Boevenbrinkstraat 4 en Quabbenburgerweg, Terwolde bijlagen
Tekst van het document
Derhalve is voor de deelgebieden B en C een vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van een archeologische begeleiding (protocol opgraving).
KSP Archeologie
17
Onderzoeksmelding 3978002100 (Blikkenweg 9 en 9a, Louwe 2018) Tijdens de archeologische begeleiding zijn de kelder, muurresten en uitbraaksleuven aangetroffen van het voormalige Landhuis Bruggenbosch van de Baron Bentinck tot Nijenhuis, dat is gebouwd in 1850 en afgebroken in 1953. Rond het huis zijn twee beerputten en twee waterputten aangetroffen in directe relatie tot het landhuis. Daarnaast is iets verder van het huis een ondiepe put aangetroffen, die deel uit maakt van het 19e eeuwse erf. Ook zijn enkele losse kuilen en een paardenbegraving aangetroffen die behoren tot een eerdere fase van bewoning. Zeer waarschijnlijk in relatie tot de 17e eeuwse boerderij die ook bekend stond als ‘Bruggenbosch’ of ‘Vrou Haecxbergens Asse’. De bebouwingsresten, die niet zijn aangetroffen, bevinden zich waarschijnlijk net ten zuidwesten van het onderzoeksgebied. Onderzoeksmelding 4016152100 (Quabbenburgerweg, Weerheijm e.a. 2016) Het in de drie boringen aangetroffen profiel bestaat uit een pakket geroerd, gevlekt, zwak siltig, humushoudend fijn zand. In boring 3372001 is de (scherpe) overgang naar het onveranderde moedermateriaal (de C-horizont) reeds op 15 cm beneden maaiveld aangetroffen; deze laag is opgebouwd uit zwak siltig fijn zand, met een lichte bijmenging van grover zand en wat grind.
In boringen 3372002 en 3372003 bevindt de overgang naar het onveranderde moedermateriaal zich op 50 cm beneden maaiveld; in boring 3372002 bevat het zand nog een lichte grovere bijmenging, in boring 3372003 is die bijmenging afwezig. Het onderste deel van de geroerde toplaag is in deze twee boringen gevlekt van aard: er komen zowel herkenbare brokken van de humushoudende bovengrond als van het uitgangsmateriaal voor. De boringen in het plangebied bevinden zich in een gebied waar een dunne dekzandlaag zich op de smeltwaterafzettingen (zoals genoemd in paragraaf 2.2) bevindt. Holoceen Fluviatiel materiaal is niet aangetroffen. In tegenstelling tot wat op basis van de bodemkaart verwacht werd, zijn er geen poldervaaggronden aanwezig in het plangebied. In de hogere delen van het landschap werden laarpodzolgronden verwacht; ook deze zijn niet in het plangebied aangetroffen. Er is sprake van een tot in de top van de C-horizont verstoord profiel. Advies geen vervolg. Uit de bestudeerde onderzoeksmeldingen komt geen informatie naar voren over eventueel aanwezige prehistorische vindplaatsen. Op de gemeentelijke archeologische beleidskaart heeft het plangebied een hoge archeologische verwachting (Figuur 9).
KSP Archeologie
18
Figuur 9: Het plangebied op de archeologische beleidskaart van de gemeente Voorst (Keunen e.a. 2017).
2.6
Beschrijving van de ondergrondse bouwhistorische waarden
Aangezien het plangebied tot op heden onbebouwd is, zijn geen (ondergrondse) bouwhistorische resten binnen het plangebied bekend (paragraaf 2.1). Op basis van de monumentenlijsten (paragraaf 2.1) zijn binnen het plangebied geen (ondergrondse) bouwhistorische resten aanwezig. Op grond van het historisch kaartmateriaal (paragraaf 2.4) en de archeologische gegevens (paragraaf 2.5) worden deze ook niet verwacht.
KSP Archeologie
19
2.7
Gespecificeerde archeologische verwachting
Op basis van de gegevens uit het bureauonderzoek (paragraaf 2.1 t/m 2.6) is voor het plangebied een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld (samengevat in Tabel 2). Deze verwachting zal in de onderstaande tekst worden toegelicht. Periode
Verwachting
Verwachte kenmerken vindplaats
Laat-Paleolithicum – Neolithicum
Middelhoog
Bewoningssporen, tijdelijke kampementen, vuursteen artefacten, haardkuilen
Nederzetting: cultuurlaag, (paal)kuilen, greppels, fragmenten aardewerk, Neolithicum – Volle natuursteen, gebruiksvoorwerpen Middeleeuwen (tot in Middelhoog Begravingsresten: kringgreppel, e de 13 eeuw) fragmenten aardewerk (urn), verbrande botresten Late Middeleeuwen Huisplaats: cultuurlaag, (paal)kuilen, (vanaf de 13e eeuw)– Laag greppels, bakstenen, fragmenten Nieuwe tijd aardewerk, gebruiksvoorwerpen Tabel 2: Specifieke archeologische verwachting per periode voor het plangebied.
Diepteligging sporen Onder het eerddek van de gooreerdgrond (vanaf ca. 30 cm -mv)
Onder het eerddek van de gooreerdgrond (vanaf ca. 30 cm -mv) tot in de C-horizont
Onder de bovengrond (vanaf ca. 30 cm -mv) tot diep in de C-horizont
Het landschap heeft met name voor de prehistorische mens een belangrijke rol gespeeld in de keuze voor een bewoningslocatie. Het plangebied ligt op een dekzandrug, waar zich een gooreerdgrond heeft gevormd. De vorming van een gooreerdgrond duidt op vrij natte omstandigheden. Vanaf het Neolithicum vernatte het gebied en trad er op uitgebreide schaal veenvorming op. De laaggelegen gronden waren aanvankelijk te drassig om er intensief gebruik van te kunnen maken. Door ontginningen (betere afwatering) vanaf de Late Middeleeuwen konden ook deze gronden gebruikt worden. Gezien de ouderdom van de te verwachte afzettingen kunnen in het plangebied vindplaatsen aanwezig zijn vanaf het Laat-Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Jager-verzamelaars uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum kozen als woon- en verblijfplaats vaak voor de hoger liggende terreingedeelten in het landschap, bij voorkeur in de buurt van open water zoals een beekdal of vennetje. Water was een belangrijk gegeven, niet alleen voor het lessen van de dorst. Nabij water heerst er ook een grotere biodiversiteit wat de jacht en het verzamelen van plantaardig voedsel vergemakkelijkt. Archeologische vindplaatsen uit deze periode komen dus met name voor op overgangen van nat naar droog (de zogenaamde gradiëntzones).
Het plangebied ligt op een dekzandrug, maar er is geen open water in de directe omgeving aanwezig. Daarom is aan het plangebied een middelhoge verwachting toegekend voor vuursteenvindplaatsen uit het LaatPaleolithicum tot en met het Neolithicum. 1. 2. 3. 4.
5.
6. 7.
Datering: Laat-Paleolithicum - Neolithicum. Complextype: kampement/vuursteenvindplaats. Omvang: een paar vierkantenmeter (klein) tot enkele honderden vierkantenmeters (groot). Diepteligging: het potentiële archeologische niveau ligt onder het eerddek van de gooreerdgrond (vanaf ca. 30 cm -mv). Eventuele diepere grondsporen zoals haardkuilen kunnen tot in het dekzand (C-horizont) reiken. Gaafheid en conservering: door het historisch landgebruik als bouwland vanaf de Late Middeleeuwen is de kans groot dat de oorspronkelijke bodem geheel is opgenomen in de bouwvoor. De kans dat een intacte vuursteenvindplaats aanwezig is wordt daarom klein geacht. Wel kan de aanwezigheid van een vuursteenvindplaats worden aangetoond op basis van concentraties van fragmenten vuursteen in het plaggendek en/of in de onderliggende bodem. Locatie: hele plangebied. Uiterlijke kenmerken: Vuursteenvindplaatsen worden gekenmerkt door een vuursteenspreiding (artefacten, afslagen e.d.) en eventueel sporen in de vorm van ondiepe haardkuilen.
KSP Archeologie
20
8.
Mogelijke verstoringen: vuursteenvindplaatsen zijn kwetsbaar voor bodemingrepen omdat ze zich in de top van de oorspronkelijke bodem bevinden. Door landbewerking kan het archeologische vondstenniveau geheel zijn opgenomen in de bouwvoor.
Vanaf het Neolithicum ontstaan in onze streken de eerste landbouwculturen die gekenmerkt worden door sedentaire nederzettingen. In de beginperiode combineert men akkerbouw met het jagen en verzamelen, maar geleidelijk stapt men over naar akkerbouw en veeteelt. In de periode vanaf het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) heeft men een voorkeur voor hoger en droger gelegen gebieden, die geschikt waren voor akkerbouw. Hoewel het plangebied op een dekzandrug ligt, duidt de aanwezigheid van een gooreerdgrond op relatief natte omstandigheden. Vandaar dat aan het plangebied een middelhoge verwachting is toegekend voor vindplaatsen uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). 1. 2. 3.
4.
5.
6. 7.
8.
Datering: Neolithicum – Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Complextype: vindplaatsen vanaf het Neolithicum bestaan uit nederzettingssporen en/of sporen van begravingen. Omvang: nederzettingsterreinen of grafvelden/begravingen variëren in grootte van enkele honderden tot duizenden vierkante meters en kunnen zich soms over meerdere hectaren uitstrekken. Diepteligging: het potentiële archeologische niveau ligt onder het eerddek van de oorspronkelijke gooreerdbodem (vanaf ca. 30 cm -mv). De (diepere) grondsporen reiken tot in het dekzand (C-horizont). Gaafheid en conservering: het archeologische sporenniveau in de top van de C-horizont zal naar verwachting matig zijn beschermd door het eerddek. Wel zal (een deel van) het vondstniveau in de bouwvoor zijn opgenomen. Locatie: hele plangebied. Uiterlijke kenmerken: De nederzettingen worden gekenmerkt door permanente woningen die vaak diep in de grond gefundeerd waren. Waterputten werden gegraven voor de watervoorziening terwijl in en nabij de nederzetting afvalkuilen werden gegraven om afval te begraven. Naast nederzettingsresten kunnen ook begravingen voorkomen. Restanten hiervan kunnen bestaan uit kringgreppels, fragmenten aardewerk (urnen), crematieresten, inhumaties e.d. De sporen kunnen diep in de bodem reiken. Vondstmateriaal van de nederzetting kan door landbewerking in de bouwvoor terecht zijn gekomen.
Mogelijke verstoringen: de kans dat het archeologische sporenniveau in de top van de Chorizont is verstoord, wordt klein geacht. De verzamelde gegevens in het bureauonderzoek geven geen aanwijzingen voor diepe (recente) bodemverstoringen in het plangebied.
Vanaf de Late Middeleeuwen verandert het bewoningspatroon. Bewoning concentreert zich in dorpen, steden en bewoningsclusters. Rondom deze dorpen ligt het landbouwareaal dat instaat voor de voedselvoorziening van de inwoners. In deze periode is de landschappelijke ligging van het gebied niet meer doorslaggevend voor de locatiekeuze. Uit historisch kaartmateriaal blijkt dat het plangebied buiten de dorpskern van Terwolde ligt. Het plangebied is tot op heden onbebouwd en in gebruik geweest als landbouwgrond. Op basis hiervan is de kans klein dat er bewoning in het plangebied heeft plaatsgevonden in de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot in de Nieuwe tijd. Voor deze periode geldt daarom een lage verwachting. 2.8
Conclusie en advies
Op de gemeentelijke, archeologische verwachtingskaart is aan het plangebied een hoge archeologische verwachting toegekend (Figuur 9). Naar aanleiding van de resultaten van het bureauonderzoek is deze verwachting nader gespecificeerd.
KSP Archeologie
21
Op basis van de landschappelijke ligging op een dekzandrug, waar zich een gooreerdgrond heeft gevormd die duidt op relatief natte omstandigheden, is aan het plangebied een middelhoge verwachting toegekend voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Voor de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd is op basis van de historische ontwikkeling (onbebouwd tot op heden) een lage verwachting aan het plangebied toegekend. Het advies is om de verwachting te toetsen door middel van een Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase. Met dit onderzoek wordt de bodemopbouw in kaart gebracht en wordt de intactheid van de bodem en het potentiële archeologische niveau vastgesteld.
KSP Archeologie
22
3
Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase
3.1
Werkwijze
Voor het verkennend booronderzoek is uitgegaan van een boordichtheid van 7 boringen per hectare met een minimum van 5 boringen per plangebied. Het plangebied heeft een oppervlakte van 890 m2. Vanwege de onregelmatige vorm van het plangebied zijn er 7 boringen gezet (Bijlage 4). Vanwege het geringe oppervlak zijn de boringen zo gelijkmatig mogelijk over het plangebied verdeeld. De exacte boorlocaties zijn uitgezet met een handheld GPS toestel. De hoogteligging van de boringen ten opzichte van NAP is bepaald op basis van het AHN. De boringen zijn geplaatst met een Edelmanboor met een diameter van 7 cm. De boringen zijn uitgevoerd tot minimaal 20 cm in de C-horizont of doorgezet tot maximaal 1,4 m beneden maaiveld. Het opgeboorde sediment is met de hand verbrokkeld en versneden en met het blote oog geïnspecteerd op de aanwezigheid van archeologische indicatoren zoals houtskool, vuursteen en aardewerk. De boringen zijn beschreven conform de NEN 5104 en de bodemclassificatie volgens De Bakker & Schelling (1989) (Bijlage 5). 3.2
Veldsituatie
Vanaf de Quabbenburgerweg richting het NW loopt het plangebied licht op om vanaf het midden van het perceel richting het NW weer licht af te lopen. Het plangebied ligt aan de zuidwestzijde van een iets hoger gelegen deel, dat zuidwest-noordoost is georiënteerd. De algemene indruk van het perceel, waarbinnen het plangebied ligt, is dat het reliëf meer overeenkomsten vertoont met een dekzandwelving dan dat er echt sprake is van een duidelijke dekzandrug. Onderstaande foto geeft een indruk van het terrein (Figuur 10).
Figuur 10: Het plangebied gezien vanuit de noordhoek en gefotografeerd richting ZW (bron: KSP Archeologie).
KSP Archeologie
23
3.3
Beschrijving en interpretatie van de boorgegevens
3.3.1 Lithologie en geologie De onverstoorde natuurlijke ondergrond (aangetroffen vanaf 30-90 cm -mv) bestaat in de meeste boringen, met uitzondering van boring 6 en 7, geheel uit zwak tot matig siltig zeer fijn zand dat deels is verspoeld. De verspoeling is te herkennen aan een bijmenging met grovere zandkorrels en soms met enkele fijne grindjes en doordat het zand iets scherp of gewoon scherp aanvoelt. Het matig siltig zeer fijn zand is lichtgrijs van kleur, heeft een beetje een lemig karakter en is fijner van samenstelling dan het zwak siltig zeer fijn zand. Dit zand heeft wel iets weg van de zandige leem van het Laagpakket van Liempde van de Formatie van Boxtel (kenmerkend voor Noord-Brabant) wat door de wind is afgezet en zich aan vochtige oppervlakten heeft gehecht dan wel in stilstaand zoetwater is neergeslagen. Het zwak tot matig siltig zeer fijn zand is geïnterpreteerd als dekzand dan wel verspoeld dekzand behorend tot het Laagpakket van Wierden van de Formatie van Boxtel. In de boringen 6 en 7 is aan de onderzijde van bovengenoemd pakket zand, vanaf respectievelijk 110 en 130 cm -mv, sterk grindhoudend zeer fijn zand aangetroffen, dat is geïnterpreteerd als fluvioperiglaciaal zand behorend tot de Formatie van Boxtel. Het zand was over het algemeen matig tot sterk ijzerhoudend en in boring 7 was tussen 50 en 60 cm -mv zelfs sprake van een dunne oerbank.
Het ondiep voorkomen van zoveel ijzer wordt toegeschreven aan een schommelende hoge grondwaterstand. De onverstoorde natuurlijke ondergrond is afgedekt door een 30-90 cm dikke bouwvoor, waarvan het onderste deel is verploegd met het dekzand. 3.3.2 Bodem De bodem bestaat in de boringen 2, 4 en 5 geheel uit een donkerbruingrijze Aap-horizont (antropogeen opgebracht plaggendek) dat aan de onderzijde is verploegd met het zand van de C-horizont. Dit pakket is in totaal 50-70 cm dik. In boring 1 bestaat de bodem uit een 20 cm dikke Ap-horizont die tot een diepte van 30 cm -mv is verploegd met het zand van de C-horizont. In de boringen 3, 6 en 7 bestaat de bodem uit een 40 tot 50 cm dikke donkerbruingrijze Aap-horizont, die daaronder over een diepte van 10-20 cm is verploegd met een zwartgrijze begraven Apb-horizont. Daaronder is de zwartgrijze Apbhorizont over een diepte van 10-20 cm verploegd met het zand van de C-horizont. De zwartgrijze begraven Apb-horizont is geïnterpreteerd als de oorspronkelijk aanwezige gooreerdgrond (zie paragraaf 2.3), die bij de ontginning in waarschijnlijk de Late Middeleeuwen is verploegd met het zand van de C-horizont. Daarna is plaggenbemesting toegepast om de grond vruchtbaar te maken, waardoor in de loop van de eeuwen een dun plaggendek is ontstaan.
De oorspronkelijk aanwezige gooreerdgrond geeft aan dat het plangebied relatief nat moet zijn geweest en voor de ontginning in de Late Middeleeuwen niet geschikt was als landbouwgrond en om te wonen. In boring 7 is onder de verploegde gooreerdgrond, vanaf 60 cm -mv, een 15 cm dikke zandige C-horizont, die overgaat in een 10 cm dikke zwartgrijze Ah-horizont, waaronder het lemige dekzand van de C-horizont begint. Hier is sprake van beginnende bodemvorming, waarover dekzand is afgezet dat is verspoeld. Gezien de ligging direct boven het lemige dekzand zullen de omstandigheden vrij nat zijn geweest. Door de dikte van het plaggendek, dat in de loop van de tijd is opgebracht, lijkt het plangebied hoger dan het in werkelijkheid is geweest. Als je het plaggendek buiten beschouwing laat dan is er slechts sprake van een gering reliëf dat overeenkomt met een dekzandwelving in plaats van een dekzandrug. 3.4
Archeologische indicatoren
Bij de controle van het opgeboorde bodemmateriaal zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. Het booronderzoek had overigens een verkennend karakter. De afwezigheid van archeologische indicatoren zegt dan ook niets over de kans dat een vindplaats binnen het plangebied aanwezig is. 3.5
Toetsing van de archeologische verwachting
Het perceel waarbinnen het plangebied ligt heeft meer de kenmerken van een dekzandwelving dan van een dekzandrug. De oorspronkelijk bodem binnen het plangebied is een gooreerdgrond geweest, die is
KSP Archeologie
24
verploegd en in veel van de boringen is opgenomen in de onderzijde van het plaggendek. Het voorkomen van een gooreerdgrond geeft aan dat het plangebied relatief nat moet zijn geweest en voor de ontginning in de Late Middeleeuwen niet geschikt was als landbouwgrond en om te wonen. Vuursteenvindplaatsen van jagers-verzamelaars bestaan voornamelijk uit strooiing van fragmenten vuursteen en ondiepe grondsporen, zoals haardkuilen, in de bovengrond van de oorspronkelijke podzolgrond. Gezien het feit dat het plangebied eerder binnen een dekzandwelving ligt dan op een dekzandrug en dat de oorspronkelijk bodem is verploegd, wordt de kans klein geacht dat vuursteenvindplaatsen binnen het plangebied aanwezig zijn, voor zover deze wel aanwezig zijn geweest, zullen deze grotendeels verstoord zijn. De middelhoge verwachting uit het bureauonderzoek voor vuursteenvindplaatsen van jagers-verzamelaars uit het Laat-Paleolithicum tot en met Neolithicum wordt daarom naar laag bijgesteld. Nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd bestaan niet alleen uit fragmenten aardewerk, maar ook uit diepere sporen zoals paalgaten en afvalkuilen. Deze sporen kunnen tot in de C-horizont reiken.
Hoewel het potentiële archeologische sporenniveau in de top van de C-horizont intact is aangetroffen, duidt de aanwezigheid van een gooreerdgrond op natte omstandigheden, waardoor het plangebied niet geschikt was voor landbouw en wonen tot aan de ontginning in de Late Middeleeuwen. Daarom wordt de middelhoge verwachting uit het bureauonderzoek om archeologische resten uit de perioden Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) aan te treffen voor het plangebied naar laag bijgesteld. De resultaten van het booronderzoek geven geen aanleiding om de lage verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd bij te stellen.
KSP Archeologie
25
4
Conclusie en advies
4.1
Conclusie
Het doel van het archeologisch bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Op de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart is aan het plangebied een hoge archeologische verwachting toegekend (Figuur 9). Naar aanleiding van de resultaten van het bureauonderzoek is deze verwachting nader gespecificeerd. Op basis van de landschappelijke ligging op een dekzandrug, waar zich een gooreerdgrond heeft gevormd die duidt op relatief natte omstandigheden, is aan het plangebied een middelhoge verwachting toegekend voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Voor de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd is op basis van de historische ontwikkeling (onbebouwd tot op heden) een lage verwachting aan het plangebied toegekend. Vervolgens is deze verwachting getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. Uit de veldwaarnemingen en het booronderzoek is gebleken dat het perceel waarbinnen het plangebied ligt meer de kenmerken heeft van een dekzandwelving dan van een dekzandrug.
De oorspronkelijk bodem binnen het plangebied is een gooreerdgrond geweest, die is verploegd en in veel van de boringen opgenomen is in de onderzijde van het plaggendek. Het voorkomen van een gooreerdgrond geeft aan dat het plangebied relatief nat moet zijn geweest en voor de ontginning in de Late Middeleeuwen niet geschikt was als landbouwgrond en om te wonen. Op basis hiervan is zowel de middelhoge verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als de middelhoge verwachting voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) naar laag bijgesteld. De resultaten van het booronderzoek geven geen aanleiding om de lage verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd bij te stellen. Tijdens een booronderzoek kan geen archeologische vindplaats worden aangetroffen, ten hoogste archeologische indicatoren die wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. Een waardestelling conform protocol 4003, VS06 is dan ook niet van toepassing. 4.2
Beantwoording van de onderzoeksvragen
Wat is de bodemopbouw in het plangebied? De onverstoorde natuurlijke ondergrond (aangetroffen vanaf 30-90 cm -mv) bestaat in de meeste boringen, met uitzondering van boring 6 en 7, geheel uit zwak tot matig siltig zeer fijn zand dat deels is verspoeld. De verspoeling is te herkennen aan een bijmenging met grovere zandkorrels en soms met enkele fijne grindjes en doordat het zand iets scherp of gewoon scherp aanvoelt. Het matig siltig zeer fijn zand is lichtgrijs van kleur, heeft een beetje een lemig karakter en is fijner van samenstelling dan het zwak siltig zeer fijn zand. Dit zand heeft wel iets weg van de zandige leem van het Laagpakket van Liempde van de Formatie van Boxtel (kenmerkend voor Noord-Brabant) wat door de wind is afgezet en zich aan vochtige oppervlakten heeft gehecht dan wel in stilstaand zoetwater is neergeslagen. Het zwak tot matig siltig zeer fijn zand is geïnterpreteerd als dekzand dan wel verspoeld dekzand. In de boringen 6 en 7 is aan de onderzijde van bovengenoemd pakket zand, vanaf respectievelijk 110 en 130 cm -mv, sterk grindhoudend zeer fijn zand aangetroffen, dat is geïnterpreteerd als fluvioperiglaciaal zand. Het zand was over het algemeen matig tot sterk ijzerhoudend en in boring 7 was tussen 50 en 60 cm -mv zelfs sprake van een dunne oerbank. Het ondiep voorkomen van zoveel ijzer wordt toegeschreven aan een schommelende hoge grondwaterstand.
De onverstoorde natuurlijke
KSP Archeologie
26
ondergrond is afgedekt door een 30-90 cm dikke bouwvoor, waarvan het onderste deel is verploegd met het dekzand. De bodem bestaat in de boringen 2, 4 en 5 geheel uit een donkerbruingrijze Aap-horizont (antropogeen opgebracht plaggendek) dat aan de onderzijde is verploegd met het zand van de C-horizont. Dit pakket is in totaal 50-70 cm dik. In boring 1 bestaat de bodem uit een 20 cm dikke Ap-horizont die tot een diepte van 30 cm -mv is verploegd met het zand van de Chorizont. In de boringen 3, 6 en 7 bestaat de bodem uit een 40 tot 50 cm dikke donkerbruingrijze Aap-horizont, die daaronder over een diepte van 10-20 cm is verploegd met een zwartgrijze begraven Apb-horizont. Daaronder is de zwartgrijze Apb-horizont over een diepte van 10-20 cm verploegd met het zand van de C-horizont. De zwartgrijze begraven Apb-horizont is geïnterpreteerd als de oorspronkelijk aanwezige gooreerdgrond (zie paragraaf 2.3), die bij de ontginning in waarschijnlijk de Late Middeleeuwen is verploegd met het zand van de C-horizont. Daarna is plaggenbemesting toegepast om de grond vruchtbaar te maken, waardoor in de loop van de eeuwen een dun plaggendek is ontstaan. In boring 7 is onder de verploegde gooreerdgrond, vanaf 60 cm -mv, een 15 cm dikke zandige C-horizont, die overgaat in een 10 cm dikke zwartgrijze Ah-horizont, waaronder het lemige dekzand van de C-horizont begint.
Hier is sprake van beginnende bodemvorming, waarover dekzand is afgezet dat is verspoeld.
Wat is de geo(morfo)logische opbouw van de ondergrond in het plangebied? Het dekzand is deels verspoeld en op grotere diepte is in de boringen 6 en 7 fluvioperiglaciaal zand aangetroffen. Op grond van de veldwaarnemingen en het booronderzoek is gebleken dat het perceel waarbinnen het plangebied ligt, eerder de kenmerken heeft van een dekzandwelving dan van een dekzandrug. Daarom is geconcludeerd dat het plangebied binnen een dekzandwelving ligt.
Bevinden zich archeologisch relevante afzettingen in het plangebied? Zo ja, op welke diepte t.o.v. het maaiveld en het NAP? De archeologische relevante afzettingen kunnen worden aangetroffen vanaf 30-90 cm -mv (4,93-4,24 m +NAP) in de C-horizont van de bodem.
In hoeverre is deze bodemopbouw nog intact? De C-horizont is over een diepte van 10-30 cm verploegd met de Aap-horizont dan wel de Apbhorizont.
Als de bodemopbouw (deels) verstoord is: hoeveel van het archeologisch niveau (vondstniveau én sporenvlak) is aangetast (kwantificeer in cm)? Wat betekent dit voor de archeologische verwachting? Van het potentiële archeologische niveau is 10-30 cm aangetast. Dit betekent dat de archeologische verwachting moet worden bijgesteld.
Moet de archeologische verwachting uit het bureauonderzoek worden bijgesteld? Zo ja, waarom? Op grond van de beantwoording van bovenstaande vraag moet de archeologische verwachting uit het bureauonderzoek worden bijgesteld. Naast een verstoring van het potentiële archeologische niveau van 10-30 cm, is vastgesteld dat het plangebied niet op een dekzandrug ligt maar op een dekzandwelving, waar zich een gooreerdgrond heeft gevormd. Deze is verploegd en in veel van de boringen is opgenomen in de onderzijde van het plaggendek. Het voorkomen van een gooreerdgrond geeft aan dat het plangebied relatief nat moet zijn geweest en voor de ontginning in de Late Middeleeuwen niet geschikt was als landbouwgrond en om te wonen. Op grond hiervan is de middelhoge verwachting voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als de middelhoge verwachting als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw)
KSP Archeologie
27
naar laag bijgesteld. De resultaten van het booronderzoek geven geen aanleiding om de lage verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd bij te stellen. 4.3
Selectieadvies
Op grond van de vaststelling dat het plangebied op een dekzandwelving ligt, die oorspronkelijk is afgedekt door een gooreerdgrond, blijkt dat het plangebied relatief nat moet zijn geweest en voor de ontginning in de Late Middeleeuwen niet geschikt was als landbouwgrond en om te wonen. Voor het plangebied geldt een lage verwachting voor alle archeologische perioden, daarom adviseert KSP Archeologie geen archeologisch vervolgonderzoek. Advies Boevenbrinkweg 4 Wat de sloop van de stallen betreft zullen eventueel aanwezige archeologische resten onder de rechter stal geheel zijn verdwenen. Onder de linkerstal kunnen binnen de zones waar geen mestkelders aanwezig zijn nog archeologische resten bewaard zijn gebleven. Bij de sloop van de stallen dient bij het verwijderen van de mestkelders enige voorzichtigheid in betracht te worden genomen zodat de zijwanden niet worden aangetast dan wel instorten, waardoor mogelijke archeologische resten worden verstoord. Na het verwijderen van de mestkelders mogen de gaten niet dichtgeschoven worden, maar moeten deze worden aangevuld met grond. Indien hier rekening mee wordt gehouden dan vormt de sloop van de twee stallen geen bedreiging voor het archeologische bodemarchief. Bovenstaand advies vormt een zogenaamd selectieadvies.
Dit selectieadvies betekent nog niet dat reeds bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek zullen namelijk eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Voorst), die vervolgens een selectiebesluit neemt. Het uitgevoerde onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. Het onderzoek is erop gericht om de kans op het aantreffen dan wel vernietigen van archeologische waarden bij bouwwerkzaamheden in het plangebied te verkleinen. Aangezien het onderzoek is uitgevoerd door middel van een steekproef kan echter, op basis van de onderzoeksresultaten, de aan- of afwezigheid van eventuele archeologische waarden niet met zekerheid gegarandeerd worden. Indien bij graafwerkzaamheden archeologische waarden worden aangetroffen, dienen deze conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10, bij de minister gemeld te worden. In de praktijk kan de vinder terecht bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (T 033 – 4217 456 of info@cultureelerfgoed.nl) zodat de vondst geregistreerd wordt in het centraal archeologische informatiesysteem. Daarnaast wordt het advies gegeven om de vondst ook bij de gemeente te melden.
KSP Archeologie
28
Literatuur Boeken, rapporten en artikelen Bakker, H. de & Schelling, J. (1989). Systeem van de bodemclassificatie voor Nederland: de hogere niveaus. (Tweede druk bewerkt door Brus, D.J. & Wallenburg C. van) Centrum voor Landbouwpublikaties en Landbouwdocumentatie, Wageningen. Berendsen, H.J.A. (2005). Landschappelijk Nederland. Perspectief Uitgevers, Utrecht. Centraal College van Deskundigen Archeologie (2018). Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1. Stichting voor Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, Gouda. Cohen, K.M., Stouthamer, E., Hoek W.Z./Berendsen, H.J.A./Kempen, H.F.J. (2009): Zand in banen. Zanddieptekaarten van het Rivierengebied en het IJsseldal in de provincies Gelderland en Overijssel, Arnhem (Provincie Gelderland, 3rd fully revised edition). Haartsen, A. (2009). Ontgonnen Verleden. Regiobeschrijvingen provincie Gelderland. Bureau Lantschap. Keunen, L.J., Willemse N.W., Roode, F. de, Smal, D.E., Neefjes, J. Veen, S. van der, Moorsel, J.P.M. van (2017). Erfgoed in de gemeente Voorst. Archeologie en cultuurhistorie op de kaart gezet. Deel I: Inleiding, methoden en bronnen. Deel II: Toelichting op de kaarten. RAAP, rapport 3030, Weesp. Louwe, E. (2018). Archeologische begeleiding Blikkenweg 9 en 9a te Twello in de gemeente Voorst. Econsultancy, rapport 15096113, Doetinchem. Nederlands Normalisatie Instituut (1990). NEN-5104:1989 grondmonsters.
Nederlands Normalisatie Instituut, Delft.
NL, Classificatie van onverharde
Putten, M.J. van (2015). Gemeente Voorst. Plangebied Bruggenbosch Blikkenweg 15 te Twello. Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek (karterende fase). BAAC, rapport V-15.0024, Deventer. Stouthamer, E., Cohen, K.M. & Hoek, W.Z. (2015). De vorming van het land: geologie en geomorfologie. Perspectief Uitgevers, Utrecht. Weerheijm, W.J., Schrijvers, R. (2016). Archeologisch vooronderzoek ten behoeve van de nieuwbouw van een portierswoning aan de Quabbenburgerweg te Twello (plangebied ‘Het Wezeveld’), gemeente Voorst. Ruimtelijk advies op basis van bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek. Vestigia, Rapport V1420, Amersfoort.
Kaartmateriaal Actueel Hoogtebestand van Nederland (2014-2019). AHN3, grid 0,5 x 0,5m: www.ahn.nl en de ruwe data via https://downloads.pdok.nl/ahn3-downloadpage/ Actueel Hoogtebestand van Nederland (2020- naar verwachting 2022). AHN4, grid 0,5 x 0,5m: www.ahn.nl en de ruwe data via https://www.ahn.nl/ahn-viewer Archeologische Monumenten Kaart (2014) Geraadpleegd via archis.cultureelerfgoed.nl.
KSP Archeologie
29
Archeologische onderzoeks- en vondstmeldingen (actueel). Geraadpleegd via archis.cultureelerfgoed.nl Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG): https://bagviewer.kadaster.nl Basisregistratie Grootschalige Topografie via WMTS-server: https://geodata.nationaalgeoregister.nl/tiles/service/wmts?request=GetCapabilities&service=WMTS Basisregistratie Topografie Achtergrondkaarten (BRT-A) via WMTS-server: https://geodata.nationaalgeoregister.nl/tiles/service/wmts?request=GetCapabilities&service=WMTS Bestemmingsplan: www.ruimtelijkeplannen.nl Bodemkwaliteit: www.bodemloket.nl Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000 versie 2018 (gepubliceerd in de Basis Registratie Ondergrond december 2019). Wageningen Environmental Research. Geraadpleegd via https://geodata.nationaalgeoregister.nl/bzk/bro-bodemkaart/atom/v1_0/bro-bodemkaart.xml. Bonnebladen en Topografische kaarten van Nederland schaal 1:25.000: www.topotijdreis.nl (Kadaster). Brouwer, F. & M.M. van der Werff, (2012). Vergraven gronden: Inventarisatie van ‘diepe’ grondbewerkingen, ophogingen en afgravingen. Wageningen, Alterra, Alterra-rapport 2336. Digitaal Archief (DANS) Rapporten (https://easy.dans.knaw.nl/);
en
onderzoeksgegevens
van
archeologisch
onderzoek
Digitale Kadastrale kaart van Nederland v4 via WMS server: https://geodata.nationaalgeoregister.nl/kadastralekaart/wms/v4_0?service=WMS&version=1.3.0&request=GetCapabilities Dirks, G.H.P. & Nieuwenhuizen, W. (2013). HISTLAND: historisch-landschappelijk informatiesysteem. Wageningen, Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, WOt-werkdocument 331. Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:50.000 versie 2019 (gepubliceerd in de BasisRegistratie Ondergrond maart 2020). Alterra, Wageningen UR. Geraadpleegd via https://geodata.nationaalgeoregister.nl/bzk/brogmm/atom/v1_0/index.xmlLegenda: Maas, G. J., S. P. J. v. Delft & A. H. Heidema. (2017). "Toelichting bij de legenda Geomorfologische kaart van Nederland 1:50 000 (2017)." http://legendageomorfologie.wur.nl/. Wageningen, Wageningen Environmental Research. Grondwatertrappenkaart van de bodemkaart 1:50.000 versie tot 2006: http://geoplaza.vu.nl/ data/dataset/bodemkaart-van-nederland/resource/2398cef7-957e-4ba5-b218-08ac275d72fb. Indicatieve Kaart Militair Erfgoed: www.ikme.nl KLIC-meldingen via www.kadaster.nl Luchtfoto Beeldmateriaal / PDOK 25 cm RGB via WMTS server: https://geodata.nationaalgeoregister.nl/luchtfoto/rgb/wmts?request=GetCapabilities&service=wmt s Kadastrale kaarten 1811-1832. http://beeldbank.cultureelerfgoed.nl
KSP Archeologie
30
Rijksmonumenten (2019): Geraadpleegd via openbaar/wfs
WFS server: https://data.geo.cultureelerfgoed.nl/
TNO Geologische Dienst (2021): Geologische https://www.dinoloket.nl/ondergrondmodellen.
Kaart
van
Nederland
2021
Topografische kaart van Nederland schaal 1:25.000 (rasterbestand) via WMS server: https://geodata.nationaalgeoregister.nl/top25raster/wms?request=GetCapabilities&service=wms. Kadaster. Topografische kaart van Nederland schaal 1:10.000 (rasterbestand) via WMS server: https://geodata.nationaalgeoregister.nl/top10nlv2/wms?request=GetCapabilities&service=wms V.1 & V.2 inslagen in Nederland: vergeltungswaffen.nl Versfelt, H.J. (2003). De Hottinger-atlas van Noord- en Oost-Nederland: 1773-1794. Heveskes Uitgevers, Groningen. Vooronderzoek en Opsporing niet-gesprongen explosieven: https://www.explosievenopsporing.nl/veobommenkaart/ Wageningen Environmental Research (2022). Grondwaterspiegeldiepte Model voor Nederland (50x50 meter grid) https://service.pdok.nl/bzk/bro-grondwaterspiegeldiepte/wms/v1_0
Websites Geologische eenheden (formaties): https://www.dinoloket.nl/stratigrafische-nomenclator
KSP Archeologie
31
Bijlage 1
KSP Archeologie
Geomorfologische kaart
Bijlage 2
KSP Archeologie
Bodemkaart
Bijlage 3
KSP Archeologie
Archeologische gegevens
Bijlage 4
KSP Archeologie
Boorpuntenkaart
KSP Archeologie
Bijlage 5 Boorbeschrijvingen Projectnummer
: 22054
Boring
X (m RD)
Y (m RD)
Z (m+NAP) via AHN3
Project
: Quabbenburgerweg Terwolde
1
202.546
473.531
5,23
Datum
: 3 mei 2022
2
202.527
473.520
5,33
Beschrijver
: Erik Schorn
3
202.505
473.516
5,24
Type grond
: Zand
4
202.492
473.533
5,13
Boordiameter
: Edelman 7 cm
5
202.500
473.554
5,18
Bijzonderheden
: Geen
6
202.480
473.523
5,08
7
202.483
473.509
5,20 Opmerkingen
Boring
Diepte in cm
Textuur
Humus
Kleur
Bijzondere bestanddelen
Horizont
1 net ingezaaide grasstrook
20
Z2s1
h2
dbrgr
oranje zandvlekken
Ap
30
Z2s1
h1
dbrgr/orgr
Fe3
Ap/C
verploegd
80
Z2s1
orgr
Fe3
C
dekzand
100
Z2s1
lbrgr
Fe3, GW op 100 cm
C
dekzand
Boring
Diepte in cm
Textuur
Humus
Kleur
Bijzondere bestanddelen
Horizont
Opmerkingen
2 braakliggende strook
30
Z2s1
h3
dbrgr
60
Z2s1
h1
dbrgr/orgr
Fe3
Aap/C
100
Z2s1
lgegr
C
120
Z2s1
lgegr
Fe2 Fe2, GW op 120 cm, enkele fijne grindjes
verploegd voelt iets scherp aan, verspoeld dekzand?
C
verspoeld dekzand
Diepte in cm
Opmerkingen
Textuur
Humus
Kleur
Bijzondere bestanddelen
Horizont
Z2s1
h3
dbrgr
oranje zandvlekken
Aap
Z2s1
h2
dbrgr/zwgr
gele zandvlekjes
Aap/Apb/C
90
Z2s2
zwgr/gegr
Fe3
Apb/C
110
Z2s1
lbrgr
Fe3
C
verploegd voelt iets scherp aan, verspoeld dekzand?
120
Z2s2
lbrgr
Fe3
C
lemig, dekzand
Diepte in cm
Textuur
Humus
Kleur
Bijzondere bestanddelen
Horizont
Opmerkingen
Z2s2
h3
dbrgr
Z2s1
h2
dbrgr/or
Boring
4 40 braakliggende akker met graan van vorig jaar 50
Boring
verploegd
Aap/C
verploegd voelt iets scherp aan, verspoeld dekzand?
90
Z2s1
lgegr
100
Z2s2
lgegr
Fe3
C
110
Z2s1
lgegr
Fe3, grovere zandkorrels
C
lemig, dekzand voelt scherp aan, verspoeld dekzand
Diepte in cm
Bijzondere bestanddelen
Horizont
Opmerkingen
Textuur
Humus
Kleur
Z2s2
h3
dbrgr
Z2s1
h1
dbrgr/lgegr
60
Z2s1
80
Z2s1
110
Z2s1
Diepte in cm
Boring
Aap/C
Z2s1
5 35 braakliggende akker met graan van vorig jaar 50
Vondsten
Aap
70
dgr/lgegr
Vondsten
verploegd met eerddek gooreerdgrond
Fe3, enkele grovere zandkorrels Fe3, enkele grovere zandkorrels
h1
Vondsten
Aap
3 50 braakliggende akker met graan van vorig jaar 70
Boring
Vondsten
C
Vondsten
Aap
Aap/C
lgegr
Fe2 Fe3, enkele grovere zandkorrels
gegr
Fe3
C
gegr
Fe3
C
dekzand voelt scherp aan, verspoeld dekzand
Bijzondere bestanddelen
Horizont
Opmerkingen
C
verploegd voelt iets scherp aan, verspoeld dekzand?
Textuur
Humus
Kleur
6 50 braakliggende akker met graan van vorig jaar 70
Z2s2
h3
dbrgr
Z2s1
h2
dbrgr/zwgr
Fe2
Aap/Apb
verploegd
80
Z2s1
zwgr/orge
Fe3
Apb/C
verploegd
90
Z2s1
gegr
Fe3, grovere zandkorrels
C
dekzand, verspoeld?
100
Z2s2
lgr
Fe2
C
lemig, dekzand
110
Z2s2
lgr
Fe2, enkele grindjes
C
lemig, dekzand
120
Z2s1g3
lgegr
Fe3
C
fluvioperiglaciaal
Aap
Pagina 1 van 2
Vondsten