Bijlage: Dekkingsplan 2021 - 2024 (2021-01168)
Tekst van het document
| 27 |
Deze afbeelding laat zien dat rondom de locaties van de brandweerposten de snelste opkomsttijd geleverd kan worden. Ook hier is de indeling per wijk en buurt gehanteerd volgens de CBS indeling. Beeld VNOG op basis van gebiedsgerichte opkomsttijden De gebiedsgerichte opkomsttijden onderscheiden drie categorieën. Het overheersende karakter van een gebied, indeling wijkbuurtcode volgens CBS, geeft aan in welke categorie dit gebied valt. In de tabel bij paragraaf 7.1 treft u een nadere duiding van het type objecten dat bepalend is voor een categorie. Hieronder is weergegeven welk beeld dit voor de VNOG oplevert. Legenda: • categorie 1, referentiewaarde 7 minuten • categorie 2, referentiewaarde 10 minuten • categorie 3, referentiewaarde 15 minuten
(bandbreedte 4-10 min.). (bandbreedte 7-12 min.). (bandbreedte 12-18 min.).
De rode rondjes staan symbool voor de brandweerposten in de regio. Dit levert het beeld op dat de VNOG met name wijken en buurten kent met de categorie 3. Dit zijn gebieden met verspreid liggende woningen en gebouwen voor zelfredzame personen (incl. industrie). Dit zijn de CBS buurten waarbij niet of nauwelijks sprake is van verstedelijking. Bij de kernen, dorpen en steden komt de kleur groen naar boven, wat een lichte verstedelijking laat zien - categorie 2. Categorie 1 (blauw) is op schaal van de VNOG nauwelijks zichtbaar. Dit komt voor in een enkele wijk in de steden Apeldoorn, Doetinchem, Dit levert het beeld op dat de VNOG met name wijken en buurten kent met de categorie 3. Dit zijn gebieden met verspreid liggende woningen en gebouwen voor zelfredzame personen (incl. industrie). Dit zijn de CBS buurten waarbij niet of nauwelijks sprake is van verstedelijking. Bij de kernen, dorpen en steden komt de kleur groen naar boven, wat een lichte verstedelijking laat zien - categorie 2. Categorie 1 (blauw) is op schaal van de VNOG nauwelijks zichtbaar. Dit komt voor in een enkele wijk in de steden Apeldoorn, Doetinchem, Harderwijk en Zutphen.
28 | |
Beeld in relatie tot dekking Door het beeld - de categorie indeling per buurt - te vergelijken met de dekking die geboden kan worden op basis van de beschikbare tankautospuiten ontstaat een vergelijking die een beoordeling geeft over de prestaties die de VNOG kan leveren. De opkomsttijd wordt beoordeeld in een goed, voldoende en onvoldoende. Legenda: • Groen is goed, de opkomsttijd is lager dan de referentiewaarde. • Geel is voldoende, de opkomsttijd is hoger dan de referentiewaarde maar valt binnen het maximum van de bandbreedte voor deze categorie. • Rood is onvoldoende, de opkomsttijd is hoger dan de maximale bandbreedte.
De prestatie laat zien dat in het grootste deel van de regio een tankautospuit binnen de referentiewaarde ter plaatse kan zijn; score Goed (=groen). In een aantal gebieden kan een tankautospuit binnen de bandbreedte geleverd worden; score Voldoende (=oranje). In slechts 2 gebieden (wijken Drielanden en Witte Hagen in Harderwijk) kan de eerste tankautospuit niet op tijd zijn; score Onvoldoende (=rood). De uitkomsten van deze vergelijking zijn input voor de verdere uitwerking van het brandrisicoprofiel. Hierin wordt beschreven welke aanvullende maatregelen gedaan kunnen worden in samenspraak met stakeholders op basis van een specifieke risicoduiding (zie hoofdstuk 5).
| 29 |
7.2 Opschaling tankautospuiten In de Wet veiligheidsregio’s en haar onderliggende besluiten en regelingen wordt de basisbrandweerzorg beschreven. De basisbrandweerzorg organiseert een slagkracht tot een maximum van drie tankautospuiten en één bijzonder voertuig onder leiding van een Officier van Dienst. Hierbij wordt er vanuit gegaan dat een inzet met meer dan drie tankautospuiten grootschalig is en dan binnen het bereik van deze visie op Grootschalig Brandweeroptreden valt. De Officier van Dienst mag daaraan nog steeds leiding geven (hij mag immers tot vier tankautospuiten en een bijzonder voertuig aansturen), maar wordt dan pelotonscommandant. In dit plan wordt de opschaling vanaf de tweede tot en met de vierde tankautospuit aangegeven en als zodanig benoemd als basisbrandweerzorg in de VNOG.
7.3 Beschouwing Dekking Basisbrandweerzorg De dekking van de basisbrandweerzorg zoals beschreven in paragraaf 7.1 Eerste Tankautospuit (TS) en paragraaf 7.2 Opschaling tankautospuiten geeft het volgende beeld. •
15 minuten
Zoals eerder aangegeven zijn er voor de opschaling vanaf de tweede tankautospuit (TS) geen wettelijke eisen. In dit plan zijn we uitgegaan van de streeftijden van 15 min. voor de tweede TS, 20 min. voor de derde TS en 30 min. voor de vierde TS.
De 1e Tankautospuit is in nagenoeg alle gevallen binnen de referentiewaarde ter plaatse. De afbeelding op pagina 30 laat zien dat in nagenoeg de hele regio de 1e tankautospuit ter plaatse kan zijn binnen de referentiewaarde van de gebiedsgerichte opkomsttijden (score Goed). In een aantal gebieden kan een tankautospuit binnen de gestelde bandbreedte geleverd worden (score Voldoende). Slechts in enkele wijken kan een tankautospuit niet conform de gestelde tijd ter plaatse zijn. Deze onvoldoende dekking geldt voor de wijken Drielanden en Wittenhagen in de gemeente Harderwijk. De overschrijding is ca. 3 minuten. Deze overschrijding was al bekend en zijn ook onderdeel van de pilot Risicogerichte benadering (risicoprofiel brandweer) van de VNOG (zie hoofdstuk 5). •
Het beeld van de dekking in de VNOG op basis van alle tankautospuiten in 15, 20 en 30 minuten is als volgt.
20 minuten
De opschaling in de VNOG is in 20 minuten ter plaatse met 4 TS-en. Voor de opschaling is de opkomsttijd van de tweede tot en met de vierde TS in beeld gebracht. In deze plaatjes is zichtbaar dat er ruimschoots wordt voldaan aan de streeftijd van 30 minuten voor de opkomst van 4 TS-en. Op de meeste plaatsen in de VNOG zijn er bij 20 minuten al 4 TSen ter plaatse. In de gehele VNOG wordt voldaan aan de streeftijd van 20 minuten voor de opkomst van 3 TS-en. De streeftijd van 15 minuten voor de opkomst van de 2e TS wordt in een relatief klein gedeelte van de VNOG niet behaald. Dit betreft een deel van de gemeenten: • Oost Gelre • Aalten • Montferland Gemeente Oost Gelre: De opkomsttijd van de 1e TS valt wel binnen de kaders van de gebiedsgerichte opkomsttijden; de dekking is Voldoende/Goed. Bij de opschaling blijft in Mariënvelde, Zieuwent en Lichtenvoorde de opkomsttijd van de 2e TS 1 á 2 minuten achter bij de streefwaarde van 15 minuten. De 3e en 4e TAS zijn (ruim) binnen de streefwaarden (20 c.q. 30 minuten) van opschaling ter plaatse.
30 minuten
30 | |
de streefwaarde van 15 minuten. De 3e en 4e TAS zijn (ruim) binnen de streefwaarden (20 c.q. 30 minuten) van opschaling ter plaatse. Gemeente Montferland: De opkomsttijd van de 1e TS valt binnen de kaders van de gebiedsgerichte opkomsttijden; de dekking is Goed. Bij de opschaling in Bergh blijft de opkomsttijd van de 2e TS 2 minuten achter bij de streefwaarde van 15 minuten. De 3e en 4e TAS zijn (ruim) binnen de streefwaarden (20 c.q. 30 minuten) van opschaling ter plaatse. Deze beschouwing van de dekking is mede input voor het risicoprofiel brandweer. Hierin wordt beschreven welke aanvullende maatregelen gedaan kunnen worden in samenspraak met stakeholders op basis van een specifieke risicoduiding (zie hoofdstuk 5). 7.4 Flexibel inzetbare tankautospuiten Een flexibel inzetbare tankautospuit is essentieel voor het garanderen van de primaire brandweerzorg. Er zijn diverse voorzienbare activiteiten waardoor de tankautospuit van een post niet beschikbaar is. Deze voorzienbare activiteiten zijn onder te verdelen in logistieke werkzaamheden en vakbekwaam worden en blijven. Bij logistieke werkzaamheden gaat het om reactief en preventief onderhoud en inspecties van materieel (APK, hef- en hijsmiddelen). Bij vakbekwaam worden gaat het om de opleidingen en de examens en bij vakbekwaam blijven om de reguliere en realistische oefeningen en wedstrijden.
Daarnaast kan er ook sprake zijn van onvoorziene omstandigheden door bijvoorbeeld een schadegeval. Het aantal flexibel inzetbare tankautospuiten bedraagt circa 10-14 stuks op schaal van de VNOG. Het exacte benodigde aantal wordt momenteel onderzocht, dit zal in ieder geval binnen de aangeven marge en het beschikbare budget vallen. Het vergt een goede planning om voor alle voorzienbare activiteiten de basisbrandweereenheid te vervangen door een flexibel inzetbare tankautospuit. De locaties voor deze flexibele tankautospuiten worden nog nader bepaald en kunnen naar aanleiding van actuele inzichten en gebeurtenissen gewijzigd worde om zo goed mogelijk aan de vraag te kunnen voldoen.
Gemeente Aalten: De opkomsttijd van de 1e TS valt binnen de kaders van de gebiedsgerichte opkomsttijden; de dekking is Goed. Bij de opschaling in Aalten en aan de zuidkant van het buitengebied van Aalten blijft de opkomsttijd van de 2e TS 2 á 3 minuten achter bij
| 31 |
7.5 Grootschalig Brandweeroptreden (GBO) In 2012 werd met de visie Grootschalig Brandweeroptreden (GBO) invulling gegeven aan de behoefte aan meer vraag gestuurde opschaling. Hierin werden vooraf geformeerde pelotons beschreven die vraaggericht konden worden ingezet bij grootschalige incidenten. Doel was om te voldoen aan maatwerk bij grootschalige incidenten. Vanuit diezelfde gedachte ontwikkelde het landelijke Programma ‘Samen werken aan grootschalig en Specialistisch brandweeroptreden Brandweer Nederland’ (GBO-SO) zich binnen Brandweer Nederland. Landelijke specialismen werden ontwikkeld en er ontstond behoefte om de visie Grootschalig Brandweer Optreden zes jaar na vaststelling te actualiseren, verder te implementeren en te zorgen voor borging voor de toekomst. Dit heeft geresulteerd in de visie GBO 2.0. Deze borduurt voort op het gedachtengoed van de eerste visie uit 2012, waarbij de uitgangspunten en achterliggende theorie van de sturingsdriehoek leidend zijn gebleven. Er is gekeken welke zaken niet langer actueel waren en welke onderdelen, op basis van ervaringen uit de praktijk, aanpassing vereisten. Er is daarnaast een helder onderscheid gemaakt tussen grootschalig brandweeroptreden aan de ene kant (massa en capaciteit en meer van hetzelfde) en specialistisch brandweeroptreden (specialistische kennis, capaciteit en materiaal) aan de andere kant.
Tenslotte bouwt de visie voort op wat er al is en er is vooruit gekeken naar toekomstige (maatschappelijke) ontwikkelingen. De belangrijkste wijziging in de visie 2.0 is dat de operationele prestatie die een peloton levert (de output) leidend is geworden en niet langer de vorm, omvang of samenstelling van het peloton. Daarmee kan er, zowel in bijstandsvraag als levering, nog meer vraag gestuurd en flexibel worden gewerkt zonder dat de prestatie die het peloton levert, verandert. Door de Raad van Brandweercommandanten (RBC) is vastgesteld welke minimale operationele prestaties een regio aan bijstand moet kunnen leveren: • Eén peloton basis brandweerzorg; • Eén peloton grootschalig watertransport; • Eén peloton redding & technische hulpverlening (niet bedoeld STH). Met de levering van deze pelotons wordt geen rekening gehouden met gelijktijdigheid. De pelotons moeten ingericht en beschikbaar zijn, maar hoeven dus niet tegelijkertijd worden ingezet. Met het voorliggende plan voldoen wij aan deze verplichting.
32 | |
| 33 |
8. Spreiding specialismen 8.1 Natuurbranden Inleiding Bij de opzet van het plan voor natuurbrandbestrijding is uitgegaan van: • Inzet ten behoeve van natuurbrand met name rondom het Veluwe massief (ruim 55.000 ha aangesloten natuurgebied); • Samenwerking met Veiligheid- en gezondheidsregio Gelderland-Midden (VGGM) op basis van het vastgestelde operationeel plan natuurbanden (OPN); • Realiseren van twee pelotons specialistische natuurbrand blussing. Het risico op onbeheersbare natuurbranden is sterk afhankelijk van het seizoen, de vegetatie en de weersomstandigheden. Het inzetvoorstel is daarom variabel, luchtsurveillance kan worden ingesteld en helikopters van defensie kunnen worden geconsigneerd. Bij een melding van een natuurbrand wordt er, afhankelijk van de weersomstandigheden, uitgerukt met 2 of 4 natuurbrandvoertuigen die het snelst ter plaatse kunnen zijn. Landelijk zijn er geen opkomsttijden voor natuurbranden bepaald. Bij de uitwerking van dit plan is het uitgangspunt gehanteerd dat (net als bij gebouwbranden) 4 natuurbrandvoertuigen - één peloton - in 30 minuten ter plaatse zijn en gereed om in te zetten. Dit is conform de doelstelling in het vastgestelde Operationeel Plan Natuurbrandbestrijding om binnen 30 minuten voldoende slagkracht ter plaatse te hebben.
Voordat tot aanschaf van de nieuwe reeks van specialistische natuurbrandvoertuigen wordt overgegaan wordt in nauwe samenhang met de betrokken posten en de portefeuillehouder natuurbranden een Visie op Natuurbrandbestrijding opgesteld. Hierbij zullen, waar nodig collega veiligheidsregio’s en andere partners bij betrokken worden. Ook de landelijke ontwikkelingen zullen hierbij een belangrijke rol spelen. Onderdelen van de visie zijn het veiligheidsniveau, de aanrijtijden, afspraken met betrekking tot risico-objecten, het benodigde materieel, de plaatsing en verdeling van het materieel en de training en opleiding van de brandweer eenheden. Deze visie wordt in 2020 opgesteld, waarbij de financiële en inhoudelijke kaders van de toekomstvisie VNOG leidend zijn. Aantal en spreiding De VNOG beschikt in totaal over 26 Natuurbrandvoertuigen, waarvan 17 TS Combi’s en 9 specialistische natuurbrandvoertuigen.
8.2. Redvoertuigen Inleiding Het redvoertuig wordt ingezet voor een aantal zeer verschillende taken, te weten: de redding van mens en dier vanaf hoogte, ter ondersteuning bij de blussing (wanneer een blusinzet van bovenaf nodig is), ter ondersteuning van het veilig werken op hoogte (zoals bijvoorbeeld bij schoorsteenbranden en stormschade), ter ondersteuning van de ambulancedienst (afhijsen van patiënten die horizontaal moeten worden vervoerd of die niet via de normale wijze uit een pand kunnen worden gebracht), als vluchtweg van het eigen personeel en allerlei andere werkzaamheden die hoogte vergen. Dit risico geldt met name bij oudere gebouwen, omdat daarbij in het verleden brandpreventie op een ander niveau georganiseerd was. Deze gebouwen, waarbij sprake is van beperkte vluchtwegen en slechte brandwerendheid, worden vooral nog aangetroffen in stedelijke gebieden met oude wijken. Met de komst van het Bouwbesluit is de snelle inzet van een redvoertuig voor redding op hoogte minder noodzakelijk geworden voor gebouwen die aan de in het Bouwbesluit gestelde eisen voldoen. Hoewel, zoals bij alle voertuigen, een snelle opkomst na alarmering altijd wenselijk is, is bij de andere taken van het redvoertuig het belang van de inzet meer gelegen in de gegarandeerde opkomst dan in de snelheid van de opkomst. De streeftijd voor het redvoertuig is 18 minuten.
Aantal en spreiding In het dekkingsplan zijn 6 redvoertuigen opgenomen. Deze zijn geplaatst op de posten: Doetinchem, Winterswijk, Apeldoorn centrum, Zutphen, Elburg en Harderwijk. Dekking
De voertuigen zijn geplaatst op de posten: TS Combi: Zelhem, Bergh, Didam, Vorden, Klarenbeek, Apeldoorn Centrum, Beekbergen, Hoenderloo, Loenen, Uddel, Ugchelen, Heerde, Wapenveld, Oldebroek, Elburg, Nunspeet en Hierden. Specialistisch: Hoog Soeren, Eerbeek, Vaassen, Epe, Wezep, Elburg, Elspeet, Ermelo en Putten. Dekking
Eventuele verdere opschaling vindt plaats vanuit het materieel en personeel dat in de regio’s VNOG en VGGM voorhanden is voor de eerste slagkracht. Daarnaast zijn er afspraken met defensie - het ASK en het ISK - en kan er bijstand worden gevraagd van andere regio’s in Nederland. Internationaal en inmiddels ook bij een aantal andere regio’s in Nederland is het besef gegroeid dat voor een snelle en adequate aanpak van natuurbrand het beter is om dit doen met specifiek daarvoor toegeruste voertuigen. De combivoertuigen zijn ook toegerust voor alle andere basisbrandweertaken en dit houdt in dat zij zwaarder en groter zijn dan de specialistische voertuigen. Het plan bevat negen specialistische voertuigen. Op dit moment beschikken we reeds over vier soortgelijke specialistische voertuigen.
34 | |
Deze afbeelding laat zien dat op het Veluwe massief binnen een half uur minimaal vier voertuigen ter plaatse zijn.
Legenda: Groen: Er is geen redvoertuig ter plaatse in 18 minuten Blauw: Er is 1 redvoertuig ter plaatse in 18 minuten Paars: Er zijn meer dan 1 redvoertuig ter plaatse in 18 minuten
| 35 |
8.2. Hulpverleningsvoertuigen Inleiding Een hulpverleningsvoertuig is een ondersteunend voertuig aan de tankautospuit bij technische hulpverlening, de bestrijding van ongevallen met gevaarlijke stoffen en bij waterongevallen. Het voertuig is te onderscheiden in twee typen: HV1 en HV2. De verschillen tussen de HV1 en HV2 worden bepaald door de aanwezigheid van een kraan en lier op de HV1 en het extra uitrustingsniveau van de HV1 voor de bestrijding van en ondersteuning bij complexe incidenten. Op basis van de landelijke bestekken en ervaringen uit de afgelopen beleidsperiode moet worden vastgesteld dat de HV2 een te beperkte toegevoegde waarde heeft t.o.v. de tankautospuit. De moderne tankautospuit is beter dan voorheen toegerust voor HV taken. Voor zwaardere en complexere incidenten met onder andere vrachtwagens, bussen, spoorwegincidenten en waterongevallen, is de HV1 een adequaat ondersteunend voertuig. Er is daarom in dit dekkingsplan voor gekozen om alleen nog maar te werken met het type HV1. De streeftijd voor het hulpverleningsvoertuig is 18 minuten. Aantal en spreiding In het dekkingsplan zijn 6 hulpverleningsvoertuigen opgenomen. Deze zijn geplaatst op de posten: Doetinchem, Lichtenvoorde, Apeldoorn-Centrum, Zutphen, Harderwijk, Wezep. Dekking
8.4. Watertransport Inleiding Een watertransportsysteem wordt gebruikt om grote hoeveelheden bluswater te transporteren. Voor het beperken van escalatiescenario’s is het nodig om over voldoende bluswater te kunnen beschikken. Daarnaast wil de VNOG als vangnet voor falende bluswatersystemen en als tijdelijke overbrugging in geval van een acuut bluswaterprobleem beschikken over voldoende “water op wielen”, dat flexibel kan worden ingezet. Mede gezien de langdurige perioden droogte van afgelopen jaren en de verwachting dat dit in de toekomst vaker kan optreden is er behoefte aan een robuust watertransportsysteem. Aantal, spreiding en dekking In het dekkingsplan zijn de volgende watertransportsystemen opgenomen.
17 Watertankwagen-groot (WT-G) Geplaatst in: Aalten, Bergh, Eibergen, Groenlo, Winterswijk, Apeldoorn-Centrum, Apeldoorn-Zuid, Uddel, Brummen, Laren, Vorden, Zelhem, Epe, Ermelo, Hattem, Nunspeet, Oldebroek Legenda:
Blauw: Het wateraanbod is voldoende tov de hulpvraag in MT2 fase 1 (20min) Rood: locatie WTG
15 Watertransportsystemen 500 meter (WTS-500) Geplaatst in: Didam, Lichtenvoorde, Neede, Ruurlo, Silvolde, Eerbeek, Gorssel, Hengelo, Lochem, Twello, Elburg, Elspeet, Putten, Vaassen, Wapenveld Legenda:
Blauw: Het wateraanbod is voldoende tov de hulpvraag in MT2 fase 2 (30min) Rood: locatie WTS500
Legenda: Groen: Er is geen HV ter plaatse in 18 minuten Blauw: Er is 1 HV ter plaatse in 18 minuten Paars: Er zijn meer dan 1 HV ter plaatse in 18 minuten
4 Watertransportsystemen 1500 meter (WTS-1500) Deze zijn geplaatst op de posten: Doetinchem, Winterswijk, Apeldoorn Zuid, Nunspeet, Putten. Legenda:
Blauw: Het wateraanbod is voldoende tov de hulpvraag in MT2 fase 3 (60min) Rood: locatie WTS1500
36 | |
| 37 |
8.5. Waterongevallenbestrijding Inleiding Waterongevallenbestrijding is te definiëren als alle werkzaamheden die de brandweer verricht om te water geraakte personen en/of dieren te redden. Waterongevallenbestrijding wordt op een drietal manieren uitgevoerd: • Door een grijpredding vanaf de waterkant, uit te voeren wanneer de situatie dat toelaat; • Door een oppervlakteredding, wanneer personen en/of dieren zich nog aan de oppervlakte of net daaronder bevinden, maar niet meer vanuit de waterkant of vanaf het ijs kunnen worden gered; • Door het inzetten van brandweerduikers, wanneer personen en/of dieren zich onder water bevinden en niet meer kunnen worden gered door middel van oppervlakteredding. De regio kent ook vaarwegen die risico’s met zich meebrengen. Hiervoor is de incidentbestrijding gericht op het geheel van maatregelen inzake de bestrijding van incidenten met, op en rond vaartuigen en vaarwateren. Uitvoering van deze taak vindt plaats met brandweerhulpvaartuigen. Nationale reddingsvloot Begin 2018 hebben de VNOG en de Reddingsbrigade Nederland een overeenkomst gesloten inzake de Regionale Reddingsgroep van de Nationale Reddingsvloot (NRV). Per 1 januari 2018 zijn daarmee 22 veiligheidsregio’s met een overstroomprofiel verantwoordelijk voor de organisatie en inrichting van een landelijke opschaalbare reddingsvloot.
Voor de VNOG houdt dat in dat zij een reddingsgroep bestaande uit vier vaartuigen levert aan de NRV. Van de vier vaartuigen is er één van de reddingsbrigade zelf. Deze is gestald in Apeldoorn. De exploitatie van dit vaartuig neemt de VNOG voor haar rekening. De andere drie eenheden zijn brandweerhulpvaartuigen (inclusief bemanning). Als tegenprestatie levert de Reddingsbrigade ondersteuning bij oefeningen en trainingen op het gebied van waterongevallenbestrijding. Deze ondersteuning wordt jaarlijks in een werkafspraak vastgelegd. De brandweerhulpvaartuigen van de posten Zutphen, Steenderen en Gorssel zijn aangewezen als onderdeel van de reddingseenheid voor de NRV. Aantal en spreiding Voor het uitvoeren van de grijpredding, oppervlakteredding en het duiken wordt gebruik gemaakt van verschillende eenheden en specialistische teams.
38 | |
De organisatie hiervan is volgens het dekkingsplan als volgt: • Iedere basisbrandweereenheid is in staat een grijpredding uit te voeren. Alle 56 brandweerposten beschikken over een basisbrandweereenheid. • Oppervlaktereddingsteams zijn gepositioneerd op de posten: Groenlo, Gendringen, Gorssel, Lochem, Steenderen, Zutphen, Harderwijk en Heerde. • In het voorgaande materieelspreidingsplan waren er meer oppervlakte-reddingteams, de kennis en kunde van deze teams worden waar nodig gebundeld op de plekken waar een oppervlaktereddingsteam in stand blijft. De samenvoeging van deze teams vindt in gesprek met de betreffende postcommandanten plaats waarbij heldere uitvoeringsafspraken worden vastgelegd. • De regio beschikt over één duikteam. Het AB heeft op 25 juni besloten dat het duikteam in Harderwijk wordt gestationeerd. Het duikteam in Heerde wordt opgeheven zodra het duikteam in Harderwijk volledig op sterkte is. Hiervoor wordt een termijn van twee jaar gehanteerd. • Een brandweerhulpvaartuig ligt in: Gendringen, Gorssel, Steenderen, Zutphen, Heerde, Harderwijk voor de uitvoering van de taak incidentbestrijding vaarwegen. Dekking Legenda: Groen/geel: Er zijn geen oppervlakte-reddingsteams ter plaatse binnen 30 minuten Blauw/zwart: Er is 1 oppervlaktereddingsteam ter plaatse in 30 minuten. Paars: Er zijn meer dan 1 oppervlakte-reddingsteams ter plaatse in 30 minuten
Legenda: Legenda: Groen/geel: Er zijn geen Groen: Er is geenter HVplaatse ter brandweer-vaartuigen plaatse in 18 minuten binnen 30 minuten Blauw: Er is 1 HV ter plaatse minuten Blauw/zwart: Er in is 18 1 brandweerEr zijninmeer dan 1 vaartuigPaars: ter plaatse 30 minuten. HV ter plaatse in 18 minuten Paars: Er zijn meer dan 1 brandweer-vaartuig ter plaatse in 30 minuten
De opkomst van de KNRM-eenheid locatie Elburg is niet opgenomen in de dekking, omdat dit geen brandweereenheid betreft. De KNRM is wel inzetbaar vanuit de Meldkamer Oost-Nederland voor inzet op de randmeren. Op de randmeren valt de dekking van vaartuigen (KNRM + Brandweer) in de categorie “paars; meer dan 1 vaartuig ter plaatse in 30 minuten”. Legenda: Groen/geel: Er zijn geen duikteams ter plaatse binnen 30 minuten Blauw/zwart: Er is 1 duikteam ter plaatse in 30 minuten. Paars: Er zijn meer dan 1 duikteams ter plaatse in 30 minuten
Daarnaast is de VNOG aangewezen als steunpunt voor grootschalige ontsmetting, deze taak is verspreid over zes regio’s in Nederland (Besluit Veiligheidsregio’s, artikel 4.1.6 en bijlage 1). Op dit gebied verzorgt de VNOG dus een interregionale taak. Hier staat een aanvullende financiering vanuit het Instituut Fysieke Veiligheid tegenover. Basis eenheden IBGS Verkenners Gevaarlijke Stoffen (VGS) De taken van de verkenningseenheid bestaan uit: het verkennen, georganiseerd verzamelen van (meet)gegevens, monsters en zintuiglijke waarnemingen. Aan de hand van de verkregen informatie dient de meetplanleider zich een beeld te kunnen vormen van de situatie, aard, ernst en omvang van de gevolgen van een incident. De VGS eenheden zijn geplaats op de posten: Aalten, Bergh, Eibergen, Almen, Steenderen, Terwolde, Oldebroek, Ermelo.
8.6. Incidentbestrijding Gevaarlijke Stoffen Inleiding Voor Incidentbestrijding gevaarlijke stoffen (IBGS) wordt de landelijke visie gehanteerd. Het doel van deze visie is de aanpak van incidenten met gevaarlijke stoffen effectief en efficiënt te organiseren; terug naar de basis en aansluiten bij de praktijk. De hoofdtaak van IBGS is daarin omschreven als: redden, stabiliseren en ontsmetten. Dit zijn de taken die iedere regio moet kunnen verzorgen. Daarnaast zijn er meer specialistische taken die gekoppeld aan het risicoprofiel al dan niet van toepassing zijn. In de landelijke visie zijn de volgende uitgangspunten opgenomen: • Geen vaste opkomsttijden, de opkomst wordt per regio gebaseerd op basis van het risicoprofiel. • De brandweer heeft een inspanningsverplichting om de acute effecten op mens en milieu te beperken. • De brandweer houdt zich niet bezig met opruimwerkzaamheden en werkt niet aan installaties. In de VNOG zijn de basisvoorzieningen aanwezig die elke regio dient te hebben om de hoofdtaak op het gebied van IBGS uit te voeren.
Schuimblusvoertuig Een schuiminzet is soms noodzakelijk bij transportincidenten met gevaarlijke stoffen en bij ongevallen en branden in industriële omgevingen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een schuimblusvoertuig. Het streven is om 60 minuten na alarmering een schuimblusvoertuig ter plaatse te hebben. Gezien de uitgestrektheid van de regio zijn twee schuimblusvoertuigen nodig om hierin te kunnen voorzien. De voertuigen zijn geplaatst op de posten: Bergh en Twello. Gaspakkensteunpunten/specialistische IBGS-eenheid In de visie IBGS worden gaspaksteunpunten ook wel specialistische IBGS-eenheden genoemd. De specialistische IBGS-eenheid verricht taken om incidenten met gevaarlijke stoffen te stabiliseren. De eenheid is niet gericht op redding. Daarnaast kunnen deze eenheden het incident zodanig stabiliseren zodat gespecialiseerde bedrijven/ partners opruimwerkzaamheden kunnen verrichten. De aanwezigheid van deze specialistische eenheid is minder spoedeisend omdat een TS (of SB voertuig) al maatregelen heeft genomen om de effecten te beperken. De specialistische IBGS eenheid dient binnen twee uur beschikbaar te zijn voor elke regio. Veiligheidsregio’s dienen aan de hand van hun risicoprofiel te bepalen of een kortere opkomsttijd van de specialistische IBGS-eenheid noodzakelijk is.
| 39 |
In Oost 5 verband is afgesproken dat het in stand houden van minimaal één gaspakkenteam per Veiligheidsregio de voorkeur heeft. Dit omdat de kennis en vaardigheden dan binnen de Veiligheidsregio’s blijven en de Veiligheidsregio’s gelijkwaardig bijdragen aan de gaspakkentaak. Binnen de VNOG is als Gaspakkensteunpunt/ specialistische IBGS-eenheid aangewezen de post Apeldoorn-centrum. Voorzieningen landelijk steunpunt Basis Ontsmetting Eenheid (BOE) De visie IBGS stelt het volgende ten aanzien van de BOE. Het specialisme ontsmetting is (inter) regionaal op basis van het risicoprofiel belegd. Bij een beperkt aantal slachtoffers (< 10) kan de basis ontsmettingseenheid ingezet worden. Intussen kunnen slachtoffers door een tankautospuit met de aanwezige middelen ontsmet worden. De basis ontsmettingseenheid kan tevens de ingezette brandweereenheden met persoonlijke beschermingsmiddelen zodanig ontsmetten dat hulpverleningspersoneel veilig uit het pak kan. Deze eenheid speelt op lokale schaal een rol in de arbeid hygiënische ontsmetting van eenheden. De opkomsttijd van deze basis ontsmettingseenheid is afhankelijk van het (inter)regionaal samenwerkingsverband.
De GOE-taak wordt in dit plan centraal in de regio belegd bij de post Apeldoorn-centrum. Er is gekozen voor de locatie Apeldoorn-centrum in verband met de centrale ligging, de paraatheid van de beroeps en de combinatie met de gaspakken die op dezelfde post zijn gestationeerd; alle kennis binnen één post. 8.7. Veetakels Inleiding Het redden van landbouwdieren is een specialisme waarvoor specifieke kennis en materieel nodig is. Voor het redden van landbouwdieren wordt een veeredinstallatie ingezet.
Bijlagen 1.
Uitruktijden 1e Tankautospuit
2.
Materieel: Afstootschema 2020 – 2026; Overzicht Materieel 2026
3.
Tijd/tempo Waterongevallen
4.
Risicoprofiel Brandweer
5.
Systeemvoorbeelden relatie veiligheid en opkomst
Aantal en spreiding In het dekkingsplan zijn 7 veeredinstallaties opgenomen. Deze zijn geplaatst op de posten: Gendringen, Lichtenvoorde, Ruurlo, Wehl, Klarenbeek, Elspeet en Oene. Dekking Legenda: Blauw: Er is 1 veeredinstallatie ter plaatse in 30 minuten. Paars: Er zijn meer dan 1 veeredinstallaties ter plaatse in 30 minuten
Het risicoprofiel biedt aanknopingspunten voor de gewenste opkomsttijd voor deze eenheden in de regio. Eén BOE is voldoende op de interregionale schaal van de Oost 5 samenwerking. De BOE is geplaatst op de locatie Apeldoorncentrum in verband met de centrale ligging, de paraatheid van de beroeps en de combinatie met de gaspakken die op dezelfde post zijn gestationeerd; alle kennis binnen één post. Grootschalige Ontsmetting Eenheid (GOE) In de landelijke visie IBGS staat het volgende m.b.t. de GOE: bij grote aantallen slachtoffers dienen de landelijke grootschalige ontsmettingseenheden ingezet te worden. Zij kunnen ingezet worden om capaciteit te leveren voor de ontsmetting, ook kunnen ze ingezet worden om kennis en expertise te leveren (bij standaardafwijking). De opkomsttijd van de GOE is maximaal twee uur. Intussen kunnen slachtoffers op een afgezonderde locatie worden ondergebracht. De VNOG is één van de zes veiligheidsregio’s in Nederland die de grootschalige ontsmettingstaak toebedeeld hebben gekregen.
40 | |
| 41 |
Bijlage 1
Uitruktijden TS
Bijlage 2
Achterhoek
Dag
Nacht
Aalten
05:49
05:17
Bergh
05:10
05:15
Borculo
05:05
04:56
Didam
05:29
05:50
Dinxperlo
04:45
05:02
Doetinchem
02:48
02:18
Eibergen
04:06
03:59
Gendringen
04:48
06:23
Groenlo
04:59
05:10
Lichtenvoorde
05:12
05:28
Neede
04:04
03:59
Ruurlo
04:48
04:23
Silvolde
05:32
05:42
Varsseveld
04:24
04:51
Wehl
05:04
04:47
Winterswijk
05:39
05:35
Apeldoorn Centrum 24-uursdienst
01:15
01:21
Apeldoorn Centrum Vrijwilligers
07:11
07:11
Apeldoorn Zuid
01:52
01:52
Beekbergen
04:30
04:30
De Maten
04:11
04:11
Hoenderloo
04:25
04:15
Hoog Soeren
04:27
04:30
Loenen
04:27
03:49
Uddel
02:56
03:06
Ugchelen
03:36
03:17
Almen
04:42
03:38
Barchem
05:12
04:42
Brummen
05:55
05:55
Eerbeek
04:50
05:26
Gorssel
04:52
04:12
Hengelo GLD
06:57
05:32
Klarenbeek
03:48
03:41
Laren
05:07
04:45
Lochem
05:38
04:54
Steenderen
05:19
05:57
Terwolde
03:28
03:36
Twello
04:22
04:12
Voorst
05:04
04:44
Vorden
05:53
06:03
Zelhem
03:58
05:26
Zutphen
02:10
02:19
Elburg
04:30
04:52
Elspeet
03:38
03:15
Epe
03:51
04:22
Ermelo
04:54
04:45
Harderwijk
05:35
05:28
Hattem
03:47
03:49
Heerde
04:18
03:53
Hierden
06:11
04:56
Nunspeet
03:48
03:59
Oene
03:54
03:50
Oldebroek
03:43
03:46
Putten
03:20
03:34
Vaassen
04:03
03:58
Wapenveld
04:10
05:02
Wezep
04:55
03:55
Materieel
Afstootschema Materieel 2020 – 2026
Overzicht af te stoten materieel
Eenheid TS-Basis TS-Combi WTS-500 WTS-1000 / 2500 Hulpverleningsvoertuig Oppervlakteredding Veeredinstallatie Totaal
2020 3 2 4 9
2021 1 1 4 4 1 7 2 20
2022 1 1
2023 2 2 6 10
2024 1 1
2025 1 1
2026 Totaal 3 7 1 2 10 6 6 7 8 4 46
Apeldoorn
IJsselstreek
Veluwe
42 | |
| 43 |
Bijlage 2
Posten
TS-BZK
TS-Combi
NB Spec.
WTS 500
WTS1500
WTG
RV
HV1
VIA
Duikteam
OVRT
BRV
VGS
BOE / GOE
GPD
SB
MCU
Overzicht Spreiding Materieel in 2026
TOTAAL
77
44
17
9
15
4
17
6
6
7
1
8
6
8
1
1
2
2
Achterhoek Aalten Bergh Borculo Didam Dinxperlo Doetinchem Eibergen Gendringen Groenlo Lichtenvoorde Neede Ruurlo Silvolde Varsseveld Wehl Winterswijk
27 2 3 0 1 0 4 2 2 2 3 1 2 1 0 1 3
16 1
2
0
5
2
5 1 1
2
2
4
0
2
1
3 1 1
0
0
1
1
Apeldoorn Apeldoorn-Centrum beroeps Apeldoorn-Centrum vrijwilligers Apeldoorn-de Maten Apeldoorn-Zuid Beekbergen Hoenderloo Hoog Soeren Loenen Uddel Ugchelen
9 2 3 0 3 0 0 0 0 1 0
3 1
IJSSELSTREEK Almen Barchem Brummen Eerbeek Gorssel Hengelo Klarenbeek Laren Lochem Steenderen Terwolde Twello Voorst Vorden Zelhem Zutphen
20 1 0 1 1 2 1 1 1 2 2 1 2 0 1 1 3
14 1 1 1 1 1 1
VELUWE Elburg Elspeet Epe Ermelo Harderwijk Hattem Heerde Hierden Nunspeet Oldebroek Oene Putten Vaassen Wapenveld Wezep
21 2 2 1 2 3 1 1 0 2 2 1 1 1 1 1
11
1
TS - BZK TS - Combi NB Spec. WTS 500 WTS 1500 WTG RV HV1 DT OVRT BRV BOE/GOE GPD SB MCU
1
1 1
1
1 2 1 1 1 1 1 1 1 1 1 2
1
1
1
1
1
1 1
1 1
1 1 1 1 1
1
1
1 1
1 6
1
0
1
1
1
1
3
1 1
1
1
0
0
0
0
0
1
1 1
1
1
1 1
0
1
1
1
3
WTG 1
5
1
1 1 1
0
4
1
1
1
4
3
1
1
1 1
1
3 1
0
0
1
0
1 1
1 1
1
1 1 1
2 6 1
1 1 1 2 1
7 1 1 1 1
5 1 1
1
5
1
1
2 1
2
2
1
1
1
2
2
n.b.
1
1
n.b.
1
1
2
1 1 1 1
1 1 1 1 1
1
1 1
1 1
1 1 1
1 1 1
1
Tankautospuit standaard uitvoering Tankautospuit standaard en Natuurbrandbestrijding Natuurbrand specialistisch voertuig Watertransport systeem 500 meter Watertransport systeem 1500 meter Watertankwagen Groot Redvoertuig / hoogwerker Hulpverleningsvoertuig type 1 Duikteam Oppervlaktereddingsteam Brandweer vaartuig Ontsmettingseenheid Basis / Grootschalig Gaspakploeg Schuimblusvoertuig Multi Commando Unit
Voor het scenario gaan we ervan uit dat een persoon gered wordt door omstanders of dat de brandweer bij aankomst een persoon uit het water haalt. In dit scenario is er geen aanvullende opkomsttijd benoemd vanuit brandweerzorg. De opkomsttijd voor grijpredding sluit daarom aan bij de maximale opkomsttijd voor brandweerzorg vanuit het BVR.
0
de opkomsttijd voor een duikteam 30 (=60-25-5) minuten is. Als scenario is benoemd een auto te water (dieper dan 1,5 meter). De VNOG neemt 30 minuten opkomsttijd voor een duikinzet als uitgangpunt. Brandweerhulpvaartuig De inzet van het Brandweerhulpvaartuig is gekoppeld aan de uitvoering van de taken oppervlakte redding en duikinzet. Bij een inzet verder uit de kant dan is toegestaan is een Brandweerhulpvaartuig benodigd. De opkomsttijd van het Brandweerhulpvaartuig is daarmee gesteld op 30 minuten. In deze tijd zit 5 minuten voorbereidingstijd om vanaf de kant inzetbaar te zijn op het water.
0
0
0
Oppervlakteredding De oppervlakteredding is wettelijk niet gebonden aan opkomsttijden. De oppervlakteredding wordt niet alleen uitgevoerd door de brandweer. De KNRM doet deze taak, Search & Rescue (SAR) voor het daarmee wettelijke belaste kustwachtcentrum (KWC) op de ruimte binnenwateren. Het KWC stelt als norm binnen 30 minuten na alarmering ter plaatse. In het handboek incidentbestrijding te water is gesteld dat de reddingstaak van de brandweer aansluit bij SAR-taak van het KWC. De opkomsttijd is de verwerkingstijd MON + uitruktijd post + rijtijd (naar waterkant).
Het brandweerhulpvaartuig is daarnaast inzetbaar bij de uitvoering van de overige taken dan redden van “mens en dier in Nood” (zie H 3.1). De VNOG neemt 30 minuten opkomsttijd voor een brandweerhulpvaartuig als uitgangpunt.
De VNOG neemt 30 minuten opkomsttijd voor de oppervlakteredding als uitgangpunt.
1 1
1 1 1 1
0
1
1 1
1
1
1
1 1 1 1 1 1
Grijpredding Basisbrandweereenheden moeten wettelijk verplicht een grijpredding kunnen uitvoeren. De grijpredding is wettelijk gebonden aan opkomsttijden aangezien het onderdeel is van de basisbrandweerzorg. Het is aan veiligheidsregio’s zelf om een norm te stellen, maar de opkomsttijd is wettelijk gemaximaliseerd in het besluit Veiligheidsregio’s (BVR) op achttien minuten. De opkomsttijd = de verwerkingstijd MON + uitruktijd post + rijtijd tot aankomst op de incidentlocatie (=locatie op de kant langs het water).
De VNOG neemt 18 minuten opkomsttijd voor de grijpredding als uitgangpunt.
1 1 1 1
Tijd/Tempo Waterongevallenbestrijding
1
1
1 1
Verklaring
44 | |
Bijlage 3
Spec. taken
Bijlage 2
Overzicht Spreiding Materieel in 2026
1
Duikredding Een duikinzet wordt door een duikteam uitgevoerd. De duikinzet is niet wettelijk gebonden aan opkomsttijden. In Brandweer Nederland is het ‘gouden uur’ bij het redden van drenkelingen het uitgangspunt. Dit is ook overgenomen in het AB besluit van oktober 2010. Een reddingsduik kan maximaal 25 minuten in beslag nemen. De inzet moet maximaal starten op 25 minuten voor het einde van het ‘gouden uur’. De verkennings- en voorbereidingstijd voor de duikinzet stellen wij op 5 minuten. Dit houdt in dat
| 45 |
Bijlage 4
Risicoprofiel brandweer
Het risicoprofiel brandweer is een dynamisch en interactief informatieproduct dat bestaat uit een verzameling van dashboards (rapportages) waar informatie uit de eigen organisatie (zoals incidenten) wordt gekoppeld aan data van andere organisaties (zoals eigenschappen van gebouwen, gebruiksfuncties en wijkprofielen). De VNOG wil een risicoprofiel brandweer gericht op feitelijke risico’s van een bepaald gebied, waarbij de output gebruikt kan worden om (bestuurlijke of beleids)keuzes te maken. Bijvoorbeeld, welke gebieden extra aandacht behoeven gelet op de aanwezige risico’s. Het streven van de VNOG is om een risicoprofiel vorm te geven dat op maatwerk ten behoeve van bestuurders, posten, inwoners en medewerkers inzicht geeft in het risiconiveau. Maatschappelijke thema’s Het risicoprofiel wordt opgebouwd vanuit maatschappelijk thema’s. Deze categorisering wordt landelijk en in de VNOG toegepast bij het opstellen van een regionaal risicoprofiel. Door dit uitgangspunt aan te houden zijn de resultaten van het risicoprofiel brandweer terug te herleiden naar ieder thema. Tevens ontstaat op deze wijze de doorkijk van monodisciplinair naar multidisciplinair (regionaal risicoprofiel). Een klein incident kan immers uitgroeien tot een grote ramp/crisis.
De maatschappelijk thema’s zijn: 1.
Natuurlijke omgeving
2.
Gebouwde omgeving
3.
Technologische omgeving
4.
Vitale infrastructuur en voorzieningen
5.
Verkeer en vervoer
6.
Gezondheid
7.
Sociaalmaatschappelijke omgeving
De thema’s zijn, op basis van de landelijke categorisering, verder opgesplitst in crisistypen en incidenttypen. Hierbij moet worden opgemerkt dat de monodisciplinaire inzet van de brandweer in thema’s 4 (Vitale infrastructuur), 6 (Gezondheid) en 7 (sociaalmaatschappelijke omgeving) zo minimaal is dat deze in het risicoprofiel brandweer buiten beschouwing worden gelaten.
46 | |
Risico piramide De structuur van het risicoprofiel brandweer is als een piramide opgebouwd. De piramide rust op een basis die is opgesteld uit een luchtfoto en de profilering daarvan. De luchtfoto beschrijft per maatschappelijk thema het verzorgingsgebied van de VNOG. Het geeft antwoord op de vraag wat de kenmerken van de VNOG zijn en welke incidentscenario’s in potentie plaats kunnen vinden.
De focus van dit plan is gericht op: •
Kerntaak brand;
•
Maatschappelijke thema 2, de gebouwde omgeving;
•
Voor de functie woningen en woongebouwen.
Belangrijk om te benoemen is dat de luchtfoto op geen enkel moment volledig is. Het is aan constante verandering onderhevig en daarmee een momentopname. Verschillende demografische en maatschappelijke ontwikkelingen zijn van invloed op de luchtfoto. Het gaat daarbij onder andere om: •
Demografie: bevolkingskrimp, vergrijzing, meer beroep op zelfredzaamheid.
•
Ontwikkelingen in de zorg: toenemende zorgvraag en daardoor druk op aanbod (acute) zorg.
•
Toename toerisme: op het water en in de natuurgebieden.
•
Klimaatverandering: extreem weer, overstromingen, meer kans op natuurbranden, infectieziekten.
•
Energietransitie: energiewinning, opslag, gebruik.
De piramide zelf is opgebouwd uit verschillende inhoudelijke aggregatieniveaus (A t/m E). Ieder aggregatieniveau maakt gebruik van een eigen risico beoordelingsmethodiek passend bij dat niveau. Vanuit scenarioanalyse wordt de verwachte hulpvraag bepaald. Om een realistisch scenario te selecteren dat een goed beeld geeft over de werkelijke situatie wordt hierbij gebruik gemaakt van de luchtfoto, incidenthistorie en uitkomsten brandonderzoek. Niveau E betreft de uitzonderlijke scenario’s waarbij de veiligheidsregio enkel een inspanningsverplichting heeft. De scenario’s van niveau D zijn de grote branden, rampen en crises, zoals uitgewerkt in het Regionaal Risicoprofiel. Het Risicoprofiel Brandweer richt zich op de niveaus A t/m C, de basiszorg. Het risicoprofiel brandweer is een groeimodel en daarmee continu in ontwikkeling. Het risicoprofiel zoals dat nu ontwikkeld is wordt beschouwd als het fundament.
_____ 5- Hiervoor is gekozen, omdat binnen de regio het grootste areaal aan gebouwen valt binnen deze categorie.
| 47 |
Risiconiveaus Niveau A: Basis scenario ‘intern risico’ op objectniveau Dit is het meest specifieke type risicoprofiel en richt zich puur op de risico’s van een object binnen dat object (het interne risico). Inzicht in het effect van brand wordt verkregen door middel van scenario’s. Het maatschappelijk thema twee, gebouwde omgeving, is onderverdeeld in de profiel categorieën (RPC) en vervolgens weer in gebouwtypen. Een RPC is bijvoorbeeld ‘woningen en woongebouwen’ een gebouwtype is bijvoorbeeld de ‘vrijstaande woning’. Het gebouw kan in gebruik worden genomen door verschillende doelgroepen, zoals: ouderen of een jong gezin. Vervolgens speelt in het brandverloop ook het bouwjaar een rol. Het risicoprofiel brandweer is nog in ontwikkeling. Voor de huidige focus worden in totaal 192 scenario’s uitgewerkt. De 73 scenario’s voor de woningen en woongebouwen (laagbouw) zijn al uitgewerkt. Om vanuit deze scenario’s het effect zichtbaar te maken is gebruik gemaakt van de READAR. READAR staat voor Risico Effect Analyse Door Actieve Research. Met de READAR wordt het brandrisico per scenario in beeld gebracht op vijf thema’s: 1.
ruimtelijk profiel,
2.
veilige ontvluchting en toetreding,
3.
beheersbaarheid incident,
4.
bestrijdbaarheid incident en
5.
gedrag & houding.
Ieder thema uit de READAR bestaat uit een aantal indicatoren waarop verschillende scores mogelijk zijn. Een hoge score leidt in aanleg tot een groter effect. De uitkomsten van de READAR worden daarnaast vertaald naar een risicodiagram, dat het risico van branduitbreiding en slachtoffers berekent en laat zien welke operationele respons bij een incident nodig is.
Het regionaal risicoprofiel en risicoprofiel brandweer zijn aan elkaar verwant. Op basis van de luchtfoto worden scenario’s voor incidenttypen uitgewerkt voor zover deze relevant zijn. Voor de scenario uitwerking en beoordeling op dit niveau wordt vastgehouden aan de lijn van het regionaal risicoprofiel. Om inzicht te krijgen in de verwachte aard, de omvang en de schaal van de gevolgen van deze aanwezige risico’s worden beoordeeld op impact en waarschijnlijkheid. De methode voor impactbeoordeling op dit aggregatieniveau is gebaseerd op de beoordelingsmethodiek voor het regionaal risicoprofiel.
Niveau B: Basis scenario extern risico op groep niveau Het volgende aggregatieniveau is het beschouwen van het risico van één object in een buurt. Dit uit zich in een intern risico (binnen dat object) en extern risico naar de omliggende panden c.q. belendende percelen. Het intern risico wordt middels de READAR bepaald (zie niveau A). Het extern risico of uitbreidingsvermogen (UBV) wordt bepaald door de ruimtelijke omgeving van het object. Dit wordt bepaald vanuit de Basisadministratie Adressen en Gebouwen op basis van: gebouwen, functies en omgeving. Door het intern risico en het extern risico weg te zetten in een diagram ontstaat inzicht in het risiconiveau. Op basis van het risiconiveau kunnen uitspraken worden gedaan over de uit te zetten acties. Zo hoeft bij een alledaags niveau geen actie te worden ondernomen en daar waar een aanzienlijk risico is zijn de acties omvangrijk en vereisen spoed.
In de afbeelding hieronder is de READAR opgenomen die hoort bij een voorbeeldscenario ‘008: vrijstaande woning, 1-persoons huishouden, nachtsituatie, stedelijk gebied’.
Dit prototype dashboard is gereed voor de scenario’s binnen de focus van dit plan (kerntaak brand, maatschappelijk thema de gebouwde omgeving, woningen en woongebouwen).
Niveau C: Basis scenario op risicocategorie
48 | |
| 49 |
Bijlage 5 Systeemvoorbeelden relatie veiligheid en opkomsttijd 1. Woningen Systeemvoorbeeld woningbrand In het scenario is er een brand in de keuken of slaapkamer van de woning met huisnummer 3. De bewoners zijn thuis, één bewoner heeft de woning niet kunnen verlaten doordat hij een bluspoging heeft ondernomen, hierdoor is hij bedwelmd geraakt door de (giftige) rook. De brand heeft zich behoorlijk kunnen ontwikkelen omdat er geen rookmelders in de woning waren. Daardoor was er ook veel rook.
De inspanningsverplichting van de brandweer is het redden van de personen (in dit scenario één persoon) die nog in de woning aanwezig zijn en het voorkomen dat belendende woningen verloren gaan. De eerste tankautospuit richt zich op de redding van het slachtoffer. Omdat onbekend is waar het slachtoffer zich precies bevindt, is dit reden voor ‘middelbrand’ en het alarmeren van twee tankautospuiten (en eventueel een hoogwerker bij een brand op de verdieping, extra materieel voor waterwinning en een officier van dienst die de coördinerende taken voor zijn rekening neemt). De bemanning van de eerste tankautospuit heeft om het slachtoffer te redden twee ploegen (van twee personen elk) ter beschikking, de eerste ploeg die het slachtoffer zoekt en redt, de tweede ploeg die een veilige werkomgeving voor de eerste ploeg realiseert (voldoende water, begint met brandbestrijding / veilige terugweg voor de eerste ploeg creëert). Voor de tweede taak, het voorkomen dat de belendende woningen (huisnummers 1 en 3) verloren gaan dan wel aanzienlijke schade oplopen is de tweede tankautospuit. Bij een rijtjeswoning is de brandwerendheid tussen de onderlinge woningen, de rode lijnen, minimaal 20 minuten. Dit betekent dat de constructie zodanig moet zijn dat deze een eenmaal echt in ontwikkeling zijnde brand 20 minuten tegen houdt.
In basis is een opkomsttijd van de tweede tankautospuit binnen 20 minuten voldoende om met de tweede taak te beginnen. De verantwoordelijkheid om de brandwerende scheidingen op orde te hebben ligt bij de eigenaar / gebruiker. De tweede, derde, etc. tankautospuit kunnen zich dan (met succesvol) perspectief richten op de brandbestrijding van de belendende woningen. Binnen de gehele VNOG zijn in 30 minuten vier tankautospuiten ter plaatse. Winst in bovenstaand scenario is vooral te
50 | |
2. Industrie
Systeemvoorbeeld industriebrand Het scenario gaat als volgt. Door een elektrisch defect met kortsluiting als gevolg ontstaat er een brand in een industriehal 1 van 1000 m2. Het is in de avond en er is niemand aanwezig. Een voorbijganger merkt de brand op en belt 112. De brand is al uitslaand als de eerste tankautospuit aan komt. De brandweer heeft als inspanningsverplichting het redden van slachtoffers en zorgen dat de materiële schade beperkt wordt.
halen in het verkorten van de ontdekkingstijd en het verhogen van de brandwerendheid tussen de woningen. Voor woningen in ieder geval vanaf 1992 (invoering landelijk Bouwbesluit) geldt dat deze brandwerendheid minimaal 30 minuten moet zijn. Vanaf juli 2022 is het voor alle woningen verplicht rookmelders te hebben waardoor in een vroegtijdig stadium een brand ontdekt kan worden, de ontdekkingstijd verkort wordt en de kans op slachtoffers afneemt. Maatregelen woningen- en woongebouwen De VNOG richt zich nadrukkelijk ook op Risicobeheersing, maatregelen om ‘aan de voorkant van de vlam’ te komen. In bovenstaand scenario betekent dit concrete maatregelen stimuleren / participeren op het gebied van: - Slimme rookmelders in combinatie met burenhulp (project Leefsamen), stimulering risicobewustzijn inwoners in combinatie met zelfredzaamheid. In het begin stadium van de brand melding genereren, kans op slachtoffers verkleint aanzienlijk, in het begin stadium hulp op gang brengen. - Voorlichtingscampagnes (o.a. gericht op invoering rookmelderplicht juli 2022) risicobewustwording en handelingsperspectief. - Samenwerking diverse woningbouwcorporaties gericht op bewustwording als het gaat om het systeem van brandveiligheid en verantwoordelijkheidsverdeling.
- Informatievoorziening, veiligheidsdasboard; waar zitten welke risico’s als het gaat om menskenmerken (wel / niet zelfredzaam) om voorbereid te zijn op de repressieve taak, waar zitten branddoorslag en brandoverslag risico’s (i.v.m. de bestrijding). Deze informatie wordt ook gebruikt om campagnes / voorlichting doelgroep gerichter te maken en zo effectiever te laten zijn.
Op het belendende perceel staat relatief dicht bij een palletopslag. De minimale brandwerendheid tussen de constructies op de percelen moet 20 minuten zijn (rode lijn). De eerste tankautospuit doet een verkenning, zijn er nog mensen binnen, waar is de brand, hoe groot en wat brand er? Zij komen van buiten af tot de conclusie dat het niet logisch is gezien het tijdstip dat er personen binnen zijn en er wijst ook niets op dat dit wel zo zou zijn. De eerste tankautospuit zet in op het zwaartepunt, voorkomen van overslag naar het belendende perceel (de pijl). Gezien de grootte van de hal met de vuurlast hierin (meubelfabriek) is blussing van de hal zelf onmogelijk. Hier zijn namelijk in korte tijd wel 20 tankautospuiten voor nodig met bijbehorende watervoorziening als de vuurlast wordt afgezet tegen het benodigd koelend vermogen. Ook de tweede tankautospuit zet in op het voorkomen van brandoverslag naar het belendende perceel. Uitgaande van een minimale weerstand op branddoorslag en brandoverslag is inzet van de tweede tankautospuit in 20 minuten voldoende. Hoge vuurbelasting (o.a. brandbare inventaris) maakt dat brandwerende constructies soms niet voldoende zijn. Echter is dit gegeven niet of nauwelijks met extra brandweerinzet te compenseren. Voor een relatief eenvoudige bedrijfshal is immers al een niet realistisch potentieel benodigd om deze geblust te krijgen.
We praten dan echt over in korte tijd aantallen van 20 tankautospuiten en meer inclusief waterbehoefte. Maatregelen industriefuncties De VNOG richt zich nadrukkelijk ook op Risicobeheersing, maatregelen om ‘aan de voorkant van de vlam’ te komen. In bovenstaand scenario betekent dit concrete maatregelen stimuleren / participeren op het gebied van:
•
Alarmering en informatievoorziening; de VNOG start een pilot op samen met particuliere alarmcentrales. Dit zijn vaak bedrijven die zowel de inbraak als brandbeveiliging voor bedrijven op zich nemen. Het is technisch (nu) mogelijk om live beelden vanuit een object door te sturen naar de aanrijdende brandweereenheden. Dit betekent in een vroeg stadium beeldvorming en informatie dat maakt dat het inzetplan beter en sneller tot stand kan komen.
•
Advisering bij vergunningverlening risico objecten. Waarbij nadrukkelijk gefocust wordt op realistische scenario’s samen met de ontwikkelaar.
•
Doelgroepgericht scenario’s uitwerken en deze met de diverse branches via convenanten als leidraad hanteren.
•
Deelnemen en adviseren bij Keurmerk Veilig Ondernemen (KVO) waar risicogebieden onder de loep worden genomen, gericht wordt op risico situaties en maatregelen, bluswater, good house keeping e.d.
•
Nieuwe ontwikkelingen zoals energietransitie volgen en betrekken in advisering, bijvoorbeeld opslag li-on accu’s, zonnepanelen (over compartimentsgrenzen heen gelegd), transitie van aardgas naar waterstof.
| 51 |
3.
Zorgcomplex
Systeemvoorbeeld voor de zorg Afbeelding 1 geeft een mogelijke indeling van een deel van een zorginstelling weer. Vanuit
Maatregelen in de zorg •
Investeren in bewustwording, verantwoordelijkheidsverdeling brandveiligheid bij besturen zorginstanties; voorbeelden als scenario sessies, accounthouderschap voor de zorg introduceren, landelijke project Geen Nood bij Brand implementeren.
•
Inzetten op locatiebezoeken vanuit RB, zorgsector scoort hoog in risicoprofiel.
het Bouwbesluit is een zekere mate van brandcompartimentering vereist die is afgestemd op de mogelijke inzet van de BHV. Dit betekent dat er brandscheidingen aanwezig moeten zijn die de brand en rook minimaal 20, 30 of 60 minuten kunnen tegenhouden.
Het Risicoprofiel Brandweer (inclusief de onderliggende dashboards) is het instrument om een nadere analyse te doen naar een bepaald gebied, risico’s te destilleren, beheersmaatregelen voor te stellen en real time informatievoorziening te verkrijgen.
Voorbeeld (deel) plattegrond zorginstelling, de rode lijnen geven de brandscheidingen weer. Het (basis)scenario weergegeven in afbeelding hierboven is als volgt uit te leggen: er is een brand in één van de slaapkamers van de zorginstelling. De slaapkamers zijn gecompartimenteerd. Alle ruimten van de zorginstelling zijn voorzien van rookmelders die uitkomen bij een zusterpost. Na rookdetectie in één van de slaapkamers onderneemt de BHV een bluspoging en probeert een eventueel aanwezig slachtoffer te redden. Het is mogelijk dat dit door de hitte en rook niet lukt, de BHV heeft immers geen beschermende middelen zoals ademlucht en een hittebestendig pak. De brand in de slaapkamer met een slachtoffer is dan de klus voor de brandweer, te weten de eerste tankautospuit. De verdere ontruiming van het pand is een taak voor in eerste instantie de BHV, eventueel indien nodig samen met de brandweer, te weten de tweede tankautospuit (en eventueel derde, vierde, etc.). Door de aanwezige brand-en rookscheidingen kan de BHV dit veilig doen en is de tweede tankautospuit niet op hetzelfde moment nodig als de eerste. Bij een minimale brandwerendheid is inzet van de tweede tankautospuit in 20 minuten voldoende.
52 | |