Ontwerp RES 1.0 (2021-23523)
Tekst van het document
24 Figuur 7: Mogelijkheden voor wind in RES 1.0
Ruimtelijke verkenning wind
Met clustering van wind houden we zichtlijnen zoveel mogelijk in tact. Op basis van de zorgvuldige landschapsanalyse is op macroschaal de regio in een grotere context geplaatst. Hierdoor zien we een leidend principe ontstaan: de stuwwallen en de Hanzesteden als poortwachters. In deze benadering is het principe om de verschillende windclusters op voldoende afstand (minimaal 5 km.) van elkaar te plaatsen. Zo voorkomen we op regionale en bovenregionale schaal versnippering en bewaken we de grotere zichtlijnen. Naast de ruimtelijke invalshoek zijn de posities van de windclusters ook gekozen op basis van efficiëntie van het energienetwerk. De clusters zijn gelegen nabij hoofdstations van het netwerk. De clusters hebben ieder een eigen karakter en meekoppelkansen, afhankelijk van de lokale omstandigheden.
25
Er zijn drie typologieën voor clusters.
Industriecluster:
Nabij hoofdstation energienetwerk Koppeling vraag en aanbod bij bedrijven Kansen voor opslag Koppeling met warmte / conversie bijvoorbeeld bij RWZI Gebiedstransformatie in de vorm van HUBS Kansen voor combinaties met grootschalig zon
Landschapsontwikkelingcluster
Nabij hoofdstation energienetwerk Ontwikkelen van nieuwe landschappen en nieuwe natuur Aansluiten op gebiedsontwikkelingen, oa bij stadsranden Kansen voor combinaties met grootschalig zon
Agrarisch cluster
Nabij hoofdstation energienetwerk Benutten ruimte in agrarisch gebied Agrariërs komen samen tot ontwikkelpotentie Agrariërs maken een sociale verdeling van grondvergoedingen Geen combinaties met grootschalig zon
Ecologische verkenning
Onze regio wordt gekenmerkt door een bijzonder landschap dat op veel plekken ook een grote ecologische waarde heeft. In deze gebieden zijn windclusters vanwege natuurbescherming niet wenselijk. Het gaat dan om N2000 gebieden, rust- en fourageergebieden van winterganzen, weidevogelgebieden, het Gelders Natuur Netwerk en groenontwikkelzones. Twee gebieden springen hierbij in het oog, namelijk de Veluwe en het IJsselgebied. Daarom is hier specifiek ecologisch onderzoek gedaan. Veluwe
26
Op de Veluwe is de wespendief de meest bepalende soort. Voor deze soort geldt in het Natura2000-gebied Veluwe een Europese instandhoudingsdoelstelling. Als het leefgebied van de wespendief voldoende beschermd is, profiteren andere soorten daar ook van. Uit het onderzoek, gebaseerd op modellen en geen veldonderzoek, blijkt dat windmolens in een straal van 8 km rond de Veluwe een negatief effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van de wespendief. Met de andere aan de Veluwe grenzende regio’s is afgesproken dat vervolgonderzoek nodig is. In dit vervolgonderzoek worden de precieze consequenties in beeld gebracht. Ook wordt onderzocht wat wel mogelijk is (energetische ruimte). Onder meer wordt het leefgebied preciezer in beeld gebracht via een veldonderzoek. Parallel hieraan wordt onderzocht welke mitigerende maatregelen, zoals bijvoorbeeld stilstand, kunnen werken. En hoe eventuele negatieve effecten daarvan op de business case kunnen worden opgelost. De Veluwe beperkt zich niet tot onze regio. Daarom wordt ook een bovenregionaal afwegingskader met de provincie en andere Veluwse RES-regio’s ontwikkeld zodat de energetische ruimte voor wind op de Veluwe optimaal kan worden benut.
In afwachting van deze vervolgonderzoeken kunnen we in deze RES 1.0 geen ruimtelijke onderbouwing geven voor locaties en aantallen windmolens in een straal van 8km rondom de Veluwe. Dit raakt de beoogde clusters op de stuwwal van de Veluwe en het heeft consequenties voor ons bod. Meer over het onderzoek staat hier. IJsselvallei
Het ecologische bureauonderzoek naar de IJsselvallei heeft inzicht gegeven in kansrijkheid van gebieden langs de IJssel voor wind en zon. Ook in dit gebied is de wespendief van belang net als de fourageergebieden voor ganzen en gebieden voor weidevogels. Meer over het onderzoek staat hier. Ontwikkelagenda wind
De mogelijkheid voor windclusters op de Veluwe stuwwal is afhankelijk van het vervolgonderzoek op de Veluwe en de bovenregionale afspraken over de verdeling van schaarste. Voor de windmolens van Lochem is een lokaal proces van beleidsvorming en participatie ingericht. Vanuit de ruimtelijke verkenning leidt dit tot de volgende ontwikkelagenda: Veluweflankclusters: - uitvoeren ecologische vervolgonderzoeken, het veld onderzoek heeft een doorlooptijd van minimaal 2 jaar; - onderzoek mogelijkheden ontwikkelen ‘value case’ in plaats van business case; - ontwikkelen van bovenregionaal afwegingskader met andere Veluwse RES-regio’s. Andere clusters: - Uitwerking lokale omgevingsvisies (veelal afronding in 2021) en beleidskaders (inclusief eventuele normenkader). Ten behoeve van vergunningverlening is nader effectonderzoek noodzakelijk.
Figuur 8: Ecologische verkenningen
3.3 Zon: de zonneladder als vertrekpunt
In de Concept RES hebben we op basis van landschappelijke kenmerken een uitspraak gedaan over de potentie voor zon in de regio. In deze RES hebben we hiervoor samen met stakeholders een strategie ontwikkeld. De zonneladder is het uitgangspunt. De regionale zonneladder heeft 4
Met deze strategie kan zon een meerwaarde voor het gebied opleveren en versnippering voorkomen. We vragen om investeringen in landschappelijke waarden. Uit de (lokale) situatie kunnen echter altijd andere of nieuwe relevante argumenten naar voren komen. De strategie is dus geen verplichting. Het is een instrument waar we op regionale schaal leidende principes formuleren. En die op lokale schaal worden vertaald naar beleid dat lokaal passend is.
treden, namelijk ja graag, ja-mits, nee-tenzij en nee. De landschapstypes worden op deze treden ‘gezet’. Daarbij geven we aan onder welke voorwaarden grootschalig zon op
27
land de gewenste motor voor gebiedsontwikkeling kan zijn. Verdere uitwerking van de strategie en het toe passen op het
Zonneladder naar landschapstype
Ieder landschapstype is ingedeeld op een trede in de zonneladder en afgestemd op de ruimtelijke en ecologische karakteristiek en de lokale gebiedsopgave in dat landschap. Dit draagt bij aan een leesbare ordening. Hieronder wordt per trede de strategie toegelicht. Gemakshalve worden de treden ja-mits en nee-tenzij samengevat in Zon op land.
Nooit of uitgesloten
gebied levert meer inzicht in mogelijke omvang en locaties. De zonneladder is bedoeld als voorkeursvolgorde. Door bijvoorbeeld bij vergunningverlening voorrang te geven aan projecten die voldoen aan ja in plaats van nee-tenzij. Dus naarmate het een landschapstype minder de voorkeur heeft, moet aan meer voorwaarden worden voldaan. Het is niet bedoeld als een voorwaardelijke volgorde; dus niet eerst alle ja mogelijkheden voordat je naar ja-mits gaat. De urgentie van de energietransitie vraagt om inzet op alle treden.
3
De ontwikkelagenda wordt ook gebaseerd door andere hoofdstukken, zoals verdere uitwerkingen voor participatie en lokaal eigendom. Hier gaat het om het ruimtelijk spoor.
JA-GRAAG Altijd medewerking verlenen aan deze ontwikkelingen, met inachtneming van de lokale situatie. Zon op dak Rijksinfrastructuur (langs geluidswal, in bermen en incourante zones, gelieerd aan de weg) Bedrijventerreinen Stortplaatsen Zandwinlocatie Clusters met zonne-energie of wind- en zonne-energie
Nee, tenzij Ja, mits
Altijd, ‘No Regret’
JA-MITS Medewerking verlenen aan ontwikkelingen in deze gebieden als ze een substantieel waardevolle bijdrage leveren aan doelstellingen op het vlak van bodem, biodiversiteit, klimaatbestendig landschap of gezonde groene omgevingen rondom stedelijke gebieden en circulaire economie, met inachtneming van de lokale situatie. Groenontwikkelzones Transitiegebieden landbouw Klimaatlandschappen Nieuwe en uit te breiden bestaande landgoederen
28
Figuur 9: Gebieden zon ja-mits
NEE-TENZIJ Lage prioriteit geven aan deze locaties voor grootschalige monofunctionele velden op agrarische grond om zo voedselproductie te beschermen en perspectief voor landbouw te behouden. Tenzij het als onderdeel van integrale gebiedsontwikkeling is, bijvoorbeeld bij aantoonbaar incourante kavels of aan randen van ja-mits gebieden en een substantieel waardevolle bijdrage aan doelstellingen op het vlak van bodem, biodiversiteit, klimaatbestendig landschap of rondom stedelijke gebieden en circulaire economie kan worden geleverd, met inachtneming van de lokale situatie. Grootschalige Landbouwgebieden Verbrede beekdalen - noodzakelijk voor klimaatdoelstellingen en biodiversiteit Enken (cultuurhistorische enken en / of enken als klimaatlandschap – spons vanwege de waardevolle bodem) Bestaande landgoederen
29
Figuur 10: Gebieden zon nee-tenzij
NEE Geen medewerking aan initiatieven en aanvragen op deze locaties, met inachtneming van de lokale situatie. Wettelijke uitsluitingen Natura 2000 gebieden Weidevogelgebieden Rust en fourageergebieden ganzen Voorgestelde uitsluitingen Gelders Natuurnetwerk Beekdalen, Cultuurhistorische ensembles Nabij beschermde dorps en stadsgezichten Rivier , uiterwaarden en dijken Complex begrensde particuliere historische buitenplaatsen
30
Figuur 11: Gebieden zon nee
31
Trede Ja-graag
Strategie Grootschalig Zon op Dak
Ja-graag gaat over de onderste trede van de zonneladder. Opstellingen van zon zijn hier doorgaans altijd een goed idee. Deze locaties leveren nagenoeg geen weerstand op maar kennen wel elk hun eigen beperkingen en belemmeringen die realisatie niet vergemakkelijken. Hierbij maken we een onderscheid in:
We kiezen voor een ambitieuze inzet van zon op dak. We willen 33% van het dakpotentieel gebruiken en daarmee een jaarlijkse groei van 35% realiseren. Dit levert in 2030 0,46 TWh op, boven op de al gerealiseerde zon op dak. Dit is een stevige ambitie, omdat de groei sneller gaat dan Liander kan aansluiten. Deze ambitie is daarom onlosmakelijk verbonden met inzet op innovaties voor opslag en smart grids. Dat sluit ook goed aan bij het innovatieve karakter van de Cleantech Regio en de reeds bestaande regiodeal. We kunnen het echter als regio niet alleen. Om de ambitie te realiseren moet er ook landelijk ingezet worden op innovatie en opslagmogelijkheden. Het is dan ook onze opdracht om opslag nog nadrukkelijker landelijk te agenderen.
Kleinschalig zon op dak: dit zijn daken kleiner dan 15 kWp (ca. 50 zonnepanelen). Deze zijn van belang voor de energietransitie. Het Klimaatakkoord rekent dit onder autonome groei van 7 TWh. We tellen ze dus niet mee voor de RES. Grootschalig zon op dak: grootschalige opstellingen die in de praktijk alleen voorkomen bij bedrijven, instellingen of agrariërs. De strategie voor ja-graag gaat met name hierom. No-regret locaties: deze voorkeurslocaties zijn bijvoorbeeld langs infrastructuur, op stortplaatsen en zandwinlocaties en solar carports. Gemeenten en initiatiefnemers werken aan kleinschalig zon op dak en no-regret locaties. Grootschalig zon op dak is onderdeel van deze RES 1.0.
We gaan onze ambitie realiseren door een programmatische aanpak met concrete acties. Zo brengen we focus aan. En kunnen we inschatten waar in de regio de versnelling van zon op dak gaat plaatsvinden. Dat helpt de netbeheerder het net hierop voor te bereiden. In deze aanpak is een belangrijke rol weggelegd voor de overheid als samenwerkingspartner. Het vraagt om een stimulerende inzet om zon op dak te realiseren. De markt kan dit niet alleen omdat het niet eenvoudig te realiseren is. Alleen al vanwege de grote hoeveelheid verschillende eigenaren, die zelf beslissen of ze panelen plaatsen. Daarnaast zijn er ook diverse belemmeringen, zoals een dakconstructie die niet toereikend is voor extra gewicht van de panelen, sterke stijging van de verzekeringspremie en hoge kosten voor het verzwaren van de netaansluiting. In de programmatische aanpak zien we vier doelgroepen: Bedrijven. Op bedrijventerreinen zijn veel potentiële daken voor het plaatsen van zonnepanelen. Ondernemers maken zelf de keuze om hun daken van panelen te voorzien. Om te versnellen worden collectieve stimuleringsprogramma’s
4
en -instrumenten ontwikkeld door gemeenten samen met ondernemersverenigingen, bedrijven en lokale stakeholders. Hier heeft de overheid een stimulerende en faciliterende rol. In de programmatische aanpak willen we onderzoeken hoe bedrijventerreinen zich gaan ontwikkelen het komende decennium. Die inzichten brengen focus aan in de aanpak en dat helpt de netbeheerder. Dit doen we onder meer samen met VNO-NCW, Liander en verbinden we het met de regiodeal. En waar mogelijk sluiten we aan bij industriële windclusters om zo hub-vorming te realiseren. Agrariërs. Daken van agrariërs hebben vaak een groot oppervlak en een gunstige ligging voor zon. Door de locatie is teruglevering aan het net vaak lastig. Als het volledige dak benut wordt, betekent dat vaak hoge kosten voor verzwaring van de netaansluiting. Ook ligt het soms ver van de openbare weg, waardoor kosten nog meer stijgen. De komende periode wordt samen met LTO verkend hoe deze daken zo efficiënt mogelijk benut kunnen worden. Woningbouw. Woningbouwcorporaties beschikken vooral over kleinschalige daken en hebben een voorkeur voor individuele aansluitingen. Voor het verduurzamen van hun woningvoorraad hebben zij eigen programma’s en doelstellingen. Het bezit van de corporaties telt niet mee voor het bod in de RES. Wel vindt er periodiek afstemming plaats met de corporaties.
Gemeenten nemen zon op dak mee in de jaarlijkse prestatieafspraken. Maatschappelijk vastgoed en no-regretlocaties. De gemeenten geven het goede voorbeeld en voorzien hun eigen vastgoed zoveel mogelijk van zonnepanelen. Diverse regelingen kunnen (kleine) gemeenten hierbij ondersteunen. Maatschappelijk vastgoed is breder, denk aan scholen en zorginstellingen. Hiervoor worden diverse stimuleringsprogramma’s ontwikkeld, zoals de Green Deal Zorg en de samenwerking van gemeente en onderwijskoepels voor het plaatsen van zonnepanelen op daken van scholen.
Bij het omrekenen van zonnepanelen naar hectares spelen verschillende factoren mee. Een belangrijke is het vermogen van een zonnepaneel. Door innovaties wordt dat steeds efficiënter. In deze RES baseren we ons, net als in de Concept RES, op het rekenmodel van de provincie (ETM) zodat het vergelijkbaar is.
Tredes Zon op land Zon op land gaat over de middelste treden (ja-mits, nee-tenzij), waar dus onder voorwaarden zonneparken gerealiseerd kunnen worden. We kiezen nu voor een kleiner aandeel voor zon op land dan in de Concept RES omdat we ambitieus inzetten op grootschalig zon op dak. In de Concept RES zetten we in op 0,78 TWh waarvan in deze RES 0,46 TWh door grootschalig zon op dak gerealiseerd gaat worden. Op land realiseren we nog 0,32 TWh waarvan al 0,23 TWh is vergund. Door het aandeel grootschalig zon op dak is ca. 300 ha minder land nodig voor zonnevelden. Apeldoorn heeft op basis van eigen ambitie een opgave voor 250 ha zon op land tot 2030, naast zon op dak. Hiervan is ruim 90 ha al gerealiseerd of in planning. Het gaat dus voor de Apeldoornse bijdrage aan nieuwe zonneparkinitiatieven tot 2030 om ca. 160 ha, oftewel 0,13 TWh bovenop de genoemde 0,32 TWh. Daarmee komt het totaal voor zon op land op 0,45 TWh. Zoals eerder aangegeven is in het proces onvoldoende tijd geweest om de strategie toe te passen op de regio als geheel. Dat wil zeggen dat we nog niet hebben onderzocht hoeveel ruimte voor zon op land mogelijk en wenselijk is. Daarom is het bod gebaseerd op de potentie van zon op land van de Concept RES. We verwachten dat nadere uitwerking van deze strategie leidt tot meer mogelijkheden dan volgens dit bod nodig zou zijn.
De genoemde opwek van 0,45 TWh beschouwen we als minimale inzet. Het betekent dus niet dat gemeenten die meer willen en kunnen doen, daarin door deze RES worden belemmerd. Sterker nog, deze strategie helpt juist om die
ontwikkelingen van meerwaarde voor het landschap te laten zijn. En daarmee te kunnen voldoen aan ambities op het gebied van energie- of klimaatneutraliteit. Van belang is ook de notie dat het realisatie van zon op dak zijn uitdagingen heeft. Meer tijd helpt om hier oplossingen voor te vinden. Zon op land kan op die manier een overbrugging zijn naar de tijd dat zon op dak voor veel dakeigenaren de standaard is. Strategie Zon op land
32
Ook voor zon op land is clustering het uitgangspunt. In de ateliers is expliciet aangegeven dat meer regionale regie op zonnevelden wenselijk is om versnippering te voorkomen. En tot sterkere landschappelijke inbedding en ontwikkeling te komen. Er is daarom een voorkeur voor enkele grote velden ten opzichte van veel kleine velden. Vanuit het landschap is dit een voor de hand liggende redenering en het biedt verschillende extra voordelen. Een groot veld wordt een (financiële) motor voor een gebiedsontwikkeling en creëert daarmee meerwaarde. Het is dan een stapeling van gelden en stakeholders. Door gerichte gebiedsontwikkeling is acceptatie en lokaal eigendom beter te organiseren. Ook het aansluiten op het net is beter te realiseren. En het creëert duidelijkheid naar initiatiefnemers over kansrijkheid voor hun zonproject. Tegelijkertijd moeten velden die ontstaan vanuit een lokaal
initiatief of proces, vaak kleiner van omvang zijn, ook mogelijk zijn. Deze verschillende velden moeten bij voorkeur aan dezelfde, geharmoniseerde spelregels voldoen als het gaat om inpassing. Hiervoor zijn regionale uitgangspunten en aanbevelingen per landschapstype geformuleerd die nog verder uitgewerkt moeten worden in de ontwikkelagenda.
ontwikkelingen en grondeigendom (uitnodigingsplanologie) resulteren mogelijk in locaties die niet of minder wenselijk zijn. Verder zijn veel kleinere velden moeilijker inpasbaar op het energienetwerk dan een paar grote velden. Het vinden van balans in deze aandachtspunten vraagt om verdere uitwerking in de ontwikkelagenda.
- Beveiliging: bij voorkeur heggen en sloten i.p.v. beveiliging met een hekwerk • Hekwerk doordringbaar voor klein zoogdieren, amfibieën en reptielen. • Hekwerk ondoordringbaar voor grote predatoren • Geen bewaking met honden
Regionale uitgangspunten: Gemeenten nemen samen als regio regie op de wijze waarop het zonnepark wordt gerealiseerd. Dit doen we door voorwaarden te formuleren zodat zon kan bijdragen aan gebiedstransformatie (landschapsbouw door absolute meerwaarde te creëren) en goede inpassing. Op regionale schaal zijn voorkeurslocaties (ja en jamits) geïdentificeerd voor enkele grotere zonnevelden. Tegelijkertijd kan elke gemeente (enkele, bij voorkeur kleinere) velden ontwikkelen volgend uit lokale processen. De regionale aanbevelingen helpen om de zonnevelden van meerwaarde voor de omgeving te laten zijn en versnippering te voorkomen.
Hieronder zijn hiervoor enkele aanbevelingen op verschillende schaalniveaus aangegeven: Regionaal op landschapstypeniveau: de Veluweflank, het Kampenlandschap en nieuwe landgoederen zijn geschikte landschapstypen voor zonneparken (ja-mits). Dit vraagt nog wel om verdere uitwerking van gebiedsspecifieke voorwaarden afgestemd op ruimtelijke en ecologische karakteristieken en de gebiedsopgave waarmee wordt gekoppeld. Regionaal en lokaal op landschapsniveau: door afspraken over maatwerkinpassingen op hoofdlijnen wordt de leesbaarheid van het landschap bevorderd. Ook voorkomt het ‘shoppen’ door ontwikkelaars tussen gemeenten. Voorbeelden van afspraken zijn: maak gebruik van een netto/bruto verhouding bij inpassing; een goede landschappelijke en ecologische inpassing vraagt 30 tot 50% meer ruimte. En stem de inpassing af op het type landschap, bijvoorbeeld houtwallen in kleinschalige halfopen landschappen en water en rietoevers in open landschappen. Lokaal op kavelniveau: afspraken waaraan alle zonneparken aan moeten voldoen. Deze algemene regels zorgen dat het land en de biodiversiteit in ieder geval niet slechter wordt door de zonneparken.
Denk aan afspraken over ecologische inrichting van zonneparken, waaronder: - Biodiversiteit van het gebied moet toenemen met aanleg van zonnepark - Bodem: behoud en verbetering bodemstructuur is uitgangspunt - Beheer: beheer de vegetatie extensief
Tot slot zijn ook enkele algemene aanbevelingen geformuleerd: Vergunningverlening en extra beperkingen op kavelniveau vanuit eigen gemeentelijke beleidskader Participatie meenemen als toetsingscriteria (lokaal eigendom, zie hoofdstuk 6) Ingrediënten van landschappelijke inpassing Opruimplicht na afschrijving
Aanbevelingen: Het realiseren van zonnevelden passend in deze ruimtelijke strategie vraagt om aandacht op een aantal punten. De typering van de landschappen is nu op regionale schaal uitgevoerd en grenzen zijn moeilijk op kaart te zetten. Ze zijn gebaseerd op het bestaande beleid en zijn niet op alle punten eensluidend. Daarnaast is er een wens om velden zoveel mogelijk in lokaal eigendom te ontwikkelen. Dat draagt bij aan acceptatie, opbrengsten blijven in het gebied en het voorkomt initiatieven van grote (buitenlandse) investeerders, zie ook hoofdstuk 6. Maar lokale, sociale of economische
Ontwikkelagenda Zon
De zonneladder biedt een goede basis om het principe het landschap is leidend verder uit te werken. Voor de treden ja-graag, ja-mits en nee-tenzij is een heldere strategie geformuleerd. Wel is er nog huiswerk te doen voordat velden worden gerealiseerd zoals bedoeld in deze strategie. Aandacht voor en stimuleren van opslagmogelijkheden en innovaties en landelijk de noodzaak ervan agenderen. Ja-graag - Ontwikkelen programmatische aanpak zon op dak met partners. Ja-mits en nee-tenzij - Uitwerking optimale omvang en de verhouding regionale/ lokale zonnevelden; - Uitwerken van aanbevelingen naar regionale en (geharmoniseerde) lokale spelregels ten behoeve van lokaal beleid.
3.4 Het elektriciteitsnetwerk Liander is een belangrijke partner in het ontwikkelen van de RES. Hun aanbevelingen naar aanleiding van de Concept RES en de handreiking zijn het vertrekpunt voor deze RES 1.0.
33
Specifiek gaat om stationscapaciteit en het systeemefficiënt benutten van het net. Dit verbetert door: Verhouding zon/wind optimaliseren en combinatie van zon en wind op een station of locatie; Slim benutten locatie en grootte van ontwikkelingen irt aansluitpunt: rekening houden met vrije stationscapaciteit; Slim benutten van de velden: cablepooling zon en wind of meerdere kleine zonneparken, maar ook gebruik maken van grote aansluitingen; Ontwikkelingen duurzame opwek af te stemmen met naastgelegen regio´s. Netimpactanalyse
Het RES-bod heeft invloed op de energie-infrastructuur. Liander laat die invloed zien aan de hand van knelpunten op het huidige net. De netbeheerder geeft aan welke investering, ruimte en planning nodig zijn om die knelpunten weg te nemen. Het bod bestaat uit 560 MW aan zonneweides, 42 MW aan windmolens en 510 MW aan grootschalige zon op dak. Het bod past niet op de huidige stationscapaciteit, de aan te sluiten opwek veroorzaakt op alle HS/MS-stations knelpunten. Er zijn meerdere oplossingsrichtingen mogelijk. Op veel stations kan redundantie, als het ware de reservecapaciteit van het station, worden benut. De mogelijkheden moeten verder worden onderzocht. Daarin kijken we ook of het een toekomstbestendige oplossing is. Op stations Lochem en
Zutphen sluit de benodigde capaciteit aan bij de beoogde uitbreidingen voor 2030. Het beoogde nieuw te bouwen station bij Apeldoorn Zuid beperkt, bij een slimme planning, knelpunten op stations Apeldoorn, Woudhuis en Eerbeek. In de doorrekening leest u meer over de kosten van het wegnemen van knelpunten. Het grote aandeel zon betekent dat op zonnige dagen grote hoeveelheden energie moeten worden verwerkt op de onderstations. Liander heeft in 2020 een convenant gesloten met zonontwikkelaars om grootschalige zonprojecten aan te sluiten op 70% van de piekcapaciteit. Hierdoor ontstaat meer ruimte voor zonnestroom en kunnen duurzame energieprojecten sneller op het elektriciteitsnet worden aangesloten.
onderdeel uit van de informatie die gebruikt wordt door Liander om de netimpact te bepalen. Dat betekent dat, mocht over enkele jaren (meer) wind op de Veluwe toch mogelijk blijken te zijn, het netwerk mogelijk niet toereikend is.
overzien. Om piekbelasting in het net te voorkomen moet actief worden ingezet op opslag. Liander neemt graag deel in het programmatisch ontwikkelen van zon op dak. Een gezamenlijke uitvoeringsstrategie zorgt ervoor dat de benodigde uitbreidingen op het net integraal en gebiedsgericht worden opgepakt.
In de doorrekening wordt de belasting op stationsniveau en op het net in hoofdlijnen in beeld gebracht. De regio is ambitieuzer wat betreft zon op dak dan passend is in de scenario’s van Liander. Dat betekent dat Liander een deel kan aansluiten, maar dat is niet helemaal te
Een uitgebreide toelichting op de consequenties van het bod is uitgewerkt in de impactanalyse, die vindt u hier.
Figuur 13: Knelpunten netimpactanalyse RES 1.0 Bron: Liander
Capaciteitsknelpunten 2030 op basis van RES-doorrekening
Door in de Cleantech Regio actief in te zetten op het realiseren van opslag bij zonontwikkelingen (zonnevelden en zon op dak) kunnen netinvesteringen en dus maatschappelijke kosten beperkt worden. Liander kan daar (wettelijk gezien) geen rol in spelen. Het betrekkelijk kleine aandeel van wind is ongunstig voor de belasting van het net. Op de stations Zutphen en Lochem worden naast zonneweides ook windontwikkelingen aangesloten. Er liggen kansen om door te combineren op één kabel en aansluiting de systeemefficiëntie te vergroten. De windontwikkeling op de Veluwe is nog niet te koppelen aan één of meer stations. Ook hier geldt dat combineren met zon of (grote) vraag interessant is. Door de onzekerheid van de Veluwe-windmolens in het bod, kan slechts een indicatieve doorrekening worden gemaakt van de toekomstige windbelasting. Wind maakt dan ook beperkt
Hattem
Vaassen
Zuidbroek Apeldoorn
Woudhuis Lochem Zutphen Borculo Eerbeek
Geen capaciteit beschikbaar tot 2030
Oplossingsrichting capaciteitsknelpunten: Redundantie verlaten
>75 MVA beschikbaar tot 2030
Stationsuitbreiding
3.5 Wat doen we al? De regio zit niet stil in afwachting van de RES. Op verschillende plekken is al grootschalige
Hernieuwbare elektriciteitsopwekking in de Cleantech regio, 2015-2019 Hernieuwbare elektriciteitsopwekking in de Cleantech regio, 2015-2019 0,05 TWh gaan opwekken. Ook zijn al veel daken in de Cleantech Regio belegd met zonnepanelen. Bij elkaar leveren zijn nu ook bijna 0,05 TWh.
opwek gerealiseerd of is dat in voorbereiding.
100 100 80 80 60 60 Gigawattuur Gigawattuur(GWh) (GWh)
In de grafieken ziet u de totale productie in GWh van alle opstellingen samen, dus wind, zon op land en zon op dak. Hierin is geen onderscheid gemaakt tussen klein- en grootschalig dak omdat dit onderscheid alleen van belang is voor het RES-bod. In de grafiek eronder is de groei van zon op dak in opgesteld vermogen (kW) zichtbaar. Hier wordt zowel kleinals grootschalig getoond. Het laat zien dat beide exponentieel zijn toegenomen de afgelopen jaren.
In de regio staat ook al zon op land-opstellingen. Bij elkaar beslaan zij nu ruim 250 ha en wekken 0,23 TWh op. En zijn voornamelijk op landbouwgrond en enkele stortplaatsen gerealiseerd. Nieuwe velden zijn in voorbereiding, dat gaat om bijna 60 ha die
40 40 20 20 0 0 2015 2015
2016 2016
2017 2017
2018 2019 2018 2019 Bron: De Klimaatmonitor (2021) Bron: De Klimaatmonitor (2021)
Geregistreerd vermogen zonne-energie Cleantech Regio Geregistreerd vermogen zonne-energie Cleantech Regio Vermogen geregistreerde zonnepanelen woningen Vermogen geregistreerde zonnepanelen woningen Vermogen geregistreerde zonnepanelen niet woningen Vermogen geregistreerde zonnepanelen niet woningen
140 140 120 120 100 100 80 80 60 60
5
De opwek is weergegeven in gigawattuur (GWh) omwille van de leesbaarheid. (1000 GWh staat gelijk aan 1 TWh).
6
De grafiek is gebaseerd op beschikbare data uit de Klimaatmonitor.
Megawatt Megawatt(MW) (MW)
34
In dit hoofdstuk leest u de stand van zaken. Op het industrieterrein de Mars van Zutphen staan op dit moment de 3 windmolens die de RES Cleantech rijk is. Daarnaast loopt er nu een zaak bij de Raad van State over nog eens 3 windmolens. Een uitspraak hierover wordt in het voorjaar van 2021 verwacht. Dit heeft betrekking op een uitspraak over de noodzaak om milieu-effectonderzoek te doen naar de algemene milieunormen die voor windmolens en windparken gelden.
Hernieuwbare elektriciteit zon Hernieuwbare elektriciteit zon Hernieuwbare elektriciteit wind Hernieuwbare elektriciteit wind
120 120
40 40 20 20 0 0 2014 2014
2015 2015
2016 2016
2017 2017
2018 2019 2018 2019 Bron: Klimaatmonitor / CBS Bron: Klimaatmonitor / CBS
4
Regionale Structuur Warmte (RSW) Binnen de Cleantech Regio is het doel dat 155.000 woningen en 23.000 gebouwen van het aardgas af zijn in 2050. In dit hoofdstuk brengen we het bovengemeentelijk aanbod van en de vraag naar
35
duurzame warmte in beeld. En ook identificeren we bovengemeentelijke ontwikkelkansen. Het gaat om de bovengemeentelijke warmtevraag, -warmtebronnen en -warmte-infrastructuur. Er is sprake van een bovengemeentelijk belang bij een warmtepotentie groter dan 1500 woningequivalenten (weq.). De RSW helpt lokaal (gemeentelijk) opgestelde Transitievisies Warmte op elkaar af te stemmen.
Regionale Energiestrategie (RES)
4.1 Relatie lokale (TVW) en regionale plannen (RSW) De transitie naar een aardgasvrije gebouwde omgeving wordt de warmtetransitie genoemd. De gemeenten regisseren deze lokale warmtetransitie. In het Klimaatakkoord is afgesproken dat gemeenten daarvoor uiterlijk in 2021 een Transitievisie Warmte (TVW) vaststellen. Daarin geven ze aan hoe ze tot 2050 de transitie wijk voor wijk uitvoeren en met welke wijken wordt gestart. In de TVW staan ook de nu denkbare alternatieven voor aardgas. De lokale en regionale plannen beïnvloeden elkaar. In de RSW kijken we of op lokaal niveau gebruik gemaakt kan en gaat worden van de bronnen die bovengemeentelijke potentie hebben of buiten de eigen gemeenten liggen. Afstemming en eventuele afspraken met omliggende gemeenten voorkomt dat één bron ten onrechte meerdere malen in lokale TVW’s wordt opgenomen.
Figuur 13: Relatie tussen de RES, de TVW en de wijkuitvoeringsplannen. Bron: Over Morgen
Regio Warmtevraag, aanbod (bronnen) en afweging
Onzekerheid neemt af met de tijd
Elektriciteitsvraag voor verwarmen, ruimtelijke impact opwek en infra
Regionale Structuur Warmte (RSW)
Warmtevraag en lokale afwegingen
ee Gem nte Tijdspad en wijken en voorkeuroplossing per wijk
Aanbod en toedeling regionale warmtebronnen
Warmtebronnen en -oplossingen
Transitievisie Warmte (TVW)
Lessen planvorming en uitvoering
jk (gebied) i W
Keuze eerste aardgasvrije wijk(en)
Uitvoering(splan) en besluit wijkinfrastructuur
Wijkuitvoeringsplan aardgasvrij
Kennis neemt toe met de tijd
4.2 Warmtevraag en hernieuwbare warmtebronnen
De regionale warmte vraag in 2030 (peiljaar 2020) is 9.179 TJ/jaar. Voor de RSW is een warmtebronnenanalyse gemaakt. In deze kaart staat de warmtevraag en het warmteaanbod. De warmtevraag is van woningen, utiliteiten en bedrijven. Zware industrie is geen onderdeel van de warmtevraag. De industrie valt buiten de scope van de RSW en de TVW. Industrie is wel opgenomen als restwarmteaanbod. Ook is de huidige warmte-infrastructuur in beeld gebracht. In onze regio is nu alleen in Apeldoorn een warmtenet in gebruik. In Lochem is een klein warmtenet, dat deels gevoed wordt door bodemwarmte.
36
Figuur 14 is gebaseerd op enkele veronderstellingen en uitgangspunten: Verwachte warmtevraag in 2030 (na besparing vanwege isolatieactiviteiten, uitbreiding woningbouw, harde plancapaciteit5); Als er een geconcentreerde warmtevraag is dan is een warmtenet kansrijk; Technisch mogelijke warmtebronnen; Warmtebron is regionaal interessant wanneer de bron gekoppeld kan worden aan een warmtevraag van 1500 woonequivalenten. Kaarten van vraag en aanbod van warmte zijn te zien in de webviewer ‘Gelderland Warmteatlas’. De data over vraag en aanbod zijn gebaseerd op huidige informatie en inzichten (peiljaar 2020). De kaarten laten zien dat er vooral in de stedelijke kernen in onze regio mogelijkheden voor warmtenetten zijn. Deze warmtenetten worden in de meeste gevallen gevoed door lokale warmtebronnen. In het overige deel van de regio is de dichtheid van de warmtevraag te laag. Deze lage warmtevraagdichtheid resulteert naar alle waarschijnlijkheid in individuele oplossingen en/of kleine collectieve oplossingen. Deze conclusies trekken we op basis van de huidige stand van de techniek. In de kaarten is geen aandacht besteed aan de potentie voor biogas. In de agrarische gebieden kan dit wel een optie zijn. 5
Regionale Woonagenda Cleantech Regio (16 december 2020) is niet verwerkt in bovenstaande kaart. Gemeenten CTR gaan 5000 extra woningen bouwen. Dit heeft invloed op de warmtevraag.
Figuur 14: lokale en bovenlokale warmtebronnen in de Cleantech Regio
4.3 Beschikbare bovengemeentelijke warmtebronnen
Binnen de Cleantech RES Regio hebben we weinig hernieuwbare bovengemeentelijke warmtebronnen. Er zijn twee bovengemeentelijke bronnen die tegelijkertijd ook bovenregionale bronnen zijn. Er kan vanuit meerdere RES-en aanspraak op worden gemaakt. Hiervoor is afstemming met de andere RES-
In de afvalwaterleidingen van FrieslandCampina in Borculo (gemeente Berkelland en regio Achterhoek) en Lochem) is veel restwarmte beschikbaar. Deze leiding wordt beheerd door het Waterschap Rijn en IJssel en eindigt bij de zuiveringsinstallatie in Zutphen. Er loopt een apart traject met de gemeentes Berkelland (RES regio Achterhoek), Lochem en Zutphen, FrieslandCampina en Waterschap Rijn en IJssel.
regio’s en de betreffende gemeente(n) nodig.
IJssel en Apeldoorns Kanaal
In bijlage 2 is een overzicht opgenomen van de verschillende
De IJssel en het Apeldoorns Kanaal hebben bovengemeentelijke potentie voor TEO (thermische energie oppervlaktewater). Deze bronnen worden onderzocht op mogelijkheden voor warmtelevering aan de gemeenten binnen de Cleantech Regio.
duurzame warmtebronnen en de visie van de Cleantech Regio
37
Gemeente Lochem en Berkelland (Borculo)
hierop.
Gemeente Brummen en Apeldoorn
De papierfabrieken in Eerbeek en Loenen bieden kansen voor restwarmte voor de gemeenten Brummen en Apeldoorn. Binnen het programma Eerbeek-Loenen-2030 hebben gemeenten Brummen, Apeldoorn, woningbouwvereniging en Provincie Gelderland geld gereserveerd voor een businesscase doorrekening. De papierfabrieken van Eerbeek en Loenen liggen dicht bij Laag-Soeren en, iets verder weg, Dieren. Beide kernen liggen in de RES-regio Arnhem/ Nijmegen. Gemeente Lochem en Deventer (Oxe)
Deventer is onderdeel van de Cleantech Regio, maar valt in de RES-regio West-Overijssel. In Oxe (Deventer) hebben enkele boeren de handen ineen geslagen om een mestvergistingsproject op te starten. Dit project start met 5 melkveehouderijen, samen goed voor 1.000.000 m3 biogas. De mogelijkheid bestaat dat in een later stadium boeren uit Lochem aansluiten.
4.4 Afwegingskader
4.5 Infrastructuur voor warmte
4.6 Haalbaarheidscans
provincie Gelderland
Binnen de provincie Gelderland is gewerkt aan een afwegingskader voor bovengemeentelijke warmtebronnen. Dit kader dient ook als basis
De warmtetransitie heeft ook voor netbeheerders grote
RHDHV heeft diverse haalbaarheidsstudies (quickscans) uitgevoerd
voor figuur 2. Als er een bron interessant is voor meerdere gemeenten,
gevolgen. Elektrificatie zorgt voor een grotere belasting van
binnen provincie Gelderland. Het gaat dan vooral om de technische en
helpen deze afwegingscriteria bij het benutten ervan.
het elektriciteitsnet. Ook worden gas- en warmtenetten anders
financiële haalbaarheid van alternatieve warmtesystemen. Vanuit onze
ingericht in de toekomst.
regio is aangegeven dat er behoefte is aan studies naar de haalbaarheid
Binnen de provincie Gelderland zijn de volgende criteria afgesproken: Is de warmtebron duurzaam? Is de warmtebron beschikbaar? Is de warmtebron betaalbaar?
38
In deze 3 kerncriteria komen onder andere CO2-emissie, afstanden, temperatuur en dekkingsgraad terug. Uitgangspunt is dat deze drie criteria even zwaar meetellen, maar hier kan lokaal van afgeweken worden. Iedere stakeholder heeft hierin andere belangen en waarden. De één streeft naar maximale CO2 reductie, de ander wil maatschappelijke meerwaarde en weer een ander vindt lokaal eigendom belangrijk. Dit afwegingskader werken voor de Cleantech Regio verder uit richting RES 2.0. Vooruitlopend hierop is het project ‘Benutting restwarmte FrieslandCampina’ door de warmte-eigenaar (Waterschap Rijn en IJssel) en de drie aanliggende gemeentes een eigen afwegingskader vastgesteld om de hoogste maatschappelijke waarde van de warmtebenutting te bepalen.
van warmtenetten in Zutphen (Noordveen), Heerde (lage temperatuur Warmtenetten
We verwachten dat voor een groot deel van de Cleantech RES Regio individuele warmteoplossingen vanzelfsprekend zijn. Maar in meerdere gemeenten zien we kansen voor lokale warmtenetten. De ontwikkeling van een lokaal warmtenet wordt afgewogen in de lokale Transitievisie Warmte. De regio werkt richting RES 2.0 haar rol inzake warmtenetten verder uit. Ze onderzoekt daarbij of het wenselijk is sturingsinstrumenten te ontwikkelen rondom eigenaarschap, toegang en dimensionering van warmtenetten in het kader van de Warmtewet. Ook kan zij een rol vervullen als kennisplatform voor de gemeenten in de regio. Elektrificatie en het elektriciteitsnet
Waar mogelijk zet Liander haar gasnetten in voor een alternatieve warmtebron. En bouwen we in de regio het gebruik van aardgas op een slimme manier af. De netbeheerders zetten de gasnetten graag in voor een alternatieve warmtebron, zoals groengas (biogas met aardgaskwaliteit). Ook als gekozen wordt voor een collectieve warmteoplossing, neemt de elektriciteitsvraag toe. Dat komt onder andere door de overgang naar koken op inductie en benodigde installaties. Een voorbeeld hiervan is een collectieve warmtepomp bij de toepassing van een lagetemperatuurwarmtebron. De consequenties van de warmtetransitie voor de elektriciteitsvraag zijn nog niet helder binnen de Cleantech Regio, omdat nog niet alle Transitievisies Warmte gereed zijn. In de doorrekening van de netimpact is de warmtetransitie meegenomen op basis van prognoses van Liander. In de RES 2.0 brengen we de consequenties verder in beeld.
via TEO/TEA), Epe, Vaassen, Apeldoorn (wijk De Maten) en Voorst (kassengebieden). Met uitzondering van de quickscan voor Zutphen zijn geen van de onderzoeken gericht op bovenregionale bronnen. Bij de quickscan voor Zutphen is sprake van meerdere bronnen voor het warmtenet waarbij lokale en regionale bronnen elkaar aanvullen. De uitgevoerde quickscans zijn onderling moeilijk te vergelijken aangezien veel factoren meespelen bij de bepaling van de kansrijkheid. In de studie wordt geconcludeerd dat voor de collectieve warmtesystemen, waarvoor een quickscan is gedaan, slechts in een enkel geval sprake is van financieel rendabele projecten. Een rendabel systeem kan daarbij nog steeds duurder zijn dan de huidige situatie. Met name het onderzochte geothermie project komt financieel zeer ongunstig uit. Er is nog aanvullend onderzoek nodig. Ook de veranderende wet- en regelgeving (Warmtewet 2 in voorbereiding) en de toekomstige prijzen (van technieken maar ook van aardgas) zijn van grote invloed op de kansrijkheid van een warmtevoorziening.
4.7 Wat doen we al?
Hernieuwbare warmteopwekking in de Cleantech regio, 2015-2019
In de grafiek hiernaast ziet u hoeveel warmte door welke hernieuwbare wamtebronnen in de regio worden geleverd. Deze eenheden zijn in TJ omdat dit aansluit bij de warmtetransitie.
900 800
4.8 Organisatiestructuur
600
De gemeenten die onderdeel uitmaken van de Cleantech Regio zijn georganiseerd in een regionale werkgroep Warmte & Energietransitie. De netbeheerder (Liander), het Waterschap (Waterschap Vallei en Veluwe), de Provincie Gelderland en de uitvoeringsorganisatie van de Cleantech Regio nemen regelmatig deel aan de werkgroepvergaderingen. Op deze wijze vindt optimale afstemming plaats tussen de verschillende organisaties. De werkgroep komt circa 10 keer per jaar samen om de lokale, regionale en bovenregionale ontwikkelingen te bespreken, op elkaar af te stemmen en kennis te delen.
500 400 300 200 Terajoule (TJ)
39
700
100 0 2015
2016
2017
2018
2019
Bron: De Klimaatmonitor (2021) Hernieuwbare warmte biogas Hernieuwbare warmte biomassa Hernieuwbare warmte kleinschalig (houtkachels en houtskool) Hernieuwbare warmte WKO-systemen
5
Proces participatie In de Cleantech Regio werken ondernemers, overheden en onderwijs- en onderzoeksinstellingen al lang intensief samen aan een energie-neutrale en duurzame economie en samenleving. Er zijn
40
verschillende netwerken waarin partners elkaar op deze terreinen ontmoeten en hun voornemens en plannen op elkaar afstemmen.
Maatschappelijke partners, ondernemers en inwonersvertegenwoordigers hebben geparticipeerd in het RES proces; ieder op hun eigen schaalniveau en op meer of minder intensieve manier. In dit hoofdstuk wordt toegelicht hoe wij invulling hebben gegeven aan participatie. In bijlage 4 kunt u lezen over onze kijk op participatie.
De RES is een gezamenlijke strategie waaraan gemeenten, waterschappen en de provincie zich committeren. Deze strategie leggen zij ter vaststelling voor aan hun volksvertegenwoordigers. De gezamenlijke ambitie van de RES partners wordt uitgewerkt in de eigen omgevingsinstrumenten van gemeenten, waterschappen en provincie, zodat de strategie gerealiseerd kan worden. Vanzelfsprekend blijft regionale afstemming nodig
vanwege de impact op het landschap, het optimale benutten van het netwerk en onderzoeksvragen die gemeentegrensoverschrijdend zijn. Het is van belang hierbij maatschappelijke partners en het bedrijfsleven te betrekken. Het realiseren van deze opgave komt immers maar ten dele voor de rekening van de overheid. De belangen van inwoners hebben een plek in de integrale afweging; duurzame opwek heeft
impact op de directe leefomgeving van de inwoners in onze regio. Een speciale positie in dit opzicht is weggelegd voor de energiecoöperaties in de regio. De verschillende lokale coöperaties hebben zich verenigd en werken nauw samen met de RES werkorganisatie. Hun focus ligt op het realiseren van duurzame opwek en met hun ervaringen strategie en beleid aan te vullen.
5.1 Wie zijn betrokken? De deelnemers bestaan uit maatschappelijke
landbouworganisaties en natuurorganisaties, en bij
met ambtenaren worden voorbereid. In deze rol co-produceren en adviseren regionale stakeholders met ambtenaren en kunnen wij hen raadplegen bij vraagstukken. De stuurgroep betrekt het advies van de stakeholdertafel bij hun afwegingen en maakt inzichtelijk aan de stakeholders wat er met hun advies wordt gedaan.
lokale ateliers bijvoorbeeld vertegenwoordigers van
Jongeren
dorpsraden, energie coöperaties en lokale ondernemers.
In het overleg over de RES met overheden en maatschappelijk organisaties komt het jongerengeluid nauwelijks voor. Je hoort jongeren vaak weinig in de discussie over duurzaamheid, terwijl het vooral over hún toekomst gaat. Ze hebben wel degelijk een visie, maar die komt pas boven tafel als ze op de juiste manier worden benaderd. Sinds juni 2020 zijn RES Cleantech Regio, JONGRES Nederland, Natuur en Milieu Gelderland en Spectrum gezamenlijk bezig om jongerenparticipatie (16-26jr) op het thema energietransitie te stimuleren.
organisaties, belangengroepen en professionele partijen. Bij de regionale ateliers zijn dit bijvoorbeeld
Daarnaast zijn thema ateliers georganiseerd die een extra verdiepingsslag maken op bepaalde onderwerpen. De uitkomsten hiervan zijn meegenomen in de ruimtelijke
41
ateliers.
Participatie in de Concept RES heeft veel waardevolle inhoudelijke reacties opgeleverd. Deze reacties hebben wij verwerkt in de RES 1.0. De reacties en de verwerking ervan staanbeschreven in paragraaf 2.2. Lokale betrokkenheid
We hebben afgesproken dat op het regionale niveau de regionale stakeholders worden betrokken. Gemeenten betrekken de lokale organisaties en inwoners. Dit doen zij op een manier die past bij hun lokale situatie. Een voorbeeld hiervan is het betrekken van de RES bij gesprekken over de omgevingsvisie. Stakeholdertafel
Naast de gesprekken in ateliers hebben we in de fase naar de RES 1.0 een stakeholdertafel samengesteld. Het voornaamste doel is dat aan deze tafel maatschappelijke partijen meedenken over afwegingen die de stuurgroep gaat maken en die in ateliers en
In de fase van de Concept RES hebben jongeren meegedacht via een digitale enquête; Swipocratie. In de fase van de RES 1.0 is vooral ingezet op regionale activiteiten. Deze zijn gericht op kennis en bewustwording en op community building voor JONG RES Nederland. Naast deze activiteiten is ingezet om een onderzoek “voor jongeren door jongeren”. In samenwerking Saxion Hogescholen hebben zes studenten Klimaat & Management onderzocht hoe jongeren willen en kunnen participeren in de beleidsvorming van de energietransitie. Het meepraten in beleidsprocessen ontstaat vanuit een intrinsieke motivatie. Deze intrinsieke motivatie is vooral van toepassing bij de doelgroep HBO, uitwonend. Het creëren van motivatie om mee te participeren staat in verband met het beschikken over de juiste kennis. Het inzetten op educatie, kennis en bewustwording heeft een positief effect op het uitbreiden van het participatiebereik. Daarnaast
worden de jongeren het liefst geïnformeerd via het onderwijs en praten zij het liefst mee op lokaal niveau over de eigen leefomgeving. Het rapport leest u hier. Een gedetailleerd overzicht van de betrokkenen in de Cleantech Regio en de manier waarop zij betrokken zijn, staat in bijlage 3 Participatie. Op het online RES platform van de Cleantech Regio is een tijdlijn opgenomen waarin achtergrondinformatie en deze input is te vinden in de verslaglegging van de verschillende bijeenkomsten.
Uit het gesprek met jongeren over de te maken afwegingen in de energietransitie tijdens het aterlier RESq Your Future kwam naar voren dat zij het belang van de planeet bij het maken van afwegingen op nummer 1 zetten. Een goede leefomgeving moet daarbij behouden blijven. Zij geven aan “trots” te zijn op een eigen stadsmolen. De jongeren zien een sturende en informatieve rol voor de overheid. Kennis ophalen bij bewoners en hier de keuzes voor het landschap ophalen zou dan de ideale mix zijn. Communicatie moet helder en vindbaar zijn. Een financiële prikkel om draagvlak te creëren vinden zij belangrijk.
5.2 Wat hebben we gedaan tot nu toe? Onderstaande visualisatie laat zien hoe de verschillende belangen een plek hebben gekregen in het participatieproces tot nu toe.
Samenwerken aan een energie neutrale regio Stap voor stap naar een gezamenlijk verhaal: Regionale 42 Energiestrategie Cleantech
Proces stappen
Raden, Staten, AB
Regionaal
Onderweg naar concept RES
Concept RES concreter uitwerken naar RES 1.0
Naar een gedragen besluit
We kiezen er voor om te starten met het vormgeven van een gedegen verhaal. Waar zijn we mee bezig, waar werken we naartoe en welke mogelijkheden zien wij voor het realiseren van duurzame energie en de regio? Het vormgeven doen we samen in verschillende kennis- en werkbijeenkomsten.
Het proces naar de RES 1.0 wordt gezien als een ontwikkelagenda. Dit betekent dat we in kaart brengen wat de stappen zijn tussen waar we nu staan en de realisatie. In diverse atelierrondes bespreken we bouwstenen voor verschillende scenario's. Waarin verschillende aanpakken voor zon worden gecombineerd met de zoekgebieden van wind uit de concept RES en met andere (gebied-)opgaven.
De RES 1.0 wordt voorgelegd aan Raads-, Staten en AB-leden. Tevens hebben alle belanghebbenden de mogelijkheid hun zienswijze kenbaar te maken. Na behandeling van de zienswijzen wordt RES 1.0 vastgesteld door de Raad-, Staten en AB-leden.
Startnotitie RES
Start atelier Concept RES
Maatschappelijke partijen en ondernemers
Stakeholdertafel (vertegenwoordiging regionaal georganiseerde maatschappelijke partners)
Inwoners
Lokaal
Figuur 15: Procesverantwoording
Regionale bijeenkomst
Concept RES
Ateliers • Regionale en lokale ateliers • Grootgrondbezitters • Bedrijventerreinen
Inwoners hebben in georganiseerd verband deelgenomen aan de ateliers
Themabijeenkomsten • Masterclass financiële participatie • Strategie zon
Regionale bijeenkomst
Start atelier Regionale partners
Atelierweek Thema ateliers • Landbouw • Groen blauwe netwerk • Netwerk & infra • Energie As A1/A50
Regionale stakeholdertafel
Regionale stakeholdertafel
Gastlessen Saxion Beleidsbemiddeling in de energietransitie (jongeren) Onderzoek StadsLAB Saxion Jongerenparticipatie energietransitie
Gemeente informant over proces en haalt meningen op (maatwerk per gemeente). Dit lokale proces vormt de basis. In aanvulling en in afstemming daarop is een regionaal (participatie) proces georganiseerd.
RES 1.0 vastgesteld
Atelierdag Ruimtelijke strategie RES 1.0
Gebiedsateliers Noord, Zuid & Oost
Reactie concept RES
• Inwoners enquête concept RES • Jongeren Atelier RESQ Your Future • Swipocratie Concept RES (jongeren) • Inwoners enquête 2 concept RES
RES 1.0
Formele inspraak Regionale stakeholdertafel
Regionale stakeholdertafel
Informatiebijeenkomsten • Webinars • Inwonersbelangengroepen • Noord, Zuid & Oost
5.3 Op weg naar RES 2.0
43
In de kolom aan de linkerkant staan de verschillende stakeholders. De indeling die daar gekozen is, gaat uit van de verschillende rollen die de betrokkenen hebben. Hóe zij vervolgens in het proces betrokken zijn, staat ook in de visualisatie.
Het belang van de RES wordt voor steeds meer inwoners duidelijk.
Het proces waarlangs Raden, Staten en Algemene Besturen van de betrokken overheden zijn meegenomen is gevisualiseerd in de bovenste rij. Zij hebben een rol als besluitvormers en als vertegenwoordiger van hun inwoners c.q. ingezetenen. Daarmee vormen zij een belangrijke schakel in het participatieproces. Uit het regionale proces krijgen zijn informatie over de participatie op regionale schaal. Deze wordt op lokaal niveau aangevuld met lokale inspraak en bijeenkomsten, om lokaal informatie op te halen. Tot slot komen de volksvertegenwoordigers vanuit het overkoepelend belang tot besluitvorming over de RES 1.0.
Het vormgeven van participatie en communicatie blijft daarom voortdurend een punt van aandacht. De volgende zaken vragen in het vervolg nadrukkelijk aandacht:
Bovenaan het schema staan kort de achtereenvolgende fasen beschreven: Van startnotitie tot en met concept RES, Van Concept RES tot en met totstandkoming van RES 1.0 en De besluitvorming over RES 1.0, mede als opmaat naar RES 2.0 De fase na besluitvorming RES 1.0 is geen onderdeel van deze RES. Het participatieproces gaat dan natuurlijk wel door, onder meer met behulp van de ontwikkelagenda. Als vertrekpunt voor het participatieproces geldt het beginsel dat gemeenten verantwoordelijk blijven voor het betrekken van lokale stakeholders en individuele belanghebbenden. Dit vertrekpunt is in de visualisatie weergegeven als de basis van het participatieproces. Het regionale proces moet dan ook in aanvulling op het lokale proces worden beschouwd vanuit gezamenlijke belangen. De diverse wijzen waarop deze groepen stakeholders zijn betrokken, zijn terug te vinden in de middelste rijen. Daarin worden de faseovergangen tevens gemarkeerd, zodat te zien is in welke fase welke accenten zijn gelegd.
Dit blijkt uit de vele reacties op de Concept RES en uit een toename van de interesse van inwoners in het proces naar de RES 1.0.
Betrekken van specifieke doelgroepen en hoe die inhoudelijk en procesmatig optimaal verbonden kunnen worden aan het proces. Concreet gaat dit onder meer over het bedrijfsleven van de regio. De fases tot nu toe bevatten niet direct aanknopingspunten terwijl ook zij willen meedenken en praten. Zij kunnen immers een substantiële bijdrage leveren. We zijn in het najaar van 2020 gestart met de stakeholdertafel. Het doel is om een regionale vertegenwoordiging van stakeholders te betrekken bij het vormgeven van het proces en inhoud. Vanuit deze positie adviseren zij de stuurgroep waarin zij ook input vanuit het lokale proces meewegen. Samen met de stakeholders gaan we de werkwijze evalueren. De lokale energie coöperaties hebben zich regionaal verenigd. Zij hebben de intentie om een coöperatief bod te doen. Zowel op proces als op inhoud wordt dit verder uitgewerkt na RES 1.0. Het verankeren van lokaal eigendom en financiële participatie is daar onderdeel van. Het organiseren van een jongerennetwerk is een proces waar de tijd en inzet voor nodig is en nodig blijft. Na de RES 1.0 is het doel de participatie van jongeren op lokaal schaalniveau te vergroten en kennisuitwisseling via het onderwijs te faciliteren en te stimuleren.
6
Financiële participatie In dit hoofdstuk beschrijven wij de verschillende mogelijkheden om financiële participatie vorm te geven en geven wij aan hoe gemeenten dit kunnen verwerken in hun lokale beleid.
44
6.1 Lokaal eigendom en financiering Lokaal eigendom betekent dat een lokaal collectief van bewoners en/of bedrijven uit de lokale gemeenschap eigenaar of mede-eigenaar zijn van een zonneveld of windmolen . Als eigenaar ben je (mede) ontwikkelaar en heb je zeggenschap over het project. Zeggenschap over hoe de windmolen of het zonnepark ontwikkeld wordt en waar precies, hoe de (zonneparken) ingepast worden in het landschap en wie welke vergoeding krijgt voor grond of geleden schade. Maar ook zeggenschap over de revenuen van de windmolen of het zonnepark. Het collectief van wijk, buurt, dorp of energiecoöperaties beslist waar de revenuen aan besteed worden. Lokaal eigendom gaat dus ook over het in de lokale gemeenschap houden van de revenuen van de energietransitie in plaats van dat die verdwijnt in de zakken van (vaak in het buitenland verblijvende) investeerders. Financiële participatie gaat over particulieren die investeren in een windmolen of zonnepark individueel op eigen titel en ontvangen daarmee ook individueel en op eigen titel een rendement op die investering. Vaak hebben deze investeerders geen zeggenschap over het project. Het gaat dan om het investeren in het eigen vermogen van een project. Dit bedraagt veelal zo’n 10 tot 20% van de totale kosten (inclusief het ontwikkeltraject). De rest wordt gefinancierd door externe financiers, vaak zijn dat banken.
Dat eigen vermogen creëert de coöperatie door geld op te halen in de gemeenschap: de leden van die coöperatie en inwoners in de regio kunnen dan investeren in het project tegen een aantrekkelijke rente. Dit gebeurt vaak in de fase dat de omgevingsvergunning voor het zonnepark of de windmolen al door de gemeente is verleend. Daarmee is het risico dat de investeerders nemen niet heel groot.
1
De eerste fase van het project, als er plannen worden gemaakt en de benodigde vergunningen worden aangevraagd, is de meest risicovolle fase. Het project kan dan immers nog op allerlei gronden niet doorgaan terwijl er wel al kosten worden gemaakt. Ondersteuning door fondsen van onder andere gemeenten en provincies zijn in deze fase cruciaal om zonneparken en windmolens in lokaal eigendom te kunnen ontwikkelen. Ook landelijk wordt gekeken hoe lokale coöperatieve initiatieven in deze fase kunnen worden ondersteund. Lokaal eigendom & acceptatie
Maatschappelijke acceptatie is belangrijk om de energietransitie te kunnen realiseren. Dit ontstaat voor een belangrijk deel door projectparticipatie. Door lokaal eigendom krijgen mensen zeggenschap en dus invloed; dat draagt bij aan acceptatie. Om die reden is in het Klimaatakkoord afgesproken dat in projecten wordt gestreefd naar minimaal 50% lokaal eigendom. Concreet betekent dat dan de helft aan eigen vermogen uit het lokale wordt opgebracht (vaak 5 – 10% van de totale kosten). Om die reden hebben we in Nederland in het Klimaatakkoord met elkaar afgesproken dat we gelijkwaardig willen samenwerken in de ontwikkeling, bouw en exploitatie van hernieuwbare energie. Door te streven naar minimaal 50% lokaal eigendom geven we lokale gemeenschappen zeggenschap over de energietransitie en houden we de opbrengsten lokaal. En om die reden is het belangrijk dat ook de Cleantech Regio dit streven opneemt in de RES 1.0, inclusief afspraken over de borging van dit streven in beleid en de uitvoering. Op welke wijze we dit in onze regio kunnen realiseren en wat daar bijvoorbeeld beleidsmatig voor nodig is, wordt samen met de samenwerkende lokale energiecoöperaties en andere belanghebbenden uitgewerkt.
Lokaal Eigendom gaat dus over zon op land en wind. Het gaat dus niet over zon op dak. Zon op dak wordt vaak door een particulier gerealiseerd op eigen dak en voor eigen gebruik. Uitzondering hierop vormen de bedrijfsdaken, die soms meer stroom leveren dan alleen voor eigen gebruik. Het verdient aanbeveling om ook dan te kijken of er een vorm van lokaal eigendom te realiseren is, waardoor een groter collectief kan profiteren van de opbrengsten van zo’n zonnedak dan de eigenaar van het dak alleen. Omdat een zonnedak over het algemeen een veel mindere impact heeft op de leefomgeving van mensen dan zonneparken en windmolens, vinden wij het verstandig om hier geen verplichting op te leggen voor een streefpercentage lokaal eigendom.
6.2 De coöperatieve aanpak De energiecoöperaties in de Cleantech Regio nemen graag de verantwoordelijkheid op zich om lokaal eigendom in onze regio op coöperatieve wijze te realiseren. Zij hebben al diverse projecten in de regio in lokaal eigendom gerealiseerd. Daarom hebben zij de intentie om als gezamenlijke energiecoöperaties in de Cleantech Regio een bod uit te brengen voor de opwek van zon op land en wind. Dit bod willen de energiecoöperaties in lokaal eigendom in 2030 gerealiseerd hebben. De coöperatieve aanpak is gericht op het zo vroeg als mogelijk betrekken van omwonenden en hen invloed en zeggenschap geven gedurende het hele traject. De leden beslissen, samen met de omwonenden, over de koers van het project en beslissen waar de revenuen van het project aan besteed worden. Dit geldt voor alle leden, ongeacht of ze individueel geïnvesteerd hebben in het project of niet. Zo hebben ook de mensen met een smallere beurs zeggenschap en invloed.
45
De rol die energiecoöperaties spelen in het realiseren van dat lokale eigendom kan verschillen per project. Soms ontwikkelen zij zonneparken of windmolens in 100% lokaal eigendom. Dat doen zij soms alleen, zoals bij zonnepark Ecofactorij van deA in Apeldoorn. Soms gebeurt dit in samenwerking met buurcoöperaties, zoals in IJsselwind. En soms doen zij dat als gedeeltelijk eigenaar in samenwerking met commerciële partijen, zoals bij Zonnepark Eerbeek (50% eigendom van BrummenEnergie). Maar het kan voorkomen dat het aandeel meer dan 50% eigendom wordt, als het eigendomsaandeel van een coöperatie met lokale landeigenaren bij elkaar opgeteld wordt. Ook ondersteunen energiecoöperaties graag een lokaal collectief van inwoners of bedrijven, zoals het buurtschap Larensebroek in Lochem waar bewoners zelf aan het stuur willen staan om een Buurt Energie Strategie te ontwikkelen. Er zijn dus vele vormen en mogelijkheden. Dit is steeds afhankelijk van het project, de locatie en wat omwonenden willen. Gemene deler is dat de lokale gemeenschap zeggenschap heeft en als collectief volop mee kan doen.
“
De gezamenlijke achterban van de energie coörperaties in de Cleantech Regio zijn 6000 tot 7000 mensen.
”
6.3 Borging van lokaal eigendom in gemeentelijk beleid Elke gemeente draagt de verantwoordelijkheid voor de borging van lokaal eigendom in het lokale duurzaamheids– en ruimtelijkeordeningsbeleid, bij voorkeur voordat de zoekgebieden in die gemeente openbaar worden. Dit is van belang om ook de commerciële initiatiefnemers te binden aan de vereisten op het gebied van lokaal eigendom of participatie. De gemeenten in de Cleantech Regio zijn nu aan zet om lokaal eigendom te borgen in hun duurzaamheids- en ruimtelijkeordeningsbeleid. Hoe ze dat doen is sterk afhankelijk van de rol die ze kiezen en de omvang (en daarmee de impact) van het project.
46
We onderscheiden drie scenario’s als het gaat om lokaal eigendom: Scenario 1: de faciliterende gemeente
In het scenario “de faciliterende gemeente” wordt expliciet de keuze gemaakt om lokaal eigendom te organiseren door het opstellen van helder beleid en ruimtelijke kaders. Per project wordt bekeken of deze voldoet aan het beleid en wordt er waar mogelijk gestuurd op de gewenste uitkomst. Hierbij richt de gemeente zich met name op het sturen op locaties en projecten via ruimtelijk beleid (aansluitend op duurzaamheidsbeleid). De afdwingbaarheid van lokaal eigendom is in dit scenario beperkt.