken. Er zijn geen mitigerende of compensatie maatregelen nodig. Het strekt tot de aanbeveling om de objecten buiten het broedseizoen te saneren. Het gebruik van de gedragscode is een goed middel om transparant te maken dat er zorgvuldig is gewerkt. 2. Gebiedsbescherming De voorgenomen sloop of sanering heeft geen effect op de in de omgeving gelegen Natura 2000 gebieden. Het zijn geen grote of ingrijpende maatregelen waar effect van waar te nemen zal zijn. Initiatiefnemer heeft in overweging voor een gedeelte van zijn grond functieverandering te gaan toepassen. Het gaat om een belangrijk deel van zijn bedrijfsareaal. De grond waar functieverandering op van toepassing zal zijn is gelegen binnen het NNN – Brabant. Deze stap zal een extensivering van het bedrijf betekenen. Voor de natuur is dit een belangrijke stap, en vervolgens ook indirect op de Natura 2000-gebieden. Het strekt tot de aanbeveling initiatiefnemer voldoende te ondersteunen in het te doorlopen proces als hij deze keuze wil maken Gezien het voorstaande kan geconcludeerd worden dat het aantreffen van beschermde natuurwaarden niet aan de orde is.
Een omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van soorten is op grond van de Wet natuurbescherming derhalve niet noodzakelijk. Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden zoals die is vastgelegd in de Wnb vloeit voort uit de voormalige Boswet. Voorwaarden zijn gericht op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en liggend buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Ook geldt binnen het vigerende bestemmingsplan dat er voor het rooien van beplanting een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden nodig is. Binnen de planlocatie is hier geen sprake van. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van houtopstanden noodzakelijk is. Voor het planten van begroeiing is overigens ook een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden nodig. Te zijner tijd zal, voor de uitvoering van het landschappelijk inpassingsplan, hiervoor een omgevingsvergunning worden aangevraagd. 4.3. Bodemkwaliteit In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen dient de aanwezige bodemkwaliteit te passen bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem.
Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Indien de bodemkwaliteit (humane) risico’s met
Bestemmingsplan – Kruishoeveweg 5
34
zich meebrengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico’s zijn beheerst of weggenomen door sanering. Een historisch en verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 dient te worden uitgevoerd wanneer de bestemming en/of gebruik wordt gewijzigd én wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. Voor onderhavig initiatief is door Lankelma Geotechniek Zuid BV een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. Het rapport hiervan (d.d. 30 maart 2021, rapportnummer 2001841) is als separate bijlage bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 5). In het rapport is samenvattend de volgende conclusie opgenomen: “Middels onderhavig bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd. In het kader van de Wet bodembescherming zijn geen aanvullende procedures noodzakelijk. Op basis van de bevindingen uit onderhavig bodemonderzoek zijn er, onzes inziens, vanuit milieuhygiënisch oogpunt derhalve geen belemmeringen c.q. beperkingen voor de voorgenomen bestemmingswijziging en de daaropvolgende nieuwbouw op deze locatie.” Ten aanzien van het aspect bodem zijn er derhalve geen bezwaren voor de gewenste ontwikkeling. Een nader onderzoek naar de bodemgesteldheid is dan ook niet noodzakelijk. 4.4.
Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van het beoogde initiatief moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.
4.4.1. Cultuurhistorie en aardkunde
Uit de cultuurhistoriekaart van de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat de planlocatie niet in gebied ligt met aardkundige of cultuurhistorische waarden, zie navolgende afbeelding. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of aardkundig waardevol gebied.
Planlocatie
Afbeelding 19: uitsnede kaart ‘Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed’ Iov
Conform de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant is de locatie gelegen in een regio van provinciaal cultuurhistorisch belang (de Meierij) en een cultuurhistorisch landschap (het Groene Woud). Daarnaast is nabij de locatie een historische geografische lijn gelegen. Deze loopt niet door het perceel; er wordt daarom geen afbreuk gedaan aan cultuurhistorische waarden. Op navolgende afbeelding is een uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart weergegeven.
Bestemmingsplan – Kruishoeveweg 5
35
Planlocatie
Afbeelding 20: uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart (bron: provincie Noord-Brabant)
4.4.2. Archeologie
De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d. In het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan Archeologie’ zijn dubbelbestemmingen opgenomen ten behoeve van de archeologische verwachtingswaarde. Zoals weergegeven in paragraaf 1.3 en 3.3.3. van deze toelichting, is de planlocatie voor een groot deel gelegen binnen de dubbelbestemming ‘waarde – archeologie 5’ en een gedeelte binnen de dubbelbestemming ‘waarde – archeologie 3’.
Het is op of in de gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden verboden ter plaatse van de aangeduide waarden de volgende werken en/of werkzaamheden buiten het bouwvlak te verrichten: afgraven, vergraven, egaliseren; draineren, onderbemalen, graven sloten dieper dan 1 meter; verharden oppervlakte van minimaal 100 m², aanleg leidingen dieper dan 1 meter.
Op 22 januari 2021 is door ArcheoPro een Inventariserend Veldonderzoek Overig (IVO-O) uitgevoerd op de initiatieflocatie. Het rapport (rapportnummer 20114, versie 27-01-2021) hiervan is als separate bijlage bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 6). Volgens het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel geldt voor het plangebied in verband met de relatief grote afstand tot open water en de ligging buiten een echte gradiëntzone, hooguit een middelhoge verwachting voor resten uit het laat-paleolithicum en het mesolithicum. Gezien de ligging op een dekzandwelving, is de verwachting hoog voor nederzettingsresten uit het neolithicum, de bronstijd, de ijzertijd, de Romeinse tijd en de vroege-middeleeuwen. De verwachting voor huisplaatsen uit de late middeleeuwen en de nieuwe tijd is door oorspronkelijke ligging op agrarische percelen op enige afstand van wegen en bebouwing, laag. Om het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel te toetsen zijn binnen het plangebied zes boringen gezet in een dichtheid van vijftig boringen per hectare. Op basis van de resultaten van het booronderzoek kunnen de onderzoeksvragen als volgt beantwoord worden: - Kunnen binnen het plangebied (nog) archeologische resten verwacht worden?
Bestemmingsplan – Kruishoeveweg 5
36
-
-
Binnen het plangebied is de bodem minimaal tot dertig centimeter in de C-horizont verstoord en gemiddeld wel tot ruim een halve meter. Dit betekent dat de kans op de aanwezigheid van behoudenswaardige archeologische resten binnen het plangebied klein is. Zo ja, in welke zones en op welke diepten is dit het geval? Alleen op het noordoostelijke deel van het plangebied is op één boorpunt een tot relatief geringe diepte verstoorde bodem aangetroffen. Overigens heeft het op dit boorpunt, evenals op alle overige boorpunten, naboren met een megaboor en het zeven van het hiermee opgeboorde zand, geen indicatoren opgeleverd die zouden kunnen wijzen op de aanwezigheid van archeologische sporen. Welke vorm van veldonderzoek is geschikt om de verwachte resten op te sporen? Om zekerheid te verkrijgen omtrent de aan- of afwezigheid van archeologische resten, is een proefsleuvenonderzoek een doeltreffende methode. Omdat de bodem op het overgrote deel van het plangebied tot diep in de C-horizont verstoord is, en het naboren met een megaboor ondanks de hoge boordichtheid van vijftig boringen per hectare, nergens binnen het plangebied relevante archeologische indicatoren heeft opgeleverd, geven de resultaten van het onderzoek echter geen aanleiding om dergelijk vervolgonderzoek te adviseren.
Evenmin zijn tijdens het onderzoek archeologische resten aangetroffen waarmee tijdens de verdere planvorming of bij de uitvoering van de geplande werkzaamheden rekening zou moeten worden gehouden.
Een nader onderzoek naar archeologische waarden ter plaatse is derhalve niet noodzakelijk. In de bijlagen van deze toelichting (bijlage 7) is het selectieadvies van de gemeente Vught bijgevoegd, waarin wordt aangegeven dat de gemeente instemt met het advies om bij de realisatie van het initiatief geen archeologisch vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. 4.5. Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: - Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; - Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie.
De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en veiligheid) en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: - Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. - Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid). De planlocatie ligt conform de definitie in de VNG-publicatie in het omgevingstype ‘rustig buitengebied’. In de directe omgeving vindt geringe functiemenging plaats. Tevens is er weinig verstoring door verkeer. Qua aanvaardbare milieubelasting is dit omgevingstype dus vergelijkbaar met een rustige woonwijk.
Een dierenasiel of dierenpension (SBI-code 9609) behoort tot milieucategorie 3.2. Voor een bedrijf uit deze milieucategorie, liggend in een rustig buitengebied, is de richtafstand 100 m. De dichtstbij liggende
Bestemmingsplan – Kruishoeveweg 5
37
woning van derden (Kruishoeveweg 5 te Vught) bevindt zich op een afstand van ca. 5 meter van de gebouwen en voorzieningen ten behoeve van het bedrijf op het perceel Kruishoeveweg 3. De indicatieve afstand voor het aspect geluid is bepalend: die bedraagt 100 meter. Voor geur geldt een indicatieve afstand van 30 meter en voor stof en gevaar geldt een indicatieve afstand van 0 meter. Alleen vanwege het aspect geluid dient een dierenpension een richtafstand van 100 meter aan te houden: vanwege de aspecten stof en gevaar is geen hinder te verwachten en voor wat betreft geurhinder geldt de indicatieve afstand die geldt voor bedrijven in milieucategorie 2. Om die reden is aanvullend akoestisch onderzoek verricht. Dit wordt nader toegelicht in paragraaf 4.8 van deze toelichting. Hieruit volgt dat de geluidsbelasting voldoet aan de normstelling uit stap 2 van het stappenplan van de VNG-brochure. Zodoende kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Op grond hiervan kan worden gesteld dat wordt voldaan aan de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’. 4.6. Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan.
De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. Indirect heeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: a. Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabijgelegen veehouderijen? b. Is ter plaatse van het plangebied een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? Voor honden en katten zijn bij wet geen geuremissiefactoren vastgesteld. Er is dus geen specifiek beschermingsregime ten aanzien van de geur afkomstig van deze dieren. Gegevens omtrent de eventuele geurhinder van het houden van honden en katten, kunnen gehaald worden uit de VNGhandreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’, editie 2009. Het houden van huisdieren wordt hierbij aangemerkt als milieucategorie 3.2, waarbij de te hanteren afstand wat betreft het aspect geur 30 meter bedraagt. Daarnaast zijn in artikel 5 van de Wgv minimale afstanden opgenomen vanaf de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object.
Buiten de bebouwde kom dient deze afstand tenminste 25 meter te bedragen. De woning aan de Kruishoeveweg 3 ligt op minder dan 25 meter van de buitenzijde van een dierenverblijf. Echter dient er te worden opgemerkt dat de hoeveelheid dieren veranderd. Zo worden er geen melk- en kalfkoeien meer gehouden, enkel jongvee, zoogkoeien en overig rundvee. Er is dus sprake van een verbetering van het woon- en leefklimaat. Verder is het gebouw dicht uitgevoerd, het emissiepunt is zo ver mogelijk van de woning af geplaatst. Zie navolgende uitsnede van tekening behorende bij de melding Activiteitenbesluit.
Bestemmingsplan – Kruishoeveweg 5
38
Afbeelding 21: uitsnede tekening behorende bij melding Activiteitenbesluit
Hieruit kan reeds voldoende worden geconcludeerd dat er geen hinder zal worden ondervonden wat betreft het aspect geur. 4.7. Luchtkwaliteit In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de Wet luchtkwaliteit in beeld te worden gebracht. Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). In de Wet luchtkwaliteit zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Met name de stoffen stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) worden beleidsmatig relevant geacht. Er dient te worden aangetoond dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van deze stoffen ter plaatse aanvaardbaar is en als gevolg van de beoogde ontwikkeling in de omgeving aanvaardbaar blijft.
4.7.1. Niet in betekenende mate
Indien ontwikkelingen binnen het plangebied gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht. Volgens de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 moeten de concentraties worden bepaald vanaf de grens van het terrein van de inrichting. Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe bestemming betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen als genoemd in de Regeling niet in betekende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM 10) als stikstofdioxide de 3% grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt. Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een plan niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.16, lid 1, sub c, van de Wet milieubeheer. Het Besluit NIBM legt vast wat geldt als niet in betekenende mate bijdragen.
Voor de volgende categorieën in de Regeling NIBM kan getoetst worden aan of een plan NIBM bijdraagt: - Categorie woningbouwlocaties; - Categorie kantoorlocaties; - Combinatie van woningbouw en kantoren; - Categorie inrichtingen. Er is dus geen relevantie als aannemelijk kan worden gemaakt, dat de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’
Bestemmingsplan – Kruishoeveweg 5
39
(Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO 2 en PM10. Voor het beoogde initiatief dient bepaalt te worden of de eventuele toename in het aantal verkeersbewegingen van en naar de inrichting invloed hebben op de luchtkwaliteit in de omgeving. In de beoogde situatie is geen toename in verkeersbewegingen, de verkeerbewegingen zijn vergelijkbaar of zelfs lager dan in de huidige situatie. De beoogde ontwikkeling heeft dus met zekerheid geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving. Er kan worden geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het initiatief.
4.7.2. Woon- en leefklimaat
Op grond van de Wet luchtkwaliteit zijn grenswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3. Vanaf 1 januari 2015 geldt daarnaast een grenswaarde voor PM 2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde is opgenomen in de Wet milieubeheer en bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Voor de kortdurende blootstelling van de mens aan piekconcentraties van NO 2 geldt een grenswaarde van 200 μg/m3 voor het uurgemiddelde van NO2. Indien aan deze grenswaarden wordt voldaan, mag worden aangenomen dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit aanvaardbaar is Het RIVM heeft Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland waarop de achtergrondconcentratie van fijnstof PM10, PM2,5 en NO2 ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat geraadpleegd kan worden. De jaargemiddelde fijnstofconcentratie binnen de planlocatie is conform de GCN-kaart voor fijnstof PM10 18,36 μg/m3, voor PM2,5 11,4 μg/m3 en voor NO2 17,74 μg/m3, zie resp. afbeelding 22, 23, 24. Planlocatie
Afbeelding 22: uitsnede GCN-kaart PM10, gegevens 2020 (bron: Geodata RIVM)
Bestemmingsplan – Kruishoeveweg 5
40
Planlocatie
Afbeelding 23: uitsnede GCN-kaart PM2,5, gegevens 2020 (bron: Geodata RIVM)
Planlocatie
Afbeelding 24: uitsnede GCN-kaart NO2, gegevens 2020 (bron: Geodata RIVM)
Ten aanzien van de luchtkwaliteit zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.8. Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) vormt sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. In de Wgh is bepaald dat voor locaties in een bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting dient te worden onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. In de omgeving van de planlocatie is geen industrieterrein gelegen. Er is een spoorweg gelegen op ca. 80 meter afstand; de planlocatie is gelegen in de geluidzone van deze spoorweg. Dit is weergegeven op onderstaande uitsnede van de kaart ‘geluidsbelasting door treinverkeer’. De planlocatie is gedeeltelijk gelegen in de zone <55 dB (Lden) en gedeeltelijk in de zone 55-59 dB (Lden). De Wgh kent twee grenswaarden: de voorkeursgrenswaarde (ondergrens) en de maximaal toelaatbare grenswaarde (bovengrens). Voor spoorlijnen (zoals het hoofdspoornet als de overige spoorlijnen) geldt een voorkeursgrenswaarde (Lden) van 55 dB.
De maximaal toelaatbare waarde is voor het hoofdspoornet 70 dB en voor overige spoorlijnen 68 dB. Voor wat betreft de planlocatie kan worden geconcludeerd dat de grenswaarden voor een groot deel van het plangebied niet worden overschreven, aangezien deze gelegen is binnen de zone <55 dB (Lden). Daarnaast is sprake van een bestaand bouwvlak en een reeds aanwezig bedrijf.
Bestemmingsplan – Kruishoeveweg 5
41
Planlocatie
Afbeelding 25: uitsnede kaart ‘geluidsbelasting door treinverkeer’ (bron: atlasleefomgeving.nl)
De rijksweg N65 is op ca. 230 meter afstand gelegen. De planlocatie is niet gelegen binnen de geluidzone van deze rijksweg, zoals te zien is op navolgende afbeelding.
Planlocatie
Afbeelding 263: uitsnede kaart ‘geluid wegverkeer rijkswegen’ (bron: atlastleefomgeving.nl)
Met de beoogde ontwikkeling wordt geen nieuw geluidsgevoelig object opgericht. De bedrijfswoning betreft een reeds bestaand geluidsgevoelig object in het kader van de Wgh. Dit verandert met de beoogde ontwikkeling niet. Om de geluidsbelasting vanuit de inrichting (de planlocatie) te bepalen is voor het voorgenomen initiatief een akoestisch onderzoek uitgevoerd door Sain milieuadvies. Het rapport van dit onderzoek (d.d. 17 maart 2020, projectnummer 2020-3003) is als separate bijlage bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 8). In dit akoestische onderzoek is het volgende geconcludeerd: - Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau Lar,LT De inrichting kan in de representatieve bedrijfssituatie voldoen aan de normstelling uit stap 2 van het stappenplan van de VNG-brochure. Gezien de berekende geluidsbelasting is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. - Maximaal geluidsniveau LAmax
Bestemmingsplan – Kruishoeveweg 5
42
-
De geluidsbelasting voldoet aan de normstelling uit stap 2 van het stappenplan van de VNGbrochure. Zodoende kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat. Indirecte hinder De geluidsbelasting ten gevolge van de indirecte hinder voldoet aan de normstelling uit stap 2 van het stappenplan van de VNG-brochure.
Er kan derhalve worden geconcludeerd dat er voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.9. Verkeer en parkeren Binnen de planlocatie dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor. Door de ontwikkeling van een dierenpension zal de parkeerbehoefte op de locatie toenemen. De gemeente Vught hanteert een parkeernota waarin parkeernormen zijn opgenomen. Het aantal parkeerplaatsen moet voldoen aan de parkeernorm uit deze nota. Voor de toepassing van de parkeernorm wordt onderscheid gemaakt tussen ‘centrum’ en ‘overig’. Voor een dierenpension is geen afzonderlijke norm opgenomen. De bezoekers van het dierenpension zullen overwegend in de ochtend en einde middag/avond de dieren brengen en halen en zijn slechts korte tijd op het perceel aanwezig. Per dag staat vast hoeveel dieren er gebracht en gehaald worden. Door het toepassen van tijdsloten waarin de diereneigenaren kunnen komen wordt gezorgd dat het niet mogelijk is om een te kort aan parkeerplaatsen te hebben. Er is dan ook geen sprake van incidentele drukte. De parkeernorm voor arbeidsextensieve/bezoekersextensieve bedrijven in het ‘overige gebied’ is vastgesteld op 0,9 parkeerplaatsen per 100 m2.
Voor de circa 2.600 m2 bebouwde oppervlakte ten behoeve van de functie dierenpension zouden 23 parkeerplaatsen beschikbaar moeten zijn. Initiatiefnemer is voornemens om een parkeerterrein te realiseren met in totaal 26 parkeerplaatsen. De parkeerplaats wordt afgesloten met een hek zodat hier enkel bestemmingsverkeer kan parkeren. Hiermee kan de parkeerbehoefte volledig op het eigen terrein worden opgevangen. De omvang van een parkeerplaats zal 2,5 meter * 5 meter zijn, hiermee wordt voldaan aan de gestelde norm voor een parkeerplaats. Voor bezoekers van de rundveehouderij is op dit parkeerterrein ook voldoende ruimte om te parkeren. Op navolgende afbeelding is de beoogde locatie van het parkeerterrein weergegeven. Beoogde parkeerterrein
Afbeelding 274: weergave beoogde parkeerterrein binnen plangebied
Bestemmingsplan – Kruishoeveweg 5
43
Ten gevolge van voorliggend initiatief is sprake van een beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen op de Kruishoeveweg. Deze verkeersbewegingen kunnen zonder problemen worden afgewikkeld over de Kruishoeveweg en de overige wegen in de omgeving van het plangebied. Dit omdat de locatie op circa 270 meter van de N65 is gelegen. De Kruishoeveweg heeft een goede aansluiting op de N65, deze weg wordt in de toekomstige reconstructie voorzien van een goede op en afrit waar het verkeer gebruik van kan maken. Er kan worden geconcludeerd dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen belemmeringen zullen ontstaan voor de afwikkeling van personen- en goederenvervoer. 4.10. Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute.
4.10.1. Regelgeving
De regelgeving rondom externe veiligheid is opgenomen in diverse besluiten en regelingen. Besluiten en regelingen, waarin de aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd, zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden.
4.10.2. Toetsing aan beleid
Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken. Planlocatie
Afbeelding 28: uitsnede Risicokaart (bron: Risicokaart.nl)
Bestemmingsplan – Kruishoeveweg 5
44
Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten is verbonden voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport. Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen. Uit raadpleging van de risicokaart blijkt dat in de nabijheid van het plangebied geen risicovolle inrichtingen liggen. Het plangebied ligt op circa 150 meter van de spoorlijn Tilburg – ’s-Hertogenbosch en op circa 250 meter van de N65. De spoorlijn en de N65 zijn beide aangewezen als basisnetroute. De basisnetafstand - die overeenkomt met de maximale ligging van de PR 10 -6 contour - bedraagt zowel voor de N65 als voor de spoorlijn 0 meter. Op circa 70 meter ten zuidwesten van het plangebied liggen een DPO-pijpleiding (6 inch, 80 bar) en een gastransportleiding (12 inch, 40 bar). De leidingen hebben geen PR 10-6 contour. Het plaatsgebonden risico levert derhalve geen belemmeringen op voor de vestiging van het dierenpension. Ten gevolge van de ontwikkeling neemt de personendichtheid in het buitengebied van Vught slechts marginaal toe, waardoor het groepsrisico niet significant stijgt.
De personen die bij het dierenpension aanwezig zijn (personeel en klanten die huisdieren halen en brengen) zijn bovendien goed zelfredzaam en het initiatief heeft geen gevolgen voor de mogelijkheden voor de hulpverleningsdiensten om een eventuele calamiteit te bestrijden. Uit oogpunt van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.11. Technische infrastructuur In of nabij de planlocatie liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden (zoals te zien op de risicokaart in afbeelding 28). Voordat er gebouwd wordt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen van de planlocatie in beeld te brengen. 4.12. Niet gesprongen explosieven In Vught en omgeving is in de Tweede Wereldoorlog hard gevochten. Dus worden nog regelmatig hulzen, munitie en granaten in de bodem gevonden. De gemeente Vught heeft daarom een explosieven risicokaart opgesteld. Een uitsnede van deze kaart is hierna weergegeven.
Planlocatie
Afbeelding 29: uitsnede kaart ‘Niet Gesprongen Explosieven’ (bron: gemeente Vught)
Ter hoogte van de planlocatie wordt aangegeven dat het verdacht is voor ‘Geschutmunitie KKM, Handgranaten en munitie van granaatwerpers’. Het plan voorziet in nieuwbouw, waarvoor in de bodem moet worden gegraven. Voorafgaand aan de feitelijke graafwerkzaamheden moet er een plan van aanpak worden opgesteld voor in geval op nietgesprongen explosieven wordt gestuit. Adviezen die hierin in ieder geval worden opgenomen zijn:
Bestemmingsplan – Kruishoeveweg 5
45
4.13.
Stop onmiddellijk met het werken, graven of roeren in de grond; Blijf op afstand en houd ook anderen op afstand; Bel 112; Wacht op nadere instructies van de politie en volg deze op. Het kan zijn zijn dat de politie de Explosieven Opruimingsdienst (EOD) inschakelt. Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling
4.13.1. Algemeen
Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, waardoor het opstellen van een milieueffectrapportage (m.e.r.) of het verrichten van een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. In het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd welke activiteiten m.e.r-plichtig zijn en voor welke activiteiten een m.e.r-beoordeling moet worden verricht. In onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapportage (m.e.r.) verplicht is. In onderdeel D van de bijlage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd. Als een activiteit op grond van onderdeel D m.e.r.-beoordelingsplichtig is, geldt voor een kaderstellend (bestemmings)plan dat die activiteit mogelijk maakt, een plan-m.e.r-plicht. Voor alle activiteiten zijn drempelwaarden opgenomen. Als een activiteit voorkomt in kolom 1 van de Cof D-lijst en de drempelwaarden uit kolom 2 worden overschreden, is een m.e.r. (onderdeel C) of een m.e.r.-beoordeling (onderdeel D) verplicht. Voor activiteiten die genoemd worden in onderdeel D, maar waarbij de drempelwaarde niet wordt overschreden, geldt de verplichting om na te gaan of tóch een m.e.r.-beoordeling (of een m.e.r.) moet worden uitgevoerd.
Het bevoegd gezag moet in zo'n geval nagaan of er sprake is van omstandigheden die - ondanks dat de drempelwaarden niet worden overschreden - aanleiding geven voor het verrichten van een m.e.r.(beoordeling). De motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud aansluit bij de verplichte m.e.r.-beoordeling. Voor de toets gelden echter geen vormvereisten, daarom wordt de term 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' gehanteerd.
4.13.2. Activiteit en drempelwaarde
In onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage is een categorie 'stedelijk ontwikkelingsproject' (D11.2) opgenomen. Aangezien het in dit geval gaat om nieuwbouw van een kinderdagopvang met enige omvang en het realiseren van een (tijdelijk) parkeerterrein, waarbij wordt afgeweken van het geldend bestemmingsplan, is het plan aan te merken als 'stedelijk ontwikkelingsproject'. Op grond van het Besluit milieueffectrapportage dient voor de 'aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen' een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Het plangebied heeft een grootte van ongeveer 1,15 hectare (dit betreft het huidige bouwvlak), waarbinnen een huisdierenpension gerealiseerd wordt. De voorgenomen activiteit blijft ruimschoots onder de drempel van 100 hectare en/of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m 2 zoals opgenomen in het Besluit milieueffectrapportage. De activiteit is dus niet m.e.r.-beoordelingsplichting. Omdat de activiteit voorkomt in kolom 1 van de D-lijst, dient wel een informele m.e.r.-beoordeling te worden verricht.
4.13.3. Vormvrije m.e.r.-beoordeling
In een vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt getoetst of een activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling kan leiden tot twee conclusies: - belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn uitgesloten: er is geen m.e.r. of m.e.r.beoordeling noodzakelijk; - belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r..
Bestemmingsplan – Kruishoeveweg 5
46
De criteria waaraan moet worden getoetst zijn opgenomen in bijlage III van de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten'. De criteria vallen uiteen in criteria betreffende de: - kenmerken van het project: omvang van het project, cumulatie met andere projecten, gebruik van natuurlijke hulpbronnen, productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder en risico op ongevallen; - plaats van het project: bestaand gebruik van de locatie, natuurlijke hulpbronnen en opnamevermogen/gevoeligheid van het milieu; - kenmerken van het potentiële effect: bereik, grensoverschrijdend karakter, orde van grootte en complexiteit, waarschijnlijkheid en duur, frequentie en omkeerbaarheid van het effect.