8. Raadsinformatiebrief Duurzame Verstedelijking
Tekst van het document
woon- en werkmilieus. Hier
en te versterken is er
begint bij de logica van het
uit met een aaneengesloten
eigen unieke kwaliteiten en
wordt de verbinding gelegd
aandacht nodig op allerlei
bodem- en watersysteem.
groenblauw natuurnetwerk.
economische specialiteiten
met het Nationaal stedelijk
vlak (o.a. reageren op
We creëren meer groen en
Het droombeeld: gezonde
binnen het grotere
(OV+fiets)netwerk en zijn we
huishoudensverdunning en
blauw om ervoor te zorgen
en leefbare steden en
polycentrisch netwerk.
maximaal aantrekkelijk voor
vergrijzing, voorzieningen-
dat iedereen (bovenstrooms
dorpen van waaruit je vanaf
Eenheid in verscheidenheid
jongeren en kenniswerkers.
draagvlak, de energietransitie
en benedenstrooms) zijn
de voordeur langs groene
dus!
Deze schaalsprong zorgt er
en klimaatadaptatie).
eigen broek ophoudt en niet
routes tot aan de grotere
mede voor dat andere kernen
Aandacht voor de buurt
zorgt voor afwentelingen van
landschapsparken kunt lopen
hun dorpse en suburbane
dus voor het creëren van
(water)problemen.
en fietsen.
woonkwaliteit kunnen
duurzame, warme harten.
behouden.
17
Trimodale (stedelijke)
Zaltbommel
knoop Oss
Stedelijke (haven)knoop ‘s-Hertogenbosch Haven van Waalwijk
Vught Uden
Haven Veghel Boxtel
Ontwikkelprincipe 1 We zetten het polycentrische karakter van de regio in zijn kracht: complementariteit door vergroten onderlinge verscheidenheid
18
Ontwikkelprincipe 1 We zetten het polycentrische karakter van de regio in zijn kracht: complementariteit door vergroten onderlinge verscheidenheid
De verplaatsingspatronen veranderen. De mobiliteit in Brabant is van oudsher
Opgave – De stad ’s-Hertogenbosch is de verbindende schakel van de regio naar
vervoer. Ook deelmobiliteit heeft in de steden een toenemend aandeel in de
het nationale en Europese schaalniveau. Vanuit Boxtel, Veghel, Oss en Waalwijk worden de verbindingen gelegd met respectievelijk de Brainport, Nijmegen en Tilburg. Binnen het stedelijk netwerk zijn er diverse redelijk eigenstandig functionerende ecosystemen. ’s-Hertogenbosch, Oss, Vught, Zaltbommel en Boxtel zijn multimodaal ontsloten (via trein, bus, auto, fiets en soms ook via het water). Deze plaatsen liggen zowel aan de snelwegen als aan de spoorassen. De andere gemeenten kennen een
sterk op de auto gericht. Vooral de verplaatsingen buiten de eigen kern leunen sterk op de auto. In en tussen de steden zien we een groei van fiets en openbaar mobiliteit. Hoger opgeleiden en jongeren verplaatsen zich voor werk, onderwijs en recreatie niet alleen binnen Brabant maar ook nationaal en internationaal. Zij maken relatief meer gebruik van de trein en de fiets dan de middelbaar en lager opgeleiden. Die laatsten verplaatsen zich vooral binnen de eigen regio. Er is een groeiend verschil tussen verplaatsingsgedrag binnen en buiten de stad; stedelijk met OV en fiets versus suburbaan en dorps met de auto. Dit verschil creëert ook
goede autobereikbaarheid maar zijn minder goed ontsloten met het HOV.
een bereikbaarheidsprobleem. De verbinding tussen platteland en stad is cruciaal
De vraag naar mobiliteit neemt toe als gevolg van het groeiend aantal inwoners en
voorzieningenniveau en het vervoer op kleinere stromen en op rustigere tijdstippen
arbeidsplaatsen en doordat de Brabander zich verplaatst binnen een steeds groter Daily Urban System voor wonen, werken, onderwijs, ontplooiing en ontspanning. De nationale (Stedelijk Netwerk Nederland) en internationale connectiviteit is bovendien een belangrijk onderdeel van het functioneren van (stedelijk) Brabant. Ook die uitwisseling in die (inter)nationale agglomeratie leidt ook tot een toename van de mobiliteitsvraag. Het huidige mobiliteitssysteem (wegen, openbaar vervoer en fietspaden) is op deze groei niet op berekend. Met name het hoofd(wegennet) loopt volledig vast als we doorgaan op huidige weg. Dit heeft negatieve gevolgen voor de bereikbaarheid en leefomgeving. Er is ook een toenemende verkeersonveiligheid. Brabant kent relatief veel verkeersslachtoffers. De impact daarvan is groot en leidt tot veel persoonlijk leed en hoge maatschappelijke kosten. Er is bovendien een dubbele noodzaak om de logistiek in stedelijk gebied opnieuw te organiseren. Er is minder ruimte voor het vrachtverkeer (door concurrentie op ruimtevraag) en tegelijkertijd neemt de logistieke behoefte juist toe.
voor zowel de leefbaarheid in de steden als voor de inwoners van het platteland. Het staan onder druk. Een uiteenlopende groep mensen is niet of onvoldoende in staat om zelfstandig van het mobiliteitssysteem gebruik te maken. De middelgrote kernen, met name in het gebied rondom Waalwijk en het gebied rond Veghel-Uden kennen door het ontbreken van spoorverbindingen een lagere bereikbaarheid per OV. Waar de kernen zelf vaak nog goed ontsloten zijn met de bus, zijn bedrijventerreinen soms lastig te bereiken zonder auto. Dit leidt tot problemen. Zo is het voor bedrijven lastiger om stagiairs aan te trekken die geen beschikking hebben over een auto. Het economisch ecosysteem is datgene wat de regio bindt. Opgaven zijn er zowel kwantitatief als kwalitatief. Kwantitatief ontstaat er in de regio (Noordoost-Brabant) richting 2030 de vraag naar 125-300 hectare nieuw bedrijventerrein. Kwalitatief is er de uitdaging om bedrijventerrein bij de tijd te houden. Er is een groeiende vraag naar plekken waar locatie specifieke wensen worden ingevuld zoals werklocaties met een uitstekende bereikbaarheid per OV, multimodale bereikbaarheid voor goederen en grondstoffen, clustering rondom R&D-bedrijven, het delen van elkaars kennis en faciliteiten, een grote verscheidenheid aan functies met hoge verblijfskwaliteit,
19
dynamiek, interactie en menging. Kansen voor dit type vestigingsmilieus liggen
systeem, zorgt voor een aanzienlijke verbetering in deze situatie (dan nog maar
afhankelijk van de vraag op allerlei plekken. Nabij een trimodale knoop, in de stedelijke
48%).
centrumomgeving, bij aansprekende historische locaties, in woonwijken en in
•
centrumlocaties van de middelgrote kernen en dorpen.
Er zijn geen grote woningbouwaantallen nodig in Veghel, Uden en Waalwijk om een kwalitatief beter HOV-systeem rendabel te krijgen. Woningen kunnen lokaal wel flink bijdragen aan locatiekwaliteit.
Lessen ontwerpend onderzoek •
•
•
•
Het verschil in vestigingskwaliteit voor bedrijven (denk aan: nabijheid van
Een mobiliteitstransitie is noodzaak, waarbij wordt ingezet op minder reizen /
mensen, buisleidingennet, spoor, energienet en haven) wordt in de regio beperkt
verplaatsen en op een verschuiving van autogebruik naar meer OV, fiets, lopen en
benut. Veel bedrijven zitten op plekken waar unieke assets aanwezig zijn die
slimme mobiliteit.
ze beperkt tot niet benutten. Karakteriserend voor deze stelling is bijvoorbeeld
’s-Hertogenbosch wordt in elk perspectief stedelijker, in Oss is het wel of niet
het haventerrein van ’s-Hertogenbosch. Pal aan het water, op wandelafstand
stedelijk worden afhankelijk van wel of niet fors inbreiden in de spoorzone. De
van het intercitystation ligt hier een lage logistieke loods die zowel niks met
overige kernen in de regio blijven hun dorpse / suburbane nabijheid behouden.
de bereikbaarheid van het water doet als met de nabijheid van het stedelijke
Circa 65% van de regio heeft een matige tot slechte OV-bereikbaarheid.
centrum.
Binnenstedelijk verdichten in de middelgrote kernen, gekoppeld aan het OV-
20
Principe •
De verschillende knopen in het polycentrisch netwerk werken aan een sterk eigen economisch profiel: ‘s-Hertogenbosch is sterk als dienstenstad en heeft
•
opgezette woon- en werkmilieus voor een gevarieerde doelgroep. •
De mobiliteitstransitie richting een duurzaam en (zero emissie) mobiliteitssysteem
succesvolle data start-ups en incubators. In Oss is de farmaceutische en
is maatwerk voor stad en dorp. Het gehele mobiliteitssysteem is een eenheid.
Life Science industrie groot. Uden heeft een sterk MKB met veel formele en
Alle modaliteiten zijn belangrijk en vervullen in onderlinge samenhang elk hun
informele netwerken en een focus op sociale innovatie. Waalwijk is sterk in
eigen rol die ervoor zorgen dat er soepel gereisd kan worden binnen het Daily
de maakindustrie, e-commerce en logistiek. Door heel de regio heen is de
Urban System van de stedelijke regio en tussen de verschillende gebiedstypen.
Agrifood een grote sector met rondom Veghel ook de bijbehorende verpakking,
De toegang van de regionale kernen tot het stedelijk gebied wordt verzekerd
maakindustrie en logistiek, met een hoog innovatieve bedrijvigheid.
met overstappunten tussen regionale mobiliteit (auto) en stedelijke mobiliteit
De stedelijke regio ’s-Hertogenbosch kent sterk geclusterde economieën
(OV+fiets). Deze overstappunten (/hubs) worden gekoppeld aan het treinnetwerk
verspreid over de regio die complementair aan elkaar zijn. In uitwisseling van
(bijvoorbeeld in Zaltbommel, Vught, Boxtel, Oss en Ravenstein) en aan het HOV-
kennis, delen van voorzieningen, ontwikkelen van vestingmilieus en uitwisseling
net (bijvoorbeeld in Waalwijk, Uden en Veghel). Ze zijn ingebed in een netwerk
van energie, grondstoffen en reststromen laten we nog kansen liggen die door
met een fijnmazig en comfortabel (snel)fietsnetwerk en voorzien van gedeelde
intensievere samenwerking wel verzilverd kunnen worden. Bij de ontwikkeling en
mobiliteitsconcepten.
verduurzaming van werkgebieden zetten we daarom de knoopwaarde en unieke assets
•
Om de woon- en werkmilieus in het polycentrische netwerk in hun kracht te zetten gaan
van een plek centraal (denk bijvoorbeeld aan: ligging aan het landschap, in de stad, aan
we voor knooppuntontwikkeling in de middelgrote kernen. Vught en Boxtel zijn hierbij
een haven, aantakking op goederenspoor, buisleiding of energie-hub of de nabijheid van
ontsloten via spoor. Uden, Waalwijk en Veghel worden aangetakt op een sneller
een OV-knoop). Gebouw- en gebiedstypologie worden ontwikkeld als een afgeleide
en frequenter HOV-netwerk met verbindingen van- en naar de spoorzones
van deze knooppotentie. Groei binnen de hogere milieucategorieën concentreren
van Tilburg, Eindhoven, ’s-Hertogenbosch en Nijmegen. Deze ‘stedelijke
we bij knopen van haven-, spoor-, energie- en grondstoffen (’s-Hertogenbosch,
aankomstplekken’ van de middelgrote kernen verzekeren de goede aansluiting
Waalwijk, Veghel en Oss). We geven hierbij ruimte aan duurzame (circulaire)
op het stedelijk netwerk Nederland en worden geïntegreerd in (nieuwe) stedelijke
bedrijven met meerwaarde voor het lokale en regionale economische profiel en
interactiezones tussen de centrumgebieden en de bedrijvenlocaties. Ze worden
voor de arbeidsmarkt.
daarnaast aangetakt op een fijnmazig wandel- en fietsnetwerk (binnen de kern) en voorzien van deelmobiliteit (icm Mobility as a Service). In de stedelijke
•
Dankzij een stedelijke schaalsprong in ’s-Hertogenbosch en Oss blijven de
aankomstplekken van de middelgrote kernen is ruimte voor Bicycle Oriënted
middelgrote kernen (Waalwijk, Vught, Boxtel, Veghel en Uden), de grote kernen
(Re)Development. Het worden plekken waar wandelen, fietsen, OV en verblijven
(Zaltbommel, Drunen, Vlijmen, Heesch, Sint-Michielsgestel, Berlicum, Schijndel,
voorrang krijgen en groeien uit tot lokale broedplaatsen voor verblijf, ontmoeting
Sint-Oedenrode, Boekel) en de circa 80 kleine kernen in de regio hun suburbane
en interactie. Zo is er uiteindelijk voor elke kern in de regio een ‘stedelijke
en dorpse karakter behouden. Dit laat zich vertalen naar ontspannen en groen
broedplaats’ met goede OV-ontsluiting nabij.
21
Aanzet voor interventies
stedelijke regio de ‘dragers’ van het mobiliteitssysteem. In centra, wijken en
•
dorpen zetten we in op aantrekkelijke, verkeersveilige en inclusieve straten.
Voortborduren op de stap die is ingezet door de provincie Noord-Brabant en de regio’s Hart van Brabant en Noordoost-Brabant richting een duurzaam en
•
veilig (zero emissie) mobiliteitssysteem. De stedelijke mobiliteitstransitie als combinatie van schaalsprong en transitie faciliteren met breed pakket aan
We borduren verder op Smart Mobility oplossingen binnen het programma SmartwayZ en op de kwaliteitssprong fiets.
•
We gaan door met de regionale uitwerking van het Toekomstbeeld OV 2040
maatregelen; herinrichtingen openbare ruimte gericht op verblijfskwaliteit,
(Hink-Stap-Sprong): IC-bediening op de stad-stad relaties en verbindingen met
lopen en fietsen, versterken fietsennetwerk en fietsstallingen, gedragsaanpak,
het Stedelijk Netwerk Nederland verbeteren. HOV-ontsluiting met Bus Rapid
deelmobiliteit, sturend parkeerbeleid (o.a. hubs, parkeren op afstand) en stedelijk
Transit in de middelgrote kernen zonder station: Waalwijk, Veghel, Uden. De
HOV. Doorstroomassen voor het auto-, fiets- en busverkeer zijn binnen de
uitwisseling tussen stedelijke, suburbane en dorpse gebiedstypen organiseren
22
met combinaties van; regionale (snel)fietsroutes, mobiliteitshubs, OV op hoofdassen, maatwerk richting HOV-knopen, deelmobiliteit smart mobility, en mobiliteitsdiensten. Ook gedragsaanpak is hier onderdeel van. •
De stedelijke mobiliteitstransitie richt zich ook op de stedelijke logistiek. Dat vraagt meer inzet op goederenhubs, kleine zero-emissie voertuigen en combinatie van stromen.
•
We benutten het bestaande hoofdnetwerk voor de auto. De groei van het autoverkeer beperken we met de ruimtelijke strategie en stedelijke mobiliteitstransitie en vangen we verder op met benutten (waaronder slimme oplossingen en gedragsbeïnvloeding – dit speelt o.a. voor de op- en afritten van de A50 en de N279).
•
Slechten van lokale barrières voor integratie tussen bedrijven- en centrumgebieden: dit betreft de barrière van infrastructuur (spoorweg, vaarweg of autoweg), geïsoleerde ligging van werklocaties, noodzakelijke transformatie van fabrieks- of bedrijfsruimten, ontwikkelpotentie BRT/HUBS, versteende openbare ruimte of veiligheidsissues t.a.v. water, gevaarlijke stoffen of geluid/trilling.
•
Behouden en intensiveren van werken in de stedelijke gebieden. Transformaties van monofunctionele bedrijventerreinen naar monofunctionele woongebieden zijn geen onderdeel van de strategie. Doel is veel meer om gemengde intensieve gebieden te creëren.
•
Toekomstbestendig maken van knopen van samenkomst logistiek (haven, spoor en weg), buisleidingen en energie. Voor Boxtel en Veghel liggen hierbij kansen om aan te sluiten op nieuwe buisleidingen (voor o.a. waterstof).
23
ACHTERGROND. Mobiliteitstransitie maatwerk voor stad en dorp
De kleinere kernen zijn een zeer diverse groep. Het voorzieningenaanbod dat in de eigen kern lopend of fietsend bereikbaar is, verschilt van beperkt tot compleet voor
Schematische weergave resultaat mobiliteitstransitie voor het hoogstedelijk gebied,
dagelijkse activiteiten. Maar meestal is voor een (steeds groter deel) van de dagelijkse
de middelgrote kernen en de kleinere kernen. De figuur geeft typologisch en orde van
en niet-dagelijkse activiteiten is een externe verplaatsing in de stedelijke regio nodig.
grootte de rol en samenhang van de vervoerswijzen. Uit te werken per stad en dorp.
De auto vervult daarin een zeer belangrijke rol. De opgave is om met (snel)fietsroutes en maatwerk wel basisbereikbaarheid zonder auto te bieden. Zo blijft het dorp een
In het hoogstedelijk gebied is een grote variëteit aan dagelijkse en niet-dagelijkse
prettige plek voor iedereen zonder auto (inclusief oudere kinderen) en blijft de dorp-
voorzieningen nabij. Lopen en fietsen zijn de dominante vervoerswijzen. Extern is dat
stad relatie twee kanten op stevig.
de fiets-treincombinatie. In het stedelijk gebied zelf is het aandeel OV beperkt maar duidelijk groter dan nu, toegespitst op gebieden met stedelijke massa die buiten de directe fietscontour liggen. Die fietscontour wordt met snelfietsroutes groter voor de gebruiker die wat verder fietsen prima vindt. Dat biedt keuzeruimte aan bewoner en bezoeker. Stedelijk HOV en snelfietsroutes leggen ook de verbinding naar grotere werklocaties aan de stadsrand. De auto heeft een relatief kleine rol in het stedelijk gebied. Parkeren in wijkhubs, deelauto’s, gereguleerd parkeren, 30 km/uur en afwikkelen buitenom zijn de standaard. In de middelgrote kernen is een compleet aanbod van dagelijkse voorzieningen binnen 10 minuten lopen of fietsen, geconcentreerd in aantrekkelijke gemengde centrumgebieden. Voor ruimere keuze in banen en hoogstedelijke voorzieningen wordt vaker dan in het hoogstedelijk gebied een beroep gedaan op de stedelijk regio. Extern is de auto het belangrijkste vervoersmiddel. Via trein of HOV zijn de middelgrote kernen wel stevig aangetakt op het stedelijk netwerk. Via snelfietsroutes zijn omliggende kernen en stedelijke centra bereikbaar per e-bike. OV en fiets blijven in de middelgrote kernen duidelijk ondergeschikt aan de auto maar bieden wel de kwaliteit van multimodale bereikbaarheid en een lichte reductie van het huidige autoaandeel.
In de centrumgebieden zal gereguleerd parkeren op afstand ingezet worden, daarbuiten start de autorit meestal voor de deur.
24
ACHTERGROND. Het realiseren van meer hectares bedrijventerrein
alleen leidt niet tot een economisch succesvollere toekomst De sectoren waar de regio goed in is ontwikkelen zich steeds meer richting een internationale kenniseconomie. Om concurrerend te blijven is het voor bedrijven steeds belangrijker om aantrekkelijk te zijn voor talent, om te innoveren, samen te werken en om te delen. Dat vraagt in het kort: fysieke nabijheid, internationale connectiviteit, vergroten van arbeidsmarktbereik en het bieden van een aantrekkelijk werkmilieu. Bedrijventerreinen positioneren zichzelf steeds meer ten opzichte van elkaar. Kennis en kunde is onlosmakelijk onderdeel van de bedrijfsvoering van bedrijven, het aandeel hoger opgeleiden in productiebedrijven neemt toe. Om dat te faciliteren worden de vestigingsvoorwaarden specifieker, de plek doet er meer dan ooit toe. In hoofdlijn zijn die plekken als volgt te definiëren: •
Stedelijke economie in bruisende centra met goede voorzieningen en hoger onderwijs, goed verankerd in een groot Daily Urban System met connectiviteit op (inter)nationaal niveau.
•
Locaties met specifieke locatievoordelen zoals een positie in een energienetwerk, multimodale logistiek over water, spoor en weg of bereikbaarheid met openbaar vervoer voor werknemers.
•
Reguliere locaties met een betaalbaar ruimte-aanbod voor bedrijven die geen specifieke eisen stellen aan hun omgeving behalve een betaalbare ruimte vraag hebben.
Kortom: het traditionele versteende bedrijventerrein krijgt het lastig. Er ligt een grote uitdaging om in te spelen op de nieuwe vragen naar circulariteit, samenwerking, collectieve voordelen, interactie en buitenruimtekwaliteit. Tegelijkertijd ontstaat veel werk op plekken waar geen bedrijventerrein is. In toenemende mate werken we namelijk in ‘persoonsgebonden economische sectoren (denk aan: persoonlijke diensten, zorg, onderwijs, leisure, horeca, entertainment). Deze laatste sectoren laten zich over het algemeen goed mengen met woningbouw.
25
Oss maakt schaalsprong in stedelijkheid
‘s-Hertogenbosch maakt schaalsprong in stedelijkheid
Nieuw HOV-systeem, opgespannen tussen de (hoog)stedelijke dragers
Ontwikkelprincipe 2 Met schaalsprong in stedelijkheid zetten we in op het creëren van aantrekkelijke ‘stedelijke huiskamers’ voor de regio
26
Ontwikkelprincipe 2 Met schaalsprong in stedelijkheid zetten we in op het creëren van aantrekkelijke ‘stedelijke huiskamers’ voor de regio Opgave – De regio kenmerkt zich als een weinig stedelijke regio met voornamelijk
spoorzone van ’s-Hertogenbosch is een stap naar hoogstedelijkheid mogelijk. Voor fors bouwen in de directe nabijheid van de spoorzone van Oss geldt dat een stap richting stedelijke nabijheid mogelijk is. •
goed middel tegen noodzaak verbreden snelwegen: een geconcentreerde
MKB-bedrijvigheid. Daar schuilt kwaliteit in. Het is relatief ontspannen wonen en de
stedelijke ontwikkeling (in ’s-Hertogenbosch) geeft een verschil van ruim 20%
relatief kleine familiebedrijven maken dat de regio een stabiele economie heeft die
in autokilometers op het hoofdwegennet ten opzichte van het polycentrische
beperkt conjuctuurgevoelig is. Er is echter ook een keerzijde. Om concurrerend te
uitbreidingsperspectief (met uitbreiding aan de randen van steden en dorpen). Dit
blijven moeten bedrijven continu vernieuwen en innoveren. Dit vraagt samenwerking
kan het verschil zijn tussen wel of geen noodzaak tot wegverbreding op de A59
(o.a. om benodigde investeringen te kunnen dragen) en om (OV/fiets-)verbindingen met de (inter)stedelijke economie, waarbij ook de verbindingen met andere innovatieecosystemen buiten de regio groeiend van belang zijn (denk aan High Tech Campus
tussen Oss, ’s-Hertogenbosch en Waalwijk in de periode tot 2040. •
interactiekwaliteit krijgen kennisdeling, innovatie en samenwerking wind in de rug.
kunnen dit soort woonmilieus ontstaan. •
Er woedt bovendien een mondiale strijd om talent. De arbeidsmarkt is gespannen.
Principe •
is het een grote uitdaging om personeel met de juiste kennis en skills te vinden. Voor de aantrekkingskracht op jongeren en kenniswerkers speelt het ontbreken van een grootstedelijk milieu de regio parten (als ook andere aantrekkelijke gemixte woonwerk en kennisomgevingen die goed bereikbaar zijn per OV en fiets). Het gebrek aan nabijheid laat zich ook vertalen in het verplaatstingsgedrag. De autodominantie is
‘s-Hertogenbosch maakt een schaalsprong in stedelijkheid en kwaliteit in de brede spoorzone (met speciale aandacht voor de brede spoorzone, de Bossche
Toenemende vergrijzing maakt arbeidsmarktkrapte een grote uitdaging: tot 2050 daalt het aandeel aan 20 tot 65-jarigen terwijl het aantal 65+ers groeit. Voor bedrijven
De spoorzone in ’s-Hertogenbosch is gevoelig voor hittestress. Ontwikkeling moet hier dus samengaan met een stevige groenambitie.
Momenteel heeft echter slechts 3% van de regio een stedelijke nabijheid. 97% van de regio is landelijk tot suburbaan.
Woningbouwdichtheden boven de 35 woningen zijn zeer zeldzaam in de regio (momenteel slechts 3%). Alleen in de spoorzones van ’s-Hertogenbosch en Oss
Eindhoven, Food Tech Brainport Helmond, Biobased Delta West-Brabant, Food Valley Wageningen, Brightlands Venlo en Utrecht Science Park). Met nabijheid en
Het creëren van grote volumes op hoogstedelijke plek ‘s-Hertogenbosch is
Stadsdelta en ’s-Hertogenbosch Oost) •
Oss maakt een schaalsprong in stedelijkheid en kwaliteit in de spoorzone (dat is inclusief het centrum en Pivot Park).
•
De substantiële geconcentreerde toename van massa en dichtheid leidt tot aantrekkelijke stedelijke en economische interactiemilieus die de regio nu nog niet heeft (met nadruk op functiemenging van wonen, werken en onderwijs). Het creëert
groot in de regio, net zoals de druk op het autowegennetwerk.
nieuw aanvullend regionaal aanbod in woon-, werk- en leeftypologieën met
Lessen ontwerpend onderzoek
voor de gehele regio (denk bijvoorbeeld aan het aantrekken en vasthouden
•
Met fors ontwikkelen van woningen en banen in de nabijheid van de brede
aantrekkingskracht op de stadsgeoriënteerde doelgroepen die onmisbaar zijn van jong talent voor de bedrijvigheid in Waalwijk en Veghel). De verbrede
27
centrumgebieden gaan nog meer dan nu fungeren als aantrekkelijke ‘stedelijke •
We faciliteren de stedelijke mobiliteitstransitie in ’s-Hertogenbosch en Oss
huiskamers’ van de regio.
met een breed pakket: herinrichtingen van de openbare ruimte gericht op
Ontwikkelingen in de spoorzones van ’s-Hertogenbosch en Oss dragen bij aan betere
verblijfskwaliteit, lopen en fietsen, versterken fietsennetwerk en fietsstallingen,
connectiviteit met agglomeratie Nederland en daarbuiten. Vanuit de spoorzones is
gedragsaanpak, deelmobiliteit en sturend parkeerbeleid (o.a. hubs, parkeren op
de regio aangesloten op het stedelijke OV-fietsnetwerk richting Amsterdam,
afstand). Voor zowel inwoners als bezoekers van het stedelijk gebied.
Utrecht, Wageningen, Nijmegen, Maastricht en verder. We creëren in de stedelijke spoorzones de benodigde massa om het regionale OV-net aan ‘op te hangen’. •
•
•
We versterken OV-verbindingen tussen de spoorzones en omliggende regio’s (richting Nijmegen, Utrecht, Tilburg, Eindhoven)
We zetten in op fors meer nabijheid van inwoners, voorzieningen en werkgelegenheid op wandel- en fietsafstand van de stedelijke centra en intercitystations en laten dit samen gaan met ruimtelijke inrichtingsprincipes zoals Bicycle Oriented (Re)Development. Daarmee werken we aan de ruimtelijke
Spoorzone ‘s-Hertogenbosch
randvoorwaarden voor een mobiliteitstransitie. We zetten in op minder auto (autoluwe centra), meer OV, meer fiets, meer lopen en meer interactie en ontmoeting. Daarmee zorgen we voor een duurzame omslag in reizen zodat op termijn niet de gehele regio vastloopt. •
Met name ’s-Hertogenbosch – en in mindere mate ook Oss - liggen op kwetsbare plekken bezien vanuit wateroverlast en hittestress. Gezien het grote aantal inwoners dat al op deze plekken woont kunnen nieuwe toevoegingen massa creëren voor substantiële verbeteringen van het binnenstedelijke watersysteem. Ontwikkelingen gaan daarom integraal samen met fors meer ruimte voor groen en water.
Spoorzone Oss
Aanzet voor interventies •
We versnellen de woningbouw binnen de spoorzones van ’s-Hertogenbosch en Oss en bouwen voor een diverse, stedelijke mix aan doelgroepen: oud, jong, rijk, arm.
•
We investeren in de stedelijke economie rondom de Bossche Stadsdelta en Pivot Park
•
We laten ontwikkelingen samengaan met meer groen en blauw: zowel in het gebied als versterking stad-land relaties naar buiten het gebied.
28
ACHTERGROND. Meer asfalt alleen lost het
fileprobleem niet op Met de huidige verstedelijkingstrend en mobiliteitsbeleid loopt het mobiliteitssysteem volledig vast bij een hoge economische groei. De IMA (Integrale Mobiliteitsanalyse van I&W, 2021) laat zien dat ondanks de voorziene weguitbreidingen grote delen van het Brabantse hoofdwegennet overbelast zullen zijn in 2040. Een verdere uitbreiding van het netwerk op de schaal van de opgave die de IMA laat zien is ruimtelijk, financieel en vanuit duurzaamheidsperspectief moeilijk voor te stellen. Bovendien biedt zo’n aanpak maar tijdelijk een oplossing. Terugkijken bij de A2 Deil-Vught (zie figuur) laat zien dat het traject nog geen vijf jaar na het verbreden in 2010 alweer voorkomt in de file top 50. Een extra rijstrook geeft geen garantie voor een lange periode zonder files. En bij verbreding stijgt tevens de toename van de kosten ten opzichte van de vorige verbreding: inpassing en aanpassingen worden complexer omdat er zowel aan bestaande infrastructuur moet worden gesleuteld. Regionale opgave is om de groei van automobiliteit af te buigen zonder de bereikbaarheid en uitwisseling binnen de stedelijke regio’s op te geven. Verstedelijkingskeuzes moeten daarbij helpen.
29
ACHTERGROND. Waarom in dit ontwikkelprincipe forse inzet
op de spoorzones van ’s-Hertogenbosch en Oss en niet op die van andere plekken? In dit ontwikkelprincipe zetten we stevig in op de brede spoorzones van ’s-Hertogenbosch en Oss. Hiermee bouwen we voort op lessen uit het ontwerpend onderzoek en de doorrekening daarvan. Alleen binnen de brede spoorzones van ’s-Hertogenbosch en Oss zijn voldoende ingrediënten aanwezig om tot een schaalsprong in stedelijke nabijheid te komen (denk daarbij aan volop aanwezigheid van inwoners, voorzieningen en banen op wandel- en fietsafstand). Het verschil in verplaatsingsgedrag dat dit met zich meebrengt is nu al goed waar te nemen als we bijvoorbeeld kijken naar de verschillen tussen de gebieden binnen en buiten de ring van ’s-Hertogenbosch. Buiten de ring is de stedelijke nabijheid beperkt en daardoor de afhankelijkheid van de auto een stuk groter. Dit is bijvoorbeeld terug te zien in het verplaatsingsgedrag voor de wijk De Groote Wielen, die sterk leunt op de auto. Bovenstaande lessen zeggen overigens niet dat het onverstandig is om meer te bouwen rond de OV-knopen van de andere steden. Juist in deze gebieden zit namelijk in veel kernen ruimte voor inbreiding, verdichting en kwaliteitsverbetering en zijn er kansen voor het creëren van aantrekkelijke nieuwe woonmilieus die lokaal nog weinig beschikbaar zijn.
Bovendien zijn spoorzones de stedelijke visitekaartjes bij uitstek voor OV+fietsgeoriënteerde reizigers.
30
Stedelijke knoop in Vitale kernen
spoorzone Oss
Hoogstedelijk gemengd milieu ‘s-Hertogenbosch Waalwijk: HOV-knoop
Vitale kernen HOV-knoop
Vitale kernen
Uden
Spoorknoop Vught Vitale kernen
HOV-knoop Veghel Spoorknoop Boxtel
Ontwikkelprincipe 3 We zetten woningbouw in als meekoppelkans voor de brede binnenstedelijke en binnendorpse kwaliteitsopgave
31
Ontwikkelprincipe 3 We zetten woningbouw in als meekoppelkans voor de brede binnenstedelijke en binnendorpse kwaliteitsopgave
qua verplaatsingen steeds meer functioneert als één aaneengesloten stedelijk
Opgave – Tot 2040 wordt een groei van 47.000 woningen (+16%) in stedelijke regio
Polycentrische karakter van de regio
‘s-Hertogenbosch verwacht (prognose provincie Noord-Brabant en Rijk). Deze groei wordt bijna volledig verklaard door vergrijzing, huishoudensverdunning en buitenlandse migratie. Vergrijzing zorgt ervoor dat bijvoorbeeld in ’s-Hertogenbosch het aantal 65+’ers met 50% toeneemt. Afgezet tegen de gehele woningvoorraad is de nieuwbouwopgave relatief klein: bijna 90% van de woningvoorraad van 2040 staat er vandaag de dag al. De voorliggende opgaven gaan dus voor verreweg het grootste deel over aanpassingen die nodig zijn in de bestaande stedelijke en dorpse gebieden. Het overgrote deel van de woonwijken is naoorlogs. Deze naoorlogse wijken zijn als ‘eindbeeld’ ontworpen en hebben in de afgelopen decennia -in tegenstelling tot oudere wijken- nauwelijks ontwikkeldynamiek gekend. Ze bewegen niet mee met
netwerk.
•
inwoners •
Het stedelijke gebied van Oss (+Berghem) telt ongeveer 70.000 inwoners
•
De regio heeft 5 middelgrote kernen (>25.000 inwoners), namelijk: Waalwijk, Vught, Boxtel, Veghel en Uden
•
in 2000 een kwart van alle huishoudens uit 1 persoon bestond is de verwachting
•
•
inbreiding in de kernen kan bijdragen toevoeging van andere type woningen. •
komen veelal terecht op plekken waar niet veel voorzieningen nabij zijn. Hier moeten dus nieuwe voorzieningen worden gerealiseerd (in concurrentie met bestaande voorzieningen) of moet men meer reistijd accepteren (met het
voor voorzieningen, als het draagvlak voor infrastructuur daalt. Tegelijkertijd stijgt
risico dan men de lokale kern overslaat en direct naar de grotere stad reist). De
de optelsom aan opgaven waar deze wijken mee worden geconfronteerd (denk aan:
inbreidingsperspectieven dragen wel sterk bij aan versterken van het bestaande
energietransitie, klimaatadaptatie, mobiliteitsarmoede, etc.). Kortom: de vitaliteit van
(ten faveure van de grotere stad en het internet). Van oudsher hadden deze plekken een verzorgende functie voor een groter gebied, dat gaat steeds minder op nu Brabant
Veel voorliggende uitbreidingsplannen dragen niet per se bij aan voorzieningendraagvlak, blijkt uit de doorrekening van het Dashboard. Woningen
doordat er steeds minder mensen in dezelfde huizen wonen. Zowel het draagvlak
dorpen en middelgrote kernen in toenemende mate onder druk zijn komen te staan
De woonmilieus in de regio lijken sterk op elkaar. Er is sprake van veel grote eengezinswoningen in lage suburbane en dorpse dichtheden. Transformatie en
gebied feitelijk een inwonerskrimp kent. Het aantal inwoners per hectare daalt
In de regio wordt bovendien geconstateerd dat bovenwijkse voorzieningen in veel
Daarnaast telt de regio nog ongeveer 80 kleinere (dorps)kernen
Lessen ontwerpend onderzoek
dat dit in 2040 gegroeid is tot 40%. Resultaat hiervan is dat het bestaand stedelijk
onze woongebieden staat onder druk.
Er zijn 9 kleine kernen (9.000 – 25.000 inwoners): Zaltbommel, Drunen, Vlijmen, Heesch, Sint-Michielsgestel, Berlicum, Schijndel, Sint-Oedenrode en Boekel
het actuele tijdsbeeld en bieden als gevolg van huishoudensverdunning ruimte aan steeds minder inwoners in plaats van meer, zelfs in tijden van bevolkingsgroei. Waar
Het stedelijke gebied van ’s-Hertogenbosch (+Rosmalen) telt ongeveer 150.000
voorzieningenpakket. •
Woningbouw kan werken als hefboom voor de kwaliteitsslag in bestaande buurten (denk daarbij aan: meekoppelen kwetsbare wijken, energie, van veel verharding naar meer groen en blauw, meer ruimte maken voor lopen en fietsen, versterken van het voorzieningendraagvlak en groeien richting een diverser woningaanbod).
32
Principe
Aanzet voor interventies
•
•
We benutten bestaande voorzieningen, opgaven, kansen en behoeften in wijken en dorpen
Versnellingsagenda voor harde plannen en ‘zo goed als harde plannen’ die
om in het bestaande bebouwde gebied (snel) woningen te realiseren. Omgekeerd dragen
in lijn zijn met de strategie (zowel op thema’s welzijn en gezondheid, robuust
we met die woningbouwontwikkeling bij aan een evenwichtige en toekomstvaste
watersysteem, kwaliteitsopgave vitale buurten en kernen en bereikbaarheid)
woningvoorraad in de bestaande steden, dorpen, buurten en wijken. We
•
gebruiken de transformatie om te verrijken, te verduurzamen, te revitaliseren en
Ontwikkelen vitale stedelijke en dorpse centra. Ieder met eigen maat en schaal: •
te vergroenen en verblauwen (door meekoppelen brede opgave: o.a. kwaliteit,
en rond centrum/spoorzone. Koppelen aan nationale IC-knoop.
klimaatadaptatie, energietransitie, diversificeren van woningaanbod). •
•
Oss; stedelijke knoop in spoorzone. Kansen voor nieuwe economie, nieuwe
We bouwen naar behoefte en bieden verscheidenheid in woonmilieus. Zowel in
stedelijke woonmilieus, stedelijke voorzieningen. Kopppelen aan sprong in
de steden als dorpen. We zorgen dat de totale woonvoorraad past bij de groei in
IC-bediening.
eenpersoonshuishoudens, senioren en migranten. We voegen (hoog)stedelijkheid toe
•
Veghel, Uden, Waalwijk; nieuwe stedelijke knopen op snijpunt van
aan het kleurenpalet van de regio. We volgen in woningbouw de demografie, de
voorzieningen, wonen, en werken. Koppelen aan nieuwe HOV-knopen en
economie en maatschappelijke trends. Iedere kern, groot of klein, realiseert dus
bediening.
voor haar opgave. De bevolkingsprognoses zijn hierbij een middel, waarbij het
•
essentieel is te plannen op een bandbreedte omdat de toekomst er anders uit kan
Vught, Boxtel; knopen op het snijpunt van voorzieningen, wonen, en werken. Koppelen aan spoorbediening.
zien dan we nu voorzien. •
‘s-Hertogenbosch; hoogstedelijke gemengd milieu voor wonen en werken in
•
Kleinere kernen; kleinstedelijke en dorpse transformaties gericht op
Bij woningbouwontwikkeling zetten we de brede integrale regionale opgave voorop.
toevoegen appartementen, kwaliteit centra en toekomstvaste/flexibele
Uitleglocaties realiseren we alleen daar waar dat bijdraagt aan kwaliteit van
voorzieningen in de centra.
dorpen, landschap of groenblauwe opgaven. Dat gaat altijd over kleinschalige
•
Voor elke dorpskern en stad wordt een potentie-onderzoek gedaan naar de
ontwikkelingen tenzij de ontwikkeling door andere aspecten in zijn totaliteit
binnenstedelijke en binnendorpse kwaliteitsopgave. Gaat over: voor welke
een bijdrage levert aan duurzame verstedelijking. Uitleggen is geen middel tot
opgaven staat de kern (irt demografische ontwikkelingen, bereikbaarheid,
versnelling. Transformaties gaan minstens even snel. Vanwege de noodzaak tot
energietransitie, klimaatadaptatie, kwaliteit van de naoorlogse wijken), welke
snel bouwen maken we in ieder geval af wat in vergevorderd stadium is.
investeringen zijn er nodig om deze opgaven aan te pakken, welke blokkades zijn er in draagvlak, capaciteit, geld en risico’s (stikstof, energie) en hoe kan verstedelijking bijdragen aan de brede regionale opgave?
33
ACHTERGROND. De woningvraag gaat niet over natuurlijke
aanwas en ook niet over binnenlandse migratie
1980
2000
2020
2040
Van oudsher is natuurlijke aanwas (geboorte min sterfte) een belangrijke motor achter bevolkingsgroei. Deze motor is echter zo goed als stilgevallen. Ook de binnenlandse migratie is per saldo zeer beperkt tot nagenoeg 0. Waar komt de groei wel vandaan? De bevolkingsgroei wordt enerzijds bepaald door inkomende buitenlandse migratie, met daarbinnen de kennismigranten en arbeidsmigranten als dominante groepen. De andere grote motor achter de woningvraag is de huishoudensverdunning. Over dertig jaar is maar liefst 40 procent van de huishoudens in Brabant een eenpersoonshuishouden (dat was in 2000 nog een kwart). Zelfs als er geen inwoner meer bij komt, zijn er dus fors meer huizen nodig. De bevolkingspiramide van Brabant lijkt bovendien steeds minder op een piramide. Het aantal jongeren neemt af en de (oudere) top (van de bevolking) wordt breder. Verwacht wordt dat rond 2040 de vergrijzing haar hoogtepunt zal bereiken. Het aantal 75+ers zal (iets meer dan) verdubbelen tot 2050. We moeten het grotendeels doen met wat we al hebben. Circa 85% van de toekomstige woningen staat er al. De grootste uitdaging is daarom om de bestaande woningvoorraad geschikt te maken voor de toekomst.
Bron: Bevolkingsprognose Brabant
34
ACHTERGROND. Behoud en versterking vitale dorpskernen
liggen) en ontgroening (en in het verlengde daarvan verdunning van huishoudens).
vraagt slimme strategie Kansen zijn er ook voor de Brabantse dorpen. De binding met het omliggende Rond 2050 zal naar verwachting in maar liefst twee op de drie gemeenten het
landschap is sterk, veel dorpen kennen een sterke identiteit, een rijk verenigingsleven
aantal inwoners teruglopen (provinciale prognose). Dit vraagt nu al slimme keuzes
en veel vrijwilligers. Ook de online-economie, werken op afstand, de nabijheid
maken om problemen op termijn te voorkomen. In bijzonder speelt dit vraagstuk
van de stedelijke markt met een onderscheidende woonkwaliteit zijn mogeljike
in de dorpen van Brabant, al zijn natuurlijk niet alle kleine kernen op een hoop te
troefkaarten. Het biedt de dorpen de gelegenheid economisch dynamisch te blijven
gooien qua opgaven en toekomstperspectief. Het kleine kernenvraagstuk gaat altijd
of te worden. Groei in werkgelegenheid komt voort uit recreatie en bedrijvigheid
over maatwerk. Desondanks toch een poging een aantal hoofdlijnen van de opgave
die leunt op het landschap of simpelweg op de beschikbaarheid van ruimte; van
langs te lopen. De leefbaarheid van het dorp komt in toenemende mate onder druk
manege, tot pannenkoekenhuis en van tuincentrum tot webshop. En van golfbaan,
te staan als gevolg van bijvoorbeeld vergrijzing, afnemend voorzieningendraagvlak
tot kaasboerderij met theetuin of tot caravanstalling. Nieuwe voorzieningen zoals
en de beperkt duurzame woonkwaliteit van de naoorlogse woningvoorraad (veel
winkels, recreatie en horeca richten zich niet alleen op het dorp maar op een breder
dorpen hebben een grote groei gekend tussen de jaren ‘60 en ‘80), de kwaliteit van
(stedelijk) verzorgingsgebied. Deze sectoren stellen wel andere vestigingseisen dan
de buitenruimte (in relatie tot de rol van de auto), energietransitie, wateroverlast en
de traditionele agrarische sector. De kwaliteiten die dat van een dorp vraagt kunnen
hittestress.
conflicteren met de huidige trends richting grootschalige agrarische bedrijvigheid, autodominantie en de beperkte ruimtelijke kwaliteit van oude en nieuwe werk- en
De economische relatie tussen dorp en land heeft een forse verandering ondergaan.
woonfuncties.
In de afgelopen (ruim) vijftig jaar is de werkgelegenheid in de agrarische sector teruggelopen. Ook veel werk in de agrarische keten en diensten ‘centraliseert’.
Wat nodig is voor de leefkwaliteit van de dorpen is dus een bredere agenda die gaat
Voor arbeidsintensieve (seizoens)werkzaamheden worden vaak arbeidsmigranten
over nieuwe economische dynamiek, slim omgaan met functie(mix) en voorzieningen,
ingezet. Gevolg is dat de arbeidsrelatie tussen de dorpen en de agrarische sector
investeren in nabijheid en kleinschaligheid en focus op de kwaliteiten die gaan
nog maar beperkt is. Het Brabantse dorp is steeds minder een autonome eenheid
helpen voor de toekomst. Mooi onderzoek wat hierop inspeelt is ‘Dorps Verdichten
en steeds meer een woonenclave in een groter stedelijk en suburbaan systeem.
- Hoe verdichten we op een compacte en gezonde manier in dorpen?’ (Provincie
Ook qua woningmarkt, waarbij nieuw aanbod vaak links- of rechtsom terecht komt
Utrecht, 2021) waarin wordt aangetoond dat belangrijke kansen voor verdichting
bij een bredere en merendeels welvarende doelgroep, die aangetrokken wordt door
vaak blijven liggen terwijl juist daar vaak de crux ligt voor het versterken van hechte
landelijke en dorpse woonkwaliteit. In de dorpen daalt het voorzieningenaanbod en
gemeenschappen, het versterken van de dorpsidentiteit, het aansluiten op dorpse
komen andere functies. Oorzaken zijn centralisatie van voorzieningen, toename van
schaal, creëren van pionierscultuur, productieplekken, landschappelijke verbindingen
e-commerce ten koste van fysieke winkels, een sterke vergrijzing (in 2040 is ongeveer
en gezonde en kindvriendelijke omgevingen.
een derde van de Brabantse bevolking 65+, in de dorpen zal dit aandeel fors hoger
35
Sint-Oedenrode 2000
ACHTERGROND. Er is geen tekort aan ruimte en
Het verhaal van Sint-Oedenrode centrum
het realiseren van een uitbreidingswijk gaat gemiddeld niet sneller dan binnenstedelijke transformatie
In het dorpshart van Sint-Oedenrode zijn tussen 2005 en 2020 bijna 350 nieuwe woningen toegevoegd (+55%). De inbreidingslocaties verschillen sterk van elkaar maar zijn allen op een vanzelfsprekende
Recent zijn er vier onderzoeken gedaan naar
manier in de bestaande dorpse sfeer ingepast. Ze
oplossingen voor de woningvraag in bestaande
sluiten qua functie, maat, oriëntatie en architectuur
steden en dorpen: Ruimte Zat in de stad (KAW
aan bij het bestaande. Ze voegen naast woningen ook
Architecten), Verdichtingsverhalen (College van
voorzieningen toe en hebben het mogelijk gemaakt
Rijksadviseurs), Dorps verdichten (Studioninedots)
openbare ruimte te verbeteren, onder meer door
en Bouwen aan leefomgevingskwaliteit (Vereniging
het maken van nieuwe voetgangersverbindingen
Deltametropool). De onderzoeken laten zien dat het
en het behoud van doorzichten richting het
inzetten op kwaliteitsverbetering van bestaande
Dommellandschap. Alles bij elkaar opgeteld is met
buurten leidt tot meer woningaanbod. Daar
de inbreidingsprojecten een substantiële bijdrage
profiteren zowel nieuwe en bestaande inwoners
geleverd aan het versterken van de kwaliteit van het
van. Het permanent aanpassen en vernieuwen
dorp.
Sint-Oedenrode 2020
van gebouwde buurten, dorpen en steden is een succesvol middel om ze levendig en bij de tijd te
Het verhaal van Sint-Oedenrode staat niet op
houden. Binnenstedelijk en binnendorps bouwen blijkt
zichzelf. In de 15 jaar tussen 2005 en 2020 zijn in
daarnaast ook nog eens twee keer zo snel te kunnen
sommige buurten 15%-100% aan extra woningen
als uitbreiden.
toegevoegd. Deze binnenstedelijke en binnendorpse kwaliteitsopgave is nog lang niet af. Casussen laten zien dat er in de regio nog altijd volop ruimte beschikbaar is om meer kwaliteit te maken. De verstedelijkingsvraag lijkt niet te zijn ‘waar raken we ze kwijt’, maar veel meer ‘aan welke brede opgave dragen ze bij’. Foto’s: Inbo
36
Ontwikkelprincipe 4 Verstedelijkingsopgave begint bij het bodem- en watersysteem
37
Ontwikkelprincipe 4 Verstedelijkingsopgave begint bij het bodem- en watersysteem
Lessen ontwerpend onderzoek •
Een deel van de geprojecteerde uitleggebieden komt terecht op plekken waar dat
Opgave – Regenwater dat in de regio, in Frankrijk en in België valt stroomt richting
onwenselijk is gedacht vanuit het watersysteem (bijvoorbeeld in de laaggelegen
het laagste punt en verzamelt zich via slootjes uiteindelijk in grote watergangen.
polders)
Het water brengt de regio veel (landbouw, recreatie, natuur, leven), maar er zijn ook
•
Vanuit de Klimaatonderlegger gedacht is het belangrijk om bodemtype,
gevaren. Als de Dommel en de Aa te veel water afvoeren, en ook de Maas hoog staat,
hoogteverschillen en watersystemen maatgevend te laten zijn voor wat er lokaal
kan het water niet of slecht afgevoerd worden. Op het moment dat er niet genoeg
mogelijk is. De juiste functies op de juiste plek: ‘functie volgt peil’.
via het Drongelens kanaal kan worden afgevoerd (zoals in 1995) vult het gebied rond Heusden, Vught, ’s-Hertogenbosch en ’s-Michielsgestel zich met water. In het kader
Principe
van HoWaBo 1 is er 14 miljoen kuub waterberging gerealiseerd (Natte Natuurparel
•
Bodem- en Watersysteem is het ordenend principe voor de ruimtelijke
Moerputten en Vlijmens Ven, Bossche Broek, Vughtse Gement, Engelermeer,
ontwikkeling: bodemtype, hoogteverschillen en watersystemen zijn maatgevend voor wat
Helvoirts Broek, het Dynamisch Beekdal). Dit blijkt echter onvoldoende. In HoWaBo2
er lokaal mogelijk is. Niet alles kan overal, maar de juiste functies op de juiste plek:
is 36 miljoen kuub extra berging nodig. De urgentie ligt benedenstrooms bij
‘functie volgt peil’.
’s-Hertogenbosch maar oplossingen moeten ook worden gezocht in het vasthouden
•
Ons uitgangspunt is een watersysteem, waarin iedereen (bovenstrooms en
van water bovenstrooms. Met behulp van nieuwe waterreserveringsgebieden langs
benedenstrooms) zijn eigen broek ophoudt en problemen niet afwentelt (hier ligt een
de beken en tegelijkertijd door meer infiltratie in bovenstroomse dorpen en steden (in
relatie met de HoWaBo 2.0 opgave). Een watersysteem bovenstrooms (in
Eindhoven, Sint-Oedenrode, Boxtel en Sint-Michielsgestel voor het Dommelse deel –
het landelijk gebied) dat ruimte geeft aan beken en beekdalen waarin water
en in Helmond en Veghel voor het deel van de Aa).
vastgehouden kan worden en een watersysteem benedenstrooms (in de stad) waar we vanuit het principe van de spons zoveel mogelijk water bergen en
Naast het gevaar rondom het ‘teveel aan water’ speelt er ook nog het ‘tekort aan
langzaam afvoeren. Dat betekent: maximaal vasthouden, benutten, bergen en (als
water’ en samenhangend daarmee de waterkwaliteit. Door langere periodes van
echt niet anders kan) dan pas afvoeren van water.
droogte ontstaat verdorring, zetting en verschaling van de natuur. Ook het risico
•
Daarbij stellen we dat bij verdichting en transformatie ruimte gemaakt wordt voor
op bosbranden neemt toe. Daarnaast heeft droogte een nadelig effect op de
extra groen en blauw. Lokaal ontstenen en vergroenen, waarbij elke ontwikkeling
waterkwaliteit: er is minder water en vervuiling komt sneller in hogere concentraties
bijdraagt aan een klimaatbestendig en robuust watersysteem. Zo maken we de
voor. Ook groeien organismen sneller door hogere temperaturen. Zo is in de Dommel
regio stap voor stap meer waterrobuust, hittebestendig, aantrekkelijk en gezond.
bij lage afvoeren de waterkwaliteit lastig te borgen.
38
Aanzet voor interventies •
Procesaanpak: Klimaatonderlegger als basis (de lagenbenadering centraal): definieer de opgave met betrekking tot hitte, water en droogte (te nat, te heet, te droog, te
Het te doorlopen proces bij locatiekeuze en bepalen programma van eisen vanuit robuust watersysteem STAP 1. Op welke locatie bouwen?
vies) en stem optimale oplossingen af op de ondergrond en de situatie ter plekke. De Brabantse Klimaatonderlegger, inclusief de regionale versies van waaruit deze is opgebouwd, is gemaakt in het kader van de adaptatiedialogen voor klimaatadaptatie (Deltaplan ruimtelijke adaptatie). In deze klimaatonderlegger
STAP 2. Confrontatie met klimaatonderlegger. Aan welke klimaatopgave moet een bijdrage geleverd worden?
is geredeneerd vanuit eigenschappen van het landschap aangegeven welke klimaatrisico’s spelen en welke perspectieven er zijn om te ontwikkelen. Deze Klimaatonderlegger is de eerste stap bij verstedelijking. Het maakt namelijk inzichtelijk welke klimaatopgave er in een bepaald gebied speelt. •
Bouw daar waar het kan zonder de natuurlijke systemen te frustreren. Geen grootschalige uitbreiding in overstromingsgevoelige gebieden, in lage polders/ natte gebieden, langs de grote rivieren en in de beekdalen en ook niet in grondwaterbeschermingszones bij waterwingebieden. Ook op hoger gelegen zandgronden speelt een opgave met betrekking tot (grond)wateroverlast en grondwaterstand. Eventuele uitbreidingslocaties worden langs het ‘Stoplichtmodel voor nieuwe uitleglocaties’ gelegd waarbij geldt dat er niet in de ‘rode gebieden’ wordt gebouwd
STAP 3. Is er sprake van
en in de oranje gebieden alleen onder strikte voorwaarden. De noodzakelijke
inbreiding of uitbreiding?
maatregelen en financiële consequenties daarvan worden meegewogen bij de besluitvorming over mogelijke verstedelijking. •
Verdichten = vergroenen en verblauwen. Binnenstedelijk bouwen kan niet vrijblijvend: Inbreiding in binnenstedelijke en binnendorpse gebieden moet bijdragen
Uitbreiding STAP 4. Doorlopen Stoplichtmodel
STAP 4. Keuze in ambitieladder
voor nieuwe uitleglocaties.
binnenstedelijke en binnendorpse inbreiding op basis van buurtopgave
aan sponswerking en waterberging (tegengaan lokale wateroverlast en hittestress): De verstedelijkingsopgave wordt gecombineerd met de onthardingsopgave: bij voorkeur streven we ernaar dat een buurt maximaal 70% verharding en minimaal 20% groen/blauw heeft. Dat komt neer op minimaal 0-20% extra groen/blauw bij iedere (her)ontwikkeling/verdichting (ontharding, vergroening, herinrichting -
Inbreiding
Doorzetten: ja/nee? STAP 5. Groen-blauwe maatwerkopgave in PVE op basis van locatiespecifieke klimaatopgave
afhankelijk van de opgave van de plek). Het betekent over de hele linie ingrijpen
39
in de grote stedelijke massa, ook in de naoorlogse wijken en bedrijventerreinen.
•
•
Kwaliteit wordt bereikt wanneer de verschillende opgaven integraal worden
Transformatie daarvan is dus kernonderdeel van waterinclusief ontwikkelen (zie
opgepakt. Gemeente ‘s-Hertogenbosch, provincie en waterschap Aa en
voor dit punt de ambitieladder binnenstedelijke en binnendorpse inbreiding).
Maas zijn momenteel bezig met de voorbereiding van een gezamenlijk
Momenteel lopen er binnen HoWaBo 2.0 verkenningen hoe de wateropgave
gebiedsvoorstel rondom de Dieze, waarin niet alleen wordt gekeken naar de
kan worden ingevuld. De urgentie ligt benedenstrooms bij ’s-Hertogenbosch
opgave vanuit HoWaBo 2.0 maar ook naar nieuwe woningbouw, de aanpak
maar oplossingen moeten ook worden gezocht in het vasthouden van water
van de spoorzone en de stikstofaanpak/GGA.
bovenstrooms. Met behulp van nieuwe waterreserveringsgebieden langs de beken en tegelijkertijd door meer infiltratie in bovenstroomse dorpen en steden (in Eindhoven, Sint-Oedenrode, Boxtel en Sint Michielsgestel voor het Dommelse deel – en in Helmond en Veghel voor het deel van de Aa).
40
De regionale Klimaatonderlegger als basis boomsoorten zullen als gevolg van verdroging verdwijnen. Dorpskernen - In potentie zijn dorpskernen geschikte gebieden om water te infiltreren. Echter door sterk versteende oppervlakten is daar in het verleden weinig ruimte voor vrij gemaakt, met alle gevolgen van dien. Ophoping van water in de lagere delen kan bij piekbuien tot aanzienlijke wateroverlast leiden. Ventileren binnen de compacte kernen is lastig. De warmte blijft er langer hangen waardoor, ondanks de verkoelende werking van de omgeving, alsnog hittestress wordt ervaren.
Het klimaat verandert. Het wordt natter, het wordt droger, het wordt heter en het water is niet schoon genoeg. Als gevolg daarvan kan de Brabantse ‘ontwateringsmachine’ het vele water niet meer aan. Natuur en landbouw hebben last van verdroging. In de stad is steeds meer hittestress en is de (drink) waterkwaliteit onvoldoende. WAT ZIEN WE IN DE KLIMAATONDERLEGGER? Roodbruine gebieden zijn de hoogstgelegen, droogste en meest hittestress gevoelige en zandige gebieden die het meest gevoelig zijn voor klimaatveranderingen. Dit uit zich in verstuiving en oxidatie van organische stof met verlies van watervasthoudend vermogen. Dit veroorzaakt een kettingreactie, waarbij de conditie van groen achteruitgaat en oogsten steeds vaker mislukken. De kansen in dit gebied liggen vooral in het omschakelen naar warme teelten en natuur die goed tegen droogte kunnen. Uitdaging in dit gebied is het op peil houden van het grondwater en verdere omzetting en uitspoeling van humus tegen te gaan. Vooral ondiep wortelende
Bedrijventerreinen - De bedrijventerreinen liggen vaak in de wat lagergelegen randen. Door de grote bebouwde oppervlakten is het hitteproducerend areaal daken aanzienlijk en dienen er zeer grote hoeveelheden neerslag te worden afgevoerd. De grote dakoppervlakten en stenige delen (met name parkeerplaatsen) zorgen ook voor veel hittestress. Het areaal wonen van Veghel ligt benedenwinds van deze bedrijventerreinen en ontvangt zo warme lucht vanuit het bedrijventerrein. Door relatief kleine maatregelen kan het tij worden gekeerd. Te denken valt aan bijvoorbeeld het toepassen van waterdoorlatende verharding en ruimte voor het creëren van water absorberende groenzones, bomen, groene gevels en daken. Oranje pijlen zijn een weergave van de hittestressgevoelige gebieden vanuit de heersende windrichting (ten zuidwesten van ‘s-Hertogenbosch). Deze liggen vooral op de hoge zandgronden en worden versterkt door verhard verstedelijkt gebied zoals bedrijventerreinen en kernen met weinig groen en veel verharding. De hogere zandige en vaak meer doorlatende delen in het landschap (geel) bestaan uit een bodem waarin water goed infiltreert maar die bij een steeds droger wordend klimaat wel gevoelig is voor langdurige droogte.
41
De humeuze eerdgronden op de hellingen tussen dorpen, steden en beekdalen (bruingroen) hebben een uitstekende sponswerking en houden veel water vast. Ze dragen bij aan een gunstig klimaat en hebben tegelijkertijd een verkoelend, infiltrerend en grondwater-voedend effect. De vlakke, licht hellende gebieden op de overgang van hoog naar laag (groen) vormen het meest stabiele en gunstige klimaat binnen de regio. Wel zal in de toekomst een herverkaveling nodig zijn, waarbij men van een afvoerend naar een water circulerend systeem toewerkt om de waterneutraliteit van de gemeente te vergroten en het grondwater robuust te voeden. Zo kunnen de lagergelegen kwelbossen geleidelijk aan worden gevoed. De laagstgelegen delen in een beekdal (blauwgroen) worden gevormd door natte bossen en zijn, door wisselende en terugtrekkende grondwaterstand, geleidelijk aan het verdrogen. Dit gaat ten koste van de bijzondere kwelwater gerelateerde natuur. De wisselende grondwaterstanden zorgen voor een beperking in het grondgebruik. In de laagten op beperkt doorlatende fijnzandige bodem (paars) zal water, dat niet snel
genoeg weg kan, sneller tot wateroverlast leiden. Dit zijn overigens ook de plekken waar de lucht blijft hangen met een slechtere luchtkwaliteit tot gevolg. De rivier en beekdalen bestaan vaak uit natte graslanden met een hoge natuurwaarde. Hier zorgen hoge grondwaterstanden voor een beperking in het grondgebruik. Er liggen meer kansen voor natuur en recreatie. Bij de kanalen is inlaat van gebiedsvreemd water en stagnatie van afstromend water een probleem. De rivier- en zeeklei gebieden (grijsblauw) hebben een beperkte infiltratiecapaciteit en zullen in toenemende mate de gevolgen ervaren van weersextremen en van afwenteling vanuit de bebouwde omgeving. Dit uit zich in wateroverlast en bij langdurige droogte ook droogtestress. Behoud en ontwikkeling van een goede sponswerking (lees voldoende humus in de bodem) is van wezenlijk belang om water te absorberen, langer vast te houden en de bodemvruchtbaarheid te bevorderen. Bouwen in deze overstromings- en wateroverlastgevoelige zone is niet mogelijk zonder aanvullende maatregelen als waterberging, funderingstechnieken, waterrijk groen en acceptatie van wateroverlast aan te bevelen. Hoe lichter de kleur hoe hoger en dus droger zij in het landschap liggen.
42
(A) Stoplichtmodel voor nieuwe uitleglocaties De basis voor het ‘robuuste watersysteem’ is vastgelegd in de Klimaatonderlegger. Daarin staat een overzicht van de herkomst van de hoofdlandschappen, de hoge zandgronden met het bekenlandschap, het horst- en slenkgebied en de rivier- en zeekleipolders. Deze kaart vormt een goede basis voor het gesprek over locatiespecifieke (klimaat- en water)opgaven. We moeten anticiperen op toekomstige klimaatveranderingen. Keuzes die in de toekomst tot onomkeerbare schade en overlast gaan leiden moeten worden voorkomen (de inrichting valt immers nog aan te passen, een verkeerde locatiekeuze niet meer). Om de keuzes meer weloverwegen te maken presenteren we hier daarom aanvullend op de Klimaatonderlegger het Stoplichtenmodel voor locatiekeuze van nieuwe uitleglocaties. Er wordt gekeken naar 4 indicatoren waarin steeds wordt aangegeven of een gebied (gedacht vanuit de logica van het watersysteem) geschikt, onder voorwaarden geschikt of ongeschikt is voor nieuwe verstedelijking: •
Waterveiligheid (kwetsbaarheid bij overstromingen);
•
Wateroverlast (wateroverlast in relatie tot benodigde drooglegging/bouwpeil en kansen voor infiltratie);
•
Ruimte voor robuust watersysteem (ruimte voor water: reserveringsgebied waterberging en bergingsgebieden en bufferzones rondom waterlopen);
•
Hittestress (ventilatiemogelijkheden van verstedelijkt gebied).
•
Hoewel ook zeer relevant worden bodemgesteldheid (waaronder bodemdaling), verzilting, waterbeschikbaarheid (o.a. drinkwatervoorziening) en waterkwaliteit (vaak toegespitst op KRW) niet meegenomen in dit Stoplichtmodel. Deze indicatoren hebben voor verstedelijkingskeuzes onvoldoende onderscheidend vermogen op het schaalniveau van Brabant omdat ze bijvoorbeeld alleen op specifieke locaties spelen of veel overlap vertonen met wel opgenomen indicatoren. Neemt niet weg dat deze thema’s bij lokale afwegingen moeten worden meegewogen.
43
INDICATOR 1. Waterveiligheid Deze indicator kijkt naar de vraag “hoe kwetsbaar is een gebied voor overstromingen? Slecht scoren de gebieden die bij extreem hoogwater vanuit zee of de grote rivieren zoals de Maas of het Hollands Diep, kunnen overstromen bij het falen van een primaire waterkering. Hierbij is de schade in potentie in elk geval zeer groot en mogelijk zelfs levensbedreigend voor inwoners.
(1A: Extreem kleine kans)
Deze kaarten gaan over overstromingen uit rivier en zee. •
Extreem kleine kans: de kans dat een gebied ongeveer 1 keer in de 100.000 jaar overstroomt
•
Middelgrote kans: de kans dat een gebied ongeveer 1 keer in de 100 jaar overstroomt
(1B: Middelgrote kans)
Matig kwetsbaar (<0,5 meter - (forse) wateroverlast en schade maar
Matig kwetsbaar (<0,5 meter - (forse) wateroverlast en schade maar
niet direct levensbedreigend. Lokale maatregelen om overlast te
niet direct levensbedreigend. Lokale maatregelen om overlast te
voorkomen/beperken zijn vaak mogelijk)
voorkomen/beperken zijn vaak mogelijk)
Kwetsbaar (0,5-2,0 meter - Forse schade en in potentie
Kwetsbaar (0,5-2,0 meter - Forse schade en in potentie
levensbedreigend, evacuatie naar 1e verdieping)
levensbedreigend, evacuatie naar 1e verdieping)
Zeer kwetsbaar (>2,0 meter - Levensbedreigend, evacuatie naar 1e
Zeer kwetsbaar (>2,0 meter - Levensbedreigend, evacuatie naar 1e
verdieping niet toereikend)
verdieping niet toereikend)
Overstromingsdiepte | Extreem kleine kans (Bron: Klimaateffectatlas.nl, LIWO/ROR)
Overstromingsdiepte | Middelgrote kans (Bron: Klimaateffectatlas.nl, LIWO/ROR)
44
INDICATOR 2. Wateroverlast De mate waarin een gebied gevoelig is voor grondwateroverlast door hoge
Bovendien: hydrologisch neutraal bouwen door hemelwater niet aan te koppelen op
grondwaterstanden, is van belang om te bepalen of dit gebied zich leent voor
de riolering maar te infiltreren, is daar amper mogelijk (dus moet het dan afgevoerd
een voldoende drooglegging/bouwpeil voor toekomstige bebouwing. Gebieden
worden naar elders). In het kader van het grondwaterconvenant is afgesproken het
die gevoelig zijn voor grondwateroverlast zijn niet geschikt voor bebouwing en
grondwater omhoog te brengen. Gebieden die gevoelig zijn, zijn vooral gebieden
alleen met kostbare aanpassingen min of meer geschikt te maken, waarbij deze
waar kwel voorkomt of waar de gemiddelde hoogste grondwaterstand (in de
bebouwing in de toekomst gevoelig blijft met klimaatverandering.
toekomst) te dicht aan het maaiveld komt (en combinaties van beiden).
(3A: Grondwateroverlast)
(3B: Grondwaterstand)
Zeer geschikt (Infiltratie / wegzijgingsgebied)
Zeer geschikt (>140 cm onder maaiveld - geschikt)
Matig geschikt (Intermediair gebied)
Matig geschikt (100-140 cm onder maaiveld – in de toekomst mogelijk te
Minder geschikt (Kwelgebied)