7. VNG - Ledenbrief Programma Woningbouw en Nationale Woon- en Bouwagenda
Tekst van het document
3.2.1
Voorkomen vertraging, benutten van versnellingsmogelijkheden Samen met medeoverheden, corporaties en marktpartijen versnellen we de doorlooptijd van het proces van initiatief tot realisatie van de woning en we benutten de mogelijkheden voor het verkorten van het planproces. Hierbij nemen we ook mee dat niet eis op eis wordt gestapeld, waardoor het proces wordt vertraagd en de kosten hoger worden. Dit doen we door: • Een landelijke versnellingstafel op te richten waar zowel medeoverheden als ook corporaties en marktpartijen belemmeringen in projecten kunnen melden. Deze tafel helpt vervolgens met het doorbreken van knelpunten die de bouw van deze woningen in de weg staan. We vragen provincies en gemeenten dit ook op eigen (regionaal) niveau te organiseren dan wel te versterken. • De kennis van het Expertteam Woningbouw en de Taskforce Nieuwbouw Woningcorporaties te benutten om projecten vlot te trekken. • Onderzoek te doen om beter inzicht te krijgen in knelpunten en kansrijke oplossingen. Daarbij benutten we inzichten uit bestaande onderzoeken. Op basis hiervan bekijken we of het aanpassen van regelgeving nodig is om te versnellen. We kijken daarbij ook naar het benutten van de experimenteerbepaling in de Omgevingswet. Goede participatie en democratische legitimiteit blijft gewaarborgd. • Extra financiële middelen vrij te maken voor meer capaciteit bij de Raad van State.
Hierdoor kan vertraging in beroepsprocedures worden voorkomen en kan kennis en kunde bij de Raad van State worden benut voor adviezen over het versnellen van procedures. • Het bezien van mogelijkheden om de wettelijke procedures te verkorten en de effectiviteit van bestaande procedures te optimaliseren. Daarbij kijken we ook naar oplossingsrichtingen door aanpassing van regelgeving. We doen dat onderzoek met medeoverheden, corporaties en marktpartijen. Dat onderzoek doen we voor alle fases van de planvorming: • De voorbereidingsfase van initiatief tot start planprocedure. • Besluitvormingsprocedures. • De fase van en bezwaar- en beroep. • Samen met gemeentes te kijken hoe onnodige barrières voor splitsing van woningen en doorstroming kunnen worden weggenomen. • Samen met medeoverheden, corporaties en marktpartijen te werken aan afspraken over houding en gedrag van de markt en de overheid in het ontwikkelproces. • Het bevorderen via regionale woondeals dat gemeenten in anterieure overeenkomsten met marktpartijen afspraken opnemen over tijdigheid, verantwoording over de voortgang en gedeeld eigenaarschap ten aanzien van publieke doelen. • Bij financiële ondersteuning (actielijn 3 en 4) verplichtingen op te nemen over financiële randvoorwaarden en onder andere de tijdigheid en voortgang van de woningbouw.
• De kennis over het planproces en over versnellingsmogelijkheden te vergroten. We delen goede voorbeelden via de regionale woondeals, praktijksessies, congressen, pilots en handreikingen. Hiermee maken we informatie toegankelijk. We stimuleren goede praktijkvoorbeelden en goed leiderschap door deze in het zonnetje te zetten, bijvoorbeeld door een jaarlijkse ‘award’.
22 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Een goed praktijkvoorbeeld van een kortere doorlooptijd van initiatief tot realisatie is om te werken met versnellingstafels zoals gebeurt in Eindhoven waarbij strakke afspraken worden gemaakt over het proces en consequent wordt gestuurd op snelheid en voortgang. 3.2.2
Vergroten capaciteit en expertise om versnelling te realiseren We vergroten de capaciteit en expertise bij het Rijk en medeoverheden en stimuleren de bouwwereld om de beschikbare productiecapaciteit optimaal te benutten. Dit doen we door: • De inzet van flexpools te intensiveren en de expertise van het Rijksvastgoedbedrijf te benutten. Daarnaast ondersteunen we met de inzet van het Expertteam Woningbouw woningbouwprojecten, wanneer deze vastlopen door bijvoorbeeld bestuurlijke problemen, interpretatie van (nieuwe) wet- en regelgeving of het stikstofdossier. • De regionale samenwerking te versterken via de regionale woondeals. Het gaat daarbij om de inzet van capaciteit en expertise van bijvoorbeeld de regionale kennispools. • Samen met kennisinstellingen en medeoverheden de mogelijkheden voor het versterken van capaciteit en expertise te onderzoeken. Het gaat daarbij over het opleiden van, het samenwerken met en het aantrekken van professionals. • Het uitwisselen van ‘best practises’ over (innovatieve) bouwmethoden met andere landen. • Afspraken te maken met de bouwsector over de ontwikkeling en de inzet van de productiecapaciteit. • Zelfbouwinitiatieven (collectief particulier opdrachtgeverschap) te stimuleren.
Industrieel en circulair bouwen Met industrieel en circulair bouwen kunnen we sneller en kwalitatief beter bouwen, met minder CO2-uitstoot, een lagere milieubelasting en een hogere bouwproductiviteit. Digitale ontwerpprocessen en bestaande woningbouwconcepten (digitaliseren en automatiseren) bieden bovendien kansen om de tijd tussen planvorming en realisatie te verkorten (uniformeren en standaardiseren). We streven ernaar om in 2030 de helft van de jaarlijkse woningbouwproductie via circulair en industrieel bouwen te realiseren. Hierbij kijken we ook naar het aanbod van productiematerialen. Hierbij doen we het volgende: • Afspraken maken in het kader van regie dat een groter deel van de woningen circulair en industrieel wordt gebouwd. • Gemeenten ondersteunen middels het vergroten van kennis om de kansen voor industrieel bouwen te benutten. • Indien nodig regels in het Besluit bouwwerken leefomgeving aanpassen om circulair en industriële bouw te bevorderen. • Kennis uit wisselen en samenwerken met diverse partners via onder andere het Transitieteam Circulaire Bouweconomie, City Deal circulair en conceptueel bouwen en Lente Akkoord 2.0. • Kennis ontwikkelen en gebruik maken van pilots, bijvoorbeeld op het gebied van kleinschalig verdichten.
Grondbeleid De tijdige en strategische inzet van grondbeleid is essentieel bij het sneller realiseren van woningbouwplannen en de gewenste kwaliteit van de leefomgeving. Gemeenten hebben verschillende instrumenten in handen om ruimtelijke doelen te verwezenlijken, bijvoorbeeld anterieure overeenkomst, exploitatieplan, Wet voorkeursrecht gemeenten, onteigening. Het is belangrijk dat gemeenten deze instrumenten willen en kunnen inzetten waar nodig en tegelijkertijd een goede afweging maken tussen actief en faciliterend grondbeleid. In dit kader doen we het volgende: • We helpen gemeenten bij het inzetten van de instrumenten en onderzoeken zo nodig of aanpassingen van de instrumenten nodig is. Het uitgangspunt is dat gemeenten zowel actief als faciliterend grondbeleid moeten kunnen inzetten waar zij dat nodig vinden. • We helpen met handreikingen waarin de mogelijkheden uiteen worden gezet en voorbeelden worden gegeven.
Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening | Programma Woningbouw | 23
• We kijken in samenwerking met gemeenten en provincies naar het grondbeleid en hoe dit verder ingezet kan worden om de doelstelling tot twee derde betaalbare woningen in de nieuwbouw te realiseren. • We zetten experts in die gemeenten van adviezen kunnen voorzien in de verschillende fases van de gebiedsontwikkeling. • Waar dat mogelijk is en meerwaarde heeft voor de urgente opgaven (zowel de woonopgave alsook andere ruimtelijk opgaven) zetten we direct of indirect de rijksvastgoed- en grondposities in, al dan niet via een nog te ontwikkelen grondfaciliteit. Hier wordt nog onderzoek naar verricht. Voorwaarde om tot daadwerkelijke implementatie van de faciliteit over te gaan, is dat deze aantoonbaar en doelmatig bijdraagt aan het realiseren van woningbouw en ruimtelijke transities, waarbij de bijbehorende risico’s goed in kaart zijn gebracht en beheersbaar blijken. Op basis van deze analyse zal besluitvorming plaatsvinden over of en hoe overgegaan wordt op implementatie van de faciliteit. • We onderzoeken of participatie van het Rijk bij het verwerven van strategische grondposities een bijdrage kan leveren en hoe deze dan zou moeten worden vormgegeven. Dit kan helpen om drempels bij grondverwerving weg te nemen en daarmee over te gaan tot een actief grondbeleid.
Vanuit het Rijk worden lokale overheden bij de inzet van hun grondbeleid zoveel mogelijk gefaciliteerd in hun taak om de woningbouwopgave te verwezenlijken. • De Autoriteit Consument en Markt doet momenteel onderzoek naar de werking van de grondmarkt en de gevolgen voor woningbouw16. Mogelijke aanbevelingen die hieruit voortkomen zal het kabinet bestuderen en van een appreciatie voorzien.
Een voorbeeld is Purmerend. Deze gemeente zet het voorkeursrecht actief in om speculatie met grondposities te voorkomen. Dit heeft bijvoorbeeld speculatie voorkomen op een bedrijventerrein dat de gemeente wilde transformeren naar woningbouw. Dit is de snelheid van de ontwikkeling ten goede gekomen. 3.2.3
Belemmeringen worden gemitigeerd In samenspraak met medeoverheden zorgen we ervoor dat knelpunten om te kunnen voldoen aan randvoorwaarden voor woningbouw zoveel mogelijk worden weggenomen. Dit met oog voor een gezond, veilig en schoon leefmilieu voor nu en in de toekomst. Het gaat om knelpunten op het vlak van klimaatbestendig bouwen, natuur inclusief bouwen, verduurzaming, stikstof, een gezond en veilig leefmilieu, luchtkwaliteit, energievoorziening en erfgoed. We werken aan het scheppen van duidelijkheid, door op rijksniveau meer regie te nemen in het maken van afspraken en stellen van kaders. Het streven is om onduidelijkheden in beleid, die belemmerend kunnen werken op de uitvoering, weg te nemen. Hierbij werken we aan het volgende: • Klimaatbestendig bouwen. Het sturend laten zijn van het water- en bodemsysteem moet voorkomen dat toekomstige generaties met schade als gevolg van klimaatverandering worden geconfronteerd, die voorkomen kan worden door nu klimaatbestendig te bouwen. Om die reden is het van belang dat waterschappen in een vroeg proces worden betrokken bij de planvorming. Daarnaast wordt bekeken op welke wijze de watertoets een meer dwingender karakter kan krijgen. • Ontwikkeling van een maatlat voor klimaatbestendig bouwen. Soms kan je niet in de polder bouwen, soms wel en soms onder voorwaarden.
We werken daarom aan een maatlat waarin we aangeven wat we onder klimaatadaptief bouwen verstaan. Hiermee kunnen deze prestatie-eisen vroeg in het planproces worden meegenomen en hoeven plannen niet achteraf nogmaals naar de tekentafel. Voor de uitwerking van de maatlat zal vooraf in een aantal projecten worden onderzocht of de maatlat werkbaar is. • Onderzoek naar de wenselijkheid en mogelijkheid van aanvullende regelgeving om natuur inclusief bouwen te bevorderen.
16
https://www.acm.nl/nl/publicaties/acm-gaat-werking-grondmarkt-voor-woningbouw-nader-onderzoeken
24 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
• Afspraken met andere departementen, zodat nieuwe duurzaamheidseisen niet knellend worden voor de nieuwbouwopgave, dan wel dat plannen terug zouden moeten naar de tekentafel. Nieuwbouwwoningen zijn zeer energiezuinig en leveren daarmee een grote bijdrage aan duurzaamheid. Nieuwe duurzaamheidseisen moeten goed worden gewogen op hun effect op de woningbouw. • Voor stikstof en (nest)geluid bekijken we met andere departementen en medeoverheden welke mogelijkheden er zijn om woningbouw mogelijk te maken. Bij de gebiedsaanpak streven we naar oplossingen voor conflicterende ruimtelijke opgaves. Bijvoorbeeld woningbouw rondom Schiphol en woningbouw in gebieden waar natuurwaarden sterk onder druk staan, als gevolg van bijvoorbeeld een hoge depositie van stikstof. • We stemmen de woningbouwplannen en -locaties af met netbeheerders om belemmeringen te voorkomen op het gebied van de aansluiting en eventueel tijdige versterking van het elektriciteitsnet. • We maken afspraken over de aansluiting op het drinkwaternetwerk en het gebruik van de ondergrond voor kabels, leidingen en andere ondergrondse infra. • We maken afspraken over de weging van het belang van erfgoed bij de inrichting en ontwikkeling van woningbouwgebieden.
3.3
Actielijn 3: Stimuleren snelle woningbouw Gemeenten kunnen voor veel woningbouwplannen de forse investeringen in bijvoorbeeld grond, infrastructuur en leefomgevingskwaliteit niet volledig zelf opbrengen dan wel verhalen op de projectontwikkelaar. In die gevallen dreigen woningbouwprojecten te vervallen, te vertragen en/of in te leveren aan maatschappelijke doelstellingen omtrent betaalbaarheid en kwaliteit. De doelstelling van deze actielijn is dat goede woningbouwprojecten met voldoende betaalbare woningen, die vanwege financiële tekorten niet realiseerbaar zijn, toch van start gaan. Deze projecten, waarvoor de ruimtelijke afweging al heeft plaatsgevonden, worden financieel ondersteund. De verschillende instrumenten voor financiële ondersteuning in deze actielijn zijn voor heel Nederland toegankelijk. Hierdoor komt er meer keuze voor woningzoekenden om een passende woning te vinden. Dit geldt ook voor flexwoningen die mogelijk een hogere onrendabele top kunnen hebben. Naast de financiële middelen die vanuit het coalitieakkoord beschikbaar zijn gesteld om de onrendabele toppen te kunnen dekken en de bereikbaarheid te borgen, is er bereidheid vanuit medeoverheden (gemeenten) nodig, om ook (flex) woningen te realiseren voor de voor hen minder aantrekkelijke doelgroepen. Om dit te realiseren zetten we verschillende instrumenten in om te sturen op snelle woningbouw.
3.3.1
Middelen voor woningbouw Woningbouwimpuls Het doel van de Woningbouwimpuls (Wbi) is het sneller bouwen van meer betaalbare woningen. We zorgen ervoor dat er meer woningenbouwprojecten financieel haalbaar zijn in heel Nederland. Met de beschikbare middelen van € 1,25 miljard leveren we een bijdrage aan de bouw van circa 200.000 woningen. Dit is bovenop de woningen die de komende jaren gerealiseerd worden dankzij de eerdere drie tranches van de Wbi. Hiermee ondersteunen we reeds de realisatie van in totaal bijna 140.000 woningen. We richten ons daarbij op plannen van gemeenten die een verschil kunnen maken. De bijdrage aan een project dient om publieke investeringen te doen die noodzakelijk zijn om te bouwen, zoals ondersteuning bij het verplaatsen van moeilijk inpasbare bedrijven, het saneren van vervuilde gronden voor de bestemming of investeringen die zorgen voor bereikbare, leefbare en veilige wijken. We streven ernaar dat twee derde van de woningen uit betaalbare huur en koopwoningen bestaat. De Woningbouwimpuls is het sluitstuk van de financiering. Gemeenten halen opbrengsten uit verkoop van gronden of, als gronden in bezit zijn van ontwikkelaars, uit het wettelijke kostenverhaal. Met het kostenverhaal kunnen de kosten van de benodigde publieke investeringen in een gebied worden verhaald op de grondeigenaren.
Dit is niet altijd voldoende om de publieke investering te dekken. Soms zijn de opbrengsten ontoereikend, zeker als er substantieel meer betaalbare woningen gebouwd moeten
Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening | Programma Woningbouw | 25
worden. Deze betaalbare woningen kennen namelijk een grotere onrendabele top. In die gevallen kan de Wbi een gemeente helpen een plan haalbaar te maken. De plannen moeten gaan passen in de prestatieafspraken die met regio’s worden gemaakt over hun woningbouwprogramma (zie actielijn 1). De ambitie is om nog deze zomer een nieuwe tranche van de Wbi open te zetten voor gemeenten om hun plannen in te dienen. Hiermee kunnen nog dit jaar naar verwachting 40.000 woningen financieel worden ondersteund. Het streven is om eind dit jaar de volgende tranche in te zetten, aansluitend op de afspraken uit actielijn 1. Verder krijgen ook kleine (gemeente)kernen de mogelijkheid om gebruik te maken van de Wbi als zij bij een project aanlopen tegen een tekort. We bekijken of maatwerk hierbij nodig is, ook gezien de complexiteit en administratieve lasten van de aanvragen. Hierbij hanteren we de volgende criteria bij de beoordeling van de plannen: • Betaalbaarheid staat voorop samen met een evenwichtig woningbouwprogramma met voldoende ruimte voor zowel sociale huur, middenhuur als koopwoningen onder de NHG-grens. Van belang is ook de lange termijn betaalbaarheid van deze woningen. In de aanvragen moet daarom worden vermeld hoe de gemeente de lange termijn betaalbaarheid waarborgt. • Zo groot mogelijk aandeel betaalbare huur en koop.
We bekijken of voor het behalen van de doelstelling dat regionaal twee derde van de te bouwen woningen valt in het betaalbare segment het percentage van minimaal 50% moet worden opgehoogd17. • Urgentie van de woningbouwopgave in de betreffende regio en passend binnen de prestatieafspraken (zie actielijn 1). • Snelheid van realisatie. Het gaat zowel om het vaststellen van bestemmingsplannen, het verlenen van vergunningen als het daadwerkelijk starten van de bouw binnen drie jaar (eerste schop in de grond). • Kosteneffectiviteit en een goed onderbouwde business case. Het moet voldoende helder zijn hoe de onrendabele top van het project is opgebouwd en de publieke investeringen moeten toerekenbaar zijn aan het project. • Bereikbaarheidsaspecten. De locaties moeten nu en in de toekomst goed bereikbaar zijn. • Klimaatbestendigheid en waterrobuustheid van de woningbouwplannen. Plannen moeten klimaatadaptief, natuur inclusief en waterrobuust zijn ingericht, waarbij voorziene schade voor toekomstige generaties en slachtoffers wordt voorkomen. We vragen gemeenten om minimaal 50% van het tekort bij te dragen. Zo verdubbelen we de middelen die beschikbaar zijn voor onrendabele woningbouwprojecten en bouwen we meer huizen. Sneller bouwen betekent de komende jaren ook meer bouwen waardoor we een belangrijke bijdrage leveren aan de doelstelling om jaarlijks 100.000 woningen te bouwen.
Met het verstrekken van een subsidie zijn we er nog niet. We monitoren de voortgang en helpen gemeenten daar waar vertraging dreigt. Is een vertraging verwijtbaar en niet oplosbaar, dan kunnen we de subsidie (gedeeltelijk) terughalen. In 2020 en 2021 zijn bijdragen verleend aan drie tranches van de Woningbouwimpuls. Met de € 850 miljoen aan subsidies worden de komende tien jaar bijna 140.000 woningen gebouwd waarvan twee derde betaalbaar. In totaal hebben 93 projecten middelen uit de Wbi ontvangen. De afspraak is dat binnen drie jaar na afgifte van de beschikking de bouw van de eerste woningen start. Dat betekent dat in 2024 met de bouw van woningen in deze 93 projecten is gestart.
17
Het streven naar ten minste twee derde betaalbare huur- en koopwoningen van alle nieuwbouwwoningen, geldt op regionale schaal. Dit betekent dat niet ieder bouwproject op deze wijze hoeft te worden ingevuld.
26 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Figuur 5: Resultaten eerste drie tranches Woningbouwimpuls 2020-2021
1e Tranche
2e Tranche
3e Tranche
€ 335 miljoen
€ 266 miljoen
€ 253 miljoen
51.021
44.666
44.277
65%
67%
64%
Aantal projecten
27 projecten
30 projecten
36 projecten
Aantal gemeenten
21 gemeenten
28 gemeenten
33 gemeenten
Moment van uitkering
september 2020
februari 2021
december 2021
Uiterste start bouw eerste woningen
september 2023
februari 2024
december 2024
Totaal bedrag toegekend Aantal woningen % woningen binnen het betaalbare segment
(Bron: BZK)
1e Tranche
Woningbouwimpuls
Levert 51.021 woningen op
Hoorn + 1.045 Alkmaar + 1.029 Zaanstad + 6.007 Amsterdam + 3.713
Haarlem + 3.802
Rijswijk + 1.400 Westland + 683 + 2.688
Leiden + 2.286 Den Haag + 8.034
Harderwijk + 762
Deventer + 639
Enschede + 619
Utrecht + 4.250 Nieuwegein + 1.000 Nijmegen + 670
+ 6.240
Schiedam + 3.000 Breda + 634
Helmond + 920 Eindhoven + 1.600
Gemeenten Woningen Groningen Alkmaar – Overstad 1.029 + 2.200 Amsterdam – Sloterdijk I Zuid 3.713 Breda – Havenkwartier: De Strip 634 – Schieoevers: Het Kabeldistrict 2.688 8.034 Den Haag A. Dreven/Gaarden/Zichten B. De Haagse Asfaltcentrale C. HS kwartier Deventer – Centrumschil 639 Eindhoven 1.600 A. Buurtschap Te Veld – Castiliëlaan B.Dronten Westveld Emmasingelkwadrant Zwolle + 816 Enschede – Centrumkwadraat+ 1.300 619 Zaanstad 3.802 + 1.865 Haarlem – Europaweg Hengelo Harderwijk– Harderweid 762 Amsterdam + 722 Harderwijk + 4.147 Helmond – Centrum + 876Noord 920 Enschede Amstelveen + 703 +2.157
Levert 44.666 woningen op Haarlem + 1.472 Haarlemmermeer + 2.012 Leiden + 700 Den Haag + 2.357
Alphen a/d Rijn + 668 Hilversum +626
Zoetermeer +4.500
Zwijndrecht +912
Zuidplas +4.260
Gemeenten Hoorn – Poort van Hoorn Leiden A. Lammenschansstrip B. Werninkterrein Nieuwegein e – Mooi Rijnhuizen Nijmegen – Stationsgebied Rijswijk – In de Bogaard
Woningen 1.045 2.286
3 Tranche
Assen
1.000 670 1.400 6.240
Heerhugowaard
A. Feyenoord City B. Noordrand Zuiderpark Schiedam – Schieveste 3.000 Utrecht – Merwedekanaalzone deelgebied 5 4.250 Beverwijk Westland– ONW Waelpolder 683 Zaanstad 6.007 Haarlem A. Kogerveldwijk B. Zaandam Centrum Katwijk
Levert 44.277 woningen op
Alkmaar Purmerend
Amsterdam
PijnackerNootdorp
Ede + 568
Nijkerk
Brielle
Apeldoorn
Amersfoort Utrecht
Veenendaal Culemborg
Maassluis
Nijmegen + 1.497
Zwolle
Lelystad
Waterland
Ouder Amstel
Leiden
Amersfoort + 4.220
Woerden + 2.126
Groningen
Rheden Arnhem
Tiel Barendrecht
Dordrecht
Heumen
Dordrecht +510 Tilburg + 960
Helmond + 500
Deurne
Eindhoven
Eindhoven + 510 Geldrop-Mierlo +789
Heerlen + 693
Gemeenten Alphen aan den Rijn
Woningen 668
Gemeenten Haarlemmermeer
Woningen 2.012
Gemeenten
Amersfoort
4.220
Harderwijk
876
Alkmaar
Amstelveen
2.157
Heerlen
693
Amersfoort
Amsterdam
4.147
Helmond
500
Amsterdam
2.357
Woningen
Gemeenten
Woningen
556
Culemborg
1.895
Lelystad
3.914
Dordrecht
626
Nijkerk
637
3.915
Ouder Amstel
540
Pijnacker-Nootdorp
500
Purmerend
632
Hengelo
722
- Gaasperdam fase 1
2.261
Eindhoven
- Assumburgweg/LEVELS
500
Hilversum
626
- Röellbuurten
1.653
- Fase 4 Strijp-S
- De Venen
657
Leiden
700
Apeldoorn
Den Haag
Gemeenten
Woningen 525
Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening | Programma Woningbouw | 27 2.490 Deurne 309 Maassluis 1.000 1.387
1.382
- Internationale KnoopXL 2.533
We staan nu aan de lat voor tranche 4 (en vervolgtranches) van de Wbi die in de periode 2022-2024 aan circa 135 projecten een bijdrage moet leveren en waarmee circa 200.000 nieuwe woningen worden opgeleverd. Hiervoor gaan we de komende tijd het volgende doen: • Onderzoek verrichten naar de gevolgen van de verwerking van het coalitieakkoord, Kamermoties en beleidswensen op de projecten die we nog kunnen verwachten, de zogenoemde ‘pijplijn’. Ook onderzoeken we of mogelijke wijzigingen al in de komende, vierde tranche, kunnen worden doorgevoerd, of dat hier meer tijd voor nodig is. Indien er meer tijd nodig is, zullen ze vermoedelijk in de vijfde tranche worden doorgevoerd. • Uitwerking van de vernieuwde Wbi op basis van deze onderzoeken, zodat we de vierde tranche in de zomer kunnen openstellen. We bezien op basis van het onderzoek of voor kleine kernen een separate, lichtere regeling wenselijk is, die op kortere termijn kan worden opengesteld. • Voor elke tranche voert een onafhankelijke Toetsingscommissie een objectieve beoordeling uit op de ingediende aanvragen, op basis van bovengenoemde criteria. Bij de uitvoering van de regeling wordt gebruik gemaakt van de diensten van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). We trekken samen op bij zowel de uitvoering als het beheer van de lopende Wbi projecten.
Het bouwen voor specifieke doelgroepen stimuleren Het woningtekort raakt velen, maar kwetsbare mensen hebben het vaak nog veel lastiger op de woningmarkt. Het realiseren van woonruimtes voor aandachtsgroepen gaat niet vanzelf en roept soms weerstand op in een gemeente of kan voor diverse partijen financieel minder aantrekkelijk zijn dan reguliere woningen. Daarom is er € 100 miljoen beschikbaar voor gemeenten om voor deze groepen mensen woningen te bouwen. Het gaat onder meer om arbeidsmigranten, statushouders en studenten. De huidige eisen zijn dat binnen vijf jaar na toekenning de woningruimtes beschikbaar zijn voor aandachtsgroepen en dat deze woonruimtes voor minimaal tien jaar bestemd zijn voor een aandachtsgroep. De woonruimtes zijn huurwoningen met een huurprijs onder de tweede aftoppingsgrens en voor verblijfruimtes voor arbeidsmigranten maximaal € 100 per week. De financiering van de ontmoetingsruimten is bij veel nieuwbouwprojecten voor ouderenhuisvesting een knelpunt. Hierdoor wordt minder ouderenhuisvesting gebouwd dan wenselijk. Om dit te bereiken: • Openen we in 2022 een nieuwe tranche huisvesting aandachtsgroepen. Op basis van de gemiddelde bijdrage van de vorige regeling van 5.000 euro per woonruimte kunnen er in totaal 20.000 woonruimtes gerealiseerd worden voor aandachtsgroepen. De huidige regeling wordt op dit moment geëvalueerd.
Dit kan tot bijstelling van het aantal te realiseren woningen leiden, gegeven het budget. Het gaat hier om arbeidsmigranten, statushouders, woonwagenbewoners, dak- en thuisloze mensen, studenten en andere spoedzoekers. • Is op 10 januari 2022 de regeling ontmoetingsruimten in ouderenhuisvesting opengesteld. Voor ouderenhuisvesting is in totaal 38 miljoen euro beschikbaar. Met dit bedrag kunnen ongeveer 250 ontmoetingsruimten worden gebouwd. Een geclusterde woonvorm met één ontmoetingsruimte omvat gemiddeld 47 woningen. In totaal kunnen hierdoor ongeveer 12.000 ouderenwoningen mogelijk worden gemaakt.
Een voorbeeld is een aanvraag uit 2021 voor een gemengd project voor statushouders, studenten en jongeren. Via tijdelijke woningen op leegstaande kavels worden deze doelgroepen gehuisvest.
28 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
3.3.2
Versnellen woningbouwlocaties met extra ondersteuning voor bereikbaarheid We introduceren versnellingsafspraken voor woningbouwplannen die bijna hard zijn en waar we versnelling kunnen bereiken met financiële ondersteuning op het gebied van bovenplanse of bovenlokale bereikbaarheidsproblematiek. We ondersteunen woningbouwplannen, waarbij met een passende investering in de ontsluiting een flink aantal woningen bereikbaar kunnen worden gemaakt, door bijvoorbeeld een infrastructurele barrière op te lossen. Deze maatregelen worden bekostigd uit de € 7,5 miljard die beschikbaar is voor de ontsluiting van nieuwe woningen en die wordt toegevoegd aan het Mobiliteitsfonds. We hanteren als principe dat alle modaliteiten (auto, openbaar vervoer en fiets) bij zullen dragen aan de bereikbaarheid van het gebied. De belangrijke criteria voor het beoordelen van de plannen die mogelijk in aanmerking komen voor versnellingsafspraken zijn: • Binnen 3 tot 5 jaar moet er daadwerkelijk worden gestart met de bouw (schop de grond in). • Gemeenten of regio’s nemen hun verantwoordelijkheid door, naast het realiseren van de geplande woningen, bijvoorbeeld aansluitende plannen te maken rondom de ‘last mile’. Hierover maken we wederkerige afspraken.
We nemen geen financiële verantwoordelijkheden van provincies en gemeenten over en zetten alleen in op het stimuleren en versnellen van woningbouw waar deze anders geen doorgang had gevonden. • De verhouding tussen investering en het aantal woningen. Het inzetten op bestaande plannen waar reeds voorzieningen zijn zoals onderwijs en zorg, dan wel, waar ruimte op het mobiliteitsnetwerk is, vergen minder investeringen dan bij nieuwe locaties waar deze (mobiliteits)voorzieningen nog ontbreken. Deze plannen kunnen ook eerder worden gerealiseerd. Ondersteunen van dergelijke plannen heeft bij versnellingsafspraken de voorkeur. • De effecten op de robuustheid van het totale hoofdwegen- en spoornet zijn minimaal. • We streven naar twee derde betaalbaarheid en woningen die aansluiten bij de woningbehoefte in de regio. • Urgentie van de woningbouwopgave in de betreffende regio en de mate van passendheid binnen de prestatieafspraken (zie actielijn 1). • Klimaatadaptatie, energie, groen, natuur inclusief, waterrobuustheid, een evenwichtige balans tussen wonen en werken en wettelijke eisen ten aanzien van luchtkwaliteit, stikstof, natuur, externe veiligheid, gezondheid en geluid zijn toetsingscriteria bij de keuze en de inrichting van de locaties.
We doen hiervoor het volgende: • IenW en BZK doen in april een uitvraag naar regio’s of gemeenten om een propositie in te dienen voor kansrijke versnellingslocaties, waarbij we uitgaan van cofinanciering. • IenW, EZK en BZK inventariseren op basis van bestaande woningbouwplannen (harde plancapaciteit) waar kansen liggen vanuit de ruimte op de nationale infrastructuurnetwerken (zowel op de weg als in het OV). Het realiseren van woningbouw op die plekken of de transitie van gebieden naar woningbouw op dergelijke plekken is bezien vanuit benutting van bestaande investeringen, kosteneffectief. Naar dergelijke mogelijkheden gaan wij actief op zoek. Met de medeoverheden gaan we in overleg om de kansen voor versnelling te bezien. • In het Bestuurlijk Overleg Leefomgeving (BOL) in het voorjaar van 2022 nemen we besluiten over een eerste tranche van locaties of gebieden en de daarbij behorende investeringen. • In het BO MIRT in het najaar van 2022 maken we de eerste investeringsafspraken, mede in vervolg op de afspraken uit het BOL van het voorjaar van 2022. De volgende BOL en MIRT overleggen kunnen benut worden om besluiten verder te concretiseren en eventuele nieuwe besluiten te nemen. Het streven is deze kabinetsperiode sluitende afspraken te hebben gemaakt over de volledige € 7,5 miljard voor het ontsluiten van nieuwe woningen en de bereikbaarheidsoplossingen in actielijn 3 en 4.
Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening | Programma Woningbouw | 29
3.3.3
Specifieke oplossingen Flexwonen: inzet op snelle tijdelijke woningen, inclusief ‘prefab’ Flexibele of tijdelijke woningen kunnen snel worden gerealiseerd en ook worden geplaatst op locaties die slechts tijdelijk beschikbaar zijn om te wonen. Daarmee helpt dit type woningen om de acute woningnood te verkleinen. Flexwoningen bieden een unieke kans om optimaal in te spelen op gebiedstransformaties (geleidelijke gebiedsontwikkeling of ‘placemaking’). Daarmee maken we gebieden aantrekkelijk om te wonen en versnellen we een gebiedstransformatie. Bovendien zijn er steeds meer innovaties op het gebied van flexibel en kleinschalig verdichten.
Een voorbeeld van flexibele/industriële woningbouw is geleidelijke gebiedsontwikkeling of ‘placemaking’ zoals in de Noordoosthoek in Den Bosch, waar op termijn een woonwijk wordt ontwikkeld. De flexwoningen die hier al worden geplaatst, krijgen later een definitieve bestemming. We streven naar de realisatie van 15.000 flexwoningen per jaar. De flexwoningen kunnen onder andere voor de huisvesting van doelgroepen als studenten, jongeren en statushouders worden gebruikt. Om deze doelstelling te bereiken, wordt in aanvulling op de Stimuleringsaanpak Flexwonen uit 201918 ingezet op het volgende: • Het bouwen van (flex) woningen is een belangrijk onderdeel van de prestatieafspraken die gemaakt gaan worden in actielijn 1. • We onderzoeken de mogelijkheden om de risico’s te beperken die ontstaan doordat er op voorhand vaak geen zekerheid is of flexwoningen een vervolglocatie kunnen vinden voordat de woningen zijn afgeschreven. • Met de Woningbouwimpuls en de regeling voor aandachtsgroepen zetten we in op de realisatie van 15.000 flexwoningen per jaar. • Vanuit het Expertteam Woningbouw ondersteunen we gemeenten met de planvorming. • We zetten in op het vergroten van de toepassingsmogelijkheden van flexibele en industriële woningbouw, zoals ‘prefab’.
• We onderzoeken of belemmeringen in de (Bouw)regelgeving kunnen worden weggenomen om verplaatsing te vergemakkelijken en hoe nieuwe toepassingsmogelijkheden van flexibele, circulaire en modulaire bouw kunnen worden opgeschaald. • Samen met het CBS zetten we een adequaat monitoringsysteem op om tijdig inzicht te krijgen in de realisatie van het aantal flexwoningen.
Voorbeelden van projecten waar flexwoningen zijn gerealiseerd, zijn in Nijmegen en Eindhoven. In Nijmegen worden 500 flexwoningen geplaatst op weg naar de ontwikkeling van de Winkelsteeg. In Eindhoven wordt, met behulp van de Woningbouwimpuls-middelen, een tijdelijke wijk voor dertig jaar ontwikkeld. Transformatie Het stimuleren en aanjagen van transformaties is onderdeel van de aanpak van het woningtekort. Het streven is groei naar het opleveren van 15.000 (transformatie)woningen per jaar. Niet alleen realiseren we met het transformeren van vastgoed extra woningen, ook draagt het bij aan de vitaliteit van gebieden, steden en dorpen. Dit zien we bijvoorbeeld in winkelgebieden met veel leegstand. Door het toevoegen van de woonfunctie, waarbij een goede balans in functiemenging een belangrijk uitgangspunt is, kan de levendigheid vergroot worden en doorbreken we een negatieve maatschappelijke en economische spiraal die leegstand met zich meebrengt. Transformatie zetten we vooral bij leegstaande kantoren, maatschappelijk vastgoed, bedrijfspanden en winkelgebieden met leegstand.
18
https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2019/05/29/kamerbrief-over-stimuleringsaanpak-flexwonen
30 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Transformaties naar woningen worden ondersteund via de transformatiefaciliteit. Met deze revolverende leningfaciliteit worden leningen verstrekt in de beginfase (en daarmee de meest risicovolle fase van een project). De leningfaciliteit loopt vanwege het succes nu aan tegen het plafond. Met de transformatiefaciliteit is tot op heden de ontwikkeling van circa 3.726 extra woningen, waarvan 53% betaalbaar, mogelijk gemaakt. Hiervoor is ongeveer € 43 miljoen aan leningen verstrekt aan ontwikkelaars om de voorfase te financieren. Om het streven naar de oplevering van 15.000 (transformatie)woningen per jaar in te vullen, zetten we in op: • Het onderzoeken van de wijze waarop de huidige transformatiefaciliteit kan worden ingezet bij de verwachte groei van de leningaanvragen. • Het onderzoeken, in samenwerking met het ministerie van EZK, van de integrale aanpak van de transformatie van winkelgebieden en kantoorlocaties. • Het bouwen van (transformatie)woningen is onderdeel van de prestatieafspraken die met medeoverheden en regio’s worden gemaakt. • Het ondersteunen van partijen daar waar nodig is vanuit de flexpools en het Expertteam Woningbouw. Daarnaast continueren en intensiveren we de samenwerking met onder andere het Programma stedelijke transformatie en kennisinstellingen. Zie ook actielijn 2: ‘Sneller van initiatief naar realisatie’.
Een van de projecten die een lening uit de transformatiefaciliteit heeft ontvangen, is de transformatie van de voormalige de Nibb-it chipsfabriek in Breda. Het gebouw stond al tien jaar leeg. Deze locatie was niet meer geschikt voor industrie en leende zich goed voor woningbouw. Met dit project worden 600 woningen gerealiseerd en wordt de leefbaarheid in het gebied vergroot. Het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) maximaal inzetten In de hoedanigheid van het Rijksvastgoedbedrijf heeft het Rijk veel kennis, expertise en ook vastgoed en grond in bezit. Door deze beter te benutten kan de uitvoeringskracht bij gemeenten, marktpartijen en corporaties worden vergroot, waardoor sneller betaalbare woningbouw tot stand kan komen. Het RVB zet al haar kennis, vastgoed en gronden in om sneller huisvesting voor statushouders te helpen realiseren. Het RVB is gevraagd om in 2022 locaties te concretiseren waar in totaal 2.000 (flex)woningen kunnen worden gerealiseerd19. Ook is opdracht gegeven aan het RVB om de ontwikkeling van woningbouw te verkennen op gronden die het RVB in bezit heeft in Flevoland, waarbij de afstemming met voldoende werkgelegenheid en bereikbaarheid een aandachtspunt is. Zoals is aangegeven in het coalitieakkoord gaat het Rijk met haar vastgoed en grondposities bijdragen aan het terugdringen van de woningnood door extra betaalbare huur- en koopwoningen te realiseren.
Het huidige kabinet zal komende tijd in kaart brengen hoe ze op dit punt uitvoering kan geven aan het coalitieakkoord. Daarnaast heeft het vorige kabinet € 5 miljoen beschikbaar gesteld als opstartbudget voor de uitwerking van een landelijke grondfaciliteit. Met een grondfaciliteit kan in de uitvoering worden bijgedragen aan versnelling van gebiedsontwikkelingen gericht op woningbouw en ruimtelijke transities. Over het definitief inrichten van de grondfaciliteit moet nog besluitvorming plaatsvinden20. Voor een passend juridisch en financieel kader brengen we de juridische, financiële en organisatorische kansen en knelpunten in kaart. We onderzoeken parallel daaraan de mogelijkheden die de gronden en het vastgoed bieden voor de realisatie van betaalbare woningen voor verschillende doelgroepen waaronder de aandachtsgroepen.
19
Daadwerkelijke realisatie van deze woningen is afhankelijk van nadere besluitvorming over financiële dekking
20
Voorwaarde om tot daadwerkelijke implementatie van de faciliteit over te gaan, is dat deze aantoonbaar en doelmatig bijdraagt aan het realiseren van woningbouw en ruimtelijke transities, waarbij de bijbehorende risico’s goed in kaart zijn gebracht en beheersbaar blijken.
Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening | Programma Woningbouw | 31
Het RVB werkt hiervoor samen met gemeenten, corporaties en derden door een menukaart van producten en diensten aan te bieden. Dit varieert van kennis en advies tot en met aanschaf van flexwoningen die bij gemeenten worden geplaatst.
Een voorbeeld van de inzet van rijksgronden door het RVB speelt bij de (aanstaande) woningbouw in Almere Oosterwold, Katwijk Valkenhorst en Lelystad Warande.
3.4 Grootschalige woningbouw In heel Nederland moeten woningen worden gebouwd en – aansluitend bij de behoefte – waar mogelijk grootschalig. Grootschalige woningbouw is nodig omdat in een aantal regio’s het woningtekort zo groot is, dat alleen kleine en middelgrote locaties met goede betaalbare woningen onvoldoende zijn om voldoende bij te dragen aan de realisatie van 900.000 woningen tot en met 2030. Grootschalige woningbouw gaat gepaard met complexe uitdagingen, omdat door de schaal meer wordt gevraagd van de ontsluiting van de locatie (infrastructuur), het vrijmaken van een locatie (zoals de herstructurering van bedrijventerreinen en/of het verplaatsen van bedrijven naar andere werklocaties) of het realiseren van voldoende groen en ruimte voor waterberging. In die gebieden is dan ook sprake van een grootschalige integrale woningbouwopgave in combinatie met andere grote ruimtelijke vraagstukken zoals bijvoorbeeld geluid, stikstof, natuur, landbouw, (grootschalige) infrastructuur, ruimtelijke kwaliteit, waterrobuustheid en klimaatbestendigheid, energietransitie, bedrijvigheid en andere ruimte vragende claims. Voor een goede ruimtelijke regie en afstemming van genoemde opgaven, hebben Rijk en regio gezamenlijk verstedelijkingsstrategieën voor zeven regio’s met de hoogste woningbouwopgave en verstedelijkingsdruk opgesteld.
Het gaat om de volgende regio’s: Metropoolregio Amsterdam, Zuidelijke Randstad, Stedelijk Brabant, Metropoolregio Utrecht, Regio Arnhem-Nijmegen-Foodvalley, Regio Zwolle en Regio Groningen-Assen. Tot en met 2030 kunnen in deze zeven regio’s 600.000 woningen worden gerealiseerd. Tot 2040 gaat het om 900.000 woningen. Binnen de zeven verstedelijkingsregio’s hebben we op dit moment 15 grootschalige integrale woningbouwgebieden geïdentificeerd, waar intensieve betrokkenheid van het Rijk nodig is21. Het gaat om de volgende grootschalige woningbouwgebieden: Amsterdam Havenstad, MRA-West, MRA-Oost, Rotterdam Oostflank, Den Haag CID-Binckhorst, Oude Lijn Leiden-Dordrecht, Utrecht Groot Merwede, Eindhoven Internationale knoop XL, de Brabantse stedenrij, Groningen Suikerunieterrein, Groningen Stadshavens, Nijmegen Stationsgebied, Nijmegen Kanaalzone, Zwolle Spoorzone en Amersfoort22. Een eerdere inschatting heeft laten zien dat er tot en met 2030 in deze grootschalige woningbouwgebieden 200.000 woningen worden gebouwd en in de periode tot 2040 in totaal circa 440.000 woningen. Onderstaand zijn de zeven verstedelijkingsregio’s en daarbinnen de 15 grootschalige woningbouwlocaties op kaart weergegeven.
Daarnaast analyseren we op dit moment of er naast de reeds geïdentificeerde 15 grootschalige integrale woningbouwgebieden nog andere gebieden zijn waar – en op welke termijn – eenzelfde inzet vanuit het Rijk aan de orde is. We kijken hierbij naar de zeven opgestelde regionale verstedelijkingsstrategieën en, in lijn met het coalitieakkoord, naar kansrijke spoor- en kanaalzones bij voorkeur bij bestaande infrastructuur en knooppunten. Bij nieuwbouw zijn de aanwezigheid van publieke voorzieningen, (OV)-infrastructuur en bescherming van natuur, randvoorwaarden.
21
Aan de eerder geïdentificeerde 14 grootschalige integrale woningbouwgebieden is, na een motie van de Tweede Kamer, Amersfoort toegevoegd.
22
De afbakening van de grootschalige woningbouwlocatie Amersfoort is nog onderwerp van gesprek tussen Rijk en regio.
32 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Figuur 6: Overzicht zeven verstedelijkingsregio’s en de 15 grootschalige woningbouwgebieden (NB genoemde gebieden worden nog herijkt en een nadere ruimtelijke afweging over de inpassing en aantallen te bouwen woningen is nog gaande)
+ 13.500
++
Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening | Programma Woningbouw | 33
In de 15 grootschalige integrale woningbouwgebieden is vaak al gestart met de bouw en wordt gestaag gebouwd in de periode 2022 tot zelfs na 2040. Aandacht voor de bereikbaarheid en infrastructuurinvesteringen zijn nodig om te voorkomen dat het mobiliteitssysteem op deze drukke plekken (nog verder) vastloopt. Het is belangrijk om de planning van infrastructuur en woningbouw in samenhang te organiseren en af te stemmen om de woningbouw in die gebieden mogelijk te maken. Zonder de investeringen in infrastructuur en bereikbaarheid kunnen de geplande aantallen woningen niet worden gerealiseerd. Voor een deel van de grootschalige woningbouwgebieden is de ruimtelijke afweging en de ruimtelijke inrichting nog (deels) gaande. Water en bodem worden sturend bij de ruimtelijke planvorming. Randvoorwaardelijk bij de ontwikkeling en inrichting van grootschalige woningbouwgebieden zijn verder klimaatadaptatie, ruimtelijke kwaliteit, energie, een evenwichtige balans tussen wonen en werken en de wettelijke eisen ten aanzien van luchtkwaliteit, externe veiligheid, gezondheid en geluid.
3.4.1
Gezamenlijke aanpak overheden, marktpartijen en corporaties We zorgen voor een nieuwe, gezamenlijke aanpak door overheden en marktpartijen, waarmee we de complexe uitdagingen, die bij de ontwikkeling van grootschalige woningbouwgebieden komen kijken, snel en integraal kunnen aanpakken. Voor de ontsluiting van de 15 gebieden en daarbuiten stellen we de komende tien jaar in totaal € 7,5 miljard beschikbaar via het Mobiliteitsfonds. De middelen uit het Mobiliteitsfonds worden ingezet om zowel de gebiedsontwikkelingen te versnellen (zie ook actielijn 3) als de 15 gebieden en daarbuiten te ontsluiten. De gemeenten met een grootschalige woningbouwlocatie kunnen voor onderdelen binnen het plangebied gebruik maken van de Wbi en de versnellingsafspraken voor bereikbaarheid en infrastructuur. Voor de publieke tekorten op de gebiedsontwikkeling in de grootschalige woningbouwgebieden stellen we € 500 miljoen beschikbaar. Het doel is om in de periode tot en met 2030 zoveel mogelijk nieuwe woningen te realiseren en tegelijkertijd de potentie van grootschalige woningbouwgebieden voor de periode 2030-2040 te waarborgen door een gedeelde visie op de doorontwikkeling op deze gebieden. We zorgen voor een effectieve sturing, een voortvarende uitvoering en we bundelen private en publieke investeringen. Voor de afspraken maken we gebruik van het bestuurlijk proces MIRT.
Hiermee wordt zorgvuldige besluitvorming geborgd en vertraging in de toekomst zoveel mogelijk voorkomen. In de 15 grootschalige integrale woningbouwgebieden doen we het volgende: • We richten een interdepartementale governance in met IenW, OCW, EZK, LNV en Financiën en een interbestuurlijke governance met provincies, waterschappen en gemeenten. • Het Rijk maakt een afweegkader voor zowel de gebiedsinvesteringen als de bereikbaarheidsinvesteringen voor de ontsluiting van nieuwe woongebieden. Dit afweegkader hanteren we bij de inzet van rijksmiddelen bij onderstaande wederzijds bindende afspraken. We denken aan de volgende criteria: woningbouwwaarde, mobiliteitswaarde, ruimtelijke kwaliteit, de toekomstige draagkracht van het water- en bodemsysteem en een goede balans tussen werken en wonen met bereikbare banen. Het afweegkader stellen we – na overleg met het IPO, VNG, vervoerregio’s en de Unie van Waterschappen – vast in het Bestuurlijk overleg Leefomgeving (BOL) in het voorjaar van 2022. • We onderzoeken de komende maanden of naast de reeds geïdentificeerde 15 gebieden er andere gebieden zijn, die potentie hebben voor grootschalige woningbouw en om een integrale inzet en actieve rijksbetrokkenheid vragen. We kijken ook wanneer deze betrokkenheid nodig is. In het Bestuurlijk overleg Leefomgeving in het voorjaar van 2022 stellen we de definitieve lijst vast.
• We nemen de definitieve grootschalige integrale woningbouwgebieden op in de geactualiseerde NOVI, zodat er zekerheid en vertrouwen ontstaat bij alle overheden, marktpartijen en corporaties voor de lange termijn. • Voor de periode tot 2030 maken VRO en IenW wederzijds bindende afspraken met provincies en gemeenten over de benodigde infrastructuur en gebiedsinvesteringen voor de definitieve grootschalige woningbouwgebieden. De wederkerige afspraken hebben daarnaast betrekking op:
34 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
• Cofinanciering door medeoverheden. • Doorvertaling naar afspraken met de markt en corporaties. • Monitoring van gemaakte afspraken en consequenties bij het niet nakomen hiervan. In het uiterste geval kunnen rijksmiddelen worden teruggevorderd. • Mobiliteitsalternatieven, waterrobuust, klimaatbestendig en natuur inclusief bouwen, openbare ruimte en groen, ruimtelijke kwaliteit, energie en circulariteit. • Randvoorwaarden als stikstof, geluid, externe veiligheid en gezondheid, waar relevant. • Het opstellen van woon-werkafspraken op het moment dat bedrijven en hun werknemers verplaatst moeten worden. Hiermee moet worden geborgd dat bedrijven zich door kunnen ontwikkelen in het plangebied zelf of op een nabijgelegen locatie in de regio. Hierdoor moeten praktisch geschoolde medewerkers hun baan zoveel mogelijk kunnen behouden en de bereikbaarheidseffecten worden geminimaliseerd. • Ondersteuning van het Rijk bij het oplossen van knelpunten in de gebiedsontwikkeling. • We nemen de gemaakte afspraken uit het BO MIRT op in de regionale woondeals. De voortgang van de woningbouwopgave bespreken we in de bestuurlijke overlegstructuur van de woondeals. De voortgang van de bereikbaarheid van de woongebieden en de besluitvorming daarover is onderwerp van het BO MIRT.
Doorbraakteams en regisseurs Om knelpunten bij de ontwikkeling van de 15 grootschalige integrale woningbouwgebieden op te lossen worden aanvullend aan de versnellingstafels bij de regionale woondeals doorbraakteams ingericht voor het versnellen van de onderhandelingen en het maken van afspraken met medeoverheden en corporaties/ marktpartijen over de realisatie van de woningbouw. Dit doen we door: • Doorbraakteams in te richten, die bestaan uit experts met kennis van de financiële haalbaarheid van plannen. • Regisseurs te benoemen als aanspreekpunt voor de regio. Deze bespreken de voortgang en ondersteunen met kennis en kunde bij het zoeken naar oplossingen.
Een voorbeeld van een knelpunt is het nestgeluid23 van aangemeerde schepen in de haven van Rotterdam in relatie tot de bouw van nieuwe woningen. VRO is betrokken bij het zoeken van een oplossing met gemeente en marktpartijen.
23
Veelal gaat het om de electriciteitsgenerator.
Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening | Programma Woningbouw | 35
36 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
4 Sturing De doelen in het programma Woningbouw worden gerealiseerd via een gezamenlijke aanpak met medeoverheden, corporaties en marktpartijen. Hierbij benutten we de kracht van alle stakeholders. Samen signaleren we tijdig knelpunten en lossen die op. We bouwen hierbij voort op de samenwerking die we met elkaar hebben opgebouwd. Die samenwerking is gebaseerd op vertrouwen en rekening houden met elkaars taken en verantwoordelijkheden. We zorgen dat informatie over de bouwopgave actueel en accuraat is, zodat iedereen aan dezelfde doelen kan werken. Als sluitstuk versterken we onze instrumentenkist en daarmee onze doorzettingsmacht via juridische interventies, op basis van een politiek, bestuurlijke afweging. Daarnaast sturen we met de inzet van middelen en specifieke oplossingen op het mogelijk maken van woningbouw op meer plaatsen met de gewenste kwaliteit en betaalbaarheid. De aanpak met regie op de nationale woningbouwopgave (actielijn 1), ondersteuning om sneller van initiatief naar realisatie te komen (actielijn 2) en financiële ondersteuning (actielijn 3 en 4) is hieronder schematisch weergegeven. Het schema geeft aan dat in de regio‘s de bouwopgave en de inzet van (financiële) ondersteuning in samenhang wordt uitgewerkt tot woondeals. Het schema geeft ook aan dat wederzijds bindende afspraken worden gemaakt via het huis van Thorbecke.
Tot slot illustreert het figuur dat de daadwerkelijke realisatie van woningen gebeurt in gemeenten, door samenwerking van gemeenten met corporaties met bouwpartijen. Figuur 7: De aanpak met regie op de nationale woningbouwopgave
Rijk
Provincies
Regio
Gemeenten
Regionale woondeals Vertaling prestatieafspraken naar regio
Nationale opgaven woningbouw
Prestatieafspraken woningbouw
Ondersteuning Sneller van initiatief naar realisatie
Ondersteuning Sneller van initiatief naar realisatie
Inzet instrumenten uitwerken
Financiële ondersteuning
Financiële ondersteuning
Uitwerken inzet f inanciële ondersteuning
Prestatieafspraken woningbouw Samenwerkingsafspraken met corporaties en bouwpartijen
Realisatie woningen
Financiële afspraken
Bestuurlijke akkoorden
Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening | Programma Woningbouw | 37
Sluiten regionale woondeals en inzet middelen Om de bouwopgave van 900.000 woningen tot en met 2030 te realiseren, maken we prestatieafspraken met medeoverheden en corporaties. Met provincies gaan we in de periode tot 1 juni 2022 in gesprek om de nationale opgave indicatief in beeld te brengen, inclusief de verdeling naar provincies. We streven hierbij naar indicatieve afspraken per provincie op woningbouwaantallen tot 2030 en per jaar, aantallen flex- en transformatiewoningen, aandeel betaalbaar en aandeel corporaties. Daarna gaan provincies met gemeenten in woondeal-regio verband in gesprek om de opgave te verdelen en uit te harden. Dit is een iteratief proces waar ook het Rijk en marktpartijen bij aansluiten. Afspraken worden gemaakt op basis van ‘fair share’ en in samenhang met andere ruimtelijke opgaves (‘reality check’). Met corporaties worden, conform het coalitieakkoord, aparte afdwingbare afspraken gemaakt samen met gemeenten en provincies, in ruil voor afschaffing van de verhuurderheffing. Deze afspraken gaan over de volle breedte van de rol van corporaties en worden voor wat betreft woningbouw gevoed vanuit het programma woningbouw. Rond 1 oktober stellen we dan de definitieve taakstellende opgave per provincie vast. Dit leggen we vast in bestuurlijke akkoorden.
Vervolgens gaat de provincie met regio’s en gemeenten verder in beeld brengen hoe zij deze opgave gaan verwezenlijken en wat zij daarvoor nodig hebben. Dit leggen zij voor 1 januari 2023 vast in regionale woondeals. In gebieden met een complexe opgave die inzet van het Rijk vraagt - zoals grootschalige woningbouw - schuift het Rijk aan bij deze woondeals. De afspraken die gemaakt worden bij de grootschalige woningbouwgebieden zijn, indien bekostiging vanuit het Mobiliteitsfonds, onderdeel van het MIRT en worden bevestigd in dergelijke woondeals. De middelen zetten we in op een wijze waarmee we sturen op de gewenste aantallen, het tempo, kwaliteit en betaalbaarheid in plannen. Hiervoor is € 7,5 miljard beschikbaar voor de ontsluiting van woningbouw, zoals beschreven in actielijn 3 en daarnaast voor de grootschalige woningbouwgebieden, € 1,25 miljard via de Woningbouwimpuls en € 500 miljoen gebiedsbudget voor grootschalige woningbouw. We maken hierbij onderscheid in de volgende categorieën: • Locaties of projecten waarvoor de ruimtelijke afweging al heeft plaatsgevonden, de ruimtelijke procedures lopen of zijn afgerond èn er sprake is van een sluitende grondexploitatie. Hier is geen financiële inzet van het Rijk nodig.
• Locaties waarvoor de ruimtelijke afweging al heeft plaatsgevonden, de ruimtelijke procedures lopen of zijn afgerond, maar er wel sprake is van onrendabele grondexploitatie. Dit zijn projecten waar een extra zetje van het Rijk voor nodig is. Dit kan gaan om middelen vanuit de Woningbouwimpuls of vanuit het Mobiliteitsfonds. De omvang van deze projecten kan verschillen. • Grootschalige woningbouwlocaties waarvoor de ruimtelijke integrale afweging en inrichting (deels) nog moet plaatsvinden: besluiten over deze locaties en de inrichting vergen een integrale afweging door betrokken overheden. Hiervoor zijn de Wbi, gebiedsbudget en de middelen vanuit het Mobiliteitsfonds beschikbaar. Bij de toekenning van de Woningbouwimpuls leggen we een relatie met de bijdrage van het project aan de woningbouw-afspraken uit de regionale woondeals. Daarnaast zetten we € 100 miljoen in voor de huisvesting van aandachtsgroepen en € 38 miljoen voor het realiseren van ontmoetingsruimten bij huisvesting voor ouderen. Gekeken wordt ook naar meekoppelkansen voor het ontsluiten van nieuwe woningen met lopende MIRT-programmering en beheer en onderhoud (B&O) en vervanging en realisatie (V&R) (bijvoorbeeld het vervroegen van projecten als dat leidt tot extra woningen). Hierbij moet de relatie met het ontsluiten van nieuwe woningen heel solide aantoonbaar zijn.
38 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Naast de inzet van financiële middelen dragen we ook met specifieke oplossingen, zoals flexibele woningen en transformatiewoningen, bij aan het vergroten van kennis en inzicht in de bouwopgave waardoor op meer plekken of met andere oplossingen gebouwd kan worden. Het Rijk stelt ook in het algemeen kennis en kunde beschikbaar voor de realisatie van plannen, onder andere via flexpools en het Expertteam Woningbouw. Het Rijksvastgoedbedrijf wordt ingezet voor de woningbouwopgave. Op eigen locaties verzorgt het zelf de benodigde afstemming en onderzoeken die nodig zijn om de ontwikkeling mogelijk te maken.
Cyclus van plan, do, check act Jaarlijks wordt de prognoses voor de woningbouwbehoefte tot 2030 bijgewerkt. In het bijzonder wordt de taakstellende woningbouwproductie per jaar tot 2030 bijgewerkt op basis van de gerealiseerde bouwproductie en ontwikkeling van de woningvoorraad. Deze bijstelling kan leiden tot bijstelling van de afspraken met provincies en gemeenten over de jaarlijkse bouwproductie. Via monitoring, rapportages en periodieke overleggen houden we zicht op de voortgang. Knelpunten worden tijdig gesignaleerd. De monitoring wordt daarvoor doorontwikkeld, zodat we steeds voldoende en actuele informatie hebben over de woningbouw. Het beperken van knelpunten in de realisatie van woningbouw is onderdeel van actielijn 2. Daarnaast is het aanpakken van knelpunten een belangrijk onderdeel van de samenwerking in de woondealregio’s. In de woondealregio’s worden knelpunten ook geagendeerd en zo nodig geëscaleerd op landelijk niveau. Daarnaast worden voor de uitvoering van dit programma bestuurlijke overleggen opgezet, om zo nodig besluiten te nemen over complexe opgaves. Het betreft onder andere: • Bestuurlijk overleg met de medeoverheden in het BO Wet Ruimtelijke Ordening (BO WRO) • Halfjaarlijks overleg met stakeholders over de voortgang van het programma in het BO Bouwberaad. • Regelmatig overleg met bewindslieden in het Bewindslieden Overleg Fysieke Leefomgeving.
• Overleggen met IenW/EZK/BZK en medeoverheden in de Bestuurlijke Overleggen Leefomgeving (BOL) en Bestuurlijke Overleggen MIRT. • Met deze gezamenlijke aanpak met medeoverheden en stakeholders houden we de vinger aan de pols voor de gemaakte afspraken. Zo kunnen we bestuurlijk en juridisch bijsturen wanneer de voortgang stagneert. We maken afspraken over wie welke rol daarbij heeft.
Versterking juridisch instrumentarium Waar bijsturing nodig is maken we gebruik van bestuurlijk en – waar nodig – juridisch instrumentarium, zoals instrumentarium in de Omgevingswet, Woningwet en de Huisvestingswet. Daarbij zorgen we voor dekkend adequaat instrumentarium dat vervolgens beter en actiever moet worden ingezet. Om die reden onderzoeken of we of aanpassing van regelgeving nodig is om het juridisch instrumentarium van provincies en het Rijk te versterken. In hoofdstuk 7 is de inzet van het juridisch instrumentarium bij de actielijnen verder uitgewerkt. Zowel de Wet ruimtelijke ordening (Wro) als ook de Omgevingswet kennen instrumenten, zoals instructieregels als aanwijzingen/instructiebesluiten, waarmee het Rijk en provincies sturing en doorzettingskracht kunnen uitoefenen richting provincies, waterschappen en gemeenten. In de Omgevingswet hebben provincies vergelijkbare bevoegdheden. Hiermee kunnen het Rijk en provincie sturing geven aan lokale besluiten zoals de vaststelling van een omgevingsplan. Verder geldt dat water en bodem meer sturend worden bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het sturend laten zijn van het water- en bodemsysteem moet voorkomen dat toekomstige generaties met schade worden geconfronteerd die nu voorkomen kan worden.
In dit kader moeten de meest kwetsbare plekken vanuit wateroverlast, waterveiligheid en bodemdaling worden vermeden voor woningbouw. Om die reden wordt bekeken op welke wijze de watertoets een meer dwingender karakter kan krijgen.
Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening | Programma Woningbouw | 39
40 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Ook brengen we in kaart of het huidig instrumentarium in de Wet ruimtelijke ordening nu en de Omgevingswet straks aangevuld moet worden voor verdergaande sturing. Dit kan uitmonden in een nieuwe Wet versterken regie volkshuisvesting. Een voorbeeld hiervoor zijn instructieregels waarmee gestuurd kan worden op de inhoud van besluiten van medeoverheden. Zoals vaststelling van een bestemmingsplan/omgevingsplan. Daarbij kijken we ook naar de Woningwet en de Huisvestingswet. Met dit juridisch instrumentarium kunnen provincie en Rijk bijsturen wanneer dat nodig is. Figuur 8: De aanpak met regie op de nationale woningbouwopgave 2022
Bron: BZK
Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening | Programma Woningbouw | 41
Planning Onderstaand volgt de planning voor het sluiten van de woondeals en de inzet van de belangrijkste middelen in dit programma:
2022 maart
2023 april
mei
juni
juli
augustus
september
oktober
november
december
Gesprekken over opgaven
Prestatieafspraken
Indicatieve taakstellingen Reality check van indicatieve taakstellingen
Bestuurlijke afspraken
Prestatieafspraken met provincies Rijk (en provincies) sluiten woondeal met regio’s
Nationale afspraken over opgave corporaties
Prestatieafspraken woningcorporaties
Prestatieafspraken woningcorporaties per gemeente (december 2022)
Financiële ondersteuning
Loopt door in 2023
4e tranche Woningbouwimpuls (loket open)
Toekenning 4e tranche Woningbouwimpuls
Inzet Woningbouwimpuls
5e tranche Woningbouwimpuls (loket open) Loopt door in 2023 Vaststelling lijst grootschalige woningbouwgebieden
Inzet middelen Mobiliteitsfonds
Wet- en regelgeving
BOL besluitvorming
Uitwerken 1e tranche investeringsafspraken MIRT besluitvorming
Inzet instrumentarium Omgevingswet
Regie
Woningcorporaties
Monitoring
42 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Wetsvoorstel Versterken regie Volkshuisvesting
Wetgeving Afschaffen verhuurderheffing
Inrichten monitoring
Start consultatie
Start consultatie conceptwet
Gaat in per 2023
Wetsvoorstel naar Tweede Kamer
Bespreken halfjaarlijkse voortgang
Loopt door in 2023
Halfjaarlijkse rapportage voortgang
Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening | Programma Woningbouw | 43