CConstaterende datVoorst
Koppel je AI →
Document · PDF

Cleantech Regio RES 1.0 (2021-62755)

gemeenteraad 20 december 2021, gemeente VoorstBij agendapunt: Cleantech Regio Regionale Energie Strategie 1.0 (2021-62302)26.921 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Daarna gaan we in op de zonneladder. In het proces is de ruimtelijke uitwerking van de treden ja-mits en nee-tenzij gemaakt. Er was echter onvoldoende tijd om dit toe te passen op de regio. Dat wil zeggen dat we dus nog niet hebben onderzocht hoeveel ruimte voor zon op land mogelijk is. Daarom is het bod gebaseerd op de potentie van zon op land zoals die in de Concept-RES is geformuleerd. Daarop is de potentie van zon op dak in mindering gebracht, zodat minder hectares nodig zijn om zonne-energie op te wekken.

en zich te beraden op vervolgstappen. Deze partijen willen op korte termijn duidelijkheid geven in hoeverre zij wel of niet doorgaan met het windpark, in welke vorm en langs welk proces.

Parallel aan de ruimtelijke verkenning is gewerkt aan de onderste trede van de zonneladder, de ja-graag locaties. Dit gaat grotendeels over grootschalig zon op dak.

+

0,45 TWh zon op land

TWh is terawattuur, een eenheid voor energie.

In deze RES, net als in de Concept-RES, gaan we ervan uit dat 138 windmolens van 3 MW of 1.227 ha zonnevelden nodig zijn om 1 TWh op te wekken. Dat is de omrekenfactor van het Energie Transitie Model (ETM) van de provincie Gelderland. Windmolens worden steeds groter en zonnepanelen worden steeds beter en wekken daarom per exemplaar steeds meer elektriciteit op. Deze omrekenfactor verandert daardoor in de tijd. In april 2020 gaat het ETM standaard rekenen met 5,6 MW turbines. Dat is nog niet meegenomen in deze ruimtelijke verkenningen en netimpactanalyse.

3.2 Wind

24

Juni 2019 - maart 2020

sept 2020 - april 2021

dec 2021

2022 tot juni 2023

Van startnotitie naar Concept-RES

Van Concept-RES naar Ontwerp-RES

Huidige stand: de RES 1.0

Het vervolg: uitvoering RES 1.0 en op weg naar RES 2.0

De Concept-RES was een eerste aanzet tot een strategie waarin

Onderstaande kaart geeft het resultaat weer van de ruimtelijke

Wat is op basis van de laatste inzichten en inspraak op de Ontwerp-

De toekomst is onzeker. We kunnen alleen op basis van nader onderzoek

overheden met maatschappelijke partijen gezamenlijk aangeven

verkenning voor windenergie, om te komen van het eerste concept van

RES de conclusie voor de definitieve RES1.0 als vertrekpunt voor het

een nieuw voorstel doen voor wat betreft omvang en locatie van wind.

hoeveel hernieuwbare energie ze willen realiseren en waar. De Concept-

de RES tot de Ontwerp-RES. Deze kaart laat zien wat de ontwikkelingen

vervolg wat betreft windenergie? Nog duidelijker is geworden dat deze

Hierover wordt op een later moment besloten. Dat is dan ook de inzet

RES was een tussenstap om zicht te krijgen in hoeverre de gezamenlijke

waren tijdens het proces van Concept-RES naar Ontwerp-RES 1.0

beperkte potentie voor wind in 2030 in de regio onzeker is. We willen

van de ontwikkelagenda bij deze RES 1.0. We blijven daarbij streven,

regio’s 35 TWh aan duurzame opwek kunnen realiseren in 2030.

per gebied zoals deze stond benoemd in de Concept-RES. De kaart

vasthouden aan ons bod, maar nader onderzoek is noodzakelijk om

binnen de mogelijkheden die ons worden geboden, naar een zo

En zo ook in de eigen regio een start te maken met een langdurig

is daarmee geen weergave van definitieve zoekgebieden in deze RES

een goede afweging te kunnen maken voor wat betreft het bepalen van

optimaal mogelijke energiemix tussen wind en zon en op basis van de

samenwerkingsproces. In de Concept-RES hebben we ons conceptbod

1.0. In de ruimtelijke verkenning voor de lange termijn zijn op basis van

zoekgebieden, locaties en hun omvang, met voldoende draagvlak. Dit

uitgangspunten zoals geformuleerd in de ruimtelijke strategie voor de

geformuleerd. Met een onderbouwing hoe dit tot stand is gekomen. Op

de Concept-RES in de ateliers windclusters geformuleerd, die: - zijn

zal plaatsvinden rondom 3 grove gebieden. Voor de Veluwe stuwwal is

RES 1.0.

het gebied van wind dachten wij op dat moment een bod van 0,45 TWH

gekoppeld aan het gebied/gebiedsopgaven door ze een eigen karakter

bovenregionaal bestuurlijk afgesproken dat de mogelijkheden voor de

te kunnen realiseren. Dit bod is tot stand gekomen door ruimtelijke

mee te geven; - netwerktechnisch inpasbaar zijn (op termijn); - bij

8-km zone rond de Veluwe nader worden onderzocht (rood gearceerd).

analyses en besproken in verschillende ruimtelijke ateliers. De tien

elkaar voor 2030 een ingeschatte energiepotentie leveren van 0,11

De uitkomst daarvan is onzeker. De aantallen en locaties voor de

zoekgebieden voor wind waren het resultaat van het zoeken naar een

TWh. Echter blijkt eveneens dat de clusters op de Veluwe stuwwal

aan de Veluwe grenzende regio’s, zijn daarmee nu niet voorspelbaar.

balans tussen landschappelijke kwaliteit, meervoudig ruimtegebruik

(groene gebieden) zeer onzeker zijn wat betreft omvang en locatie.

We moeten dus een aanname doen. In 2030 hopen we 5 molens

en koppelkansen, technische belemmeringen, beleidskaders,

Onder andere door nader inzicht in welke gevolgen er zijn om voldoende

gerealiseerd te hebben in deze zone. Aandachtspunt hierbij is dat

netinfrastructuur en maatschappelijke acceptatie. Op weg naar de

bescherming te kunnen garanderen voor beschermde diersoorten

clustering van windmolens ook dan de voorkeur zou moeten hebben.

Ontwerp-RES is gebleken dat dit bod niet gerealiseerd kan worden. In

zoals de Wespendief op en rond het Natura2000 gebied van de Veluwe.

Wat betreft het mogelijkheden voor een cluster op de Veluwe aan

paragraaf 2.2 wordt nader ingegaan op het proces rondom de Concept-

Dit geldt ook voor het Apeldoornse clusters aan de A1 op de Veluwe

de A1 zal de gemeente Apeldoorn een nadere verkenning starten, in

RES

(donkergeel op de kaart). Ook heeft Lokaal onderzoek in Brummen en

afstemming met vervolgonderzoek voor de 8km zone om de Veluwe. Op

Voorst uitgewezen dat clustering van windmolens op dit moment niet

het Lochems grondgebied (gebied in stippellijn) worden ca. 4 molens

mogelijk wordt geacht. Voor de definitieve RES 1.0 zijn deze clusters

(12 MW) als haalbaar ingeschat. Ook hier wordt een clusteraanpak

daarom niet meer benoemd en uitgewerkt als zoekgebied. Van de

voorzien. Tot slot zien we in het gebied ten noorden van Zutphen, waar

overige gele gebieden is geconcludeerd dat de clusters niet goed

al 3 windmolens staan, ook potentie voor extra windmolens.

passen binnen de principes van de ruimtelijke verkenning, ecologisch uitdagend zijn of netwerktechnisch lastig liggen.

Weergave van Concept-RES naar Ontwerp-RES

Nader onderzoek voor mogelijkheden wind in RES 1.0

? nader onderzoek moet inzicht geven in omvang en mogelijkheden wind. Besluitvorming hierover volgt later.

Ruimtelijke verkenning wind

Met clustering van wind houden we zichtlijnen zoveel mogelijk in tact. Op basis van de zorgvuldige landschapsanalyse is op macroschaal de regio in een grotere context geplaatst. Hierdoor zien we een leidend principe ontstaan: de stuwwallen en de Hanzesteden als poortwachters. In deze benadering is het principe om de verschillende windclusters op voldoende afstand (minimaal 5 km.) van elkaar te plaatsen. Zo voorkomen we op regionale en bovenregionale schaal versnippering en bewaken we de grotere zichtlijnen. Naast de ruimtelijke invalshoek zijn de posities van de windclusters ook gekozen op basis van efficiëntie van het energienetwerk. De clusters zijn gelegen nabij hoofdstations van het netwerk. De clusters hebben ieder een eigen karakter en meekoppelkansen, afhankelijk van de lokale omstandigheden.

25

Er zijn drie typologieën voor clusters.

Industriecluster:

Nabij hoofdstation energienetwerk Koppeling vraag en aanbod bij bedrijven Kansen voor opslag Koppeling met warmte / conversie bijvoorbeeld bij RWZI Gebiedstransformatie in de vorm van HUBS Kansen voor combinaties met grootschalig zon

Landschapsontwikkelingcluster

Nabij hoofdstation energienetwerk Ontwikkelen van nieuwe landschappen en nieuwe natuur Aansluiten op gebiedsontwikkelingen, oa bij stadsranden Kansen voor combinaties met grootschalig zon

Agrarisch cluster

Nabij hoofdstation energienetwerk Benutten ruimte in agrarisch gebied Agrariërs komen samen tot ontwikkelpotentie Agrariërs maken een sociale verdeling van grondvergoedingen Geen combinaties met grootschalig zon

Ecologische verkenning

Onze regio wordt gekenmerkt door een bijzonder landschap dat op veel plekken ook een grote ecologische waarde heeft. In deze gebieden zijn windclusters vanwege natuurbescherming niet wenselijk. Het gaat dan om Natura 2000-gebieden , rusten foerageergebieden van winterganzen, weidevogelgebieden, het Gelders Natuur Netwerk en groenontwikkelzones. Twee gebieden springen hierbij in het oog, namelijk de Veluwe en het IJsselgebied. Daarom is hier specifiek ecologisch onderzoek gedaan. Veluwe

26

Op de Veluwe is de wespendief de meest bepalende soort. Voor deze soort geldt in het Natura 2000-gebied Veluwe een Europese instandhoudingsdoelstelling. Als het leefgebied van de wespendief voldoende beschermd is, profiteren andere soorten daar ook van. Uit het onderzoek, gebaseerd op modellen en geen veldonderzoek, blijkt dat windmolens in een straal van 8 km rond de Veluwe een negatief effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van de wespendief. Met de andere aan de Veluwe grenzende regio’s is afgesproken dat vervolgonderzoek nodig is. In dit vervolgonderzoek worden de precieze consequenties in beeld gebracht. Ook wordt onderzocht wat wel mogelijk is (energetische ruimte). Onder meer wordt het leefgebied preciezer in beeld gebracht via een veldonderzoek. Parallel hieraan wordt onderzocht welke mitigerende maatregelen, zoals bijvoorbeeld stilstand, kunnen werken. En hoe eventuele negatieve effecten daarvan op de business case kunnen worden opgelost. De Veluwe beperkt zich niet tot onze regio. Daarom wordt ook een bovenregionaal afwegingskader met de provincie en andere Veluwse RESregio’s ontwikkeld zodat de energetische ruimte voor wind op de Veluwe optimaal kan worden benut.

In afwachting van deze vervolgonderzoeken kunnen we in deze RES 1.0 geen ruimtelijke onderbouwing geven voor locaties en aantallen windmolens in een straal van 8km rondom de Veluwe. Dit raakt de beoogde clusters op de stuwwal van de Veluwe en het heeft consequenties voor ons bod. Meer over het onderzoek staat hier.

komen steeds meer studies bij van goede kwaliteit. De uitkomsten van het literatuuronderzoek zijn goed toepasbaar op grote groepen mensen, en bruikbaar om effecten in de algemene bevolking te schatten. Voor het nauwkeurig schatten van gezondheidseffecten op een specifieke locatie is meer en lokale informatie nodig. Specifiek onderzoek per locatie is dus altijd aanvullend nodig.

IJsselvallei

Het ecologische bureauonderzoek naar de IJsselvallei heeft inzicht gegeven in kansrijkheid van gebieden langs de IJssel voor wind en zon. Ook in dit gebied is de wespendief van belang net als de fourageergebieden voor ganzen en gebieden voor weidevogels. Meer over het onderzoek staat hier.

Windmolens en gezondheidseffecten

Veel mensen hebben vragen over de effecten van windmolens op de gezondheid van mensen. Dit onderwerp krijgt ook internationaal steeds meer aandacht. Er komt steeds meer onderzoek en daarmee betere informatie beschikbaar. In het vervolg van het RES-proces, in de RES 2.0 en verder, nemen we de uitkomsten van deze onderzoeken op. In de RES 1.0 nemen wij een kort overzicht op van de beschikbare informatie en de lopende onderzoeken. Op de website van het RIVM is de meest actuele informatie te vinden over onderzoek naar (geluids)hinder en gezondheidseffecten. Hieronder geven we korte weergave van de kennis van nu. Onderzoek

De wetenschappelijke literatuur tussen 2017 en 2020 over de gezondheidseffecten van het geluid van windturbines zijn geanalyseerd en geëvalueerd. Er is in Nederland nog niet zoveel onderzoek gedaan naar de gezondheidseffecten van windturbinegeluid. Er

Hinder en slaap zijn de meest onderzochte effecten van windturbinegeluid. Sinds een aantal jaren is er meer onderzoek beschikbaar over de effecten op het hartvaatstelsel en de stofwisseling. Uit het overzicht van de wetenschappelijke onderzoeken blijkt dat er een duidelijke relatie bestaat tussen het geluidniveau van windturbines en hinder. Er is geen eenduidig bewijs gevonden voor een relatie met slaapverstoring: met andere woorden de ene studie vindt wel een effect en de andere niet. Voor andere gezondheidseffecten zoals hart- en vaatziekten, stofwisselingsstoornissen, mentale gezondheid en cognitieve effecten is niet voldoende bewijs gevonden. Dit kan betekenen dat er geen relatie is, er nog onvoldoende onderzoek gedaan is, het onderzoek van lage kwaliteit is, of dat er tegenstrijdige resultaten zijn. In lijn met de WHO definitie van gezondheid beschouwen we hinder en slaapverstoring zelf ook als schadelijke gezondheidseffecten. De mate waarin hinder of overlast van windturbines wordt ervaren kan van persoon tot persoon verschillen. Een belangrijke factor die naast geluid bepaalt of mensen hinder ervaren, is of mensen betrokken zijn bij de besluitvorming van de plannen en de gang van zaken rond plaatsing van de turbines. Verder blijken geluidgevoeligheid, de houding ten opzichte van windturbines, visuele aspecten en economisch voordeel een belangrijke rol te spelen.

Figuur 8: Ecologische verkenningen

Vervolgonderzoek

Uitspraak Raad van State windmolenpark Delfzijl n.a.v.

Het RIVM voert momenteel een vragenlijstonderzoek uit naar de manier waarop mensen risico’s waarnemen van hun leefomgeving, hun leefstijl en van infectieziekten. Daarvoor is ook een steekproef getrokken van 3500 adressen in de buurt van windmolenparken. De uitkomsten van dat onderzoek komen naar verwachting in de loop van 2021 beschikbaar.

arrest Nevele

Omdat het aantal windmolenparken in Nederland de komende jaren zal toenemen, kan het daarnaast zinvol zijn om de gezondheidseffecten van geluid te monitoren op landelijk niveau. Op dit moment is het RIVM in gesprek met de betrokken ministeries en de lokale en regionale overheden om te bezien welke onderzoeksvragen er spelen en wat daarvoor de best passende methode zou zijn.

27

Welke aanpak voor een dergelijk onderzoek het meest geschikt is, hangt sterk af van het doel van het onderzoek. Om de gezondheidseffecten op lange termijn van windturbinegeluid te bepalen is een meting bij een enkel windpark niet voldoende. Hiervoor zouden omwonenden rond windparken in Nederland voor langere tijd gevolgd moeten worden. Er bestaat geen regelgeving met betrekking tot laagfrequent geluid in Nederland. In 2021 zal het RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, op verzoek van de ministeries Infrastructuur en Waterstaat , Economische Zaken en Klimaat en Volksgezondheid, Welzijn en Sport, een advies uitbrengen over welk onderzoek op dit gebied wenselijk is.

De Raad van State heeft (in een zaak over de uitbreiding van Windpark Delfzijl Zuid) op 30 juni geoordeeld dat het Europese recht Nederland ertoe dwingt voor de Nederlandse windturbinenormen een milieubeoordeling te maken. Voor deze rijksregels is namelijk niet de juiste procedure gevolgd. De Raad van State heeft hiermee geen oordeel over de normen zelf. Het gevolg van de uitspraak is dat overheden de windturbinenormen in het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer niet mogen gebruiken voor windturbineparken totdat een milieubeoordeling is gemaakt. De regering is nu aan zet om zo’n milieubeoordeling (plan-MER) te maken. De uitspraak heeft géén gevolgen voor 1 of 2 losse windturbines. Daarvoor blijven de rijksregels gelden. De uitspraak betekent ook niet dat er in de tussentijd geen nieuwe besluiten meer kunnen worden genomen over windturbineparken. De gemeenteraad is bij een bestemmingsplan niet verplicht om aan te sluiten bij de windturbinenormen uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling. Hij kan in een bestemmingsplan eigen normen stellen, als deze normen maar goed worden gemotiveerd voor het concrete bestemmingsplan. Bestaande windturbineparken mogen blijven draaien. Onherroepelijke omgevingsvergunningen en bestemmingsplannen blijven geldig.

Zie in dit verband ook de toelichting van de Afdeling op de uitspraak Windturbine-exploitanten moeten nog steeds nadelige gevolgen voor het milieu tot een aanvaardbaar milieubeschermingsniveau beperken. Zij moeten zich houden aan de wettelijke zorgplicht, de omgevingsvergunning en het bestemmingsplan.

Deze uitspraak heeft geen consequenties voor het besluitvormingsproces RES 1.0. De RES is inspanningsverplichting en een niet op rechtsgevolg gerichte beslissing. Meer informatie Ontwikkelagenda wind

De mogelijkheid voor windclusters op de Veluwe stuwwal is afhankelijk van het vervolgonderzoek op de Veluwe en de bovenregionale afspraken over de verdeling van schaarste. Voor de windmolens van Lochem is een lokaal proces van beleidsvorming en participatie ingericht. Gezien de uitspraak van de Raad van State is de uitvoering van dit proces uitgesteld. Vanuit de ruimtelijke verkenning leidt dit tot de volgende ontwikkelagenda: Veluweflankclusters: - uitvoeren ecologische vervolgonderzoeken, het veld onderzoek heeft een doorlooptijd van minimaal 2 jaar; - onderzoek mogelijkheden ontwikkelen ‘value case’ in plaats van business case; - ontwikkelen van bovenregionaal afwegingskader met andere Veluwse RES-regio’s. Andere clusters: - Uitwerking lokale omgevingsvisies (veelal afronding in 2021) en beleidskaders (inclusief eventuele normenkader). Ten behoeve van vergunningverlening is nader effectonderzoek noodzakelijk.

3.3 Zon: de zonneladder als vertrekpunt

In de Concept-RES hebben we op basis van landschappelijke kenmerken een uitspraak gedaan over de potentie voor zon in de regio. In deze RES hebben we hiervoor samen met stakeholders een strategie ontwikkeld. De zonneladder is het uitgangspunt. De regionale zonneladder heeft 4 treden, namelijk ja graag, ja-mits, nee-tenzij en nee. Op basis van de landschapsanalyse, zoals toegelicht in het hoofdstuk

28

De urgentie van de energietransitie vraagt om inzet op alle treden. Met deze strategie kan zon een meerwaarde voor het gebied opleveren en versnippering voorkomen. We vragen om investeringen in landschappelijke waarden. Uit de (lokale) situatie kunnen echter altijd andere of nieuwe relevante argumenten naar voren komen. De strategie is dus geen verplichting. Het is een instrument waar we op regionale schaal leidende principes formuleren. En die op lokale schaal worden vertaald naar beleid dat lokaal passend is.

‘Ons landschap’ (blz 8, 9 en bijlage 1) zijn de verschillende

Zonneladder naar landschapstype

landschapstypes op deze treden ‘gezet’. Daarbij geven we

Ieder landschapstype is ingedeeld op een trede in de zonneladder en afgestemd op de ruimtelijke en ecologische karakteristiek en de lokale gebiedsopgave in dat landschap. Dit draagt bij aan een leesbare ordening. Hieronder wordt per trede de strategie toegelicht. Gemakshalve worden de treden ja-mits en nee-tenzij samengevat in Zon op land.

nee

JA-GRAAG

nee-tenzij

aan onder welke voorwaarden grootschalig zon op land de gewenste motor voor gebiedsontwikkeling kan zijn. Verdere uitwerking van de strategie en het toe passen op het gebied levert meer inzicht in mogelijke omvang en locaties. De zonneladder is bedoeld als voorkeursvolgorde. Door bijvoorbeeld bij vergunningverlening voorrang te geven aan projecten die voldoen aan ja in plaats van nee-tenzij. Dus naarmate het een landschapstype minder de voorkeur heeft, moet aan meer voorwaarden worden voldaan. Het is niet bedoeld als een voorwaardelijke volgorde; dus niet eerst alle ja mogelijkheden voordat je naar ja-mits gaat. De zonneladder in de RES 1.0 richt zich op een zorgvuldige inpassing van de benodigde hernieuwbare elektriciteit in de Cleantech Regio. De Cleantech Regio conformeert zich bij de toepassing van deze zonneladder aan hetgeen hierover landelijk reeds bepaald is. Hiervoor verwijzen we naar de Kamerbrief moties Dik-Faber over zonneladder als nationaal afwegingskader bij inpassing van zonneenergie. Gemeenteraden besluiten uiteindelijk in omgevingsvisies en beleidskaders welke landschapstypen in hun gemeente op welke trede van de zonneladder komen te staan 3

De ontwikkelagenda wordt ook gebaseerd door andere hoofdstukken, zoals verdere uitwerkingen voor participatie en lokaal eigendom. Hier gaat het om het ruimtelijk spoor.

Altijd medewerking verlenen aan deze ontwikkelingen, met inachtneming van de lokale situatie. Zon op dak en gevels Rijksinfrastructuur (langs geluidswal, in bermen en incourante zones, gelieerd aan de weg) Bedrijventerreinen Stortplaatsen Zandwinlocatie Clusters (conform typologiën p. 25) met wind/zonne-energie

ja-mits ja-graag

JA-MITS Medewerking verlenen aan ontwikkelingen in deze gebieden als ze een substantieel waardevolle bijdrage leveren aan doelstellingen op het vlak van bodem, biodiversiteit, klimaatbestendig landschap of gezonde groene omgevingen rondom stedelijke gebieden en circulaire economie, met inachtneming van de lokale situatie. Groene ontwikkelingszones Transitiegebieden landbouw Klimaatlandschappen Nieuwe en uit te breiden bestaande landgoederen

29

Figuur 9: Gebieden zon ja-mits

NEE-TENZIJ Lage prioriteit geven aan deze locaties voor grootschalige monofunctionele velden op agrarische grond om zo voedselproductie te beschermen en perspectief voor landbouw te behouden. Tenzij het als onderdeel van integrale gebiedsontwikkeling is, bijvoorbeeld bij aantoonbaar incourante kavels of aan randen van ja-mits gebieden en een substantieel waardevolle bijdrage aan doelstellingen op het vlak van bodem, biodiversiteit, klimaatbestendig landschap of rondom stedelijke gebieden en circulaire economie kan worden geleverd, met inachtneming van de lokale situatie. Grootschalige Landbouwgebieden Verbrede beekdalen - noodzakelijk voor klimaatdoelstellingen en biodiversiteit Enken (cultuurhistorische enken en / of enken als klimaatlandschap – spons vanwege de waardevolle bodem) Bestaande landgoederen

30

Figuur 10: Gebieden zon nee-tenzij

NEE Geen medewerking aan initiatieven en aanvragen op deze locaties, met inachtneming van de lokale situatie. Wettelijke uitsluitingen Natura 2000 gebieden Weidevogelgebieden Rust en foerageergebieden ganzen Voorgestelde uitsluitingen Gelders Natuurnetwerk Beekdalen, Cultuurhistorische ensembles Nabij beschermde dorps en stadsgezichten Rivier, uiterwaarden en dijken (buitendijks gebied) Complex begrensde particuliere historische buitenplaatsen

31

Figuur 11: Gebieden zon nee

32

Trede Ja-graag

Strategie Grootschalig Zon op Dak

Ja-graag gaat over de onderste trede van de zonneladder. Opstellingen van zon zijn hier doorgaans altijd een goed idee. Deze locaties leveren nagenoeg geen weerstand op maar kennen wel elk hun eigen beperkingen en belemmeringen die realisatie niet vergemakkelijken. Hierbij maken we een onderscheid in:

We kiezen voor een ambitieuze inzet van zon op dak. We willen 33% van het dakpotentieel gebruiken en daarmee een jaarlijkse groei van 35% realiseren. Dit levert in 2030 0,46 TWh op, boven op de al gerealiseerde zon op dak. Dit is een stevige ambitie, omdat de groei sneller gaat dan Liander kan aansluiten. Deze ambitie is daarom onlosmakelijk verbonden met inzet op innovaties voor opslag en smart grids. Dat sluit ook goed aan bij het innovatieve karakter van de Cleantech Regio en de reeds bestaande regiodeal. We kunnen het echter als regio niet alleen. Om de ambitie te realiseren moet er ook landelijk ingezet worden op innovatie en opslagmogelijkheden. Het is dan ook onze opdracht om opslag nog nadrukkelijker landelijk te agenderen.

Kleinschalig zon op dak: dit zijn daken kleiner dan 15 kWp (ca. 50 zonnepanelen). Deze zijn van belang voor de energie­transitie. Het Klimaatakkoord rekent dit onder autonome groei van 7 TWh. We tellen ze dus niet mee voor de RES. Grootschalig zon op dak: grootschalige opstellingen die in de praktijk alleen voorkomen bij bedrijven, instellingen of agrariërs. De strategie voor ja-graag gaat met name hierom. No-regret locaties: deze voorkeurslocaties zijn bijvoorbeeld langs infrastructuur, op stortplaatsen en zandwinlocaties en solar carports. Gemeenten en initiatiefnemers werken aan kleinschalig zon op dak en no-regret locaties. Grootschalig zon op dak is onderdeel van deze RES 1.0.

We gaan onze ambitie realiseren door een programmatische aanpak met concrete acties. Zo brengen we focus aan. En kunnen we inschatten waar in de regio de versnelling van zon op dak gaat plaatsvinden. Dat helpt de netbeheerder het net hierop voor te bereiden. In deze aanpak is een belangrijke rol weggelegd voor de overheid als samenwerkingspartner. Het vraagt om een stimulerende inzet om zon op dak te realiseren. De markt kan dit niet alleen omdat het niet eenvoudig te realiseren is. Alleen al vanwege de grote hoeveelheid verschillende eigenaren, die zelf beslissen of ze panelen plaatsen. Daarnaast zijn er ook diverse belemmeringen, zoals een dakconstructie die niet toereikend is voor extra gewicht van de panelen, sterke stijging van de verzekeringspremie en hoge kosten voor het verzwaren van de netaansluiting. In de programmatische aanpak zien we vier doelgroepen: Bedrijven. Op bedrijventerreinen zijn veel potentiële daken voor het plaatsen van zonnepanelen. Ondernemers maken zelf de keuze om hun daken van panelen te voorzien. Om te versnellen worden collectieve stimuleringsprogramma’s

4

en -instrumenten ontwikkeld door gemeenten samen met ondernemersverenigingen, bedrijven en lokale stakeholders. Hier heeft de overheid een stimulerende en faciliterende rol. In de programmatische aanpak willen we onderzoeken hoe bedrijventerreinen zich gaan ontwikkelen het komende decennium. Die inzichten brengen focus aan in de aanpak en dat helpt de netbeheerder. Dit doen we onder meer samen met VNO-NCW, Liander en verbinden we het met de regiodeal. En waar mogelijk sluiten we aan bij industriële windclusters om zo hub-vorming te realiseren. Agrariërs. Daken van agrariërs hebben vaak een groot oppervlak en een gunstige ligging voor zon. Door de locatie is teruglevering aan het net vaak lastig. Als het volledige dak benut wordt, betekent dat vaak hoge kosten voor verzwaring van de netaansluiting. Ook ligt het soms ver van de openbare weg, waardoor kosten nog meer stijgen. De komende periode wordt samen met LTO verkend hoe deze daken zo efficiënt mogelijk benut kunnen worden. Woningbouw. Woningbouwcorporaties beschikken vooral over kleinschalige daken en hebben een voorkeur voor individuele aansluitingen. Voor het verduurzamen van hun woningvoorraad hebben zij eigen programma’s en doelstellingen. Het bezit van de corporaties telt niet mee voor het bod in de RES. Wel vindt er periodiek afstemming plaats met de corporaties.

Gemeenten nemen zon op dak mee in de jaarlijkse prestatieafspraken. Maatschappelijk vastgoed en no-regretlocaties. De gemeenten geven het goede voorbeeld en voorzien hun eigen vastgoed zoveel mogelijk van zonnepanelen. Diverse regelingen kunnen (kleine) gemeenten hierbij ondersteunen. Maatschappelijk vastgoed is breder, denk aan scholen en zorginstellingen. Hiervoor worden diverse stimuleringsprogramma’s ontwikkeld, zoals de Green Deal Zorg en de samenwerking van gemeente en onderwijskoepels voor het plaatsen van zonnepanelen op daken van scholen.

Bij het omrekenen van zonnepanelen naar hectares spelen verschillende factoren mee. Een belangrijke is het vermogen van een zonnepaneel. Door innovaties wordt dat steeds efficiënter. In deze RES baseren we ons, net als in de Concept-RES, op het rekenmodel van de provincie (ETM) zodat het vergelijkbaar is.

Tredes Zon op land Zon op land gaat over de middelste treden (ja-mits, nee-tenzij), waar dus onder voorwaarden zonneparken gerealiseerd kunnen worden. We kiezen nu voor een kleiner aandeel voor zon op land dan in de Concept-RES omdat we ambitieus inzetten op grootschalig zon op dak. In de ConceptRES zetten we in op 0,78 TWh waarvan in deze RES 0,46 TWh door grootschalig zon op dak gerealiseerd gaat worden. Op land realiseren we nog 0,32 TWh waarvan al 0,23 TWh is vergund. Door het aandeel grootschalig zon op dak is ca. 300 ha minder land nodig voor zonnevelden. Apeldoorn heeft op basis van eigen ambitie een opgave voor 250 ha zon op land tot 2030, naast zon op dak. Hiervan is ruim 90 ha al gerealiseerd of in planning. Het gaat dus voor de Apeldoornse bijdrage aan nieuwe zonneparkinitiatieven tot 2030 om ca. 160 ha, oftewel 0,13 TWh bovenop de genoemde 0,32 TWh. Daarmee komt het totaal voor zon op land op 0,45 TWh. Zoals eerder aangegeven is in het proces onvoldoende tijd geweest om de strategie toe te passen op de regio als geheel. Dat wil zeggen dat we nog niet hebben onderzocht hoeveel ruimte voor zon op land mogelijk en wenselijk is. Daarom is het bod gebaseerd op de potentie van zon op land van de Concept-RES. We verwachten dat nadere uitwerking van deze strategie leidt tot meer mogelijkheden dan volgens dit bod nodig zou zijn.

De genoemde opwek van 0,45 TWh beschouwen we als minimale inzet. Het betekent dus niet dat gemeenten die meer willen en kunnen doen, daarin door deze RES worden

belemmerd. Sterker nog, deze strategie helpt juist om die ontwikkelingen van meerwaarde voor het landschap te laten zijn. En daarmee te kunnen voldoen aan ambities op het gebied van energie- of klimaatneutraliteit. Van belang is ook de notie dat het realisatie van zon op dak zijn uitdagingen heeft. Meer tijd helpt om hier oplossingen voor te vinden. Zon op land kan op die manier een overbrugging zijn naar de tijd dat zon op dak voor veel dakeigenaren de standaard is. Strategie Zon op land

33

Ook voor zon op land is clustering het uitgangspunt. In de ateliers is expliciet aangegeven dat meer regionale regie op zonnevelden wenselijk is om versnippering te voorkomen. En tot sterkere landschappelijke inbedding en ontwikkeling te komen. Er is daarom een voorkeur voor enkele grote velden ten opzichte van veel kleine velden. Vanuit het landschap is dit een voor de hand liggende redenering en het biedt verschillende extra voordelen. Een groot veld wordt een (financiële) motor voor een gebiedsontwikkeling en creëert daarmee meerwaarde. Het is dan een stapeling van gelden en stakeholders. Door gerichte gebiedsontwikkeling is acceptatie en lokaal eigendom beter te organiseren. Ook het aansluiten op het net is beter te realiseren. En het creëert duidelijkheid naar initiatiefnemers over kansrijkheid voor hun zonproject.

Tegelijkertijd moeten velden die ontstaan vanuit een lokaal initiatief of proces, vaak kleiner van omvang zijn, ook mogelijk zijn. Deze verschillende velden moeten bij voorkeur aan dezelfde, geharmoniseerde spelregels voldoen als het gaat om inpassing. Hiervoor zijn regionale uitgangspunten en aanbevelingen per landschapstype geformuleerd die nog verder uitgewerkt moeten worden in de ontwikkelagenda. Regionale uitgangspunten: Gemeenten nemen samen als regio regie op de wijze waarop het zonnepark wordt gerealiseerd. Dit doen we door voorwaarden te formuleren zodat zon kan bijdragen aan gebiedstransformatie (landschapsbouw door absolute meerwaarde te creëren), goede inpassing en waar mogelijk meervoudig functiegebruik. Op regionale schaal zijn voorkeurslocaties (ja en jamits) geïdentificeerd voor enkele grotere zonnevelden. Tegelijkertijd kan elke gemeente (enkele, bij voorkeur kleinere) velden ontwikkelen volgend uit lokale processen. De regionale aanbevelingen helpen om de zonnevelden van meerwaarde voor de omgeving te laten zijn en versnippering te voorkomen. Aanbevelingen: Het realiseren van zonnevelden passend in deze ruimtelijke strategie vraagt om aandacht op een aantal punten. De typering van de landschappen is nu op regionale schaal uitgevoerd en grenzen zijn moeilijk op kaart te zetten. Ze zijn gebaseerd op het bestaande beleid en zijn niet op alle punten eensluidend.

Daarnaast is er een wens om velden zoveel mogelijk in lokaal eigendom te ontwikkelen. Dat draagt bij aan acceptatie, opbrengsten blijven in het gebied en het

voorkomt initiatieven van grote (buitenlandse) investeerders, zie ook hoofdstuk 6. Maar lokale, sociale of economische ontwikkelingen en grondeigendom (uitnodigingsplanologie) resulteren mogelijk in locaties die niet of minder wenselijk zijn. Verder zijn veel kleinere velden moeilijker inpasbaar op het energienetwerk dan een paar grote velden. Het vinden van balans in deze aandachtspunten vraagt om verdere uitwerking in de ontwikkelagenda.

uitgangspunt - Beheer: beheer de vegetatie extensief - Beveiliging: bij voorkeur heggen en sloten i.p.v. beveiliging met een hekwerk • Hekwerk doordringbaar voor klein zoogdieren, amfibieën en reptielen. • Hekwerk ondoordringbaar voor grote predatoren • Geen bewaking met honden

Hieronder zijn hiervoor enkele aanbevelingen op verschillende schaalniveaus aangegeven: Regionaal op landschapstypeniveau: de Veluweflank, het Kampenlandschap en nieuwe landgoederen zijn geschikte landschapstypen voor zonneparken (ja-mits). Dit vraagt nog wel om verdere uitwerking van gebiedsspecifieke voorwaarden afgestemd op ruimtelijke en ecologische karakteristieken en de gebiedsopgave waarmee wordt gekoppeld. Regionaal en lokaal op landschapsniveau: door afspraken over maatwerkinpassingen op hoofdlijnen wordt de leesbaarheid van het landschap bevorderd. Ook voorkomt het ‘shoppen’ door ontwikkelaars tussen gemeenten. Voorbeelden van afspraken zijn: maak gebruik van een netto/bruto verhouding bij inpassing; een goede landschappelijke en ecologische inpassing vraagt 30 tot 50% meer ruimte. En stem de inpassing af op het type landschap, bijvoorbeeld houtwallen in kleinschalige halfopen landschappen en water en rietoevers in open landschappen. Lokaal op kavelniveau: afspraken waaraan alle zonneparken aan moeten voldoen. Deze algemene regels zorgen dat het land en de biodiversiteit in ieder geval niet slechter wordt door de zonneparken. Denk aan afspraken over ecologische inrichting van zonneparken, waaronder: - Biodiversiteit van het gebied moet toenemen met aanleg van zonnepark - Bodem: behoud en verbetering bodemstructuur is

Tot slot zijn ook enkele algemene aanbevelingen geformuleerd: Vergunningverlening en extra beperkingen op kavelniveau vanuit eigen gemeentelijke beleidskader Participatie meenemen als toetsingscriteria (lokaal eigendom, zie hoofdstuk 6) Ingrediënten van landschappelijke inpassing Opruimplicht na afschrijving Ontwikkelagenda Zon

De zonneladder biedt een goede basis om het principe het landschap is leidend verder uit te werken. Voor de treden ja-graag, ja-mits en nee-tenzij is een heldere strategie geformuleerd. Wel is er nog huiswerk te doen voordat velden worden gerealiseerd zoals bedoeld in deze strategie. Aandacht voor en stimuleren van opslagmogelijkheden en innovaties en landelijk de noodzaak ervan agenderen. Ja-graag - Ontwikkelen programmatische aanpak zon op dak met partners. Ja-mits en nee-tenzij - Uitwerking optimale omvang en de verhouding regionale/ lokale zonnevelden; - Uitwerken van aanbevelingen naar regionale en (geharmoniseerde) lokale spelregels ten behoeve van lokaal beleid.

3.4 Het elektriciteitsnetwerk Liander is een belangrijke partner in het ontwikkelen van de RES. Hun aanbevelingen naar aanleiding van de Concept-RES en de handreiking zijn het vertrekpunt voor deze RES 1.0.

34

Specifiek gaat om stationscapaciteit en het systeemefficiënt benutten van het net. Dit verbetert door: Verhouding zon/wind optimaliseren en combinatie van zon en wind op een station of locatie; Slim benutten locatie en grootte van ontwikkelingen irt aansluitpunt: rekening houden met vrije stationscapaciteit; Slim benutten van de velden: cablepooling zon en wind of meerdere kleine zonneparken, maar ook gebruik maken van grote aansluitingen; Ontwikkelingen duurzame opwek af te stemmen met naastgelegen regio´s. Netimpactanalyse

Het RES-bod heeft invloed op de energie-infrastructuur. Liander laat die invloed zien aan de hand van knelpunten op het huidige net. De netbeheerder geeft aan welke investering, ruimte en planning nodig zijn om die knelpunten weg te nemen. Het bod bestaat uit 560 MW aan zonneweides, 42 MW aan windmolens en 510 MW aan grootschalige zon op dak. Het bod past niet op de huidige stationscapaciteit, de aan te sluiten opwek veroorzaakt op alle HS/MS-stations knelpunten. Er zijn meerdere oplossingsrichtingen mogelijk. Op veel stations kan redundantie, als het ware de reservecapaciteit van het station, worden benut. De mogelijkheden moeten verder worden onderzocht. Daarin kijken we ook of het een toekomstbestendige oplossing is. Op stations Lochem en

Zutphen sluit de benodigde capaciteit aan bij de beoogde uitbreidingen voor 2030. Het beoogde nieuw te bouwen station bij Apeldoorn Zuid beperkt, bij een slimme planning, knelpunten op stations Apeldoorn, Woudhuis en Eerbeek. In de doorrekening leest u meer over de kosten van het wegnemen van knelpunten. Het grote aandeel zon betekent dat op zonnige dagen grote hoeveelheden energie moeten worden verwerkt op de onderstations. Liander heeft in 2020 een convenant gesloten met zonontwikkelaars om grootschalige zonprojecten aan te sluiten op 70% van de piekcapaciteit. Hierdoor ontstaat meer ruimte voor zonnestroom en kunnen duurzame energieprojecten sneller op het elektriciteitsnet worden aangesloten. Door in de Cleantech Regio actief in te zetten op het realiseren van opslag bij zonontwikkelingen (zonnevelden en zon op dak) kunnen netinvesteringen en dus maatschappelijke kosten beperkt worden. Liander kan daar (wettelijk gezien) geen rol in spelen. Het betrekkelijk kleine aandeel van wind is ongunstig voor de belasting van het net. Op de stations Zutphen en Lochem worden naast zonneweides ook windontwikkelingen aangesloten. Er liggen kansen om door te combineren op één kabel en aansluiting de systeemefficiëntie te vergroten. De windontwikkeling op de Veluwe is nog niet te koppelen aan één of meer stations. Ook hier geldt dat combineren met zon of (grote) vraag interessant is.

Door de onzekerheid van de Veluwe-windmolens in het bod, kan slechts een indicatieve doorrekening worden gemaakt van de toekomstige windbelasting. Wind maakt dan ook beperkt onderdeel uit van de informatie die gebruikt wordt door Liander om de netimpact te bepalen. Dat betekent dat, mocht over

enkele jaren (meer) wind op de Veluwe toch mogelijk blijken te zijn, het netwerk mogelijk niet toereikend is.

distributie-oplossingen zoals de ontwikkeling van innovatieve energie-clusters. Daarnaast moeten we op de korte termijn slim gebruik maken van de mogelijkheden die het net ons nu biedt en samen werken aan innovatieve oplossingen om zo tot een samenhangend energiesysteem te komen. Dat vraagt om regionale afstemming en uitvoeringsstrategie bij grootschalige aansluitingen waar we in het vervolg op de RES 1.0 nader invulling aan gaan geven. Liander neemt graag deel in het programmatisch ontwikkelen van zon op dak. Een gezamenlijke uitvoeringsstrategie zorgt ervoor dat de benodigde uitbreidingen op het net integraal en gebiedsgericht worden opgepakt. Een uitgebreide toelichting op de consequenties van het bod is uitgewerkt in de impactanalyse, die vindt u hier.

In de doorrekening wordt de belasting op stationsniveau en op het net in hoofdlijnen in beeld gebracht. De regio is ambitieuzer wat betreft zon op dak dan passend is in de scenario’s van Liander. Dat betekent dat Liander een deel kan aansluiten, maar dat is niet helemaal te overzien. Voor wat betreft aansluitingen van zon op dak speelt ook een netwerkprobleem in het laag- en middenspanningsnet in de Cleantech Regio gemeenten. Initiatieven kunnen niet altijd worden aangesloten. Het is duidelijk dat het lokaal opwekken van hernieuwbare energie grote impact heeft op onze bestaande regionale energiesysteem dat niet overal toereikend is om de ambitie te realiseren. Om piekbelasting in het net te voorkomen moet om die reden actief worden ingezet op opslag, flex- en

Figuur 13: Knelpunten netimpactanalyse RES 1.0 Bron: Liander Capaciteitsknelpunten 2030 op basis van RES-doorrekening Hattem

Vaassen

Zuidbroek Apeldoorn

Woudhuis Lochem Zutphen Borculo Eerbeek

Geen capaciteit beschikbaar tot 2030

Oplossingsrichting capaciteitsknelpunten: Redundantie verlaten

>75 MVA beschikbaar tot 2030

Stationsuitbreiding

3.5 Wat doen we al? Op verschillende plekken is al grootschalige opwek gerealiseerd of is dat in voorbereiding.

In de grafieken ziet u de totale productie in GWh van alle opstellingen samen, dus wind, zon op land en zon op dak. Hierin is geen onderscheid gemaakt tussen klein- en grootschalig dak omdat dit onderscheid alleen van belang is voor het RES-bod. In de grafiek eronder is de groei van zon op dak in opgesteld vermogen (kW) zichtbaar. Hier wordt zowel kleinals grootschalig getoond. Het laat zien dat beide exponentieel zijn toegenomen de afgelopen jaren.

Hernieuwbare elektriciteit zon Hernieuwbare elektriciteit zon Hernieuwbare elektriciteit wind Hernieuwbare elektriciteit wind

120 120 100 100 80 80 60 60 40 40 20 20 0 0 2015 2015

2016 2016

2017 2017

2018 2019 2018 2019 Bron: De Klimaatmonitor (2021) Bron: De Klimaatmonitor (2021)

Geregistreerd vermogen zonne-energie Cleantech Regio Geregistreerd vermogen zonne-energie Cleantech Regio Vermogen geregistreerde zonnepanelen woningen Vermogen geregistreerde zonnepanelen woningen Vermogen geregistreerde zonnepanelen niet woningen Vermogen geregistreerde zonnepanelen niet woningen

140 140 120 120 100 100 80 80 60 60

5

De opwek is weergegeven in gigawattuur (GWh) omwille van de leesbaarheid. (1000 GWh staat gelijk aan 1 TWh).

6

De grafiek is gebaseerd op beschikbare data uit de Klimaatmonitor.

Megawatt Megawatt(MW) (MW)

35

In dit hoofdstuk leest u de stand van zaken. Op het industrieterrein de Mars van Zutphen staan op dit moment de 3 windmolens die de Cleantech Regio rijk is. Daarnaast heeft de Raad van State op 12 mei 2021 uitspraak gedaan in een procedure over 3 beoogde windmolens. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (RvS) heeft in deze uitspraak het bestemmingsplan Fort de Pol, Eefde West en Windpark IJsselwind en beide omgevingsvergunningen van het Windpark IJsselwind vernietigd. Gemeente Zutphen, provincie Gelderland, IJsselwind en Waterschap Rijn en IJssel hebben aangegeven de uitspraak te bestuderen en zich te beraden op vervolgstappen. Deze partijen willen op korte termijn duidelijkheid geven in hoeverre zij wel of niet doorgaan met het windpark, in welke vorm en langs welk proces.

In de regio staan ook al zon op land-opstellingen. Bij elkaar beslaan zij nu ruim 250 ha en wekken 0,23 TWh op. En zijn voornamelijk op landbouwgrond en enkele stortplaatsen gerealiseerd. Nieuwe velden zijn in voorbereiding, dat gaat om bijna 60 ha die 0,05 TWh gaan opwekken. Ook zijn al veel daken in de Cleantech Regio belegd met zonnepanelen. Bij elkaar leveren zijn nu ook bijna 0,05 TWh.

Gigawattuur Gigawattuur(GWh) (GWh)

De regio zit niet stil in afwachting van de RES.

Hernieuwbare elektriciteitsopwekking in de Cleantech regio, 2015-2019 Hernieuwbare elektriciteitsopwekking in de Cleantech regio, 2015-2019

40 40 20 20 0 0 2014 2014

2015 2015

2016 2016

2017 2017

2018 2019 2018 2019 Bron: Klimaatmonitor / CBS Bron: Klimaatmonitor / CBS

4

Regionale Structuur Warmte (RSW) Binnen de Cleantech Regio is het doel dat 155.000 woningen en 23.000 gebouwen van het aardgas af zijn in 2050. In dit hoofdstuk brengen we het bovengemeentelijk aanbod van en de vraag naar

36

duurzame warmte in beeld. En ook identificeren we bovengemeentelijke ontwikkelkansen. Het gaat om de bovengemeentelijke warmtevraag, -warmtebronnen en -warmte-infrastructuur. Er is sprake van een bovengemeentelijk belang bij een warmtepotentie groter dan 1500 woningequivalenten (weq.). De RSW helpt lokaal (gemeentelijk) opgestelde Transitievisies Warmte op elkaar af te stemmen.

Regionale Energiestrategie (RES)

4.1 Relatie lokale (TVW) en regionale plannen (RSW) De transitie naar een aardgasvrije gebouwde omgeving wordt de warmtetransitie genoemd. De gemeenten regisseren deze lokale warmtetransitie. In het Klimaatakkoord is afgesproken dat gemeenten daarvoor uiterlijk in 2021 een Transitievisie Warmte (TVW) vaststellen. Daarin geven ze aan hoe ze tot 2050 de transitie wijk voor wijk uitvoeren en met welke wijken wordt gestart. In de TVW staan ook de nu denkbare alternatieven voor aardgas. De lokale en regionale plannen beïnvloeden elkaar. In de RSW kijken we of op lokaal niveau gebruik gemaakt kan en gaat worden van de bronnen die bovengemeentelijke potentie hebben of buiten de eigen gemeenten liggen. Afstemming en eventuele afspraken met omliggende gemeenten voorkomt dat één bron ten onrechte meerdere malen in lokale TVW’s wordt opgenomen.

Figuur 13: Relatie tussen de RES, de TVW en de wijkuitvoeringsplannen. Bron: Over Morgen

Regio Warmtevraag, aanbod (bronnen) en afweging

Onzekerheid neemt af met de tijd

Elektriciteitsvraag voor verwarmen, ruimtelijke impact opwek en infra

Regionale Structuur Warmte (RSW)

Warmtevraag en lokale afwegingen

ee Gem nte Tijdspad en wijken en voorkeuroplossing per wijk

Aanbod en toedeling regionale warmtebronnen

Warmtebronnen en -oplossingen

Transitievisie Warmte (TVW)

Lessen planvorming en uitvoering

jk (gebied) i W

Keuze eerste aardgasvrije wijk(en)

Uitvoering(splan) en besluit wijkinfrastructuur

Wijkuitvoeringsplan aardgasvrij

Kennis neemt toe met de tijd

4.2 Warmtevraag en hernieuwbare warmtebronnen

De regionale warmte vraag in 2030 (peiljaar 2020) is 9.179 TJ/jaar. Voor de RSW is een warmtebronnenanalyse gemaakt. In deze kaart staat de warmtevraag en het warmteaanbod. De warmtevraag is van woningen, utiliteiten en bedrijven. Zware industrie is geen onderdeel van de warmtevraag. De industrie valt buiten de scope van de RSW en de TVW. Industrie is wel opgenomen als restwarmteaanbod. Ook is de huidige warmte-infrastructuur in beeld gebracht. In onze regio is nu alleen in Apeldoorn een warmtenet in gebruik. In Lochem is een klein warmtenet, dat deels gevoed wordt door bodemwarmte.

37

Figuur 14 is gebaseerd op enkele veronderstellingen en uitgangspunten: Verwachte warmtevraag in 2030 (na besparing vanwege isolatieactiviteiten, uitbreiding woningbouw, harde plancapaciteit5); Als er een geconcentreerde warmtevraag is dan is een warmtenet kansrijk; Technisch mogelijke warmtebronnen; Warmtebron is regionaal interessant wanneer de bron gekoppeld kan worden aan een warmtevraag van 1500 woonequivalenten. Kaarten van vraag en aanbod van warmte zijn te zien in de webviewer ‘Gelderland Warmteatlas’. De data over vraag en aanbod zijn gebaseerd op huidige informatie en inzichten (peiljaar 2020). De kaarten laten zien dat er vooral in de stedelijke kernen in onze regio mogelijkheden voor warmtenetten zijn. Deze warmtenetten worden in de meeste gevallen gevoed door lokale warmtebronnen. In het overige deel van de regio is de dichtheid van de warmtevraag te laag. Deze lage warmtevraagdichtheid resulteert naar alle waarschijnlijkheid in individuele oplossingen en/of kleine collectieve oplossingen. Deze conclusies trekken we op basis van de huidige stand van de techniek. In de kaarten is geen aandacht besteed aan de potentie voor biogas. In de agrarische gebieden kan dit wel een optie zijn. 5

Regionale Woonagenda Cleantech Regio (16 december 2020) is niet verwerkt in bovenstaande kaart. Gemeenten CTR gaan 5000 extra woningen bouwen. Dit heeft invloed op de warmtevraag.

Figuur 14: lokale en bovenlokale warmtebronnen in de Cleantech Regio

4.3 Beschikbare bovengemeentelijke warmtebronnen

Binnen de Cleantech RES Regio hebben we weinig hernieuwbare bovengemeentelijke warmtebronnen. Er zijn twee bovengemeentelijke bronnen die tegelijkertijd ook bovenregionale bronnen zijn. Er kan vanuit meerdere RES-en aanspraak op worden gemaakt. Hiervoor is afstemming met de andere RES-

In de afvalwaterleidingen van FrieslandCampina in Borculo (gemeente Berkelland en regio Achterhoek en Lochem) is veel restwarmte beschikbaar. Deze leiding wordt beheerd door het Waterschap Rijn en IJssel en eindigt bij de zuiveringsinstallatie in Zutphen. Er loopt een apart traject met de gemeentes Berkelland (RES regio Achterhoek), Lochem en Zutphen, FrieslandCampina en Waterschap Rijn en IJssel.

regio’s en de betreffende gemeente(n) nodig.

IJssel en Apeldoorns Kanaal

In bijlage 2 is een overzicht opgenomen van de verschillende

De IJssel en het Apeldoorns Kanaal hebben bovengemeentelijke potentie voor TEO (thermische energie oppervlaktewater). Deze bronnen worden onderzocht op mogelijkheden voor warmtelevering aan de gemeenten binnen de Cleantech Regio.

duurzame warmtebronnen en de visie van de Cleantech Regio

38

Gemeente Lochem en Berkelland (Borculo)

hierop.

Gemeente Brummen en Apeldoorn

De papierfabrieken in Eerbeek en Loenen bieden kansen voor restwarmte (o.a. productieproces en industriewater) voor de gemeenten Brummen en Apeldoorn. Binnen het programma EerbeekLoenen-2030 hebben gemeenten Brummen, Apeldoorn, woningbouwvereniging en Provincie Gelderland geld gereserveerd voor een businesscase doorrekening. De papierfabrieken van Eerbeek en Loenen liggen dicht bij Laag-Soeren en, iets verder weg, Dieren. Beide kernen liggen in de RESregio Arnhem/ Nijmegen. Gemeente Lochem en Deventer (Oxe)

Deventer is onderdeel van de Cleantech Regio, maar valt in de RES-regio West-Overijssel. In Oxe (Deventer) hebben enkele boeren de handen ineen geslagen om een mestvergistingsproject op te starten. Dit project start met 5 melkveehouderijen, samen goed voor 1.000.000 m3 biogas. De mogelijkheid bestaat dat in een later stadium boeren uit Lochem aansluiten.

4.4 Afwegingskader

4.5 Infrastructuur voor warmte

4.6 Haalbaarheidscans

provincie Gelderland

Binnen de provincie Gelderland is gewerkt aan een afwegingskader voor bovengemeentelijke warmtebronnen. Dit kader dient ook als basis

De warmtetransitie heeft ook voor netbeheerders grote

RHDHV heeft diverse haalbaarheidsstudies (quickscans) uitgevoerd

voor figuur 2. Als er een bron interessant is voor meerdere gemeenten,

gevolgen. Elektrificatie zorgt voor een grotere belasting van

binnen provincie Gelderland. Het gaat dan vooral om de technische en

helpen deze afwegingscriteria bij het benutten ervan.

het elektriciteitsnet. Ook worden gas- en warmtenetten anders

financiële haalbaarheid van alternatieve warmtesystemen. Vanuit onze

ingericht in de toekomst.

regio is aangegeven dat er behoefte is aan studies naar de haalbaarheid

Binnen de provincie Gelderland zijn de volgende criteria afgesproken: Is de warmtebron duurzaam? Is de warmtebron beschikbaar? Is de warmtebron betaalbaar?

39

In deze 3 kerncriteria komen onder andere CO2-emissie, afstanden, temperatuur en dekkingsgraad terug. Uitgangspunt is dat deze drie criteria even zwaar meetellen, maar hier kan lokaal van afgeweken worden. Iedere stakeholder heeft hierin andere belangen en waarden. De één streeft naar maximale CO2 reductie, de ander wil maatschappelijke meerwaarde en weer een ander vindt lokaal eigendom belangrijk. Dit afwegingskader werken we voor de Cleantech Regio verder uit richting RES 2.0. Vooruitlopend hierop is in het project ‘Benutting restwarmte FrieslandCampina’ door de warmte-eigenaar (Waterschap Rijn en IJssel) en de drie aanliggende gemeentes een eigen afwegingskader vastgesteld om de hoogste maatschappelijke waarde van de warmtebenutting te bepalen.

van warmtenetten in Zutphen (Noordveen), Heerde (lage temperatuur Warmtenetten

We verwachten dat voor een groot deel van de Cleantech RES Regio individuele warmteoplossingen vanzelfsprekend zijn. Maar in meerdere gemeenten zien we kansen voor lokale warmtenetten. De ontwikkeling van een lokaal warmtenet wordt afgewogen in de lokale Transitievisie Warmte. De regio werkt richting RES 2.0 haar rol inzake warmtenetten verder uit. Ze onderzoekt daarbij of het wenselijk is sturingsinstrumenten te ontwikkelen rondom eigenaarschap, toegang en dimensionering van warmtenetten in het kader van de Warmtewet. Ook kan zij een rol vervullen als kennisplatform voor de gemeenten in de regio. Elektrificatie en het elektriciteitsnet

Waar mogelijk zet Liander haar gasnetten in voor een alternatieve warmtebron. En bouwen we in de regio het gebruik van aardgas op een slimme manier af. De netbeheerders zetten de gasnetten graag in voor een alternatieve warmtebron, zoals groengas (biogas met aardgaskwaliteit). Ook als gekozen wordt voor een collectieve warmteoplossing, neemt de elektriciteitsvraag toe. Dat komt onder andere door de overgang naar koken op inductie en benodigde installaties. Een voorbeeld hiervan is een collectieve warmtepomp bij de toepassing van een lagetemperatuurwarmtebron. De consequenties van de warmtetransitie voor de elektriciteitsvraag zijn nog niet helder binnen de Cleantech Regio, omdat nog niet alle Transitievisies Warmte gereed zijn. In de doorrekening van de netimpact is de warmtetransitie meegenomen op basis van prognoses van Liander. In de RES 2.0 brengen we de consequenties verder in beeld.

via TEO/TEA), Epe, Vaassen, Apeldoorn (wijk De Maten) en Voorst (kassengebieden). Met uitzondering van de quickscan voor Zutphen zijn geen van de onderzoeken gericht op bovenregionale bronnen. Bij de quickscan voor Zutphen is sprake van meerdere bronnen voor het warmtenet waarbij lokale en regionale bronnen elkaar aanvullen. De uitgevoerde quickscans zijn onderling moeilijk te vergelijken aangezien veel factoren meespelen bij de bepaling van de kansrijkheid. In de studie wordt geconcludeerd dat voor de collectieve warmtesystemen, waarvoor een quickscan is gedaan, slechts in een enkel geval sprake is van financieel rendabele projecten. Een rendabel systeem kan daarbij nog steeds duurder zijn dan de huidige situatie. Met name het onderzochte geothermie project komt financieel zeer ongunstig uit. Er is nog aanvullend onderzoek nodig. Ook de veranderende wet- en regelgeving (Warmtewet 2 in voorbereiding) en de toekomstige prijzen (van technieken maar ook van aardgas) zijn van grote invloed op de kansrijkheid van een warmtevoorziening.

4.7 Wat doen we al?

Hernieuwbare warmteopwekking in de Cleantech regio, 2015-2019

In de grafiek hiernaast ziet u hoeveel warmte door welke hernieuwbare wamtebronnen in de regio worden geleverd. Deze eenheden zijn in TJ omdat dit aansluit bij de warmtetransitie.

900 800

4.8 Organisatiestructuur

600

De gemeenten die onderdeel uitmaken van de Cleantech Regio zijn georganiseerd in een regionale werkgroep Warmte & Energietransitie. De netbeheerder (Liander), het Waterschap (Waterschap Vallei en Veluwe), de Provincie Gelderland en de uitvoeringsorganisatie van de Cleantech Regio nemen regelmatig deel aan de werkgroepvergaderingen. Op deze wijze vindt optimale afstemming plaats tussen de verschillende organisaties. De werkgroep komt circa 10 keer per jaar samen om de lokale, regionale en bovenregionale ontwikkelingen te bespreken, op elkaar af te stemmen en kennis te delen.

500 400 300 200 Terajoule (TJ)

40

700

100 0 2015

2016

2017

2018

2019

Bron: De Klimaatmonitor (2021) Hernieuwbare warmte biogas Hernieuwbare warmte biomassa Hernieuwbare warmte kleinschalig (houtkachels en houtskool) Hernieuwbare warmte WKO-systemen

5

Proces participatie In de Cleantech Regio werken ondernemers, overheden en onderwijs- en onderzoeksinstellingen al lang intensief samen aan een energie-neutrale en duurzame economie en samenleving. Er zijn

41

verschillende netwerken waarin partners elkaar op deze terreinen ontmoeten en hun voornemens en plannen op elkaar afstemmen.

Maatschappelijke partners, ondernemers en inwonersvertegenwoordigers hebben geparticipeerd in het RES proces; ieder op hun eigen schaalniveau en op meer of minder intensieve manier. In dit hoofdstuk wordt toegelicht hoe wij invulling hebben gegeven aan participatie. In bijlage 4 kunt u lezen over onze kijk op participatie.

De RES is een gezamenlijke strategie waaraan gemeenten, waterschappen en de provincie zich committeren. Deze strategie leggen zij ter vaststelling voor aan hun volksvertegenwoordigers. De gezamenlijke ambitie van de RES partners wordt uitgewerkt in de eigen omgevingsinstrumenten van gemeenten, waterschappen en provincie, zodat de strategie gerealiseerd kan worden. Vanzelfsprekend blijft regionale afstemming nodig

vanwege de impact op het landschap, het optimaal benutten van het netwerk en onderzoeksvragen die gemeentegrensoverschrijdend zijn. Het is van belang hierbij maatschappelijke partners en het bedrijfsleven te betrekken. Het realiseren van deze opgave komt immers maar ten dele voor de rekening van de overheid. De belangen van inwoners hebben een plek in de integrale afweging; duurzame opwek heeft

impact op de directe leefomgeving van de inwoners in onze regio. Een speciale positie in dit opzicht is weggelegd voor de energiecoöperaties in de regio. De verschillende lokale coöperaties hebben zich verenigd en werken nauw samen met de RES werkorganisatie. Hun focus ligt op het realiseren van duurzame opwek en met hun ervaringen strategie en beleid aan te vullen.

5.1 Wie zijn betrokken? De deelnemers bestaan uit maatschappelijke organisaties, belangengroepen en professionele partijen. Bij de regionale ateliers zijn dit bijvoorbeeld landbouworganisaties en natuurorganisaties, en bij lokale ateliers bijvoorbeeld vertegenwoordigers van dorpsraden, energie coöperaties en lokale ondernemers. Daarnaast zijn thema ateliers georganiseerd die een extra verdiepingsslag maken op bepaalde onderwerpen. De uitkomsten hiervan zijn meegenomen in de ruimtelijke

42

ateliers.

Participatie in de Concept-RES heeft veel waardevolle inhoudelijke reacties opgeleverd. Deze reacties hebben wij verwerkt in de RES 1.0. De reacties en de verwerking ervan staan beschreven in paragraaf 2.2. Lokale betrokkenheid

We hebben afgesproken dat op het regionale niveau de regionale stakeholders worden betrokken. Gemeenten betrekken de lokale organisaties en inwoners. Dit doen zij op een manier die past bij hun lokale situatie. Een voorbeeld hiervan is het betrekken van de RES bij gesprekken over de omgevingsvisie. Draagvlak en weerstand in de Cleantech Regio

Inwoners, stakeholders en media hebben steeds meer aandacht voor de regionale beleidsvoornemens in de RES en de plannen in hun eigen gemeenten. De activiteiten die in onze regio zijn ondernomen om inwoners te betrekken en de lokale, regionale én landelijke media

aandacht zorgen voor een toename in aandacht van inwoners voor het onderwerp, voor een grotere betrokkenheid, en daarmee ook voor meer zorgen en weerstand. Inwoners willen graag weten wat er in hun directe leefomgeving concreet gaat gebeuren. In de RES 1.0 is er echter nog geen concrete informatie beschikbaar. Inwoners geven aan dat zij beter betrokken willen worden bij de toekomstige plannen. En dat gaat ook gebeuren bij het vervolgproces van de RES, in de RES 2.0 en verder. Het is daarbij vooral aan de gemeenten, die uiteindelijk gaan over vergunningverlening, om dit participatieproces zorgvuldig vorm te geven. De huidige inspraak, uit het proces rondom de RES 1.0, levert hiervoor belangrijke informatie op. Stakeholdertafel

Naast de gesprekken in ateliers hebben we in de fase naar de RES 1.0 een stakeholdertafel samengesteld. Het voornaamste doel is dat aan deze tafel maatschappelijke partijen meedenken over afwegingen die de stuurgroep gaat maken en die in ateliers en met ambtenaren worden voorbereid. In deze rol co-produceren en adviseren regionale stakeholders met ambtenaren en kunnen wij hen raadplegen bij vraagstukken. De stuurgroep betrekt het advies van de stakeholdertafel bij hun afwegingen en maakt inzichtelijk aan de stakeholders wat er met hun advies wordt gedaan. Jongeren

In het overleg over de RES met overheden en maatschappelijk organisaties komt het jongerengeluid nauwelijks voor. Je hoort jongeren vaak weinig in de discussie over duurzaamheid, terwijl het vooral over hún toekomst gaat. Ze hebben wel degelijk een visie, maar die komt pas boven tafel als ze op de juiste manier worden benaderd. Sinds juni 2020 zijn RES Cleantech Regio, Jong RES Nederland, Natuur en Milieu Gelderland en Spectrum gezamenlijk bezig om

jongerenparticipatie (16-26jr) op het thema energietransitie te stimuleren. In de fase van de Concept-RES hebben jongeren meegedacht via een digitale enquête; Swipocratie. In de fase van de RES 1.0 is vooral ingezet op regionale activiteiten. Deze zijn gericht op kennis en bewustwording en op community building voor Jong RES Nederland. Naast deze activiteiten is ingezet om een onderzoek “voor jongeren door jongeren”. In samenwerking met Saxion Hogescholen hebben zes studenten Klimaat & Management onderzocht hoe jongeren willen en kunnen participeren in de beleidsvorming van de energietransitie. Het meepraten in beleidsprocessen ontstaat vanuit een intrinsieke motivatie. Deze intrinsieke motivatie is vooral van toepassing bij de doelgroep HBO, uitwonend. Het creëren van motivatie om mee te participeren staat in verband met het beschikken over de juiste kennis. Het inzetten op educatie, kennis en bewustwording heeft een positief effect op het uitbreiden van het participatiebereik. Daarnaast worden de jongeren het liefst geïnformeerd via het onderwijs en praten zij het liefst mee op lokaal niveau over de eigen leefomgeving. Het rapport leest u hier. Een gedetailleerd overzicht van de betrokkenen in de Cleantech Regio en de manier waarop zij betrokken zijn, staat in bijlage 3 Participatie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10778090/1