CConstaterende datVoorst
Koppel je AI →
Document · PDF

Boevenbrinkstraat 4 en Quabbenburgerweg, Terwolde bijlagen

gemeenteraad 15 mei 2023, gemeente VoorstBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Boevenbrinkstraat 4 en Quabbenburgerweg, Terwolde24.997 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

toepassing op landbodem de waterbodemkwaliteit wordt in het kader van deze toepassing onderverdeeld in de klassen ‘altijd toepasbaar’, wonen, industrie, ‘niet toepasbaar’ of ‘nooit toepasbaar’17

15 16

msPAF

17

De normwaarden zijn afkomstig uit de Regeling Bodemkwaliteit ‘Vrij toepasbare bagger’ kan zonder aanvullende toetsingen onder meer verspreid worden op het aangrenzende perceel. Een aanvullende toetsing met behulp van msPAF is alleen noodzakelijk bij de klassen A of B meer stoffen Potentieel Aangetaste Fractie van lagere organismen. De msPAF-toets is een methode om ecologische risico’s te bepalen. De toets geeft een indicatie over het deel van de aanwezige organismen dat nadelige gevolgen kan ondervinden als gevolg van het aanwezige mengsel van verontreinigingen. Op basis van het criterium dat de verspreidbare hoeveelheid bagger minimaal gelijk moet blijven, is de norm gesteld op msPAF-metalen < 50% en msPAF-organisch <20%. Naast de msPAF zijn 5 stoffen individueel genormeerd te weten barium, cadmium, kobalt, molybdeen en minerale olie De analyseresultaten worden, na omrekening tot gehalten standaardbodem, getoetst aan de normwaarden voor toepassen van grond op of in de bodem (Regeling bodemkwaliteit)

3. Betrouwbaarheid van onderzoeken Bodemonderzoeken worden op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. Het gehele proces van offerte tot en met rapportage is geborgd in een gecertificeerd ISO 9001 kwaliteitssysteem. Analyses vinden, tenzij anders vermeld, plaats in geaccrediteerde laboratoria. PJ Milieu BV streeft bij elk milieuhygiënisch onderzoek naar een optimale representativiteit. Echter, een dergelijk onderzoek is gebaseerd op het verrichten van een beperkt aantal monsterlocaties en het nemen en analyseren van een beperkt aantal monsters. Hierdoor blijft het mogelijk, dat plaatselijke afwijkingen in de samenstelling van grond en/of grondwater aanwezig zijn, welke tijdens het onderzoek niet naar voren zijn gekomen. PJ Milieu BV is niet aansprakelijk voor hieruit voortvloeiende schade of gevolgen van welke aard ook. Hierbij wordt er tevens op gewezen, dat het uitgevoerde bodemonderzoek een momentopname is. Beïnvloeding van grond- en grondwaterkwaliteit zal ook plaats kunnen vinden na uitvoering van dit onderzoek, bijvoorbeeld door bouwrijp maken of aanvoer van grond van elders. Naarmate een langere tijd is verlopen na uitvoering van het onderzoek, dient men meer voorzichtigheid te betrachten en voorbehoud te maken bij het gebruik van de onderzoeksresultaten.

Bijlage | 6 Tekening

296 301

Vp duiker

300

289 schaal omgevingskaart 1:10000

LEGENDA

4

Boring

3 2 1

Peilbuis

5

25 1234

6

Huisnummer Perceelsnummer Onderzoekslocatie Bebouwing (buitenmuur)

295

Perceelsgrens (Kadaster)

298

Topografie Begrenzing water

725

Projectnaam: Quabbenburgerweg (naast nr. 5) Twello Type: Verkennend bodemonderzoek

686

5 294

Omschrijving: Situatietekening Projectnr: Bestandsnaam: 22003501A 22003501A Formaat: Datum: Getekend: A3 MJG 16-02-2022 Schaal: 10m 0m 1:1000

PJ Milieu BV Adres: Telefoon: E-mail: Internet: Aan de maten kunnen geen rechten worden ontleend.

Nijverheidsstraat 21 3861 RJ Nijkerk 033 - 245 85 11 info@pjmilieu.nl www.pjmilieu.nl

grondwater

Tekeningnr: 1

50m

Versie: Definitief

QUICKSCAN FLORA EN FAUNA, BOEVENBRINKSTRAAT 4 TE TERWOLDE In opdracht van dhr. E. Bosgoed

QUICKSCAN FLORA EN FAUNA, BOEVENBRINKSTRAAT 4 TE TERWOLDE

1

Colofon: Titel: Opdrachtgever: Opgesteld door: Auteur: Status: Versie: Datum:

Quickscan Flora en Fauna, Boevenbrinkstraat 4 te Terwolde dhr. E. Bosgoed MIECON BV Dr. F.J.A. Kuenen definitief 1 dinsdag 5 april 2022

QUICKSCAN FLORA EN FAUNA, BOEVENBRINKSTRAAT 4 TE TERWOLDE

2

Inhoudsopgave 1.

Inleiding .................................................................................................. 4

2.

Beschrijving plangebied ................................................................................ 4

3.

Beschrijving plannen ................................................................................... 4

4.

Werkwijze ................................................................................................ 6

5.

Effecten op beschermde soorten ..................................................................... 7

6.

5.1.

Vogels............................................................................................... 7

5.2.

Planten ............................................................................................. 7

5.3.

Vleermuizen ....................................................................................... 7

5.4.

Grondgebonden zoogdieren ..................................................................... 9

5.5.

Reptielen ........................................................................................... 9

5.6.

Amfibieën .......................................................................................... 9

5.7.

Vissen ............................................................................................... 9

5.8.

Ongewervelden ................................................................................... 9

5.9.

Conclusie ........................................................................................... 9

Effecten op beschermde gebieden .................................................................. 10 6.1.

Natura 2000 ....................................................................................... 10

6.2.

Natuurnetwerk Nederland (NNN) .............................................................. 10

6.3.

Houtopstanden ................................................................................... 10

7.

Conclusie ................................................................................................ 11

8.

Aanbevelingen .......................................................................................... 12

9.

Beeldmateriaal ......................................................................................... 13

QUICKSCAN FLORA EN FAUNA, BOEVENBRINKSTRAAT 4 TE TERWOLDE

3

1. INLEIDING

Aan de Boevenbrinkstraat 4 te Terwolde is een voormalige boerderij gelegen. Delen van de opstallen zullen worden gesloopt. Om te bepalen of er bij sloop sprake is van een (mogelijk) effect op beschermde soorten planten en/of dieren is een verkennend onderzoek in de vorm van een quickscan uitgevoerd. Elk plangebied kan in principe beschermde soorten herbergen. Deze quickscan is erop gericht om (strikt) beschermde soorten in het plangebied uit te sluiten op basis van soortspecifieke habitateisen, verspreidingsgebied en de actuele situatie in het plangebied. Soorten die niet kunnen worden uitgesloten, kunnen aanleiding vormen om een nader onderzoek op te starten wanneer de beoogde ontwikkelingen een negatief effect kunnen veroorzaken. Ook is in deze quickscan onderzocht of er nadelige effecten optreden op gebieden met een speciale beschermingsstatus (Natuurnetwerk Nederland, Natura 2000 etc.).

2. BESCHRIJVING PLANGEBIED

Het plangebied is gelegen aan de Boevenbrinkstraat 4 in Terwolde. De Boevenbrinkstraat vormt de zuidgrens van het plangebied. Aan alle overige zijden grenst het plangebied aan weiland. Alleen aan de zuidoostelijke zijde van het plangebied is sprake van enig opgaand groen. Het plangebied kent een lage verstoringsgraad omdat het niet meer in gebruik is als intensief agrarisch bedrijf. De opstallen staan grotendeels leeg en zijn in slechte staat. Het deel dat niet geheel gesloopt wordt, verkeert nog wel in goede staat. De delen die onaangetast blijven zijn in heel goede staat.

3. BESCHRIJVING PLANNEN Het plangebied heeft op dit moment voornamelijk een woonfunctie. Enkele dieren zijn nog wel aanwezig maar dit is niet meer op een grootschalige agrarische wijze. Twee grotere stallen met tussenliggend deel worden gesloopt. Een deel van de stal die aansluit op het woongedeelte zal worden verwijderd waardoor ca 3 meter zal verdwijnen.

QUICKSCAN FLORA EN FAUNA, BOEVENBRINKSTRAAT 4 TE TERWOLDE

4

QUICKSCAN FLORA EN FAUNA, BOEVENBRINKSTRAAT 4 TE TERWOLDE

5

4. WERKWIJZE De quickscan is gebaseerd op een bureaustudie naar de verspreidingsgebieden van mogelijk voorkomende soorten en een veldbezoek. Tijdens het veldbezoek is onderzocht of het plangebied voldoet aan soortspecifieke habitateisen van beschermde soorten. Ook is gezicht naar sporen die wijzen op aanwezigheid van (verblijfplaatsen van) beschermde soorten. Het veldbezoek is uitgevoerd op 4 maart 2022. Tijdens het veldbezoek zijn alle te slopen delen van binnen en van buiten onderzocht. Hierbij is ook gelet op de ligging ten opzichte van groenstructuren, waterpartijen en andere elementen die van belang kunnen zijn voor beschermde soorten.

QUICKSCAN FLORA EN FAUNA, BOEVENBRINKSTRAAT 4 TE TERWOLDE

6

5. EFFECTEN OP BESCHERMDE SOORTEN Om te bepalen of er een effect is op beschermde soorten planten en/of dieren wordt hier per soortgroep bepaald wat het voorkomen is in het plangebied en wat de eventuele effecten zouden kunnen zijn.

5.1. Vogels Alle broedende vogels zijn beschermd. Als broedende vogels in een plangebied aanwezig zijn en kunnen worden verstoord door de werkzaamheden, dan zit er niets anders op dan te wachten totdat de vogels klaar zijn met broeden. Jaarrond beschermde soorten: Huismus Er zijn geen sporen gevonden die wijzen op aanwezigheid van vaste rust- of verblijfplaatsen van jaarrond beschermde vogelsoorten in de te slopen delen. In het plangebied komen wel huismussen voor. Deze broeden onder de pannen van een van de gebouwen die behouden blijven. Met name rondom het dakraam is daar veel activiteit te zien. In de te slopen delen zijn geen nesten of nestindicerend gedrag waargenomen. Mussen zijn wel waargenomen in het aansluitende deel dat gesloopt gaat worden. Ten tijde van het veldbezoek stonden hier nog enkele koeien en hier komen de mussen op af om te foerageren. Hier zijn geen mogelijkheden voor mussen om te broeden aangetroffen. Jaarrond beschermde soorten: Gierzwaluw De Gierzwaluw broedt in vrij hoge gebouwen. De panden in het plangebied zijn te laag en hebben geen openingen. Hierdoor kan een gierzwaluw geen geschikte broedlocatie vinden. De aanwezigheid van gierzwaluwen is uitgesloten. Jaarrond beschermde soorten: Kerkuil Op enkele honderden meters van het plangebied is het landschap wat kleinschaliger met meer bosschages en lijnvormige elementen.

Een kerkuil zou hier kunnen foerageren. Het plangebied en de directe omgeving biedt voor deze soort echter geen mogelijkheden. Geschikte broedlocaties ontbreken in het geheel. Er zijn geen negatieve effecten op Kerkuilen. Jaarrond beschermde soorten: Steenuil Van alle uilen is de Steenuil het meest te vinden in de buurt van menselijke bewoning. Maar ook van deze soort ontbreken de sporen in het geheel. Het ontbreekt aan geschikte broedmogelijkheden. Negatieve effecten op jaarrond beschermde vogelsoorten zijn niet te verwachten.

5.2. Planten Veel planten zijn beschermd maar deze zijn allemaal gebonden aan bijzondere abiotische omstandigheden. Het plangebied is grotendeels verhard en is altijd in gebruik geweest als agrarisch bedrijf met de bijbehorende betreding met zwaar materieel en een hoge stikstofuitstoot. Van bijzondere abiotische omstandigheden is in het plangebied geen sprake en daardoor is de kans op vestiging van beschermde soorten planten nihil. Negatieve effecten op beschermde soorten planten zijn op voorhand uit te sluiten.

5.3. Vleermuizen Hoewel vleermuizen tot de Klasse van de Zoogdieren behoren wordt hier wel apart aandacht aan deze groep geschonken omdat de dieren vaak een rol spelen in de ruimtelijke ordening of bij ingrepen in bebouwing.

QUICKSCAN FLORA EN FAUNA, BOEVENBRINKSTRAAT 4 TE TERWOLDE

7

Vleermuizen zijn in te delen in twee groepen. De eerste groep heeft vaste rust- of verblijfplaatsen in bomen, de andere groep in gebouwen. Er is ook een groep die zowel van bomen gebruik maakt als van gebouwen. Boombewonende vleermuissoorten In het plangebied worden geen bomen gekapt. Weliswaar zijn enkele bomen aanwezig aan de zuidoostelijke hoek van het plangebied maar deze blijven ongemoeid. De ontwikkelingen hebben geen negatief effect op boombewonende vleermuissoorten Gebouwbewonende vleermuissoorten De twee losstaande voormalige stallen worden gesloopt. Van de stal die aansluit op het woonhuis wordt enkel het voorste deel verwijderd. Losstaande stallen De losstaande stallen zijn volledig geïnspecteerd op aanwezigheid mogelijke verblijfplaatsen van vleermuizen. Deze stallen verkeren in zeer slechte staat. De isolatie van de dakplaten is niet langer aanwezig. Deze is tijdens eerdere werkzaamheden al verwijderd en grote delen zijn door stormschade naar beneden gevallen. Hierdoor is het dak niet langer geschikt. De wanden van de stallen zijn voorzien van een luchtspouw. De kopgevels zijn volledig afgesloten en daardoor niet toegankelijk voor vleermuizen. De zijgevels zijn ook voorzien van luchtspouwen maar hier zijn op veel plaatsen grote openingen aanwezig waardoor de spouw blootligt. Er is veel lichtinval en tocht in de spouwruimte. Deze is daardoor niet geschikt.

Er zijn geen sporen aangetroffen die wijzen op gebruik door vleermuizen. Aansluitende stal Deze stal is de enige die nog een agrarische functie heeft. Deze stal is gemoderniseerd en goed onderhouden. Het dak is geïsoleerd met harde isolatieplaat die volledig aansluit. Er is geen toegankelijke ruimte onder het dak. Ook de kopgevel die gaat verdwijnen is volledig afgesloten. Er is geen ruimte tussen de aansluiting van het dak op de gevel. Vleermuizen kunnen hier niet aanwezig zijn. De ontwikkelingen in het plangebied hebben geen negatief effect op gebouwbewonende vleermuissoorten.

Vliegroutes Vleermuizen gebruiken vaste vliegroutes om van hun verblijfplaats naar het foerageergebied te trekken. Als deze vliegroutes worden onderbroken, dan kan in sommige gevallen ook de vaste rust- of verblijfplaats niet langer functioneren. Dat betekent dan een overtreding van de Wet Natuurbescherming. De te slopen opstallen maken geen deel uit van een vliegroute. Er is sprake van versnipperde groene elementen waardoor er sowieso al sprake is van een slecht doorgankelijk gebied voor vleermuizen. Veel van de lijnvormige elementen die in het landschap te onderscheiden zijn, hebben al grote onderbrekingen. Negatieve effecten op vaste vliegroutes van vleermuizen zijn op voorhand uit te sluiten. Foerageergebieden Foerageergebieden van vleermuizen zijn beschermd als deze van levensbelang zijn voor de lokale populatie. Het is onwaarschijnlijk dat het plangebied een foerageergebied vormt dat van essentiële betekenis is voor de lokale vleermuispopulatie. De omgeving is zeer open en daardoor ontbreekt het aan windluwtes waar vleermuizen goed op insecten kunnen jagen. Er is geen water en ook ontbreekt het aan insectenrijke ruigtes.

QUICKSCAN FLORA EN FAUNA, BOEVENBRINKSTRAAT 4 TE TERWOLDE

8

Negatieve effecten op essentiële foerageergebieden van vleermuizen zijn op voorhand uit te sluiten.

5.4. Grondgebonden zoogdieren In het plangebied worden alleen kleine en zeer algemene soorten verwacht. Er zijn geen sporen aangetroffen die duiden op aanwezigheid van beschermde, grondgebonden zoogdiersoorten. Ook valt de omgeving van het plangebied nog wel onder grootschalig agrarisch gebruik. Deze omstandigheden bieden geen mogelijkheden voor beschermde soorten zoogdieren. Negatieve effecten op beschermde soorten zoogdieren zijn op voorhand uit te sluiten.

5.5. Reptielen Het plangebied voldoet nu niet aan de soortspecifieke habitateisen van reptielen. Reptielen zijn afhankelijk van structuurrijk habitats waar weinig sprake is van verstoring. Dit ontbreekt volledig. Het plangebied biedt als habitat geen mogelijkheden voor reptielen. Negatieve effecten op reptielen op voorhand uit te sluiten.

5.6. Amfibieën Het plangebied voldoet nu niet aan de soortspecifieke habitateisen van amfibieën. Amfibieën leven zowel in water als op het land. Water is niet aanwezig en daardoor kunnen amfibieën zich niet voortplanten binnen het plangebied. De landbiotoop voldoet niet als leefgebied omdat er geen schuilmogelijkheden zijn. Het plangebied is grotendeels verhard en kent geen ruigtes, strooisellaag of andere essentiële onderdelen van een landbiotoop voor amfibieën. Negatieve effecten op reptielen of amfibieën zijn op voorhand uit te sluiten.

5.7. Vissen In het plangebied is geen open water aanwezig en vissen kunnen hier dus niet voorkomen. Negatieve effecten op vissen zijn op voorhand uit te sluiten.

5.8. Ongewervelden Beschermde soorten ongewervelden zijn afhankelijk van zeer specifieke habitats met bijzondere kenmerken. Het plangebied voldoet hier volstrekt niet aan en beschermde soorten ongewervelden zijn dan ook niet aanwezig. Negatieve effecten op beschermde soorten ongewervelden zijn op voorhand uit te sluiten.

5.9. Conclusie De sloop van de stallen in het plangebied aan de Boevenbrinkstraat 4 te Terwolde hebben geen negatief effect op beschermde soorten planten of dieren.

QUICKSCAN FLORA EN FAUNA, BOEVENBRINKSTRAAT 4 TE TERWOLDE

9

6. EFFECTEN OP BESCHERMDE GEBIEDEN

Naast bescherming van soorten is het ook van belang om natuurgebieden te beschermen. Vanuit de natuurbeschermingswet geldt dat geen negatieve effecten mogen optreden op aangewezen Natura 2000-gebieden. Verspreid over Nederland liggen bijna 170 kleine en grote gebieden die elk weer op een specifieke wijze gevoelig kunnen zijn voor bepaalde invloeden. Deze Natura 2000-gebieden maken onderdeel uit van het Europese Natura 2000-netwerk dat dient om migratie mogelijk te maken. Op nationaal niveau is verdere invulling gegeven aan de mogelijkheden voor migratie door het Nationale Natuurnetwerk (NNN). Binnen het NNN geldt het “nee-tenzij” principe. Natuur en natuurontwikkeling heeft voorrang binnen het NNN boven andere ontwikkelingen tenzij er andere belangen zijn.

6.1. Natura 2000 Het dichtstbijzijnde natuurgebied dat valt onder Natura 2000-wetgeving betreft de Rijn takken. Dit gebied bestaat uit vier deelgebieden waarvan de uiterwaarden van de IJssel het dichtstbij gelegen zijn bij het plangebied. De afstand tot dit gebied bedraagt ruim 3 kilometer hemelsbreed. Per saldo hebben de ontwikkelingen in het plangebied een positief effect op nabij gelegen Natura 2000-gebieden omdat de agrarische activiteiten grotendeels vervallen. Hierdoor wordt de uitstoot van stikstof lager. Andere activiteiten binnen het plangebied hebben door de afstand, de aard van het tussenliggende gebied en de afwezigheid van overeenkomstig habitat geen effect op nabij gelegen Natura 2000-gebieden.

6.2. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Ook voor de NNN geldt dat daarmee rekening moet worden gehouden. Binnen het NNN kent men geen externe werking. Het plangebied ligt buiten het NNN en heeft geen invloed hierop.

6.3. Houtopstanden Onder de Wet Natuurbescherming zijn onder bepaalde voorwaarden houtopstanden beschermd. Houtopstanden in tuinen en op erven vallen hierbuiten (artikel 4.1b Wet Natuurbescherming). Ook houtopstanden met een oppervlakte van minder dan 10 are zijn niet beschermd. Er worden geen bomen gekapt in het plangebied. Er is dus ook geen sprake van een negatief effect op beschermde houtopstanden.

QUICKSCAN FLORA EN FAUNA, BOEVENBRINKSTRAAT 4 TE TERWOLDE

10

7. CONCLUSIE

Bij het slopen van de bebouwing in het plangebied ontstaan geen negatieve effecten op beschermde soorten planten en/of dieren. Deze zijn niet aanwezig binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden binnen het plangebied. Tevens zijn er geen negatieve effecten te verwachten op instandhoudings-doelstellingen van nabij gelegen Natura 2000-gebieden. Evenmin is er een effect te verwachten op het Natuurnetwerk Nederland of houtopstanden.

QUICKSCAN FLORA EN FAUNA, BOEVENBRINKSTRAAT 4 TE TERWOLDE

11

8. AANBEVELINGEN

Met enkele eenvoudige ingrepen is het plangebied beter geschikt te maken voor het herbergen van beschermde soorten planten en dieren. Door bijvoorbeeld meer bomen en struiken rondom het plangebied te plaatsen, ontstaat meer afwisseling in structuur. Ook kunnen takkenrillen of muizenruiters worden aangelegd. Hierin kan snoeihout worden verwerkt en het biedt een schuilplaats voor kleine zoogdieren. Dit biedt weer meer foerageermogelijkheden voor uilen en roofvogels. Als eenmaal meer begroeiing aanwezig is, dan kan het plangebied aantrekkelijk worden voor vleermuizen om te foerageren en voor uilen en andere vogels om te gaan broeden.

QUICKSCAN FLORA EN FAUNA, BOEVENBRINKSTRAAT 4 TE TERWOLDE

12

9. BEELDMATERIAAL

Een van de stallen die gaat verdwijnen. Er is geen aansluiting met omliggende groenstucturen.

Overblijvend deel van de stal die aansluit op het woonhuis. Het dak is hier niet geschikt om beschermde soorten te herbergen.

Voorbeeld van dakplaten die onbereikbaar voor huismussen zijn gemaakt.

QUICKSCAN FLORA EN FAUNA, BOEVENBRINKSTRAAT 4 TE TERWOLDE

13

Uitzicht over de omgeving. Er zijn weinig groene elementen in de omgeving aanwezig die door vleermuizen gebruikt kunnen worden als vliegroute.

Voorbeeld van kier in de aansluiting van het dakvlak op de draagmuren. Deze opening is afgesloten met PURschuim.

Dakvlak van te behouden gebouw. Nabij de dakkapellen zaten meerdere huismussen te nestelen. De werkzaamheden hebben hier geen invloed op.

QUICKSCAN FLORA EN FAUNA, BOEVENBRINKSTRAAT 4 TE TERWOLDE

14

De binnenzijde van de te slopen gebouwen. De dakplaten zijn niet meer aanwezig. Hierdoor zijn er geen mogelijkheden voor beschermde soorten om in het dak een verblijfplaats te vinden.

Op meerdere plekken zijn oude maatregelen tegen muizen en ratten aangetroffen. Hier zijn dan ook geen sporen van aangetroffen.

Voorbeeld van hoe de te slopen stallen nu zijn. Er is sprake van veel tocht en veel lichtinval. Door de ontbrekende isolatie zijn veel schuilplaatsen verdwenen. Er zijn geen nesten aangetroffen van vogels.

QUICKSCAN FLORA EN FAUNA, BOEVENBRINKSTRAAT 4 TE TERWOLDE

15

Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek (booronderzoek), verkennende fase Quabbenburgerweg (tussen nrs. 5 en 7) te Terwolde Gemeente Voorst

KSP Archeologie

Colofon Versie Status

: :

KSP Rapport Auteur ISSN Foto’s en afbeeldingen Beheer en plaats documentatie Autorisatie Datum autorisatie

: : : : :

1.0 Nog niet door de opdrachtgever ter goedkeuring aangeleverd bij het bevoegd gezag. Over dit rapport heeft nog geen (inhoudelijke) afstemming met het bevoegd gezag plaatsgevonden. 22054 E.A. Schorn (senior KNA Prospector) 2542-7490 KSP Archeologie KSP Archeologie te Duiven

: :

S.M. Koeman (senior KNA Prospector) 5 mei 2022

www.ksparcheologie.nl | info@ksparcheologie.nl

Disclaimer Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder bronvermelding. KSP Archeologie aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit onderhavig onderzoek of de gegeven adviezen. KSP Archeologie beschikt over het Procescertificaat Archeologie dat is verleend op basis van de beoordelingsrichtlijn SIKB 4000 voor protocol 4002 ‘bureauonderzoek’ en protocol 4003 ‘inventariserend veldonderzoek – onderdeel overig’. Wanneer de certificatie-eisen strijdig zijn met de eisen van de bevoegde overheid, dan gaat KSP Archeologie uit van de eisen van de

KSP Archeologie

2

Inhoudsopgave Samenvatting 1 Inleiding 1.1 Onderzoekskader 1.2 Afbakening plan- en onderzoeksgebied 1.3 Overheidsbeleid 1.4 Toekomstige situatie 1.5 Onderzoeksdoel en vraagstellingen 2 Bureauonderzoek 2.1 Huidige situatie Quabbenburgerweg 2.2 Huidige situatie Boevenbrinkstraat 4 2.3 Beschrijving van aardwetenschappelijke gegevens 2.4 Historische situatie en mogelijke verstoringen 2.5 Beschrijving van archeologische gegevens 2.6 Beschrijving van de ondergrondse bouwhistorische waarden 2.7 Gespecificeerde archeologische verwachting 2.8 Conclusie en advies 3 Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase 3.1 Werkwijze 3.2 Veldsituatie 3.3 Beschrijving en interpretatie van de boorgegevens 3.4 Archeologische indicatoren 3.5 Toetsing van de archeologische verwachting 4 Conclusie en advies 4.1 Conclusie 4.2 Beantwoording van de onderzoeksvragen 4.3 Selectieadvies Literatuur Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7

5 6 6 6 6 7 7 9 9 9 10 13 17 19 20 21 23 23 23 24 24 24 26 26 26 28 29

Geomorfologische kaart Bodemkaart Archeologische gegevens Boorpuntenkaart Boorbeschrijving Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Bouwtekeningen varkensstallen

Lijst van afbeeldingen Figuur 1: Het plangebied op de topografische kaart schaal 1:10.000 (bron: Kadaster). 4 Figuur 2: Toekomstige situatie binnen het plangebied (bron: opdrachtgever). 7 Figuur 3: Ligging van de twee te slopen stallen op het minuutplan uit het begin van de 19e eeuw (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl). 10 Figuur 4: Het plangebied op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (bron: www.ahn.nl). 12 Figuur 5: Het plangebied op de Hottingerkaart uit 1773-1794 (Versfelt 2006). 15 Figuur 6: Het plangebied op de kadastrale minuut uit het begin van de 19e eeuw (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl). 15 Figuur 7: Het plangebied op de kaart uit 1866, Bonneblad (bron: www.topotijdreis.nl). 16 Figuur 8: Het plangebied op de topografische kaart uit 1957 (bron: www.topotijdreis.nl). 16 Figuur 9: Het plangebied op de archeologische beleidskaart van de gemeente Voorst (Keunen e.a. 2017). 19 Figuur 10: Het plangebied gezien vanuit de noordhoek en gefotografeerd richting ZW (bron: KSP Archeologie). 23

Lijst van tabellen Tabel 1: Overzicht van de onderzoeksmeldingen binnen een straal van 500 m rondom het plangebied (bron: archis.cultureelerfgoed.nl). Tabel 2: Specifieke archeologische verwachting per periode voor het plangebied.

KSP Archeologie

17 20

3

Administratieve gegevens KSP Projectnummer Opdrachtgever Uitvoerder/projectleider Bevoegde overheid Deskundige namens bevoegde overheid Onderzoeksmelding Provincie Gemeente Toponiem Centrum-coördinaat Kadastrale gegevens Periode uitvoering onderzoek

: : : : :

22054 Bossgoods B.V, Erik Bosgoed KSP Archeologie, E.A. Schorn (senior KNA Prospector) Gemeente Voorst Sectie Archeologie gemeente Apeldoorn

: : : : : : :

5258061100 Gelderland Voorst Quabbenburgerweg (tussen nrs. 5 en 7) te Terwolde x: 202.488 / y: 473.524 Sectie P, nummer 295 (deels) Mei 2022

Figuur 1: Het plangebied op de topografische kaart schaal 1:10.000 (bron: Kadaster).

KSP Archeologie

4

Samenvatting KSP Archeologie heeft een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase (IVO-(O)verig); booronderzoek) uitgevoerd voor de locatie aan de Quabbenburgerweg ongenummerd in Terwolde (gemeente Voorst). Het onderzoek is uitgevoerd voor de aanvraag van een bestemmingsplanwijziging voor de nieuwbouwplannen van een woning. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Naar aanleiding van de resultaten van het bureauonderzoek is deze verwachting nader gespecificeerd. Op basis van de landschappelijke ligging op een dekzandrug, waar zich een gooreerdgrond heeft gevormd die duidt op relatief natte omstandigheden, is aan het plangebied een middelhoge verwachting toegekend voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Voor de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd is op basis van de historische ontwikkeling (onbebouwd tot op heden) een lage verwachting aan het plangebied toegekend. Vervolgens is deze verwachting getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase.

Uit de veldwaarnemingen en het booronderzoek is gebleken dat het perceel waarbinnen het plangebied ligt meer de kenmerken heeft van een dekzandwelving dan van een dekzandrug. De oorspronkelijk bodem binnen het plangebied is een gooreerdgrond geweest, die is verploegd en in veel van de boringen opgenomen is in de onderzijde van het plaggendek. Het voorkomen van een gooreerdgrond geeft aan dat het plangebied relatief nat moet zijn geweest en voor de ontginning in de Late Middeleeuwen niet geschikt was als landbouwgrond en om te wonen. Op basis hiervan is zowel de middelhoge verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als de middelhoge verwachting voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) naar laag bijgesteld. De resultaten van het booronderzoek geven geen aanleiding om de lage verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd bij te stellen. Op grond van de vaststelling dat het plangebied op een dekzandwelving ligt, die oorspronkelijk is afgedekt door een gooreerdgrond, blijkt dat het plangebied relatief nat moet zijn geweest en voor de ontginning in de Late Middeleeuwen niet geschikt was als landbouwgrond en om te wonen.

Voor het plangebied geldt een lage verwachting voor alle archeologische perioden, daarom adviseert KSP Archeologie geen archeologisch vervolgonderzoek. Advies Boevenbrinkweg 4 Wat de sloop van de stallen betreft zullen eventueel aanwezige archeologische resten onder de rechter stal geheel zijn verdwenen. Onder de linkerstal kunnen binnen de zones waar geen mestkelders aanwezig zijn nog archeologische resten bewaard zijn gebleven. Bij de sloop van de stallen dient bij het verwijderen van de mestkelders enige voorzichtigheid in betracht te worden genomen zodat de zijwanden niet worden aangetast dan wel instorten, waardoor mogelijke archeologische resten worden verstoord. Na het verwijderen van de mestkelders mogen de gaten niet dichtgeschoven worden, maar moeten deze worden aangevuld met grond. Indien hier rekening mee wordt gehouden dan vormt de sloop van de twee stallen geen bedreiging voor het archeologische bodemarchief.

KSP Archeologie

5

1

Inleiding

1.1

Onderzoekskader

In opdracht van Bossgoods B.V. heeft KSP Archeologie een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase (IVO-(O)verig); booronderzoek) uitgevoerd voor de locatie aan de Quabbenburgerweg ongenummerd in Terwolde (gemeente Voorst). Het onderzoek is uitgevoerd voor de aanvraag van een bestemmingsplanwijziging voor de nieuwbouwplannen van een woning. Het onderzoek is uitgevoerd conform de beoordelingsrichtlijn SIKB 4000 (versie 4.1) met bijbehorende protocollen (KNA 4.1) 4002 (bureauonderzoek bij landbodems) en 4003 (inventariserend veldonderzoek, overig) (www.sikb.nl) en de gemeentelijke eisen. Voor de in dit rapport gebruikte geologische en archeologische tijdsaanduidingen wordt verwezen naar Bijlage 6. Geologische formaties, laagpakketten en lagen worden beschreven conform https://www.dinoloket.nl/stratigrafische-nomenclator. 1.2

Afbakening plan- en onderzoeksgebied

Het plangebied is gelijk aan het onderzoeksgebied waarvoor het archeologisch onderzoek is uitgevoerd. Het plangebied is ca. 890 m2 groot en ligt aan de Quabbenburgerweg in Terwolde (Figuur 1). Het terrein ligt binnen een akkerperceel dat in het noordwesten wordt begrensd door bos, in het noordoosten door een weiland, in het zuidoosten door de Quabbenburgerweg en in het zuidwesten door de boerderij en erf van Quabbenburgerweg nummer 5. 1.3

Overheidsbeleid

In 1992 heeft Nederland het Europese ‘Verdrag van Malta’ ondertekend. In het verdrag is de omgang met het Europees archeologische erfgoed geregeld. Belangrijk daarin is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. Het wettelijk kader voor de archeologische monumentenzorg is vastgelegd in de Erfgoedwet. Daarnaast hebben de verschillende overheden (het rijk, de provincie en de gemeentes) archeologiebeleid vastgelegd. Gemeenten houden bij de vaststelling van een bestemmingsplan of het verlenen van een vergunning altijd rekening met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden (Wet ruimtelijke ordening). Volgens het bestemmingsplan ‘Buitengebied, geconsolideerde versie’ van de gemeente Voorst (vastgesteld 13-05-2019) geldt voor het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. Dit betekent dat bij bodemingrepen groter dan 250 m2 en dieper dan 0,3 m archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Aangezien deze ondergrenzen bij de realisatie van de nieuwbouwplannen worden overschreden (zie paragraaf 1.4), is archeologisch onderzoek noodzakelijk.

In het kader van de bestemmingsplanwijziging is voor het plangebied een archeologisch vooronderzoek nodig dat bestaat uit een bureauonderzoek gecombineerd met een verkennend booronderzoek.

KSP Archeologie

6

1.4

Toekomstige situatie

Binnen het plangebied zal een nieuwe woning met bijgebouw en oprijlaan worden gebouwd (Figuur 2), waarvoor twee stallen aan de Boevenbrinkstraat 4 worden gesloopt. De exacte aard en omvang van de toekomstige bodemverstoring is nog niet bekend. De nieuwe woning krijgt een oppervlakte van ca. 304 m2 en de bouwput voor de fundering zal mogelijk tot ca. 100 cm beneden maaiveld worden uitgegraven. De bedoeling is dat het terrein ca. 60 cm wordt opgehoogd.

Figuur 2: Toekomstige situatie binnen het plangebied (bron: opdrachtgever).

Voor zover bekend zijn binnen het plangebied geen graafwerkzaamheden voor een bodem- en/of grondwatersanering nodig in het kader van de milieuhygiëne of om niet gesprongen conventionele explosieven op te sporen. Het waterpeil c.q. bodempeil binnen het plangebied zal niet veranderen door de geplande bodemingrepen en zal daarmee geen gevolgen hebben voor de conserveringstoestand van eventuele aanwezige archeologisch resten. 1.5

Onderzoeksdoel en vraagstellingen

Bureauonderzoek Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde, archeologische verwachting, met behulp van informatie van bestaande bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen het omschreven onderzoeksgebied. Het resultaat is een standaardrapport bureauonderzoek met een gespecificeerde archeologische verwachting en een advies. Op basis hiervan wordt vastgesteld of vervolgonderzoek nodig is en zo ja, welke strategie hierbij het beste gevolgd kan worden.

Inventariserend Veldonderzoek Het doel van het inventariserend veldonderzoek (IVO) (landbodems) is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek. Het gaat om gebiedsgericht onderzoek door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en of verwachte archeologische waarden in het onderzoeksgebied.

KSP Archeologie

7

Het resultaat van het IVO is een standaardrapport IVO-O met een waardering en een inhoudelijk (selectie)advies (buiten normen van tijd en geld). Aan de hand hiervan kan een beleidsbeslissing (meestal een selectiebesluit) worden genomen. Indien er onvoldoende gegevens voor waardering en selectieadvies zijn, kunnen deze niet opgesteld worden. Er kan dan worden geadviseerd tot vervolgonderzoek of om af te zien van verder onderzoek. Om te komen tot het resultaat moeten de veldactiviteiten uitgevoerd worden tot het niveau waarop de beleidsbeslissing gefundeerd genomen kan worden, d.w.z. dat de archeologische waarden van het terrein/vindplaats in voldoende mate zijn vastgesteld. Het inventariserend veldonderzoek kent drie fasen: een verkennende, een karterende en een waarderende fase. Voor het archeologisch onderzoek is het niet altijd nodig om al deze fasen te doorlopen dat hangt af van de situatie. Dit onderzoek betreft een verkennend onderzoek. De verkennende fase heeft als doel om inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap (bodemopbouw) die van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Hiermee worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor mogelijk vervolgonderzoek.

Om de bovenstaande doelstelling te realiseren, zijn de volgende onderzoeksvragen opgesteld:  Wat is de bodemopbouw in het plangebied?  Wat is de geo(morfo)logische opbouw van de ondergrond in het plangebied?  Bevinden zich archeologisch relevante afzettingen in het plangebied? Zo ja, op welke diepte t.o.v. het maaiveld en het NAP?  In hoeverre is deze bodemopbouw nog intact?  Als de bodemopbouw (deels) verstoord is: hoeveel van het archeologisch niveau (vondstniveau én sporenvlak) is aangetast (kwantificeer in cm)? Wat betekent dit voor de archeologische verwachting?  Moet de archeologische verwachting uit het bureauonderzoek worden bijgesteld? Zo ja, waarom?

KSP Archeologie

8

2

Bureauonderzoek

2.1

Huidige situatie Quabbenburgerweg

Om de huidige situatie en mogelijke verstoringen van de bodem in kaart te brengen zijn de volgende bronnen geraadpleegd:  Huidige topografische kaart (Figuur 1);  Luchtfoto uit 2019 (PDOK);  Gemiddelde grondwaterstand verdeeld in grondwatertrappen (Wageningen Environmental Research (2022);  Grondwatertrappen gekoppeld aan de Bodemkaart schaal 1:50.000 versie 2006 (geoplaza.vu.nl);  Rijksmonumenten (archis.cultureelerfgoed.nl): geen monumenten aanwezig;  Gemeentelijke monumenten (https://nl.wikipedia.org/wiki/Lijst_van_gemeentelijke_monumenten_in_Voorst_(gemeente)): geen gemeentelijke monument aanwezig;  Informatie van de opdrachtgever over het plangebied;  Informatie over ondergrondse tanks (www.bodemloket.nl);  Informatie over kabels en leidingen (KLIC-melding);  Informatie over de huidige bebouwing: Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) (bagviewer kadaster.nl): geen bebouwing aanwezig. Het plangebied is momenteel in gebruik als landbouwgrond en is onbebouwd. Enige tijd geleden zijn er op de akker, waarbinnen het plangebied ligt, al deels bomen aangeplant en is er binnen de zuidwesthoek van de akker een vijver aangelegd. Binnen het plangebied zijn voor zover bekend geen kelders of andere ondergrondse werken aanwezig (bijvoorbeeld funderingen of drainage). Er liggen geen kabels en leidingen (KLIC-melding).

Het plangebied wordt naar verwachting gekenmerkt door een diepe grondwaterstand (grondwatertrap VIIo) (Wageningen Environmental Research 2022). Dit betekent dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand tussen 80 - 140 cm en de gemiddeld laagste grondwaterstand tussen dan 120 - 180 cm beneden maaiveld wordt aangetroffen. In het verleden was het grondwaterpeil iets hoger (grondwatertrap VI). Dit blijkt uit de gemiddelde grondwaterstanden zoals die tot 2006 waren gekoppeld aan de kaarteenheden op de bodemkaart (Bijlage 2). De gemiddeld hoogste grondwaterstand bevond zich toen tussen 40 - 80 cm en de gemiddeld laagste grondwaterstand werd dieper dan 120 cm beneden maaiveld aangetroffen. 2.2

Huidige situatie Boevenbrinkstraat 4

Voor de nieuwbouwplannen aan de Quabbenburgerweg worden er aan de Boevenbrinkstraat 4 twee stallen gesloopt. De Boevenbrinkstraat 4 is een historische bebouwingslocatie die bekend is onder de naam de Kleine Ham. In 1543 is er al sprake van een erve Ham. De eerste duidelijke vermelding van de ‘erve den Cleijnen Ham’ vinden we in het verpondingskohier van 1648. Het is dan 21 morgen oftewel ongeveer 17 ha groot. Net als veel boerderijen, die later uitgroeiden tot buitenplaatsen, had ook de Kleine Ham een lanterskamer die in 1749 werd gebruikt door ‘mons. Sluijter’. In 1869 wordt het ‘buitengoed Ruitenbergsham’ verkocht aan Hendrikus Hermanus Tangerman uit Diepenveen. Het buitengoed bestaat dan ‘uit Heerenhuis, boerenhuis met schuur, tuin, bouw en weilanden’. De oude hofstede de Kleine Ham was op enig moment te groot, te oud en te koud. Er werd zelfs gezegd dat er in de kelders geschaatst kon worden. In 1924 is daarom een nieuwe boerderij gebouwd die de naam 'De Kleine Ham' heeft behouden en er nu nog steeds staat. Van de oude bebouwing is bovengronds niets bewaard gebleven. Op de oudste geraadpleegde kaart uit het einde van de 18e eeuw staat de Kleine Ham als aangegeven (Figuur 5).

KSP Archeologie

9

De ligging van de twee te slopen stallen is weergegeven op het minuutplan uit het begin van de 19e eeuw (toen de historische bebouwing nog aanwezig was). De percelen 303-306 en 308 zijn geroyeerd, wat zoveel betekent dat de functie/het gebruik van deze percelen is komen te vervallen. Perceel 307 is in gebruik als huis en erf en perceel 289 als schuur. Perceel 290 is in gebruik als weiland en de percelen 302 en 312 als akkerland. Perceel 309 is in gebruik als boomgaard, perceel 310 als tuin, perceel 311 als boomgard en erf. In 1869 bestond het buitengoed nog uit een herenhuis en boerenhuis met schuur. Mogelijk dat op de percelen 308 de boerderij heeft gestaan en op perceel 306 een schuur. De te slopen stallen liggen vrijwel geheel buiten de locaties waar resten van historische bebouwing wordt verwacht. Dit is ook te zien op de archeologische beleidskaart van de gemeente Voorst (Figuur 9).

Figuur 3: Ligging van de twee te slopen stallen op het minuutplan uit het begin van de 19e eeuw (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl).

De linker varkensstal (uit 1974) is deels onderkelderd door twee mestkelders van elk ca. 2,7 m breed en 115 cm diep en de rechter varkensstal (1977) is geheel onderkelderd tot een diepte van 190 cm -mv (Bijlage 7). Eventueel aanwezige archeologische resten onder de rechter stal zullen geheel zijn verdwenen. Onder de linkerstal kunnen binnen de zones waar geen mestkelders aanwezig zijn nog archeologische resten bewaard zijn gebleven. Bij de sloop van de stallen dient bij het verwijderen van de mestkelders enige voorzichtigheid in betracht te worden genomen zodat de zijwanden niet worden aangetast dan wel instorten, waardoor mogelijke archeologische resten worden verstoord. Na het verwijderen van de mestkelders mogen de gaten niet dichtgeschoven worden, maar moeten deze worden aangevuld met grond. Indien hier rekening mee wordt gehouden dan vormt de sloop van de twee stallen geen bedreiging voor het archeologische bodemarchief. 2.3

Beschrijving van aardwetenschappelijke gegevens

Om het landschap ter plaatse en rondom het plangebied in kaart te brengen, zijn de volgende bronnen geraadpleegd:  Geologische overzichtskaart van Nederland (TNO Geologische Dienst 2021);

KSP Archeologie

10

  

Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:50.000 versie 2019 (BRO 2020, Maas e.a. 2017); Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000 versie 2018 (BRO 2019); Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN) (www.ahn.nl, AHN3 grid 0,5 x 0,5 m);

Het plangebied ligt ten oosten van de Veluwe stuwwal in het IJsseldal. Het landschap in dit gebied heeft zijn huidige vorm vooral tijdens de laatste twee ijstijden, het Saalien (ca. 150.000 jaar geleden) en het Weichselien (ca. 115.000 – 11.755 jaar geleden), gekregen. In het Saalien zijn de stuwwallen van de Veluwe door het landijs opgestuwd, dat vanuit het noorden Nederland is binnengedrongen (Berendsen 2005). De stuwwallen bestaan overwegend uit middenpleistocene, grindrijke, grofzandige rivierafzettingen van de Rijn en de Maas, die al vóór de landijsbedekking in de ondergrond aanwezig waren. In de omgeving van het plangebied komen ook ‘witte zanden’ voor van de Enschede en Harderwijk Formatie. Deze afzettingen zijn door een riviersysteem afgezet die vanuit het oosten Nederland binnenkwam (Eridanos riviersysteem) (Stouthamer et al. 2015 en Berendsen 2005). Ongeveer 11 kilometer naar ten westen van het plangebied is de stuwwal zichtbaar als een hoogte in het landschap. Aan de oostzijde van de Veluwe ligt het IJsseldal, waarbinnen het plangebied ligt en waar tijdens de Saale-ijstijd een grote gletsjer lag en zich een zogenaamd ‘glaciaal bekken’ heeft gevormd. Het bekken is na het afsmelten van de gletsjer voornamelijk opgevuld met rivierafzettingen van de Rijn en lokale beekafzettingen.

Aan het einde van de ijstijd stroomde het smeltwater over de laagste plaatsen van de stuwwal. Daarbij zijn dalen uitgesleten en grote puinwaaiers van glaciofluviale afzettingen (sandrs) gevormd. Ten oosten van de Veluwe stuwwal is een uitgestrekt gebied met sneeuwsmeltwaterafzettingen ontstaan. Hoewel er ook sneeuwsmelt-waterafzettingen zijn gevormd in het Saalien, is het merendeel ontstaan in het Weichselien (Stouthamer et al. 2015). Na een relatief warme periode, het Eemien (ca. 130.000 – 115.000 jaar geleden), is het in het Weichselien opnieuw zeer koud en droog geworden. De Rijn heeft stroomde tot ongeveer het begin van het MiddenPleniglaciaal binnen het glaciale bekken, waarbij vooral zandige rivierafzettingen zijn afgezet. Tijdens het Pleniglaciaal (ca. 75.000 – 15.700 jaar geleden) is de bodem permanent bevroren geweest. Hierdoor is het sneeuwsmelt- en regenwater gedwongen over het oppervlak af te stromen waarbij zogenaamde fluvioperiglaciale afzettingen zijn afgezet en dalen uitgesleten. De fluvioperiglaciale afzettingen bevinden zich relatief dicht aan het oppervlak in het plangebied en bestaan uit fijn en grof zand, soms met grind, leemlagen en plantenresten, en worden tot de Formatie van Boxtel gerekend (De Mulder et al. 2003).

In het deel van het IJsseldal tussen Zutphen en Zwolle zijn in het Laat-Pleniglaciaal en het LaatGlaciaal zowel vanuit het westen als vanuit het oosten afspoelingswaaiers van aanzienlijke omvang gevormd die de bodem van het verlaten Rijndal bedekten en ophoogden (Cohen e.a. 2009). Deze fluvio(peri)glaciale afzettingen zijn later deels bedekt met dekzand. In de koudste en droogste perioden van het Weichselien, met name tijdens het Laat-Pleniglaciaal (ca. 26.000 –15.700 jaar geleden) en in sommige perioden van het Laat-Glaciaal (ca. 15.700 – 11.755 jaar geleden), is de vegetatie vrijwel verdwenen. Hierdoor is op grote schaal verstuiving opgetreden, waarbij dekzand is afgezet (Berendsen 2005). Dit (soms lemige) zand is kalkloos, fijnkorrelig (150 – 210 μm), goed afgerond, goed gesorteerd en arm aan grind en wordt tot het Laagpakket van Wierden van de Formatie van Boxtel gerekend. Het pleistocene reliëf in het deel van het IJsseldal tussen Zutphen en Zwolle kent zeer uitgesproken dekzandruggen. Een verschil met andere gebieden met dekzandreliëf is het ontbreken van typische westelijk-tot-zuidwestelijke richtingen uit de jongste fasen van dekzandvorming (Late Dryas)(Cohen e.a. 2009). Dit betekent niet dat windafzettingen uit deze fase ontbreken, maar is het gevolg van het beschuttingseffect van de Veluwe.

In het patroon van de dekzandruggen in het middendeel van het IJsseldal overheersen noordwestelijke richtingen, die elders in Nederland aan een eerdere fase van dekzandvorming zijn gekoppeld (Laat-Pleniglaciaal en Bølling). Aan de profielopbouw van de dekzandruggen, zoals het daarin aantreffen van grindsnoertjes, is af te leiden dat een aanzienlijk deel van het dekzandreliëf inde Bølling en de Late Dryas moet zijn gevormd. Het plangebied ligt volgens de geomorfologische kaart op een dekzandrug (Bijlage 1, code B53), die binnen een zone met

KSP Archeologie

11

dekzandwelvingen (code L51) ligt, welke weer gelegen is binnen een vlakte van rivierafzettingen (code M45). Op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN, Figuur 4) is te zien dat het plangebied net binnen het zuidelijke uiteinde ligt van een dekzandrug (donker oranje kleur). De wat lager gelegen zone met dekzandwelvingen wordt weergegeven door de gele tot oranje kleuren en de nog lager gelegen vlakte van rivierafzettingen door blauwe tot lichtgroene kleuren. Het hoogteverschil tussen de dekzandrug en de dekzandwelvingen bedraagt ca. 1,0 m en tussen de dekzandwelvingen en de vlakte van rivierafzettingen 0,6 tot 1,0 m.

Figuur 4: Het plangebied op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (bron: www.ahn.nl).

In het Holoceen (vanaf ca. 11.755 jaar geleden tot heden) is het klimaat warmer en vochtiger geworden. Het (dek)zand is door de toenemende vegetatie vastgelegd en hebben de beken zich ingesneden, waarbij beekdalen zijn ontstaan. In de directe omgeving van het plangebied is geen beekdal aanwezig. In het IJsseldal trad in de loop van het Holoceen ook veenvorming op ten gevolge van de grondwaterspiegelstijging. De veenvorming was het gevolg van twee complementerende oorzaken: er was sprake van regionaal gestuurde grondwaterspiegel-gerelateerde veenvorming in de laagst liggende gebieden (verdrinkingsveen) door voornamelijk kwelwater vanaf de stuwwalen, maar ook van vorming van veenkussens met een eigen verhoogde waterspiegel op de iets hogere delen van het flauw hellende, licht golvende dekzandlandschap (Cohen et al. 2009). De opkomst van de veenontwikkeling valt samen met het verdwijnen van aaneengesloten bosgebieden door het groeiende grondgebruik door de prehistorische mens door de introductie van landbouw in het gebied. Het resultaat was een praktisch aaneengesloten veendek, doorsneden met smalle veenvrije zones, dat in de Middeleeuwen door menselijk ingrijpen is ontwaterd en ontgonnen. In de Vroege Middeleeuwen, kort na het einde van de Romeinse Tijd (~300 na Chr.) ging de IJssel door het IJsseldal stromen.

Het plangebied ligt ruin 3 kilometer ten westen van de huidige IJssel. Bij hoogwater van de IJssel kon het gebied overstromen en is in de directe omgeving van het plangebied komklei door de IJssel afgezet. Vanaf de 12e/13e eeuw zijn

KSP Archeologie

12

kaden en dijken langs de IJssel aangelegd die nog regelmatig overstroomden. Geleidelijk zijn de dijken opgehoogd en verstevigd. Na de bedijking heeft geen sedimentatie meer plaatsgevonden in het binnendijkse gebied, afgezien van overstromingen ten gevolge van dijkdoorbraken. Op basis van de bodemkaart worden in het plangebied gooreerdgronden verwacht (Bijlage 2, code pZn23). Gooreerdgronden vormen een overgangstype tussen de onder natte omstandigheden gevormde beekeerdgronden en de onder droge omstandigheden gevormde veldpodzolgronden. Ze zijn onder natte omstandigheden gevormd, maar de hydromorfe kenmerken komen niet voor binnen 35, maar binnen 50 cm. De humeuze bovengrond is dunner dan 50 cm en ligt direct op de C-horizont. De eerdlaag is onder natuurlijke omstandigheden ontstaan. Op de laaggelegen gronden wordt veel organisch materiaal geproduceerd, maar is vanwege de hoge grondwaterstand de afbraak laag. Dit leidt tot het ontstaan van een humeuze eerdlaag (De Bakker & Schelling 1989). Doordat de bovengrond geoxideerd is kan er een zwakke vorm van podzolisatie zijn ontstaan die herkenbaar is aan bruin gekleurde horizont onder de bouwvoor (podzol B-horizont). 2.4

Historische situatie en mogelijke verstoringen

Om de historische situatie en mogelijke verstoringen van de bodem in kaart te brengen zijn de volgende bronnen geraadpleegd:  Oude kadasterkaarten: kadastrale minuut en oorspronkelijk aanwijzende tafels 1811 – 1832 voor toenmalige eigenaar/gebruiker (beeldbank.cultureelerfgoed.nl);  Historische kaarten uit de afgelopen 200 jaar (www.topotijdreis.nl);  Historisch-landschappelijk informatiesysteem, Histland (Dirkx & Nieuwenhuizen 2013), geraadpleegd via archis.cultureelerfgoed.nl;  Cultuurhistorische regiobeschrijving Gelderland (CultGIS/Haartsen 2009);  Cultuurhistorische kenmerkenkaart van de gemeente Voorst (RAAP 2017);  Archeologische en overige cultuurhistorische rapporten van onderzoek binnen het onderzoeksgebied: is niet van toepassing;  Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (www.ikme.nl): geen verwachting op specifieke resten uit WOII;  V.1 & V.2 inslagen in Nederland (vergeltungswaffen.nl): geen inslagen bekend die voor een bodemverstoring gezorgd kunnen hebben;  Uitgevoerd onderzoek niet gesprongen explosieven (https://www.explosievenopsporing.nl/veobommenkaart/): Er is door T&A Survey een vooronderzoek uitgevoerd voor de gehele gemeente Voorst, rapport GPR6105.

Het gebied waar gewerkt gaat worden is onverdacht;  Topografische kaart van Nederland (Figuur 1);  Informatie over de huidige bebouwing: Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) (bagviewer kadaster.nl): geen bebouwing aanwezig;  Bouw-/constructietekeningen van te slopen of te wijzingen historische bouwwerk: is niet van toepassing;  Gegevens van milieukundig bodemonderzoek (www.bodemloket.nl): bij het Bodemloket is geen informatie voor deze locatie beschikbaar over bodemonderzoek en/of sanering.;  Luchtfoto uit 2019 (PDOK);  Geomorfologische kaart van Nederland: hierop zijn geen bodemverstoringen t.p.v. het plangebied aangegeven;  Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000: hierop zijn geen bodemverstoringen t.p.v. het plangebied aangegeven;  Vergraven gronden project Alterra (Brouwer & Van der Werff 2012): hierop zijn geen bodemverstoringen t.p.v. het plangebied aangegeven;  Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN) (www.ahn.nl): hierop zijn geen kunstmatige ophogingen en/of afgravingen zichtbaar;  In het kader van dit onderzoek zijn geen archieven geraadpleegd omdat een gerichte vraagstelling ontbreekt.

KSP Archeologie

13

Hieronder volgt een beschrijving van het historische gebruik (bebouwing, grondgebruik, historische wegen etc.) van het plangebied en de directe omgeving. Daarnaast is gekeken of er sprake is van (mogelijke) bodemverstoringen en/of bodemvervuilingen (aard, omvang, diepteligging en locatie) binnen het plangebied. Het plangebied ligt in de regio IJsselvallei (Haartsen 2009) en heeft geen scherpe grenzen met de regio’s die er aan grenzen, zoals de Veluwe. De IJssel is de domineerde waterloop/rivier in dit gebied. Westelijk van de rivier gaat het rivierkleilandschap geleidelijk over in het dekzandlandschap van de Veluwe, waarbinnen ook het plangebied ligt. De omgeving van het plangebied heeft in het verleden, voordat de IJssel bedijkt werd, binnen de invloedssfeer van de IJssel gelegen, maar ligt nu op ruim 3 kilometer ten westen en buiten de invloedsfeer van de huidige rivier de IJssel. Al met al bestaat het landschap van de regio uit een afwisseling van hogere en lagere gronden. De aanwezigheid van doorgaande landwegen en bevaarbare waterwegen leidde tot het ontstaan van diverse handelsnederzettingen, waarvan sommige uitgroeiden tot belangrijke steden: Doetinchem, Doesburg, Zutphen en Deventer. De dorpen liggen op de hogere delen van het gebied: op rivierduinen, dekzandkopjes en de oeverwallen van de IJssel.

Het bodemgebruik was sterk gebonden aan de terreingesteldheid: de hogere delen van het land werden als akker gebruikt, de lagere als weide of hooiland. Uitgestrekte heidevelden waren nauwelijks te vinden op de flanken van de IJsselvallei. De inrichting en vormgeving van het huidige landschap kwam pas langzaam tot stand vanaf de Vroege Middeleeuwen. Na 700 nam de bevolking van het IJsseldal toe. De indeling in de verschillende buurtschappen kwam voor een belangrijk deel al voor het jaar 1000 tot stand. Tal van steden en dorpen in de regio worden al vermeld in akten uit de Vroege Middeleeuwen. Wilp is de vroegst genoteerde naam binnen de gemeente Voorst. In 768 komt de Angelsaksische missionaris Lebuïnus vanuit Utrecht in de IJsselstreek aan. Hij richt in Wilp een kapelletje op. De oudste bekende schriftelijke vermelding van Voorst stamt uit 893 en is te vinden in een lijst van inkomsten van de Benedictijner abdij van St. Salvator in Prüm. De laaggelegen gronden waren aanvankelijk te drassig om er intensief gebruik van te kunnen maken. Door ontginningen (betere afwatering) vanaf de Late Middeleeuwen konden ook deze gronden gebruikt worden. Het plangebied ligt buiten de historische kernen in het gebied van de gemeente Voorst en is tot op heden onbebouwd gebleven.

Het plangebied behoord volgens Histland tot het landschapstype van de kampontginningen met plaatselijke essen en is na 1850 ingericht. Volgens de cultuurhistorische kenmerkenkaart van de gemeente Voorst behoort het plangebied tot de vochtige kampontginningen met rivierklei. De Quabbenburgerweg is volgens deze kaart een weg van voor 1832. De weg is al op de Hottingerkaart (Figuur 5) uit het einde van de 18e eeuw aanwezig. Voor de historische ontwikkeling is historisch kaartmateriaal geraadpleegd. Het plangebied is tot op heden onbebouwd gebleven. Op de Hottingerkaart uit 1773-1794 is het plangebied verkaveld en waarschijnlijk in gebruik als akkerland. Op het minuutplan uit het begin van de 19e eeuw (Figuur 6) is het plangebied in gebruik als akkerland (perceel 367) en wordt de akker grotendeesl omzoomd door een strook met hakhout (perceel 368). Daarnaast is aan de zuidoostzijde van de akker ook een strook met opgaande bomen aanwezig (perceel 366). Op de kaart uit 1866 (Figuur 7) is het landschapsgebruik goed te herkennen, waarbij het plangebied in gebruik is als akker (witte kleur). Het bos is weergegeven met een groene kleur en de weilanden met een wittekleur en groene golvende lijnen. Op de kaart uit 1957 (Figuur 8) is te zien dat het landgebruik op de voormalige grote akker veranderd en deels in gebruik is als akker en deels als weiland.

Het plangebied ligt binnen het deel dat nog in gebruik is als akker. Op de kaart uit 1966 (niet afgebeeld) is de voormalige grote akker geheel in gebruik als weiland zo ook het plangebied. Vanaf 2019 is het weiland waarbinnen het plangebied ligt weer omgezet in akkerland, wat tot op de huidige topografische kaart (Figuur 1) nog steeds het landgebruik is.

KSP Archeologie

14

Figuur 5: Het plangebied op de Hottingerkaart uit 1773-1794 (Versfelt 2006).

Figuur 6: Het plangebied op de kadastrale minuut uit het begin van de 19e eeuw (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl).

KSP Archeologie

15

Figuur 7: Het plangebied op de kaart uit 1866, Bonneblad (bron: www.topotijdreis.nl).

Figuur 8: Het plangebied op de topografische kaart uit 1957 (bron: www.topotijdreis.nl).

KSP Archeologie

16

Binnen het plangebied zijn geen bodemverontreinigingen, saneringen of ondergrondse olietanks, benzinepompinstallaties en dergelijke bekend waardoor archeologische resten mogelijk verloren zijn gegaan (www.bodemloket.nl). De bodem kan zijn aangetast door het eeuwenlange gebruik als akkerland. Gemiddeld reikt de bodembewerking ten behoeve van de landbouw tot 30 – 50 cm beneden maaiveld. Op basis van de historische ontwikkeling worden geen diepe bodemverstoringen verwacht. 2.5

Beschrijving van archeologische gegevens

Om een beeld te krijgen van de archeologische gegevens, zijn de volgende bronnen geraadpleegd:  Archeologische Monumenten Kaart (AMK) (via archis.cultureelerfgoed.nl);  Beschermde archeologische Rijksmonumenten (via archis.cultureelerfgoed.nl);  Archeologische onderzoeken en vondstlocaties uit het Archeologische Informatiesysteem (Archis) (archis.cultureelerfgoed.nl);  Digitaal Archief (DANS) Rapporten en onderzoeksgegevens van archeologisch onderzoek (https://easy.dans.knaw.nl/);  Historische kaarten (zie paragraaf 2.4);  Gemeentelijke archeologische beleidskaart (Keunen e.a. 2017). Binnen het plangebied zijn geen archeologische monumenten (AMK-terreinen), onderzoeksmeldingen en vondstmeldingen aanwezig. In een straal van 500 m rondom het plangebied zijn geen AMK-terreinen, maar wel drie drie onderzoeksmeldingen en geen vondstlocaties gemeld (Tabel 1, Bijlage 3). De meldingen liggen allemaal rond Terwolde in de gemeente Voorst, tenzij anders vermeld in Tabel 1. Onderzoeksmelding

Locatie en ligging

Type onderzoek

Aard vondstlocatie/resultaten

Datering

2470235100

Blikkenweg 15 Twello

Bureau- en booronderzoek 2015 door BAAC

Zie tekst

NTL

3978002100

Blikkenweg 9 en 9a Twello

Archeologische begeleiding 2015 door Econsultancy

Zie tekst

NTM-NTL

4016152100

Quabbenburgerweg Bureau- en booronderzoek Zie tekst Twello 2016 door Vestigia Tabel 1: Overzicht van de onderzoeksmeldingen binnen een straal van 500 m rondom het plangebied (bron: archis.cultureelerfgoed.nl).

n.v.t.

Onderzoeksmelding 2470235100 (Blikkenweg 15, Van Putten 2015) De natuurlijke ondergrond bestaat in de deelgebieden A en B uit dekzand al dan niet verspoeld met daaronder fluvioperiglaciaal zand en in deelgebied C uit komklei op verspoeld dekzand. In deelgebied A is deze afgedekt door 45-70 cm dik humeus dek (grensgeval tussen een enkeerdgrond en gooreerdgrond). Door de verstoring van de bodem in deelgebied B kon het oorspronkelijke bodemtype niet worden vastgesteld. In deelgebied C is sprake van een poldervaaggrond. Uit het karterende booronderzoek blijkt echter dat de bodem ter plaatse van de deelgebieden A en B tot in de C-horizont is verstoord. Ter plaatse van deelgebied A zijn echter in het geheel geen archeologische indicatoren aangetroffen die kunnen duiden op de aanwezigheid van een vindplaats. Ondanks dat de bodem ter plaatse van deelgebied B tot relatief grote diepte is verstoord, kan, gezien het vondstmateriaal en de wetenschap dat het 19e eeuwse landhuis op deze locatie heeft gestaan, niet worden uitgesloten dat zich hier nog resten van het 19e eeuwse landhuis in de ondergrond bevinden. Ter plaatse van deelgebied C zijn mogelijk resten van een 19e eeuws bijgebouw aangeboord. Ook voor dit deelgebied kan derhalve niet worden uitgesloten dat zich hier nog archeologische resten bevinden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12578707/1