Toelichting en Regels
Tekst van het document
Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het Waterschap Vallei en Veluwe, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf.
41/128
Waterschapbeleid Onder de huidige wet- en regelgeving zijn er diverse beleidsdocumenten op verschillende bestuursniveaus die ten grondslag liggen aan de uitgangspunten op het gebied van duurzaam waterbeheer, waaronder op Europees niveau de Kaderrichtlijn Water (KRW) en op nationaal niveau het Nationaal Waterplan (NW), Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21), het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) en de Waterwet. De provincie en het waterschap hebben deze uitgangspunten verder door vertaald in regionaal beleid en uitvoeringsplannen. De regels die zijn vastgelegd in een verordening, van de waterschappen wordt dit 'de Keur' genoemd. De Waterwet kent één watervergunning, de voormalige Keurvergunning is hierin opgenomen. De Waterwet gaat grotendeels op in de Omgevingswet. Onder de Omgevingswet wordt het beleid van de waterschappen omgezet naar Waterschapsverordeningen. Huidige situatie Algemeen Op de overgang van de Veluwe naar het IJsseldal ten zuiden van Klarenbeek ligt het natuurgebied Lampenbroek. In het natuurgebied komen de Verloren Beek en de Loenensche Beek samen en stromen verder als de Voorsterbeek. In het verleden kwamen hier schraalgraslanden en broekbossen voor. Door kanalisatie van het watersysteem en de effecten van klimaatverandering treedt nu verdroging op in het gebied waardoor negatieve effecten ontstaan op de natuurdoelstellingen van Lampenbroek.
Bodem en grondwater Het gebied heeft een hoogteligging tussen ca 7m NAP in de noordoosthoek en 11,5m NAP langs de provinciale weg aan de westzijde. In figuur 5.1 is de AHN (Actuele Hoogtekaart Nederland, versie 3) van het gebied weergegeven.
Figuur 5.1 - Actuele Hoogtekaart Nederland, versie 3
42/128
Het gebied wordt gekenmerkt door de overgang van de stuwwal van de Veluwe naar de IJsselvallei. De ondergrond bestaat voornamelijk uit zand en op geringe diepte is een kleilaag van ca 2 meter dikte aangetroffen. Op circa 5 meter diepte bevindt zich een rivierkleiafzetting. In figuur 5.2 is goed te zien dat deze afzetting vanuit de IJssel tegen de Veluwe gestuwd is. Het kleipakket op circa 40 meter diepte wordt beschouwd als hydrologische basis omdat deze kleilaag onder de IJssel doorloopt.
Figuur 5.2 - Hydrologische weergave Waterkwantiteit De watergangen in het plangebied zijn de rechtgetrokken lopen van historische beeklopen. In de jaren zestig van de vorige eeuw is deze herinrichting uitgevoerd. De Loenensche beek vanuit het zuiden. Vanuit het westen stromen de Verloren beek en de Beekbergsche beek en vanuit zuidelijke richting de Voorsterbeek. De Beekbergsche Beek stroomt even ten noorden van het plangebied naar het noorden richting de Kopermolen in Klarenbeek en heeft ter hoogte van het plangebied een peil dat flink hoger is dan de omliggende watergangen.
Figuur 5.3 - Uitsnede van het plangebied uit legger van Waterschap Vellei en Veluwe (Bron: Waterschap Vallei en Veluwe)
43/128
Waterkwaliteit De Loenensche beek maakt onderdeel uit van het KRW waterlichaam Voorsterbeek. De chemische toestand van deze beek is goed. De ecologische toestand is matig maar op de specifieke verontreinigingen scoort deze beek slecht en voldoet niet. In de factsheet KRW zijn daarom ook maatregelen gepland om de toestand te verbeteren dan wel achteruitgang te voorkomen. Zo wordt er onderzoek gedaan naar het toepassen van moerasbeek en wordt water vasthouden gestimuleerd als maatregel uit het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer . Waterveiligheid In de directe omgeving zijn geen keringen aanwezig. Waterketen De bestaande bebouwing is aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel. Toekomstige situatie Waterschap Vallei en Veluwe heeft de intentie om de verdroging in het gebied Lampenbroek aan te pakken. Een onderdeel van deze aanpak betreft wijzigingen in het oppervlaktewatersysteem. De voorgenomen wijzigingen resulteren in hogere oppervlaktewaterstanden, waardoor verdroging in het gebied wordt tegengegaan. Waterkwantiteit Om verdroging tegen te gaan wordt in de Voorsterbeek een stuw geplaatst dat bij lage afvoeren het waterpeil in het gebied voldoende hoog kan houden. Ter plaatse van de Verloren beek en de Loenensche beek wordt het natuurlijk verloop van deze beken hersteld door deze te verleggen en te laten meanderen.
Ook worden watergangen gedempt en of verondiept die in de huidige situatie zorg dragen voor de afwatering van de agrarische percelen. Langs de nieuwe ligging van de beken en de A watergangen zal de toplaag worden verwijderd zodat bij extreme regenval delen van het gebied kunnen inunderen.
44/128
Figuur 5.4 - Maatregelen watersysteem Lampenbroek* *Naar aanleiding van de zienswijzen zijn de volgende kadastrale percelen verwijderd uit het vast te stellen bestemmingsplan: Voorst H 230, 213, 220, 222, 136. Figuur 1.1 is hierop aangepast. De voorgenomen wijziging naar de bestemming Natuur en/of Water en bijbehorende maatregelen vinden geen doorgang op deze percelen. Het inrichtingsplan in Bijlage 1 van de toelichting is hierop aangepast. *Het projectplan van het waterschap is in april 2024 gewijzigd vastgesteld. De kadastrale percelen Voorst H 230, 213, 220, 222, 136 en Beekbergen O 645, 646, 663, 664 zijn niet langer onderdeel van het projectgebied. De gewijzigde begrenzing van het projectgebied en gewijzigde maatregelen zijn niet meegenomen in bovenstaande figuur. Zie het inrichtingsplan in Bijlage 1 van de toelichting voor de gewijzigde maatregelen. Waterkwaliteit Ten behoeve van de waterkwaliteit zal langs de beken en A watergangen de nutriëntrijke toplaag worden afgeplagd. Hierdoor zal de uitspoeling van nutriënten en chemische stoffen verminderen. Door het omvormen van agrarisch gebruik naar natuur zal een ook positieve bijdrage ontstaan op de waterkwaliteit.
45/128
Waterveiligheid Met de ingrepen in het gebied wordt water langer vastgehouden waardoor het grondwaterpeil stijgt. De grondwaterstandsverhoging leidt niet tot nadelige effecten op de woningen binnen het plangebied. Sinds 2019 is een uitgebreid online grondwaterstandsmeetnet geplaatst. Met dit monitoringsmeetnet zal ter plaatse van de woningen het grondwaterstandsverloop worden gemonitord en de dorpels van de woningen worden ingemeten. Afhankelijk van de resultaten zal, indien nodig, de dimensionering randsloot worden aangepast om wateroverlast te voorkomen. Waterketen De geplande ontwikkeling heeft geen effect op bestaande riolering. Met het voornemen wordt ook geen nieuwe riolering aangebracht. Water en Waterstaat in het bestemmingsplan In het bestemmingsplan worden de hoofdwatergangen bestemd overeenkomstig de huidige systematiek. In het bestemmingsplan wordt het oppervlaktewater in het plangebied bestemd als 'Water'. Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. 5.1.4 Milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering.
Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruiken de gemeente Apeldoorn en Voorst de daarvoor algemeen aanvaarde VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand.
De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden normaliter bepaald tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de dichtst daarbij gelegen situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.
46/128
Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is ingericht volgens het principe van de functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor; langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Vergelijkbaar met de rustige woonwijk zijn rustig buitengebied, stiltegebied en natuurgebied. Daarvoor gelden dan ook dezelfde richtafstanden. Een ander omgevingstype is het gemengd gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een variatie aan functies; direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied. Het gemengd gebied kent door de aanwezige variatie aan functies en situering al een hogere milieubelasting. Dit kan aanleiding zijn om gemotiveerd voor één of meer milieuaspecten een kleinere afstand aan te houden dan wordt geadviseerd voor een rustige woonwijk. Een geadviseerde afstand van 30 meter kan dan bijvoorbeeld worden gecorrigeerd tot 10 meter en een geadviseerde afstand van 100 meter tot 50 meter.
Uitzondering op het verlagen van de richtafstanden vormt het aspect gevaar: de richtafstand voor dat milieuaspect wordt niet verlaagd. De tabel geeft de relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype weer. milieucategorie
richtafstand tot omgevingstype rustige richtafstand tot omgevingstype gemengd woonwijk gebied
1
10 m
0m
2
30 m
10 m
3.1
50 m
30 m
3.2
100 m
50 m
4.1
200 m
100 m
4.2
300 m
200 m
5.1
500 m
300 m
5.2
700 m
500 m
5.3
1.000 m
700 m
6
1.500 m
1.000 m
Het systeem van richtafstanden gaat uit van het principe van scheiding van functies: de richtafstandenlijst geeft richtafstanden tussen bedrijfslocatie en omgevingstype rustige woonwijk respectievelijk gemengd gebied. Binnen (hiervoor aangewezen) gebieden met functiemenging zijn milieubelastende en milieugevoelige functies op korte afstand van elkaar gesitueerd. Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stads- en wijkcentra, horecaconcentratiegebieden en woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid. Het kan gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen. Voor gebieden met functiemenging wordt een aparte afweging gemaakt ten aanzien van de aan te houden afstand en de te nemen maatregelen in relatie tot het gewenste woon- en leefklimaat. Voor de toelaatbaarheid van activiteiten binnen gebieden met functiemenging gelden randvoorwaarden. Het gaat om kleinschalige, meest ambachtelijke bedrijvigheid en de activiteiten vinden hoofdzakelijk inpandig en overdag plaats.
47/128
Naast de geadviseerde milieuzonering voor bedrijven op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', kunnen er ook nog afstandscriteria uit specifieke milieuwet- en regelgeving gelden. Denk hierbij aan de Wet milieubeheer, de agrarische geurwetgeving en de veiligheidsregelgeving. Deze regelgeving geldt uiteindelijk als toetsingskader voor de toegestane milieueffecten. Ook deze afstandscriteria worden meegenomen bij de beoordeling van nieuwe ontwikkelingen. Onderzocht worden zowel de feitelijke invloed van de ter plaatse gevestigde en te vestigen milieubelastende functies als de invloed die kan uitgaan van milieubelastende functies die op grond van de geldende bestemming gevestigd kunnen worden. Onderzoeksresultaten milieuzonering In de beoogde situatie wordt het gebied Lampenbroek heringericht. Omdat het gaat om een natuurgebied, is het aspect bedrijven en milieuzonering niet relevant. De omliggende woningen zullen geen hinder ervaren als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 5.1.5 Geluidhinder Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening gehouden dient te worden: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai.
Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedssfeer van verkeerswegen, een spoorlijn of een industrieterrein. Voorliggend bestemmingsplan beoogt het realiseren en herstellen van natuur waarbinnen geen geluidsgevoelige functies mogelijk worden gemaakt. Onderzoek naar geluidhinder is derhalve niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect geluidhinder vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 5.1.6 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer (verder: Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritische stoffen zijn stikstofdioxide en fijn stof. Aan de andere stoffen die in de Wet worden genoemd wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan. Op grond van artikel 5.16 Wm kan de gemeenteraad een bestemmingsplan met mogelijke gevolgen voor de luchtkwaliteit alleen vaststellen wanneer aannemelijk is gemaakt dat: a. het bestemmingsplan niet leidt tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden, of; b. de luchtkwaliteit als gevolg van het bestemmingsplan per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft, of, bij een beperkte toename, door een met de ontwikkeling samenhangende maatregel of effect, per saldo verbetert, of; c.
het bestemmingsplan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen, of; d. de ontwikkeling is opgenomen of past in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit.
48/128
Niet in betekenende mate bijdragen In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn categorieën van gevallen aangewezen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Een bijdrage is "niet in betekenende mate" als de toename maximaal drie procent van de jaargemiddelde grenswaarde van fijn stof of stikstofdioxide bedraagt. Wanneer een ontwikkeling valt onder één van die categorieën is het niet nodig een onderzoek naar de luchtkwaliteit uit te voeren. De categorieën van gevallen zijn: woningbouwlocaties met niet meer dan 1.500 nieuwe woningen en één ontsluitingsweg; woningbouwlocaties met niet meer dan 3.000 woningen en twee ontsluitingswegen; kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlakte van niet meer dan 100.000 m2 en één ontsluitingsweg; kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlakte van niet meer dan 200.000 m2 en twee ontsluitingswegen. Verder is een bepaalde combinatie van woningen en kantoren zonder nader onderzoek mogelijk en is er voor sommige inrichtingen geen onderzoeksplicht. Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit In het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) staan enerzijds maatregelen die gemeenten, provincies en rijk nemen om de luchtkwaliteit te verbeteren en anderzijds grootschalige, "in betekenende mate" projecten die tot verslechtering kunnen leiden.
Per saldo kan Nederland hiermee in 2011 overal aan de grenswaarden van fijn stof voldoen en in 2015 aan de grenswaarden voor stikstofdioxide. Nederland heeft op basis van het NSL van de Europese Commissie uitstel gekregen van de inwerkingtreding van de grenswaarden. Toepasbaarheidsbeginsel Op locaties die niet voor het publiek toegankelijk zijn, op het terrein van inrichtingen, op rijbanen van wegen en in de middenbermen van wegen hoeft de luchtkwaliteit niet te worden beoordeeld (het "toepasbaarheidsbeginsel"). Voor alle andere ontwikkelingen moet worden onderzocht wat het effect op de luchtkwaliteit is. Blijkt uit het onderzoek dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging, dan vormt het onderdeel luchtkwaliteit geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Is de bijdrage wel in betekenende mate maar wordt er geen grenswaarde overschreden, dan is er evenmin een belemmering. Onderzoeksresultaten luchtkwaliteit Het plan betreft de herinrichting van het gebied 'Lampenbroek'. Door de beoogde ontwikkeling is er geen sprake van een verkeerstoename en mogelijk zelfs een verkeersafname. De NIBM-tool hoeft om deze reden niet ingevuld te worden. Er kan geconcludeerd worden dat er geen toename is van stikstof en fijnstof. Het project draagt hierdoor niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide in de lucht.
Een toetsing aan de grenswaarden is derhalve niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit 2022. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Klarenbeekseweg in het westelijke deel van het plangebied. Uit het CIMLK blijkt dat in 2021 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2021; 11,9 µg/m³ voor NO2, 15,0 µg/m³ voor PM10 en 8,4 µg/m³ voor PM2,5.
49/128
Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6 dagen. Hierdoor is er ter plaatse van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 5.1.7 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (verder: Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het beleid voor externe veiligheid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen.
Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt in het externe veiligheidsbeleid het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd. Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt (verder: PR-contour); Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Bevi. Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd.
Transport van gevaarlijke stoffen over water, spoor en weg Voor de beoordeling van de risico's vanwege het transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes, met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende Regeling basisnet. Er zijn geen wettelijke grenzen voor de aantallen transporten met gevaarlijke stoffen maar er worden wel grenzen gesteld aan de risico's, deze staan in het Basisnet. De vastgestelde risicogrenzen worden getoetst aan het plaatsgebonden risico met een wettelijk harde norm en het groepsrisico met de daarbij behorende oriëntatiewaarde als ijkpunt. Daarnaast geldt dat het vervoer van gevaarlijke stoffen op een verantwoorde wijze plaatsvindt vanwege de strenge eisen die gelden voor dit vervoer als gevolg van internationale regelgeving.
50/128
Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico's van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen gelden het Besluit externe veiligheid buisleidingen en de Regeling externe veiligheid buisleidingen. Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot buisleidingen voor zowel het transport van brandbare vloeistoffen als hogedrukaardgasleidingen wettelijk vastgelegd. Nota milieu-veiligheid Apeldoorn In november 2011 is de Nota milieu-veiligheid vastgesteld. Uitgangspunt van deze beleidsvisie is dat nieuwe risicobronnen alleen nog zijn toegestaan op de grote industrieterreinen, met uitzondering van propaantanks in het buitengebied. Nieuwe risicobedrijven die onder het Bevi vallen kunnen door middel van een afwijkingsbevoegdheid mogelijk worden gemaakt op de grote industrieterreinen. Als voorwaarde geldt wel dat de PR 10-6 contour (plaatsgebonden risico) zich niet buiten de inrichtinggrens van het nieuwe bedrijf mag bevinden en dat het invloedsgebied voor het groepsrisico niet verder reikt dan de grens van het industrieterrein. Daarnaast is in de beleidsvisie bepaald dat het groepsrisico ten gevolge van een risicobron niet groter mag zijn dan 1 maal de oriëntatiewaarde. Onderzoeksresultaten In de beoogde situatie wordt een natuurgebied heringericht.
Er worden geen kwetsbare of (beperkt) kwetsbare objecten gerealiseerd. Het aspect externe veiligheid is derhalve niet relevant. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.1.8 Elektromagnetische velden De minister van VROM heeft bij brief van 3 oktober 2005 geadviseerd om bij de vaststelling van nieuwe plannen, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microTesla (µT). De aanleiding voor dit advies is een Engels onderzoek waarbij een licht statistisch verband naar voren is gekomen tussen het langdurig aanwezig zijn van kinderen binnen de 0,4 µT magneetveldzone van bovengrondse hoogspanningslijnen en leukemie bij kinderen tussen 0 en 15 jaar. Het is nog niet duidelijk wat de achterliggende oorzaak hiervan is. Op basis van het voorzorgsprincipe wordt daarom geadviseerd om in nieuwe situaties rekening te houden met deze 0,4 µT–magneetveldzone rondom hoogspanningslijnen. Gelet op de maatschappelijke kosten-baten afweging en ook gezien de huidige onzekerheden over de mogelijke gezondheidsrisico's adviseert VROM dat er geen directe aanleiding is om maatregelen te nemen in bestaande situaties. Daaronder worden ook geldende maar nog niet gerealiseerde gevoelige bestemmingen begrepen.
Nieuwe situaties zijn nieuwe bestemmingsplannen en/of wijziging van bestaande bestemmingsplannen en/of plaatsing van nieuwe hoogspanningslijnen dan wel wijzigingen aan bestaande hoogspanningslijnen. Gevoelige bestemmingen zijn locaties waar kinderen langdurig verblijven, zoals woningen, scholen en crèches. Gelet op het hiervoor genoemde VROM-advies heeft het gemeentebestuur op 6 november 2007 de intentie uitgesproken om op termijn alle bovengrondse hoogspanningslijnen in Apeldoorn ondergronds te brengen. Tot het zover is, zal voor nieuwe ontwikkelingen de lijn van het VROM-advies gevolgd worden.
51/128
Onderzoeksresultaten In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen bovengrondse hoogspanningslijnen. Conclusie Het aspect elektromagnetische velden vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 5.1.9 Niet gesprongen explosieven Algemeen Om inzicht te verkrijgen in de mogelijke aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten (OO)3 in het onderzoeksgebied ‘Lampenbroek P2137A’ heeft Waterschap Vallei en Veluwe aan Explosive Clearance Group (ECG) de opdracht verstrekt om een historisch vooronderzoek uit te voeren. In een historisch vooronderzoek wordt vastgesteld of er in (delen van) het onderzoeksgebied sprake is van een aantoonbaar verhoogde kans op het aantreffen van OO. Met deze kennis kan worden bepaald of nader (opsporings)onderzoek raadzaam is opdat bodemroerende werkzaamheden veilig kunnen worden uitgevoerd. In de rapportage in Bijlage 4 is een Vooronderzoek conflictperiode (indicaties: oorlogshandelingen WOII) en een Vooronderzoek na-conflictperiode (contra-indicaties: naoorlogse grondroerende activiteit) opgenomen. Onderzoeksresultaten Er zijn enkele aanwijzingen achterhaald dat de omgeving van het onderzoeksgebied betrokken is geweest bij oorlogshandelingen. Een gedeelte van het onderzoeksgebied is op 9 april 1945 getroffen door een Geallieerd bombardement met splinterbommen.
Op vijftig meter ten zuidoosten van het onderzoeksgebied stond een Duitse uitkijkpost, die doelwit was van dit bombardement. Op luchtfoto’s van 10 april 1945 zijn meerdere kraters in het onderzoeksgebied zichtbaar. Dit gebied bevindt zich in de gemeente Voorst en is als verdacht aangemerkt (zie figuur 5.5).
Figuur 5.5 - Bodembelastingkaart OO (Bron: Rapport niet gesprongen explosieven Lampenbroek, ECG).
52/128
In de naoorlogse periode is het landschap in beperkte mate veranderd. Enkele sloten zijn gedempt en nieuwe (zand)wegen zijn aangelegd. De demping van sloten gaat gepaard met nieuwe structurering van de landbouwgronden. Tevens is een groot gebied in het onderzoeksgebied bebost, waar het eerst akkerbouwgrond betrof. In de zuidelijke hoek van het onderzoeksgebied staat nu een aantal loodsen. Het is niet duidelijk of hierbij grootschalige bodemingrepen hebben plaatsgevonden, en zo ja, tot op welke diepte. In het als verdacht aangemerkte gebied zijn geen grootschalige veranderingen in het landschap te zien. Naar aanleiding van de geplande werkzaamheden binnen het in figuur 5.4 als 'verdacht' aangemerkte gebied, is door ECG een opsporingsproces in de vorm van een detectieonderzoek verricht. Dit onderzoek is verricht om ervoor te zorgen dat de voorgenomen bodemroerende werkzaamheden vanuit het oogpunt van explosieven op veilige wijze kunnen worden uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in Bijlage 5. Eindresultaten Na het afronden van het opsporingsonderzoek kon het onderzochte gebied deels worden vrijgegeven van de aanwezigheid van de verwachte soorten OO.
Een deel van het onderzochte gebied kon niet worden vrijgegeven als gevolg van significante objecten welke nog niet benaderd zijn of door de aanwezigheid van detectie belemmerende objecten of detectie verstorende objecten. De (nog) niet vrijgegeven gebieden zijn weergegeven op de obstakelkaart in figuur 5.6 en voorzien van een beschrijving waaruit kan worden opgemaakt waarom deze gebieden (nog) niet konden worden vrijgegeven. Gebieden welke door de aanwezigheid van verstorende objecten, zowel boven- als ondergronds, niet te interpreteren zijn, dienen aanvullend onderzocht te worden. Het stappenplan hiervoor is opgenomen in paragraaf 4.2 van Bijlage 5. De aanvullende werkzaamheden vormen geen belemmering voor de bestemmingswijziging van 'Agrarisch' naar 'Natuur'.
Figuur 5.6 - Lampenbroek obstakelkaart (Bron: Proces-Verbaal van Oplevering (PVvO) Detectiewerkzaamheden binnen het projectgebied 'Lampenbroek P2137A', CGE)
53/128
In gebieden die in het historisch vooronderzoek als onverdacht zijn aangemerkt kunnen de geplande werkzaamheden op reguliere wijze worden uitgevoerd. Daarbij wordt aangeraden om uitvoerende partijen op de hoogte te stellen van het Protocol Toevalsvondst dat in Bijlage 4 van de toelichting is opgenomen. Mochten er onverhoopt munitie(gelijkende) objecten worden aangetroffen in de als ‘onverdacht’ geclassificeerde gebieden, dan wordt geadviseerd om de werkzaamheden direct te staken en de lokale politie van deze vondst op de hoogte te stellen. Tevens wordt geadviseerd om in een dergelijke situatie contact op te nemen met een CS-OOO gecertificeerd opsporingsbureau om vast te stellen of opschaling noodzakelijk is.
5.1.10 Milieueffectrapportage Algemeen Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Welke activiteiten dat zijn is vastgelegd in het Besluit milieueffectrapportage (verder: Besluit m.e.r.). De activiteiten zijn onderverdeeld in: 1. activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (onderdeel C van de bijlage bij Besluit m.e.r.); 2. activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (onderdeel D van de bijlage bij Besluit m.e.r.). Aan het merendeel van de activiteiten zijn drempelwaarden gekoppeld. Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. en de activiteit de drempelwaarde overschrijdt, geldt een m.e.r.-plicht. Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Een m.e.r.-beoordeling is in ieder geval verplicht als de drempelwaarde wordt overschreden. De verplichting geldt (sinds 1 april 2011) ook als de drempelwaarde niet wordt overschreden maar toch niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu.
Gevolg van dat laatste is dat in een bestemmingsplan voor een activiteit die voorkomt in onderdeel D maar waarbij de omvang onder de drempelwaarde ligt, gemotiveerd moet worden of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Deze motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud aansluit bij de verplichte m.e.r.-beoordeling. Voor deze toets gelden geen vormvereisten en daarom wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Onderzoeksresultaten Het planvoornemen voorziet in de wijziging van 90 hectare landbouwgrond naar natuur en water. Toetsing Besluit milieueffectrapportage In het Besluit milieueffectrapportage is in onderdeel D 9 van de bijlage opgenomen dat de wijziging of uitbreiding van landinrichtingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is bij vaststelling van een bestemmingplan in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 125 hectare of meer. Het plangebied heeft een oppervlakte van 110 hectare waarvan 90 hectare agrarisch gewijzigd wordt naar natuur en blijft daarmee onder de drempelwaarden. Dit betekent dat kan worden volstaan met een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgenomen in Bijlage 6.
54/128
Daarnaast kan een m.e.r.- beoordelingsplicht ontstaan door het verleggen van watergangen en het afplaggen van gronden wanneer er sprake is van een ontgronding zoals bedoeld in artikel 3 van de Ontgrondingenwet. In het Besluit milieueffectrapportage is in onderdeel D16.1 de ontginning dan wel wijziging of uitbreiding van dagbouwmijnen, met inbegrip van de winning van oppervlaktedelfstoffen uit de landbodem m.e.r.- beoordelingsplichtig in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een terreinoppervlakte van 12,5 hectare of meer. Het te graven oppervlak voor het verleggen van de watergang bedraagt in totaal 1,95 hectare en valt daarmee onder de drempelwaarde. Ook op dit onderdeel kan worden volstaan met een 'vormvrije' m.e.r.-beoordeling. Het te graven oppervlak voor het afplaggen bedraagt maximaal 77 hectare. In onderdeel C 16.1 van het Besluit milieueffectrapportage is de drempelwaarde van 25 hectare opgenomen. De drempelwaarde wordt overschreden waardoor bij het besluit ontgrondingenvergunning een planMER plicht ontstaat. Ontgrondingenvergunning en kaderstellend plan Een ruimtelijk plan kan kaderstellend zijn als deze voorziet in de regeling voor milieubelastende activiteiten waarop nog een besluit moet worden genomen. Bijvoorbeeld een ontgrondingenvergunning.
Op basis van het ontgrondingenbeleid van de provincie Gelderland ontstaat een vergunningsplicht als meer dan 3.000 m2 grond met een diepte van meer dan 3 meter en een totaal volume van 3000 m3 wordt ontgraven. Voor het project wordt maximaal 19.554 m3 ontgraven waar mogelijk hergebruikt en of afgevoerd. Voor het afplaggen van de gronden wordt circa 77.000 m2 tot een maximale diepte van 0,40m ontgraven. In totaal zal 30.800 m3 worden afgeplagd en hergebruikt binnen het plangebied. Vrijstelling Bepaalde natuurbouwprojecten en werkzaamheden, die door de Provincie, het Rijk of het Waterschap worden uitgevoerd zijn vrijgesteld van vergunningplicht.
Op basis van het ontgrondingsbeleid van de provincie Gelderland gelden de volgende voorwaarden voor een vrijstelling van vergunningplicht: ontgrondingen van ten hoogste drie meter diep met een oppervlakte van maximaal 3.000 vierkante meter en met een volume van ten hoogste 3.000 kubieke meter ontgrondingen ten behoeve van het realiseren of wijzigen van natuurbouwprojecten van ten hoogste een halve meter diep; het aanleggen, verzwaren en verwijderen van waterkeringen en de daarvoor noodzakelijke voorlandverbetering met uitzondering van dijken die geen waterkerende functie meer hebben; het aanleggen of verbreden van watergangen ten behoeve van de verbetering van de waterhuishouding van ten hoogste drie meter diep waar bij aanleg en bij verbreding de bovenbreedte ten hoogste tien meter bedraagt de aanleg van natuurvriendelijke oevers mits deze beperkt blijft tot een strook van ten hoogste tien meter voor iedere oever uit de insteek van de watergang; het verrichten van ontgrondingswerkzaamheden door of namens de waterbeheerder ten behoeve van natuurbouwprojecten in het kader van de Kaderrichtlijn Water ter uitvoering van een maatregel uit een bestemmingsplan of een projectplan als bedoeld in de Waterwet (zie toelichting). De uitvoering van herstelmaatregelen binnen het natuurgebied Lampenbroek vallen onder het regime van de Provincie, Waterschap en Natuurmonumenten.
De werkzaamheden in de bodem voldoen aan de voorwaarden voor vrijstelling van vergunningplicht. Er worden namelijk watergangen verlegd ten behoeve van de verbetering van de waterhuishouding waarbij de maximale diepte en breedte niet wordt overschreden.
55/128
Het plaggen valt onder natuurbouwprojecten van maximaal een halve meter diep. Ook deze activiteit is vrijgesteld van vergunningplicht. Dat maakt dat voor de activiteit ontgronden geen vergunningplicht geldt maar met een melding kan worden volstaan. Het bestemmingsplan is daardoor niet kaderstellend voor een nog te nemen besluit. Bij deze melding is wel een 'vormvrije' m.e.r.- beoordeling noodzakelijk. Het voorliggend document voorziet hierin. Toelichting Eerste lid, sub l: Het gaat bij deze vrijstelling om maatregelen e/o werkzaamheden in het kader van de Kaderrichtlijn Water (KRW), zoals de aanleg van geulen, uiterwaardvergravingen, herstel van beekmondingen en de realisatie van natuurvriendelijke oevers. Vierde lid: Deze vrijstelling geldt alleen voor zover de ontgrondingswerkzaamheden nodig zijn ter uitvoering van de desbetreffende, concrete maatregel. Als ter plaatse voor een ander doel een forsere ontgronding nodig is, kan dat niet zonder ontgrondingenvergunning op basis van onderdeel l van het eerste lid. De waterbeheerder zal of gebruik moeten maken van een andere vrijstelling uit het eerste lid of alsnog een ontgrondingenvergunning voor dit 'meerwerk' moeten aanvragen.
Het bevoegd gezag dient een m.e.r-beoordelingsbeslissing te nemen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de omvang van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen. Conclusie Uit de informatie uit Bijlage 6 blijkt dat het plangebied is gelegen in een kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. De beoogde situatie leidt tot verbetering van de natuurwaarden in het gebied. De werkzaamheden die nodig zijn kunnen leiden tot tijdelijke negatieve effecten. In deze m.e.r.-beoordeling zijn de mogelijke effecten die kunnen optreden met de uitvoer van het planvoornemen ook beoordeeld. Echter zijn deze verwachte effecten allemaal tijdelijk van aard, waardoor het project niet leidt tot belangrijke nadelige milieugevolgen mits de in paragraaf 3.9 uit Bijlage 6 aangegeven (mitigerende) maatregelen worden uitgevoerd. Met inachtneming van deze maatregelen is het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure niet noodzakelijk.
5.2
Natuurwaarden
5.2.1 Wettelijk kader en beleid 5.2.1.1 Europese regelgeving De twee Europese richtlijnen Vogelrichtlijn (1979) en Habitatrichtlijn (1992) vormen samen de belangrijkste natuurbeschermingswetgeving op Europees niveau. De Vogelrichtlijn heeft tot doel in het wild levende vogelsoorten op het grondgebied van de EU te beschermen. De EU-lidstaten zijn verplicht voor alle vogelsoorten die in hun land leven leefgebieden van voldoende grootte en kwaliteit te beschermen. De Habitatrichtlijn waarborgt de biologische diversiteit door het in stand houden van natuurlijke leefgebieden en de wilde flora en fauna. De Habitatrichtlijn is gericht op de bescherming van soorten en van natuurlijke habitats. Beide richtlijnen verplichten de lidstaten tot het aanwijzen van te beschermen gebieden, zogeheten speciale beschermingszones. Het netwerk van speciale beschermingszones die op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn aangewezen wordt over het algemeen als Natura 2000 aangeduid.
56/128
Een Natura 2000-gebied kan uit een Vogelrichtlijngebied, een Habitatrichtlijngebied of een combinatie van beide bestaan. Bij een gecombineerd Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebied kan elk onderdeel zijn eigen begrenzing hebben, afhankelijk van de aanwezige natuurwaarden. 5.2.1.2 Rijksbeleid en wetgeving Wet natuurbescherming Rijksregels over natuurbescherming staan in de Wet natuurbescherming (verder: Wnb). De wet kent een algemene zorgplicht voor iedereen in Nederland ten aanzien van Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en in het wild levende dieren en planten. De Wnb geeft de provincies de opdracht om gebieden aan te wijzen die behoren tot het 'natuurnetwerk Nederland', een samenhangend landelijk ecologisch netwerk. Andere gebieden kunnen de provincies aanwijzen als bijzondere provinciale natuurgebieden dan wel bijzondere provinciale landschappen. De Wnb bevat -voor zover voor bestemmingsplannen relevant- regels voor de bescherming van gebieden, voor de bescherming van soorten en over houtopstanden. Gebiedsbescherming De minister van Economische Zaken wijst Natura 2000-gebieden aan, de speciale beschermingszones als bedoeld in de Vogel- en de Habitatrichtlijn. Het aanwijzingsbesluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied. De provincie stelt voor het Natura 2000-gebied iedere 6 jaar een beheerplan vast.
Op grond van de artikelen 2.7 en 2.8 Wnb stelt een bestuursorgaan een plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied uitsluitend vast indien uit een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, waarin rekening is gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied, de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Als uit de passende beoordeling die vereiste zekerheid niet is verkregen kan het plan uitsluitend worden vastgesteld als is voldaan aan elk van de voorwaarden: a. er zijn geen alternatieve oplossingen; b. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, en; c. er worden de nodige compenserende maatregelen getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. Als het plan significante gevolgen kan hebben voor een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort in een Natura 2000-gebied geldt in plaats van de hiervoor genoemde voorwaarde b, de voorwaarde dat het plan nodig is vanwege: 1. argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijk gunstige effecten, of; 2. andere dwingende redenen van openbaar belang, na advies van de Europese Commissie. Als compenserende maatregelen nodig zijn, moeten deze onderdeel uitmaken van het plan.
57/128
Soortenbescherming De Wnb kent drie verschillende beschermingsregimes voor soorten: a. een beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten: Op grond van dit regime is het verboden om opzettelijk in het wild levende vogels te doden of te vangen, om opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren te vernielen of te beschadigen, nesten van vogels weg te nemen en om vogels opzettelijk te storen; b. een beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn en van de Verdragen van Bern en Bonn: Dit regime bevat de verboden om in het wild levende dieren van de bedoelde soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen, opzettelijk te verstoren, hun eieren opzettelijk te vernielen of te rapen, hun voortplantingsplaatsen of rustplaatsen te beschadigen of te vernielen en om bedoelde plantensoorten opzettelijk te plukken en te vernielen; c. een beschermingsregime voor andere, vanuit nationaal oogpunt beschermde soorten: Op grond van dit regime is het verboden om de soorten die zijn opgenomen in de bijlage bij de wet van de bijlagen opzettelijk te doden of te vangen, de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de in de bijlage genoemde dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen en om bepaalde vaatplanten opzettelijk te plukken en te vernielen.
Van deze verboden kan de provincie ontheffing (in individuele gevallen) respectievelijk (bij verordening) vrijstelling verlenen. Dit kan alleen als aan drie criteria is voldaan: a. er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk; b. de handeling is nodig vanwege een van de in de wet genoemde en per beschermingsregime verschillende belangen, zoals de volksgezondheid, de openbare veiligheid of (bij het beschermingsregime voor nationaal beschermde soorten) in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en het daarop volgende gebruik van het betreffende gebied; c. de ingreep doet geen afbreuk aan de staat van instandhouding van de betreffende soort. Voor een deel van de andere, vanuit nationaal oogpunt beschermde soorten hebben provinciale staten in de Omgevingsverordening Gelderland vrijstelling verleend voor zover het gaat om handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en het bestendig beheer en onderhoud. Houtopstanden Tot slot kent de Wnb het verbod om een houtopstand geheel of gedeeltelijk te (doen) vellen, zonder voorafgaande melding daarvan aan de provincie. Dit verbod geldt niet binnen de bebouwde kom en voor bepaalde typen bomen.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening is bepaald dat de aanwijzing en begrenzing van de gebieden die behoren tot het 'natuurnetwerk Nederland' en de aanwijzing van de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden bij provinciale verordening geschiedt. Ook is daarin bepaald dat bij provinciale verordening regels worden gesteld over bestemmingsplannen die betrekking hebben op een gebied behorend tot het natuurnetwerk Nederland.
58/128
5.2.2 Onderzoeksresultaten Gebiedsbescherming Om de beoogde ontwikkeling te realiseren worden werkzaamheden uitgevoerd. De ontwikkeling dient getoetst te worden aan de eisen uit de Wet natuurbescherming, waarbij de mogelijke gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden een rol spelen. Met het rekenmodel Aerius (versie 2023.0.1) is een referentieberekening uitgevoerd om de mogelijke gevolgen van de ontwikkeling voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden in beeld te brengen ten opzichte van de huidige situatie. De berekening is bijgevoegd in Bijlage 8. Een groot deel van de gronden die met deze ontwikkeling omgezet worden in natuurgronden, zijn op dit moment in gebruik als landbouwgrond. Dit vormt de referentiesituatie voor de berekening in Bijlage 8. De berekening gaat uitsluitend uit van een aanlegfase omdat de beoogde ontwikkeling (de ontwikkeling van natuurgronden) geen stikstof deponerende functies mogelijk maakt. In de berekening zijn de aanlegwerkzaamheden voor de ontwikkeling van het natuurgebied afgezet tegen de referentiesituatie. Uit de Aerius-berekening blijkt dat de inrichtingsmaatregelen leiden tot een stikstofdepositie van 0,00 mol N/ha/jr in stikstofgevoelige natuur in de nabij gelegen Natura2000-gebieden. Derhalve heeft de aanleg geen toename van stikstofdepositie tot gevolg.
Soortenbescherming In 2022 is in het plangebied een quickscan uitgevoerd naar beschermde soorten. Uit de quickscan blijkt dat aanvullend onderzoek naar dassen, kleine marterachtigen, uilen, bittervoorn en waterplanten vereist is. Dit onderzoek is uitgevoerd door onderzoeksbureau Ecologica. In 2022 en 2023 heeft aanvullend ecologisch onderzoek plaatsgevonden binnen het plangebied. De onderzoeken zijn uitgevoerd door onderzoeksbureau Ecologica en beide rapportages (quickscan en aanvullend onderzoek) zijn bijgevoegd in Bijlage 9 en Bijlage 10. In het aanvullend onderzoek worden de volgende conclusies getrokken ten aanzien van: Dassen De herinrichting van het natuurgebied leidt tot aantasting van verblijfplaatsen van de das. Dat is een overtreding van de Wet natuurbescherming en daarom is een ontheffing vereist van artikel 3.10 om de ingrepen uit te kunnen voeren. Omdat er geen alternatieve locaties voorhanden zijn, omdat sprake is van een geldig belang en omdat de staat van instandhouding van de das door het nemen van mitigerende maatregelen kan worden gewaarborgd, wordt aan de voorwaarden voor ontheffing verlening gedaan. Kleine marters Een ontheffing dient aangevraagd te worden omdat de herinrichting van Lampenbroek negatieve effecten heeft op het leefgebied en daarmee verblijfplaatsen van kleine marters.
De herinrichting leidt uiteindelijk wel tot een uitbreiding van geschikt leefgebied voor deze soorten. De voorgestelde mitigerende maatregelen worden (waarschijnlijk) geheel uitgevoerd. Al met al zullen de kleine marterachtigen zich goed kunnen handhaven in Lampenbroek en zullen de populaties na de werkzaamheden zich herstellen of zelfs verder groeien.
59/128
Uilen De werkzaamheden hebben tijdelijk een negatief effect op de functie als foerageergebied van de kerkuil. Dit effect is beperkt omdat niet al het foerageergebied in één keer verdwijnt en omdat ook gebiedsdelen geschikt worden. De kans dat dit een negatief effect heeft op het voortplantingssucces van een broedgeval kan daarom met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden uitgesloten. Bittervoorn De ingrepen hebben ter plekke, mogelijk, forse effecten op de bittervoorn, maar de soort zal zich kunnen handhaven en de populatie kan zich herstellen. Door het toepassen van mitigerende maatregelen worden de effecten verminderd en zal dit herstel beter verlopen. De bittervoorn is niet beschermd, dus een ontheffing is niet aan de orde. Waterplanten De groeiplaatsen van sommige waterplanten zullen waarschijnlijk door de werkzaamheden verdwijnen. Het is mogelijk dat deze soorten op eigen kracht terugkomen, maar dat is niet gegarandeerd. Door maatregelen te treffen kan meer zekerheid worden verkregen voor behoud en uitbreiding van deze soorten. De betreffende waterplanten zijn niet beschermd en een ontheffing is dan ook niet aan de orde. Conclusie Uit het onderzoek naar gebiedsbescherming blijkt dat de ontwikkeling geen toename van stikstofdepositie tot gevolg heeft. Significante negatieve effecten op Natura 2000-gebied zijn daarmee uitgesloten.
Ten aanzien van de das, kleine marterachtigen en uilen zijn nadelige effecten bij de uitvoer van de werkzaamheden niet uitgesloten. Door het toepassen van mitigerende maatregelen worden de effecten dusdanig verminderd dat een belangrijk negatief effect uitgesloten kan worden en dat ontheffing naar alle waarschijnlijkheid verkregen kan worden. Hiervoor is nog wel een activiteitenplan nodig waarbij de maatregelen ook daadwerkelijk uitgevoerd worden. De mitigerende maatregelen zijn daarom ook opgenomen in het definitief ontwerp en de ontheffingsvoorschriften worden ook opgenomen in het (RAW)-bestek.
5.3
Duurzame verstedelijking
5.3.1 Wettelijk kader Op grond van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening bevat de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De begrippen 'stedelijke ontwikkeling' en 'bestaand stedelijk gebied' zijn als volgt gedefinieerd (artikel 1.1.1 Bro): Stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen; Bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.
60/128
In de praktijk wordt dit de ladder voor duurzame verstedelijking genoemd. De ladder voor duurzame verstedelijking is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal benut wordt. 5.3.2 Onderzoeksresultaten De ontwikkeling van een natuurgebied is geen nieuwe stedelijke ontwikkeling in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking. Conclusie Het opstellen van een ladderonderbouwing is niet nodig omdat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
5.4
Archeologie
5.4.1 Beleid 5.4.1.1 Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland hebben provinciale staten het provinciale beleid omtrent archeologie vastgelegd: De provincie streeft er naar archeologie expliciet te betrekken bij de integrale afweging bij planontwikkeling. Bij locatiekeuze en planuitwerking moet voldaan worden aan de basiskwaliteitseisen van de bodem, waaronder archeologie. Ruimtelijke plannen en projecten die archeologische gegevenheden in de bodem kunnen aantasten moeten zo veel mogelijk rekening houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. De Omgevingsverordening Gelderland bevat, voor zover voor dit plangebied relevant, geen regels over cultuurhistorie. 5.4.1.2 Gemeentelijk beleid Archeologiebeleid gemeente Voorst De gemeente Voorst heeft het archeologisch beleid vastgelegd in archeologische beleidskaarten. Deze kaarten zijn opgesteld om inzichtelijk te maken of een archeologisch onderzoek bij grondwerkzaamheden nodig is. Indien bij een ontwikkeling iets gesloopt, gegraven, verbouwt of gebouwd wordt waarbij de bodem wordt verstoord, kan het zijn dat een archeologisch onderzoek verplicht is. Dit is afhankelijk van de grootte van het oppervlak van de bodemverstoring, de diepte van de bodemverstoring en de archeologische verwachtingswaarde op die plek.
Op de archeologische beleidskaarten is precies te zien waar je een grote kans hebt om archeologische sporen in de bodem aan te treffen en waar die kans heel klein is. Er is een kaart voor het noordelijke gedeelte en een kaart voor het zuidelijke gedeelte van de gemeente Voorst. Op de kaart zijn de Archeologisch Waardevolle Gebieden (AWG) aangegeven met de categorieën 1 t/m 4 en de Archeologische Verwachtingszones (AV) met de categorieën 5 t/m 9. 5.4.2 Onderzoeksresultaten BAAC heeft archeologisch onderzoek naar het plangebied verricht, dat is vastgelegd in een archeologisch onderzoeksrapport. Deze rapportage, gedateerd 3 december 2021, is opgenomen in Bijlage 11 van de Bijlagen bij de toelichting.
61/128
Op de gemeentelijke archeologische beleidskaart van de gemeente Voorst ligt het plangebied in drie verschillende zones. Het gaat om een zone met een hoge archeologische verwachting, een zone met een middelmatige archeologische verwachting en een zone met een lage archeologische verwachting. Het beleid voor deze zones schrijft voor dat bij bodemingrepen groter dan 250 m² (hoge verwachting), 1000 m² (middelmatige verwachting) of 2500 m² (lage verwachting) en dieper dan 30 cm -mv een archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd. Verder liggen er enkele bekende archeologische vindplaatsen binnen het plangebied. Het beleid voor deze zones schrijft voor dat bij bodemingrepen groter dan 30 m² vroegtijdig een archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd.
Figuur 5.7 - Uitsnede uit archeologische beleidskaart (Zuid) van de gemeente Voorst
Figuur 5.8 - Legenda archeologische beleidskaart (Zuid) van de gemeente Voorst
62/128
Het archeologisch onderzoeksgebied is groter dan het plangebied van het bestemmingsplan. Voorliggend bestemmingsplan betreft slechts een gedeelte van deelgebied A uit het archeologisch onderzoek. In navolgend figuur zijn de archeologische verwachtingen samengevat per deelgebied. Daar waar een middelhoge of hoge verwachting geldt en waar bodemingrepen gaan plaatsvinden zal een archeologisch vervolgonderzoek moeten plaatsvinden. Voor deelgebied A betekent dit dat op de locaties van de dekzandrug (geel in figuur 5.9) een middelhoge verwachting voor sporen uit het laat paleolithicum tot en met het vroege neolithicum geldt. Voor de historische erven (groen in figuur 5.9) geldt een hoge verwachting op resten uit de late middeleeuwen en/of nieuwe tijd. In deze gebieden worden echter geen werkzaamheden uitgevoerd. Op basis hiervan heeft het bevoegd gezag (gemeente Voorst) een selectiebesluit genomen, deze is bijgevoegd in Bijlage 12. Uit het selectiebesluit volgt dat in gebied A naar verwachting geen archeologische resten bedreigd worden door de voorgenomen werkzaamheden, zie ook figuur 5.10. Op basis hiervan wordt het gehele plangebied van dit bestemmingsplan vrijgegeven.
Mochten in die vrijgegeven gebieden onverhoopt toch nog archeologische resten worden aangetroffen of vermoed tijdens de geplande civiele werkzaamheden, dan geldt conform de Erfgoedwet de formele plicht deze resten te melden. Op basis van het selectiebesluit worden geen archeologische dubbelbestemmingen opgenomen in het bestemmingsplan.
Figuur 5.9 - Het plangebied met de archeologische verwachting (bron: archeologisch onderzoek BAAC.
63/128
Figuur 5.10 - Advieszone vervolgonderzoek (bron: selectiebesluit gemeente Apeldoorn, Voorst en Brummen) Conclusie Op basis van het archeologisch onderzoek en het bijbehorende selectiebesluit het gehele plangebied vrijgegeven voor archeologisch onderzoek. De archeologische dubbelbestemming wordt niet opgenomen in het bestemmingsplan. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.5
Cultuurhistorie
5.5.1 Wettelijk kader en beleid 5.5.1.1 Rijksbeleid en wetgeving Op grond van artikel 3.1 van de Erfgoedwet kan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een monument dat van algemeen belang is vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aanwijzen als rijksmonument. In het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat in de toelichting op een bestemmingsplan een beschrijving moet worden gegeven van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.
64/128
Aanvullend op de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte heeft het Rijk een visie op het cultureel erfgoed opgesteld, genaamd 'Kiezen voor karakter; visie erfgoed en ruimte'. Deze visie geeft aan hoe het Rijk het onroerend cultureel erfgoed borgt in de ruimtelijke ordening, welke prioriteiten het kabinet daarbij heeft en hoe het wil samenwerken met publieke en private partijen. Vanuit een brede erfgoedvisie wordt ingezoomd op de meest actuele en urgente opgaven van nationaal belang. 5.5.1.2 Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland stelt de provincie over cultuur en erfgoed het volgende: De Gelderse steden kenmerken zich door een sterk historisch karakter, door een hoge ruimtelijke kwaliteit, een goed ontwikkelde culturele infrastructuur en huisvesten enkele topinstellingen. Al deze kwaliteiten dragen in belangrijke mate bij aan een aantrekkelijk woon-, werk- en vestigingsklimaat. Om deze redenen investeert de provincie in de verdere ontwikkeling van erfgoed en cultuur, kennisontwikkeling, cultureel ondernemerschap en innovatie. In alle regio's stimuleert de provincie samen met gemeenten kunst en cultuur die bijdragen aan een sterk vestigingsklimaat, regionale identiteit en vrijetijdseconomie. De Omgevingsverordening Gelderland bevat, voor zover voor dit plangebied relevant, geen regels over cultuurhistorie.
5.5.1.3 Gemeentelijk beleid De gemeente Voorst heeft het cultuurhistorisch beleid vastgelegd in de cultuurhistorische beleidskaarten. Deze kaarten zijn opgesteld om inzichtelijk te maken welke cultuurhistorische kenmerken zich op een plek bevinden. Er is een kaart voor het noordelijke gedeelte en een kaart voor het zuidelijke gedeelte van de gemeente Voorst. 5.5.2 Onderzoeksresultaten Landschapstypen Het plangebied is op de cultuurhistorische beleidskaart van de gemeente Voorst weergegeven in navolgend figuur. Binnen het plangebied komen de volgende landschapstypen voor: vochtige kampontginningen; broekontginningen, onregelmatig ingedeeld; en beekbeleidende broeken. Landschapselementen Binnen het plangebied lopen twee beken: de Verloren Beek en de Loenensche Beek. Op de cultuurhistorische kaart is te zien dat de waterlopen in het verleden meanderden, maar later rechtgetrokken zijn. De beoogde ontwikkeling brengt de oude meanderende vorm van de waterlopen terug om het beeksysteem te herstellen. Daarnaast bevinden zich binnen het plangebied enkele cultuurhistorisch waardevolle landschapselementen zoals de herberg De Lere Lampe, Het Jagershuis, Het Gaardel en twee bruggen van voor 1832 die over de verloren beek heen gebouwd zijn. Deze elementen hebben elk hun eigen verhaal en dragen daarmee bij aan de belevingswaarde van het gebied.
De ontwikkeling voorziet geen wijzigingen ten aanzien van deze cultuurhistorische elementen.
65/128
Figuur 5.11 - Uitsnede van het plangebied uit de cultuurhistorische beleidskaart van de gemeente Voorst (Bron: Gemeente Voorst) Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.