Bijlage - Bestemmingsplan Helvoirt, Molenstraat 24-26_v2
Tekst van het document
HELVOIRT, MOLENSTRAAT 24 EN 26 bestemmingsplan
Helvoirt, M olenstraat 24 en 26 bestemmingsplan
Vast te stellen
Adviseur ROM Dhr. A.J.M. de Groot Adviseur Ruimtelijke Ordening Dhr. K. Oostendorp
Datum: 14 augustus 2024
Inhoudsopgave Toelichting
5
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding voor het plan 1.2 Planlocatie 1.3 Geldende bestemmingsplannen 1.4 Leeswijzer Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie 2.2 Gewenste situatie Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid Hoofdstuk 4 Ruimtelijke- en milieuaspecten 4.1 Milieu 4.2 Ecologie 4.3 Archeologie en cultuurhistorie 4.4 Verkeer en parkeren 4.5 Wateraspecten Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.3 Handhaving Hoofdstuk 6 Wijze van bestemmen 6.1 Doel en reikwijdte 6.2 Onderdelen van een bestemmingsplan 6.3 Voorliggend bestemmingsplan
Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5
Situatietekeningen op schaal Landschappelijk inrichtingsplan Begroting fysieke tegenprestatie Berekening Kwaliteitsverbetering Akoestisch onderzoek
Planregels Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen Artikel 2 Wijze van meten Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Agrarisch Artikel 4 Bedrijf Artikel 5 Groen Artikel 6 Wonen Artikel 7 Waarde - Archeologie 3 Artikel 8 Waarde - Archeologie 4 Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 9 Anti-dubbeltelregel
6 6 7 7 8 10 10 11 15 15 18 30 39 39 54 59 61 64 66 66 66 68 69 69 69 71
73 74 77 97 99 101
151 152 152 165 166 166 168 172 173 176 179 182 182 2
Artikel 10 Algemene bouwregels Artikel 11 Algemene gebruiksregels Artikel 12 Algemene aanduidingsregels Artikel 13 Algemene afwijkingsregels Artikel 14 Algemene wijzigingsregels Artikel 15 Algemene procedureregels Artikel 16 Overige Regels Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 17 Overgangsrecht Artikel 18 Slotregel
Bijlagen bij de regels Bijlage 1 2022' Bijlage 2 Bijlage 3
183 184 186 187 189 190 191 192 192 193
195
beleidsnotitie 'Kwaliteitsverbetering van het landschap gemeente Vught Landschappelijk inrichtingsplan Begroting fysieke tegenprestatie
196 223 243
3
4
T oelichting
5
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding voor het plan
Voorliggend plan betreft een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied Vught 2022" van gemeente Vught ten behoeve van het beëindigen van het agrarisch intensief veehouderijbedrijf aan de Molenstraat 24 en 26 te Helvoirt. Daarbij wordt een passende nieuwe invulling aan het bedrijf gegeven. De woning met nummer 24 zal van het bedrijf worden afgesplitst en worden omgeschakeld naar een burgerwoning. Daarbij zal de huidige rijbak bij het bedrijf eveneens van het bedrijf worden afgesplitst en bij de woning met nummer 24 worden betrokken voor het hobbymatig berijden van paarden. Dit zal uitsluitend een hobbymatige activiteit zijn ten behoeve van het eigen hobbymatig gebruik. Aan de Molenstraat 26 zal worden voorzien in een bedrijfsverzamelgebouw voor kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten. Daarnaast zal ter plaatse worden voorzien in statische opslag. De hoofdactiviteit ter plaatse zal dan ook bestaan uit niet-agrarische activiteiten. Als nevenactiviteiten bij de bedrijfsmatige activiteiten zal worden voorzien in een paardenfokkerij, een bed & breakfast voorziening en een verkoopruimte aan huis. Alle activiteiten zullen plaatsvinden in reeds bestaande bedrijfsbebouwing. In het hoofdstuk "Planbeschrijving" (hoofdstuk 2) wordt het initiatief verder toegelicht, daar is ook een situatietekening van de nieuwe situatie opgenomen.
De voorgenomen ontwikkeling is noodzakelijk om een aantal redenen. De initiatiefnemer neemt deel aan de Regeling Omgevingskwaliteit (ROK-regeling). Deze regeling is door het Ontwikkelingsbedrijf Varkenshouderij (OBV) in het leven geroepen om varkenshouders die niet deelnemen aan de Stoppersregeling 2020 een financiële vergoeding te bieden om verantwoord te kunnen stoppen met het varkensbedrijf op een locatie met weinig tot geen toekomstperspectief. Tegelijkertijd maakt de ROK-regeling ruimte voor duurzame varkensbedrijven die op een geschikte locatie in harmonie met de omgeving willen en kunnen ontwikkelen. Het OBV koopt de varkensrechten van de stoppende bedrijven op en verkoopt deze in de tweede fase van het project, tegen nader vast te stellen voorwaarden, aan varkenshouders met een beter ontwikkelingsperspectief qua locatie. De regeling is in het leven geroepen om de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren en toekomstbestendige bedrijven ruimte te bieden zich verder te ontwikkelen. Het intensieve varkenshouderijbedrijf van de initiatiefnemer is gelegen op een locatie met onvoldoende toekomstperspectief vanwege een (te) hoge milieubelasting op de omgeving, voornamelijk door de burgerwoningen aan de overzijde van de weg.
Omdat de locatie onvoldoende mogelijkheden biedt om het bedrijf op duurzame en verantwoorde wijze verder te ontwikkelen, gaat de initiatiefnemer de intensieve veehouderijactiviteiten ter plaatse staken. De ROK-regeling biedt voor de initiatiefnemer een financiële mogelijkheid om dit op duurzame en verantwoorde wijze te doen. Voor deelname aan de ROK-regeling geldt een aantal voorwaarden. Eén van de voorwaarden is dat voldoende aannemelijk gemaakt moet worden dat de intensieve veehouderijactiviteiten ter plaatse worden beëindigd. Hierbij wordt de initiatiefnemer verplicht om binnen een bepaalde termijn de geldende vergunning voor het houden van varkens in te trekken en het bestemmingsplan te wijzigen in die zin dat er ter plaatse geen intensieve veehouderij meer kan worden uitgeoefend. De gewenste ontwikkeling past niet binnen het bepaalde in het geldende bestemmingsplan. De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen met de voorgenomen ontwikkeling, mits hiervoor een partiële herziening op het bestemmingsplan wordt opgesteld conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Voorliggend document dient als toelichting waarin nader wordt gemotiveerd waarom de ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt en deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.
6
1.2
Planlocatie
De planlocatie is gelegen aan de Molenstraat 24 en 26 te Helvoirt en ligt aan de zuidkant van Helvoirt in het landelijk gebied van gemeente Vught. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Helvoirt, sectie C, nummer(s) 1762, 2095, 2096, 2103 en 2104. In de volgende figuur is de topografische ligging van de locatie weergegeven.
Uitsnede topografische kaart locatie. Bron: J.W. van Aalst, www.opentopo.nl.
1.3
Geldende bestemmingsplannen
Ter plaatse is het bepaalde uit het bestemmingsplan "Buitengebied Vught 2022" van de gemeente Vught, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 21 juli 2022, onverkort van toepassing. Zoals te zien in de volgende figuur zijn ter plaatse de volgende bestemming(en), dubbelbestemming(en) en/of aanduiding(en) van toepassing: Enkelbestemming 'Agrarisch'; Aanduiding 'bouwvlak'; Functieaanduiding 'intensieve veehouderij'; Functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij'; Maatvoeringsaanduiding 'maximum aantal wooneenheden: 2' Gebiedsaanduiding 'overige zone - boomteeltontwikkelingsgebied'; Gebiedsaanduiding 'overige zone - boringsvrije zone'; Gebiedsaanduiding 'overige zone - gemengd landelijk gebied'; Gebiedsaanduiding 'overige zone - stalderingsgebied'.
7
Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl. Tevens is het bepaalde in het bestemmingsplan "Paraplubestemmingsplan Archeologie" van toepassing. Vanuit dit paraplubestemmingsplan heeft de locatie voor een klein deel aan de zuidoost zijde de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. De rest van de locatie heeft de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 4'. Vanuit deze dubbelbestemmingen gelden aanvullende eisen wanneer bodemingrepen plaatsvinden met als doel de bescherming van mogelijk voorkomende archeologische waarden. De verdere uitwerking van dit aspect is opgenomen in de paragraaf "Archeologie" (paragraaf 4.3.1). Binnen de agrarische bestemming is het wonen in een burgerwoning en het uitvoeren van niet-agrarische bedrijvigheid niet toegestaan. De voorgenomen ontwikkeling daarmee past niet binnen de bepalingen uit het geldende bestemmingsplan. In het geldende bestemmingsplan is eveneens geen afwijkingsmogelijkheid en/of wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken. Om deze reden is het noodzakelijk het geldende bestemmingsplan gedeeltelijk te herzien met een partiële herziening (ook wel postzegelbestemmingsplan genoemd). De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen, mits wordt aangetoond dat de ontwikkeling niet zal leiden tot bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.
Middels voorliggende toelichting wordt de ontwikkeling nader gemotiveerd en wordt aangetoond dat deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.
1.4
Leeswijzer
Deze toelichting is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2 gaat in op de huidige en gewenste situatie en bevat een beschrijving van de situatie ter plaatse zoals momenteel bekend en de gewenste situatie ter plaatse na realisatie van de plannen van de initiatiefnemer. Hoofdstuk 3 gaat in op de vigerende beleidskaders. Hierin worden de plannen van de initiatiefnemer getoetst aan het ruimtelijk beleid van het rijk, de provincie en de gemeente. Hoofdstuk 4 gaat in op de toetsing van het plan aan de aspecten milieu, ecologie, archeologie en 8
cultuurhistorie, verkeer en parkeren en water. Hierin worden verschillende bureaustudies beschreven en, indien van toepassing, uitgevoerde aanvullende onderzoeken beschreven. Hoofdstuk 5 gaat in op de uitvoerbaarheid van het plan. Hierin worden de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan getoetst en wordt kort ingegaan op het aspect handhaving. Hoofdstuk 6 bevat de wijze van bestemmen. Hierin wordt nader gespecificeerd welke onderdelen een bestemmingsplan hoort te bevatten en welke bijzondere bepalingen ten aanzien van voorliggend plan van toepassing zijn.
9
Hoofdstuk 2 2.1
Planbeschrijving
Huidige situatie
De locatie is gelegen in het landelijk gebied van gemeente Vught. De omgeving van de locatie bestaat voornamelijk uit agrarische landbouwgrond met enkele natuurlijke elementen. De verkavelingsstructuur betreft een gemengde verkaveling met een relatief grootschalige opzet. De onderlinge kavels worden gescheiden door kavelsloten en/of lijnen in het landschap. In de nabije omgeving van de locatie zijn enkele agrarische bedrijven en een enkele niet-agrarisch bedrijf gelegen. Verder zijn er in de nabije omgeving van de locatie enkele burgerwoningen gelegen. Op de locatie is momenteel een agrarisch bedrijf, zijnde een intensieve varkenshouderij gevestigd. Ter plaatse mogen volgens de vigerende vergunning de volgende dieren worden gehouden: 2.612 vleesvarkens; 106 kraamzeugen; 464 guste- en dragende zeugen; 4 dekberen; 2.400 gespeende biggen; 10 paarden. De dieren worden gehouden in de ter plaatse aanwezige bedrijfsbebouwing (stallen). Naast de bedrijfsbebouwing zijn twee bedrijfswoningen legaal aanwezig met de daarbij behorende bijgebouwen. Ter plaatse is een bouwvlak toegekend. Het huidige bouwvlak is ongeveer 1,46 hectare groot. In de volgende figuren is de huidige situatie weergegeven in een luchtfoto en een situatietekening.
Luchtfoto huidige situatie ter plaatse. 10
Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.
Situatietekening huidige situatie ter plaatse. Bron: DLV Advies.
2.2
Gewenste situatie
2.2.1 Ruimtelijke structuur De initiatiefnemer is voornemens ter plaatse de intensieve veehouderij te beëindigen en om te schakelen naar een passende vervolgfunctie. De initiatiefnemer wenst daarbij de woning met nummer 24 van het bedrijf af te splitsen en om te schakelen naar een burgerwoning. Daarbij wenst de initiatiefnemer de huidige aanwezige rijbak eveneens van het bedrijf af te splitsen en bij de woning met nummer 24 te betrekken. De rijbak zal uitsluitend worden gebruikt voor het hobbymatig berijden van paarden en zal niet ten behoeve van paardrijdactiviteiten van derden worden gebruikt. Het is voor de initiatiefnemer wel wenselijk deze rijbak te voorzien van verlichting. Verder wenst de initiatiefnemer het intensieve veehouderijbedrijf, met daarbij eveneens de woning met nummer 26, om te schakelen naar een niet-agrarische bedrijfsbestemming ten behoeve van het realiseren van een bedrijfsverzamelgebouw voor kleinschalige bedrijven tot in maximaal milieucategorie 2. Daarmee krijgen startende ondernemers kans om een bedrijfje op te zetten en te ontwikkelen alvorens zij eventueel de doorgroei maken naar een bedrijventerrein. De gronden op een bedrijventerrein zijn vaak te duur voor startende ondernemers om het kleinschalige bedrijf op te zetten, waarmee het voor veel startende ondernemers niet mogelijk is het gewenste bedrijf van de grond te krijgen.
De initiatiefnemer biedt aan dergelijke kleinschalige ondernemers de kans te voorzien in een betaalbare bedrijfsruimte, waarmee de economie in de gemeente wordt gestimuleerd. In totaal zal ruimte worden geboden aan maximaal 8 kleinschalige bedrijven. Daarbij wenst de initiatiefnemer, mede om tegemoet te komen aan de grote vraag in de omgeving, ter plaatse te voorzien in een voorziening voor statische opslag. In de omgeving is veel vraag naar statische opslag, met name naar het stallen van caravans (en andere kampeervoertuigen). Het gebied rondom de gemeente Vught betreft, met de nabijgelegen Kampina en Oisterwijkse Vennen en de Loonse en Drunense Duinen een hoogwaardig gebied voor toerisme en recreatie. Omdat veel mensen in deze gebieden recreëren is de vraag naar stallingsmogelijkheden voor kampeervoertuigen erg groot. De 11
initiatiefnemer komt met de voorziening voor statische opslag tegemoet aan de grote vraag, waarmee ook de recreatieve sector in de gemeente verder wordt gestimuleerd. Voor de bereikbaarheid van de statische opslag wenst de initiatiefnemer aan de achterzijde van het bedrijfsgebouw waarin de statische opslag plaatsvindt te voorzien in een rangeerterrein. Daarmee wordt aan gebruikers van de opslag voldoende ruimte geboden voor laad- en losactivititeiten. Daarnaast dient de ontsluiting (verharding) aan de voorzijde zoveel mogelijk vrij te blijven voor de bereikbaarheid van de opslag en het bedrijfsverzamelgebouw. Het rangeerterrein biedt voldoende ruimte aan gebruikers van de opslag om te wachten tot de ontsluiting van het bedrijfsgebouw vrij is. Verder moet het rangeerterrein voldoende ruimte bieden aan voertuigen om eenvoudig te kunnen keren, ook wanneer er sprake is van gebruikers die op het rangeerterrein moeten wachten tot de ontsluiting van het bedrijfsgebouw vrij is. Daarbij dient voldoende ruimte beschikbaar te zijn voor zowel personen- als vrachtverkeer. Een gemiddelde vrachtwagen heeft een draaicirkel van ongeveer 14 meter. Om te borgen dat vrachtwagens voldoende ruimte hebben om te keren op het terrein en daarnaast voldoende ruimte te bieden voor wachtende personenauto's en/of vrachtwagens is derhalve een breedte van 21 meter noodzakelijk.
Daarmee kan een vrachtwagen het rangeerterrein oprijden en de noodzakelijke draai maken, ook als er al andere voertuigen op het rangeerterrein aanwezig zijn. Verder dient voldoende ruimte beschikbaar te zijn voor wachtende voertuigen. Ook wanneer er meerdere wachtende voertuigen aanwezig zijn dient voldoende ruimte beschikbaar te blijven voor vrachtverkeer om te kunnen keren. Om deze ruimte te kunnen waarborgen wenst de initiatiefnemer het rangeerterrein achter het gehele deel van het bedrijfsgebouw dat voor statische opslag wordt gebruikt aan te leggen. Daarbij krijgt het rangeerterrein een lengte van 50 meter. Met deze afmetingen is geborgd dat ook in de worst-case situatie voldoende ruimte beschikbaar is voor wachtende voertuigen en daarnaast voor voertuigen, zowel personenauto's als vrachtauto's, om te kunnen keren. Het rangeerterrein zal volledig in halfverharding worden aangelegd. Als nevenactiviteit bij de bedrijfsmatige activiteiten wenst de initiatiefnemer eveneens te voorzien in een paardenfokkerij. Het gaat daarbij om zowel het fokken van paarden als om een deel pensionstalling. Door de bosrijke omgeving en uitgebreid netwerk van ruiterpaden zijn er in de omgeving veel paardrijdactiviteiten. Er is een grote vraag naar zowel nieuwe paarden als naar stallingsmogelijkheden voor paarden.
De initiatiefnemer zal, met het fokken van kwalitatief hoogwaardige paarden en het aanbieden van stallingsmogelijkheden van hoogwaardige kwaliteit tegemoet komen aan deze vraag van ruiters in de omgeving. De gewenste nevenactiviteiten zullen daarmee bijdragen aan een verdere ontwikkeling van de hippische sector in de omgeving. De pensionstalling zal ruimte bieden aan maximaal 10 paarden. Daarnaast wenst de initiatiefnemer ter plaatse te voorzien in een voorziening voor bed & breakfast als nevenactiviteit bij de bedrijfsmatige activiteiten. Het zal daarbij gaan om één kamer. Met de bed & breakfast wordt ruimte geboden aan recreanten in de omgeving en wordt de recreatieve sector in de gemeente verder gestimuleerd. Met name de combinatie bed & breakfast met de pensionstalling voor paarden biedt in de gemeente een unieke gelegenheid. Daarmee kunnen ruiters de nacht doorbrengen op dezelfde plaats als hun paard. Voor vele ruiters biedt dit een uitgelezen kans om nog wat langer in het gebied te verblijven. Ten slotte wenst de initiatiefnemer ter plaatse, als nevenactiviteit, te voorzien in een verkoopruimte aan huis voor bedrijfsgerelateerde producten. Het zal daarbij gaan om de verkoop van paardensportartikelen. De gewenste verkoopruimte zal maximaal 60 m² groot zijn.
De huidige agrarische bedrijfswoning met nummer 26 zal in gebruik worden genomen als bedrijfswoning bij het niet-agrarische bedrijf. Alle gewenste vervolgactiviteiten zullen plaatsvinden in reeds bestaande bedrijfsbebouwing. De initiatiefnemer heeft echter niet alle huidige bedrijfsbebouwing nodig voor de gewenste vervolgfunctie. Ter bevordering van de beeldkwaliteit en ruimtelijke kwaliteit ter plaatse zal de initiatiefnemer de overtollige bedrijfsbebouwing (gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde) slopen. In totaal zal daarbij ongeveer 1.595 m² aan bedrijfsbebouwing worden gesloopt. Tevens zal de bestaande spoelplaats van ongeveer 60 m² worden verwijderd. In de volgende figuren is de gewenste situatie in situatietekeningen weergegeven. De volledige situatietekeningen op schaal zin als bijlage 1 bij deze onderbouwing opgenomen.
12
Situatietekening gewenste situatie gewenste functies ter plaatse. Bron: DLV Advies.
Situatietekening gewenste situatie gewenste indeling bestemmingen op erf. Bron: DLV Advies. Het huidige bouwvlak zal worden opgesplitst in twee afzonderlijke vlakken, een voor de bedrijfsbestemming en een voor de af te splitsen woning als burgerwoning met een woonbestemming. Daarbij zal de totale oppervlakte aan bouwvlak worden verkleind van ongeveer 1,46 hectare naar een bouwvlak voor het bedrijf van ongeveer 0,52 hectare en een bouwvlak voor de woning van ongeveer 0,28 hectare (totaal ongeveer 0,8 hectare).
2.2.2 Landschappelijke inpassing Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving niet verloren gaat maar, als mogelijk, juist wordt versterkt. Tevens is vanuit het ruimtelijke beleid een goede landschappelijke inpassing een vereiste. Om te onderzoeken of de ontwikkeling mogelijk kan bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving is door een landschapsdeskundige een tekening opgesteld waarop is aangegeven hoe de voorgenomen 13
ontwikkeling landschappelijk zal worden ingepast. Deze tekening is in de volgende figuur weergegeven.
Tekening landschappelijke inpassing. Bron: Van Dooren Landschap. Deze tekening maakt onderdeel uit van een landschappelijk inrichtingsplan dat ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is opgesteld. In dit landschappelijk inrichtingsplan is opgenomen op welke manier de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk wordt ingepast en welke soorten beplanting daarvoor worden toegepast. Voor het gehele landschappelijk inrichtingsplan wordt verwezen naar bijlage 2 van deze onderbouwing. Hiermee kan worden gesteld dat ter plaatse wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing.
14
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Rijksbeleid
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 heeft de Rijksoverheid de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Nederland heeft echter een lange traditie van aanpassen. Deze opgaven worden dan ook benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de volgende generaties. Met de NOVI wordt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken geboden, om samen het land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen. Met de ambities van het Rijk wordt veel gevraagd van de leefomgeving.
De ambities vragen meer ruimte dan er eigenlijk beschikbaar is. Derhalve wordt de volgende conclusie gesteld: niet alles kan en niet alles kan overal. De vraag daarbij is hoe kansen kunnen worden verzilverd en eventuele bedreigingen het hoofd geboden kunnen worden. Het Rijk moet en wil in dit proces het voortouw nemen. Schaarste betekent immers dat moet worden gekozen. De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen wordt gewerkt aan de prioriteiten van de overheid: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel, sterke en gezonde steden en regio's en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor deze prioriteiten zijn voor zowel de korte als lange termijn maatregelen nodig die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen. Daarbij staan de volgende maatregelen centraal: 1.
Klimaatbestendige inrichting in 2050: Hierbij is het van belang dat het watergebruik beter wordt afgestemd op het beschikbare water en dat water langer wordt vastgehouden, dat functies die gebruik maken van de fysieke leefomgeving moeten meer worden afgestemd op de eigenschappen van het bodem-watersysteem en dat de energietransitie naar een volledig duurzame energiewinning verder wordt gestimuleerd en ontwikkeld. 2. Duurzame en circulaire economie: Hierbij is het van belang dat de gevolgen voor de economie, mede door de COVID-19 pandemie, zoveel mogelijk worden beperkt en dat bij de locaties van kantoren, bedrijventerreinen, grootschalige logistieke functies en datacentra, naast de vraag van bedrijven en economische vitaliteit, aansluiting wordt gehouden op het verkeers en vervoersnetwerk, het elektriciteitsnetwerk en rekening wordt gehouden met de aantrekkelijkheid en kwaliteit van stad en land. Daarbij wordt ingezet op actieve clustering van (grootschalige) logistieke functies op logistieke knooppunten langs (inter)nationale corridors en worden investeringen gedaan in het duurzaam en circulair maken van de economie en energievoorziening in samenhang met het versterken van de kwaliteit van de leefomgeving. 3.
Ontwikkeling Stedelijk Netwerk Nederland: Hierbij is het van belang dat wordt gebouwd aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden met een goed bereikbaar netwerk van steden en regio's, dat de woningbouw een nieuwe, stevige impuls wordt gegeven en dat zo veel mogelijk in bestaand stedelijk gebied wordt ontwikkeld, klimaatbestendig en natuurinclusief. Daarbij behouden grote open ruimten tussen de steden het groene karakter, wordt het aanbod en de kwaliteit van groen in de stad versterkt en wordt de aansluiting op het groene gebied buiten de stad verbeterd. 4. Geleidelijke en zorgvuldige herindeling van het landelijk gebied: Hierbij is het van belang dat de biodiversiteit wordt verbeterd, dat steeds meer richting wordt gegeven 15
aan een duurzame kringlooplandbouw in goed evenwicht met natuur en landschap en dat wordt bijgedragen aan een landelijk gebied waarin het prettig wonen, werken en recreëren is en waarin ruimte is en blijft voor economisch vitale landbouw als belangrijke drager van het platteland. Vanuit de NOVI geeft het Rijk kaders en richting voor zowel nationale als decentrale keuzes. Let wel: het Rijk eigent zich geen centraliserende rol toe. Integendeel, de verantwoordelijkheid ligt bij alle partijen gezamenlijk. Vanuit het Rijk wordt gestreefd naar regie op het samenspel en regie bij het bewaken van de nationale belangen. Dilemma's worden niet uit de weg gegaan, maar er worden kansen gecreëerd, juist door samen met de ambities aan de slag te gaan. Kansen om de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren. En zo ook kansen om sociale samenhang en economisch herstel te bevorderen en kansen om schone, veilige en duurzame technieken, die bijdragen aan de beoogde transitie naar een duurzame en circulaire samenleving, stevig te verankeren in de manier van leven en werken. Het Rijk benoemt wel duidelijk de nationale belangen, maakt nationale keuzes, geeft richting aan decentrale afwegingen én werkt gebiedsgericht. Met de NOVI wil de Rijksoverheid in concrete gebieden tot keuzes komen.
Daarbij wil het Rijk doen wat goed is voor heel Nederland en wat tegelijkertijd recht doet aan de eigenheid van de regio's. Dit vergt een goed samenspel tussen Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten, maar ook tussen overheden en bedrijven, maatschappelijke instellingen en burgers. Vanuit al deze partijen is daarom al intensief meegedacht bij de totstandkoming van de NOVI. Bij de uitvoering van de NOVI wordt deze samenwerking voortgezet. Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond. Het gaat daarbij om 'omgevingsinclusief' beleid. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgevingsinclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden. Het rijk geeft daarbij voorkeursvolgorden voor bepaalde ontwikkelingen mee aan de provincies en gemeenten. Zo lang geen sprake is van een nationaal belang en zo lang de ambities van het Rijk niet worden tegengewerkt geeft het Rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen zoveel mogelijk aan provincies en gemeenten.
De nationale belangen zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden, of projecten, van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven. Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de nationale belangen dient daarom verder te worden getoetst aan het Barro. Deze toetsing is opgenomen in de paragraaf "Besluit algemene regels ruimtelijke ordening" (paragraaf 3.1.2). De verdere toetsing van ontwikkelingen aan ruimtelijke en milieutechnische belangen vindt plaats aan het provinciaal beleid.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) compleet. In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen. Het besluit bepaalt tevens: "Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de 16
gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit." Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren. Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt. Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen.
In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten. De locatie is niet in een van de aangewezen projectgebieden gelegen. Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van strijdigheid met de nationale belangen.
3.1.3 Ladder duurzame verstedelijking Ingevolgde artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de zogenaamde Ladder voor duurzame verstedelijking, dient de toelichting bij een bestemmingsplan, waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Een stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd: "ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de omschakeling van een varkenshouderij naar een niet-agrarisch bedrijf, waarbij de tweede bedrijfswoning van het bedrijf wordt afgesplitst en wordt omgeschakeld naar een burgerwoning. Aan de hand van voorgaande definitie kan daarmee mogelijk sprake zijn van een stedelijke ontwikkeling.
Voor wat betreft woningbouw kan op basis van jurisprudentie (uitspraken ABRvS 28 juni 2017, 201608869/1/R3, Dongeradeel) echter worden bepaald dat wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt, deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling uitsluitend sprake van de omschakeling van de twee bestaande agrarische bedrijfswoningen, één naar een reguliere bedrijfswoning en één naar een burgerwoning. Er is daarmee geen sprake van het oprichten van meer dan 11 woningen die als één woningbouwlocatie kunnen worden aangemerkt. Daarnaast zal het voormalige agrarische intensieve veehouderijbedrijf worden omgeschakeld naar een niet-agrarisch bedrijf. De vraag daarbij is of de omschakeling naar het gewenste niet-agrarische bedrijf kan worden gezien als de ontwikkeling van een bedrijventerrein. Bij bedrijventerreinen is vooral de omvang van het terrein en de aard van het gebied waarin het terrein is gelegen van belang om te bepalen of sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een solitair bedrijf in het landelijk gebied. Omdat sprake is van een solitair bedrijf is er geen sprake van een bedrijventerrein.
Er is immers geen sprake van een terrein waarop zich meerdere, al dan niet aaneengesloten, bedrijven kunnen vestigen. Tevens worden de mogelijke 17
bedrijfsactiviteiten die ter plaatse mogen worden uitgevoerd beperkt. Er worden daarmee niet dezelfde ruime mogelijkheden geboden als op een bedrijventerrein. De locatie is daarnaast gelegen in het landelijk gebied en niet aansluitend aan een bestaand bedrijventerrein. De locatie is ook niet gelegen aansluitend aan het stedelijk gebied of in een gebied waarin een verdere verstedelijking zal gaan plaatsvinden. Het betreft daarmee een solitair bedrijf in het landelijk gebied. De voorgenomen ontwikkeling is, gezien de omvang van de ontwikkeling en de aard van het gebied waarin de locatie is gelegen, niet aan te merken als een ontwikkeling van een bedrijventerrein. Op basis van het voorgaande is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Verdere toetsing aan de Ladder duurzame verstedelijking is daarmee niet vereist.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant Op 14 december 2018 heeft de provincie Noord-Brabant de Omgevingsvisie Noord-Brabant "De kwaliteit van Brabant" vastgesteld. De omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Met de omgevingsvisie wil de provincie vast aansluiten bij en gaan werken volgens de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet. Samen met andere overheden, initiatiefnemers en andere betrokken partijen wordt actief gezocht naar praktijken waarin deze nieuwe manier van werken centraal staat. De omgevingsvisie gaat over twee vragen: Hoe moet de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zien? Wat moet in 2030 voor elkaar zijn om dat toekomstperspectief te verwezenlijken? De doelstelling die Noord-Brabant heeft voor 2050 is dat zij in dat jaar welvarend, verbonden en klimaatproof zijn.
De welvaart wil de provincie bereiken door te investeren in een gezonde en sterke concurrentiepositie door het goede vestigingsklimaat voor bedrijven en kenniswerkers, maar ook door de voortrekkersrol in de transitie naar een innovatieve en duurzame economie. De provincie ziet welvaart niet alleen als economische bestaanszekerheid, maar ook als geluk, gezondheid en veiligheid van mensen. In dat kader stelt de provincie dat in 2050 bestaande problemen in de fysieke leefomgeving zijn opgelost en dat het robuuste natuurnetwerk uitstekend functioneert. Dankzij investeringen in natuur, verdrogingsbestrijding, bodem, waterkwaliteit, een groene (natuurrijke) inrichting van woon- en werkgebieden en het terugdringen van emissies uit landbouw en industrie wil de provincie zowel de menselijke leefomgeving als die voor flora en fauna verbeteren. Dit leidt tot een goed welbevinden en een grote soortenrijkdom. Voor wat betreft de verbondenheid is het streven van de provincie dat Brabant de centrale ligging uitstekend weet te benutten door goede verbindingen op zowel fysiek als op sociaal-maatschappelijk (digitaal) gebied. Daarbij is een van de doelen dat de logistieke bedrijvigheid nog steeds een topsector is, maar dan op een schonere en slimmere manier. Daarnaast bieden nog zichtbare historische waarden, erfgoed en landschappelijke verscheidenheid een verbinding met het verleden.
Deze elementen dienen te blijven behouden voor een aantrekkelijke omgeving als uitloopgebied voor de inwoners van steden en dorpen en voor recreatie. Met betrekking tot het streven klimaatproof te zijn wil de provincie in 2050 geheel energieneutraal zijn. Dit willen zij bereiken door alleen nog duurzame energie te gebruiken. Daarnaast wil de provincie verdere klimaatverandering tegengaan door de uitstoot van koolstofdioxide en de uitstoot van methaan uit de landbouw fors terug te dringen. Daarnaast wil de provincie goed om kunnen gaan met de klimaatverandering en de effecten daarvan. 18
Hierbij staat duurzaam, gezond en klimaatbestendigd bouwen centraal. Daarnaast dient voldoende ruimte beschikbaar te zijn om water op te vangen en vast te houden in tijden van droogte en om wateroverlast te voorkomen. Op basis van deze doelstellingen heeft de provincie vier hoofdopgaven geformuleerd: Werken aan de Brabantse energietransitie; Werken aan een klimaatproof Brabant; Werken aan de slimme netwerkstad; Werken aan een concurrerende, duurzame economie. Deze opgaven worden niet los van elkaar gezien, maar zijn vanuit de basis met elkaar verbonden. Hierbij wordt gekeken vanuit een gebiedspecifieke benadering om de kansen en bedreigingen van de opgaven te benoemen en rekening te houden met de kansen vanuit andere hoofdopgaven. Voor omschakeling van een voormalig agrarisch bedrijf naar een niet-agrarisch bedrijf en daarbij uit te voeren nevenactiviteiten zijn geen specifieke beleidsuitgangspunten opgenomen. Wel is het van belang dat op een duurzame en klimaatbestendigde wijze wordt gebouwd. In overleg met de gemeente zal worden gekeken naar de mogelijkheden voor verdere verduurzaming door bijvoorbeeld het onderzoeken of er mogelijkheden zijn voor het opwekken van duurzame energie en/of het verder terugdringen van het energieverbruik.
Gezien het voorgaande past de ontwikkeling binnen de doelstellingen zoals zijn verwoord in de Omgevingsvisie Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant.
3.2.2 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant De Interim Omgevingsverordening Ruimte Noord-Brabant is één van de uitvoeringsinstrumenten voor de provincie om haar doelen te realiseren. Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 16 november 2021 de (laatst geconsolideerde versie van de) Interim Omgevingsverordening vastgesteld, waarmee de tot dan toe geldende Verordening Ruimte werd vervangen. Op 11 maart 2022 is door de provincie de Omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. De Omgevingsverordening kan en zal echter pas in werking treden wanneer de Omgevingswet in werking treedt, naar verwachting 1 januari 2024. Tot die tijd geldt het beleid zoals is opgenomen in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant, zoals eveneens op 11 maart 2022 door de provincie gewijzigd is vastgesteld. De gewijzigde regels van de Interim Omgevingsverordening zijn in overeenstemming gebracht met de vastgestelde Omgevingsverordening en zijn opgenomen in de meest recente versie van de Interim Omgevingsverordening, welke op 1 oktober 2022 is geconsolideerd en in werking is getreden. Vanuit de Interim Omgevingsverordening is de locatie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als '(gemengd) landelijk gebied' en 'stalderingsgebied'. Tevens is de locatie gelegen in een 'boringsvrije zone'.
Binnen het stalderingsgebied gelden aanvullende regels voor een toename van de oppervlakte aan dierenverblijven bij een zogenaamde hokdierhouderij. Bij de voorgenomen ontwikkeling is juist sprake van de beëindiging van een hokdierhouderij. De oppervlakte aan dierenverblijven bij een hokdierhouderij zal daarmee afnemen en niet toenemen. Bij de gewenste ontwikkeling zullen paarden worden gehouden. Volgens de definities uit de verordening zijn paarden niet aangemerkt als hokdieren, waarmee geen sprake is van een hokdierhouderij. De bepalingen met betrekking tot het stalderingsgebied zijn daarmee op de voorgenomen ontwikkeling niet van toepassing. Het houden van paarden wordt vanuit de definities uit de verordening daarnaast niet gezien als veehouderij, waarmee ook de aanvullende regels met betrekking tot de ontwikkeling van een veehouderij niet van toepassing zijn op de voorgenomen ontwikkeling. In de boringsvrije zones gelden aanvullende regels voor ingrepen in de bodem van dieper dan 10 meter en voor warmtetoevoeging en -onttrekking aan het grondwater. Van dergelijke activiteiten is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake, waarmee de aanvullende regels voor boringsvrije zones niet van toepassing zijn op de voorgenomen ontwikkeling.
Bij de voorgenomen ontwikkeling zal één van de twee huidige legaal aanwezige bedrijfswoningen, de bedrijfswoning met nummer 24, worden afgesplitst van het bedrijf en worden omgeschakeld naar een 19
burgerwoning. Voor het wonen in het (gemengd) landelijk gebied zijn in de verordening specifieke bepalingen opgenomen. Deze luiden als volgt: "Artikel 3.68 wonen in landelijk gebied Lid 1. Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied bepaalt dat: a. alleen bestaande burgerwoningen en bedrijfswoningen zijn toegestaan; b. zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen is uitgesloten. Lid 2. Een bestemmingsplan kan bij een bestaande woning de vestiging van een andere functie toelaten, als: c. dit past binnen de voorwaarden die voor die functie zijn opgenomen in deze paragraaf; d. in geval nieuwe bebouwing wordt opgericht, er elders feitelijk en juridisch een gelijkwaardige oppervlakte aan gebouwen is gesloopt." In feite laat het bepaalde in artikel 3.68 geen nieuwe woningen toe. Bij de voorgenomen ontwikkeling is echter geen sprake van een nieuwe woning, maar van omschakeling van een bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning. Ook dit is echter niet mogelijk op basis van het gestelde in artikel 3.68. In artikel 3.69 van de verordening zijn echter uitzonderingen opgenomen op het verbod in artikel 3.68. De bepalingen voor deze uitzonderingen luiden als volgt: "Artikel 3.69 afwijkende regels (burger)woningen In afwijking van artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied kan een bestemmingsplan voorzien in: a.
de bouw van een woning ter vervanging van een bestaande woning binnen het bouwperceel, als is verzekerd dat: 1. de bestaande woning feitelijk wordt opgeheven; 2. overtollige bebouwing wordt gesloopt. b. de vestiging van of de splitsing in meerdere woonfuncties in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing als dat bijdraagt aan het behoud of herstel van deze bebouwing. c. in het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, als is verzekerd dat: 1. er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt; 2. overtollige bebouwing wordt gesloopt." Het gestelde onder a en b van artikel 3.69 is bij de voorgenomen ontwikkeling niet van toepassing. Op basis van het gestelde onder c kan de omschakeling van een bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning mogelijk worden gemaakt, mits aan de voorwaarden wordt voldaan. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een splitsing in meerdere woonfuncties. Het is in de huidige situatie één woning en blijft in de gewenste situatie één woning. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling zal, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Gewenste situatie" (paragraaf 2.2), ongeveer 1.595 m² aan voormalige agrarische bedrijfsbebouwing worden gesloopt. Hiermee is sprake van sloop van overtollige bebouwing. Aan de voorwaarden zoals zijn opgenomen in artikel 3.69, onder c wordt daarmee voldaan.
Daarmee past de voorgenomen afsplitsing van de bedrijfswoning met nummer 24 van het bedrijf en de omschakeling ervan naar een burgerwoning binnen de bepalingen zoals zijn opgenomen in de verordening. Het overige deel van het bedrijf, inclusief de daarbij behorende bedrijfswoning met nummer 26, zal worden omgeschakeld naar een niet-agrarisch bedrijf in de vorm van een bedrijfsverzamelgebouw voor kleinschalige bedrijvigheid tot maximaal milieucategorie 2 en een voorziening voor de opslag van statische goederen. Voor de omschakeling naar een niet-agrarische functie in het (gemengd) landelijk gebied zijn eveneens specifieke bepalingen opgenomen in de verordening. Deze luiden als volgt: "Artikel 3.73 vestiging niet-agrarische functie in landelijk gebied Lid 1. Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een 20
niet-agrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokk en: 1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; 2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; 3. hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied. b. er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel; c. overtollige bebouwing wordt gesloopt; d. de vestiging heeft geen betrekking op: 1. een kantoor met baliefunctie; 2. lawaaisport; 3. mestbewerking. Lid 2. Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels: a. b. c. d.
over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking; welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan; dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen; dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang.
Lid 3. Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor: a. bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein; b. een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²; c. een voorziening ten dienste van vrije-tijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare." Ad. artikel 3.73, lid 1, sub a: De gemeente Vught heeft bij het opstellen van de gemeentelijke structuurvisie en het bestemmingsplan voor het buitengebied bekeken welke functies passend zouden zijn in het gebied waarin de locatie is gelegen. Het gemeentelijke beleid biedt mogelijkheden voor vervolgfuncties bij de beëindiging van een agrarisch bedrijf. In het gebied waarin de locatie is gelegen worden mogelijkheden geboden voor niet-agrarische vervolgfuncties. De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij deze mogelijkheden. Daarmee kan worden gesteld dat de ontwikkeling passend is in het gebied. Daarnaast is de locatie gelegen in een gebied waarin de afgelopen jaren een transformatie heeft plaatsgevonden. Daarbij zijn veel agrarische functies reeds beëindigd en omgeschakeld naar een andere functie. Het gaat daarbij voornamelijk om woonfuncties en niet-agrarische functies. De voorgenomen ontwikkeling sluit hier goed bij aan.
Door de nabijgelegen woningen is een duurzaam agrarisch intensieve veehouderijbedrijf op de locatie niet langer mogelijk. De locatie biedt daarmee onvoldoende mogelijkheden voor de continuering van het intensieve veehouderijbedrijf. Intensieve veehouderij is daarmee niet passend binnen het gebied. Om verder te kijken of de ontwikkeling past in het gebied waarin de locatie is gelegen is met een bredere scope naar het gebied gekeken. Hierbij is niet alleen naar de effecten op de bovenste laag in het hier en nu gekeken, maar zijn de dynamiek en randvoorwaarden die de onderste lagen meegeven in de afweging betrokken. Daarbij is gekeken naar de verschillende schaalniveaus en is de factor tijd actief benut. Er is daarbij gekeken naar het verleden, de geschiedenis van de verschillende lagen op een plek en de (mogelijke) effecten in de toekomst. 21
De Molenstraat is van oudsher al een verbinding tussen de kernen Helvoirt en Haaren. Langs de Molenstraat zijn van oudsher ook al enkele agrarische bedrijven gevestigd, waarmee het gebied ter plaatse al van oudsher is gecultiveerd als landbouwgebied. Aangrenzend aan de kern Helvoirt is langs de Molenstraat van oudsher al een vorm van lintbebouwing ontstaan. Ter hoogte van de locatie is rond 1870 een kleinschalig bebouwingscluster ontstaan van boerderijen. Met name in de jaren '60 en '70 van de vorige eeuw heeft dit bebouwingscluster zich verder ontwikkeld en heeft het de positie als agrarisch bebouwingscluster in een agrarisch gebied, met name door de ontwikkeling van de (intensieve) veehouderijsector) aanzienlijk verstevigd. Het gebied heeft tot in de jaren '80 en '90 van de vorige eeuw hoofdzakelijk een agrarische functie gehad. In die tijd begon echter de eerste transformatie naar een gebied met meerdere functies dan alleen agrarisch. Dit is in die tijd langzaamaan begonnen. Met name de afgelopen 10 jaar heeft het gebied zich steeds meer getransformeerd van hoofdzakelijk agrarisch naar een meer gemengd gebied, waarin met name de functie wonen de boventoon voert. Ook niet-agrarische bedrijfsvormen hebben zich in het gebied steeds meer gevestigd.
Door de transformatie van een agrarisch gebied naar een gebied met voornamelijk woningen is het uitvoeren van een doelmatig agrarisch bedrijf in het gebied steeds moeilijker geworden. Het gebied is daarmee de functie als puur agrarisch gebied reeds verloren. Naar verwachting zal het gebied zich in de toekomst verder blijven transformeren, waarbij de agrarische activiteiten verder zullen afnemen en wellicht in zijn geheel zullen verdwijnen uit het gebied. De voorgenomen ontwikkeling, welke de transformatie van een agrarisch bedrijf naar een woonfunctie en een niet-agrarische bedrijfsfunctie inhoudt, sluit goed aan bij de verdere transformatie van het gebied naar een meer gemengd gebied met andere functies dan agrarisch. De voorgenomen ontwikkeling sluit daarmee goed aan op het toekomstige beeld van het gebied. De gronden ter plaatse bestaan voornamelijk uit (bruine) enkeerdgronden, waarin zand en sporen van leem voorkomen. Door de voedselarme gronden en door het doorgaans lage organische stofgehalte in deze gronden zijn deze gronden minder geschikt voor landbouw. Het lage leemgehalte en de geringe bewortelingsdiepte maken dat er snel een vochttekort voor het gewas optreedt. Om de gronden geschikt te houden voor landouw is het belangrijk om de organische stof op peil te houden. Dan blijft het vochtgebrek namelijk beperkt.
Verder moet de bodem goed doorwortelbaar gehouden worden en moet aandacht worden geschonken aan de pH-waarde van de gronden (de gronden zijn vaak namelijk zuur). Daarnaast dient het organische stofgehalte op peil gehouden te worden en dienen mineralen aan de grond te worden toegevoegd. De landbouw op deze gronden vraagt daarmee een flinke investering. De mindere mate van geschiktheid van de gronden heeft mede geleid tot een transformatie van het gebied. Bij de voorgenomen ontwikkeling dient bekeken te worden of deze gevolgen heeft voor de bodemsamenstelling. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een verandering in de structuur van de bodem. Daarbij zal de bodemsamenstelling niet wijzigen. De voorgenomen ontwikkeling zal, door beëindiging van het agrarisch bedrijf, leiden tot een vermindering van het afvalwater. Een intensieve veehouderij vereist veel water voor het schoonspuiten van de stallen en dergelijke. Door een verminderd watergebruik en een vermindering van het afvalwater blijft het vocht in de bodem beter op peil. Daarmee zal de voorgenomen ontwikkeling leiden tot een afnemende druk op het grondwater en de drinkwatervoorziening. Omdat in mindere mate sprake zal zijn van afvalwater is sprake van een verminderde kans op het verontreinigen van de bodem ter plaatse.
Zoals blijkt uit het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling goed binnen de transformatie van het gebied die met name vanaf de jaren '60 en '70 van de vorige eeuw is ingezet. De verwachting is dat het gebied zich in de toekomst, vanwege de beperkte mogelijkheden voor agrarische bedrijfsvoering en de ontwikkeling van de kern en de niet-agrarische functies in de omgeving, steeds meer zal blijven ontwikkelen als gemengd gebied. De voorgenomen ontwikkeling sluit hier goed bij aan. Verder zal de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredige nadelige gevolgen hebben voor de bodemgesteldheid ter plaatse en staat de bodemgesteldheid de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg. Zoals nader is aangetoond in het hoofdstuk "Ruimtelijke- en milieuaspecten" (hoofdstuk 4) zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige gevolgen hebben op de in de omgeving aanwezige functies en/of waarden. Tevens zal met de voorgenomen beëindiging van de intensieve veehouderij sprake zijn van een aanzienlijke afname van de uitstoot van geur, fijnstof, stikstofoxiden, ammoniak en broeikasgassen. Daarmee zal de voorgenomen ontwikkeling een positief effect hebben op de leefbaarheid in de omgeving. 22
Vanuit de maatschappij wordt volksgezondheid steeds meer gezien als belangrijke factor voor het woonen leefgenot van de mens. Met de maatschappelijke discussie die momenteel speelt rondom volksgezondheid in relatie tot veehouderijen en door de campagnes van dierenrechtenorganisaties wordt het beeld op intensieve veehouderijen steeds negatiever. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een intensieve veehouderij beëindigd. Daarmee wordt een deel van de angst bij omwonenden op risico's voor de volksgezondheid vanuit de veehouderij weggenomen. Er zal immers niet langer meer sprake zijn van een veehouderij met de mogelijk daarbij behorende gezondheidsrisico's. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Milieuzonering" (paragraaf 4.1.1) zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden en/of bedrijfsvoering van omliggende agrarische bedrijven. Tevens zullen ook geen andere functies in de ontwikkelingsmogelijkheden worden geschaad. Er is daarmee geen sprake van een belemmering van de agrarische ontwikkeling van het gebied. Een intensieve veehouderij heeft een grote energiebehoefte. Daarnaast heeft een intensieve veehouderij een grote uitstoot van geur, fijnstof, broeikasgassen en ammoniak. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal de intensieve veehouderij ter plaatse worden beëindigd.
Daarbij zal een deel van de bedrijfsgebouwen worden gebruikt voor het uitvoeren van een niet-agrarisch bedrijf met activiteiten in maximaal milieucategorie 2. Een niet-agrarisch bedrijf tot maximaal milieucategorie 2 heeft een aanzienlijk lagere energiebehoefte dan een volwaardig intensief veehouderijbedrijf. Het energieverbruik op de locatie zal daarmee aanzienlijk lager worden dan in de huidige situatie. Dit komt ten goede aan het klimaat en aan het milieu. Daarnaast zal met de voorgenomen ontwikkeling de uitstoot van broeikasgassen aanzienlijk afnemen. De voorgenomen ontwikkeling draagt daarmee bij aan een verbetering van het klimaat. Door een verminderde uitstoot van broeikasgassen zal minder sprake zijn van een bijdrage aan de klimaatsverandering en de opwarming van de aarde. De initiatiefnemer wenst ter plaatse te voorzien in een bedrijfsverzamelgebouw voor kleinschalige bedrijvigheid tot maximaal milieucategorie 2. Hiermee wordt ruimte geboden aan startende en/of kleinschalige ondernemers om een bedrijf op te zetten. Gronden op een bedrijventerrein zijn vaak duur, waardoor het voor startende en kleinschalige ondernemers vaak niet betaalbaar is om een bedrijf te starten op een bedrijventerrein. De initiatiefnemer biedt aan dergelijke bedrijven een betaalbare ruimte.
Wanneer de betreffende bedrijven dan voldoende in omvang zijn gegroeid kunnen zij de overstap maken naar het bedrijventerrein. Daarmee wordt dan weer ruimte geboden aan een nieuwe startende onderneming. Hiermee wordt de economie in de gemeente verder gestimuleerd en wordt bijgedragen aan de mogelijkheden om startende en kleinschalige ondernemingen van de grond te krijgen. Omdat wordt voorzien in betaalbare ruimte voor kleinschalige en startende ondernemingen en omdat deze als deze voldoende zijn gegroeid de doorstroom maken naar een bedrijventerrein zal de voorgenomen ontwikkeling niet concurreren met de functies op de bedrijventerreinen en daarmee niet leiden tot een leegstand van bedrijfsgebouwen elders. De voorgenomen ontwikkeling zal de vestiging van bedrijven eerder stimuleren omdat de noodzakelijke tussenstap wordt aangeboden zodat meer ondernemers de doorgroei geleidelijk kunnen maken naar een bedrijventerrein. Zonder deze tussenstap is de stap naar een bedrijventerrein voor veel ondernemers te groot, waardoor zij de onderneming bij onvoldoende mogelijkheden eerder elders buiten de gemeente zullen vestigen. De voorgenomen ontwikkeling draagt daarmee eerder bij aan de invulling van de gemeentelijke bedrijventerreinen op termijn.
Daarnaast wenst de initiatiefnemer te voorzien in een voorziening voor de opslag van statische goederen, waaronder ook de stalling van caravans en overige kampeervoertuigen (bijvoorbeeld campers of vouwwagens). De omgeving van de gemeente Vught leent zich, mede door de nabijheid van de natuurgebieden Kampina en de Oisterwijkse Vennen en de Loonse en Drunense Duinen, uitstekend voor recreatieve activiteiten. De vraag naar stallingsruimte van kampeervoertuigen in de omgeving is daarmee erg groot. De initiatiefnemer komt met de voorziening voor statische opslag deels tegemoet aan deze grote vraag. De voorgenomen ontwikkeling draagt daarmee bij aan de verdere stimulering van de recreatieve sector binnen de gemeente. Binnen de gemeente Vught is de hippische sector sterk vertegenwoordigd. De nabijgelegen natuurgebieden Kampina en de Oisterwijkse Vennen en de Loonse en Drunense Duinen en het zeer uitgebreide netwerk van ruiterpaden in de omgeving lenen zich goed voor paardrijdactiviteiten. Er zijn 23
daardoor veel ruiters actief binnen de gemeente. Omdat niet al deze ruiters voldoende mogelijkheden ter beschikking hebben voor de stalling van paarden is er een grote vraag naar pensionstalling. Daarnaast is er door het groot aantal mogelijkheden voor ruiters een grote vraag naar geschikte paarden binnen de gemeente. Om aan deze vraag tegemoet te komen wenst de initiatiefnemer ter plaatse, als nevenactiviteit bij de niet-agrarische bedrijfsvoering, te voorzien in een paardenfokkerij met daarbij eveneens pensionstalling. Met de fokkerij zullen geschikte paarden worden gefokt en afgericht om tegemoet te komen aan de grote vraag in de omgeving. Daarnaast zal met de pensionstalling eveneens tegemoet worden gekomen aan de grote behoefte aan pensionstalling in de gemeente. Daarnaast wenst de initiatiefnemer te voorzien in een voorziening voor bed & breakfast als nevenactiviteit bij de gewenste bedrijfsvoering. Juist de combinatie met de pensionstalling, waarbij dus aan zowel ruiter als paard een gelegenheid wordt geboden voor een overnachting, leidt tot een bijzonder aanbod waar veel vraag naar is in de omgeving. Ruiters blijven immers het liefst in de buurt van het eigen paard. De voorziening draagt daarmee bij aan de verdere stimulering van zowel de recreatieve sector als de hippische sector in de gemeente.
Ten slotte wenst de initiatiefnemer als nevenactiviteit bij de gewenste bedrijfsvoering te voorzien in een verkooppunt aan huis voor paardensport gerelateerde activiteiten. Het zal daarbij voornamelijk tweedehands artikelen en benodigdheden voor de paardensport. Er is daarmee sprake van verkoop van bedrijfsgerelateerde producten aan huis. Omdat de verkoop kleinschalig van aard is zal deze niet concurreren met detailhandelsvoorzieningen in de kernen. Daarnaast is de verkoop uitsluitend op de sector gericht en aan het buitengebied gebonden. Het verkooppunt zal daarmee niet leiden tot leegstand van detailhandelsvoorzieningen elders. Gezien de aard van de ontwikkeling en de functies in de omgeving is sprake van een functie die past in de omgeving. Een agrarische functie past niet langer in de omgeving. De voorgenomen bedrijfsactiviteiten en woonfunctie sluiten goed aan op de reeds aanwezige functies in de omgeving. Omdat met name de recreatieve functies en de paardenfokkerij en pensionstalling sterk aan het buitengebied gebonden zijn ligt een vestiging op een bedrijventerrein niet voor de hand. De locatie leent zich door de ligging tussen de twee kernen Helvoirt en Haaren goed voor de gewenste activiteit, omdat deze vanuit beide kernen goed te bereiken is zonder daarbij de verbinding met het buitengebied te verliezen.