CConstaterende datVoorst
Koppel je AI →
Document · PDF

Woningbouw Enkweg Posterenk bestemmingsplan toelichting (2022-29578)

gemeenteraad 4 juli 2022, gemeente VoorstBij agendapunt: Bestemmingsplan Woningbouw Enkweg Posterenk (2022-29151)17.203 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Aangezien er in de omgeving van de ontwikkellocatie diverse (hinderveroorzakende) functies zijn gevestigd, zijn deze geïnventariseerd. De navolgende afbeelding geeft de omliggende functies globaal weer. Vervolgens zullen eerst de planologische mogelijkheden worden bekeken en indien nodig zal de situatie feitelijk worden afgewogen, waarbij de verschillende functies nader worden beschreven en er getoetst wordt aan de richtafstanden uit de VNG-publicatie.

9

SAB (2020). Quick scan bedrijven en milieuzonering. Enkweg te Posterenk. Projectnummer: 170354.01. 23 april 2020. 29

Bedrijvigheid rondom plangebied (geel kader) (Bron: Google Maps, bewerking SAB).

Transportbedrijf Wilp B.V. (1) Aan de Grotenhuisweg 8 – ten noorden van het plangebied – is een transportbedrijf gesitueerd. Het bedrijf is actief in de branche goederenvervoer over de weg (geen verhuizingen). Het transportbedrijf is voorzien van de bestemming ‘Bedrijf’ met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – 01’, alwaar de gronden uitsluitend zijn bestemd voor een bedrijfsactiviteit met SBI-code 7712, 7739 of 494, uit ten hoogste categorie 3.1 van de 'Staat van Bedrijfsactiviteiten'. De maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan voorzien daarmee in een bedrijf uit milieucategorie 3.1, waarvoor een indicatieve richtafstand geldt van 50 meter in een rustig woongebied. In de navolgende tabel is de minimaal aanbevolen richtafstand voor deze functie weergegeven, uitgaande van een ligging in een rustig woongebied. Functie

Omschrijving VNG

Richtafstanden in meters

Geur Transportbedrijf

Goederenwegvervoerbedrijven b.o. 2 <= 1.000 m

0

Stof 0

Geluid 50

Gemeten Afstand Gevaar

0

Aangezien de afstand tussen de inrichtingsgrens en het plangebied circa 80 meter bedraagt, kan worden voldaan aan de indicatieve richtafstand en is nader onderzoek niet noodzakelijk.

30

80 m

Aannemersbedrijf A.J. Bessels (2) Aan de Enkweg 5 – ten oosten van het plangebied – is een aannemersbedrijf gesitueerd. Het aannemersbedrijf is voorzien van de bestemming ‘Bedrijf’ met de functieaanduiding ‘bedrijf van categorie 2’, alwaar de gronden uitsluitend zijn bestemd voor bedrijfsactiviteiten uit ten hoogste categorie 2 van de ‘Staat van Bedrijfsactiviteiten’. De maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan voorzien daarmee in een bedrijf uit milieucategorie 2, waarvoor een indicatieve richtafstand van 30 meter geldt in een rustig woongebied. In de navolgende tabel is de minimaal aanbevolen richtafstand voor deze functie weergegeven, uitgaande van een ligging in een rustig woongebied. Functie

Omschrijving VNG

Aannemersbedrijf

Aannemersbedrijven b.o. 2 < 1.000m

Richtafstanden in meters

Geur 0

Stof 10

Geluid 30

Gemeten Afstand Gevaar 10

40 m

Aangezien de afstand tussen de inrichtingsgrens en het plangebied circa 40 meter bedraagt, kan worden voldaan aan de indicatieve richtafstand en is nader onderzoek niet noodzakelijk. Loods (3) Aan de Enkweg 9C – ten zuidoosten van het plangebied – is een kleine loods gesitueerd. De loods is voorzien van de bestemming ‘Bedrijf’, alwaar de gronden uitsluitend zijn bestemd voor een bedrijfsactiviteit uit ten hoogste categorie 2 van de ‘Staat van Bedrijfsactiviteiten’. De maximale planologische mogelijkheden van het bestemmingsplan voorzien daarmee in een bedrijf uit milieucategorie 2, waarvoor een indicatieve richtafstand van 30 meter geldt in een rustig woongebied. In de navolgende tabel is de minimaal aanbevolen richtafstand voor deze functie weergegeven, uitgaande van een ligging in een rustig woongebied. Vlak

Toegestane functie(s)

3

Bedrijf tot en met categorie 2

Maximale milieucategorie 2

Indicatieve richtafstand 30 m

Gemeten afstand 50 m

Aangezien de afstand tussen de inrichtingsgrens en het plangebied circa 50 meter bedraagt, kan worden voldaan aan de benodigde richtafstand en is nader onderzoek niet noodzakelijk. Buurthuis met speeltuin (4) Aan de Grotenhuisweg 13 – ten noorden van het plangebied – is een buurthuis met een speeltuin gesitueerd. Deze speeltuin wordt onder andere gebruikt door kinderen uit het dorp en grenst vrijwel direct aan het voorliggende plangebied. Het perceel Grotenhuisweg is grotendeels voorzien van de bestemming ‘Maatschappelijk’, alwaar de gronden zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen. Tot de maatschappelijke voorzieningen behoren tevens voorzieningen ten behoeve van de openbare dienstverlening. In theorie zou zich dan ook een brandweerkazerne (milieucategorie 3.1) op het perceel kunnen vestigen, waarvoor een indicatieve richtafstand van 50 meter geldt. De daadwerkelijke afstand van de bestemmingsgrens tot de

31

dichtstbijzijnde geprojecteerde woning bedraagt 26 meter. De richtafstand van 50 meter zal dan ook een aantal woningen overlappen. Vandaar dat niet zonder verdere uitwerking kan worden gesteld dat sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. De dichtstbijzijnde woonfunctie in de huidige situatie betreft de woning aan de Grotenhuisweg 9. Deze woning is op 13 meter afstand van de inrichtingsgrens gelegen. Daarnaast is aan de Grotenhuisweg 14A een woning op circa 14 meter afstand van de inrichtingsgrens gesitueerd. Beide woningen zijn daarmee op kortere afstand gelegen dan de geprojecteerde woningen in het voorliggende plangebied (26 meter). Omdat ter plaatse van de woonfuncties aan de Grotenhuisweg 9 en 14A voldaan dient te worden aan de gestelde voorschriften uit het Activiteitenbesluit, mag aangenomen worden dat ook ter plaatse van het plangebied aan deze voorschriften wordt voldaan. De woningen aan de Grotenhuisweg 9 en 14A zijn immers leidend voor de beschikbare milieuruimte. Dat betekent dat ter plaatse van het plangebied voldaan kan worden aan een goed woon- en leefklimaat. Los van het voorgaande is het niet aannemelijk dat zich in het pand aan de Grotenhuisweg 13 een brandweerkazerne zal vestigen. Het huidige gebouw is daarvoor ongeschikt. Sloop-nieuwbouw wordt bovendien niet reëel geacht, aangezien het betreffende gebouw als gemeentelijk monument is aangewezen.

In de huidige situatie is het gebouw in gebruik als buurthuis met speeltuin. Dit betreft een inrichting in milieucategorie 2, waarvoor een indicatieve richtafstand van 30 meter geldt in een rustig woongebied. In de navolgende tabel is de minimaal aanbevolen richtafstand voor deze functie weergegeven, uitgaande van een ligging in een rustig woongebied. Functie

Omschrijving VNG

Richtafstanden in meters

Buurthuis

Buurt- en clubhuizen

Geur 0

Stof 0

Geluid 30

Gemeten Afstand Gevaar 0

Aangezien de afstand tussen de bestemmingsgrens en de dichtstbijzijnde geprojecteerde (vrijstaande) woning in het plangebied circa 26 meter bedraagt, kan niet worden voldaan aan de indicatieve richtafstand uit de VNG-publicatie. Het gaat om slechts één woning; voor de overige woningen wordt wel voldaan aan de richtafstand van 30 meter. Maatgevend voor eventuele hinder is het aspect geluid, in dit geval veroorzaakt door spelende kinderen in de speeltuin. Op grond van het Activiteitenbesluit hoeft het stemgeluid van spelende kinderen echter niet meegenomen te worden bij de beoordeling aan de geluidnormen uit het Activiteitenbesluit. Omdat sprake is van een behoorlijke afstand tussen de bestemmingsgrens en de vrijstaande woning - ruim 26 meter – wordt aanvullend onderzoek op dit moment niet nodig geacht. Te meer omdat aan de noordzijde van het plangebied een struweelhaag wordt aangeplant, die het geluid van spelende kinderen enigszins zal dempen. Bovendien kan overwogen worden de vrijstaande woning wat zuidelijker op het perceel te situeren, waardoor de richtafstand van 30 meter behaald kan worden. Dit alles overwegende wordt het uitvoeren van aanvullend onderzoek in het kader van dit bestemmingsplan niet nodig geacht.

32

± 26 m

4.5.3

Conclusie Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat voor bijna alle omliggende functies aan de indicatieve richtafstanden uit de VNG-brochure wordt voldaan. Uitzondering hierop vormt het buurthuis aan de Grotenhuisweg 13 en dan met name de daarbij behorende speeltuin. Voor slechts één woning wordt net niet voldaan aan de indicatieve richtafstand. Gelet op de ruime afstand van de woning tot de bestemmingsgrens (ruim 26 meter) en het gegeven dat een struweelhaag wordt aangebracht, kan een goed woon- en leefklimaat voldoende gewaarborgd worden. Bovendien bestaat de mogelijkheid de woning wat zuidelijker op het perceel te situeren, waarmee voldaan kan worden aan de indicatieve richtafstand. Gelet op het voorgaande wordt aanvullend onderzoek in het kader van dit bestemmingsplan niet nodig geacht.

4.6

Geur

4.6.1

Regelgeving Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt:  voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) geldt een maximale geurbelasting op een geurgevoelig object;  voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten. Op basis van de wet geurhinder en veehouderij (Wgv) geldt voor geurgevoelige objecten gelegen in bebouwde kom geldt een minimaal aan te houden afstand van 100 meter tot veehouderijbedrijven Voor geurgevoelige objecten gelegen buiten bebouwde kom geldt een minimale afstand van 50 meter. Met gemeentelijk geurbeleid vastgesteld op basis van artikel 6 van de Wgv kunnen andere afstanden van toepassing zijn. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen dat is afgestemd op de plaatselijke situatie. Regeling geurhinder en veehouderij In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is de wijze vastgelegd waarop:  de geurbelasting wordt bepaald;  de afstand tussen veehouderij en geurgevoelig object) wordt gemeten.

Activiteitenbesluit Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelastingen geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee). 33

4.6.2

Toetsing In de directe nabijheid (circa 300 meter) van de ontwikkelingslocatie bevinden zich geen (intensieve) veehouderijen. Het uitvoeren van een onderzoek naar geurhinder is daarom niet noodzakelijk. Ook de bedrijfsmogelijkheden van omliggende bedrijven worden niet belemmerd.

4.6.3

Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

4.7

Externe veiligheid

4.7.1

Regelgeving Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (zoals een chemische fabriek of een lpg-vulpunt) en de mobiele bronnen (vervoer van gevaarlijke stoffen). Er wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (of-6 wel 10 ). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risi-6 co van 10 als grenswaarde. Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers.

Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp.

4.7.2

Toetsing 10

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een quick scan externe veiligheid opgesteld, waarin de relevante omliggende risicobronnen zijn geïnventariseerd. De belangrijkste conclusies worden hieronder weergegeven, de volledige rapportage is als bijlage bij de toelichting opgenomen.

Risico-inventarisatie Voor de ontwikkellocatie is een risico-inventarisatie uitgevoerd. Hierbij is binnen één

10

SAB (2020). Quick scan externe veiligheid. Enkweg te Posterenk. Projectnummer: 170354.01. 17 april 2020. 34

kilometer afstand van de locatie gekeken naar de volgende aspecten, die van invloed kunnen zijn op de voorgenomen ontwikkeling:  risicovolle inrichtingen;  transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;  transport van gevaarlijke stoffen over spoor, water en weg. De navolgende afbeelding bevat een fragment van de digitale risicokaart. De ligging van de ontwikkellocatie is globaal in paars aangeduid. De afbeelding geeft de zone van circa één kilometer rondom het plangebied weer. Voor de modaliteit ‘spoor’ en ‘weg’ is tevens gekeken naar risicobronnen binnen een straal van vier kilometer rondom de ontwikkellocatie (niet weergegeven op onderstaande afbeelding).

Uitsnede van de risicokaart externe veiligheid met de ontwikkellocatie paars omkaderd (Bron: www.risicokaart.nl).

Binnen een straal van één kilometer van de ontwikkellocatie bevindt zich één stationaire risicobron. Het betreft LPG-tankstation ’De Paal’ langs de Rijksweg A1. Deze ri-6 sicobron kent een maximum plaatsgebonden risicocontour (PR 10 ) van 35 meter. Het invloedsgebied bedraagt 150 meter. Gelet op het feit dat de afstand tussen de risicobron en de ontwikkellocatie circa 950 meter bedraagt, is een nadere beschouwing van deze risicobron niet noodzakelijk. Het LPG-tankstation vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Mobiele bronnen In de omgeving van de ontwikkellocatie kunnen verschillende mobiele bronnen voor vervoer van gevaarlijke stoffen aanwezig zijn. Hierbij gaat het om hogedrukaardgasleidingen en vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor. Buisleidingen Er bevindt zich één buisleiding in de omgeving van de ontwikkellocatie. Deze buisleiding heeft de volgende kenmerken:

35

Transportroute N-554-01

Uitwendige diameter hogedrukaardgasleiding 12,76 inch

Werkdruk 40,00 bar

Invloedsgebied groepsrisico ± 145 meter

Afstand tot ontwikkellocatie ± 200 meter

Aan de hand van de uitwendige diameter en de werkdruk van de buisleiding is het invloedsgebied van de risicobron bepaald. Uit de tabel blijkt dat het plangebied niet binnen het invloedsgebied van de buisleiding ligt. Daarmee is nader onderzoek niet noodzakelijk. Transport over spoor Aan de hand van de Regeling Basisnet Spoor en de risicokaart zijn de omliggende spoorwegen verkend. Hierbij is tevens de Handreiking Risicoanalyse Transport (HaRT) (zie navolgende tabel) gebruikt om aan de hand van de aanwezige stofcategorieën te kunnen bepalen wat het invloedsgebied van iedere spoorlijn is. Stofcategorie A B2 B3 C3 D3 D4

Invloedsgebied (m) 460 995 >4.000 35 375 >4.000

Invloedsgebied per stofcategorie voor de modaliteit spoor (Bron: Handreiking Risicoanalyse Transport).

Raadpleging van de digitale risicokaart wijst uit dat er één spoorlijntraject binnen een straal van 4 kilometer rondom de ontwikkellocatie aanwezig is. Het betreft de spoorlijn ‘Apeldoorn - Deventer West’. De spoorlijn ligt op circa 3.000 meter ten noorden van de ontwikkellocatie. Navolgende tabel geeft weer welke stofcategorieën vervoerd worden over het traject. Aanwezige stofcategorieën A C3

Invloedsgebied Ontwikkellocatie binnen (m) invloedsgebied? (3.000 m) 460 Nee 35 Nee Stofcategorieën spoorlijn Apeldoorn – Deventer West De ontwikkellocatie bevindt zich buiten het invloedsgebied van dit spoorwegtraject. Nader onderzoek naar deze risicobron is dan ook niet noodzakelijk. Transport over water Binnen een straal van één kilometer van de ontwikkellocatie bevinden zich geen risicobronnen in de vorm van vaarroutes. Een nadere beschouwing naar vaarroutes is dan ook niet noodzakelijk. Dit type risicobron vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling.

36

Transport over weg Aan de hand van de Regeling Basisnet Weg en de risicokaart zijn de omliggende wegen verkend. Hierbij zijn tevens de Lijst wegvakken datatellingen & basisnet (2018/07) en de Handreiking Risicoanalyse Transport (HaRT) (zie navolgende tabel) gebruikt om aan de hand van de aanwezige stofcategorieën te kunnen bepalen wat het invloedsgebied van iedere weg is. Stofcategorie

Invloedsgebied (m) 45 45 730 880 >4.000 40 280 355 245 560 >4.000 >4.000

LF1 LF2 LT1 LT2 LT3 GF1 GF2 GF3 GT2 GT3 GT4 GT5

Invloedsgebied per stofcategorie voor de modaliteit weg (Bron: Handreiking Risicoanalyse Transport).

Volgens de risicokaart vindt er binnen een straal van vier kilometer rondom de ontwikkellocatie transport van gevaarlijke stoffen over wegen plaats. Het gaat om het wegvak G2: A1: Knp. Beekbergen - afrit 23 (Deventer). Navolgend wordt dit wegvak nader besproken. Wegvak G2 Dit wegvak, behorende bij de Rijksweg A1, bevindt zich op circa 350 meter ten noor-6 den van de ontwikkellocatie. De weg kent een plaatsgebonden risicocontour (PR 10 ) van 15 meter en een plasbrandaandachtsgebied van 30 meter. Gezien de afstand tussen de ontwikkellocatie en het wegvak vormen deze aspecten geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. In de navolgende tabel zijn de stofcategorieën die over het wegvak worden vervoerd met bijbehorend invloedsgebied beschreven. Tevens wordt per stofcategorie beoordeeld of de ontwikkellocatie binnen het invloedsgebied ligt. Aanwezige stofcategorieën LF1 LF2 LT1 LT2 GF2 GT3

Invloedsgebied (m) 45 45 730 880 280 560

Ontwikkellocatie binnen invloedsgebied? (350 m) Nee Nee Ja Ja Nee Ja

Stofcategorieën wegvak G2

37

Uit de voorgaande tabel blijkt dat de ontwikkellocatie binnen het invloedsgebied van de stofcategorieën LT1, LT2 en GT3 ligt. Gezien de ligging van de ontwikkellocatie buiten de meest relevante zone van het groepsrisico (de 200 meter zone) hoeft het groepsrisico conform artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes enkel beperkt verantwoord te worden. Het betreft een motivering ten aanzien van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Conclusie Uit het voorgaande blijkt dat de ontwikkellocatie niet binnen een plaatsgebonden risi-6 cocontour (PR 10 ) en/of plasbrandaandachtsgebied van een risicobron ligt. Wel ligt de ontwikkellocatie binnen het invloedsgebied van een risicobron. Het gaat om het wegvak G2 van de Rijksweg A1. De ontwikkellocatie bevindt zich ten aanzien van het wegvak G2 buiten de meest relevante zone van het groepsrisico (de 200 meter zone). Conform artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes betekent dit dat het groepsrisico voor deze risicobron beperkt dient te worden verantwoord. Er moet worden ingegaan op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Ook moet de Veiligheidsregio in de gelegenheid gesteld worden om een advies hierover uit te brengen. Navolgend wordt ingegaan op deze beperkte verantwoording.

Beperkte verantwoording Ten aanzien van het groepsrisico van de genoemde risicobronnen dient te worden ingegaan op de elementen van de verantwoording uit artikel 7 van het Bevt. Het heeft hier dan betrekking op zelfredzaamheid en beheersbaarheid/bestrijdbaarheid: a de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater, en b voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet. Scenario’s Het scenario dat hier een rol speelt betreft een ongeluk met toxische vloeistoffen van waaruit een gifwolk kan ontstaan. Hieronder wordt de beheersbaarheid en bestrijdbaarheid van dit scenario besproken. Tevens wordt ingegaan op het aspect zelfredzaamheid. Beheersbaarheid/bestrijdbaarheid De bestrijdbaarheid dient op twee aspecten te worden beoordeeld: Bestrijden rampscenario Belangrijk bij een ongeval met toxische vloeistoffen is dat de brandweer zo snel mogelijk bij rampplek is, zodat de toxische vloeistof zich niet kan ontwikkelen tot een toxische wolk. Dit kan door te koelen en/of een waterscherm aan te leggen.

Essentieel is daarbij dat de brandweer voor een langere periode voldoende bluswatercapaciteit heeft ter plaatse van het ongeval. De snelheid van het ter plaatse komen is eveneens van groot belang. Het betreft hier een bestaand wegvak met daarom heen al kwetsba-

38

re objecten. Daarmee kan worden verwacht dat bluswater in voldoende mate aanwezig is. Tevens zal de bereikbaarheid op orde zijn. Inrichting van het gebied om bestrijding faciliteren Voor de bestrijding van een calamiteit is de inrichting van het gebied van belang. Naast het tijdig aanwezig zijn met voldoende materieel is tevens de bereikbaarheid van de ontwikkellocatie en de specifieke risicolocatie cruciaal. De brandweer kan snel via de Jupiter, Hietweideweg, Zuiderlaan en H.W. Iordensweg de ontwikkellocatie bereiken in geval van een calamiteit. De inschatting is dat de brandweer binnen circa 15 minuten aanwezig kan zijn. In de Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid zijn normen voor maximale opkomsttijden gesteld. De Veiligheidsregio heeft in zijn advies laten weten dat de bereikbaarheid voldoende is. De Geneeskundige HulpverleningsOrganisatie in de Regio (GHOR) adviseert om te voorzien in een goede bereikbaarheid om ook weer zo snel mogelijk weg te kunnen rijden (obstakels voorkomen; goede bewegwijzering). Voor de bestrijding is bluswater ook van belang. Hier gaat het om een beoordeling van de feitelijk aanwezige bluswatercapaciteit, zowel primair (brandkranen), secundair (geboorde putten en open water) en tertiair bluswater (aanvullende bluswatervoorzieningen).

Daarbij wordt beschouwd of dit overeenkomt met de benodigde bluswatercapaciteit in het geval van een calamiteit. In zijn advies heeft de Veiligheidsregio laten weten dat er een bluswatervoorziening gerealiseerd moet worden binnen het plangebied. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. Eén van de voornaamste handelingen bij het ontstaan van een toxische wolk is het binnen schuilen waarbij ramen en deuren kunnen worden gesloten en ventilatie kan worden stilgezet. Binnen de ontwikkellocatie moet men snel op de hoogte zijn van een eventueel ongeluk met een toxische stof op de weg en men moet op de hoogte zijn van de gevaren van deze toxische stof en weten hoe te handelen. Primair gaat NLAlert de basis vormen voor alarmering van personen in een bepaald gebied. Naast binnen schuilen moeten vluchtroutes personen direct van de calamiteit kunnen wegleiden. Voor de ontwikkellocatie geldt dat zal worden voorzien in voldoende vluchtroutes.

Hiernaast adviseert de GHOR om een AED en bijbehorende hulpmiddelen te plaatsen op een strategische locatie om de zelfredzaamheid te verhogen. 4.7.3

Conclusie Met inachtneming van het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Het advies van de Veiligheidsregio en de GHOR is verwerkt in het voorgaande.

39

4.8

Water

4.8.1

Regelgeving Rijksbeleid - Het Nationaal Waterplan 2016-2021 Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal:  Nederland blijft de veiligste delta in de wereld.  Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater.  Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht.  Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement.  Nederlanders leven waterbewust. Het kabinet zet de veranderingen in het waterveiligheidsbeleid voort en bereidt hiertoe een wetsvoorstel met nieuwe normen voor de primaire keringen voor. Nieuwe normen zijn nodig, omdat de huidige eisen aan primaire keringen grotendeels uit de jaren zestig van de vorige eeuw dateren. Sindsdien is het aantal mensen en de economische waarde achter de dijken toegenomen. Ook is nieuwe kennis beschikbaar gekomen over de werking van de keringen en de gevolgen van overstromingen. De doelen op het gebied van waterveiligheid zijn omgerekend naar normspecificaties voor de keringen.

Deze zijn niet meer gebaseerd op dijkringen, maar op dijktrajecten. Elk dijktraject krijgt een norm-specificatie die past bij de gevolgen in dat specifieke gebied. De normspecificaties zijn ingedeeld in zes klassen, waarbij de overstromingskans varieert van 1/300 per jaar tot 1/100.000 per jaar. Het Rijk onderkent het belang van verbinden van ruimte en water. Bij het aanpakken van wateropgaven en de uitvoering van watermaatregelen vindt daarom afstemming plaats met andere relevante ruimtelijke opgaven en maatregelen in het gebied, zodat scope, programmering en financiering zo veel mogelijk op elkaar aansluiten of, beter nog, elkaar versterken. Het kabinet streeft daarbij ook naar integrale combinaties, waarbij ruimtelijke inrichting een belangrijke rol speelt bij het oplossen van wateropgaven. Omgekeerd is het van belang om bij ruimtelijke opgaven vroegtijdig rekening te houden met wateropgaven en de veerkracht van watersystemen. De gewenste betere verbinding tussen water en ruimte geldt voor alle opgaven op het gebied van waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Provinciaal beleid - Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De hoofdzaken van het provinciaal beleid voor water zijn gericht op een veerkrachtig en duurzaam water- en bodemsysteem.

Dit systeem bestaat uit bodem en ondergrond, grondwater en oppervlaktewater. En het is duurzaam als het ook in de toekomst kan blijven functioneren en in stand kan worden gehouden tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten.

40

De provincie onderschrijft de ambitie van de Europese Kaderrichtlijn Water dat uiterlijk in 2027 het grond- en oppervlaktewater in Europa schoon en ecologisch gezond moet zijn en dat er voldoende water is voor duurzaam gebruik en voert deze uit. De beschermde gebieden voor grondwater, waterberging, de Kaderrichtlijn Water en Natura 2000 zijn leidend bij de uitwerking van dit beleid in programma’s of in kaders in de verordening. Er worden condities gesteld voor effectief en zuinig gebruik van drinkwater, speciale waterecologie (Hoogst Ecologisch Niveau wateren en Specifiek Ecologische Doelstelling wateren), (grond)waterafhankelijke landnatuur plus de beschermingszones natte landnatuur en grondwateronttrekkingen voor drinkwater en 3 industrie, groter dan 150.000 m /jaar. De provincie stelt via uitvoerend beleid de doelen voor de regionale wateren voor de Kaderrichtlijn Water vast en geeft daarbij ook invulling aan de voorzieningenniveaus. Met de Gelderse waterschappen en de landbouw geeft de provincie invulling aan het vasthouden van water in de bodem, het grondwater en de haarvaten van het watersysteem. Bescherming tegen overstromingen vindt primair plaats op basis van preventie, waar nodig aangevuld met maatregelen in de ruimtelijke ordening en evacuatie.

Deze bescherming gebeurt bij voorkeur in combinatie met het ontwikkelen en versterken van karakteristieke riviernatuur in Natura 2000-gebieden. Beleid Waterschap Vallei en Veluwe - Waterbeheerprogramma 2016-2021 Vanaf 1 januari 2016 is het Waterbeheerprogramma van het Waterschap Vallei en Veluwe van kracht. Het is bewust neergezet als een programma en niet meer als een waterbeheerplan. De maatregelen zijn op hoofdlijnen uitgewerkt, het “hoe” volgt bij het jaarlijks vaststellen van de begroting. De zorg voor de kerntaken “beschermen tegen overstroming”, “schoon en voldoende oppervlaktewater” en “zuiveren van afvalwater” blijft voorop staan. Daarbij wil het waterschap wel meer toe naar een integrale benadering van de gezamenlijke opgave. Het waterschap wil haar ambities en doelen steeds sterker bereiken samen met de waterpartners. De ambities zijn:  We beschermen ons gebied tegen overstromingen.  We zorgen voor de juiste hoeveelheid water.  We zorgen voor de goede oppervlaktewaterkwaliteit.  Schoon en vuil water worden zo veel mogelijk gescheiden.  We halen de hoogst mogelijke waarde uit water.  We beheren afvalwaterketen en watersysteem als één geheel samen met onze partners. Samen met gemeenten wil het waterschap schoon hemelwater en afvalwater zoveel mogelijk aan de bron scheiden.

Dit om de negatieve effecten van extreme buien (lagere waterkwaliteit door overstorten) en droogte (lagere waterkwaliteit door geen watertoevoer, hittestress), als gevolg van klimaatverandering, te voorkomen. Hiertoe stelt het waterschap een beleidsplan op en voert dit uit. Binnen de verantwoordelijkheden van de waterpartners voor grondwaterbeheer wil het waterschap de samenwerking initiëren en als grondwaterloket fungeren. De start betreft het vormen van een gezamenlijk grondwaterkennisteam.

41

Binnen de jaarcyclus wordt door het waterschap verantwoording afgelegd over de inhoudelijke doelen en resultaten. In de cyclus wordt een moment ingebouwd om op collegiale basis met de waterpartners de programmering voor het komende jaar af te stemmen. Dit is het waterplein. 4.8.2

Toetsing 11

Voor onderhavig plan is de digitale watertoets doorlopen. Uit deze watertoets blijkt dat het plan onder de normale procedure valt. Dit betekent dat er nader overleg moet plaatsvinden met Waterschap Vallei en Veluwe. Navolgend wordt kort ingegaan op de toekomstige waterhuishouding in het plangebied. Verharding Met dit bestemmingsplan nemen de verhardingsmogelijkheden in vergelijking met de bestaande situatie toe. Het plangebied is ter plaatse van de bedrijfsloods reeds verhard. Voor de overige gronden geldt dat het plan voorziet in een toename van verharding. Bij de inrichting van het gebied zullen voorzieningen gerealiseerd worden om het regenwater ter plaatse te laten infiltreren of bergen. Hiervoor is voldoende ruimte. Water wordt onder meer bovengronds afgevoerd naar de nabijgelegen wadi’s. Door de hellingsgraad in de verharding stroomt het water op natuurlijke wijze af om vervolgens te infiltreren in de bodem, zoals navolgend weergegeven.

Inrichtingsplan met daarop de waterafvoer weergegeven (Bron: SAB).

Er is een berekening uitgevoerd om het bergingsvermogen van de drie ingetekende 3 wadi’s te toetsen. Hieruit volgt dat er maximaal 300 m waterbergend vermogen nodig 3 is. Het plan voorziet in maximaal 320 m , waarmee wordt voldaan aan de eisen. Navolgende tabellen geven de toets weer.

11

Waterschap Vallei en Veluwe (2020). Digitale watertoets. Enkweg, Posterenk. Dossiercode: 20201111-10-24749. 11 november 2020. 42

Bron: Orbis

Watercompensatie Ter plaatse van het plangebied wordt geen oppervlaktewater gedempt. Het is derhalve niet nodig om bestaande watergangen te compenseren. Waterveiligheid In of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen primaire of regionale waterkeringen aanwezig. Als gevolg van de klimaatverandering nemen de overstromingsrisico's toe. Op de waterkaart zijn daarom zogenaamde dijkringgebieden vastgelegd. Voor dergelijke gebieden is het risico inzichtelijk gemaakt voor overstroming bij een doorbraak van de dijk. Het voorliggende plangebied is gelegen in dijkringgebied 52 (Oost Veluwe). De wettelijke norm voor deze dijkring is een overschrijdingskans van 1:1250 per jaar. Op basis van de risicokaart blijkt dat de kans op overstroming zeer gering is. Bij een eventuele dijkdoorbraak zal de waterdiepte in het plangebied maximaal 0,5 meter bedragen. Waterwingebied / grondwaterbescherming Raadpleging van de provinciale viewer wijst uit dat onderhavig plangebied niet is gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied of een waterwingebied. Waterkwaliteit De beoogde nieuwbouw zal worden aangesloten op de bestaande rioolvoorziening. Het gebruik van uitlogende materialen wordt zoveel als mogelijk voorkomen. Het bestemmingsplan heeft daarmee geen nadelige gevolgen voor de waterkwaliteit. 4.8.3

Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.9

Natuur

4.9.1

Regelgeving Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. 43

4.9.2

Toetsing 12

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is onderzocht of er - volgens de nu geldende wet- en regelgeving - beschermde natuurwaarden aanwezig zijn in het plangebied. Naast beschermde natuurwaarden in het plangebied is ook nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur in de nabijheid van het plangebied. Navolgend worden kort de conclusies van de quick scan uiteengezet, de volledige rapportage is als bijlage bij de toelichting opgenomen. Gebiedsbescherming De onderzoekslocatie ligt op ongeveer 3.000 meter afstand van Natura 2000-gebied ‘Rijntakken deelgebied Uiterwaarden IJssel’. Gezien de aard, de afstand en beperkte schaal van de ingreep en het ontbreken van landschappelijke binding tussen plangebied en Natura 2000-gebied zijn effecten (positief of negatief ) op doelstellingen van Natura 2000-gebieden op voorhand uit te sluiten. Wel is in het kader van de voorgenomen ontwikkeling een AERIUS13 stikstofberekening uitgevoerd. Uit de uitgevoerde berekening blijkt dat de gehanteerde grenswaarde van de stikstof-depositie van 0,00 mol/ha/j niet wordt overschreden. Zodoende kunnen significant negatieve effecten op het nabij gelegen Natura 2000-gebied worden uitgesloten. Er is geen vergunning ten behoeve van de Wet natuurbescherming benodigd in het kader van stikstofdepositie.

Verder blijkt uit de quick scan dat het Gelders Natuurnetwerk (GNN) op circa 800 meter afstand van het onderzoeksgebied ligt en de Groene ontwikkelingszone (GO) op circa 400 meter afstand. Gezien de aard en de schaal van de ingreep in relatie met de afstand ten opzichte van de GO en het GNN zal er geen extern negatief of positief effect optreden op de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen. Soortenbescherming Navolgend worden de conclusies ten aanzien van (beschermde) diersoorten behandeld. Algemene broedvogels  Voer mogelijk verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit of begin buiten het broedseizoen. Het broedseizoen is geen vaste periode maar voor de meeste soorten is de periode half maart - half augustus een goede indicatie;  Houdt tijdens het broedseizoen bij voorkeur een verstoringsvrije zone van enkele meters rond de begroeiing of snoei de begroeiing sterk terug voorafgaand aan het broedseizoen om broedgevallen te voorkomen. Laat bij start van de werkzaamheden in de periode half maart - half augustus een broedvogelcheck uitvoeren door een erkend broedvogeldeskundige hooguit enkele dagen voorafgaand aan de start van de werkzaamheden. Bezette nesten mogen nooit verstoord, vernield of ver-

12

Ruimte voor Advies (2020). Ecologische quick scan. Enkweg 10 te Wilp. 23 november 2020.

13

SAB (2022). Onderzoek stikstofdepositie. Posterenk, Enkweg. Projectnummer: 170354. 14 maart 2022. 44

plaatst worden. Indien broedgevallen aanwezig dienen werkzaamheden binnen de verstoringsgevoelige zone rond de nestplaats(en) tijdelijk te worden uitgesteld. Jaarrond beschermde nesten  De werkzaamheden leiden niet tot het verstoren of vernietigen van vaste verblijfplaatsen van jaarrond beschermde vogels. Vleermuizen  De houtsingel langs het onderzoeksgebied wordt uitgedund. Deze dunning dient te worden uitgevoerd buiten de actieve periode van vleermuizen (actieve periode is grof weg van april tot november.  Bij de dunning van de houtwal dienen de bomen met holtes te worden vermeden. Deze worden mogelijk gebruikt als vaste rust- en verblijfplaats door vleermuizen.  Na de dunning dient de houtsingel van voldoende volume te zijn dat deze nog steeds kan dienen als vliegroute en foerageergebied voor vleermuizen.  Tijdens werkzaamheden dient lichtverstoring voorkomen te worden. Voorkom uitstraling van eventuele bouwlampen en andere verlichting richting de boomkronen in de nachtelijke uren.  Bij de nieuwe inrichting moet lichtverstoring bij vleermuizen voorkomen worden. Dit betekent dat de plaatsing, de intensiviteit en de stralingsrichting van buitenlampen zodanig moet zijn dat er geen verstoring van strooilicht plaatsvindt. Rekening houdend met voorgaande (de zorgplicht) vormt het aspect soortenbescherming geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig plan. 4.9.3

Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.10

Verkeer en parkeren 14

In een aparte notitie zijn de verkeersgeneratie en de parkeerbalans van het te ontwikkelen plangebied bestudeerd. Standaard wordt voor de berekening van de beide aspecten de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren’ van parkeerkencijfers naar parkeernormen, d.d. december 2018 en indien noodzakelijk andere CROWpublicaties zoals het ASVV 2021 gebruikt. Dit is aangevuld met het parkeerbeleid van de gemeente Voorst. 4.10.1

Verkeer Aan de hand van CROW-publicatie 381 is de verkeersgeneratie bepaald. Aan de hand van de omgevingsadressendichtheid (CBS, 2019) wordt de stedelijkheidsgraad van een gemeente vastgesteld. De gemeente Voorst wordt geclassificeerd als ‘weinig stedelijk’. Onderhavige locatie wordt beschouwd als ‘rest bebouwde kom.’ In de volgende tabel is de verkeersgeneratie van het planvoornemen weergegeven. 14

SAB (2022). Notitie verkeer en parkeren. Enkweg, Posterenk. Projectnummer: 170354.01. 14 maart 2022. 45

kenmerk koop, vrijstaand koop, twee-onder-één-kap koop, tussen/hoek totaal afgerond

aantal 8 6 14 28

kencijfer min 7,8 7,4 7,0

max 8,6 8,2 7,8

per woning woning woning

verkeersgeneratie min max 62,4 68,8 44,4 49,2 98 109,2 204,8 227,2 210 230

Uit voorgaande tabel blijkt dat het plan (naar boven afgerond) voorziet in een verkeersgeneratie van circa 220 motorvoertuigen per etmaal, waarvan zo’n 1% vrachtverkeer zal zijn (ASVV 2021). Hierbij dient te worden opgemerkt dat de bestaande woning aan de Enkweg 10 buiten beschouwing is gelaten, aangezien de feitelijke situatie onveranderd blijft. De woningen aan de oostzijde van het plangebied worden rechtstreeks op de Enkweg ontsloten. Naar verwachting zal zeker 80% van het verkeer afkomstig uit het plangebied (176 verkeersbewegingen) in noordelijke richting rijden de Molenallee. Hier kan het verkeer de autosnelweg A1 op, door middel van aansluitpunt 22 Twello of verder via de N791 richting Twello of Wilp. De overige 20% (44 verkeersbewegingen) wordt in zuidelijke richting afgewikkeld. Door de gemeente Voorst zijn verkeersgegevens van de Enkweg aangeleverd. De verkeersgegevens zijn gebaseerd op het verkeersmodel van de gemeente. In 2018 bedroeg de verkeersintensiteit 600 motorvoertuigen per etmaal. In 2030 zal de verkeersintensiteit 900 mvt/etm bedragen. Hierin is ook een ontwikkeling in de kern van Posterenk meegenomen. De Enkweg kan deze toename van de verkeersintensiteit zonder problemen verwerken. De gemeente Voorst heeft haar verkeersbeleid neergelegd in het Programma Mobiliteit 2020 tot en met 2030.

In Wilp liggen twee provinciale wegen; de Molenallee ( vanaf de Fliertweg (N791)) en de Rijksstraatweg (N790). Beide zijn gecategoriseerd en ingericht als gebiedsontsluitingsweg met een maximum snelheid van 50 km/uur binnen de bebouwde kom en 80 km/uur buiten de bebouwde kom. De overige wegen (o.a. Enkweg, Molenallee, vanaf de Enkweg tot aan de Fliertweg en de Grotenhuisweg) zijn aangemerkt als erftoegangsweg B, waar 30 km/uur gereden mag worden voor wegvakken binnen de bebouwde kom. Voorgenoemde wegen kunnen de relatief beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen relatief eenvoudig verwerken. De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een onacceptabele verkeerstoename. 4.10.2

Parkeren Voor nieuwbouw binnen de gemeente Voorst wordt gebruik gemaakt van de kencijfers van het kennisplatform CROW (ASVV 2021, landelijke norm). Dit houdt in dat de parkeernorm voor dure woningen minimaal 2,3 parkeerplaatsen per woning bedraagt en voor goedkope en middeldure woningen 1,8 parkeerplaats per woning. Deze norm wordt voor de gehele gemeente aangehouden. Dit levert de volgende parkeerbehoefte op. Op basis van de meest recente stedenbouwkundige verkaveling (8 vrijstaande woningen, 6 twee-onder-een-kapwoningen en 14 aaneengebouwde woningen) bedraagt de totale parkeerbehoefte van de voorgenomen ontwikkeling 52 parkeerplaatsen, waarvan ten minste 8 parkeerplaatsen in de openbare ruimte moeten worden ge-

46

realiseerd ten behoeve van bezoekers. Woningtype

Aantal

Parkeernorm

Waarvan in de

Parkeerbehoefte

Vrijstaand

8

2,3

0,3 per woning

18,4

6

1,8

0,3 per woning

10,8

14

1,8

0,3 per woning

25,2

8,4

54,4

openbare ruimte (met garage en dubbel oprit) Twee-onder-een-kap (met garage en oprit) Aaneengebouwd woningen Totaal

28

Op basis van de meest recente stedenbouwkundige onderlegger is eveneens het aantal parkeerplaatsen in het plangebied inzichtelijk gemaakt. Een en ander is in onderstaande tabel weergegeven. Parkeervoorziening

Rekenfactor

Aantal

Aantal parkeerplaatsen

Haaksparkeerplaatsen

1,0

12

12

Langsparkeerplaatsen

1,0

15

15

(Garage met) enkele oprit

1,0

13

13

(Garage met) dubbele oprit (oprit min.

1,8

8

14,4

-

-

54,4

4,5 m breed en 5,5 m diep) Totaal

Zoals blijkt uit de voorgaande tabel wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. In totaal worden er ruim 54 parkeerplaatsen gerealiseerd, waarvan 27 in de openbare ruimte. De bestaande bedrijfswoning aan de Enkweg 10 heeft voldoende parkeergelegenheid op het eigen terrein. 4.10.3

Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.11

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

4.11.1

Regelgeving Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is het noodzakelijk om ten behoeve van een bestemmingsplan dat kaderstellend is voor projecten met grote milieugevolgen, een plan-m.e.r. op te stellen. Onderdeel D van de bijlage Besluit m.e.r. geeft de omvang van dergelijke projecten. Hierbij geldt sinds de aanpassing van het Besluit m.e.r. per 1 april 2011 de omvang als richtwaarde en niet als absolute drempelwaarde. Daarom is altijd een toets noodzakelijk om na te gaan of sprake is van een project met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-

47

richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van de projecten, plaats van de projecten en kenmerken van het potentiële effect. Het mag duidelijk zijn dat wanneer een project ruim beneden de omvang uit de bijlage van het Besluit m.e.r. blijft, deze beoordeling beknopt kan zijn. 4.11.2

Toetsing De voorgenomen ontwikkeling is aan te merken als een activiteit genoemd onder D.11.2 (stedelijke ontwikkelingen) van de bijlage behorend bij het Besluit milieueffectrapportage. De bouw van maximaal 28 woningen kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject, maar blijft ruim onder de drempelwaarde van 2.000 woningen. Dit neemt niet weg dat in dit geval een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden. 15

De uitkomst van de in de vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerde toets is dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het plan die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor de meeste milieuaspecten geldt dat er geen effect optreedt. Uitsluitend voor wat betreft natuur (soortenbescherming) zijn er mogelijk negatieve milieueffecten, maar die zijn zeer gering en niet als een belangrijk negatief milieueffect te kwalificeren. De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r.-(beoordelings-) procedure is daarom niet nodig. 4.11.3

Conclusie Het aspect vormvrije m.e.r.-beoordeling vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

15

SAB (2021). Vormvrije m.e.r.-beoordeling. Posterenk, Enkweg 10. Projectnummer: 170354.01. 17 december 2021. 48

5 5.1

Juridische toelichting Algemeen Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. In deze paragraaf worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012 en de Wabo. Daarnaast is zoveel mogelijk aangesloten bij andere (recente) bestemmingsplannen van de gemeente Voorst. Voor het bouwen is verder het Besluit omgevingsrecht (Bor) van belang. In het Bor zijn onder andere regels voor vergunningvrije bouwwerken opgenomen.

Opzet bestemmingsplan Op grond van de aangewezen woonbestemming geldt een rechtstreekse bouwtitel. Het voornemen bestaat om te bouwen in twee fasen. De globale eindbestemming is inhoudelijk gestoeld op het inrichtingsplan, maar biedt tegelijkertijd enige flexibiliteit. Bij het toekennen van de bouwvlakken is een kleine marge in acht genomen. Door deze opzet wordt enige flexibiliteit gedurende het ontwikkelingstraject gecreëerd, om te voorkomen dat later knelpunten ontstaan bij ondergeschikte wijzigingen aan het bouwplan.

5.2

Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.

49

5.3

Bestemmingsregels

5.3.1

Opbouw bestemmingen Bestemmingsomschrijving Bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de grond worden toegekend. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies zoals groen, wonen, verkeer etc. De aard van de toegelaten inrichtingen van gronden (bouwwerken en werken, geen bouwwerken zijnde) vloeit dan voort uit de toegelaten functies. Bouwregels In de bouwregels worden voor alle hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding. Afwijken van de bouwregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde bouwregels. Specifieke gebruiksregels In dit onderdeel kan worden aangegeven welke vormen van gebruik men in ieder geval strijdig acht met de bestemming. Het is niet de bedoeling alle mogelijke strijdig gebruiksvormen te noemen, maar alleen die, waarvan het niet op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de doeleindenomschrijving. Afwijken van de gebruiksregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde gebruiksregels.

5.3.2

Bestemmingen In deze paragraaf zijn de feitelijk in het plan voorkomende bestemmingen beschreven. Per bestemming is kort toegelicht welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden. Groen De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor groen en water. Er zijn slechts beperkte bouwmogelijkheden (bouwwerken, geen gebouwen zijnde). Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van groen - beschermde hagen’ zijn algeheel geen bouwwerken toegestaan. Verkeer - Verblijfsgebied De infrastructuur en directe omgeving wordt voorzien van de bestemming ‘Verkeer Verblijfsgebied’. Binnen deze bestemming zijn de gronden onder meer bestemd voor wegen met een functie voor de ontsluiting van aanliggende gronden, parkeerplaatsen, ambulante handel, water, openbare nutsvoorzieningen alsmede bij deze bestemming horende voorzieningen zoals groen, verhardingen, verkeers- en verblijfsvoorzienin50

gen, water en speelvoorzieningen. De bouwmogelijkheden binnen de bestemming ‘Verkeer - Verblijfsgebied’ zijn beperkt. Wonen De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, aan huis verbonden beroepen en/of aan huis verbonden bedrijven (onder voorwaarden), bed & breakfast (onder voorwaarden), openbare nutsvoorzieningen alsmede bij deze bestemming horende voorzieningen zoals groen, paden, verhardingen, water en parkeerplaatsen. De gronden voor (het verlengde van ) de voorgevel van de woningen zijn voorzien van de aanduiding ‘tuin’. Hier zijn de bouwmogelijkheden zeer beperkt. Het overige deel van het erf – 3 meter achter het verlengde van de voorgevel – is voorzien van de aanduiding ‘erf’. Deze gronden zijn bestemd als erf bij de woningen. Het bouwen van hoofdgebouwen (woningen) is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, in aaneengebouwde, twee-onder-één-kap of vrijstaande vorm. Het toegestane woningtype is aangeduid op de verbeelding. De maximum goot- en bouwhoogte van de woningen is eveneens aangegeven op de verbeelding middels de aanduiding ‘maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)’. De breedte van een woning mag niet meer dan 10 meter bedragen. Ter plaatse van het bouwvlak en de functieaanduiding ‘erf’ mogen overige gebouwen worden gebouwd, mits de goot- en bouwhoogte niet meer bedraagt dan respectievelijk 2 3 en 5 meter en met een maximum van 50 m .

De bouwmogelijkheden ter plaatse van de functieaanduiding ‘tuin’ zijn beperkt, hier mogen uitsluitend erkers en/of entreeportalen worden gebouwd, mits voldaan wordt aan de daaraan gestelde maatvoeringseisen. In de bouwregels is tevens een regeling voor parkeren opgenomen. Indien op grond van bestemming ‘Wonen’ wordt gebouwd, dient voorzien te worden in de aanleg en instandhouding van voldoende parkeergelegenheid. Daarbij moet voldaan worden aan de parkeernormen zoals genoemd in het desbetreffende artikel. Tot slot zijn binnen de bestemming ‘Wonen’ beroepen of bedrijven aan huis – onder 2 voorwaarden – toegestaan tot 50 m . Onder voorwaarden kan worden afgeweken van de gebruiksregels. Waarde - Archeologie 3 De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Op basis van deze dubbelbestemming wordt onder andere geregeld dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij activiteiten met 2 een grotere oppervlakte dan 250 m en/of die worden uitgevoerd op een grotere diepte dan 0,3 meter onder maaiveld. 5.3.3

Algemene regels Anti-dubbeltelregel Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een

51

bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels In de algemene bouwregels zijn – zoals de naamgeving al aangeeft – algemene bouwregels opgenomen voor openbare nutsvoorzieningen en onderkeldering. Deze gelden voor alle bestemmingen. Algemene gebruiksregels In dit artikel is in algemene zin aangegeven wanneer sprake is van strijdig gebruik met de regels uit het bestemmingsplan. Algemene aanduidingsregels Om de vrije windvang van de Wilpermolen te waarborgen zijn in dit bestemmingsplan de gebiedsaanduidingen ‘vrijwaringszone - molenbiotoop gesloten’ en ‘vrijwaringszone - molenbiotoop ruw’ opgenomen. De regeling die hieraan gekoppeld is voorkomt dat binnen een afstand van 400 meter tot het middelpunt van de molen nieuwe bebouwing wordt opgericht of beplanting wordt aangebracht die de vrije windvang van de molen onevenredig belemmerd. Algemene afwijkingsregels Dit artikel is een aanvulling op de afwijkingsregels uit de bestemmingen waarin nog een aantal algemene afwijkingen is opgenomen. Het betreft hier onder meer een standaardregeling die beperkte afwijkingen in de maatvoering bij de uitvoering van bouwplannen mogelijk maakt.

Algemene procedureregels In dit artikel staat wat wordt bedoeld als er in de regels wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen. 5.3.4

Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bouwregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan, mag eveneens worden voortgezet. Slotregel Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

52

6 6.1

Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Op basis van artikel 3.1.6, lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. De ontwikkelingen die concreet mogelijk worden gemaakt door het bestemmingsplan moeten (economisch) uitvoerbaar zijn, omdat er anders sprake is van een oneigenlijke bestemming. Het voorliggende plan wordt gerealiseerd op particulier initiatief. De gemeente en de initiatiefnemer hebben een anterieure overeenkomst gesloten waarin de rechten en plichten van zowel de ontwikkelaar als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling ten aanzien van het kostenverhaal. Met deze overeenkomst is het plan verzekerd van kostendekking, het opstellen van een exploitatieplan is daarom overeenkomstig artikel 6.12, lid 2 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening niet nodig. Gesteld kan worden dat er geen verplichting is om tegelijkertijd met de ruimtelijke procedure een exploitatieplan op te stellen. De economische uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is hiermee voldoende aangetoond.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Participatie Bij de ontwikkeling van het woningbouwplan in Posterenk is de belangenvereniging direct betrokken geweest bij de ontwikkeling. Daarnaast zijn de omwonenden zeer regelmatig geïnformeerd. Het eerste planinitiatief is op 11 oktober 2018 aan het dorp gepresenteerd in de plaatselijke molen. Daarop volgend zijn alle inwoners jaarlijks geinformeerd via de ledenvergadering van de dorpsraad. Vanaf 2021 is een website gepubliceerd met informatie over de woningbouwontwikkeling. In de periode tussen 2018 en 2021 zijn de inwoners van Posterenk tussentijds geïnformeerd via de website van de belangenvereniging. In maart jl., voorafgaand aan de procedure van het bestemmingsplan, is er wederom een inloopavond georganiseerd. Naar aanleiding van deze avond hebben een aantal direct aanwonenden een persoonlijk gesprek gevraagd en zijn onderling goede afspraken gemaakt. Vooroverleg In het kader van het wettelijk vooroverleg is advies opgevraagd bij de veiligheidsregio en de GHOR. Het advies is verwerkt. Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan Woningbouw Enkweg, Posterenk heeft vanaf 17 maart 2022 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld zienswijzen kenbaar te maken aan de gemeenteraad. Er zijn geen zienswijzen ingediend.

53

Ambtshalve wijziging Als ambtshalve wijziging is de verbeelding iets aangepast door een aangepast wegprofiel op het matenplan.

54

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11581041/2