CConstaterende datVught
Koppel je AI →
Document · PDF

11.c Bijlage 2 Onderzoeksverantwoording herijking gemeentefonds klassiek domein

Raadsvergadering 30 september 2021, gemeente VughtBij agendapunt: Categorie I-B Schriftelijke mededelingen van college of griffie14.344 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

............................................................................................................................. ................................................................................................................................................................................................................................................................ .............................

Inkomstenverevening in het gemeentefonds ......................................................................................................................................................................................... .................................................................................................................................................................................................................................

analyses in het kader van de heroverweging financiële verhoudingen

18813-014

eindrapport

Cebeon, 08-04-2019

I

Inhoudsopgave 1 Inleiding ............................................................................................................................................ 3 2 Methodiek en aanpak onderzoek .................................................................................................... 6 2.1 Inleiding ..................................................................................................................................... 6 2.2 Ontwikkeling beoordelingskader voor inkomstenverevening gemeentefonds ........................... 6 2.2.1 Toelichting op uitgangspunten Fvw ............................................................................. 6 2.2.2 Samenvattend overzicht van uitgangspunten en keuzes Fvw ...................................... 9 2.3 Wijze van signalering .............................................................................................................. 10 3 Ontwikkelingen 1997-2017 ............................................................................................................ 12 3.1 Huidig beeld beschikbare algemene middelen ......................................................................... 12 3.2 Ontwikkelingen onroerende zaakbelasting (OZB) ...................................................................

14 3.3 Ontwikkeling overige eigen middelen (OEM) ......................................................................... 18 4 Varianten inkomstenverevening ................................................................................................... 23 4.1 Inleiding ................................................................................................................................... 23 4.2 Verevening OZB ...................................................................................................................... 23 4.3 Verevening OEM ..................................................................................................................... 28 5 Slotbeschouwing en aanbevelingen ............................................................................................... 30 Bijlagen ................................................................................................................................................ 35 A Nadere specificaties eigen middelen .............................................................................................. 37 A.1.1 Feitelijke opbrengsten OZB ....................................................................................... 37 A.1.2 Specificatie componenten OEM ................................................................................

38 B Expertgroep .................................................................................................................................... 40

1

Inleiding aanleiding Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) is bezig met een heroverweging van de financiële verhoudingen tussen het Rijk en medeoverheden.1 De heroverweging wordt uitgewerkt in vier sporen. Het voorliggende onderzoek valt onder spoor 1 (zie voor nadere toelichting de Kamerbrief Heroverweging financiële verhoudingen2). Zoals in de Kamerbrief wordt aangekondigd zal BZK een integraal herijkingsonderzoek uitvoeren van de algemene uitkering in het gemeentefonds. Binnen het sociaal domein en de overige clusters moet een integrale afweging worden gemaakt van uitgaven en inkomsten. Ter voorbereiding hierop voert BZK een aantal verdiepende studies uit die als input dienen voor dit integrale herijkingsonderzoek. Onderdeel hiervan is het opnieuw bezien van de verevenende werking van het verdeelsysteem van de algemene uitkering uit het gemeentefonds. De verevening in het gemeentefonds bevat twee componenten: ten eerste worden kostenverschillen tussen gemeenten verevend voor zover die voortvloeien uit fysieke en sociale (structuur)kenmerken van gemeenten en ten tweede worden verschillen in de capaciteit om eigen inkomsten te verwerven verevend. Het uitsluitend verevenen van kosten werd in 1997 niet toereikend gevonden, gezien de verschillen tussen gemeenten om eigen inkomsten te genereren.

Sinds de invoering van de Fvw in 1997 is de systematiek om in het gemeentefonds rekening te houden met algemene eigen inkomsten van gemeenten uit onroerende zaakbelasting (OZB) en overige eigen middelen (OEM) niet veranderd. verschillende partijen vragen aandacht voor huidige systematiek van inkomstenverevening gemeentefonds In de loop der tijd zijn door verschillende partijen vragen opgeworpen omtrent de wijze waarop de uitgangspunten voor inkomstenverevening binnen de verdeelsystematiek van het gemeentefonds zijn vorm gegeven. Raad voor de financiële verhoudingen (opgegaan in de Raad voor het Openbaar Bestuur) De Rfv heeft in zijn adviezen naar aanleiding van het groot onderhoud gemeentefonds3 verschillende kritische opmerkingen gemaakt die van belang zijn voor het onderhavige onderzoek: • Bij een meer fundamentele herziening dient expliciet de verdeling van de OEM te worden betrokken. De Raad pleit er niet voor om de gehele OEM te herijken, zo dat al mogelijk zou zijn, maar wel om meer en eenduidiger rekening te houden met het feit dat een deel van de overige eigen inkomsten verband houdt met verschillen in uitgaven. • De Rfv is van oordeel dat eerst de kosten van de verschillende typen gemeenten moet worden vastgesteld en vervolgens kan worden bezien in hoeverre gemeenten tegen landelijk gemiddelde OZB tarieven hun kosten kunnen dekken.

Als een minder grote verevening wenselijk wordt geacht dan dient het wettelijke vereveningspercentage te worden aangepast. • De uitkomst van de huidige verdeling wordt sterk beïnvloed doordat ervoor gekozen is het rekentarief voor de OZB niet aan te passen aan het landelijk gemiddelde. Daarbij merkt de Rfv op dat dit geen technische maar een politieke keuze is.

1

2 3

zie ook motie Veldman/Wolbert (2015) over een fundamentele herziening van de financiële grondslagen van het gemeentefonds en het provinciefonds. zie Kamerbrief 6 juli 2018 Heroverweging financiële verhoudingen. zie Rfv Consultatie groot onderhoud gemeentefonds 2015 en 2016 (14 april 2014).

Inkomstenverevening in het gemeentefonds

3

VNG De VNG heeft in zijn advies naar aanleiding van de consultatie groot onderhoud gemeentefonds de uitgangspunten van BZK grotendeels onderschreven. Ten aanzien van de OEM merkt de VNG nog op. Het blijkt dat gemeenten anno nu bijna 1,5 miljard euro meer inkomsten uit de onroerende zaakbelasting (OZB) en uit de zgn. overige eigen middelen (OEM) ontvangen, dan waarmee in de verdeling wordt gerekend. Dit betekent dat de gemeenten bijna 1,5 miljard meer bestedingsruimte hebben en dat de verdeling afwijkt van de kostenontwikkeling bij gemeenten. De beheerders van het gemeentefonds hebben er voor gekozen om de € 1,5 miljard niet in de verdeling te betrekken. Vastgesteld wordt dat dit geld vooral wordt besteed aan niet-wettelijke taken, aan taken met een grote beleidsvrijheid voor gemeenten, bijvoorbeeld in de sector kunst en cultuur. Zo gezien leiden meer eigen inkomsten tot meer uitgaven/kosten. Wanneer in de verdeling deze verschillen worden gladgestreken, zal een herverdeling optreden van gemeenten met een lage OEM naar gemeenten met een hoge OEM. Op deze manier komt de verdeling in een ongewenste spiraal. Verder is van belang dat de OEM sterk varieert tussen gemeenten en ook binnen gemeenten van jaar op jaar (bijvoorbeeld de opbrengsten uit grondexploitatie en verkoop van aandelen).

Stuurgroep herziening financiële verhoudingen In ‘Rekening houden met verschil: ruimte bieden in de financiële verhoudingen’ wordt door stuurgroep herziening financiële verhoudingen voor gepleit om de verevening van de belastingcapaciteit van gemeenten mee te nemen in de heroverweging: ‘De mate van verevening van belastingcapaciteit uit OZB nam in de afgelopen 20 jaar af doordat de opbrengst uit de belastingcapaciteit in het verdeelmodel constant gehouden wordt op het niveau uit 1992 (exclusief areaal ontwikkeling en inflatie). Het rekentarief ontwikkelt dus niet even snel als de feitelijke tarieven. Achterliggende gedachte is dat gemeenten stijgingen van de WOZ-waarde doorgaans teruggeven aan hun inwoners door middel van tariefsverlagingen.’ COELO Het COELO heeft diverse onderzoeken gedaan naar andere wijzen van verevening van lokale belastingcapaciteit in relatie tot het derde aspiratieniveau dat ten grondslag ligt aan de Fvw. 4 Een enkele variant ligt dichterbij de huidige systematiek van verevenen (bijvoorbeeld verevening-plus). Deze variant wordt minder aantrekkelijk gevonden omdat hiermee gemeenten invloed kunnen uitoefenen op de uitkering uit het gemeentefonds. doel onderzoek en onderzoeksvragen Tegen deze achtergrond is BZK het voorliggend onderzoek gestart. Dit onderzoek richt zich op de wijze waarop in het huidige systeem de eigen inkomsten worden verevend.

Hierover zijn 20 jaar geleden keuzes gemaakt die zijn vastgelegd in wet- en regelgeving en verwerkt in het verdeelsysteem van het gemeentefonds. In het kader van de heroverweging worden deze keuzes nog eens onder de loep genomen, mede in relatie tot (veronderstelde) knelpunten die in dit verband door hierboven genoemde partijen zijn aangedragen. Het onderzoek dient signalen en aandachtspunten op te leveren waarmee in het vervolgtraject rekening kan worden gehouden.5

4

5

Zie M.A. Allers, Verevening conform het derde aspiratieniveau, COELO, Groningen, 2010 en M.A. Allers, Alternatieven voor de verevening van de belastinggrondslag van gemeenten, COELO, Groningen, 2018. Het doel van het onderzoek is in overleg met de expertgroep en de opdrachtgever aangepast. De startnotitie voor deze opdracht richtte zich met name op het in kaart brengen van varianten voor inkomstenverevening. Deze varianten gaven zonder nadere duiding (signaalfunctie) onvoldoende houvast om in het vervolgtraject keuzes te kunnen maken.

Inkomstenverevening in het gemeentefonds

4

Tegen deze achtergrond is een aantal onderzoeksvragen geformuleerd als leidraad voor het onderzoek: • welke ontwikkelingen in de capaciteit van gemeenten om eigen inkomsten te genereren en de wijze waarop hiermee in de verdeling rekening wordt gehouden (te weten eigen inkomsten van gemeenten uit onroerende zaakbelasting (OZB) en overige eigen middelen (OEM)) hebben zich de afgelopen 20 jaren voorgedaan? • bestaat er een samenhang tussen verschillen in (de capaciteit van) gemeenten om eigen inkomsten te genereren en gemeentelijke structuurkenmerken6 die zou kunnen wijzen op scheefheden in de verdeling van de algemene uitkering (en een verstoring van de balans tussen de functies van inkomstenverevening)? Zo ja, hoe kan hiermee in een vervolgtraject (herijking 2019) rekening worden gehouden? • welke mogelijkheden zijn er om ook de inkomsten uit overige eigen middelen (OEM) op een andere wijze bij de inkomstenverevening te betrekken? • welke alternatieven voor inkomstenverevening maken dat de verdeling in het gemeentefonds ‘dichter in de buurt komt’ van het derde aspiratieniveau van Goedhart (zoals vastgelegd in de Fvw)? leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de methode van onderzoek. We ontwikkelen een beoordelingskader op basis van de uitgangspunten van de Fvw zoals verwoord in de wet en de memorie van toelichting.

Dit leidt tot een aantal keuzes die eventueel heroverwogen zouden kunnen worden. Om te bepalen of heroverweging mogelijk aan de orde is, wordt gebruik gemaakt van de signaalfunctie zoals deze ook wordt toegepast in het Periodiek Onderhoudsrapport (POR) dat elk jaar met Prinsjesdag naar de Kamer wordt gestuurd. Naast de signaalfunctie voor structuurgroepen, wordt specifiek aandacht besteed aan groei- en krimpgemeenten. In hoofdstuk 3 gaan we in op de ontwikkelingen in de periode 1997-2017. In hoofdstuk 4 worden enkele varianten verkend die aansluiten op de bevindingen van hoofdstuk 3 die mogelijk een rol zouden kunnen spelen in een vervolgtraject. In hoofdstuk 5 worden de belangrijkste conclusies en aanbevelingen op een rij gezet.

6

Hierbij wordt specifiek aandacht gevraagd voor gemeenten die te maken hebben met (economische) groei of krimp (structureel dalende inwonertallen) dan wel gemeenten met een regionale (centrum)functie.

Inkomstenverevening in het gemeentefonds

5

2

Methodiek en aanpak onderzoek

2.1

Inleiding Centraal doel van het onderzoek is het signaleren van aandachtspunten ten aanzien van de verevening van inkomsten, waarmee rekening moet worden gehouden in het vervolgtraject van de heroverweging. Naast de signalen die naar voren zijn gekomen uit eerdere onderzoeken en adviezen (zie hoofdstuk 1), worden signalen met name afgeleid uit en onderbouwd met feitelijke ontwikkelingen die zich de afgelopen 20 jaar hebben voorgedaan met betrekking tot de eigen inkomsten van gemeenten en de wijze waarop daarmee rekening wordt gehouden in de verdeelsystematiek van het gemeentefonds. Om deze signalen adequaat te kunnen duiden is een beoordelingskader opgesteld, dat is gebaseerd op de uitgangspunten van de Fvw zoals die zijn vastgelegd in de bijbehorende memorie van toelichting. Dit beoordelingskader wordt beschreven in paragraaf 2.2. Vervolgens wordt in paragraaf 2.3 de wijze van signalering nader toegelicht.

2.2

Ontwikkeling beoordelingskader voor inkomstenverevening gemeentefonds

2.2.1

Toelichting op uitgangspunten Fvw derde aspiratieniveau: gemeentefonds en eigen inkomsten als communicerende vaten Uit het derde aspiratieniveau volgt dat de gemeentefondsuitkering zodanig over gemeenten moet zijn verdeeld dat zij daarmee– in aanvulling op hun eigen inkomsten – in staat zijn om een gelijkwaardig voorzieningenniveau te realiseren. Daarbij waren de overwegingen: -

-

als bij de verdeling uitsluitend rekening wordt gehouden met verschillen in kostenstructuur en geen rekening wordt gehouden met verschillen in OZB-waarde kunnen de voorzieningen waarop het normkostenniveau is gebaseerd alleen worden gerealiseerd bij grote verschillen tussen OZB-tarieven; bij een verdeling waarbij behalve kostenverschillen bovendien de OZB-waarde wordt betrokken kunnen gemeenten de voorzieningen waarop het normkostenniveau is gebaseerd tot stand brengen bij een zelfde tarief (fl. 9,38 per fl. 3000 waarde).7

Dit betekent dat de wetgever ervan uit gaat dat de gemeentefondsuitkering en de (algemene) eigen inkomsten van gemeenten niet los van elkaar kunnen worden beschouwd. Wanneer met de verdeling in het gemeentefonds het derde aspiratieniveau wordt gerealiseerd, kunnen gemeenten zelf kiezen een hoger of lager voorzieningenniveau te realiseren door het verhogen respectievelijk verlagen van hun eigen inkomsten.

7

Memorie van toelichting Fvw, paragraaf 3.7 p. 21.

Inkomstenverevening in het gemeentefonds

6

De eigen inkomsten van gemeenten bestaan voor een groot deel uit belastingen en dan met name OZB. In de Fvw wordt een drietal functies van gemeentelijke belastingen onderscheiden: 8 • het verschaffen van een vrije zoom voor eigen, autonoom beleid ter verbetering van de allocatie; • het vormen van een buffer voor het opvangen van onverwachte tegenvallers; • het opvangen van onvolkomenheden in de verdeelsleutel van het gemeentefonds. Gemeenten zijn niet in dezelfde mate in staat om (OZB) belastinginkomsten te verwerven. De omvang van de belastingcapaciteit wordt in hoge mate bepaald door de waarde van onroerende zaken in gemeenten. De marktwaarde van onroerend goed hangt af met name vraag en aanbod in het economisch verkeer. Met de verevening van verschillen in belastingcapaciteit via de OZB-maatstaf beoogt de wetgever meer recht te doen aan de vrije zoomfunctie van het belastinggebied.9 eisen aan de verdeelsystematiek in samenhang bezien Aan het verdeelstelsel wordt een aantal eisen gesteld zoals verwoord in de memorie van toelichting op de Fvw.

Deze eisen hebben betrekking op rechtvaardigheid en flexibiliteit 10: • een goede kostengeoriënteerde verdeling (derde aspiratieniveau); • globaliteit (om de gemeentelijke autonomie te waarborgen); • geen ongewenste prikkels (geen verstoring doelmatige besteding algemene middelen; • dynamisch (verdeling moet kostenpatronen van gemeenten in de tijd volgen); • stabiliteit (voldoende mate van budgettaire stabiliteit voor gemeenten). Met een goede kostengeoriënteerde verdeling tracht men zo goed mogelijk het derde aspiratieniveau te realiseren. Om de gemeentelijke autonomie te waarborgen is er voor gekozen in het verdeelstelsel van het gemeentefonds een zekere mate van globaliteit na te streven. Dit uitgangspunt heeft als keerzijde dat in de verdeling niet met alle kostenfactoren exact rekening kan worden gehouden en enigszins afbreuk wordt gedaan aan het derde aspiratieniveau.11 Een vergelijkbare afweging is gemaakt bij de keus om de WOZ-waarde niet volledig te verevenen (zie verderop in deze paragraaf). Ook hiermee wordt enigszins afbreuk gedaan aan het derde aspiratieniveau om te voldoen aan de eis van het voorkomen van ongewenste prikkels.

verevening OZB-capaciteit en overige eigen middelen (OEM) zijn verschillend vorm gegeven In het huidige verdeelstelsel wordt bij de verdeling van de algemene uitkering rekening gehouden met verschillen in OZB-capaciteit als belangrijkste indicator voor verschillen in draagkracht. Daarbij is destijds bewust besloten om uitsluitend verschillen in OZB-capaciteit bij de verdeling te betrekken en andere inkomstenbronnen buiten beschouwing te laten. De reden hiervoor was dat de OZB verreweg de belangrijkste belastingbron van gemeenten is en dat het praktisch niet uitvoerbaar werd geacht om andere algemene eigen inkomsten op vergelijkbare wijze bij de verdeling te betrekken.12 Tegen deze achtergrond is er destijds voor gekozen om in het gemeentefonds op andere wijze rekening te houden met inkomsten van gemeenten uit (algemene) overige eigen middelen (OEM). Alhoewel sprake is van substantiële verschillen tussen gemeenten (ook in dynamisch opzicht), is de inkomstenpotentie van 8 9 10 11 12

Memorie van toelichting Fvw, paragraaf 3.7. Memorie van toelichting Fvw, paragraaf 3.7.1. Daarbij kunnen eisen op gespannen voet met elkaar staan. Memorie van toelichting Fvw, paragraaf 3.3. Memorie van toelichting Fvw, paragraaf 3.7.1. Bovendien werd ervan uit gegaan dat de omvang van de OEM voor gemeenten slechts gedeeltelijk beïnvloedbaar is. Daarnaast werd verondersteld dat het mogelijk verevenen van de OEM voor ‘zuinige gemeenten’ ongunstig kan uitpakken.

Inkomstenverevening in het gemeentefonds

7

gemeenten uit OEM destijds vastgesteld op de feitelijk gemiddelde OEM als percentage van de totale netto lasten. Dit betekent dat uitgavenijkpunten destijds met 5,4% zijn verlaagd omdat men ervan uit ging dat alle gemeenten dit deel van hun netto lasten te dekken uit OEM zouden moeten kunnen bekostigen. Opgemerkt wordt dat dit percentage nooit is herzien in het kader van periodiek onderhoud en dat het volume van de inhouding voor OEM in het gemeentefonds niet is aangepast bij taakmutaties. verevening OZB-capaciteit via vastgestelde rekentarieven Verschillen in OZB-capaciteit tussen gemeenten worden in de verdeling verevend via vaste rekentarieven die historisch zijn bepaald en in beginsel niet worden aangepast. 13 De rekentarieven zijn gebaseerd op de gemiddelde tarieven, waarmee het macrobedrag van de inhouding via de OZB in het gemeentefonds destijds exact aansloot bij de feitelijke OZB-inkomsten van alle gemeenten tezamen.

In het gemeentefonds wordt geen rekening gehouden met feitelijke tariefontwikkelingen omdat deze gebaseerd zijn op gemeentelijk beleid.14 De afgelopen jaren zijn de rekentarieven steeds zodanig aangepast dat de waardestijging wordt geneutraliseerd door een overeenkomstige daling van het rekentarief, waarbij is gecorrigeerd voor areaaluitbreiding en inflatie.15 Dit betekent dat de OZB-inhouding in het gemeentefonds alleen verandert als gevolg van mutaties in de omvang het areaal en niet als gevolg van mutaties in de waarde van het areaal. mate van verevening OZB-capaciteit: differentiatie naar woningen en niet-woningen Om zo veel mogelijk recht te doen aan het derde aspiratieniveau, was in de oorspronkelijke verdeelvoorstellen uitgegaan van een volledige verevening van de OZB-capaciteit. Bij de kamerbehandeling van het wetsvoorstel werd in dit verband gewezen op mogelijk een veronderstelde negatieve prikkelwerking op het gemeentelijk beleid ten aanzien van bedrijfsvestigingen en gemeentelijke inspanningen die een opwaarts effect op de totale waarde van het onroerende zaken zouden hebben. 16 Om deze reden is uiteindelijk besloten de OZB-capaciteit niet volledig te verevenen en tevens een onderscheid te maken tussen woningen en niet-woningen.

Alhoewel ook andere percentages zijn overwogen 17 is uiteindelijk een politiek evenwicht18 gevonden bij een verevening van 70% van de waarde niet-woningen en 80% van de waarde woningen. Het verschil van 10% hangt samen met de veronderstelling dat gemeenten via de andere verdeelmaatstaven nog onvoldoende worden gecompenseerd voor hun kosten in relatie tot de aanwezigheid van niet-woningen. Het overige deel (20/30%) wordt via de maatstaf woonruimten ingehouden op de algemene uitkering van gemeenten. Dit was nodig om aan de blijven sluiten bij het macrovolume van de beoogde inhouding. Voor de maatstaf woonruimten is gekozen vanwege een zo neutraal mogelijke verevenende werking. Daarnaast is destijds overwogen bij de verevening van belastingcapaciteit te differentiëren naar regio’s. Vergelijkbare woningen kunnen in verschillende delen van het land verschillende waarden hebben wat leidt tot een verschillende lastendruk voor de eigenaren respectievelijk de gebruikers. Voor gemeenten in de Randstad (relatief hoog waardeniveau) betekent dit, ten opzichte van sommige andere regio’s met een laag waardeniveau, een hogere belastingcapaciteit en daardoor een lagere algemene uitkering. Destijds is overwogen of het mogelijk is voor deze regionale waardeverschillen een correctie aan te brengen in het verdeelstelsel.

Hier is echter niet voor gekozen omdat het een subjectief element in de verdeling zou 13

14 15 16

17 18

In de Fvw wordt alleen bij eventuele verruiming van het eigen belastinggebied van gemeenten een wijziging van het rekentarief voorzien, omdat dan beoogd wordt het aandeel van de OZB in de algemene middelen te veranderen. Zie memorie van toelichting Fvw, paragraaf 4.3. Memorie van toelichting Fvw, paragraaf 4.3. Zie o.a. circulaires gemeentefonds mei 2000, paragraaf 9.2, mei 2001, paragraaf 7.2 en mei 2005, paragraaf 2.12. In afwachting van de herijking van een aantal clusters in het fysieke domein is destijds het vereveningspercentage voor niet-woningen vastgesteld op 70%. Dit percentage is nadien nooit meer aangepast. Zie Rgf-advies omtrent kostenonderzoek fysieke clusters. Rgf, briefadvies aanpassing verdeelstelsel, 29 oktober 1999.

Inkomstenverevening in het gemeentefonds

8

introduceren. Bovendien treden grote waardeverschillen van vergelijkbare objecten ook binnen regio’s en zelfs binnen gemeenten op.19

2.2.2

Samenvattend overzicht van uitgangspunten en keuzes Fvw Het huidige stelsel beoogt een evenwicht te vinden tussen enerzijds autonomie van gemeenten en anderzijds realisatie van het derde aspiratieniveau (gelijkheidsbeginsel). Op deze schaal van autonomie naar gelijkheid zijn vijf keuzes relevant voor de wijze waarop de inkomstenverevening (i.e. verevening van verschillen in inkomstenpotentie van gemeenten) in het systeem van het gemeentefonds is vorm gegeven. Deze keuzes kunnen worden heroverwogen, waardoor binnen het verdeelsysteem een nieuwe balans20 kan worden gezocht tussen autonomie en het gelijkheidsbeginsel: 1. belastinggrondslag: de WOZ-waarde van onroerende zaken vormt de belastinggrondslag. Met differentiatie naar: a. woningen en niet-woningen; b. 80% van woningen en 70% van niet-woningen; c. omvang areaal. 2. tarief: uitgegaan wordt van drie (vastgestelde) tarieven voor woningen eigenaren en niet-woningen eigenaren en gebruikers; 3. gelijke belastingdruk: gelijke belastingdruk is vertaald in het rekentarief (dat in de OZB-inhoudingsmaatstaf wordt vermenigvuldigd met de belastinggrondslag). Het rekentarief OZB is afgeleid van het historisch bepaalde landelijk gewogen gemiddelde OZB-tarief uit 1992.

Aangezien dit rekentarief – en daarmee de inhouding in het gemeentefonds – alleen wordt aangepast voor mutaties in het areaal en de inflatie (zie eerder), hebben eigen keuzes van gemeenten om met hun OZB-tarieven af te wijken van het rekentarief bewust geen invloed op de hoogte van hun algemene uitkering in het gemeentefonds. Belangrijke notie is dat mutaties in de waarde van het areaal door de aanpassing van het rekentarief uiteindelijk geen invloed hebben op de inhouding en daarmee de algemene uitkering van gemeenten in het gemeentefonds. 4. volume: via de inhouding op de algemene uitkering worden gemeenten momenteel geacht (macro) circa 2,5 miljard euro te dekken met eigen inkomsten uit de OZB; 5. overige inkomsten: overige eigen inkomsten worden niet in de verevening meegenomen maar als percentage van de uitgaven. Momenteel bedraagt de inhouding op de algemene uitkering in verband met veronderstelde inkomsten uit de OEM circa 0,7 miljard euro terwijl de werkelijke inkomsten uit OEM 1,8 miljard bedragen. Naast deze vijf te heroverwegen keuzes is het wenselijk te kijken naar de werking van het stelsel in de praktijk, tegen de achtergrond van de uitgangspunten en eisen van het verdeelstelsel en beoogde functies van gemeentelijke belastingen. In de Fvw wordt een drietal functies van gemeentelijke belastingen onderscheiden (zie eerder).

Het is mogelijk dat zich de afgelopen jaren ontwikkelingen hebben voorgedaan waardoor de genoemde functies niet meer in balans zijn. Als typen gemeenten eigen inkomsten vooral moeten inzetten om onvolkomenheden in het verdeelstelsel of onverwachte tegenvallers (bijvoorbeeld als gevolg van krimp) op te vangen, dan wordt hun bestedingsautonomie aangetast. De functie om bewust het voorzieningenniveau te verhogen of te verlagen (vrije zoom voor eigen autonoom beleid) komt daarmee mogelijk in het gedrang. Een en ander betekent dat ook gekeken moet worden naar:

19 20

Memorie van toelichting Fvw, paragraaf 3.7.3.1 Waarbij dient te worden opgemerkt dat ook binnen de huidige systematiek het derde aspiratieniveau niet volledig is doorgevoerd. Bij de totstandkoming van de Fvw is hier op onderdelen (veelal bewust) vanaf geweken.

Inkomstenverevening in het gemeentefonds

9

6.

dynamiek: ontwikkelingen in de praktijk die een relatie hebben met de uitgangspunten en eisen van het verdeelstelsel en de beoogde functies van gemeentelijke belastingen.

toepassing beoordelingskader in huidig onderzoek Om de onderzoeksvragen te beantwoorden worden de ontwikkelingen in de OZB en OEM sinds de invoering van de Fvw in beeld gebracht, evenals de uitkomsten van de verevening van deze eigen inkomsten in het huidige gemeentefonds (zie verder hoofdstuk 3). De uitkomsten worden nader geduid door een analyse te maken van de huidige uitwerking van de inkomstenverevening in het gemeentefonds in relatie tot: • hetgeen wordt beoogd met de Fvw (zie paragraaf 2.2.1); • de opgaven voor centrumgemeenten en de effecten van groei en krimp (zie ook ‘Maak Verschil’ en ‘Rekening houden met verschil’).

2.3

Wijze van signalering signalering op basis van analyse structuurgroepen Het derde aspiratieniveau impliceert dat wanneer gemeenten worden gegroepeerd op basis van kostenbepalende structuurkenmerken, de verdeling in het gemeentefonds geen systematische scheefheden te zien mag geven. Met andere woorden: uitkomsten van de verdeling mogen tussen structuurgroepen geen duidelijke samenhang vertonen. Wanneer dit namelijk wel het geval is, zou dit kunnen betekenen dat het betreffende structuurkenmerk niet (adequaat) is verdisconteerd in het verdeelsysteem. Eventuele onvolkomenheden in de verdeling kunnen derhalve worden opgespoord door ontwikkelingen in gemeentelijke uitgaven en inkomsten te analyseren waarbij gemeenten zijn ingedeeld op basis van structuurkenmerken. Deze werkwijze volgt uit de keuzes en uitgangspunten in de Fvw en wordt door BZK (als signaalfunctie) jaarlijks toegepast in het kader van het Periodiek onderhoud gemeentefonds (POR). structuurgroepen sluiten aan bij Fvw en gekozen aandachtsgebieden (groei en krimp) In de Fvw wordt de verevening van inkomsten beschouwd als sluitstuk van de verdeling die is gericht op de realisatie van het derde aspiratieniveau. Dit betekent dat eventuele onvolkomenheden in de verdeling tot uiting zullen komen in afwijkende niveaus van eigen inkomsten die bepaalde typen gemeenten realiseren (zie ook paragraaf 3.3).

In 1997 was een belangrijke doelstelling van de Fvw om beter rekening te houden met kostenverschillen die samenhangen met de sociale structuur en de centrumfunctie van gemeenten. In de verdeling tot 1997 (zie Fvw 1984) werd daar geen rekening mee gehouden. Deze structuurkenmerken spelen daarom een belangrijke rol bij het signaleren van onvolkomenheden in de verdeling die tot uiting komen in de eigen inkomsten van gemeenten. Daarnaast is vanuit verschillende trajecten (zie Rekening houden met verschil) aandacht gevraagd voor de positie van groei- en krimpgemeenten.

Inkomstenverevening in het gemeentefonds

10

Tegen deze achtergrond worden in het onderhavige onderzoek zowel ontwikkelingen van de OZB en OEM als de uitkomsten van de inkomstenverevening steeds gepresenteerd voor een aantal structuurgroepen op basis van de gemeentelijke indeling 2017. Door voor alle jaren de gemeentelijke indeling van 2017 te hanteren wordt de vergelijkbaarheid van structuurgroepen gewaarborgd. Naast een indeling van alle gemeenten naar inwoneromvang gaat het om de volgende structuurgroepen21 van gemeenten: • gemeenten ingedeeld naar sociale structuur; 22 • gemeenten ingedeeld naar centrumfunctie;23 • het gemiddelde voor de gemeenten tezamen; • de laagste en hoogste scores van individuele gemeenten; • enkele groepen van 40 gemeenten, ingedeeld op basis van de volgende structuurkenmerken: o centrumgemeenten24; o randgemeenten25; o groeigemeenten26; o krimpgemeenten27.

21

22 23 24 25 26 27

De gemeenten zijn zodanig gegroepeerd dat in elke groep ongeveer evenveel inwoners vertegenwoordigd zijn. Daarbij zijn de G4 en de Waddengemeenten steeds buiten beschouwing gebleven. Het blijkt dat de verschillen tussen structuurgroepen vaak groter zijn dan de verschillen binnen een groep. Indien relevant wordt dit in hoofdstuk 3 en 4 benoemd. Uiteindelijk gaat het bij het vergelijken van groepen niet zo zeer om de vraag of deze significant van elkaar verschillen maar of er bepaalde patronen (stijgen/dalen/u-vorm tussen groepen) zichtbaar zijn die zouden kunnen duiden op onvolkomenheden in de verdeling. Op basis van het aantal inwoners met een uitkering als percentage van het totale inwonertal van gemeenten. Op basis van het regionale klantenpotentieel in relatie tot het eigen inwonertal van gemeenten. Dit zijn gemeenten met het grootste regionale klantenpotentieel ten opzichte van hun inwonertal. Dit zijn gemeenten met het kleinste lokale klantenpotentieel ten opzichte van hun inwonertal. Dit zijn gemeenten waar het aantal woonruimten de afgelopen 20 jaar het sterkst is toegenomen. Dit zijn gemeenten waar het aantal inwoners de afgelopen 20 jaar het sterkst is afgenomen.

Inkomstenverevening in het gemeentefonds

11

3

Ontwikkelingen 1997-2017

3.1

Huidig beeld beschikbare algemene middelen verschillen in feitelijke OZB als indicatie voor scheefheden verdeling gemeentefonds Eén van de functies van gemeentelijke belastingen is het opvangen van onvolkomenheden in de verdeelsleutel van het gemeentefonds (zie paragraaf 2.2.1). Dit impliceert dat verschillen in feitelijke OZB-inkomsten tussen typen gemeenten een indicatie kunnen zijn van scheefheden in de verdeling (functie 3), waarbij wordt aangenomen dat de effecten van de eerste twee functies binnen typen willekeurig over gemeenten verdeeld zijn. Wanneer in de verdeling van het gemeentefonds het derde aspiratieniveau wordt gerealiseerd, betekent dit dat alle typen gemeenten via het gemeentefonds voldoende middelen beschikbaar krijgen om hun taken adequaat (gemiddeld efficiënt) uit te kunnen voeren. In lijn met de Fvw is het uitgangspunt van het onderzoek dat de mate waarin dit wordt gerealiseerd, kan worden afgeleid uit het relatieve niveau van de feitelijke inkomsten uit OZB (en OEM) dat gemeenten genereren.28 Wanneer gemeenten immers te weinig middelen via het gemeentefonds ontvangen, zullen zij aanvullende middelen proberen te genereren via extra OZBinkomsten, mede afhankelijk van de beschikbare OEM.

overzichtstabel huidige samenstelling beschikbare algemene middelen In de onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de totale beschikbare algemene middelen voor typen gemeenten in 2017. Daarbij worden de volgende componenten onderscheiden: • kolom 1: de beschikbare middelen op basis van de uitgavenijkpunten die ten grondslag liggen aan het gemeentefonds; • kolom 2: de inhouding in het gemeentefonds in verband met inkomsten uit OEM; • kolom 3: de inhouding in het gemeentefonds in verband met inkomsten uit OZB; • kolom 4: de algemene uitkering in het gemeentefonds (som kolommen 1 t/m 3); • kolom 5: de feitelijke inkomsten uit OEM; • kolom 6: de feitelijke inkomsten uit OZB, gespecificeerd naar het woningendeel (kolom 7) en het nietwoningendeel (kolom 8). We merken op dat de verschillen tussen structuurgroepen (grootteklasse, centrumfunctie en sociale structuur) voor de feitelijke OZB en OEM (per inwoner) significant zijn.29

28 29

Memorie van Toelichting par. 3.7.1. T-test ANOVA one-way 95% betrouwbaarheid.

Inkomstenverevening in het gemeentefonds

12

Tabel 3.1:

Samenstelling beschikbare algemene middelen in 2017 voor diverse (groepen) gemeenten. Bedragen in euro’s per inwoner. (1)

(2)

(3)

(4)

(5)

(6)

(7)

(8)

gemeenten 0-20.000 inwoners

TOTAAL uitgaven ijkpunten 1.469

inhoud OEM -39

inhoud OZB -152

TOTAAL AU (1+2+3) 1.278

feitelijke OEM 103

feitelijke OZB 214

wv OZB won 130

wv OZB nwon 84

20-50.000 inwoners

1.491

-39

-150

1.302

68

205

121

84

50-100.000 inwoners

1.754

-43

-146

1.565

48

223

113

110

100-250.000 inwoners

1.995

-46

-153

1.796

51

272

122

151

>250.000 inwoners

2.476

-69

-188

2.219

263

248

72

175

TOTAAL NL

1.790

-45

-155

1.590

90

231

114

117

structuurgroepen excl. G4 en Waddengemeenten zeer sterke sociale structuur

1.296

-37

-160

1.100

75

211

126

85

sterke sociale structuur

1.423

-38

-156

1.229

84

208

119

89

matige sociale structuur

1.684

-43

-148

1.494

54

224

119

105

zwakke sociale structuur

1.844

-44

-148

1.653

53

226

112

114

zeer zwakke sociale structuur

2.153

-47

-138

1.969

35

270

125

145

zeer zwakke centrumfunctie

1.378

-37

-156

1.184

86

212

128

84

zwakke centrumfunctie

1.415

-38

-153

1.224

72

209

123

86

matige centrumfunctie

1.583

-41

-147

1.394

57

207

113

94

sterke centrumfunctie

1.855

-44

-142

1.669

50

232

116

116

zeer sterke centrumfunctie

2.155

-47

-150

1.958

37

278

122

156

alle gemeenten

1.681

-42

-150

1.489

63

228

120

108

laagste scores*

1.085

-32

-95

780

-263

99

68

23

hoogste scores*

2.967

-65

-301

2.777

850

735

306

575

centrumgemeenten

2.064

-46

-148

1.869

45

263

119

144

randgemeenten

1.266

-36

-156

1.074

73

208

134

74

groeigemeenten

1.471

-39

-148

1.284

51

231

119

112

64

258

132

126

krimpgemeenten 1.874 -43 -143 1.688 * Per inkomstenbron, dus bij deze regels gaat achter elke cel andere gemeenten schuil.

Bij de bovenstaande tabel wordt het volgende opgemerkt: • tussen centrum- en randgemeenten is een duidelijk verschil in feitelijke OZB-opbrengsten te zien, met name bij niet-woningen. Randgemeenten genereren relatief lage OZB-opbrengsten, terwijl centrumgemeenten30 relatief hoge OZB-opbrengsten genereren (zie verder paragraaf 3.2); • verder valt op dat krimpgemeenten relatief veel OZB-inkomsten genereren. Dit zou kunnen betekenen dat dit type gemeenten relatief te weinig middelen uit het gemeentefonds ontvangt; • daarnaast is het niveau van OZB-opbrengsten relatief hoog in gemeenten met een zeer zwakke sociale structuur en zeer sterke centrumfunctie. • bij de OEM sprake is van substantiële inkomstenverschillen tussen typen gemeenten (zie verder paragraaf 3.3). Opvallend zijn de relatief hoge feitelijke inkomsten uit OEM bij de G4. Daarbij is er een relatie tussen erfpacht en de opbrengst uit OZB (woningen).31 Erfpacht en OZB drukken beide op eigenaren waardoor deze (door betreffende gemeenten) in combinatie worden beschouwd.

30 31

Dit is ook te zien bij de groep gemeenten met 100.000-250.000 inwoners, waarin relatief veel centrumgemeenten vertegenwoordigd zijn. Dit is een structureel beeld (zie paragraaf 3.3 en bijlage). Overigens is dit ook het geval bij de Waddengemeenten, terwijl deze ook relatief veel OZB-inkomsten genereren.

Inkomstenverevening in het gemeentefonds

13

toekomstige opgaven gemeenten Opgemerkt wordt dat de overzichtstabel een beeld geeft van de beschikbare algemene middelen in de huidige situatie. Diverse aandachtspunten die in het kader van de heroverweging (zie Rekening houden met verschil) aan de orde zijn gesteld, hebben echter te maken met toekomstige opgaven van (centrum- en groei) gemeenten. Deze opgaven hebben met name betrekking op de openbare ruimte van gemeenten (ontwikkeltaken in de sfeer van infrastructurele werken en ruimtelijke ordening c.q. herstructurering). Vanuit de betreffende uitgavenclusters bestaat echter ook een relatie met overige eigen middelen van gemeenten, met name in de sfeer van grondexploitaties en gemeentelijke belastingen. Tot enkele jaren geleden ontvingen bepaalde gemeenten ook substantiële specifieke geldstromen32 voor dergelijke taken, waardoor gemeenten in verschillende uitgangsposities zijn gebracht. Belangrijke vraag is in hoeverre in de verdeling van het gemeentefonds, ook in relatie tot toekomstige opgaven (investeringen) van gemeenten en eigen inkomsten, rekening moet worden gehouden met verschillen in OEM (zie ook paragraaf 3.3). conclusie De huidige verschillen in feitelijke OZB-opbrengsten tussen groepen gemeenten zijn relatief beperkt. Met name bij centrumgemeenten en gemeenten met een zwakke sociale structuur is er sprake van duidelijk hogere OZB-inkomsten.

Daarnaast zien ook randgemeenten en krimpgemeenten zich genoodzaakt iets hogere OZB-inkomsten te genereren. Dit geeft aanleiding om deze typen gemeenten een plaats te geven in de heroverweging van de financiële verhoudingen. In de volgende paragrafen wordt nader ingegaan op de ontwikkelingen die zich de afgelopen 20 jaren hebben voorgedaan met betrekking tot de eigen inkomsten van gemeenten.

3.2

Ontwikkelingen onroerende zaakbelasting (OZB) ontwikkeling opbrengsten en inhouding OZB Bij de inhouding in het gemeentefonds in verband met mogelijkheden van gemeenten om eigen inkomsten uit OZB te genereren, wordt onderscheid gemaakt naar OZB uit woningen en niet-woningen. Daarnaast wordt een deel ingehouden via het aantal woonruimten (onafhankelijk van hun waarde). In de periode 1997-2017 is de inhouding OZB gestegen van 2,1 miljard euro tot 2,7 miljard euro. De feitelijke inkomsten uit de OZB zijn in deze periode toegenomen van 2,3 miljard euro naar 3,9 miljard euro. Dit betekent dat gemeenten in 2017 circa 1,2 miljard euro meer OZB genereren dan waarmee in het gemeentefonds rekening wordt gehouden. In de onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van een aantal ontwikkelingen 33 met betrekking tot de OZB in de periode 1997-2017: • mutatie WOZ-waarde voor woningen (kolom 1) en niet-woningen (kolom 2) in euro’s per inwoner; • mutatie OZB-tarieven voor woningen (kolom 3) en niet-woningen (kolom 4); • mutatie feitelijke totale OZB-opbrengst in euro’s per inwoner (kolom 5); • mutatie inhouding OZB in gemeentefonds (inclusief het deel dat via woonruimten wordt ingehouden) (kolom 6).

32

33

Daarbij wordt gedoeld op middelen uit het investeringsbudget stedelijke vernieuwing (ISV). Alhoewel deze uitkeringen enkele jaren geleden zijn beëindigd hebben sommige gemeenten van uit deze middelen substantiële reserves aangelegd ten behoeve van toekomstige investeringen. Het betreft de nominale ontwikkelingen uitgedrukt in euro’s per inwoner als percentage van de situatie in 1997.

Inkomstenverevening in het gemeentefonds

14

Tabel 3.2:

Ontwikkeling waarde, tarieven en feitelijke opbrengst OZB en inhouding in gemeentefonds voor diverse (groepen) gemeenten. Periode 1997-2017.

0-20.000 inwoners

(1) mutatie waarde WOZ won 198%

(2) mutatie waarde WOZ nwon 114%

(3) mutatie tarief OZB won -44%

(4) mutatie tarief OZB nwon 52%

(5) mutatie feitelijke opbrengst OZB 106%

(6) mutatie inhouding OZB in GF 15%

20-50.000 inwoners

191%

106%

-49%

43%

87%

13%

50-100.000 inwoners

186%

80%

-58%

41%

62%

10%

100-250.000 inwoners

186%

81%

-63%

38%

54%

11%

>250.000 inwoners

231%

54%

-83%

-2%

3%

16%

194%

85%

-60%

28%

58%

13%

gemeenten

TOTAAL NL

structuurgroepen excl. G4 en Waddengemeenten

*

zeer sterke sociale structuur

190%

103%

-47%

59%

96%

13%

sterke sociale structuur

191%

104%

-48%

57%

96%

14%

matige sociale structuur

190%

89%

-59%

37%

58%

12%

zwakke sociale structuur

188%

94%

-57%

36%

69%

13%

zeer zwakke sociale structuur

182%

78%

-60%

37%

58%

9%

zeer zwakke centrumfunctie

196%

104%

-46%

55%

99%

14%

zwakke centrumfunctie

186%

100%

-46%

61%

97%

11%

matige centrumfunctie

193%

103%

-56%

34%

70%

14%

sterke centrumfunctie

181%

94%

-60%

34%

57%

11%

zeer sterke centrumfunctie

190%

71%

-63%

39%

55%

10%

alle gemeenten

189%

93%

-55%

41%

73%

12%

laagste scores*

116%

7%

-73%

-36%

3%

-11%

hoogste scores*

323%

569%

6%

258%

335%

74%

centrumgemeenten

191%

76%

-63%

37%

55%

11%

randgemeenten

197%

88%

-42%

64%

105%

12%

groeigemeenten

171%

91%

-50%

70%

89%

9%

krimpgemeenten 177% 108% -47% 52% 100% 12% Gemiddelde 5 meest extreme scores per inkomstenbron, dus bij deze regels gaan achter elke cel andere gemeenten schuil.

Bij de bovenstaande tabel wordt het volgende opgemerkt: 34 • de waarde van woningen is fors gestegen. 35 Deze waardestijging is in de meeste gemeenten gecompenseerd door een daling van het OZB-tarief voor woningen; • bij niet woningen is de waardestijging minder fors. Bij de meeste gemeenten is dit gepaard gegaan met een substantiële stijging van het OZB-tarief voor niet-woningen; • per saldo hebben deze ontwikkelingen er toe geleid dat de feitelijke OZB-opbrengsten gemiddeld met circa 58% zijn toegenomen in de periode 1997-2017. De stijging is het sterkst bij kleinere gemeenten en gemeenten met een sterke sociale structuur. Bij de G4 is er sprake van een zeer beperkte toename van de OZB-opbrengsten; • verder valt op dat zowel bij randgemeenten als krimpgemeenten sprake is van een bovengemiddelde stijging van de OZB-opbrengsten. Bij beide typen gemeenten hangt dit onder andere samen met het

34

35

De gepresenteerde percentages hebben betrekking op nominale ontwikkelingen. De inflatie in de afgelopen 20 jaar bedroeg gemiddeld circa 1,9% per jaar. Naast de beelden uit de structuurgroepen (zie tabel 3.2) wordt opgemerkt dat de waardeontwikkeling in de randstad enigszins is achtergebleven in vergelijking met ander delen bijv. in Groningen, Friesland, Overijssel, Zeeland en Noord-Brabant. Dit is in tegenstelling tot hetgeen vaak wordt verondersteld. Er wordt (onterecht) vanuit gegaan dat de relatieve stijging van de WOZ-waarde in de randstad groter is dan in andere delen van het land.

Inkomstenverevening in het gemeentefonds

15

•

•

gegeven dat zij hun OZB-tarief voor woningen minder dan gemiddeld hebben verlaagd en hun OZBtarief voor niet-woningen bovengemiddeld hebben verhoogd; bij centrumgemeenten is er – ondanks een bovengemiddelde stijging van de WOZ-waarde van woningen – juist sprake van een relatief beperkte stijging van de feitelijke OZB-opbrengsten. Dit komt met name doordat deze gemeenten hun OZB-tarief voor woningen relatief sterker hebben verlaagd in de afgelopen 20 jaar; de inhouding in het gemeentefonds is in dezelfde periode toegenomen met gemiddeld 13%. Daarbij is de inhouding voor groeigemeenten wat achtergebleven bij het gemiddelde en is de inhouding voor de kleinste gemeenten en de G4 juist wat sterker dan gemiddeld toegenomen. Aangezien het rekentarief wordt gecorrigeerd voor ontwikkelingen in de waarde van het bestaande areaal en de inflatie, zou de toename van de inhouding de ontwikkeling van het OZB-areaal moeten weerspiegelen.36

In de onderstaande figuur wordt een overzicht gegeven van de jaarlijkse ontwikkeling van de feitelijke inkomsten uit de OZB en de inhouding voor OZB in het gemeentefonds.

In de bovenstaande figuur is te zien dat zowel de feitelijke inkomsten uit OZB als de inhouding in het gemeentefonds duidelijk zijn toegenomen in de afgelopen 20 jaar. De daling in 2006 hangt samen met de afschaffing van het gebruikersdeel van de OZB voor eigenaren. verdeling feitelijke OZB-opbrengsten over groepen gemeenten Aangezien het opvangen van onvolkomenheden in de verdeelsleutel van het gemeentefonds als één van de functies van gemeentelijke belastingen wordt gezien, kunnen verschillen in de feitelijke OZB-opbrengsten tussen (typen) gemeenten een aanwijzing vormen voor scheefheden in de verdeling van het gemeentefonds (zie ook paragraaf 2.3). In de onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de feitelijke OZB-opbrengsten in 1997 en 2017 voor diverse (groepen) gemeenten.

36

Opgemerkt wordt dat in de periode 1997-2017 het aantal woonruimten in Nederland met circa 16% is toegenomen.

Inkomstenverevening in het gemeentefonds

16

Tabel 3.3:

Feitelijke OZB-opbrengsten voor diverse (groepen) gemeenten in 1997 en 2017. Bedragen in euro’s per inwoner. (1)

(2)

(4)

(5)

opbrengst OZBnwon 1997 26

(3) TOTAAL opbrengst OZB 1997 104

opbrengst OZBwon 2017 130

opbrengst OZBnwon 2017 84

(6) TOTAAL opbrengst OZB 2017 214

gemeenten 0-20.000 inwoners

opbrengst OZBwon 1997 78

20-50.000 inwoners

81

29

109

121

84

205

50-100.000 inwoners

94

43

138

113

110

223

100-250.000 inwoners

116

60

177

122

151

272

>250.000 inwoners

126

116

242

72

175

248

97

49

146

114

117

231

TOTAAL NL

structuurgroepen excl. G4 en Waddengemeenten

*

zeer sterke sociale structuur

81

26

107

126

85

211

sterke sociale structuur

78

28

106

119

89

208

matige sociale structuur

101

40

141

119

116

224

zwakke sociale structuur

91

43

134

117

119

226

zeer zwakke sociale structuur

111

60

171

117

131

270

zeer zwakke centrumfunctie

80

27

107

128

84

212

zwakke centrumfunctie

79

27

106

123

86

209

matige centrumfunctie

87

35

122

113

94

207

sterke centrumfunctie

103

45

148

116

116

232

zeer sterke centrumfunctie

114

66

179

122

152

278

alle gemeenten

92

40

132

120

108

228

laagste scores*

34

0

47

57

23

99

hoogste scores*

318

157

404

338

575

735

centrumgemeenten

111

60

170

103

158

263

randgemeenten

78

24

102

134

74

208

groeigemeenten

88

34

122

115

126

231

krimpgemeenten 89 40 129 133 Per inkomstenbron, dus bij deze regels gaan achter elke cel andere gemeenten schuil.

127

258

In bovenstaande tabel is te zien dat de verschillen in feitelijke OZB-opbrengsten tussen verschillende typen gemeenten in de periode 1997-2017 duidelijk zijn afgenomen. Dit is een aanwijzing dat dat de scheefheden in de verdeling van de algemene middelen in het gemeentefonds zijn afgenomen en de verdeling dichter bij het derde aspiratieniveau is gekomen (zie ook paragraaf 2.2.1). Verder wordt opgemerkt dat de OZB-opbrengsten in zowel groei- als krimpgemeenten in 1997 lager dan gemiddeld waren, terwijl met name de krimpgemeenten in 2017 duidelijk meer dan de gemiddelde OZBopbrengsten genereren. Bij centrumgemeenten is te zien dat hun OZB-opbrengsten hoger zijn dan gemiddeld, alhoewel dit verschil wel duidelijk is afgenomen in de afgelopen jaren.37 Bij de randgemeenten is het omgekeerde het geval. spreiding OZB tussen individuele gemeenten De spreiding in waarde, tarieven en opbrengsten OZB tussen individuele gemeenten kan worden geïndiceerd met de variatiecoëfficiënt, waarbij de relatieve spreiding (standaarddeviatie) wordt gerelateerd aan het gemiddelde38. 37 38

Dit effect werkt ook door in de groep gemeenten met de grootste inwonertallen en een zeer zwakke sociale structuur. Voor deze maat is gekozen omdat de gemiddelden tussen de jaren sterk uiteen lopen.

Inkomstenverevening in het gemeentefonds

17

In de onderstaande tabel worden de variatiecoëfficiënten weergegeven voor de WOZ-waarden, de OZBtarieven en de OZB-opbrengsten per inwoner in 1997 en 2017. Tabel 3.4:

Variantiecoëfficiënten WOZ-waarden, OZB-tarieven en OZB-opbrengsten per gemeente in 1997 en 2017. (1) won 1997 0,285

(2) nwon 1997 0,353

(3) TOTAAL 1997 0,236

(4) won 2017 0,314

(5) nwon 2017 0,342

(6) TOTAAL 2017 0,274

OZB-tarieven

0,314

0,280

0,302

0,266

0,283

0,283

OZB-opbrengsten per inwoner

0,272

0,408

0,280

0,286

0,447

0,279

WOZ-waarde per woonruimte

Uit de variatiecoëfficiënten in bovenstaande tabel is af te leiden dat de spreiding in de WOZ-waarden (met name van woningen) in de afgelopen 20 jaren per saldo duidelijk is toegenomen. Daar staat tegenover dat de spreiding in de OZB-tarieven (met name voor het woningendeel) in deze periode per saldo is afgenomen. Als deze twee ontwikkelingen worden gecombineerd, blijkt dat de spreiding in de totale OZB-opbrengsten is in de afgelopen jaren per saldo nauwelijks is veranderd. De WOZ-waarden zijn vooral gestegen in gemeenten waar deze in 1997 relatief laag was. Veel gemeenten hebben de gestegen WOZ-waarde (deels) gecompenseerd door hun OZB-tarieven te verlagen, om de lasten voor hun burgers niet te veel te laten toenemen.39 conclusies met betrekking tot ontwikkelingen OZB De afgelopen jaren is de WOZ-waarde van woningen fors gestegen. Bij niet-woningen is de waardestijging minder sterk. Veel gemeenten hebben de gestegen WOZ-waarde voor woningen (deels) gecompenseerd door hun OZB-tarieven te verlagen, terwijl de tarieven voor niet-woningen juist sterk zijn verhoogd. Dit heeft per saldo geleid tot een substantiële toename van de OZB-inkomsten uit niet-woningen. Uit de analyse van de ontwikkeling blijkt dat de verschillen in OZB-opbrengsten tussen typen gemeenten de afgelopen 20 jaar – zoals met de Fvw werd beoogd – zijn afgenomen.

3.3

Ontwikkeling overige eigen middelen (OEM) ontwikkeling opbrengsten en inhouding OEM De inhouding voor OEM is qua volume gebaseerd op de feitelijke historische OEM en geoperationaliseerd als percentage van de uitgavenijkpunten. Dit percentage is vertaald in gewichten per uitgavenmaatstaf, waardoor de inhouding OEM meeloopt met de ontwikkeling van de volumina van de uitgavenmaatstaven. Daardoor is de inhouding OEM in de afgelopen jaren gestegen van circa 470 miljoen euro in 1997 tot bijna 780 miljoen euro in 2017. De feitelijke inkomsten van gemeenten uit OEM zijn in de periode 1997-2017 gestegen van 0,6 miljard euro tot 1,5 miljard euro. Dit betekent dat gemeenten in 2017 circa 0,7 miljard euro meer OEM genereren dan waarmee in het gemeentefonds rekening wordt gehouden. In de onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de ontwikkeling van de inhouding OEM in de periode 1997-2017 voor diverse (groepen) gemeenten. Tevens zijn de feitelijke inkomsten uit OEM in 2017 weergegeven.

39

Vaak worden de OZB-tarieven alleen aangepast voor inflatie.

Inkomstenverevening in het gemeentefonds

18

Tabel 3.5:

Ontwikkeling inhouding OEM in periode 1997-2017 voor diverse (groepen) gemeenten. Bedragen in euro’s per inwoner. (1)

(2) inhouding OEM in 2017 -39

(3) mutatie inhouding OEM 1997-2017 -14

gemeenten 0-20.000 inwoners

inhouding OEM in 1997 -24

20-50.000 inwoners

feitelijke OEM in 2017 103

-25

-39

-14

68

50-100.000 inwoners

-28

-43

-14

48

100-250.000 inwoners

-32

-46

-14

51

>250.000 inwoners

-49

-69

-21

263

-30

-45

-15

90

TOTAAL NL

(4)

structuurgroepen excl. G4 en Waddengemeenten

*

zeer sterke sociale structuur

-23

-37

-14

75

sterke sociale structuur

-24

-38

-14

84

matige sociale structuur

-28

-43

-15

54

zwakke sociale structuur

-29

-44

-15

53

zeer zwakke sociale structuur

-33

-47

-14

35

zeer zwakke centrumfunctie

-24

-37

-14

86

zwakke centrumfunctie

-24

-38

-14

72

matige centrumfunctie

-26

-41

-15

57

sterke centrumfunctie

-29

-44

-15

50

zeer sterke centrumfunctie

-34

-47

-13

37

alle gemeenten

-27

-42

-15

63

laagste scores*

-45

-65

-29

-209

hoogste scores*

-20

-32

-7

850

centrumgemeenten

-33

-46

-14

45

randgemeenten

-23

-36

-13

73

groeigemeenten

-26

-39

-13

51

-16

64

krimpgemeenten -27 -43 Per inkomstenbron, dus bij deze regels gaan achter elke cel andere gemeenten schuil.

Bij de bovenstaande tabel wordt het volgende opgemerkt: • door de koppeling aan de uitgavenijkpunten is de inhouding OEM relatief groter bij gemeenten met een zwakkere sociale structuur en een centrumfunctie (zowel in 1997 en 2017); • de afgelopen jaren is de inhouding OEM iets sterker gestegen bij krimpgemeenten en de G4; • bij de feitelijke inkomsten uit OEM (kolom 4) is geen duidelijke relatie met structuurkenmerken waarneembaar. Opvallend is dat zowel gemeenten met een zwakke sociaal structuur als centrumgemeenten in 2017 over relatief weinig inkomsten uit OEM beschikken. Gemeenten met een zeer zwakke sociale structuur hebben relatief weinig OEM door lage belastingbaten, relatief hogere uitgaven voor taken gerelateerd aan economische zaken. Zoals eerder opgemerkt is er sprake van grote verschillen tussen individuele gemeenten (zie paragraaf 2.2). In de onderstaande figuur wordt een overzicht gegeven van de jaarlijkse ontwikkeling van de feitelijke inkomsten uit de OEM en de inhouding voor OEM in het gemeentefonds.

Inkomstenverevening in het gemeentefonds

19

In de bovenstaande figuur is te zien dat de feitelijke inkomsten uit OEM forse schommelingen in de tijd kent, terwijl de inhouding in het gemeentefonds een geleidelijk, licht stijgend verloop heeft. ontwikkeling componenten OEM In de onderstaande tabellen wordt een overzicht gegeven van de samenstelling van de feitelijke OEM 40 in 1997 en 2017. Daarbij worden de feitelijke inkomsten uit OEM (op basis van Iv3-gegevens), uitgesplitst naar de volgende componenten: • treasury (o.a. inkomsten uit beleggingen en leningen); • belastingen (met name toeristenbelasting, precario, hondenbelasting en enkele overige gemeentelijke belastingen, niet zijnde OZB)41; • economische zaken (o.a. inkomsten uit nutsbedrijven en marktgelden); • grondexploitaties; • overige algemene eigen inkomsten (o.a. openbaar vervoer, zee- en luchthavens).

40 41

Op basis van Iv3-gegevens. Exclusief parkeerbelasting. Deze inkomsten zijn in het gemeentefonds ondergebracht bij het uitgavencluster Wegen en water.

Inkomstenverevening in het gemeentefonds

20

Tabel 3.6:

Samenstelling OEM in 1997 voor diverse (groepen) gemeenten. Bedragen in euro’s per inwoner. (1)

(2)

(3)

(4)

(5)

gemeenten 0-20.000 inwoners 20-50.000 inwoners 50-100.000 inwoners 100-250.000 inwoners >250.000 inwoners TOTAAL NL

treasury belasting EZ GREX overig 21 12 6 -1 0 23 8 4 -1 0 24 6 5 -3 -1 21 7 8 -1 -1 37 27 -6 -11 3 25 10 4 -3 0 structuurgroepen excl. G4 en Waddengemeenten zeer sterke sociale structuur 27 8 6 -1 0 sterke sociale structuur 21 9 6 0 0 matige sociale structuur 22 7 5 -1 -1 zwakke sociale structuur 19 8 11 -2 -1 zeer zwakke sociale structuur 24 6 1 -4 -1 zeer zwakke centrumfunctie 24 10 6 -1 0 zwakke centrumfunctie 22 8 4 -1 0 matige centrumfunctie 22 7 5 -2 -1 sterke centrumfunctie 25 7 4 -2 -1 zeer sterke centrumfunctie 21 6 9 -2 -1 alle gemeenten 23 8 6 -1 -1 laagste scores* -12 0 -20 -96 -19 hoogste scores* 187 119 59 51 7 centrumgemeenten 21 7 8 -1 -1 randgemeenten 25 8 5 0 0 groeigemeenten 18 7 4 0 -1 krimpgemeenten 18 11 3 -3 -1 * Per inkomstenbron, dus bij deze regels gaat achter elke cel andere gemeenten schuil.

Tabel 3.7:

(6) TOTAAL OEM 37 34 32 35 51 36

(7) OEM excl. grex 38 35 35 35 62 39

40 35 33 35 25 39 34 31 32 32 34 -95 206 33 37 28 28

41 35 34 37 29 40 34 33 34 34 36 -7 218 35 37 28 31

Samenstelling OEM in 2017 voor diverse (groepen) gemeenten. Bedragen in euro’s per inwoner. (1)

gemeenten 0-20.000 inwoners 20-50.000 inwoners 50-100.000 inwoners 100-250.000 inwoners >250.000 inwoners TOTAAL NL

(2)

(3)

(4)

(5)

treasury belasting EZ GREX overig 43 41 18 1 -1 31 35 0 5 -3 42 22 -16 1 -1 55 26 -20 -4 -7 149 55 -11 94 -25 56 34 -7 14 -6 structuurgroepen excl. G4 en Waddengemeenten zeer sterke sociale structuur 33 37 4 3 -3 sterke sociale structuur 37 39 6 3 -1 matige sociale structuur 38 31 -15 3 -3 zwakke sociale structuur 46 21 -5 -6 -2 zeer zwakke sociale structuur 51 19 -30 2 -7 zeer zwakke centrumfunctie 34 40 10 4 -1 zwakke centrumfunctie 35 36 3 1 -3 matige centrumfunctie 43 27 -12 3 -4 sterke centrumfunctie 33 27 -20 7 2 zeer sterke centrumfunctie 59 17 -20 -9 -10 alle gemeenten 41 30 -7 1 -3 laagste scores* -232 0 -124 -175 -61 hoogste scores* 347 332 377 178 99 centrumgemeenten 50 23 -21 -2 -5 randgemeenten 28 38 9 -2 0 groeigemeenten 22 34 -3 0 -2 krimpgemeenten 42 33 -10 2 -2 * Per inkomstenbron, dus bij deze regels gaat achter elke cel andere gemeenten schuil.

Inkomstenverevening in het gemeentefonds

(6) TOTAAL OEM 103 68 48 51 263 90

(7) OEM excl. grex 102 63 47 54 168 76

75 84 54 53 35 86 72 57 50 37 63 -209 699 45 73 51 64

72 81 51 60 33 82 71 54 43 46 61 -232 698 48 75 51 62

21

Bij bovenstaande tabellen wordt het volgende opgemerkt: 42 • sinds 1997 is vooral een toename te zien in de omvang van de treasury43 waarbij met name de G4 opvalt en inkomsten uit overige belastingen (niet zijnde OZB); • de inkomsten uit grondexploitaties zijn in totaal nauwelijks een relevante OEM-component. Wel is er sprake van grote verschillen tussen individuele gemeenten en sterke fluctuaties tussen jaren. De grote verschillen in feitelijke inkomsten uit OEM komt ook tot uiting in de variatiecoëfficiënt die in 2017 uitkomt op 1,60 (ter vergelijking: voor de OZB-opbrengsten bedraagt de variatiecoëfficiënt 0,27); • in 2017 vormen de onderdelen EZ en ‘overig’ geen inkomstenbron meer, maar worden hier door gemeenten per saldo uitgaven verantwoord; • de sterk afwijkende positie G4 hangt vooral samen met substantieel hogere inkomsten uit treasury en grondexploitaties44. Ter illustratie van het dynamische karakter van de OEM wordt in onderstaande grafiek de jaarlijkse ontwikkeling van de verschillende componenten binnen de OEM in de periode 1997-2017 weergegeven.

In de bovenstaande grafiek is te zien dat een belangrijk deel van de dynamiek in de OEM de afgelopen jaren samenhangt met de ontwikkeling van het saldo op grondexploitaties. Alhoewel in de meeste jaren per saldo sprake is van een positief saldo op grondexploitaties is met name in 2012 sprake van per saldo substantiële uitgaven in dit verband (afschrijvingen op grondposities als gevolg van de financiële crisis). De andere componenten van de OEM laten minder dynamiek zien. conclusies met betrekking tot ontwikkelingen OEM Bij de feitelijke inkomsten uit OEM (op basis van Iv3-gegevens) zijn verschillende componenten relevant. Voor de heroverweging is de vraag of deze componenten nader moeten worden uitgezonderd. Zoals aangegeven hangt een belangrijk deel van de dynamiek samen met de ontwikkeling van het saldo op grondexploitaties. De andere componenten van de OEM laten minder dynamiek zien. Dit is een aandachtspunt bij de wijze waarop de OEM in de heroverweging wordt meegenomen (ook in relatie tot toekomstige opgaven, zie verder paragraaf 4.2).

42 43

44

Ter informatie is in de bijlage een overzicht opgenomen van de samenstelling van de OEM in de jaren rond de financiële crisis (2008 en 2014). Dit is inclusief de inkomsten uit de omslagrente die gemeenten hanteren. Als gevolg van het gewijzigde BBV is met ingang van 2018 voor de meeste gemeenten een lager rentepercentage van toepassing in afstemming op de lagere marktrente, wat een drukkend effect zal hebben op deze inkomsten. Inkomsten uit erfpacht worden doorgaans verantwoord bij grondexploitaties.

Inkomstenverevening in het gemeentefonds

22

4

Varianten inkomstenverevening

4.1

Inleiding Van uit eerdere onderzoeken zijn verschillende varianten voor inkomstenverevening aangedragen. Deze varianten waren vooral ontwikkeld om de verdeling dichter bij het derde aspiratieniveau aan te laten sluiten. In het kader van het onderhavige onderzoek zijn tegen de achtergrond van de bevindingen in voorgaande hoofdstukken een aantal andere varianten van inkomstenverevening verkend. Aan de hand van deze varianten kan een eerste beeld worden gevormd van mogelijke financiële effecten van alternatieve vormen van inkomstenverevening voor typen gemeenten met het oog op het vervolgtraject van de heroverweging. Enkele varianten voor verevening van de OZB worden gepresenteerd in paragraaf 4.2. In paragraaf 4.3 komen enkele varianten voor verevening van de OEM aan de orde.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vught&id=dec10dbb-ea0d-4ffc-a38f-77292dc9d6da