CConstaterende datVoorst
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting

gemeenteraad 4 maart 2024, gemeente VoorstBij agendapunt: Bestemmingsplan Middendijk, Breestuk, Nijbroek14.616 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan Middendijk, Breestuk, Nijbroek Planfase vastgesteld

M iddendijk, Breestuk, Nijbroek

Voorst

bestemmingsplan

Middendijk, Breestuk, Nijbroek

Inhoudsopgave

Toelichting

3

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Het plangebied 1.3 Doel

3 3 3 5

Hoofdstuk 2 Huidige situatie plangebied 2.1 Landschapstype 2.2 Reliëf 2.3 Erven

6 6 9 10

Hoofdstuk 3 Toekomstige situatie plangebied 3.1 Erven 3.2 Inrichtingsplan 3.3 Beeldkwaliteitsplan 3.4 Beplantingsplan

12 12 12 16 16

Hoofdstuk 4 Beleidskader 4.1 Inleiding 4.2 Rijksbeleid 4.3 Provinciaal beleid 4.4 Regionaal beleid 4.5 Gemeentelijk beleid

18 18 18 20 22 23

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.1 Inleiding 5.2 Milieuonderzoeken 5.3 Ecologie 5.4 Archeologie 5.5 Verkeer en parkeren 5.6 Water 5.7 Economische uitvoerbaarheid

30 30 30 36 37 39 40 40

Hoofdstuk 6 Juridische planopzet 6.1 Inleiding 6.2 Planregels 6.3 Bestemmingen 6.4 Flexibiliteit in het bestemmingsplan

41 41 41 42 45

Hoofdstuk 7 Overleg en inspraak 7.1 Uitkomsten overleg 7.2 Zienswijzen

46 46 46

2

Middendijk, Breestuk, Nijbroek

T oelichting Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Voor heel Nederland, ook voor het landelijk gebied gelden enorme opgaves voor de toekomst. Het gaat voor het landelijk gebied dan om thema's als wonen, werken en bereikbaarheid, water en bodem, landbouw en natuur ( o.a. terugdringen van stikstofuitstoot, klimaatadaptatie en het vasthouden van CO2), gezonde en groene leefomgeving, energieopwekking etc. Ruimtelijke kwaliteit staat echter bij alle opgaven centraal. Dit betekent dat ruimtelijke ontwikkelingen rekening dienen te houden met de gebiedskenmerken die de identiteit van een plek bepalen. Meervoudig ruimtegebruik is noodzakelijk om alle opgaven een plek te kunnen geven. Met de ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt met dit bestemmingsplan wordt hier invulling aan gegeven. De initiatiefnemers van dit plan exploiteren aan het Breestuk 5 en 6 in Nijbroek een gezamenlijk agrarisch bedrijf waarbij respectievelijk kalveren en melkkoeien worden gehouden (hierna: de initiatiefnemers). De aanleiding voor dit plan is hun voornemen om de komende jaren de agrarische werkzaamheden af te bouwen. De initiatiefnemers blijven echter graag betrokken bij Nijbroek en willen op hun huidige plek blijven wonen. Dit vroeg om een nieuw toekomstperspectief op hun erven en gronden. Het plan bestaat samengevat uit de extensivering van agrarische gronden (nabij de dorpskern).

Hiervan wordt 9 hectare ontwikkeld tot (agrarische) natuur in combinatie met de bouw van 11 woningen voor diverse doelgroepen. Beide agrarische erven (Breestuk 5 en 6) worden hierbij aangepast. De agrarische functie van Breestuk 5 verandert in een woonfunctie. De huidige kalverstal wordt afgebroken in ruil voor een kleinere veldschuur. Ook op het erf van Breestuk 6 worden agrarische opstallen afgebroken. Eén van de schuren blijft behouden voor kleinschalige agrarische activiteit (het houden van een aantal vleeskoeien) en als berging voor materieel voor beheer en onderhoud van het agrarische (natuur)landschap. Bovengenoemde ontwikkeling past echter niet binnen het geldende bestemmingsplan. Een herziening van het bestemmingsplan is dan ook noodzakelijk. Hier wordt met voorliggend bestemmingsplan in voorzien.

1.2

Het plangebied

De situering van het plangebied in de omgeving is weergegeven in afbeelding 1. De agrarische erven Breestuk 5 en 6 bevinden zich direct ten noordoosten van de dorpskern Nijbroek. De overige gronden bestaan hoofdzakelijk uit het tussen de agrarische erven en de dorpskern liggende agrarische gebied. Dit is weergegeven op de luchtfoto die als afbeelding 2 is opgenomen.

3

Middendijk, Breestuk, Nijbroek

Af beelding 1 - Plangebied in de omgeving (rode ster)

Af beelding 2 - Luchtfoto van het plangebied

4

Middendijk, Breestuk, Nijbroek

1.3

Doel

Doel van onderliggend bestemmingsplan is het ontwikkelen van een juridisch-planologisch kader om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken. Met deze ontwikkeling wordt bijgedragen aan de gemeentelijke doelstellingen voor het landelijk gebied, waaronder een kwaliteitsverbetering ter plaatse van de bestaande erven en het omliggend landschap, en een bijdrage aan de woningbouwbehoefte.

5

Middendijk, Breestuk, Nijbroek

Hoofdstuk 2 2.1

Huidige situatie plangebied

Landschapstype

Het plangebied ligt in een landschap dat grotendeels door de rivier is gevormd: het rivierengebied, bestaande uit komgronden, oeverwallen en uiterwaarden. Zeer kenmerkend is ook de aanwezigheid van een stelsel van weteringen. In het landschappelijk ontwikkelingsplan van de gemeenten Voorst, Epe en Heerde (Van Veluwe Tot IJssel, 2009), valt het plangebied in de landschapseenheid: Veenontginning Nijbroek. Kenmerkend is de haaks op elkaar staande hoofdinrichtingen van ontginningsbases en kavels (slagen). Langs de Middendijk ontstond geleidelijk aan verspreide bebouwing, vaak op pollen (verhogingen). De bebouwing groeide uit tot de kern Nijbroek. Tot 1900 waren er naast veel sloten ook veel hagen in het Nijbroek. Veel van deze hagen zijn inmiddels verdwenen. Naast hagen komen in het gebied ook bosjes, grienden en eendenkooien voor. Het grondgebruik bestaat voornamelijk uit grasland. De ontwikkeling van het gebied is weergegeven in onderstaande topografische kaarten.

6

Middendijk, Breestuk, Nijbroek

7

Middendijk, Breestuk, Nijbroek

8

Middendijk, Breestuk, Nijbroek

Af beelding 3 - Historie plangebied

2.2

Reliëf

Op de algemene hoogtekaarten (zie afbeelding hieronder) is te zien dat het plangebied in de overgangszone tussen de lager gelegen komgronden en de hoger gelegen oeverwal is gelegen. Rond het plangebied zijn pollen te zien waarop vaak de bebouwing is gevestigd. Het microreliëf tussen de pollen en de lager gelegen delen is ook in het plangebied zichtbaar. De aanwezige boerderijen liggen op de pollen iets hoger in het landschap. Daarnaast is ook te zien dat het meest zuidelijke perceel hoger in het landschap ligt.

9

Middendijk, Breestuk, Nijbroek

Af beelding 4 - Weergave hoogte/reliëf plangebied

2.3

Erven

Het plangebied is in de huidige situatie grotendeels onbebouwd en bestaat overwegend uit grasland/landbouwgrond. De bestaande bebouwing binnen het plangebied is geconcentreerd ter plaatse van de agrarische bedrijfspercelen aan het Breestuk 5 en 6. 10

Middendijk, Breestuk, Nijbroek

2.3.1

Breestuk 5

Op dit perceel bevinden zich de agrarische bedrijfswoning en een kalverstal van ruim 2.000 m². De overige gronden zijn ingericht als tuingronden, waaronder een boomgaard. Het perceel beschikt over twee ontsluitingen op het Breestuk. 2.3.2

Breestuk 6

Op dit perceel bevinden zich de agrarische bedrijfswoning met bijgebouw en meerdere agrarische opstallen, waaronder melkveestallen en een mestsilo. Voor het overige zijn de gronden grotendeels verhard ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering. Het perceel beschikt over twee ontsluitingen op het Breestuk.

11

Middendijk, Breestuk, Nijbroek

Hoofdstuk 3

T oekomstige situatie plangebied

Ten behoeve van deze ontwikkeling heeft Buro Ontwerp & Omgeving een 'Inpassing-, Beeldkwaliteit- & Beplantingsplan' gemaakt. Op de inhoud van dit plan wordt hierna ingegaan. Voor het volledige 'Inpassing-, Beeldkwaliteit- & Beplantingsplan' wordt verwezen naar Bijlage 1 bij deze plantoelichting.

3.1

Erven

Hierna wordt eerst kort ingegaan op de transformatie ter plaatse van de bestaande erven aan het Breestuk 5 en 6. Voor het overige wordt verwezen naar de hierop volgende paragrafen. 3.1.1

Breestuk 5

Het agrarische perceel aan het Breestuk 5 wordt omgezet naar een reguliere woonfunctie. De kalverstal wordt gesloopt. Deze wordt vervangen door een kleinere veldschuur als bijgebouw bij de woning. Op de specifiek invulling van dit erf en de omliggende gronden wordt nader ingegaan in de volgende paragrafen. 3.1.2

Breestuk 6

Het agrarische perceel aan het Breestuk 6 wordt voorzien van een woonbestemming waarbij nog een kleinschalige agrarische activiteit is toegestaan, te weten het houden van een aantal vleeskoeien. De meest noordelijke stal en de mestsilo worden afgebroken. Daarnaast wordt overtollige verharding verwijderd en vervangen door grasland. Eén van de schuren blijft behouden voor het houden van de bedoelde vleeskoeien en als berging voor materieel voor beheer en onderhoud van het agrarische (natuur)landschap. Voor het perceel Breestuk 6 wordt een fasering van de sloop van de agrarische bedrijfsgebouwen afgesproken waarbij een maximale termijn van 5 jaar na inwerkingtreding van dit bestemmingsplan wordt aangehouden. Op de specifiek invulling van dit erf en de omliggende gronden wordt nader ingegaan in de volgende paragrafen.

3.2

Inrichtingsplan

De bestaande en nieuw toe te voegen erven hebben of krijgen een opzet die voldoet aan het erfprincipe. Leidend is het scheiden van functies op het erf. Door functiescheiding bestaat het erf uit een voor- (de vrouwelijke kant) en achterkant (de mannelijke kant), respectievelijk wonen en werken. Het erf, bij de schuren, is functioneel en sober, enigszins introvert. De vrouwelijke kant, gericht op het landschap is de ‘mooie’ en extraverte kant van het gebouw. Dit gegeven komt tot uiting in de schetsontwerpen, maar onder andere ook in de beeldkwaliteit van de bebouwing. De zijde die gekeerd is naar het erf is meer gesloten, terwijl de zijde aan de kant van het landschap juist open is. Deze uitgangspunten hebben geleid tot het volgende schetsontwerp voor het plangebied als geheel. Het plangebied is voor wat betreft de woongebieden te onderscheiden in het gebied aan het Breestuk en het gebied aan de Middendijk. Hier wordt hierna nader op ingegaan.

12

Middendijk, Breestuk, Nijbroek

Af beelding 5 - Schetsontwerp plangebied (Buro Ontwerp &Omgev ing)

13

Middendijk, Breestuk, Nijbroek

3.2.1

Woongebied Breestuk

Het ontwerp voorziet in een drietal percelen met daarop drie woningen, waarbij de huidige twee boerderijwoningen blijven bestaan (A) en het perceel met de bestaande hoogstam fruitboomgaard een nieuwe woning (B) krijgt van max. 450 m³ (excl. inpandig bijgebouw). Op de bestaande erven worden ontsierende en in de toekomst niet meer in gebruik zijnde gebouwen en verhardingen verwijderd. De erven behouden het erfprincipe en behouden de bestaande opritten. De nieuwe woning in de fruitboomgaard krijgt geen erfopzet. De woning zal refereren naar een fruitschuur en wordt in de bestaande boomgaard ingebed. De woning staat van de Breestuk af en zal hier niet op georiënteerd zijn. Richting de Breestuk heeft de woning een ingetogen en gesloten uitstraling, richting de fruitboomgaard bevindt zich de open zijde. Het toegangspad is functioneel/ informeel. Het parkeren vindt plaats in bijgebouwen in de vorm van (bestaande) (kap)schuren (C) of inpandig in de nieuwe woning. De bestaande grote fruitboomgaard en de kleinere fruitboomgaard van Breestuk 5 worden/zijn waar nodig aangevuld met nieuwe fruitbomen. Het snoeiafval afkomstig uit de boomgaarden kan verwerkt worden in takkenrillen (F, parallel aan de structuur van het slagenlandschap) voor schuilgelegenheid van dieren. Daarnaast kunnen er door het bloem- en kruidenrijk grasland (G) onder de boomgaarden graspaden worden gemaaid (H).

Bestaande groenstructuren worden zoveel mogelijk behouden (J). (Erf)afscheidingen worden groen en kunnen bestaan uit een knip- en scheerhaag rond de woningen en een struweelhaag rond de bestaande schuur en bestaande boomgaarden, stal en de bestaande sleufsilo's. Een en ander is weergegeven in onderstaande afbeelding.

14

Middendijk, Breestuk, Nijbroek

Af beelding 6 - Erfopzet woongebied Breestuk Buro Ontwerp & Omgeving)

3.2.2

Woongebied Middendijk

Het ontwerp voorziet in een tweetal nieuwe erven met in totaal 10 woningen (C)(D); 2 vrijstaande van max. 850 m³, 2 vrijstaande van max. 750 m³ een tweekapper van max. 900 m³ en een rij van max. 1.500 m³. De nieuwe woningen vormen twee van elkaar verschillende erfensembles. Alle bebouwing is één laag met een kap. Bij de meest oostelijke vrijstaande woning (tegen het bosperceel aan) bestaat de mogelijkheid om deze te splitsen waarbij er een privétuin aan de noordzijde en aan de zuidzijde komt. De erven zijn bereikbaar via een pad langs de noordelijke perceelsgrens. Langs dit pad wordt een meidoornhaag geplant. Voor de woningen zonder inpandig bijgebouw kan er vervolgens geparkeerd worden onder een kapschuur (E) met bergingen. Er worden twee fruitboomgaarden gemaakt; één aan de Middendijk en één tussen de erven in. Het snoeiafval afkomstig uit de boomgaarden kan verwerkt worden in takkenrillen (H, parallel aan de structuur van het slagenlandschap) voor schuilgelegenheid van dieren. Daarnaast kunnen er door het bloem- en kruidenrijk grasland (J) onder de boomgaarden graspaden worden gemaaid (I). Bestaande bomen worden behouden (L). (Erf) afscheidingen tussen de woningen worden groen en kunnen bestaan uit een knip- en scheerhaag van meidoorn, veldesdoorn, beuk of hulst. Daarnaast worden struweelhagen gemaakt rond de kapschuren (M).

Op de erven komen een zestal erfbomen (B), die naast het functionele karakter ook een groene uitstraling aan het erf geven. Langs de zuidelijke perceelsgrens is een strook van min. 5m vrijgehouden voor het onderhoud van de sloot door het Waterschap Vallei en Veluwe (K). Een en ander is weergegeven in onderstaande afbeelding.

15

Middendijk, Breestuk, Nijbroek

Af beelding 7 - Erfopzet woongebied Middendijk Buro Ontwerp & Omgeving)

3.3

Beeldkwaliteitsplan

Een beeldkwaliteitsplan is een document dat dient ter inspiratie en toetsing. Architecten, ontwerpers, kopers/huurders en andere betrokkenen kunnen in het beeldkwaliteitsplan lezen wat het beoogde ruimtelijk beeld is. Zowel de criteria met betrekking tot de inrichting als de architectuur worden beschreven. Afwijken van deze criteria moet gemotiveerd worden. Op deze plaats wordt enkel verwezen naar het beeldkwaliteitsplan dat is opgenomen in Bijlage 1. Hierbij wordt nog wel opgemerkt dat de realisatie en instandhouding van de bouwwerken/elementen conform dit beeldkwaliteitsplan is gewaarborgd in de planregels van dit bestemmingsplan. Het beeldkwaliteitsplan ligt tegelijktijdig met dit bestemmingsplan ter inzage en wordt net als het bestemmingsplan vastgesteld door de gemeenteraad.

3.4

Beplantingsplan

Het beplantingsplan geeft richtlijnen voor de groeninrichting ten behoeve van de realisatie en het onderhoud. Het plan in onderverdeeld in drie delen: 16

Middendijk, Breestuk, Nijbroek

1. Het plangebied (de ruimte tussen de erven); 2. De erven aan het Breestuk; 3. De erven aan de Middendijk. Op deze plaats wordt enkel verwezen naar het beplantingsplan dat is opgenomen in Bijlage 1. Hierbij wordt nog wel opgemerkt dat de realisatie en instandhouding van de groeninpassing conform dit beplantingsplan is gewaarborgd in de planregels van dit bestemmingsplan. Het gaat om de voorwaardelijke verplichting die is opgenomen in lid 19.3.

17

Middendijk, Breestuk, Nijbroek

Hoofdstuk 4 4.1

Beleidskader

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt het plan getoetst aan de relevante ruimtelijke beleidskaders op rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau.

4.2

Rijksbeleid

4.2.1

De Nationale Omgevingsvisie

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio´s; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen.

Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Onderliggend plan speelt zich af op lokaal niveau en heeft geen duidelijk herkenbare relatie met het ruimtelijk ordeningsbeleid op nationaal niveau. Het realiseren van onderhavige ontwikkeling is primair een provinciale c.q. gemeentelijke verantwoordelijkheid en is daarmee niet in strijd met de uitgangspunten van de Nationale Omgevingsvisie. Het plan zorgt voor een bijdrage aan de identiteit van het gebied door de impuls voor het landschap en de bijpassende ontwikkeling ten behoeve van woningbouw. Het plan is daarmee in lijn met de Nationale Omgevingsvisie.

18

Middendijk, Breestuk, Nijbroek

4.2.2

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. De SVIR biedt het kader dat de (nieuwe) ruimtelijke- en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 benoemt en de focus bepaalt voor mobiliteitsinvesteringen. De structuurvisie speelt in op een aantal ontwikkelingen en uitdagingen; krimp, groeiende mobiliteitsbehoefte, versterken internationale concurrentiepositie, koesteren en versterken ruimtelijke structuur, klimaatverandering, duurzame energie en het stelsel van regels en procedures. Een van de kernmiddelen die wordt ingezet om goed op deze ontwikkelingen en uitdagingen in te spelen is decentralisatie. Beslissingen over ruimtelijke ontwikkelingen wil het kabinet dichter bij burgers en bedrijven brengen en provincies en gemeenten krijgen de ruimte om maatwerk te leveren voor regionale opgaven. Voor de periode tot 2028 richt het Rijk zich op drie doelen: vergroten van de concurrentiekracht door versterking van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; verbeteren van de bereikbaarheid; zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden. Met bovengenoemde rijksdoelen zijn 13 nationale belangen aan de orde die in het SVIR verder gebiedsgericht zijn uitgewerkt in concrete opgaven voor de diverse onderscheiden regio's.

Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden meer beleidsvrijheid op het terrein van ruimtelijke ordening gekregen. Het kabinet is van mening dat provincies en gemeenten beter op de hoogte zijn van de actuele situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties en daardoor beter kunnen afwegen welke (ruimtelijke) ingrepen in een gebied nodig zijn. Dit lokale plan heeft geen relatie met één van de 13 nationale belangen. 4.2.3

Ladder voor duurzame verstedelijking

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is 'de ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd. De ladder is per 1 oktober 2012 ook als procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In de Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen dat de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied. Een schematische weergave hiervan is opgenomen in afbeelding 8.

Afbeelding 8 - ladder voor duurzame verstedelijking

19

Middendijk, Breestuk, Nijbroek

Met ingang van 1 juli 2017 is de nieuwe Ladder in werking getreden. Ongewijzigd hierin is dat in de toelichting op bestemmingsplannen de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden beschreven. De aard en omvang van de stedelijke ontwikkeling zijn bepalend voor de afbakening van het gebied waarbinnen de behoefte moet worden onderzocht. In de wet is bovendien toegevoegd dat bij een ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied goed gemotiveerd moet worden waarom deze niet in bestaand stedelijk gebied te realiseren is. De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Bij woningbouwontwikkelingen geldt dat in beginsel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als sprake is van de bouw van meer dan 11 woningen (uitspraak Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State 201608869/1/R3). Toetsing Ladder voor duurzame verstedelijking Voorliggend plan maakt de realisatie van 11 woningen mogelijk.

Hiermee is sprake van een ontwikkeling die niet kan worden aangemerkt als een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' als bedoeld in de ladder voor duurzame verstedelijking. Een nadere toetsing aan de ladder is dan ook niet noodzakelijk.

4.3

Provinciaal beleid

4.3.1

Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

De Gelderse Omgevingsvisie is een integrale visie, niet alleen op het gebied van de ruimtelijke ordening, maar ook voor waterkwaliteit en veiligheid, bereikbaarheid, economische ontwikkeling, natuur en milieu, inclusief de sociale gevolgen daarvan. De Omgevingsvisie is de vervanger van het streekplan en enkele andere structuurvisies. De titel van de Gelderse Omgevingsvisie is Gaaf Gelderland. Gaaf kent twee betekenissen. Enerzijds gaat gaaf in op de schoonheid van het landschap en de historie. Anderzijds heeft gaaf betrekking op de vernieuwing binnen Gelderland. De ambitie van Gelderland is het in stand houden van het landschap en de cultuurhistorische waarde. In de Omgevingsvisie staat een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Gezond en veilig. Dat is een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat is voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En, dat is aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid. Schoon en welvarend. Dat is een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennisen onderwijsinstellingen.

Maar dat is ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En, dat is het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie. Onderliggend plan past binnen de omgevingsvisie Gaaf Gelderland. De ontwikkeling draagt bij aan verschillende provinciale ambities, waaronder de realisatie van dynamische, duurzame en aantrekkelijke nieuwe woonlocaties waarbij nadrukkelijk aandacht is voor natuurontwikkeling (biodiversiteit, klimaatverandering) en de schoonheid en historie van het landschap.

20

Middendijk, Breestuk, Nijbroek

4.3.2

Omgevingsverordening Gelderland

In de Omgevingsverordening Gelderland (januari 2023) staan regels beschreven die ervoor zorgen dat de Omgevingsvisie Gelderland ook daadwerkelijk wordt uitgevoerd. De Omgevingsverordening dient dan ook als een juridisch instrument en beperkt zich tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. Daarmee dient de Omgevingsverordening als een toetsingskader bij het opstellen van nieuwe ruimtelijke plannen zoals een bestemmingsplan of een uitgebreide afwijkingsprocedure in het kader van de omgevingsvergunning. De Omgevingsverordening Gelderland bestaat uit de volgende kaartlagen waaraan regels zijn verbonden: Landbouw, Glastuinbouw, Natuur, Landschap, Water en Milieu, Erfgoed en Veilige Leefomgeving.

Afbeelding 9 - uitsnede omgevingsverordening Gelderland

In afbeelding 9 is een uitsnede van de Omgevingsverordening Gelderland opgenomen waaruit valt op te maken welke relevante kaartlagen (met bijbehorende regels) van toepassing zijn op het plangebied. De locatie valt binnen de volgende thema's van het provinciale beleid: Glastuinbouwgebieden, intrekgebieden en Nationaal landschap. Op deze thema's wordt hierna voor zover relevant nader ingegaan. Glastuinbouwgebieden De locatie valt binnen een gebied waar specifieke regels gelden voor glastuinbouwbedrijven. Dit bestemmingsplan maakt echter geen ontwikkelingen mogelijk in relatie tot glastuinbouw. Verdere toetsing aan deze regels hoeft dan ook niet plaats te vinden. Intrekgebied Ook is het plangebied aangewezen als intrekgebied. De provincie streeft ernaar het grondwater als bron voor de drinkwatervoorziening te beschermen. Het is daarom verboden om in een intrekgebied werken tot stand te brengen of handelingen te verrichten ten behoeve van de winning van fossiele energie, zoals aardgas, aardolie, schaliegas en steenkoolgas. Daarvan is met dit plan geen sprake. De ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt met dit bestemmingsplan heeft geen (onevenredige) gevolgen voor het grondwater als bron voor de drinkwatervoorziening. Nationaal landschap 21

Middendijk, Breestuk, Nijbroek

Het plangebied maakt onderdeel uit van het Nationaal landschap dat buiten het Gelders natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone valt. In dit gebied geldt dat een bestemmingsplan in beginsel alleen bestemmingen mogelijk mag maken die de kernkwaliteiten van een Nationaal Landschap niet aantasten. In dit geval is sprake van een ontwikkeling waarbij fors wordt geïnvesteerd in natuur- en landschapsontwikkeling, een en ander conform de ter plaatse aanwezige gebiedskenmerken. Geconcludeerd wordt dat er hiermee geen sprake is van aan aantasting van het Nationaal landschap, maar juist van een versterking van de landschapswaarden. Conclusie Het plan is niet in strijd met provinciaal beleid.

4.4

Regionaal beleid

4.4.1

Regionale Structuurvisie Stedendriehoek 2030

De gemeenten in de regio Stedendriehoek, met daarin de steden Apeldoorn, Deventer en Zutphen, hebben gezamenlijk een regionale structuurvisie opgesteld. Deze visie vormt de integrale afstemming tussen de ruimtelijke opgaven binnen de regio en is beleidsmatig tevens vertaald in provinciaal beleid. De regionale visie zet vooral in op verdere herstructurering en intensivering van het bestaand stedelijk gebied. Enerzijds wordt een deel van het woningbouwprogramma gerealiseerd in de steden Apeldoorn, Deventer en Zutphen, maar tevens wordt een deel gerealiseerd in de bestaande dorpen en kernen. Daarbij gaat het om herontwikkeling, om afronding van bestaande bebouwingstructuren en om een intensivering van centrumdorpse woonmilieus. Hiernaast zijn (beperkt) ook specifieke dorpse uitbreidingen mogelijk om het inwonertal in sommige dorpen op peil te houden. Voor de gemeente Voorst is de expliciete opname van een woningbouwprogramma voor de dorpen in de gemeente van belang. Een programma dat de lokale behoefte te boven kan gaan. Zo wordt een bijdrage geleverd aan de vitaliteit van de dorpen en aan het vergroten van het woonmilieu 'landelijk en dorps wonen'. Met dit plan worden 11 woningen toegevoegd, grotendeels in aansluiting op het dorp Nijbroek. Er wordt hier bewust gekozen voor de realisatie van woningen die passend zijn in dit overgangsgebied tussen het dorp en het landelijk gebied.

Hiermee ontstaat een woonklimaat dat past binnen het uitgangspunt van 'landelijk en dorps wonen'. De ontwikkeling past hiermee binnen de kaders van de regionale structuurvisie. 4.4.2

Woonagenda Cleantech Regio 2018

De gemeente Voorst maakt deel uit van de Cleantech Regio waarbinnen de samenwerkende gemeenten op regionaal niveau afspraken maken. Dit gebeurt onder meer op het gebied van woningbouw in de regionale woonagenda. In de onlangs (eind 2020) geëvalueerde en herijkte regionale woonagenda is de woningbehoefte voor de regio tot 2030 uiteengezet. Met de woningbouwprogrammering in de regio wordt gestuurd op kwaliteit. Het behouden en versterken van de woonkwaliteit vraagt om de juiste woning, voor de juiste doelgroep, op de juiste plek in de regio. Daarbij kan woningbouw niet los worden gezien van de lokale woningbehoefte, het bestaande woningaanbod, de specifieke plek en veranderende woningbehoefte. Daarvoor is bovenal maatwerk op lokaal niveau. Om vanuit de gezamenlijke ambitie op kwalitatieve groei te sturen zijn richtinggevende principes ontwikkeld voor het lokaal beoordelen van woningbouwplannen. Het gaat daarbij om drie speerpunten: Woningbouw draagt bij aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit van de bestaande stad, wijk, dorp, kern en buitengebied; Woningbouw is behoeftegericht, past bij de lokale vraag van een specifieke doelgroep en levert een strategische (toekomstgerichte) aanvulling op het bestaande woningaanbod; De programmering is flexibel en kan aangepast worden om goed te blijven aansluiten op de speerpunten van het beleid en actuele marktontwikkelingen. 22

Middendijk, Breestuk, Nijbroek

In het onderstaande schema zijn deze speerpunten nader uitgewerkt.

Afbeelding 10 - speerpunten regionale woonagenda

Naast de kwalitatieve afspraken, zijn in regionaal verband ook kwantitatieve afspraken gemaakt voor de periode 2020 - 2030. In de regionale woonagenda is per gemeente een bandbreedte opgenomen tussen de behoefte op basis van huishoudensgroei (lage bandbreedte) en het inlopen van een theoretisch woningtekort (hoge bandbreedte). In de regio wordt per gemeente gekoerst op een realistisch woningbouwprogramma waarbij vraag een aanbod goed op elkaar aansluiten. Binnen de kwantitatieve afspraken continueert de gemeente Voorst haar koers om gemiddeld 80 woningen per jaar toe te voegen. De gemeente Voorst zet in op een realistische prognosticering waarbij het belangrijk is dat woningbouw aansluit op de korte- en lange termijn behoefte en het dorpse karakter. De ontwikkelingen die onderdeel uitmaken van dit plan dragen bij aan meerdere speerpunten. Met de sloop van de stallen die (op korte termijn) niet meer worden gebruikt wordt bijgedragen aan de ontstening van het landelijk gebied. De omzetting naar en de toevoeging van woningen, met een gedifferentieerd aanbod en woonmilieu passend in de omgeving (kwaliteit), draagt bij aan een duurzaam en evenwichtig woningaanbod. Het plan past dan ook binnen de kaders van de Woonagenda Cleantech Regio 2018.

4.5

Gemeentelijk beleid

4.5.1

Ruimtelijke Toekomstvisie Voorst

Op 18 december 2017 heeft de gemeente Voorst de Ruimtelijke Toekomstvisie Voorst (RTV) 'Kwaliteit, Verbinding en Duurzaamheid' vastgesteld. Deze Ruimtelijke Toekomstvisie is vooruitlopend op de nieuwe Omgevingswet (treedt naar verwachting in 2022 in werking) opgesteld. Met de Omgevingswet wordt het ruimtelijke beleid dynamischer opgesteld, meer ontwikkelingsgericht. Participatie speelt hierbij een belangrijke rol. De rol van de overheid is aan het veranderen. Inwoners en ondernemers krijgen een grotere rol in het ruimtelijk beleid. Met de nieuwe Omgevingswet krijgen initiatieven vanuit de samenleving waar mogelijk meer ruimte. De taak van de gemeente richt zich voornamelijk op het afwegen van alle belangen. De RTV 'Kwaliteit, Verbinding en Duurzaamheid' heeft een dubbele doelstelling. Enerzijds zijn bij de totstandkoming van de RTV doelen bepaald met de samenleving en hoe deze behaald moeten worden. Aan de andere kant dient de visie ook als toetsingskader voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Centraal in het ruimtelijk beleid van de gemeente Voorst staat dan ook onze eigen identiteit. Nieuwe ontwikkelingen moeten hierbij aansluiten en waar mogelijk versterken.

Onder identiteit wordt verstaan: diversiteit en kwaliteit van de landschappen in de gemeente, de bijzondere monumenten en rijke cultuurhistorie, de dorpse schaal van de kernen, de menselijke maat en de krachtige sociale samenhang in de gemeente. Ook duurzaamheid maakt een onderdeel uit van de identiteit. Het gaat dan 23

Middendijk, Breestuk, Nijbroek

om de wens en de noodzaak om de ruimtelijke, economische en sociale kwaliteiten toekomst bestendig te maken. Op basis van de identiteit zijn in Ruimtelijke Toekomstvisie Voorst de volgende thema's geformuleerd: Wonen, leefbaarheid en sociale cohesie; Werken, innovatie en recreatie; Omgeving en landschap; Energie en klimaat. Een belangrijk uitgangspunt uit de toekomstvisie is dat bij nieuwe ontwikkelingen het landschap de drager is. Daarnaast geldt dat bij woningbouwontwikkelingen wordt gebouwd naar behoefte, gericht op kwaliteit en (in)passend in de omgeving. Met onderliggend plan wordt ingespeeld op een lokale woningbouwbehoefte. Het plan, waarbij sprake is aan een verscheidenheid aan woningtypologieën en een forse investering in natuur- en landschapskwaliteiten, versterkt daarbij zowel het unieke landschap van Nijbroek en past binnen de dorpse schaal van Nijbroek. Het plan draagt hiermee bij aan de identiteit van de gemeente Voorst. Geconcludeerd wordt dat het plan past binnen de uitgangspunten van de Ruimtelijke Toekomstvisie Voorst. 4.5.2

Woonvisie Aantrekkelijk Voorst 2025

In de in 2017 vastgestelde Woonvisie ‘Aantrekkelijk Voorst 2025’ is de gemeentelijke visie gegeven op het wonen in de gemeente Voorst. De gemeente Voorst is een aantrekkelijke plek om te wonen, gelegen in de groene zone tussen de steden Deventer, Zutphen en Apeldoorn. De gemeente is goed bereikbaar en heeft een goed voorzieningenniveau. Van belang is dit zo te behouden en dit te versterken. De vraag naar woningen neemt toe, waarbij jaarlijks circa 80 woningen aan de woningvoorraad worden toegevoegd. De meeste van deze woningen maken onderdeel uit van bestaande plannen. Het gros hiervan richt zich op Twello, omdat hier de vraag het grootst is. Om de gemeente Voorst aantrekkelijk te houden kent de Woonvisie vier pijlers van woonbeleid die richtinggevend zijn voor het gemeentelijke woonbeleid tot 2025. Het gaat om de volgende vier pijlers: 1. Aantrekkelijke woongemeente. Bij nieuwbouw vindt kwalitatieve sturing plaats waarbij gebouwd wordt voor de behoefte van nu, maar ook voor langere termijn. Hierbij wordt ingezet op een divers woningaanbod dat aansluit bij woonwensen van verschillende doelgroepen. Leefbaarheid wordt gestimuleerd; 2. Beschikbaarheid en betaalbaarheid. Voor lagere en middeninkomens moet de woonvraag bediend worden, door te zorgen voor voldoende aanbod sociale huurwoningen en bereikbare koopwoningen; 3. Kwaliteit van de woningvoorraad.

Deze pijler richt zich vooral op het verbeteren van de duurzaamheid van de woningen in de gemeente. 4. Vergrijzing en wonen met zorg. De vergrijzing heeft gevolgen voor het wonen en de zorg. Langer zelfstandig wonen is het uitgangspunt. Zowel bij nieuwbouw als het aanpassen van bestaande bouw is het van belang hierin te faciliteren. Elk van de pijlers kent verschillende speerpunten. In onderstaande afbeelding is een overzicht van de verschillende pijlers en speerpunten schematisch weergegeven.

24

Middendijk, Breestuk, Nijbroek

Afbeelding 11 - Pijlers en speerpunten Woonvisie

Er worden 11 woningen ontwikkeld. Hiervan komt 1 compacte woning in de oude boomgaard aan het Breestuk 6 (referentie fruitschuur) te staan en 10 woningen verdeeld over 2 nieuwe erven tegen de dorpskern van Nijbroek aan. De woningen worden ontwikkeld voor diverse doelgroepen en hebben dan ook verschillende inhoudsmaten. Dit betekent voor dit plan: 1 compacte woning in de boomgaard aan het Breestuk (max. 450 m³); 4 vrijstaande woningen van max. 750/850 m³; 2 woningen onder 1 kap van samen max. 900 m³; een rij met 4 woningen van samen maximaal 1.500 m³ met 2 hoekwoningen van het middensegment (marktconform tot NHG-grens) en 2 compacte middelste woningen van het goedkope segment. Voorliggend plan speelt hiermee in op de behoefte, er is namelijk een concrete vraag naar woningbouw voor verschillende doelgroepen. Het plan is hiermee in overeenstemming met de gemeentelijke woonvisie. 4.5.3

Beleidsregel Rood voor Groenbeleid gemeente Voorst

4.5.3.1 Algemeen Om de kwaliteit van het landelijk gebied op het huidige hoge niveau te houden, heeft de regio stedendriehoek in 2008 functieveranderingsbeleid geformuleerd. Ingezet werd op de sloop van landschapontsierende bebouwing om verpaupering en leegstand tegen te gaan. Door ter compensatie nieuwe functies (zoals wonen) toe te staan wordt de leefbaarheid van het platteland vergroot. Dit beleid vormde jarenlang ook het gemeentelijke toetsingskader. De kwaliteit van het landelijk gebied staat door de ontwikkelingen in de landbouw, de afname van natuur en landschap, de energietransitie, de woningbouwopgave et cetera onder druk. Daarom hebben wij ervoor gekozen om het functieveranderingsbeleid te actualiseren en in te zetten op 25

Middendijk, Breestuk, Nijbroek

landschapsversterking, meer natuurontwikkeling en behoud en herstel van cultuurhistorische waarden. Dit maakt dat voor de term Rood voor Groen is gekozen: wanneer een initiatiefnemer in het buitengebied een ontwikkeling wenst, moet dit in ieder geval leiden tot meer natuur en landschap. De gemeente Voorst wil met dit Rood voor Groen beleid de ruimtelijke kwaliteit bevorderen door aanleg van natuur en/of sloop van landschapontsierende bebouwing. Zo willen we met z'n allen naar een duurzamere en extensievere landbouw en door korte ketens (voor een deel) voorzien in onze eigen voedselbehoefte, Ook komen er in de toekomst agrarische gebouwen vrij waar een opgave ligt en hebben we een opgave voor de ontwikkeling van meer natuur en bos. Met toepassing van het nieuwe Rood voor Groenbeleid willen we door nieuwe rode functies in te zetten, de groene functies versterken. Samengevat ligt het doel van dit beleid in het behoud en verdere ontwikkeling van de kwaliteit van ons landelijk gebied. Belangrijk daarbij zijn natuur en landschap, het herstel van cultuurhistorische waarden, het optimaliseren van recreatieve routes en hoogwaardige (verblijf)recreatie, innovaties in energie en klimaat, vernieuwing van de agrarische sector en vernieuwende woonvormen die iets toevoegen aan het bestaande aanbod.

4.5.3.2 Ùitvoeringsagenda De wens is Rood voor Groen beleid op te stellen dat uitvoering geeft aan bovengenoemde strategische plannen. De gemeente heeft concrete acties om doelen uit het strategische beleid te bereiken, opgenomen in een Uitvoeringsagenda behorende bij de Ruimtelijke Toekomstvisie Voorst. Dit is een dynamisch product dat regelmatig wordt geactualiseerd. Medewerking aan een initiatief tot functieverandering wordt gekoppeld aan de bijdrage van dat initiatief aan de realisering van acties uit het uitvoeringsprogramma. De relevante thema's voor functieverandering zijn: - landschap en natuur; - optimaliseren recreatieve routes en hoogwaardige (verblijf)recreatie; - bijdrage aan integrale gebiedsontwikkeling; - behoud en herstel cultuurhistorische waarden; - innovaties energie en klimaat; - natuurinclusief en circulair bouwen; - vernieuwing agrarische sector; - vernieuwende (en compactere) woonvormen. 4.5.3.3 Differentiatie in woningtypen We vinden het erg belangrijk dat ook in het buitengebied ruimte wordt geboden aan verschillende typen woningen van diverse prijsklassen. Dus niet alleen grote, dure vrijstaande woningen maar ook bijvoorbeeld compacte woonvormen (binnen één volume) met een passende prijs (een aantal onder de NHG-grens of in het (midden)huursegment).

Ook valt te denken aan de toevoeging van levensloopbestendige woningen, starterswoningen, groepswonen met gedeelde voorzieningen of natuurinclusieve woningen. Vanuit het oogpunt van betaalbaarheid van woningen focussen we op bouwen binnen één volume. Bij 3 of meer woningen is een differentiatie in woningtypen verplicht. 4.5.3.4 Toetsing In dit geval is sprake van een maatwerkplan waarbij twee agrarische erven worden getransformeerd, woningen worden toegevoegd en fors wordt geïnvesteerd in natuur- en landschapsontwikkeling. Het gaat om een ontwikkeling met een grote maatschappelijke meerwaarde. Deze meerwaarde vertaald zich in onder andere: Ontstening, sloop agrarische bedrijfsgebouwen Beide agrarische erven worden aangepast. De agrarische functie van Breestuk 5 verandert in een woonfunctie. De huidige kalverstal wordt afgebroken in ruil voor een kleinere veldschuur. Ook op het erf van Breestuk 6 worden agrarische opstallen afgebroken. Eén van de schuren blijft behouden voor 26

Middendijk, Breestuk, Nijbroek

kleinschalige agrarische activiteit (het houden van een aantal vleeskoeien) en als berging voor materieel voor beheer en onderhoud van het agrarische (natuur)landschap. Voor het perceel Breestuk 6 wordt een fasering van de sloop van de agrarische bedrijfsgebouwen afgesproken waarbij een maximale termijn van 5 jaar na inwerkingtreding van de planologische regeling wordt aangehouden. Klimaatadaptatie Op twee plekken worden poelen aangelegd die in verbinding staan met de sloten. De sloten zullen ecologisch beheerd worden waardoor het water minder snel wordt afgevoerd en de kans krijgt om in de bodem te infiltreren. Aan de Zeedijk wordt een rabattenbos aangelegd waar ook het water vastgehouden kan worden. Natuur en landschapsversterking Voor de natuurlijke inrichting van de nattere gebieden is houvast gezocht bij het natuurdoeltype Grote Modderkruiper. Dit is een vis die op de rode lijst staat, maar op een aantal plekken in de polder nog voorkomt. De vis heeft ondiep water nodig om zich te kunnen voortplanten. De ecologisch beheerde sloten, de rabattenbosjes en de poelen bieden een goede habitat voor niet alleen de Grote Modderkruiper maar ook voor diverse andere dieren maar ook planten. De bosjes en landschapselementen zoals hagen en singels bieden bescherming en voedsel voor reeën, dassen en andere zoogdieren.

Het akker biedt ook in de winter voedsel voor diverse dieren (bijvoorbeeld muizen die roofvogels aantrekken) maar ook dassen. Stikstofreductie Een intensief agrarisch bedrijf (met planologisch uitbreidingsmogelijkheden) stopt en er komt geen nieuwe (bijv. vanuit de Gelders Vallei) voor in de plaats. Daarnaast wordt een ander agrarisch bedrijf afgebouwd. Dit betekent een stikstofreductie. Erfgoed Herstel van landschapselementen versterkt het karakter van de polder (accentuering slagenlandschap en terugbrengen (natte) hakhoutbosjes en akkers). Voor het plan is houvast gevonden bij oude kaarten (HisGis uit 1832). De initiatiefnemers hebben recent de oude boomgaard naast/tegenover hun erven aangekocht. Deze was niet beschermd (heeft een agrarische bestemming). Het is dan ook vanuit erfgoed een plus dat deze nu blijft behouden en wordt aangevuld. Woningaanbod Er worden 11 woningen ontwikkeld voor diverse doelgroepen. Hier is reeds op ingegaan in de vorige paragraaf inzake de woonvisie. Hiermee wordt voldaan aan de voorwaarden uit het beleid inzake en differentiatie in woningtypen. Vanwege deze forse compensatie wordt het in dit geval acceptabel geacht dat het gros van de nieuw te realiseren woningen wordt gebouwd op een andere plaats dan waar er wordt gesloopt.

Vanwege het relatief grote aantal nieuw te bouwen woningen (11) past het in dit geval ook beter om deze woningen hoofdzakelijk te bouwen op een locatie in aansluiting op het dorp Nijbroek, en niet op de slooplocaties. De ontwikkeling is uitgewerkt in een 'Inpassing-, Beeldkwaliteit- & Beplantingsplan' dat als Bijlage 1 is opgenomen bij deze toelichting en waarvan de belangrijkste realisatie- en instandhoudingsdoelstellingen zijn gewaarborgd in de planregels. 4.5.4

Landschapsontwikkelingsplan van Veluwe tot IJssel (2009)

4.5.4.1 Algemeen In het Landschapsontwikkelingsplan Van Veluwe tot IJssel (LOP) geeft de gemeente op concrete en uitgebreide wijze inhoud aan de specifieke kenmerken, kwaliteiten én betekenis van het landschap. Het LOP is een bouwsteen voor toekomstige visievorming en toetsingskader voor talrijke autonome en planmatige ontwikkelingen. Op basis van een analyse van de kernkwaliteiten van het landschap, worden in het LOP landschapseenheden en waardevolle landschapselementen onderscheiden en benoemd. Voor deze landschapseenheden en landschapselementen is een samenhangende landschapsontwikkelingsvisie 27

Middendijk, Breestuk, Nijbroek

ontwikkeld. Kernpunten van deze visie zijn: behoud en versterken van het contrast tussen de hoge delen en lage delen van het buitengebied; behoud en beschermen van de waardevolle open gebieden binnen de laaggelegen delen; behoud en versterken van de relatief besloten, hoge gebiedsdelen door behoud en versterken van de aanwezige open akkers, de paden, de beplanting en de aanwezige ontginningslijnen; behoud en versterken van de cultuurhistorische kenmerken; versterken van de ecologische waarden en de biodiversiteit door herstel van de landschappelijke overgangen en bijbehorende systemen en beplanting. Kernkwaliteiten en landschapsontwikkelingsvisie vormen gezamenlijk een belangrijk toetsingskader bij het beoordelen van nieuwe ontwikkelingen. 4.5.4.2 Veenontginning Nijbroek Het plangebied maakt onderdeel uit van de landschapseenheid 'Veenontginning Nijbroek'. Hier wordt hierna nader op ingegaan. Beschrijving landschap Een bijzondere planmatige broekontginning is het Nijbroek. Bijzonder aan het Nijbroek is de vroege ontginning in de 14e eeuw. Het Nijbroek wordt door de wijze van verkavelen ook wel aangeduid als een veenontginningsgebied, hoewel het feitelijk geen veengebied is. Voor het Nijbroek zijn de haaks op elkaar staande hoofdrichtingen van ontginningsbases en kavels (slagen) kenmerkend.

Vooral in het zuiden van de ontginningseenheid Nijbroek treft men een zeer regelmatige verkaveling aan, met kenmerkende slagen van 60 bij 2250 meter. De verkavelingen en de wegen vormen min of meer een grid. Langs de ontginningsassen Veluwse dijk, Middendijk en Zeedijk ontstond geleidelijk aan verspreide bebouwing, vaak op pollen (verhogingen). Aan de Middendijk groeide verspreide bebouwing uit tot de kern Nijbroek. Het Nijbroek kende behalve veel sloten ook een groot aantal hagen en is tot 1900 behoorlijk dicht begroeid geweest. In de zomer vielen de sloten periodiek droog zodat een aanvullende veekering moest worden aangelegd. Veel van deze hagen zijn inmiddels uit het landschap verdwenen. Naast hagen komen in het gebied ook bosjes, grienden en eendenkooien voor, vooral in de zuidelijke helft. Het grondgebruik bestaat hoofdzakelijk uit grasland en melkveehouderij bepaalt het beeld. Landschapsbeleid Het historische heggenlandschap moet worden hersteld, door de aanplant van elzen, knotwilgen en meidoornhagen in oost-west richting. Motivering/achtergronden: Hoogste kwaliteit van de veenontginning Nijbroek is het zeer karakteristieke ontginningspatroon dat voor een belangrijk deel bestaat uit stroken land, de slagen. Het herstellen van de historisch vlechtheggen als kavelgrens tussen de slagen versterkt de landschappelijke identiteit van dit landschap.

Door overwegend aan te planten in oost-west richting blijven lange zichtlijnen over dit nu nog tamelijk open landschap behouden, maar wordt het gebied minder kwetsbaar voor verrommeling door toenemende (agrarische) bebouwing. Rond grootschalige bebouwing wordt het landschap versterkt door toevoeging van erfbeplantingen en kavelbeplantingen. Motivering/achtergronden: In het gebied komen veel agrarische bedrijven voor en de maat en schaal van de bedrijven en hun bebouwing nemen nog steeds toe. Om het effect van verstening van het landschap tegen te gaan wordt voorgesteld om nieuwe bouwplannen, maar waar mogelijk ook bestaande bebouwing, landschappelijk in te passen door beplanting aan te brengen. Bij voorkeur bestaat de beplanting, in aansluiting op het gewenste heggenlandschap, uit kavelbeplantingen aan weerskanten van het bouwblok. Ook bij functieverandering en VAB wordt gestuurd op het herstel van bovengenoemde kenmerken. Langs noord-zuid lopende wegen worden wegbeplantingen aangelegd en hersteld (met populieren, essen of iepen). Motivering/achtergronden: De noord-zuid lopende wegen worden binnen deze landschapseenheid vaak 28

Middendijk, Breestuk, Nijbroek

begeleid door verspreide bebouwing en lopen evenwijdig aan het stelsel van weteringen. Veel van deze wegen zijn op dit moment al beplant. Deze hoofdrichting van het gebied en de samenhang tussen wegen, bebouwing en weteringen, moet herkenbaar blijven. Daarom wordt gekozen voor behoud en uitbreiding van wegbeplantingen. Vanwege de grote maten van dit landschap heeft de aanplant van populieren de voorkeur. 4.5.4.3 Toetsing In Hoofdstuk 3 is reeds uitvoering ingegaan op het Inpassing-, Beeldkwaliteit- & Beplantingsplan dat onderdeel uitmaakt van dit bestemmingsplan. De invulling van het plan op het gebied van inpassing, beeldkwaliteit en beplanting is afgestemd op de landschappelijke- en natuurwaarden van de omgeving. Hierbij is zoveel mogelijk rekening gehouden met de inhoud en voorwaarden voor ontwikkelingen die voortvloeien uit het landschapsontwikkelingsplan. Dit blijkt ook wel uit de inhoud van het Inpassing-, Beeldkwaliteit- & Beplantingsplan. Op deze plaats wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling in overeenstemming is het met het 'Landschapsontwikkelingsplan van Veluwe tot IJssel (2009)'. Voor het overige wordt verwezen naar het bedoelde plan dat als Bijlage 1 is opgenomen bij deze toelichting.

29

Middendijk, Breestuk, Nijbroek

Hoofdstuk 5 5.1

Uitvoerbaarheid

Inleiding

In dit hoofdstuk worden de randvoorwaarden vanuit de relevante milieu- en omgevingsaspecten behandeld. Dit om aan te tonen dat dit bestemmingsplan uitvoerbaar is.

5.2

Milieuonderzoeken

5.2.1

Bodem

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan onderzoek te worden verricht naar de geschiktheid van de gronden voor het beoogde doel. In het geval van een verontreiniging moet de omvang ervan worden vastgesteld, zodat beoordeeld kan worden of, en zo ja welke, kosten zijn gemoeid met het verwijderen of verminderen van die verontreiniging, zodat voldaan wordt aan de eisen van de milieuwetgeving. Ten behoeve van dit bestemmingsplan heeft Dumea Milieu verkennende bodemonderzoeken uitgevoerd binnen het plangebied. Hierbij zijn drie afzonderlijke onderzoeken uitgevoerd voor respectievelijk de locaties Breestuk 5, Breestuk 6 en de nieuwbouwlocaties aan de Middendijk. Hierna wordt kort ingegaan op de belangrijkste onderzoeksconclusies. Voor de volledige onderzoeksrapportages wordt verwezen naar respectievelijk bijlage 2, bijlage 3 en bijlage 4 bij deze plantoelichting. Breestuk 5 Op basis van het onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Breestuk 6 Op basis van het onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik.

Nieuwbouwlocaties Middendijk Op basis van het onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Eindconclusie De resultaten van de uitgevoerde bodemonderzoeken geven geen milieuhygiënische belemmeringen voor onderhavig plan en het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen. Aanvullend onderzoek is dan ook niet nodig. 5.2.2

Geluid

De Wet geluidhinder heeft tot doel de volksgezondheid en het milieu te beschermen tegen geluidsoverlast. Bij het opstellen van een bestemmingsplan is dan ook aandacht voor het aspect geluid noodzakelijk. Geluidsbelasting op gevels van geluidsgevoelige objecten moet binnen de normen blijven. Het gaat hier zowel om geluidhinder van wegverkeer, railverkeer en gezoneerde industrieterreinen. Dit bestemmingsplan maakt nieuwe geluidsgevoelige functies/gebouwen (woningen) mogelijk. Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een spoorweg of industrieterrein, om deze reden ondervindt de locatie geen hinder van railverkeer of van het bedrijventerrein. Hierna wordt specifiek ingegaan op het onderdeel wegverkeerslawaai. Wegverkeerslawaai Woningen Breestuk 30

Middendijk, Breestuk, Nijbroek

De bestaande (bedrijfs)woningen aan het Breestuk 5 en 6 blijven behouden. Met de nieuwe boomgaardwoning is er wel sprake van het toevoegen van een geluidsgevoelig object als bedoeld in de Wgh. Deze woning bevindt zich formeel binnen de wettelijke geluidszone van het Breestuk. Dit betreft een eenbaansweg waar een maximumsnelheid van 60 km/uur geldt. Deze weg wordt echter bijna uitsluitend gebruikt door bestemmingsverkeer, te weten bedrijven en bewoners die wonen/werken aan het Breestuk of de directe omgeving hiervan. Hierdoor is de verkeersintensiteit op deze weg dusdanig laag dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden gesteld dat de geluidsbelasting als gevolg van het Breestuk voldoet aan de wettelijke voorkeurswaarde van 48 dB. Een akoestisch onderzoek voor deze woning wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Woningen Middendijk De nieuwbouwwoningen aan de Middendijk liggen gedeeltelijk binnen de wettelijke geluidszone van de Middendijk, voor zover het het 60 km/uur gedeelte van deze weg betreft. Binnen het dorp Nijbroek betreft de Middendijk een 30 km/uur weg zonder wettelijke geluidszone. De woningen op het achterste woonerf vallen volledig buiten de wettelijke geluidzones van omliggende wegen. De woningen op het voorste erf vallen wel binnen de wettelijke geluidszone van de Middendijk (buiten kom 60 km/uur zone).

De verkeersintensiteit op deze weg is echter relatief laag. Tegelijkertijd geldt voor de meeste woningen op dit erf dat er sprake van een zekere vorm van barrièrewerking/geluiddemping als gevolg van de bebouwing die wordt gebouwd op kortere afstand van de Middendijk. Mede gezien bovenstaande, en de onderlinge afstand tussen de dichtstbijzijnde woning en het 60 km/uur deel van de Middendijk, kan met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden gesteld dat de geluidsbelasting als gevolg van de Middendijk voldoet aan de wettelijke voorkeurswaarde van 48 dB. Een akoestisch onderzoek voor deze woningen wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Conclusie Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. 5.2.3

Luchtkwaliteit

De eisen voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn sinds november 2007 vastgelegd in de Wet milieubeheer (Wm, in titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen). In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de Wet luchtkwaliteit bestaat uit in Europees verband vastgestelde normen voor maximumconcentraties voor een aantal luchtvervuilende stoffen. In Nederland kunnen met name fijn stof (PM10) en stikstofoxiden (NO2) problemen opleveren met betrekking tot overschrijding van de grenswaarden. Fijn stof wordt grotendeels veroorzaakt door grote industriële bronnen en het wegverkeer, NO2 wordt voornamelijk veroorzaakt door wegverkeer. Indien het uitoefenen van bevoegdheden zoals het vaststellen van bestemmingsplannen of het afwijken van het bestemmingsplan op grond van artikel 2.12 lid 1 sub a onder 1 van de Wabo gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, kunnen bestuursorganen die bevoegdheden uitoefenen wanneer aannemelijk is gemaakt dat: 1. het bestemmingsplan c.q. de afwijking niet leidt tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden; 2. de luchtkwaliteit als gevolg van het bestemmingsplan c.q. de afwijking per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft; 3. het bestemmingsplan c.q. de afwijking niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen.

Sinds 1 augustus 2009 is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van kracht. Volgens het NSL draagt een project 'niet in betekenende mate' (Nibm) bij zo lang de concentratie fijn stof of stikstofdioxide niet meer dan 3% bedraagt. Volgens de regeling Nibm wordt die grens pas overschreden bij bijvoorbeeld woningbouwprojecten van meer dan 1500 woningen of kantoorlocaties met meer dan 10.000 m2 bruto vloeroppervlak. Voor ontwikkelingen die 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeft niet te worden getoetst aan de grenswaarden. 31

Middendijk, Breestuk, Nijbroek

Dit bestemmingsplan maakt de bouw van 11 woningen, natuurontwikkeling en de sanering van een intensieve veehouderij mogelijk en kan daarmee worden aangemerkt als ontwikkeling die in niet betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. De locatie is tevens niet gelegen binnen een gebied waarin de normen van luchtkwaliteit worden overschreden. Geconcludeerd wordt dat de Wet luchtkwaliteit en het Besluit Nibm geen belemmering vormen voor onderhavige ruimtelijke ontwikkeling. 5.2.4

Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) gehanteerd. Het PR biedt burgers in hun woonomgeving een minimum beschermingsniveau tegen gevaarlijke stoffen.

Het GR legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Hieronder is de ligging van het plangebied en het omliggende gebied weergegeven op de risicokaart. Hieruit blijkt dat er in de omgeving van het plangebied sprake is van een hoogspanningsverbinding. Ook bevindt het plangebied zich, ondanks dat dit niet zichtbaar is op onderstaande afbeelding, binnen een overstromingsrisicogebied.

32

Middendijk, Breestuk, Nijbroek

Afbeelding 12 - Uitsnede risicokaart

Elektromagnetische straling In 2005 heeft het toenmalige ministerie van VROM een beleidsadvies met betrekking tot hoogspanningslijnen aan gemeenten, netbeheerder, en provincies uitgebracht. In dat advies wordt aangeraden om zoveel als redelijkerwijs mogelijk is te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla (de magneetveldzone). De magneetveldzone van een hoogspanningslijn is het gebied links en rechts van een bovengrondse hoogspanningslijn waar het magneetveld gemiddeld over een jaar sterker is dan 0,4 microtesla. Het begrip magneetveldzone wordt alleen gebruikt voor bovengrondse hoogspanningslijnen en niet voor andere onderdelen van het elektriciteitsnetwerk. Er heerst soms verwarring over wat precies met de breedte van de magneetveldzone wordt bedoeld en met de minimale afstand die geadviseerd wordt tussen de hoogspanningslijn en woningen, scholen in het 'beleidsadvies hoogspanningslijnen'. De breedte van de magneetveldzone is de totale breedte tussen de 0,4 microtesla-grenzen links en rechts van de hoogspanningslijn. De minimale afstand die geadviseerd wordt tussen de hoogspanningslijn en een woning is de helft van deze breedte.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13790707/4