10. Stadsgewest 's-Hertogenbosch - Wijziging GR
Tekst van het document
Aan de burgemeester, het college van burgemeester en wethouders en gemeenteraad van de gemeente Vught
Datum
: 6 maart 2024
Onderwerp : Vaststelling wijziging GR Stadsgewest ‘s
Ref.
:
Tel.
:
Hertogenbosch E-mail :
stadsgewest@meierijstad.nl
Geachte burgemeester, college van B&W en gemeenteraad, Op 1 juli 2022 is de Wet gemeenschappelijke regeling (Wgr) gewijzigd. Deze wetswijziging dient voor 1 juli 2024 in alle gemeenschappelijke regelingen (GR-en) geïmplementeerd te worden. Ook de gemeenschappelijke regeling Stadsgewest ‘s-Hertogenbosch moet worden gewijzigd. Hierover informeren wij u als volgt. In samenwerking met het adviesbureau PROOF Adviseurs is er ontwerpwijziging GR opgesteld. Dit op basis van een beslispuntenmemo waaruit blijkt wat noodzakelijk is en waar keuzes te maken zijn. Eveneens blijkt uit de memo hoe omgegaan is met de keuzemogelijkheden bij het opstellen van de ontwerpwijziging GR. Besluit AB Op 4 maart 2024 heeft het Algemeen bestuur van het Stadsgewest ’s Hertogenbosch ingestemd met de ontwerpwijziging GR Stadgewest ’s Hertogenbosch en besloten deze ontwerpwijziging GR ter vaststelling aan uw burgemeester, college en gemeenteraad aan te bieden ter vaststelling. Aanvullende vraag AB Vanuit de gemeente Boxtel is bij de besluitvorming nog één vraag gesteld: Dient de vastgestelde GR niet in het Blad Gemeenschappelijke regeling te worden gepubliceerd in plaats van in het Gemeenteblad van ’s Hertogenbosch? Het antwoord hierop is als volgt: Wgr art. 26 en de GR schrijven voor dat de gemeente waar de GR is gevestigd (‘s Hertogenbosch) het publiceert in hun Gemeenteblad.
Het is namelijk een gemeentelijk besluit. In het Blad gemeenschappelijke regelingen staan alleen de rechtsgeldige besluiten van het bestuur van de GR en dit is geen besluit van het bestuur van de GR. De voorbereiding wel, maar de publicatie van een voorbereidingsbesluit heeft geen rechtsgeldige gevolgen. Aanvullend kan een publicatie in het Blad GR wel worden gedaan, mits de inwerkingtreding wel bepaald wordt door de publicatie in het Gemeenteblad. Wij hopen hiermee voor alle gemeenten hierover voldoende duidelijkheid gegeven te hebben. Besluitvorming deelnemende gemeenten In opvolging van het besluit van het AB, wil ik u dan ook, namens het Algemeen bestuur, de ontwerpwijziging GR Stadsgewest ’s Hertogenbosch aanbieden. Wij willen u vragen uw burgemeester, college en raad hierover te laten besluiten (vaststelling), bij voorkeur uiterlijk 15 juni 2024. Hierdoor is
Stadsgewest ’s-Hertogenbosch, 10.001, 5460 DA Veghel
In het volgende hoofdstuk worden in verschillende paragrafen alle lichtpaars gekleurde rijen van bovenstaande tabel besproken. Van belang daarbij is dat de inzet van de instrumenten niet op zichzelf dienen te worden bezien, maar in onderlinge samenhang met elkaar beoordeeld kunnen worden. In de ambtelijke sessie op 14 november 2023 met de ambtelijke ondersteuning van het Stadsgewest ’s-Hertogenbosch (ambtelijk secretaris en operationeel manager) zijn deze instrumenten doorgenomen en zijn unaniem adviezen naar voren gekomen. De gemaakte keuzes worden in de deze memo per onderdeel apart vermeld bij “ambtelijk voorstel”.
2 Keuzes voor in de GR In de inleiding is reeds aangegeven en wordt hierbij nogmaals vooropgesteld dat bij de keuzes rekening is gehouden met het feit dat de aan GR Stadsgewest ’s-Hertogenbosch opgedragen taken en verplichtingen voornamelijk nog zien op het beheer van de gesloten stortplaats Vlagheide, gelegen in de gemeente Meierijstad.
2.1 Termijnen begrotingscyclus Wat betreft de gewijzigde termijnen geldt dat deze vanaf 1 juli 2022 in werking zijn getreden. De termijnen zoals in de GR zijn opgenomen worden hierop aangepast. Omdat het uiterste termijnen betreft, behoeft hier in beginsel geen keuze te worden gemaakt. Op dit moment zijn in artikel 31 en 32 van de GR termijnen opgenomen voor de begroting en rekening, daarom is het goed om na te denken over de wijze waarop de termijnen in de GR opgenomen kunnen worden. Er kan voor gekozen worden om de wettelijke of andere termijn in de GR op te nemen, bijvoorbeeld vanwege de P&C-cyclus van de verschillende gemeenten of omdat er regionale afspraken over zijn gemaakt. Als hiervoor gekozen wordt dan laat dit onverlet dat de uiterste wettelijke termijnen hoe dan ook gelden, dus afwijkende termijnen moeten in ieder geval passen binnen de uiterste wettelijke termijnen. Afwijkende termijnen hoeven dus niet in de GR te worden vastgelegd, maar als deze in de GR worden vastgelegd dan dient iedere deelnemer zich daar ook aan te houden. Afwijkende termijnen kunnen daarmee als zogenoemde ‘stok achter de deur’ worden gebruikt. In dit kader wordt voor de volledigheid nog opgemerkt dat, als er zienswijzen worden ingediend voor de ontwerpbegroting, het dagelijks bestuur daarop richting de raden inhoudelijk reageert voordat het algemeen bestuur de begroting vaststelt.
Artikel 31 GR, vijfde lid, van de GR dient daarop aangepast te worden. Keuze: Welke termijnen in de artikelen 31 en 32 van GR opgenomen? De nieuwe wettelijke termijnen kunnen hier worden overgenomen opgenomen. Dit kan overigens op verschillende manieren: of door het verwijzen naar de toepasselijke wetsbepaling of – voor een verbeterde zelfstandige leesbaarheid van de GR – door het opnemen van de termijnen in de GR. Aangezien op dit moment van het laatste sprake is, ligt het ook voor de hand dit voor de gewijzigde regeling op dezelfde wijze op te nemen. Ambtelijk voorstel: De termijnen aan te passen aan de Wgr en de daarin genoemde uiterste termijnen te hanteren. Schematisch in beeld gebracht voor:
proofadviseurs.nl
Pagina 3 van 9
•
de begroting;
•
de jaarrekening;
2.2 Zienswijze over specifieke besluiten van het bestuur Volgens artikel 10, vijfde lid, Wgr moet in een GR worden opgenomen welke bestuursbesluiten, voorafgaand aan het nemen ervan, voor het geven van een zienswijze moeten worden voorgelegd aan de raden van de gemeenten waarvan bestuursorganen deelnemen in een GR. Er is een aantal verplichte besluiten waarvoor zienswijze gegeven moet worden 2. Naast deze wettelijk verplichte zienswijzeprocedures, is het verplicht om iets op te nemen over de bestuursbesluiten die voor zienswijze aan de raden voorgelegd worden. Er kan voor worden gekozen om te bepalen dat er geen besluiten van het bestuur voor zienswijzen aan de raden worden aangeboden. Als het wel wenselijk wordt geacht bepaalde besluiten voor zienswijze aan de raden voor te leggen, ligt het voor de hand te kiezen om ingrijpende besluiten of besluiten met een (grote) financiële consequentie voor zienswijze aan de raden voor te leggen. Oftewel, besluiten die de kaderstellende, controlerende en budgettaire bevoegdheden van de raden raken.
2 Denk aan de zienswijze op de begroting en de zienswijze op het oprichten van en deelnemen in een
privaatrechtelijke rechtspersoon door het bestuur van een gemeenschappelijke regeling en de wensen en bedenkingen bij het instellen van een bestuurscommissie.
proofadviseurs.nl
Pagina 4 van 9
Te denken valt bijvoorbeeld aan algemeen verbindende voorschriften, al dan niet financieel, de vaststelling van meerjarenbeleidsplannen of het instellen van bestuurscommissies. Voor de GR geldt dat sprake is van een openbaar lichaam waar de raden, evenals de colleges en burgermeesters deelnemen aan de regeling. Dit betekent dat de raden rechtstreeks invloed hebben op besluitvorming in het AB en dat wellicht de noodzaak minder gevoeld wordt om bestuursbesluiten voor zienswijze aan de raden te laten voorleggen. Er kan voor worden gekozen om te bepalen dat er geen besluiten van het bestuur voor zienswijzen aan de raden worden aangeboden. In de huidige GR zijn op dit onderdeel geen bepalingen opgenomen. Keuze: Worden er bestuursbesluiten genomen in de GR waarop de raden voorafgaand hun zienswijze mogen geven? Zo niet: dan wordt vastgelegd dat daarvan geen gebruik wordt gemaakt, buiten de besluiten waarvan wettelijk of reeds in de GR is bepaald dat ze voor zienswijze langs de raden moeten. Zo wel: dan adviseren wij scherp te hebben welke besluiten dit dan betreffen. Ambtelijk voorstel: De belangrijkste besluiten die aan de raad voorgelegd worden zijn de ontwerpbegroting, inclusief de meerjarenbegroting en de jaarrekening. Deze worden op grond van de Wgr verplicht aan de raden ter zienswijze voorgelegd. Daarin worden ook inhoudelijke vraagstukken met financiële gevolgen opgenomen.
Voor de ontwerpbegroting geldt een verplichte zienswijzeprocedure. Verder wordt op dit punt maatwerk toegepast. Indien naar het oordeel van het algemeen bestuur andere besluiten genomen worden die aanzienlijk politiek of financieel belang hebben en de kaderstellende, controlerende of budgettaire rol van de raden raken, worden de ontwerpbesluiten aan de raden voorgelegd voor zienwijzen. De termijn hiervoor bedraagt tien weken. Daarbij wordt in acht genomen dat de raden, indien zich dat voordoet, op adequate, dat wil zeggen voldoende en tijdige, wijze door het bestuur via de informatieplicht op de hoogte worden gesteld. Dit is in lijn met de informatieverschaffing zoals die op dit moment plaatsvindt bij ontwikkelingen rond Vlagheide.
2.3 Evaluatie van de GR In artikel 11a van de Wgr is opgenomen dat een gemeenschappelijke regeling bepalingen omtrent de evaluatie van de regeling moet bevatten. Uit de toelichting op de wetswijzing volgt dat verplicht is om in elke regeling iets op te nemen over evaluatie, maar dat dit ook mag betekenen dat wordt opgenomen dat er geen verplichte evaluatie plaats zal vinden. Wordt er niet geëvalueerd dan wordt dat opgenomen in de GR en hoeven er geen verdere keuzes gemaakt te worden. Wordt ervoor gekozen om wel te evalueren dan is het ook goed om na te denken over de frequentie en de termijn van de evaluatie. Bijvoorbeeld minstens eens per zes jaar of elke vier jaar. Ook kan er iets worden opgenomen over het moment. Zo is het bijvoorbeeld aan te raden om de evaluatie niet vlakbij of rondom raadsverkiezingen te laten plaatsvinden omdat dan de evaluatie mogelijk niet de aandacht krijgt of het momentum mee heeft om het een nuttige evaluatie te laten zijn. Overigens kan de keuze voor het moment van de evaluatie ook buiten de GR gelaten worden om niet ‘vast te liggen’. Hoe specifieker in de GR wordt opgenomen hoe met de evaluatie om te gaan, hoe ‘vaster’ dit ligt en hoe minder flexibiliteit er is daarvan af te wijken. Tot slot is het ook goed om bij voorbaat na te denken over wát het onderwerp van de evaluatie dient te zijn.
Op dit moment is in de GR geen evaluatiebepaling opgenomen. Keuze: wordt het wenselijk gevonden om alsnog een evaluatiebepaling in de GR op te nemen en zo ja, hoe dan?
proofadviseurs.nl
Pagina 5 van 9
Ambtelijk voorstel: Deze GR is aflopend. Derhalve is er geen reden om de GR te evalueren. Het AB kan, indien daartoe alsnog de noodzaak voor wordt gezien, evalueren. Dat wordt opgenomen om de GR. Zie nieuw artikel 39 lid 4 GR.
2.4 Gemeenschappelijke adviescommissie Met de inwerkingtreding van de gewijzigde Wgr is het mogelijk om een gemeenschappelijke adviescommissie, zie artikel 24a Wgr, in te stellen. Als de raden van de gemeenten waarvan bestuursorganen deelnemen in de GR unaniem verzoeken om de instelling ervan, is het algemeen bestuur zelfs verplicht om tot de instelling van een dergelijke gemeenschappelijke adviescommissie over te gaan. In een gemeenschappelijke adviescommissie kunnen alleen raadsleden deelnemen. Het is niet verplicht dat elke raad een ‘eigen’ lid aanwijst. Een gemeenschappelijke adviescommissie kan ingezet worden voor drie doelen: adviseren aan raden over en afstemmen van zienswijzen die raden mogen indienen, adviseren aan het bestuur over te nemen besluiten en voor de verbinding van de raden met het bestuur van het openbaar lichaam. De raadsadviescommissie heeft, zoals ook de naam al weggeeft, geen besluitvormende bevoegdheden. Dat betekent dat altijd sprake is van een advies aan de raden of het bestuur van het openbaar lichaam, maar dat de betreffende raden en het bestuur zelf de besluiten nemen. Een gemeenschappelijke adviescommissie is een instrument dat een actieve rol en dus tijd vraagt van de raden die daarin participeren. Dat betekent dat ook goed moet worden nagedacht over de vraag of het inzetten van een gemeenschappelijke adviescommissie gewenst is.
Bij GRen die hoofdzakelijk uitvoerend van aard zijn en waar weinig tot geen beleid wordt vastgesteld ligt het minder voor de hand om een gemeenschappelijke adviescommissie in te zetten. Als binnen het bestuur van het openbaar lichaam weinig tot geen besluiten genomen worden die voor zienswijze aan de raden worden voorgelegd, ligt het niet voor de hand om een gemeenschappelijke adviescommissie in te stellen omdat dan sprake is van weinig praktisch nut. Daarmee zou de afweging gemaakt kunnen worden dat als er in de GR, naast de begroting, geen andere besluiten worden opgenomen om ter zienswijze aan de raden voor te leggen, ook geen gemeenschappelijke adviescommissie wordt ingesteld. Wat betreft de huidige GR is van belang dat de raden deelnemen aan de regeling. Dat betekent dat zij direct invloed hebben op de besluitvorming en veel minder ‘op afstand staan’ dan bij een collegeregeling het geval is. Alhoewel de wet zich er niet tegen verzet, lijkt het instellen van een gemeenschappelijke adviescommissie van weinig toegevoegde waarde. Overigens is het niet noodzakelijk dat in de GR een ‘kapstokbepaling’ wordt opgenomen om een gemeenschappelijke adviescommissie in te stellen. Dit betekent dat ook op een later moment, zonder de GR te hoeven wijzigen, het mogelijk is tot instelling van een gemeenschappelijke adviescommissie over te gaan.
Keuze: Is het op dit moment gewenst voor de GR een gemeenschappelijke adviescommissie in te stellen? Zo ja, dient deze in de GR te worden opgenomen? Ambtelijk voorstel: Omdat de raden deelnemers zijn aan de GR, wordt de adviescommissie niet in de GR opgenomen. Bij unaniem besluit van de raden kan op een later moment nog beslist worden tot instelling van de gezamenlijke adviescommissie. Dat hoeft niet geregeld te worden in de GR.
2.5 Participatie van inwoners en belanghebbenden Volgens artikel 10 lid 7 Wgr wordt in een gemeenschappelijke regeling opgenomen op welke wijze de ingezetenen (van de gemeenten waarvan bestuursorganen deelnemen aan een
proofadviseurs.nl
Pagina 6 van 9
gemeenschappelijke regeling) en belanghebbenden betrokken worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid. Het originele wetsvoorstel liet de ruimte om per gemeenschappelijke regeling een afweging te maken of er mogelijkheden voor participatie van inwoners en belanghebbenden in worden opgenomen. Echter, in het aangenomen amendement van Bromet is opgenomen dat het niet mogelijk is in een gemeenschappelijke regeling op te nemen dat geen ruimte wordt gegeven voor participatie. Er moet, met andere woorden, in elke gemeenschappelijke regeling een minimale variant van participatie worden opgenomen. Voor de GR geldt dat zowel raden als colleges deelnemen aan de regeling. In artikel 5 zijn alle bevoegdheden van regeling en bestuur van de deelnemende bestuursorganen toegekend aan het openbaar lichaam. Dit duidt op delegatie van bevoegdheden. Dit betekent dat sprake kan zijn van de inzet van ingrijpende besluiten. Er dient daarom nagedacht te worden over de wijze waarop participatie wordt opgenomen in de gemeenschappelijke regeling zodat inwoners en belanghebbenden op effectieve wijze kunnen participeren bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van het beleid op grond van de regeling GR. Zijn de bevoegdheden gedelegeerd, dan kan het AB zelf een participatieverordening maken, waarin de mogelijkheden en vormen van participatie worden ingevuld.
Denk daarbij bijvoorbeeld aan participatie via de elektronische weg naar aanleiding van voorgenomen besluiten over de voorbereiding, vaststelling of uitvoering van beleid die bij de publicatie van vergaderagenda’s van AB of DB openbaar worden gemaakt. Het is ook mogelijk dat het bestuur per voorgenomen besluit bepaalt of, en zo ja, hoe er geparticipeerd wordt. In de Wgr is bepaald dat participatie wordt doorlopen met de uitgebreide voorbereidingsprocedure bedoeld in afdeling 3.4. van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Niet elke procedure vraagt om het doorlopen van zo’n uitgebreide procedure, daarom dient in de regeling aangegeven te worden dat er van afgeweken mag worden door een ander proces vast te stellen. Keuze: Op welke manier wordt in de GR invulling gegeven aan participatie? Ambtelijk voorstel: Het AB te laten bepalen dat bij besluiten met belangrijke politieke en financiële gevolgen participatie wordt toegepast, waarbij qua participatie aangesloten wordt bij wat gebruikelijk is in de deelnemende gemeenten. Afwijking van de standaardprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 Awb wordt mogelijk gemaakt. (zie nieuw artikel 10, lid 5, GR)
2.6 Voorwaarden en gevolgen uittreding uit GR Alhoewel in alle gemeenschappelijke regelingen (voor onbepaalde tijd) bepalingen zijn opgenomen over de wijze waarop deelnemers kunnen uittreden, is het sinds de wetswijziging van 1 juli 2022 verplicht om deze bepalingen uit te breiden. Uit de bepaling moet ten aanzien van uitreding duidelijk worden: a. welke gevolgen dit heeft voor het vermogen van de rechtspersoon; b. welke gevolgen dit heeft voor de uittredende gemeente en c. welke gevolgen dit heeft voor het vermogen van de gemeenten waarvan de bestuursorganen deelnemen in de gemeenschappelijke regeling. Dit betekent dat in de GR moet worden opgenomen op welke wijze wordt bepaald wat de gevolgen van de uittreding zijn en op welke manier het vermogen van de deelnemers wordt beïnvloed.
proofadviseurs.nl
Pagina 7 van 9
Op dit moment is in artikel 34 van de GR opgenomen dat uittreding mogelijk is, waarbij het algemeen bestuur aan de uittreding voorwaarden kan verbinden en de uittreding goedkeurt door vaststelling en regeling van de financiële en overige gevolgen van uittreding. Dat betekent dat op dit moment de GR niet voldoet aan de minimale eisen die de Wgr stelt aan uittredingsbepalingen, omdat niet het AB, maar de deelnemende bestuursorganen de gevolgen van uittreding dienen vast te stellen. Keuze: bepaal op welke wijze de uittredingsbepaling van GR aanpassing behoeft. Ambtelijk voorstel: In de regeling wordt de uittreding zodanig geregeld dat deze voldoet aan de Wgr. Daarom wordt in de uittredingsbepaling verwerkt wat de gevolgen zijn voor de uittredende gemeente, het openbaar lichaam en de ‘achterblijvende’ gemeenten.
2.7 Actieve informatieplicht door bestuur Sinds 1 juli 2022 moet ook in gemeenschappelijke regelingen opgenomen worden op welke wijze inlichtingen door het bestuur van een gemeenschappelijke regeling worden verstrekt aan de raden van gemeenten waarvan bestuursorganen deelnemen aan de gemeenschappelijke regeling. Dit is bepaald in artikel 17 van de gewijzigde Wgr. De ratio van dit artikel is dat alle bestuursorganen van de verschillende gemeenten in een gelijke informatiepositie verkeren. Dat betekent dat door GR beslist moet worden op welke wijze dit gebeurt en dit dient in de regeling te worden opgenomen. Op dit moment is in de GR in artikel 23 de actieve informatieplicht al opgenomen. Deze voldoet aan de minimale variant die de Wgr voor schrijft. Dat betekent dat alleen in het geval een meer uitgebreide regeling wenselijk is, op dit punt de GR gewijzigd dient te worden. Keuze: op welke wijze worden de raden actief geïnformeerd zodat zij hun taken goed kunnen uitoefenen? Is het nodig de huidige minimale regeling van artikel 22 GR hierop aan te passen? Ambtelijk voorstel: In artikel 23 Gr is de informatieplicht al opgenomen. Deze voldoet aan de Wgr en behoeft geen wijziging.
2.8 Overig: Archief De aanleiding voor het wijzigen van de GR ligt ook mede in het interbestuurlijk toezicht dat de provincie Noord-Brabant heeft ten aanzien van het archief van het openbaar lichaam. Naast de wijzigingen die voortvloeien uit de wijziging van de Wgr, dient daarom ook beoordeeld te worden of, en zo ja hoe de archiefzorg ten aanzien van de GR geregeld moet worden. De Archiefbepaling is aangepast aan de laatste archiefwetgeving. Verder zijn een paar kleine aanpassingen aangebracht om de tekst van de GR in overeenstemming te brengen met de huidige Wgr.
3. Proces tot wijziging GR Een voorstel tot wijziging kan worden gedaan door het algemeen bestuur (artikel 35 GR), Het proces tot wijziging doorloopt de volgende stappen: 1. Het AB besluit tot een voorstel van wijziging van de GR aan de raden, de colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters van de deelnemende gemeenten.
proofadviseurs.nl
Pagina 8 van 9
2. De colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters van de deelnemende gemeenten stellen het ontwerp van een wijziging van de GR vast. 3. De colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters van de deelnemende gemeenten verzoeken de raden om toestemming voor het wijzigen van de GR (op grond van artikel 1, lid 4, van de Wgr) 4. De raden van de deelnemende gemeenten besluiten over de te verlenen toestemming en stellen de gewijzigde GR vast (op grond van artikel 1, lid 1 en 5, Wgr). 5. De colleges van burgemeesters en de burgemeesters stellen de gewijzigde GR vast (op grond van artikel 1, lid 1 en 5, Wgr. 6. De gemeente ’s-Hertogenbosch publiceert de gewijzigde GR ten behoeve van de inwerkingtreding van de gewijzigde GR. Schematisch ziet dat er als volgt uit.
Besluit AB voorstel concept ontwerpwijziging GR
Burgemeesters en colleges stellen ontwerp wijziging GR vast
Burgemeesters en colleges vragen raden om toestemming wijziging GR
Q1 2024
Q1 2024
Q1 2024
proofadviseurs.nl
Besluiten van raden, colleges en burgemeesters tot vaststelling van de definitieve wijziging Q2 2024
Publicatie en inwerkingtreding GR
Vóór 1 juli 2024
Pagina 9 van 9
GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING
De raden, de colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters van de gemeenten Boxtel, ’s-Hertogenbosch, Heusden, Maasdriel, Meierijstad, Oisterwijk, Sint Michielsgestel, Tilburg en Vught, ieder voor zoveel hun bevoegdheden betreft; overwegende dat de gemeenschappelijke regeling is aangepast in verband met de opheffing van de gemeente Haaren en de toetreding van de gemeenten Oisterwijk en Tilburg vanuit haar verantwoordelijkheid voor delen van de voormalige gemeente Haaren, overwegende dat de Wet gemeenschappelijke regelingen per 1 juli 2022 is gewijzigd om de democratische legitimatie van gemeenschappelijke regelingen te versterken, waardoor het nodig is de gemeenschappelijke regeling te wijzigen; gelet op de Wet gemeenschappelijke regelingen; gelet op de Regeling Stadsgewest ’s-Hertogenbosch; besluiten: de regeling Stadsgewest ’s-Hertogenbosch aldus te wijzigen, dat zij luidt als volgt: HOOFDSTUK I BEGRIPSBEPALINGEN Artikel 1 Begrippen 1. In de gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder: a. De regeling: deze gemeenschappelijke regeling; b. Het openbaar lichaam: het openbaar lichaam als bedoeld in artikel 2, lid 1; c. Deelnemende gemeente: een aan deze regeling deelnemende gemeente; d. Gebied: het gezamenlijke grondgebied van de deelnemende gemeenten; e. Gedeputeerde staten: gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant. 2.
Waar in de regeling artikelen van de Gemeentewet of van enige andere wet of wettelijke regeling van overeenkomstige toepassing worden verklaard, treden in die artikelen in plaats van de gemeente, de raad, burgemeester en wethouders en de burgemeester, onderscheidenlijk het openbaar lichaam, het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter.
3.
Waar in de regeling over personen, een mannelijk voornaamwoord dan wel een mannelijk functionarisbegrip gebruikt wordt, worden zowel mannelijke als vrouwelijke personen bedoeld.
HOOFDSTUK II ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 2 Het openbaar lichaam 1. Er is een openbaar lichaam, genaamd “Stadsgewest ’s-Hertogenbosch”. Het is gevestigd te ’s-Hertogenbosch. Het omvat de aan de regeling deelnemende gemeenten. Bestuursorganen 2. Het bestuur van het openbaar lichaam bestaat uit het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter. HOOFDSTUK III BELANGEN EN BEVOEGDHEDEN (TAKENPAKKET) Artikel 3 Doelstelling Het openbaar lichaam heeft tot doel vanuit de gedachte van gemeenschappelijk gedragen verantwoordelijkheid de samenwerking vorm te geven. Artikel 4 Taken De deelnemende gemeenten werken via de onderhavige rechtspersoon samen ten aanzien van al die aan het Stadsgewest ’s-Hertogenbosch opgedragen taken en aangegane verplichtingen op het gebied van de Afvalverwerking voor (delen van) hun gemeenten, meer in het bijzonder het beheer van de gesloten stortplaats Vlagheide, gelegen in de gemeente Meierijstad. Artikel 5 Bevoegdheden
Aan het openbaar lichaam worden alle bevoegdheden van regeling en bestuur van de deelnemende gemeenten toegekend, die nodig zijn voor de uitvoering van taken die zijn genoemd in artikel 4.
HOOFDSTUK IV ALGEMEEN BESTUUR, SAMENSTELLING EN WERKWIJZE Artikel 6 Samenstelling algemeen bestuur 1. De raad uit elke deelnemende gemeente wijst uit zijn college van burgemeester en wethouders een persoon aan als lid van het algemeen bestuur. 2. Het lidmaatschap van het algemeen bestuur is onverenigbaar met de betrekking van ambtenaar in dienst van het openbaar lichaam dan wel een van de aan de regeling deelnemende gemeenten, met uitzondering van de ambtenaren van de burgerlijke stand, onderwijzend personeel in dienst van de gemeente en zij die als vrijwilliger, niet bij wijze van beroep, hulpdiensten verrichten voor een van de aan de regeling deelnemende gemeenten of het openbaar lichaam. Met ambtenaar wordt voor de toepassing van deze bepaling gelijkgesteld hij, die in dienst van het openbaar lichaam dan wel van een van de regeling deelnemende gemeenten op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam is. Artikel 7 Zittingsduur 1. Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt op de dag waarop de zittingsperiode van de gemeenteraden afloopt. 2. De raden van de deelnemende gemeenten beslissen in de eerste vergadering van elke zittingsperiode over de aanwijzing van nieuwe leden van het algemeen bestuur. 3.
Hij die tussentijds ophoudt lid te zijn van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente, die hem als lid van het algemeen bestuur heeft aangewezen, houdt daarmee tevens op lid van het algemeen bestuur te zijn. 4. Indien tussentijds een plaats van een door een gemeenteraad aangewezen lid van het algemeen bestuur vacant komt, wijst de raad van de gemeente, die het aangaat, zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan. 5. Van elke wijziging tot lid van het algemeen bestuur geven burgemeester en wethouders van de gemeente, die het aangaat, binnen acht dagen kennis aan de voorzitter van het openbaar lichaam.
Artikel 8 Vergaderingen 1. Het algemeen bestuur vergadert jaarlijks tenminste tweemaal, en voorts zo dikwijls de voorzitter of het dagelijks bestuur dit nodig oordeelt, of indien tenminste een vijfde van het aantal leden dit, onder opgaaf van redenen, schriftelijk aan de voorzitter verzoekt. 2. Voor het bepalen van het tijdstip van de vergaderingen en het oproepen van de leden zijn de artikelen 19 en 20 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de voorzitter de openbare kennisgeving doet plaats hebben in een of meer dag- of nieuwsbladen welke in de deelnemende gemeenten verspreiding vinden. Artikel 9 Beraadslagingen 1. De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar. Voor besloten vergaderingen wordt de procedure van artikel 25 van de Gemeentewet gevolgd, met dien verstande, dat een verzoek tot sluiting van de deuren door tenminste een vijfde van de aanwezige leden wordt gedaan. 2. In een besloten vergadering kan niet worden beraadslaagd, noch een besluit worden genomen over: a. Een voorstel tot De wijziging van de gemeenschappelijke regeling; b. De toelating van nieuw benoemde leden; c. De begroting, de wijzigingen daarvan en de rekening; d. Het invoeren, wijzigen of aanschaffen van verordeningen. 3. In een besloten vergadering kan geen besluit worden genomen over: a.
Het doen van een uitgave voordat de begroting of de begrotingswijziging waarbij deze uitgave is geraamd, is goedgekeurd; b. Het aangaan van geldleningen, het uitlenen van geld en het aangaan van rekening-courantovereenkomsten; c. Het geheel of gedeeltelijk vervreemden of bezwaren van de eigendommen van het Stadsgewest ’s-Hertogenbosch; d. Het onderhands verhuren, verpachten of in gebruik geven van eigendommen van het Stadsgewest ‘s-Hertogenbosch; e. Het onderhands aanbesteden van werken of leveranties. Artikel 10 Besluitvorming 1. Elk lid van het algemeen bestuur heeft in de vergadering één stem.
2. De leden, afkomstig uit een gemeente welke de rechten en verplichtingen, voortvloeiend uit één of meer taken of werkzaamheden, niet op zich heeft genomen, onthouden zich bij besluitvorming over deze taken van stemming. 3. Met betrekking tot het quorum, de wijze van stemmen en de handhaving van de orde in de vergadering zijn de artikelen 20, 22, 26 tot en met 33 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing, tenzij het reglement van orde, bedoeld in artikel 11 anders bepaald. 4. Het algemeen bestuur stelt de raden in de gelegenheid om naast de verplichte ontwerpbesluiten die in de wet of in deze regeling worden genoemd, bij ontwerpbesluiten die een aanzienlijk politiek of financieel belang hebben een zienswijze naar voren te brengen. Hiervoor geldt een termijn van tien weken. 5. Ingezetenen van de deelnemers en andere belanghebbenden bij de taakuitvoering door het openbaar lichaam worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid op grond van deze regeling slechts betrokken voor zover dat bij of krachtens wet is vereist. De participatie vindt plaats op de in de betreffende gemeente gebruikelijke wijze. Bij de participatie kan een andere procedure dan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht gevolgd worden.
Artikel 11 Reglement van orde Het algemeen bestuur stelt voor zijn vergaderingen een reglement van orde vast. HOOFDSTUK V DAGELIJKS BESTUUR SAMENSTELLING EN WERKWIJZE Artikel 12 Samenstelling 1. Het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter en tenminste 2 andere leden, door en uit het algemeen bestuur aan te wijzen. Artikel 13 Zittingsduur
1. De leden van het dagelijks bestuur treden als lid van dat bestuur af op de dag, waarop de zittingsperiode van het algemeen bestuur afloopt. 2. Indien tussentijds een plaats in het dagelijks bestuur vacant komt, kiest het algemeen bestuur een nieuw lid, met inachtneming van het bepaalde in artikel 12. 3. Hij die als lid van het dagelijks bestuur ontslag neemt, of overeenkomstig het bepaalde in lid 1 moet aftreden, blijft zijn functie waarnemen totdat zijn opvolger zijn functie heeft aanvaard. 4. Het lid van het dagelijks bestuur, dat tussentijds ophoudt lid van het algemeen bestuur te zijn, houdt tevens op lid van het dagelijks bestuur te zijn.
Artikel 14 Ontslag Het algemeen bestuur kan een lid van het dagelijks bestuur ontslag verlenen, indien deze het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit. Artikel 49 en 50 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 15 Vergaderingen 1. Het dagelijkse bestuur vergadert zo dikwijls als de voorzitter dit nodig oordeelt of tenminste twee leden van het dagelijks bestuur zulks, onder opgave van de te behandelen onderwerpen, dit aan de voorzitter verzoeken. 2. Artikel 56 van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing. 3. In de eerste vergadering van elke zittingsperiode regelen de leden van het dagelijks bestuur onderling de werkzaamheden alsmede de onderlinge plaatsvervanging. De taakverdeling wordt medegedeeld aan het algemeen bestuur en aan de deelnemende gemeenten. 3.4. Het dagelijks bestuur legt naast de verplichte besluiten die in de wet of in deze regeling worden genoemd, geen besluiten ter zienswijze voor aan de raden. HOOFDSTUK VI DE VOORZITTER Artikel 16 Benoeming, vervanging, ontslag
1. De voorzitter van het openbaar lichaam wordt in de eerste vergadering van elke zittingsperiode door het algemeen bestuur uit zijn midden aangewezen. 2. Bij verhindering of ontstentenis wordt hij vervangen door een lid, uit en door het dagelijks bestuur aan te wijzen. 3. De voorzitter legt naast de verplichte besluiten die in de wet of in deze regeling worden genoemd, geen besluiten ter zienswijze voor aan de raden.
HOOFDSTUK VII BEVOEGDHEDEN VAN DE BESTUURSORGANEN Artikel 17 Verdeling van bevoegdheden Ten aanzien van de bevoegdheden van het bestuur van het openbaar lichaam zijn van overeenkomstige toepassing de regels, in de ruimste zin, welke bij of krachtens de wet zijn gesteld voor de verdeling van de bevoegdheden van de gemeentebesturen over de gemeentelijke bestuursorganen voor de uitoefening van die bevoegdheden, alsmede voor het toezicht daarop, tenzij daarvan bij of krachtens de Wet gemeenschappelijke regelingen is afgeweken. Artikel 18 Algemeen bestuur, afbakening van bevoegdheden Alle taken en bevoegdheden in het kader van deze regeling, die niet aan het dagelijks bestuur, de voorzitter of een bestuurscommissie zijn opgedragen, behoren aan het algemeen bestuur. Artikel 19 Verordeningen Het algemeen bestuur is bevoegd de verordeningen vast te stellen, die noodzakelijk zijn binnen het kader van de in artikel 4 genoemde taken. Artikel 20 Dienstverlening
1. Het algemeen bestuur is bevoegd om onder nadere door hem te stellen voorwaarden, aan niet aan de regeling deelnemende gemeenten toe te staan, gebruik te maken van diensten, dan wel bepaalde onderdelen daarvan, van het openbaar lichaam. 2. Het gebruik en de daartoe strekkende voorwaarden, zoals bedoeld in het eerste lid, worden vastgelegd in een overeenkomst. HOOFDSTUK VIII COMMISSIES Artikel 21 Adviescommissies 1. Het algemeen bestuur kan op voorstel van het dagelijks bestuur vaste commissies van advies en bijstand aan het dagelijks bestuur instellen. 2. Het regelt op voorstel van het dagelijks bestuur de bevoegdheden en de samenstelling.
Artikel 22 Bestuurscommissies 1. Het algemeen bestuur kan een bestuurscommissie als bedoeld in artikel 25 van de Wet gemeenschappelijke regelingen instellen. De artikelen 82 tot en met 86 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing. 2. Het in het eerste lid bedoelde instellingsbesluit wordt in ontwerp aan de raden van de deelnemende gemeenten toegezonden. 3. Het algemeen bestuur gaat niet over tot het instellen van deze commissies dan na verkregen verklaring van geen bezwaar van de raden van elk van de deelnemende gemeenten, nadat de raden van de deelnemende gemeenten van dit voornemen op de hoogte zijn gesteld en in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van het algemeen bestuur te brengen. zoals bedoeld in artikel 25 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Artikel 22a Extern klachtrecht
De behandeling van verzoekschriften zoals bedoeld in artikel 9:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, vindt plaats door de ombudscommissie van de gemeente ’s-Hertogenbosch. HOOFDSTUK IX INFORMATIE EN VERANTWOORDING Artikel 23 Informatieverschaffing door algemeen en dagelijks bestuur 1. Het algemeen en het dagelijks bestuur geven aan de raden van de deelnemende gemeenten, gevraagd of ongevraagd, alle inlichtingen die voor een beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid, waaronder ook begrepen is het beleid van de bestuurscommissies, nodig is, indien het verstrekken daarvan niet in strijd is met het openbaar belang. 2. Een verzoek om inlichtingen door één of meer leden van de raad van één van de deelnemende gemeenten dient schriftelijk te worden ingediend bij het dagelijks bestuur.
Artikel 24 Informatie- en verantwoordingsplicht leden algemeen bestuur 1. Een lid van het algemeen bestuur geeft de gemeenteraad die hem als lid heeft aangewezen, mondeling of schriftelijk de door één of meer leden overeenkomstig het reglement van orde van de raad verlangde inlichtingen, waarvan het verstrekken niet in strijd is het met openbaar belang. 2. Alvorens de gevraagde inlichtingen de verstrekken kan hij zich daarover laten adviseren door het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam.
Artikel 25 Verantwoording dagelijks bestuur 1. De leden van het dagelijks bestuur zijn, tezamen en ieder afzonderlijk, aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door het dagelijks bestuur gevoerde bestuur, waaronder ook begrepen is het bestuur van de bestuurscommissies. 2. Zij geven het algemeen bestuur mondeling of schriftelijk de door één of meer leden gevraagde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het openbaar
belang, op de wijze zoals die geregeld is in het algemeen reglement van orde van het openbaar lichaam.
Artikel 26 Informatie- en verantwoordingsplicht voorzitter Het bepaalde met betrekking tot het dagelijks bestuur in de artikelen 23 en 25 is van overeenkomstige toepassing op de voorzitter voor het door hem gevoerde bestuur.
HOOFDSTUK X VERGOEDINGEN Artikel 27 Vergoedingen Aan de leden van het algemeen bestuur en dagelijks bestuur wordt geen tegemoetkoming in de kosten voortvloeiende uit hun werkzaamheden als lid van het bestuur uitgekeerd.
HOOFDSTUK XI SECRETARIS Artikel 28 Secretaris 1. Het algemeen bestuur kiest uit de leden van het dagelijks bestuur een secretaris en regelt zijn vervanging. 2. De stukken die van het algemeen bestuur en dagelijks bestuur uitgaan, worden door hem medeondertekend.
Artikel 29 Ambtelijke ondersteuning De ambtelijke ondersteuning van het openbaar lichaam alsmede personeel werkzaam op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht dan wel op basis van overeenkomst van opdracht wordt in overleg met het dagelijks bestuur ingevuld door de gemeente Meierijstad.
HOOFDSTUK XII FINANCIËLE BEPALINGEN Artikel 30 Financiële administratie, geldelijk beheer en controle 1. Het algemeen bestuur stelt regelen vast met betrekking tot de organisatie van de financiële administratie en van het kasbeheer van het openbaar lichaam. 2. Ten aanzien van de controle op het geldelijke beheer en de financiële administratie zijn de artikelen 214 en 215 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing. 3. Het algemeen bestuur stelt regels vast omtrent de verzekering van de gelden van het openbaar lichaam tegen benadeling door derden.
Artikel 31 Begroting 1. Het dagelijks bestuur maakt jaarlijks een ontwerpbegroting van baten en lasten op voor het daarop volgende jaar. De ramingen in dit ontwerp moeten worden toegelicht. De begroting gaat vergezeld van een meerjarenraming voor het lopende en de drie op het begrotingsjaar volgende jaren. 2. In de begroting wordt aangegeven de, naar raming, door elke aan de regeling deelnemende gemeente voor het jaar waarop de begroting betrekking heeft verschuldigde bijdrage. 3. Voorzover de in lid 2 bedoelde bijdrage berekend wordt naar verhouding van de inwonertallen, wordt uitgegaan van het inwonertal op 1 januari 1998. Voor de vaststelling van de aantallen inwoners worden aangehouden de door het Centraal Bureau voor de Statistiek openbaar gemaakte bevolkingscijfers. 4. Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting alsmede de voorlopige jaarrekening van het afgelopen jaar toe aan de raden van de deelnemende gemeente, uiterlijk 124 weken voordat zij aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. 5. Indien de raden van de deelnemende gemeenten omtrent de ontwerpbegroting aan het dagelijks bestuur vóór de aanbieding aan het algemeen bestuur een zienswijze naar voren hebben gebrachtvan hun gevoelen hebben doen blijken, voegt het dagelijks bestuur de ontvangen zienswijzen commentaren waarin dit gevoelen is vervat bij de ontwerpbegroting.
5.6. Het dagelijks bestuur stelt de raden voorafgaande aan het vaststellen van de begroting schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het vijfde lid, alsmede van de eventuele conclusie die het daaraan verbindt. 6.7. Na vaststelling van de begroting door het algemeen bestuur, zendt het dageljiks bestuur binnen twee weken, maar in ieder geval voor uiterlijk 15 juli september , zendt het dagelijks bestuur daarover bericht de begroting aan: a. De raden van de deelnemende gemeenten. b. Gedeputeerde staten (voor 1 augustus) met het verzoek om de begroting goed te keuren. 7.8. Op wijzigingen van de begroting zijn de voorafgaande bepalingen van dit artikel van overeenkomstige toepassing voor zover de begrotingswijziging een verhoging geeft voor de bijdrage van de gemeenten. De overige begrotingswijzigingen kunnen vastgesteld worden door het algemeen bestuur op voorstel van het dagelijks bestuur.
Artikel 32 De rekening 1. Van de inkomsten en uitgaven van het openbaar lichaam wordt door het dagelijks bestuur over elk dienstjaar verantwoording gedaan aan het algemeen bestuur, onder overlegging van de rekening met de daarbij behorende bescheiden. Het dagelijks bestuur voegt daarbij een verslag van een onderzoek naar de deugdelijkheid van de rekening, ingesteld door de overeenkomstig artikel 213 van de Gemeentewet, aangewezen deskundige, alsmede hetgeen het te zijner verantwoording dienstig acht. 2. Het dagelijks bestuur zendt de voorlopige jaarrekening van het afgelopen jaar vóór 30 april van het jaar waarvoor de begroting dient, toe aan de raden van de deelnemende gemeente 1.3. Het algemeen bestuur stelt de rekening voorlopig vast vóór 15 juli, volgend op het jaar, waarop zij betrekking heeft. Het dagelijks bestuur, en zendt deze binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval vóóvoor 15 juli daaropvolgend aan gedeputeerde staten ter vaststelling. Van de vaststelling wordt mededeling gedaan aan de deelnemende gemeenten. 2.4. De vaststelling van de rekening strekt het dagelijks bestuur tot decharge, behoudens later in rechte gebleken valsheid in bewijsstukken of andere onregelmatigheden. 3.5. In de rekening wordt het door elk van de deelnemende gemeenten over het desbetreffende jaar werkelijk verschuldigde bedrag opgenomen.
2. Het uittredingsbesluit van een deelnemer wordt niet later genomen dan een jaar voorafgaand aan de datum waarop de uittreding plaatsvindt. Uittreding is slechts mogelijk per 1 januari. 3. Het algemeen bestuur inventariseert binnen zes maanden na de opzegging de gevolgen van uittreding na overleg met de deelnemers in een uittredingsplan waartoe in ieder geval behoren: a. de juridische, organisatorische en personele gevolgen zoals de toewijzing, terugname of overname van medewerkers; b. de financiële gevolgen, waaronder in ieder geval frictiekosten, desintegratiekosten en gevolgschade over een periode van vijf jaar, alsmede de betaling ineens of de afbouw van de bijdrage en over welke periode het ontbreken van dekking voor vaste kosten dient te worden gecompenseerd. c. desintegratiekosten zijn alle kosten direct dan wel toekomstig te maken dan wel te dragen door het Stadsgewest 's-Hertogenbosch, die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van de risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding, en d. frictiekosten zijn alle incidentele kosten te maken door het Stadsgewest 'sHertogenbosch die het directe gevolg zijn van de beslissing tot uittreding van een deelnemer. 4.
De financiële gevolgen worden gebaseerd op de jaarrekening van het jaar na het besluit tot uittreding, waarbij de financiële effecten op de datum van uittreding worden meegenomen. 5. De financiële gevolgen zullen worden bepaald door het algemeen bestuur, na controle door een gezamenlijk te benoemen onafhankelijk expert. 6. Uiterlijk 6 maanden na het moment van het besluit van uittreding stelt het algemeen bestuur de definitieve uittreedsom vast. 7. De uittredende deelnemer is gehouden de definitieve uittreedsom binnen 6 maanden na de in lid 6 bedoelde vaststelling te voldoen. Het algemeen bestuur kan in afwijking hiervan een andere betalingsregeling vaststellen. 8. De financiële gevolgen van de uittreding worden door de uittredende deelnemer gedragen. 9. Het dagelijks bestuur ziet toe op de naleving van de verplichtingen uit dit artikel. Artikel 35 Wijziging van de regeling
1. De regeling kan worden gewijzigd bij een daartoe strekkend besluit van de organen van de deelnemende gemeenten. 2. Een voorstel tot wijziging kan worden gedaan door het algemeen bestuur en door de raden van één of meer van de deelnemende gemeenten. 3. De wijziging van de regeling treedt in werking de dag na bekendmaking na publicatie in het Gemeenteblad van de gemeente ’s-Hertogenbosch.de Staatscourant.
Artikel 36 Opheffing 1. De regeling wordt opgeheven indien de organen van twee-derde van het aantal deelnemende gemeenten, die tezamen minstens twee-derde van het inwonerstal van het gebied vertegenwoordigen, daartoe besluiten. 2. Ingeval van opheffing van de regeling besluit het algemeen bestuur tot liquidatie en stelt daarvoor de nodige regels. Hierbij kan van de bepalingen van de regeling worden afgeweken. 3.
Het liquidatieplan wordt door het algemeen bestuur, de raden van de deelnemende gemeenten gehoord, vastgesteld. 4. De organen van het openbaar lichaam blijven, zonodig, na het tijdstip van beëindiging van de regeling in functie, totdat de liquidatie is voltooid. 5. De opheffing gaat in de dag na bekendmaking van de opheffing in het Gemeenteblad van ’s-Hertogenbosch op na publicatie in de Staatscourant.
HOOFDSTUK XIV ARCHIEF Artikel 37 Archivering 1. Het dagelijks bestuur draagt de zorg voor de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam en die worden gevormd krachtens de aan het openbaar lichaam toegekende taken, 2. De secretaris is belast met het beheer van de archiefbescheiden van de oprganen van het Stadsgewest ’s-Hertogenbosch, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats van de gemeente ‘s-Hertogenbosch.
3. Het dagelijks bestuur stelt voorschriften vast voor het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het Stadsgewest ’s-Hertogenbosch, die nog niet naar de archiefbewaarplaats van de gemeente ’s-Hertogenbosch zijn overgebracht. 4. Voor de bewaring van de over te brengen archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam wordt aangewezen de archiefbewaarplaats van de gemeente ’sHertogenbosch. 5. Met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats, is belast de archivaris van de gemeente ’s-Hertogenbosch. 6. De in lid 5 bedoelde archivaris brengt jaarlijks aan het dagelijks bestuur verslag uit over het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. 7. Het dagelijks bestuur brengt jaarlijks verslag uit aan het algemeen bestuur over de uitoefening van de aan hen opgedragen zorg voor de archiefbescheiden en de uitvoering van het archiefbeheer van de organen van het openbaar lichaam. 8. De deelnemers aan de regeling stellen tijdig aan het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam de archiefbescheiden beschikbaar, die nodig zijn voor de uitvoering van de overgedragen taken. 9.
In een verklaring van terbeschikkingstelling worden de periode van terbeschikkingstelling en het toezicht op het beheer van de ter beschikking gestelde archiefbescheiden vastgelegd. In de verklaring kunnen nadere voorwaarden worden gesteld aan de terbeschikkingstelling. 10. Bij opheffing van de regeling blijven alle onder beheer van de secretaris staande archiefbescheiden berusten in de archiefbewaarplaats van de gemeente ‘sHertogenbosch, tenzij ook deze vervalt. In het laatste geval wordt een voorziening getroffen conform de geldende archiefwetgeving.
OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN Artikel 387 Overgangsbepaling De eerste aanwijzing van leden van het algemeen bestuur moet uiterlijk acht weken na de dag van in
werking treden van de regeling hebben plaatsgevonden.
Artikel 398 Toezending aan GS en aan de gemeenten; inwerkingtreding; gelding; evaluatie 1. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Hertogenbosch maakt de regeling, waaronder tevens bedoeld worden de wijzigingen ervan, in alle deelnemende gemeenten bekend in het Gemeenteblad van ’s-Hertogenbosch. 1. 2. Het Stadsgewest s-Hertogenbosch draagt zorg voor opname van alle gegevens in het register als bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen draagt zorg voor de toezending van de regeling aan gedeputeerde staten als bedoeld in artikel 26 van de Wet gemeenschappelijke regelingen en aan de besturen van de deelnemende gemeenten. 3. De regeling geldt voor onbepaalde tijd. 4. Tenzij het algemeen bestuur anders besluit wordt deze regeling niet geëvalueerd. .
GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING
De raden, de colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters van de gemeenten Boxtel, ’s-Hertogenbosch, Heusden, Maasdriel, Meierijstad, Oisterwijk, Sint Michielsgestel, Tilburg en Vught, ieder voor zoveel hun bevoegdheden betreft; overwegende dat de gemeenschappelijke regeling is aangepast in verband met de opheffing van de gemeente Haaren en de toetreding van de gemeenten Oisterwijk en Tilburg vanuit haar verantwoordelijkheid voor delen van de voormalige gemeente Haaren, overwegende dat de Wet gemeenschappelijke regelingen per 1 juli 2022 is gewijzigd om de democratische legitimatie van gemeenschappelijke regelingen te versterken, waardoor het nodig is de gemeenschappelijke regeling te wijzigen; gelet op de Wet gemeenschappelijke regelingen; gelet op de Regeling Stadsgewest ’s-Hertogenbosch; besluiten: de regeling Stadsgewest ’s-Hertogenbosch aldus te wijzigen, dat zij luidt als volgt: HOOFDSTUK I BEGRIPSBEPALINGEN Artikel 1 Begrippen 1. In de gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder: a. De regeling: deze gemeenschappelijke regeling; b. Het openbaar lichaam: het openbaar lichaam als bedoeld in artikel 2, lid 1; c. Deelnemende gemeente: een aan deze regeling deelnemende gemeente; d. Gebied: het gezamenlijke grondgebied van de deelnemende gemeenten; e. Gedeputeerde staten: gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant. 2.
Waar in de regeling artikelen van de Gemeentewet of van enige andere wet of wettelijke regeling van overeenkomstige toepassing worden verklaard, treden in die artikelen in plaats van de gemeente, de raad, burgemeester en wethouders en de burgemeester, onderscheidenlijk het openbaar lichaam, het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter.
3.
Waar in de regeling over personen, een mannelijk voornaamwoord dan wel een mannelijk functionarisbegrip gebruikt wordt, worden zowel mannelijke als vrouwelijke personen bedoeld.
HOOFDSTUK II ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 2 Het openbaar lichaam 1. Er is een openbaar lichaam, genaamd “Stadsgewest ’s-Hertogenbosch”. Het is gevestigd te ’s-Hertogenbosch. Het omvat de aan de regeling deelnemende gemeenten. Bestuursorganen 2. Het bestuur van het openbaar lichaam bestaat uit het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter. HOOFDSTUK III BELANGEN EN BEVOEGDHEDEN (TAKENPAKKET) Artikel 3 Doelstelling Het openbaar lichaam heeft tot doel vanuit de gedachte van gemeenschappelijk gedragen verantwoordelijkheid de samenwerking vorm te geven. Artikel 4 Taken De deelnemende gemeenten werken via de onderhavige rechtspersoon samen ten aanzien van al die aan het Stadsgewest ’s-Hertogenbosch opgedragen taken en aangegane verplichtingen op het gebied van de Afvalverwerking voor (delen van) hun gemeenten, meer in het bijzonder het beheer van de gesloten stortplaats Vlagheide, gelegen in de gemeente Meierijstad. Artikel 5 Bevoegdheden
Aan het openbaar lichaam worden alle bevoegdheden van regeling en bestuur van de deelnemende gemeenten toegekend, die nodig zijn voor de uitvoering van taken die zijn genoemd in artikel 4.
HOOFDSTUK IV ALGEMEEN BESTUUR, SAMENSTELLING EN WERKWIJZE Artikel 6 Samenstelling algemeen bestuur 1. De raad uit elke deelnemende gemeente wijst uit zijn college van burgemeester en wethouders een persoon aan als lid van het algemeen bestuur. 2. Het lidmaatschap van het algemeen bestuur is onverenigbaar met de betrekking van ambtenaar in dienst van het openbaar lichaam dan wel een van de aan de regeling deelnemende gemeenten, met uitzondering van de ambtenaren van de burgerlijke stand, onderwijzend personeel in dienst van de gemeente en zij die als vrijwilliger, niet bij wijze van beroep, hulpdiensten verrichten voor een van de aan de regeling deelnemende gemeenten of het openbaar lichaam. Met ambtenaar wordt voor de toepassing van deze bepaling gelijkgesteld hij, die in dienst van het openbaar lichaam dan wel van een van de regeling deelnemende gemeenten op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam is. Artikel 7 Zittingsduur 1. Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt op de dag waarop de zittingsperiode van de gemeenteraden afloopt. 2. De raden van de deelnemende gemeenten beslissen in de eerste vergadering van elke zittingsperiode over de aanwijzing van nieuwe leden van het algemeen bestuur. 3.
Hij die tussentijds ophoudt lid te zijn van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente, die hem als lid van het algemeen bestuur heeft aangewezen, houdt daarmee tevens op lid van het algemeen bestuur te zijn. 4. Indien tussentijds een plaats van een door een gemeenteraad aangewezen lid van het algemeen bestuur vacant komt, wijst de raad van de gemeente, die het aangaat, zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan. 5. Van elke wijziging tot lid van het algemeen bestuur geven burgemeester en wethouders van de gemeente, die het aangaat, binnen acht dagen kennis aan de voorzitter van het openbaar lichaam.
Artikel 8 Vergaderingen 1. Het algemeen bestuur vergadert jaarlijks tenminste tweemaal, en voorts zo dikwijls de voorzitter of het dagelijks bestuur dit nodig oordeelt, of indien tenminste een vijfde van het aantal leden dit, onder opgaaf van redenen, schriftelijk aan de voorzitter verzoekt. 2. Voor het bepalen van het tijdstip van de vergaderingen en het oproepen van de leden zijn de artikelen 19 en 20 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de voorzitter de openbare kennisgeving doet plaats hebben in een of meer dag- of nieuwsbladen welke in de deelnemende gemeenten verspreiding vinden. Artikel 9 Beraadslagingen 1. De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar. Voor besloten vergaderingen wordt de procedure van artikel 25 van de Gemeentewet gevolgd, met dien verstande, dat een verzoek tot sluiting van de deuren door tenminste een vijfde van de aanwezige leden wordt gedaan. 2. In een besloten vergadering kan niet worden beraadslaagd, noch een besluit worden genomen over: a. Een voorstel tot wijziging van de gemeenschappelijke regeling; b. De toelating van nieuw benoemde leden; c. De begroting, de wijzigingen daarvan en de rekening; d. Het invoeren, wijzigen of aanschaffen van verordeningen. 3. In een besloten vergadering kan geen besluit worden genomen over: a.
Het doen van een uitgave voordat de begroting of de begrotingswijziging waarbij deze uitgave is geraamd, is goedgekeurd; b. Het aangaan van geldleningen, het uitlenen van geld en het aangaan van rekening-courantovereenkomsten; c. Het geheel of gedeeltelijk vervreemden of bezwaren van de eigendommen van het Stadsgewest ’s-Hertogenbosch; d. Het onderhands verhuren, verpachten of in gebruik geven van eigendommen van het Stadsgewest ‘s-Hertogenbosch; e. Het onderhands aanbesteden van werken of leveranties. Artikel 10 Besluitvorming 1. Elk lid van het algemeen bestuur heeft in de vergadering één stem.
2. De leden, afkomstig uit een gemeente welke de rechten en verplichtingen, voortvloeiend uit één of meer taken of werkzaamheden, niet op zich heeft genomen, onthouden zich bij besluitvorming over deze taken van stemming. 3. Met betrekking tot het quorum, de wijze van stemmen en de handhaving van de orde in de vergadering zijn de artikelen 20, 22, 26 tot en met 33 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing, tenzij het reglement van orde, bedoeld in artikel 11 anders bepaald. 4. Het algemeen bestuur stelt de raden in de gelegenheid om naast de verplichte ontwerpbesluiten die in de wet of in deze regeling worden genoemd, bij ontwerpbesluiten die een aanzienlijk politiek of financieel belang hebben een zienswijze naar voren te brengen. Hiervoor geldt een termijn van tien weken. 5. Ingezetenen van de deelnemers en andere belanghebbenden bij de taakuitvoering door het openbaar lichaam worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid op grond van deze regeling slechts betrokken voor zover dat bij of krachtens wet is vereist. De participatie vindt plaats op de in de betreffende gemeente gebruikelijke wijze. Bij de participatie kan een andere procedure dan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht gevolgd worden.
Artikel 11 Reglement van orde Het algemeen bestuur stelt voor zijn vergaderingen een reglement van orde vast. HOOFDSTUK V DAGELIJKS BESTUUR SAMENSTELLING EN WERKWIJZE Artikel 12 Samenstelling 1. Het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter en tenminste 2 andere leden, door en uit het algemeen bestuur aan te wijzen. Artikel 13 Zittingsduur 1. De leden van het dagelijks bestuur treden als lid van dat bestuur af op de dag, waarop de zittingsperiode van het algemeen bestuur afloopt.
2. Indien tussentijds een plaats in het dagelijks bestuur vacant komt, kiest het algemeen bestuur een nieuw lid, met inachtneming van het bepaalde in artikel 12. 3. Hij die als lid van het dagelijks bestuur ontslag neemt, of overeenkomstig het bepaalde in lid 1 moet aftreden, blijft zijn functie waarnemen totdat zijn opvolger zijn functie heeft aanvaard. 4. Het lid van het dagelijks bestuur, dat tussentijds ophoudt lid van het algemeen bestuur te zijn, houdt tevens op lid van het dagelijks bestuur te zijn.
Artikel 14 Ontslag Het algemeen bestuur kan een lid van het dagelijks bestuur ontslag verlenen, indien deze het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit. Artikel 49 en 50 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 15 Vergaderingen 1. Het dagelijkse bestuur vergadert zo dikwijls als de voorzitter dit nodig oordeelt of tenminste twee leden van het dagelijks bestuur zulks, onder opgave van de te behandelen onderwerpen, dit aan de voorzitter verzoeken. 2. Artikel 56 van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing. 3. In de eerste vergadering van elke zittingsperiode regelen de leden van het dagelijks bestuur onderling de werkzaamheden alsmede de onderlinge plaatsvervanging. De taakverdeling wordt medegedeeld aan het algemeen bestuur en aan de deelnemende gemeenten. 4. Het dagelijks bestuur legt naast de verplichte besluiten die in de wet of in deze regeling worden genoemd, geen besluiten ter zienswijze voor aan de raden. HOOFDSTUK VI DE VOORZITTER Artikel 16 Benoeming, vervanging, ontslag
1. De voorzitter van het openbaar lichaam wordt in de eerste vergadering van elke zittingsperiode door het algemeen bestuur uit zijn midden aangewezen. 2. Bij verhindering of ontstentenis wordt hij vervangen door een lid, uit en door het dagelijks bestuur aan te wijzen. 3. De voorzitter legt naast de verplichte besluiten die in de wet of in deze regeling worden genoemd, geen besluiten ter zienswijze voor aan de raden.
HOOFDSTUK VII BEVOEGDHEDEN VAN DE BESTUURSORGANEN Artikel 17 Verdeling van bevoegdheden Ten aanzien van de bevoegdheden van het bestuur van het openbaar lichaam zijn van overeenkomstige toepassing de regels, in de ruimste zin, welke bij of krachtens de wet zijn gesteld voor de verdeling van de bevoegdheden van de gemeentebesturen over de gemeentelijke bestuursorganen voor de uitoefening van die bevoegdheden, alsmede voor het toezicht daarop, tenzij daarvan bij of krachtens de Wet gemeenschappelijke regelingen is afgeweken. Artikel 18 Algemeen bestuur, afbakening van bevoegdheden Alle taken en bevoegdheden in het kader van deze regeling, die niet aan het dagelijks bestuur, de voorzitter of een bestuurscommissie zijn opgedragen, behoren aan het algemeen bestuur. Artikel 19 Verordeningen Het algemeen bestuur is bevoegd de verordeningen vast te stellen, die noodzakelijk zijn binnen het kader van de in artikel 4 genoemde taken. Artikel 20 Dienstverlening 1. Het algemeen bestuur is bevoegd om onder nadere door hem te stellen voorwaarden, aan niet aan de regeling deelnemende gemeenten toe te staan,