Ontwerp RES 1.0 (2021-23523)
Tekst van het document
Scenario 2 werkt het beste waar het gaat om grootschalige opwek van zon en wind. Door te werken met een maatschappelijke tender kan de gemeente selecteren op allerlei criteria, waaronder de mate van lokaal eigendom en participatie van omwonenden. De maatschappelijke tender werkt minder goed voor kleine zonneparken. Het is voor de gemeente veel werk om een tender uit te schrijven. En voor ontwikkelaars is het veel werk om hierop in te schrijven. Kleine zonneparken kunnen daarom beter onder het lokale beleidskader (scenario 1) vallen. In dat lokale beleidskader is het streven naar lokaal eigendom en de participatie van omwonenden dan uiteraard ook goed geborgd.
Scenario 2: de stimulerende gemeente
In dit scenario voert de gemeente uitnodigingsplanologie waarbij maximaal gestuurd wordt op randvoorwaarden. Dit doet zij door bijvoorbeeld voor bepaalde locaties aanbestedingen uit te schrijven. Hierdoor houdt de gemeente aan de voorkant relatief veel regie en laat dit gedurende het proces richting uitvoering meer en meer los. EnergieSamen Gelderland, Het Gelders Energie Akkoord, RVO en Klimaatverbond werken gezamenlijk aan een opzet voor de maatschappelijke tender. Een maatschappelijke tender geeft de gemeente regie. Deze opzet moet verder worden uitgewerkt tot een helder beleidskader voor gemeenten, dat juridisch getoetst is en als het ware zo gekopieerd kan worden naar hun eigen beleidskader. In de ontwikkelagenda nemen we deze verdere uitwerking op. Scenario 3: de ontwikkelende gemeente
In dit scenario treedt de gemeente zelf op als (mede)ontwikkelaar van energieprojecten. Dit doet zij door onder andere een actief grondbeleid te voeren op locaties en zelf te investeren in projecten. De eigen gronden kunnen al in eigen bezit zijn of verworven worden (bv met inzet het voorkeursrecht gemeenten). Het voordeel is dat de gemeente maximale regie heeft over alle randvoorwaarden van het project en ook het maximale rendement kan behalen. Nadeel zijn de eventuele financiële risico’s en het verlies van de onafhankelijke positie.
Tot slot kunnen er situaties zijn waarbij een gemeente of de provincie Gelderland zelf eigenaar is van gronden die uitermate geschikt zijn voor het realiseren van een zon- of windproject. De gemeente of provincie heeft dan zelf de regie in handen om in lokaal eigendom dat zon- of windproject te realiseren. Dat kan ook door de grond te verpachten aan de lokale energiecoöperatie en eisen te stellen aan lokaal eigendom en de participatie van omwonenden voor de realisatie van dit zon- of windproject door de lokale energiecoöperatie. Uiteraard kan de gemeente of provincie er ook voor kiezen om ook in dat geval te werken met een maatschappelijke tender. In de ontwikkelagenda nemen wij het streven op dat gemeenten de borging van lokaal eigendom in beleid zoveel als mogelijk in 2021 realiseren, maar in ieder geval per 1 januari 2023 gereed hebben. Zo kunnen we het meenemen in de RES 2.0.
7
Op weg naar RES 2.0 Met de RES 1.0 hebben we de eerste stappen naar 2030 en verder gezet. De basis staat.
47
Dit hoofdstuk gaat in op wat nodig is om de volgende stappen samen te kunnen zetten. Dit bestaat uit de ontwikkelagenda waarin alle beoogde acties zijn benoemd, de organisatie die daarbij hoort en het monitoren van onze ontwikkeling. Daarbij moeten we ons bewust zijn dat we werken in een heel dynamische omgeving. Grootschalige opwek heeft de aandacht van inwoners en daarmee politieke aandacht. Wet- en regelgeving wordt veranderd om de energietransitie mogelijk te maken, maar dat duurt soms wel even. En ondertussen is de markt op steeds meer terreinen de kansen van deze strategie aan het ontdekken. Dat betekent innovaties, nieuwe technieken en producten en kostenverlaging. Al deze ontwikkelingen hebben invloed op de realisatie van grootschalige opwek. De hier beschreven strategie en ontwikkelagenda helpen ons hierin koers te houden.
7.1 Ontwikkelagenda Het huiswerk voor de regio voor de komende periode om duurzame opwek en warmte te realiseren staat in de ontwikkelagenda.
48
2021 Initiatief Wind op de Veluwe: omvang en zoekgebieden Ecologisch veldonderzoek Economisch onderzoek Bovenregionaal afwegingskader
Provincie Apeldoorn Provincie
Wind Regio: beleid aantal, locatie, voorwaarden Omgevingsvisies Lokaal beleid Windmolens Zutphen in behandeling Raad van State
Gemeenten Gemeenten RvS
Ja graag zon: programatische aanpak Opslag stimuleren en agenderen Inventararisatie bedrijventerreinen PvA agrarische daken Goed voorbeeld maatschappelijk vastgoed No-regret locaties (vuilstort, etc)
CTR RES CTR LTO Gemeenten Gemeenten
Zon op land: omvang en harmonisering Uitwerking optimale omvang zonnevelden Uitwerking verhouding regionale/lokale zonnevelden Uitwerking regionale spelregels zonnevelden
RES CTR RES CTR RES CTR
Warmte Afstemming en kennisdeling Vervolgonderzoek warmtesystemen Uitwerking en toepassing afwegingskader Jongeren netwerk Borging lokaal eigendom Lokale afstemming met inwoners
Gemeenten Gemeenten Gemeenten Gemeenten Gemeenten Gemeenten
Participatie Doelgroepenbenadering herijken Stakeholdertafel evalueren en aanpassen Samenwerking gezamenlijke energiecoörporaties
RES CTR RES CTR RES CTR
Organisatie Evaluatie proces RES 1.0 Werkplan RES 2.0 uitwerken Data & monitoring uitwerken
RES CTR RES CTR RES CTR
Aandachtspunten te agenderen nationaal niveau Stimulering opslag en innovatie Lobbybrief aanbieding Concept RES
CTR CTR
Q2
Q3
2022 Q4
Q1
procesuitspraak naar verwachting voorjaar 2021
Q2
2023 Q3
Q4
Q1
Q2
> RES 2.0
7.2 RES Organisatie Toen in 2018 de eerste stappen voor de RES werden gezet, was nog niet duidelijk wat daar allemaal bij kwam kijken. Met de startnotitie is een basis gelegd om de weg naar deze RES 1.0 af te leggen. De eerste stap naar RES 2.0 is om de werkwijze te evalueren en waar nodig aan te passen. Deze inzichten vormen samen met de ontwikkelagenda de basis voor het vervolg.
7.3 Data & monitoring
49
De RES is een instrument om de ruimtelijke inpassing van de energietransitie mogelijk te maken. Dit is een meerjarig proces, waarbij de RES (het document) van de verschillende regio’s om de twee jaar wordt geactualiseerd. Hierbij is het belangrijk de voortgang richting realisatie te monitoren. De monitoring van het Klimaatakkoord in brede zin, waaronder de RES-en, wordt landsbreed verzorgd door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Een eenduidige monitoring van alle RES-en is essentieel om te zorgen voor de onderlinge vergelijkbaarheid en optelbaarheid. De monitoringssystematiek van PBL is het moment van schrijven nog in ontwikkeling. Aanvullend op de in ontwikkeling zijnde monitoringssystematiek van PBL willen we als regio zelf onze voortgang gaan monitoren. Daarbij willen we ook gaan monitoren op aspecten die in het bijzonder voor de Cleantech regio van belang zijn. We sluiten waar mogelijk aan bij de landelijke monitoringssystematiek van PBL; Ontwikkelingen op Gelders (provinciaal) niveau houden we in de gaten; Het databeheer is belegd bij het Datalap van de gemeente Apeldoorn. Richting RES 2.0 geven we de praktische uitwerking van de monitoring- en rapportagesystematiek verder vorm.
Hierbij zijn ten minste de volgende acties voorzien: Het aanwijzen van een trekker voor monitoring in de Cleantech regio; Het optuigen van een periodieke overlegstructuur; Afspraken maken over de te hanteren methodiek (bronnen, rapportage-intervallen, nuljaar etc.) Uitwerking van de te monitoren indicatoren. Hierbij is speciale aandacht voor indicatoren die voor onze regio van groot belang zijn, zoals bijvoorbeeld lokaal eigendom en natuur.
Bijlagen 50
Bijlagen
Bijlage
1
Landschapsanalyse
De Veluwe is een aaneengesloten natuur- en bosgebied. Open plekken zoals heide en zandverstuivingen vormen eigen werelden, omsloten door bos. De Veluwe is Natura 2000 gebied. Het beperkt zich niet tot de Cleantech Regio. De 60 meter hoge ligging ten opzichte van de IJssel maakt dat de Veluwe op macroschaal een belangrijke stempel drukt op de verschijningsvorm, beleving en het gebruik van het landschap van de regio. De IJsselvallei met zijn karakteristieke landschappen, gradiënten, bewoning op de flanken, beeksystemen, kanalen en weteringen komen allen min of meer voort uit de ligging aan de flanken van deze stuwwal.
We onderscheiden 12 landschapseenheden op hoofdlijnen, elk met eigen
Veluweflank
kenmerken. Het is een kenmerkende combinatie van hoogteligging,
De Veluweflank kenmerkt zicht door het kleinschalige halfopen landschap van akkers, weiden en bosjes, doorsneden door sprengenbeken. Er is veel microreliëf en er zijn waardevolle gradiënten van bos naar open beekdalen. Tussen het bos en de beekdalen liggen bolle essen.
bodemgebruik, beplanting, wegenpatroon, verkavelingspatroon en bebouwingspatroon. Deze kenmerkende combinatie zorgt er over het algemeen ook voor dat binnen een landschapseenheid een herkenbaar
51
Veluwe | Stuwwal
en samenhangend landschapsbeeld bestaat
De bos, beekdalen en de bronnen van de sprengenbeken zijn over het algemeen onderdeel van het Geldersnatuurnetwerk en de beek-, weteringen en kanalensystemen.
Daarnaast zijn er groenontwikkelzones aangeduid in of langs het riviersysteem. Door het programma ‘Ruimte voor de rivier’ is een aantal bijzondere buitendijkse gebieden ontstaan waar water, natuur, recreatief medegebruik en agrarisch gebruik hand in hand gaan. Voorbeelden zijn Hoogwatergeul Veesen Wapenveld, Keizers, Stobben en Olsterwarden, Ossenwaard, Worp, Bolwerkplas, Voorsterklei, Cortenoever. Oeverwal
Aan de westzijde van de IJssel ligt over de gehele lengte een oeverwal langs de IJssel. De oeverwal bestaat uit een zandige afzetting en vormt de overgang tussen de uiterwaarden dijken en de komgronden. De hoog gelegen en vruchtbare oeverwallen zijn van oudsher aantrekkelijke woonplaatsen. Het is een langgerekt fijnmazig landschap van boerderijen, erven, boomgaarden met wisselende uitzichten over rivierlandschap en open agrarische komgronden. Rivierduinen en steilrand van het dekzandlandschap
Tussen Zutphen en Deventer ligt rondom Gorssel een bijzonder, bijna niet Hollands, rivierlandschap. Hier grenst de hoge dekzandrug direct aan de IJssel. Een steilrand met bossen en bewoning kijkt uit over de IJssel. Het contrast met de open komgronden aan de westzijde van de IJssel is hier enorm. Waar de dekzandrug weer wijkt van de rivier, is een halfopen agrarisch landschap met rivierduinen ontstaan.
Lochemse berg | stuwwal
Aan de oostzijde van de regio ligt de Lochemse berg, bestaande uit een relatief hoog gelegen beboste stuwwalkern met glooiende open flanken (kampenlandschap) in een relatief vlak landschap. De vergezichten, de glooiingen en de aanwezigheid van kwel gerelateerde natuur maakt het een zeer gewaardeerd landschap. Rivierlandschap, uiterwaarden, dijken
De buitendijkse gebieden ontlenen hun kwaliteit aan de dynamiek van het watersysteem en de natuur- en landschapswaarden die daar mede door ontstaan zijn. De dijken en uiterwaarden hebben over het algemeen hoge natuurwaarden. Langs de IJssel ligt een aantal wettelijk beschermde natuurgebieden. Voorbeelden zijn Natura 2000 gebieden, het Gelders natuurnetwerk, de weidevogelgebieden, en de rust- en foerageergebieden voor ganzen.
Beekdalen
Zowel aan de westzijde van de Cleantech Regio op de overgang van Veluwe naar de IJssel als oostzijde vanaf de regio vanaf de dekzandgronden naar de IJssel liggen beekdalen. De beken zijn verschillend van formaat en ruimtelijke verschijningsvorm. Aan de Veluwekant zijn het smalle beken, ook wel sprengen genoemd. Aan de oostzijde zijn enkele grotere beken en beekdalen aanwezig zoals het Berkeldal. Waarin ze overeenkomen, is de betekenis voor de waterhuishouding en natuur in de gebieden. De beekdalen spelen een essentiële rol in de klimaatopgave in de regio. Het vasthouden van water in de brongebieden op de hogere en drogere zandgronden is essentiële voor zowel de natuur, klimaat en de agrarische sector.
Lochemse berg | stuwwal
Aan de oostzijde van de regio ligt de Lochemse berg, bestaande uit een relatief hoog gelegen beboste stuwwalkern met glooiende open flanken (kampenlandschap) in een relatief vlak landschap. De vergezichten, de glooiingen en de aanwezigheid van kwel gerelateerde natuur maakt het een zeer gewaardeerd landschap.
Apeldoorn-Deventer, bij Brummen, bij Klarenbeek en Terwolde langs de Veluwse Bandijk en aan de oostzijde bij Ampsen, Verwolde en Laren. De landgoederen kenmerken zich door min of meer gesloten landschappen bestaande uit een of meerdere buitenplaatsen met historische tuinen en parken, bossen met beken, lanenstelsels, zichtlijnen, zandpaden, boskamers en essen.
Kanalen
In de regio zijn twee kanalen aanwezig namelijk het Apeldoornskanaal en het Twentekanaal. Het Apeldoorns kanaal loopt parallel aan de IJssel en volgt ook deels dezelfde route als de oude waterloop de Grift, waarover vanaf de 16e eeuw scheepvaart plaatsvond. In 1825 is in opdracht van koning Willem I het Apeldoorn kanaal gegraven. De ligging op de overgang van Veluweflank en IJsselvallei en historie maakt het kanaal een belangrijke structurerende drager van het landschap van de regio.
52
Het Twentekanaal is van een veel latere datum, rond 1938. Het kanaal is structurerend voor het oostelijk deel van de regio. Het kanaal werd gegraven voor een betere aanvoer van grondstoffen voor de Twentse textielindustrie (ruwe katoen) en voor de toevoer van steenkool uit de mijnen in Limburg. Het grootste deel is aangelegd als werkverschaffingsproject tijdens de crisis en door werklozen met schop en kruiwagen gegraven.
Kampen- en essenlandschap
Het kampen- en essenlandschap bevindt zich op meerdere plekken in de regio. Karakteristiek voor het kampenlandschap zijn de open akkers (kampen of essen) omzoomd met houtwallen, bospercelen en lanen. Het kampenlandschap is in de loop der eeuwen ontstaan uit kleine individuele ontginningen op de overgang van het natte veengebied naar droge en hogere zandopduikingen waarop de essen werden gesitueerd. Rondom de opbollende essen als gevolg van eeuwenlange ophoging van heideplaggen vermengd met mest werden de boerderijen gesitueerd. De randen van de es zijn omzoomd door beplanting en erven. De landschappen zijn relatief kleinschalig en halfopen en hebben een onregelmatige kavelstructuur. De weides en akkers worden doorsneden voor beken. Het verschil tussen kampen en essenlandschap is de schaal van de ontginning. Kampenlandschap is individueler begonnen en heeft een kleinere landschappelijke maat.
Bos en heidegebieden
Een grote aaneengesloten bos en heidegebied te vinden tussen Lochem, Zutphen en Vorden, ‘het Grote Veld’. Dit uitgestrekte natuurgebied bestaat uit een afwisseling van boscomplexen, open heidevelden, landbouwenclaves en beekdalen. Het bos kent een sterke monocultuur. Het grote veld bestond uit woeste gronden die pas in de 19de eeuw zijn ontgonnen. Landgoederen, landgoedbossen en boskamers
Landgoederen en buitenplaatsen dragen voor een belangrijk deel bij aan het hooggewaardeerde landschap in de regio. In het landschap aan weerszijde van de IJssel wisselen droge en natte plekken elkaar op korte afstand af. Veel natte plekken zijn niet alleen nat omdat er een beek doorheen loopt maar ook omdat ze onder invloed staan van kwel van de Veluwe en hogere dekzandkoppen. Van oudsher waren deze omstandigheden ideale vestigingsplaatsen. In de Cleantech Regio vinden we een aantal concentraties aan ensembles van landgoederen en buitenplaatsen. Deze liggen in bosrijke gebieden. Op de overgang van de Veluwe naar de lager gronden ligt een aantal landgoederen zoals o.a. Paleis het Loo, rondom Twello langs de straatweg
Tussen Lochem, Zutphen en Deventer liggen een aantal kampen en essenlandschap pen gesitueerd tussen de bossen en landgoederen. Aan de westzijde van de IJssel vinden we de kampen en essenlandschap aan de noordoost-, oost- en zuidoostzijde van Appeldoorn. Een karakteristiek gebied wat ook wel ‘de vallei’ wordt genoemd, bestaat uit zandopduikingen en grillige laagtes waar het water geen duidelijke richting heeft. De hoogteverschillen zijn subtiel evenals de landschappelijke overgangen. Dit gebied is het grondgebied van de weteringen aan de noordzijde van de IJsselvallei. Dit gebied staat, mede vanuit de Stedendriehoek, sterk onder druk van groene en stedelijke functies. Natte heideontginningen
Aan de voet van het Veluwemassief met name aan de zuidoostzijde van Apeldoorn lagen natte heidegebieden die pas in de 19de of 20ste zijn ontgonnen. Lange tijd bleven de natte heidegebieden onontgonnen en onbebouwd door de relatief ongunstige landschappelijke situatie. Veel natte heideontginningen zijn kleinere, geïsoleerde gebieden. Ze liggen meestal tussen de lagergelegen beekdalen en hoger
gelegen oude bouwlanden. In het landschapsontwikkelingplan van Apeldoorn worden ze ook wel kamerstructuren genoemd. Dit is o.a. de polder Klarenbeek. Deze gebieden waren door kwel en afstromend water erg nat. Bovendien was de zandbodem zeer arm. Pas toen verbeterde ontwatering en bemesting in de 19de eeuw mogelijk werd, zijn de natte heidegebieden ontgonnen. De natte heideontginningen zijn nu hoofdzakelijk in gebruik als grasland. De ontginningsassen zijn nog herkenbaar in het verkavelings- en wegenpatroon. Langs veel wegen staat inmiddels verspreide (agrarische) bebouwing, waardoor het gebied geleidelijk aan kenmerkende openheid heeft verloren. Broeklanden
De Broeklanden kenmerken zich over het algemeen als de lage natte agrarische gebieden die min of meer planmatig zijn ontgonnen. Ze worden ook vaak aangeduid als komgebieden als ze onderdeel zijn van het rivierenlandschap. Het zijn de natte en open gebieden achter de oeverwal die zich kenmerken door rechtlijnige structuur van wegen en verkaveling. Het grondgebruik bestaat voornamelijk uit grasland en de melkveehouderij. De noordelijke helft van de IJsselvallei is een broekland, ook wel Weteringengebied, genoemd. Zeer kenmerkend is de aanwezigheid van een stelsel van parallelle weteringen die stromen van zuid naar noord. Een bijzonder broekontginning als onderdeel van het weteringenlandschap is polder Nijbroek. Deze polder is een vroege ontginning uit de 14de eeuw. Het betreft een zeer regelmatige slagen verkaveling, smalle lanen en van oorsprong ook relatief veel hagen omdat sommige sloten in de zomer droogvielen. Ten zuiden van Zutphen ligt ook een broekontginning, het Leestenschebroek. Dit broek bestaat uit een rechtlijnige blokvormingen ontginningen en kenmerkt zich in een ruime maat. In tegenstellig tot het Weteringenlandschap zijn de natste gronden ingeplant met bos. Ten noord-oosten van Lochem bevindt zich Larense Broek, Armhoede en Nettelhorst.
Het hart van dit grootschalige en open gebied wordt gevormd door de Bolksbeek die tevens over grote lengte de grens tussen provincie Gelderland en Overijssel vormt.
Bijlage
2
Hernieuwbare warmtebronnen in de regio In deze bijlage is een overzicht opgenomen van de verschillende duurzame warmtebronnen en de visie van de Cleantech Regio hierop.
53
Restwarmte
Bij veel processen in de industrie en bij koeling van bijvoorbeeld datacenters, komt warmte vrij. Deze restwarmte kan ook worden ingezet om water in een warmtenet te verwarmen. Het aanbod van restwarmte is vaak vrij constant over het jaar, maar de vraag naar warmte bestaat vooral in de winter. Meestal wordt een andere warmtebron, vaak een gasketel, gebruikt voor de momenten dat restwarmte niet in de vraag kan voorzien en als back-up voorziening. Vraag en aanbod van warmte kunnen ook in balans gebracht worden door de opslag van warmte in de ondergrond. Bij een dergelijke opslag kan de warmtenetvoorziening ook ingezet worden voor koeling. Er is een aantal bronnen van restwarmte die bovengemeentelijk en -regionaal interessant zijn (zie hoofdstuk 4). Er is restwarmte die niet bovenregionaal interessant is, maar wellicht wel voor een klein warmtenet gebruikt kan worden. Deze afweging wordt in de lokaal op te stellen TVW’s gemaakt. Geothermie
In de bodem is warmte opgeslagen: hoe dieper je gaat, hoe warmer het wordt. Geothermie, ook wel aardwarmte genoemd, is het gebruik van deze warmte uit de diepe ondergrond (vanaf 500 meter diepte). Het benutten van warmte (en koude) uit de ondiepe ondergrond (tot 500 meter diepte) wordt bodemenergie genoemd. Bodemenergie kan benut worden met bodemenergiesystemen, zoals een bodemwarmtepomp en een warmtekoudeopslagsysteem (WKOnet). Geothermie heeft voor de businesscase een grote omvang nodig. In veel gevallen is het een techniek waarbij zowel de bron als de vraag bovenlokale aspecten kent. Vaak is het vermogen van een aardwarmtebron zodanig dat meerdere buurten daarvan kunnen worden voorzien. Eén aardwarmtebron kan zo’n 3.000 tot 5.000 woningen verwarmen. EBN voerde in 2019 en 2020 het SCAN onderzoek (Seismische Campagne Aardwarmte Nederland) uit. Dit onderzoek brengt de potentie van geothermie in kaart van gebieden waar de potentie nog niet in beeld is (dit geldt voor grote delen van de Cleantech Regio). De resultaten van het SCAN onderzoek worden, zodra deze beschikbaar zijn, opgenomen in de RSW.
In opdracht van de provincie Gelderland is in 2020 door IF Technology de potentie voor Hoge Temperatuur Opslag (HTO) en geothermie door middel van een bureaustudie in kaart gebracht, zowel voor OostGelderland als voor Eerbeek-Loenen. Voor ondiepe geothermie is de potentie in Eerbeek-Loenen relatief groot ten opzichte van Oost-Gelderland. De berekende potentie ligt rond de 3 MW. Ter indicatie: hiermee kunnen ongeveer 2.500 nieuwbouwwoningen mee verwarmd worden. In de overige gemeenten is dit laagpakket nooit afgezet of geërodeerd. Voor diepe geothermie (1.500-4.000 m diep) zijn de gebieden Oost-Gelderland en EerbeekLoenen minder geschikt. Er ontbreken hier veel van de laagpakketten die in het westen en noorden van het land wel succesvol worden gebruikt voor geothermische projecten. Voor de ultradiepe formaties (> 4000 m) is nog veel onduidelijk over de geothermische potentie in de Nederlandse ondergrond. Hier is meer onderzoek voor nodig. Visie Waterschappen en Vitens Waterschap Vallei en Veluwe en Vitens hebben de voorkeur voor Thermische Energie uit Oppervlaktewater (TEO) en Thermische Energie uit Afvalwater (TEA) boven warmtebronnen in de ondergrond. Doorboringen van waterscheidende lagen in de ondergrond leiden tot een grotere kwetsbaarheid van het (grond)watersysteem voor verontreinigingen en wateroverlast.
In grote delen van het beheergebied van het waterschap zijn er op 10 à 15 meter diepte kleilagen. Door deze afsluitende kleilagen is de ondergrond beschermd tegen mogelijke verontreinigingen uit de bovengrond. Ook houden de waterscheidende lagen de kweldruk uit diepere lagen tegen. Door niet goed afgedichte WKO-boringen kan deze gunstige situatie negatief beïnvloed worden met consequenties voor (grond)waterkwaliteit en -kwantiteit, kwel en wateroverlast in stedelijke gebieden.
Aquathermie
Nederland is een waterrijk land, zowel aan de oppervlakte als in de bodem. Aquathermie is de benutting van de warmte én koude uit oppervlaktewater (TEO), afvalwater (TEO) of drinkwater (TED). De warmte of koude kan rechtstreeks benut worden of worden opgeslagen voor gebruik op een later moment. Verschillende mogelijkheden van opslag zijn mogelijk, waaronder opslag in de bodem zoals warmte- en koudeopslag (WKO), hoge- of midden temperatuur opslag (HTO/MTO), of een buffervat. Warmte die gewonnen wordt moet opgewaardeerd worden om tot de gewenste temperatuur te komen. Dit kan centraal met een collectieve warmtepomp, of met een individuele warmtepomp. Er moet dus energie worden toegevoegd, in de vorm van elektriciteit. De warmte (of koude) via een warmtenet getransporteerd naar de huizen.
54
Aquathermie is in voldoende mate aanwezig en heeft veel potentie. Het probleem is dat het vaak hoge kosten met zich meebrengt en daardoor niet altijd rendabel is. Redenen daarvoor zijn dat deze bronnen zich veelal op behoorlijke afstand van de warmtevraaggebieden bevinden en de aanvoertemperatuur erg laag is. Dit maakt de toepassing zeer onzeker in de meeste warmtevraaggebieden. Voorbeelden van bovengemeentelijk en –regionale bronnen zijn: het Apeldoorns Kanaal, de IJssel , het Twentekanaal en RWZI’s. Houtige Biomassa
Biomassa is een stabiele en flexibele warmtebron. Het kan in groengas worden omgezet maar het kan ook in warmte worden omgezet in een warmtecentrale (ketel). De warmte wordt geleverd aan een warmtenet. Biomassa heeft een bovengemeentelijke’ potentie, omdat warmtenetten een regionale reikwijdte kunnen hebben en biomassa naar andere regio’s kan worden vervoerd. Er wordt een toename van gebruik van biomassa voor warmtelevering aan warmtenetten verwacht, op de lange termijn vooral als pieklast en op de korte termijn ook als basislast. De beschikbaarheid van reststromen uit Nederland is beperkt en zal veel voor hoogwaardigere toepassingen worden ingezet, bijv. als grondstof in de chemische industrie. Importeren van houtpellets en andere biomassa is ook mogelijk, maar dan moet gecontroleerd worden of aan de duurzaamheidseisen wordt voldaan.
In de Cleantech Regio is houtige biomassa is een potentiele bron met de voorwaarde dat het duurzaam en lokaal geoogst wordt. Hierbij moet er een goede balans zijn tussen vraag en aanbod tussen houtige biomassa binnen de Cleantech Regio. Landelijk zitten we nu op evenveel vraag als aanbod en beide zullen tot 2050 stijgen waarbij de verwachting is dat er meer vraag komt dan aanbod. Nieuwe initiatieven voor biomassacentrales worden lokaal beoordeeld. Groengas
De overige biomassa zoals GFT-afval, mest en rioolwaterslib kan gebruikt worden voor warmte of groengas. Groengas is geen energiebron maar een energiedrager. Groengas heeft dezelfde samenstelling en kwaliteit als aardgas en kan daarom in het aardgasnet worden geïnjecteerd. Het kan ook in piekketels worden verbrand om warmte te produceren voor warmtenetten. Het demissionair kabinet Rutte (2021) ziet groengas als sluitstuk in de energietransitie en streeft naar een doelmatige en hoogwaardige inzet van groengas (Routekaart Groen Gas). Tussen nu en 2050 zal een grote vraag ontstaan naar groengas en biomassa vanuit de chemische industrie (als grondstof) en voor de mobiliteitssector, waardoor de beschikbaarheid voor gebouwenverwarming afneemt. De toepassing van groengas in de gebouwde omgeving van de regio kan alleen haalbaar worden als er sterk ondersteunend (nationaal) beleid komt voor groengas én als innovatieve vergassingstechnieken doorbreken. De aanvragen voor de productie van biogas wordt lokaal afgewogen. In verschillende projecten worden de mogelijkheden voor de opwekking van biogas uit mest onderzocht. In enkele projecten wordt het biogas toegepast in de industrie. Neveneffect van de mestvergisting is een forse beperking van de broeikasgasemissies uit de stallen.
Bijlage
3
Schema betrokkenen RES
Dit schema betreft een weergave van de betrokken stakeholders van concept RES naar RES 1.0 gekoppeld gecombineerd met het doel en de ingezette middelen.
55
Stakeholders
Trede participatie regionaal Doelstelling betrekken/ informeren regionaal
Volksvertegenwoordigers
Meeweten in de Concept RES
Doel: Democratische besluitvorming Beslissen/meebepalen in de RES 1.0 Colleges van B&W, colleges van Dijkgraaf en Heemraden, Gedeputeerde Staten, Dagelijks Bestuur CTR
Meebepalen
Doel: besluiten voorbereiden.
Stuurgroep RES en ambtelijke voorbereiding ∂ Portefeuillehouders RO en Duurzaamheid namens colleges van B&W gemeente Apeldoorn, Brummen, Epe, Heerde, Zutphen, Lochem, Voorst ∂ Portefeuillehouders Duurzaamheid en RO namens Gedeputeerde Staten provincie Gelderland ∂ Heemraad Waterschap Vallei en Veluwe/ Waterschap Rijn en IJssel ∂ Adviseur netbeheer Liander ∂ Adviseur Strategische Board
Meebepalen
Voorbereiden besluitvorming colleges en volksvertegenwoordigers. Adviseren, organisatorische besluiten nemen, bovenregionale bestuurlijke afstemming, Gezamenlijk ambassadeurschap.
Figuur 16: Betrokkenen RES
Informeren ∂ Website ∂ Nieuwsbrief ∂ Regionale raadsbijeenkomsten/ thema bijeenkomsten ∂ Contacten met griffiers ∂ Raadsvergaderingen
Onderzoeksresultaten en voorbereide adviezen managen; ∂ Bijeenkomsten Stuurgroep RES ∂ Contacten beleidsambtenaren∂ Omgevingsmanager RES ∂ Coördinatiegroep RES/ Werkgroep Communicatie/ Werkgroep Warmte. ∂ Interne werkateliers.
Strategische Board/ themalijn energietransitie Meebepalen
Informeren/meeweten: elke geïnteresseerde moet op een toegankelijke manier relevante informatie kunnen vinden of ontvangen Consulteren /meedenken: er is veel gebiedskennis en ervaring als het gaat om ruimtelijke inpassing en energietransitie, ook zijn er andere ontwikkelingen die invloed kunnen hebben de RES die op deze manier wordt betrokken Meewerken: een kleinere groep bereidt de verschillende bijeenkomsten voor en maakt de verschillende documenten Beslissen/meebepalen: de RES is een document waar uiteindelijk door democratisch gekozen vertegenwoordigers over wordt besloten
Doel: informeren over thema’s en informeren over proces RES.
Middel regionaal
Doel: verbindingen leggen, adviseren, elkaar geïnformeerd houden, kennis en innovaties stimuleren.
Informeren/ betrekken Via medewerkers board in cogro, board leden in Stuurgroep.
Inwonersbelangenverenigingen
Meedenken
Doel: lokaal en regionaal proces duiden en informeren .
Informeren: ∂ Website ∂ Webinars inwonersbelangenverenigingen ∂ Stimuleren van jongerenparticipatie.
Inwoners en niet regionaal georganiseerde maatschappelijke partners
Meedenken
Doel: De lokale participatieprocessen faciliteren waar wenselijk en mogelijk.
Informeren ∂ Website ∂ Digitale participatie
Regionale Maatschappelijk Georganiseerde stakeholders In de basis achterbannen Regionale Stakeholdertafel RES NMG, Saxion, VNO NCW, LTO, JONG RES, Gelders Genootschap, samenwerkende energiecoöperaties, samenwerkende woningcoöperaties, Rabobank Specifieke belangengroepen op basis van thema ateliers
Meedenken
Meedenken (coproduceren met de regio)
Betrekken/ informeren; ∂ Ontwerpateliers ∂ Regionale Stakeholdertafel (adviseren bestuurlijke tafel) ∂ Stimuleren en faciliteren van jongerenparticipatie ∂ Stakeholdergesprekken
Bovenregionale overheidspartners Oa. provincies, NP RES en Rijkswaterstaat
Meeweten/ meedenken
Allen: meedenken in ontwerp van de RES. Expertise inzetten ten behoeve van te maken afwegingen. Regionale Stakeholdertafel: afvaardiging voor gezamenlijk advies aan de Stuurgroep. Informeren en afstemmen over de RESsen (gezamenlijke kansen en knelpunten)
Informeren/ betrekken ∂ Provinciale overleggen ∂ Stakeholdergesprekken ∂ Deelname aan gebiedsateliers ∂ Afstemming NPRES ∂ Bestuurlijke afstemming en lobby.
Bijlage
4
Figuur 17: Participatiemodel
Participatie
Verkennen
Vormen
Aanpassen
Lokaal
Verkennen
Verkennen
Doelstellingen participatie RES Cleantech Regio
56
Door belanghebbenden te laten participeren, streven we vier doelen na: Door partners te betrekken, te informeren en te consulteren zetten we in op bewustwording, uitbreiding van de bestaande kennis en waar mogelijk op acceptatie; Door de RES te vormen met input van een breed samengestelde groep met diverse meningen en expertisen, vindt een eerste weging voor het draagvlak van het algemeen belang plaats. Dit komt ten goede komt aan de kwaliteit van de besluitvorming; Door de dialoog komen de kansen en knelpunten voor de energietransitie in beeld, dit brengt scherpte aan in de RES; Stimulering van eigenaarschap.
Vormen
Aanpassen
Uitvoeren
Regionaal
Gebiedsniveau Doel participatie:
Uitvoeren
Vaststellen
Op verschillende schaalniveaus zijn verschillende vormen van participatie nodig en wenselijk. Hier zit een zekere volgordelijkheid in (van grof naar fijn). Interactie tussen de verschillende schaalniveaus is nodig vanwege goede afstemming. Interactie is wenselijk omdat kennis op elk schaalniveau een ander schaalniveau kan aanscherpen. In zekere zin kan hierin sprake zijn van een cyclus, zowel binnen een schaalniveau als op het geheel. Ervaring in het project (zonneweide realiseren) kan bijvoorbeeld leiden tot nieuwe inzichten voor beleid (herijking van een zonnekader) maar ook over locatie of inpassingsafspraken vanuit landschapsperspectief (RES). Op elk schaalniveau zijn ook verschillende fasen te herkennen. Het begint altijd met een ambitie, een idee of opdracht waarna een verkenning start die op basis van input via informele procesparticipatie verder wordt gevormd met anderen. Na de vormende fase start de formele besluitvormingsfase waarin op regionaal en lokaal niveau volksvertegenwoordigers het resultaat vaststellen.
Uitvoeren
Doelen & beleid:
Vaststellen
• Voorwaarden • Locaties • Randvoorwaarden financiële en lokaal eigenaarschap
Participatie: verschillende schaalniveaus
Eerst volgt een korte uitleg over de verschillende schaalniveaus in participatie en hoe deze niveaus zich tot elkaar verhouden. Dit is nodig om te begrijpen op welk schaalniveau de participatie in de RES plaatsvindt.
Vormen
Aanpassen
Vaststellen
Doel participatie: Ambitie, strategie & afspraken: • Zoekgebieden • Ruimtelijke principes • Belang financiële en lokaal eigenaarschap • Procesafspraken
• Informeel bij ontwikkelingen via bijeenkomsten e.d. • Formeel bij besluitvorming door volksvertegenwoordiging RES 1.0 • Formeel bij een plan-MER
• Overheden • Maatschappelijke partijen met regionale belangen
• Informeel bij ontwikkelingen via bijeenkomsten ed • Formeel bij besluitvorming beleid door volksvertegenwoordiging • Formeel bij een plan-MER
Projectontwikkeling:
Wie:
Karakter participatie:
• Business case • Uitvoering geven aan voorwaarden
• Informeel • Formeel bij een project-MER
• Gemeenten • Maatschappelijke partijen lokaal en regionaal • Inwoners
Karakter participatie:
Wie:
Doel participatie:
Karakter participatie:
Wie: • Initiatiefnemer • Bevoegd gezag • Direct belanghebbenden
proc
e s p a r ti c i p a ti
e proje c
t p a rticip a
tie
Gemeenten betrekken lokale stakeholders en individuele belanghebbenden
Als vertrekpunt voor het participatieproces geldt het beginsel dat gemeenten verantwoordelijk blijven voor het betrekken van lokale stakeholders en individuele belanghebbenden bij hun omgevingsbeleid. In de Startnotitie RES is dit als uitgangspunt vastgelegd. Het gaat hierbij om de omgevingsvisie, het omgevingsplan en de lokale klimaat-en energieprogramma’s. Datzelfde geldt voor de in 2021 vast te tellen gemeentelijke transitie-visie warmte. De RES als strategie belandt in de lokale omgevingsvisies. In het schema aan het eind van deze bijlage is meer informatie te vinden over de participatie op het lokale schaalniveau. RES: het regionale schaalniveau
57
De RES gaat alleen over het regionale schaalniveau. Het gaat immers over de gezamenlijke ambitie en strategie van de regio. Hierbij kijken we gebieds- en gemeenteoverstijgend naar ons landschap en naar andere regionale opgaven. De participatie en de vormgeving van de strategie op regionaal niveau is onlosmakelijk verbonden met het lokale proces. En het heeft , zoals elk schaalniveau, zijn eigen focus en aanpak. In paragraaf 5.2 beschrijven wij hoe wij participatie op het regionale schaalniveau hebben vormgegeven. Energiecoorperaties en buurtinitiatieven denken op gebiedsniveau
De samenwerkende energie coöperaties hebben ervaring met het realiseren van projecten op gebiedsniveau. Op dit schaalniveau van hebben zij gekeken op welke locaties zijn mogelijkheden zien voor grootschalige opwek. En zij hebben gekeken naar wat daar beleidsmatig voor nodig is. Een beschrijving hiervan geven zij vorm gegeven in een zogenaamd coöperatief bod. In enkele buurtschappen ontstaan initiatieven om zelf het gesprek in het gebied aan te gaan. Energietransitie en behoud of herstel van landschap zijn hierbij belangrijke gespreksonderwerpen. Zo kent het het Larense Broek en omgeving haar eigen BuurtEnergieStrategie.
extra input verrijkt en kunnen betrokkenen meedenken en praten. Het doel is om een beter resultaat te bereiken en tegelijkertijd de acceptatie van de RES te vergroten. In het afwegingskader van de RES is draagvlak – het vergroten van de acceptatie één van de bouwstenen in de bestuurlijke afweging, naast netcapaciteit, het gebruik van de ruimte en de kwantiteit van de elekriciteitsopwek. De procesparticipatie van de RES 1.0 gaat over de volgende onderdelen: Zoekgebieden & Ruimtelijke principes: via ruimtelijke ateliers wordt met maatschappelijke partijen met gebiedskennis onderzocht naar waar wind en grootschalige zonopstellingen mogelijk zijn, welke waarden belangrijk zijn en hoe deze geborgd kunnen worden in de RES en de verdere uitwerking. Belang financieel en lokaal eigenaarschap: bij een grote opgave zoals de energietransitie is het belangrijk dat de lusten en lasten ervan worden gedeeld op een wijze die past bij het gebied. Dit is bij uitstek maatwerk maar gedeelde uitgangspunten passen wel op dit schaalniveau. Denk hierbij aan uitgangspunten over mede-eigenaarschap, financiële deelneming, omgevingsfonds of omwonendenregeling. Hierbij hoort ook een nadere uitwerking van 50% lokaal eigenaarschap. Procesafspraken: het is van belang dat betrokken kunnen nagaan hoe besluiten tot stand komen en op welke wijze en welk moment zij kunnen deelnemen aan het proces.
De RES geeft hierin inzicht. Daarnaast kunnen (andere) processen op elkaar worden afgestemd als die behoefte of meerwaarde er is. Naar aanleiding van de reacties op de Concept RES is de communicatie geïntensiveerd (nieuwsbrieven, uitgebreide terugkoppeling via website) en is de stakeholdertafel in het leven geroepen.
De strategie zoals die verwoord is in deze RES is het resultaat van een langdurig proces dat doorloopt tot 2030 en daarna. Hieronder wordt aangegeven hoe op regionale schaal invulling wordt gegeven aan participatie.
De deelnemers bestaan uit maatschappelijke organisaties, belangengroepen en professionele partijen. Bij de regionale ateliers zijn dit bijvoorbeeld landbouworganisaties en natuurorganisaties, en bij lokale ateliers bijvoorbeeld vertegenwoordigers van dorpsraden, energie coöperaties en lokale ondernemers. Daarnaast worden thema ateliers georganiseerd die een extra verdiepingsslag maken op bepaalde onderwerpen. Uitkomsten hiervan worden weer meegenomen in de ruimtelijke ateliers.
Door participatie in het RES-proces wordt de omgeving inhoudelijk betrokken bij het ontwikkelen van de ambitie en strategie. Hierdoor wordt bestaande kennis met deze
De RES kent een beperkte doorlooptijd. Daarnaast is de opgave om duurzame energie ruimtelijk in te passen met maatschappelijk draagvlak complex. Hoe kom je tot een
Schaalniveau regionaal
kwalitatief goed resultaat en organiseer je in beperkte tijd betrokkenheid? We hebben gewerkt aan het vormgeven van een gedegen ruimtelijke strategie. Waar zijn we mee bezig, waar werken we naartoe en welke mogelijkheden zien wij voor het realiseren van duurzame energie in de regio? Dit verhaal geven we vorm in de ateliers met maatschappelijke organisaties, belangengroepen en professionele partijen. Met dit verhaal gaan we in gesprek met de inwoners van de regio. Dit gesprek wordt op lokaal niveau gevoerd. Elke gemeente geeft zelf vorm aan dit gesprek. Inwoners worden zo betrokken op de schaal waar zij het meeste belang hebben; hun directe leefomgeving. Hier zijn mogelijkheden om aan te sluiten bij lopende participatietrajecten van bijvoorbeeld de omgevingsvisie. Uiteindelijk komen de resultaten van de RES terug in de omgevingsvisies. Door deze werkwijze krijgt participatie goed vorm in beide processen. Karakter participatie RES
In algemene zin kan er een onderscheid gemaakt worden tussen informele en formele participatie. Formeel gaat over de wettelijke dan wel beleidsmatige verplichte participatie, denk aan een zienwijzeprocedure of een MER-procedure. Informele participatie is niet verplicht en wordt vormgegeven naar eigen inzicht en behoefte. Visie Cleantech Regio formele participatie
De definitieve (en vastgestelde) RES 1.0 is voor alle betrokken partijen uitgangspunt voor omgevingsinstrumenten zoals omgevingsvisie, omgevingsverordening en omgevingsplan, transitie-visie ‘warmte’ en wijkplannen. De Cleantech Regio kiest ervoor om meer tijd te nemen voor een goede dialoog met de omgeving dan in de landelijke planning is voorzien. Dit is passend bij de complexiteit van de vraagstukken.
De RES is een nieuw instrument. Er zijn nog geen harde richtlijnen voor formele participatie in het kader van de RES. Een belangrijk juridisch kader voor formele participatie is het Verdrag van Aarhus. De inhoud van de RES kan in het licht van dit verdrag gezien worden als beleid, plan of programma (artikel 7 verdrag van Aarhus). Dit geeft een verplichting tot inspraak. Hoe die inspraak moet worden georganiseerd, staat voor de RES niet vast. De Cleantech Regio heeft besloten om de RES 1.0 formeel ter inzage te leggen. Met deze formele inspraak kiezen we voor zorgvuldigheid boven snelheid. Visie Cleantech Regio informele participatie
Informele participatie is voor de RES een belangrijke pijler. Gesprekken over mogelijke plannen voor windmolens of zonneparken leiden in de praktijk vaak tot bezwaren van omwonenden. Door een zorgvuldig en helder proces, inhoudelijk herleidbare keuzes en gezamenlijke afspraken over de lusten en lasten, wordt gestreefd naar een zo groot mogelijke acceptatie.
58
Hiervoor gelden de volgende uitgangspunten: we committeren ons aan samenwerkingsafspraken met partners in de regio; maken procesafspraken met stakeholders over de uitvoering van de RES, en benutten waar mogelijk (duurzame) ‘meekoppelkansen’, en als vertrekpunt hanteren we bestaand beleid en bestaande plannen van de bestuurlijke partners. Voor verschillende belanghebbenden geldt een gedifferentieerde benadering op basis van een stakeholdersanalyse. Bovenregionale, regionale en lokale partijen worden op verschillende wijzen betrokken in het regionale participatieproces.