CConstaterende datVoorst
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage: Dekkingsplan 2021 - 2024 (2021-01168)

gemeenteraad 1 maart 2021, gemeente VoorstBij agendapunt: Nieuwe locatie brandweerkazerne Twello (2020-78445) en Beantwoording schriftelijke vragen van Gemeente Belangen over aangescherpte ARBO-richtlijnen VNOG (2020-73714)17.133 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

DEKKINGSPLAN 2021-2024

Inhoud Samenvatting 6 2. Inleiding 8 2.1 Visie op brandweerzorg 8 2.2 Uitgangssituatie dekkingsplan 8 2.3 Proces en betrokkenen 9

3. Dynamisch document in relatie tot ontwikkelingen brandweer 10 3.1 RemBrand: gebiedsgerichte opkomsttijden 10 3.2 Variabele voertuigbezetting 11 3.3 Vrijwilligheid 11 3.4 Technische ontwikkelingen / innovaties 12

4. Kaders en fundamenten

14

5. Risicogerichte benadering

18

4.1 Wettelijk kader 14 4.2 Uitgangspunten VNOG 14 4.3 Norm- en streeftijden 15

5.1 Brandveiligheid: gezamenlijke verantwoordelijkheid 5.2 Relatie met norm- en streeftijden

18 19

6. Organisatie van de repressieve brandweerzorg 22 Colofon Het Regionaal Beleidsplan 2021-2024 is opgesteld door deelnemers vanuit (GHOR, brandweer, politie, gemeenten en in afstemming met partners. Datum vaststelling Vastgesteld op 10 december 2020 door het algemeen bestuur van de Veiligheidsregio Noord- en OostGelderland (VNOG). Eindredactie en beheer Het beheer van het Regionaal beleidsplanligt bij de Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland.

6.1 Locaties brandweerposten 22 6.2 Ontwikkelingen brandweerposten 22 6.3 Organisatievormen 24 6.4 Bezetting van de brandweerposten 24

7. Spreiding basisbrandweerzorg 26 7.1 Eerste tankautospuit 26 7.2 Opschaling tankautospuiten 30 7.3 Beschouwing Dekking Basisbrandweerzorg 31 7.4 Flexibel inzetbare tankautospuiten 32 7.5 Grootschalig Brandweeroptreden (GBO) 33

Contactgegevens Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland Postbus 234 7300 AE Apeldoorn

2 | |

| 3 |

8. Spreiding specialismen

34

8.1 Natuurbranden 34 8.2 Redvoertuigen 35 8.3 Hulpverleningsvoertuigen 36 8.4 Watertransport 37 8.5 Waterongevallenbestrijding 38 8.6 Incidentbestrijding Gevaarlijke Stoffen 39 8.7 Veetakels 40

Bijlage 41 1. Uitruktijden 1e Tankautospuit 2. Materieel: Afstootschema 2020 – 2026; Overzicht Materieel 2026 3. Tijd/tempo Waterongevallen 4. Risicoprofiel Brandweer 5. Systeemvoorbeelden relatie veiligheid en opkomst

4 | |

| 5 |

Samenvatting Op 15 januari 2020 is de toekomstvisie voor de Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland (VNOG) vastgesteld. Hiermee heeft het bestuur gekozen voor een compacte en slagvaardige organisatie voor de brandweerzorg, die berekend is op de hedendaagse en toekomstige veiligheidsrisico’s gebruikmakend van (nieuwe) technologie. Het voorliggende dekkingsplan geeft de regionale dekking weer op basis van de besluiten over de toekomstvisie VNOG met het daarbij behorende materieelspreidingsplan. De implementatie van de visie is naar verwachting in 2026 volledig afgerond. Het wettelijk kader voor de taken van de brandweer ligt vast in de Wet veiligheidsregio’s (Wvr). In de Wvr is opgenomen dat de organisatie van de brandweerzorg wordt uitgewerkt in het dekkingsplan, dat onderdeel uitmaakt van het beleidsplan. Het algemeen bestuur van de veiligheidsregio stelt het dekkingsplan vast. Alleen voor de opkomst van de eerste basisbrandweereenheid, ook wel de tankautospuit (TS), is een wettelijke tijdsnorm vastgelegd in het Besluit veiligheidsregio’s (Bvr). Overal in de regio voldoen aan deze opkomsttijd brengt onevenredige kosten en inspanning met zich mee. Op een groot aantal locaties in de regio is het, vanwege de uitgestrektheid van het gebied, onmogelijk om binnen de norm ter plaatse te zijn.

Het Bvr biedt de mogelijkheid aan besturen van veiligheidsregio’s om voor bepaalde locaties opkomsttijden vast te stellen die afwijken van de tijdnormen. Sinds de rapportage uit 2012 van de Inspectie Veiligheid en Justitie, genaamd ‘Ter Plaatse’, staan de opkomsttijden van de brandweer nadrukkelijk in de aandacht. In 2015 heeft het Veiligheidsberaad het rapport ‘RemBrand: brandveiligheid is een coproductie’ vastgesteld. Dit rapport stelt een andere benadering voor de opkomsttijden van de brandweer voor: gebiedsgerichte opkomsttijden in plaats van objectgerichte opkomsttijden. Brandweer Nederland heeft de opdracht gekregen om de gebiedsgerichte opkomsttijden nader uit te werken in een handreiking. De concept handreiking hiervoor is gereed en wordt in een aantal pilotregio’s opgestart, met een looptijd tot eind 2020. De VNOG behoort niet tot deze pilot-regio’s. De keuze is gemaakt om wel het gedachtengoed van de gebiedsgerichte opkomsttijden te hanteren in dit dekkingsplan omdat bij de toekomstvisie van

6 | |

de VNOG een moderne aanpak past waarin rekening gehouden wordt met innovaties. Voor de opkomsttijd van de eerste tankautospuit worden de gebiedsgerichte opkomsttijden aangehouden: • referentiewaarde 7 minuten met een bandbreedte van 4 tot 10 minuten voor gebouwen met risico niveau 1 • referentiewaarde 10 minuten met een bandbreedte van 7 tot 13 minuten voor gebouwen met risico niveau 2 • referentiewaarde 15 minuten met een bandbreedte van 12 tot 18 minuten voor gebouwen met risico niveau 3 De dekking voor de eerste tankautospuit is in nagenoeg het hele verzorgingsgebied van de VNOG goed tot voldoende binnen de normen van de gebiedsgerichte opkomsttijden. Alleen in een aantal wijken in de gemeente Harderwijk kan onvoldoende dekking gerealiseerd worden. Dit betekent niet automatisch dat het brandrisico voor de betreffende gebieden onaanvaardbaar is. De brandweer blijft zich altijd inspannen om zo snel mogelijk ter plaatse te zijn. De opkomsttijd is één van de maatregelen die de brandweer kan treffen om te zorgen voor een brandveilige leefomgeving. De focus op enkel de opkomsttijden is te eenzijdig bij het beschouwen van de integrale brandveiligheid. De zorg voor brandveiligheid is een gedeelde verantwoordelijkheid van de gemeenten en de brandweer en ook wordt een beroep gedaan op de eigen verantwoordelijkheid van inwoners, bedrijven, instellingen en bezoekers van de regio.

De meeste slachtoffers vallen in de beginfase van brand, op het moment dat de brandweer überhaupt nog niet ter plaatse kan zijn. Risicobeheersingsmaatregelen met effect op deze fase hebben daarmee de meeste veiligheidswinst. Met maatregelen ‘voor de vlam’ wordt een scenario gerealiseerd dat beheersbaar is voor de brandweer. Ook wanneer deze iets later aanwezig is dan de referentiewaarden. Daar waar de tijden niet gehaald worden ligt voor de VNOG de prioriteit bij het nemen van risicobeheersingsmaatregelen. Bij pilots in Harderwijk en Winterswijk is reeds ervaring opgedaan met het gezamenlijk definiëren van maatregelen die passen bij de specifieke situatie. Deze ervaringen worden benut voor de verdere uitwerking voor de hele regio.

Voor de opkomst van de tweede tot en met de vierde TS en alle andere eenheden wordt in dit dekkingsplan gesproken over streeftijden. Hiervoor is gekozen omdat er geen wettelijke dan wel landelijke tijdsnormen zijn voor deze eenheden. De streeftijd is een regionale professionele waarde voor de opkomst van de betreffende eenheden.

Vanuit de visie dat VNOG een toekomstgerichte organisatie wil zijn, zullen we de ontwikkelingen nauwlettend volgen en waar mogelijk ook een actieve rol pakken. Hierbij zal vooral ingezet worden op het verkorten van de ontdekkingstijd (bijvoorbeeld inzet van drones voor detectie van een natuurbrand).

Voor de opschaling van de tweede tot en met de vierde TS wordt ruimschoots voldaan aan de streeftijd van 30 minuten voor de opkomst van 4 TS-en. Op de meeste locaties in de VNOG zijn er in 20 minuten 4 TS-en ter plaatse. In de gehele VNOG wordt voldaan aan de streeftijd van 20 minuten voor de opkomst van 3 TS-en. De streeftijd van 15 minuten voor de opkomst van de 2e TS wordt in een relatief klein gedeelte van de VNOG niet behaald. Voor de specialistische taken zijn er geen wettelijke of landelijk geldende opkomsttijden. In het plan wordt derhalve ook uitgegaan van streeftijden. Deze zijn gebaseerd op eerdere besluitvorming (‘Risicogestuurde Slagkracht’- AB besluit 3 september 2015) of op basis van afgeronde interne projecten.

Bovenstaande tijden zijn in nauw overleg met de postcommandanten uitgewerkt. In het dekkingsplan is per specialisme met afbeeldingen weergegeven welke dekking geboden kan worden op basis van het materieelspreidingsplan. Net als bij de rest van de samenleving staan ook binnen de brandweer de technische ontwikkelingen niet stil. Het is haast ondoenlijk om een reëel beeld te schetsen welke ontwikkelingen en innovaties binnen de looptijd van het dekkingsplan op ons af komen en wat dit betekent voor de totale brandweerzorg.

| 7 |

2. Inleiding 2.1 Visie op brandweerzorg Op 15 januari 2020 is de toekomstvisie voor de Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland (VNOG) vastgesteld. Hiermee heeft het bestuur gekozen voor een compacte en slagvaardige organisatie voor de brandweerzorg, die berekend is op de hedendaagse en toekomstige veiligheidsrisico’s gebruikmakend van (nieuwe) technologie. De keuze is gemaakt om de organisatie van incidentbestrijding te richten op de risico’s die zich voordoen in de regio. Zo kent de regio veel natuur, agrarisch en recreatief gebied. Ook worden diverse (grote) evenementen georganiseerd, zijn er veel recreatie- en vakantieparken, ligt het aan de landsgrens en telt het veel zorgorganisaties. Daarnaast zijn demografische en maatschappelijke ontwikkelingen van invloed zoals de vergrijzing, energietransitie en klimaatverandering (toename van extreme weersomstandigheden). Het fijnmazige netwerk van brandweerposten in de regio en onze betrokken (vrijwillige) medewerkers vormen de basis voor de uitruktaken van de brandweer. Brandbestrijding, hulpverlening, waterongevallen en gevaarlijke stoffen. Vanuit de posten wordt snel en adequaat gereageerd op (lokale) incidenten. In de gezamenlijkheid van de posten wordt zorg gedragen voor de collectieve slagkracht wanneer opgetreden dient te worden in grootschalig verband. In de samenwerking ligt de kracht van onze brandweerorganisatie.

Onze medewerkers treden altijd in gezamenlijkheid op, van kleine tot grotere incidenten. Met het collectief van circa 1400 brandweer medewerkers kan een enorme slagkracht op de been gebracht worden. Daarnaast zijn er nauwe samenwerkingsverbanden met de buurregio’s en ook internationaal. Een voorbeeld hiervan is dat met de Duitse collega’s de mogelijkheden worden verkend voor het vormen van een internationale kazerne op de locatie Dinxperlo-Süderwick en de samenwerking met Veiligheids- en Gezondheidsregio GelderlandMidden (VGGM) in het gezamenlijke operationele plan voor de aanpak van natuurbranden. De VNOG investeert op de vakbekwaamheid en professionaliteit van de (vrijwillige) medewerkers. Dit vanuit het uitgangspunt: dat wat we doen, doen we goed. Kwalitatief goede trainingen zorgen ervoor dat onze medewerkers daadkrachtig kunnen optreden. Verder uitbouwen van een sterke informatiepositie en implementeren van innovaties

8 | |

waarvoor een implementatieplan is uitgeschreven dat, in samenspraak met de postcommandanten, over de jaren 2020-2026 wordt uitgevoerd. is daarnaast leidend in de komende jaren. De posten kunnen sneller en adequater optreden indien zij beschikken over de juiste informatie en moderne technologie. Vanuit deze stevige informatiepositie wordt ook gewerkt aan risicobewustwording van de maatschappij. Door burgers, bedrijven en organisaties een helder beeld te geven over de (brand)risico’s en gevolgen daarvan zijn zij beter in staat de juiste beheersmaatregelen te treffen. Zo stimuleert de VNOG de eigen verantwoordelijkheid van de burger en daarmee zelf- en samen redzaamheid. Voorbeelden hiervan zijn de acties in het kader van (brand)veilig leven en de innovatieve trajecten zoals het stimuleren van slimme rookmelders. 2.2 Uitgangssituatie dekkingsplan De toekomstvisie VNOG wordt geborgd in het regionaal beleidsplan (RBP) 2021-2024 en het voorliggende dekkingsplan 2021-2024, dat een wettelijk verplichte bijlage is bij het RBP. Het wettelijk kader voor de taken van de brandweer en het dekkingsplan ligt vast in de Wet veiligheidsregio’s. Het bijbehorende besluit veiligheidsregio’s stelt eisen aan de organisatie, opkomsttijden, materieel en uitrusting.

Binnen Brandweer Nederland wordt momenteel een uniforme systematiek ontwikkeld voor het opstellen van een dekkingsplan voor de bebouwde omgeving. De concept handreiking hiervoor is gereed en wordt binnenkort in een aantal pilot-regio’s opgestart. De VNOG behoort niet tot deze pilot-regio’s. Eind 2020 kan naar verwachting, met input van de pilots, de definitieve handreiking worden vastgesteld. Ten behoeve van het voorliggend dekkingsplan heeft de VNOG wel gebruik gemaakt van het gedachtegoed van de nieuwe handreiking met daarin een koppeling met gebiedsgerichte opkomsttijden (zie paragraaf 3.1.). Daarmee blijft de VNOG aansluiten op actuele ontwikkelingen en kan in de toekomst de overstap naar de nieuwe handreiking soepel verlopen. In dit dekkingsplan treft u een beschrijving aan van de dekking in onze Veiligheidsregio op basis van het brandweermaterieel zoals vastgesteld door het algemeen bestuur op 15 januari 2020. Ten opzichte van de huidige situatie vindt een aantal wijzigingen plaats. Deze bestaan onder meer uit het verplaatsen, afstoten en aanschaffen van materieel. Dit is een complexe logistieke operatie,

Verderop in dit document treft u afbeeldingen aan van de dekking die het (geplande) materieel biedt in de regio. In deze afbeeldingen is ook de te verwachten dekking vanuit de buurregio’s meegenomen. Brandweer Nederland heeft de afspraak dat bijstand geleverd wordt waar mogelijk en gevraagd. Daarmee geven de afbeeldingen met ‘burenhulp’ het meest realistische beeld van de te verwachten opkomst. 2.3 Vrijwilligheid Het vorige dekkingsplan van de VNOG is uitgebracht onder de titel ‘Slagkracht’. Met de slagkracht systematiek worden de risico’s in de regio (hulpvraag) gekoppeld aan het beschikbare materieel (hulpaanbod). In Slagkracht is de dekking beschreven ten aanzien van de kerntaken brandbestrijding en hulpverlening en de mate waarin voorzien kan worden in bluswater. Slagkracht is door het algemeen bestuur vastgesteld op 3 september 2015. Het onderdeel specialismen is op een later moment (2018) verder uitgewerkt in samenspraak met de postcommandanten. Gesproken is over de soorten, omvang en opkomsttijden voor de specialismen. Dit voorstel is akkoord bevonden door de postcommandanten en leiding van de afdeling Incidentbestrijding. Vanwege de financiële situatie die zich voordeed binnen de VNOG, is de besluitvorming hierover aangehouden.

Later zijn de resultaten van de besprekingen over de specialismen meegenomen in het organisatie brede traject om te komen tot een helder dienstverleningsniveau op basis van drie scenario’s. Een nadere uitleg over dit proces is opgenomen in het regionaal beleidsplan. Voor het tot stand komen van de drie scenario’s voor incidentbestrijding is een interne werkgroep geformeerd. De resultaten van de interne werkgroep zijn getoetst door een externe commissie bestaande uit deskundigen vanuit andere veiligheidsregio’s. Zij hebben hierover een rapportage uitgebracht en advies aan de directeur . De resultaten van de interne werkgroep en de bevindingen van de externe commissie zijn met de postcommandanten gedeeld en besproken. Naar aanleiding hiervan heeft op een aantal punten nog aanvullend onderzoek plaatsgevonden. Daarna heeft de commissie haar definitieve advies uitgebracht . Dit advies is volledig overgenomen.

_____ 1- Verslag externe commissie ivm voorstellen ‘Optimalisering brandweerzorg VNOG’, d.d. 15 mei 2019 2- Aanvullend advies na gespreksrondes postcommandanten VNOG, d.d. 10 december 2019

| 9 |

3. Dynamisch document in relatie tot ontwikkelingen brandweer Het bestuur van de VNOG heeft het uitgewerkte basisscenario vastgesteld voor de VNOG (zie paragraaf 1.1.). Dit vormt dan ook de basis voor dit dekkingsplan. Het dekkingsplan kent, als onderdeel van het regionaal beleidsplan, een looptijd van vier jaar. Indien ontwikkelingen daartoe aanleiding geven kan het dekkingsplan tussentijds worden aangepast. Op het moment is de brandweer volop in beweging. Dat leidt tot andere inzichten en mogelijkheden. Het dekkingsplan is hiermee een dynamisch document, wat jaarlijks geactualiseerd wordt. Indien aanpassingen leiden tot wijziging van de uitgangspunten en/of norm- en streeftijden, dan worden deze bestuurlijk voorgelegd. Meer praktische wijzigingen worden tussentijds doorgevoerd en bij een revisiemoment bestuurlijk geaccordeerd. In dit hoofdstuk worden de ontwikkelingen binnen de brandweer die relevant zijn voor het dekkingsplan geschetst.

3.1 RemBrand: gebiedsgerichte opkomsttijden Sinds de rapportage uit 2012 van de Inspectie Veiligheid en Justitie, genaamd ‘Ter Plaatse’, staan de opkomsttijden van de brandweer nadrukkelijk in de aandacht. Naar aanleiding van deze rapportage heeft het veiligheidsberaad eerst een opdracht gegeven aan TNO en hierna aan de brandweer om criteria te ontwikkelen voor alle schakels van de veiligheidsketen die van invloed zijn op de brandveiligheid. Het rapport maakt helder dat goede brandveiligheidszorg geen exclusief domein is van de brandweer, maar dat ook andere partijen (burgers, bedrijven, instellingen, bouwsector, verzekeraars) een belangrijke rol spelen om te zorgen voor een brandveilige samenleving. Dit heeft geresulteerd in het project RemBrand. In 2015 heeft het Veiligheidsberaad het rapport ‘RemBrand: brandveiligheid is een coproductie’ vastgesteld. Dit rapport stelt een andere benadering voor de opkomsttijden van de brandweer voor: gebiedsgerichte opkomsttijden in plaats van objectgerichte opkomsttijden. Opdracht is gegeven aan Brandweer Nederland om de gebiedsgerichte opkomsttijden nader uit te werken in een handreiking. De gebiedsgerichte opkomsttijden gaan uit van een bandbreedte in de opkomsttijd. Opkomsttijden zijn bepaald aan de hand van het risiconiveau van een gebied. Het overheersende karakter van een gebied bepaalt daarbij het risiconiveau van het

10 | |

betreffende gebied. De referentiewaarde is voor de brandweer een professionele waarde, wat betekent dat zij vanuit haar repressieve taakstelling binnen deze tijd het gebied zou willen bereiken. De brandweer hanteert die waarde bij de inrichting van het dekkingsplan. Voordeel van de systematiek is een grotere flexibiliteit van de brandweer die beter aansluit bij hetgeen de praktijk vraagt dan de huidige meer rigide systematiek. Het beoordelingskader voor de gebiedsgerichte opkomsttijden is op 25 januari 2019 geaccordeerd door de Regionale Brandweer Commandanten. Het Veiligheidsberaad heeft op 9 april 2019 een brief gezonden naar de voorzitters van de 25 Veiligheidsregio’s waarin gevraagd wordt om de beweging naar gebiedsgerichte opkomsttijden te ondersteunen. Het Veiligheidsberaad ziet het systeem van gebiedsgerichte opkomsttijden als een vervanging van de opkomsttijden uit het Besluit Veiligheidsregio (Bvr). Het Veiligheidsberaad heeft daarom de Minister van Justitie en Veiligheid gevraagd het Bvr hierop aan te passen.

De Minister heeft laten weten onder een aantal randvoorwaarden in te kunnen stemmen met de systematiek van gebiedsgerichte opkomsttijden, namelijk: • Borging van de goede informatiepositie van de gemeenteraad door minimaal jaarlijks te rapporteren over de gerealiseerde brandweerzorg; • Actief informeren van inwoners, bedrijven en objecteigenaren in het gebied waarin de 18-minutennorm niet kan worden gehaald; • Registratie van alle opkomsttijden t.b.v. transparante verantwoording en als basis voor inzicht; • Het opstellen van een landelijk uniforme werkwijze m.b.t. dekkingsplannen door de 25 besturen van de veiligheidsregio’s. • Deze randvoorwaarden zullen opgenomen worden in regelgeving. De minister koerst op een inwerkingtreding van de aangepaste Bvr per 1 juli 2021. De systematiek wordt ondersteund door een landelijke uniforme methodiek voor het opstellen van dekkingsplannen. Deze methodiek is beschreven in een landelijke handreiking en wordt momenteel in een aantal pilotregio’s getoetst. De uitkomsten van de pilots worden betrokken bij het traject tot aanpassing van het Besluit veiligheidsregio’s.

De ontwikkeling van objectgericht naar gebiedsgerichte opkomsttijden is bepalend voor het dekkingsplan van de VNOG. Bij de toekomstvisie van de VNOG past een moderne aanpak waarin rekening gehouden wordt met de gebiedsgerichte aanpak. In hoofdstuk 6 van dit plan treft u hiervan de uitwerking aan.

Een TS4 wordt bij een gebouwbrand altijd ondersteund met een tweede voertuig, zodat de slagkracht weer gelijk is aan de TS6. De ambitie blijft voldoende vrijwilligers tijdens alle uren van de week voor een bezetting van een TS6. Bij een tekort van één of twee manschappen kan toch altijd uitgerukt worden.

3.2 Variabele voertuigbezetting

3.3 Vrijwilligheid

Het besluit Veiligheidsregio gaat uit van een standaard bezetting van de tankautospuit van zes personen (TS6). Het bestuur van de Veiligheidsregio is bevoegd af te wijken van dit besluit onder de voorwaarde dat de veiligheid van burgers en brandweerpersoneel gelijk blijft. Door variabele voertuigbezetting kan meer op maat gereageerd op worden op meldingen, dit betekent een flexibilisering van de inzet mogelijkheden. Een belangrijke schakel hierin de kennis, kunde en inschatting van de bevelvoerder in samenspraak met de centralist op de meldkamer. De afgelopen jaren is de beschikbaarheid van vrijwilligers met name overdag afgenomen. Dit noodzaakt tot het kijken naar andere manier van uitrukken en biedt variabele voertuigbezetting ook een uitkomst. Met variabele voertuigbezetting is het mogelijk om veilig uit te rukken met een bezetting met minder personen dan de standaard bezetting. Bij een tekort aan beschikbare manschappen kan daarmee toch snel en adequaat gereageerd worden bij een melding. Het algemeen bestuur van de VNOG heeft op 20 november 2014 besloten dat een post die structureel problemen heeft met het realiseren van een zes-persoonsbezetting voor de TS de mogelijkheid wordt geboden om af te wijken van de standaardbezetting. Daarbij worden drie vormen van variabele voertuigbezetting erkend: 1. de Tankautospuit met vier bezet (TS4); 2.

het snelle interventie voertuig met twee bezet (SIV2); 3. het natuurbrandvoertuig met vier bezet (BT/ SB4 natuur). Voor alle varianten zijn de incidentscenario’s die zelfstandig door deze eenheid mogen worden afgehandeld bestuurlijk vastgesteld. Daarbij zijn ook de voorwaarden waaraan de post die met de variant wil uitrukken (de zogenaamde toolbox) opgenomen. Er is een RI&E (Risico Inventarisatie en Evaluatie) opgesteld en een oefenprogramma voor deze afwijkende bezetting. Op 26 maart 2015 zijn voor de TS4 en SIV2 de toolboxen geaccordeerd door het AB. Op 30 juni 2016 volgde de ‘toolbox’ voor de BT/SB4 natuur.

Om repressieve brandweertaken nu en in de toekomst te garanderen, wordt nagedacht over het anders inzetten van vrijwilligers. Vrijwilligheid binnen de brandweer staat niet ter discussie. Echter de rol zal op termijn veranderen. Nu zijn vrijwilligers nog allround inzetbaar. Dit stelt hoge eisen aan gezondheid, vakbekwaamheid en beschikbaarheid. Tegelijkertijd hebben (potentiële) vrijwilligers minder tijd voor vrijwilligerswerk en willen zich minder lang binden aan organisaties. We zien dat de gemiddelde leeftijd van de brandweervrijwilliger stijgt en dat het steeds moeilijker is om geschikte vrijwilligers te werven. Al deze redenen maken het steeds lastiger om het aantal vrijwilligers op sterkte te houden. Binnen het landelijke programma vrijwilligheid wordt onderzocht of iedere vrijwilliger nog allround moet zijn of dat zij ook een beperkte taak voor een beperkte tijd op zich kunnen nemen en wat dit betekent voor de eisen die gesteld worden aan deze mensen. Tegelijkertijd wordt vanuit de verbreding gekeken of vrijwilligers ook bredere ingezet kunnen worden voor onder andere taken op het gebied van (brand)veilig leven. Europese wetgeving Bij de uitwerking van de Wnra is aan het licht gekomen dat de rechtspositie van de brandweervrijwilliger mogelijk strijdig is met Europese wet- en regelgeving en het gelijkheidsbeginsel in het algemeen.

Het huidige brandweerstelsel is gebaseerd op een mix van vrijwilligheid en beroeps-brandweer. Hierin hebben alle brandweermensen in principe dezelfde taken en opleidingsvereisten. Door Europese en internationale regelgeving en jurisprudentie blijkt dat de huidige situatie niet ongewijzigd in stand kan blijven. Het Veiligheidsberaad en de minister van JenV vinden het belangrijk hier een oplossing voor te vinden binnen de juridische kaders, met behoud van het voor de brandweerorganisatie in Nederland zo kenmerkende element van vrijwilligheid. Vrijwilligheid is en blijft een belangrijk aspect van de Nederlandse samenleving in zijn algemeenheid en voor de brandweer in het bijzonder. Daarom is, in opdracht van het Veiligheidsberaad en de minister van JenV, in juni 2019 een denktank ingericht die een denkrichting

| 11 |

heeft uitgewerkt, waarbij het systeem van vrijwilligheid behouden blijft. Deze denkrichting lag op 9 december 2019 voor in het Veiligheidsberaad. In dit nieuwe model beschikken we nog steeds over een adequate brandweerorganisatie waarbij iedereen ertoe doet. Daarbij wordt dan ook ingespeeld op de afnemende beschikbaarheid van vrijwilligers overdag. Het Veiligheidsberaad en de minister van JenV streven naar een stelsel inclusief vrijwilligheid, dat in alle veiligheidsregio’s kan worden gehanteerd en zoveel mogelijk kan worden afgestemd op de behoeften in de betreffende veiligheidsregio. Om te komen tot een afgewogen en zorgvuldig besluit, is door het Veiligheidsberaad en de minister van JenV op 9 december jl. besloten om de consequenties van de bestuurlijke koers inzichtelijk te maken en gesprekken aan te gaan met alle betrokken partners, onder wie niet in de laatste plaats de vrijwilligers zelf.

Bij brandmeldingen zal de rookmelderverplichting per 1 juli 2022 voor alle woningen ertoe bijdragen dat de mensen eerder gealarmeerd worden en tijdig de woning kunnen verlaten en ook eerder een melding kunnen doen. Gezien de ontwikkeling van de techniek met drones zal het ook zeer goed mogelijk zijn dat deze ingezet gaan worden voor snellere detectie van natuurbranden. Misschien dat deze zelfs ingezet kunnen worden bij daadwerkelijke bestrijding van branden of andere incidenten. Ook op het gebied van het alarmeren van het brandweerpersoneel zullen wij de komende periode gaan onderzoeken welke mogelijkheden er zijn om dit nog beter af te stemmen op de uit te voeren klus.

Op basis van ervaringen tijdens de COVID-19 crisis is ook gebleken dat de beschikbaarheid van de vrijwilligers in deze periode door het “verplicht” thuiswerken juist is toegenomen. Het is op dit moment niet te voorzien of de ontwikkeling met het meer thuiswerken een permanent karakter krijgt en een “nieuwe werkelijkheid” wordt.

3.4 Technische ontwikkelingen / innovaties

Net als bij de rest van de samenleving staan ook binnen de brandweer de technische ontwikkelingen niet stil. Het is haast ondoenlijk om een reëel beeld te schetsen welke ontwikkelingen en innovaties binnen de looptijd van het dekkingsplan op ons af komen en wat dit betekent voor de totale brandweerzorg. Vanuit de visie dat VNOG een toekomstgerichte organisatie wil zijn, zullen we de ontwikkelingen nauwlettend volgen en waar mogelijk ook een actieve rol pakken. De meeste winst zal naar verwachting te halen zijn bij het verkorten van de ontdekkingstijd van een incident en het dus eerder alarmeren van de eenheden die qua middelen en personele omvang voor die klus nodig zijn. Bij verkeersongevallen is al een trend ingezet dat er een automatische melding vanuit het voertuig wordt gegeneerd richting de meldkamer bij een afwijkende gebeurtenis. Dit zal ervoor zorgen dat het incident eerder bekend is bij de meldkamer met de juiste locatie en andere relevante voertuiginformatie. Op basis hiervan kan direct de benodigde eenheid en personeel gealarmeerd worden.

12 | |

| 13 |

4. Kaders en fundamenten 4.1 Wettelijk kader

De huidig geldende wettelijke taken in het kader van de uitvoering van brandweerzorg zijn opgenomen in de Wet veiligheidsregio’s (Wvr) en het daarbij behorende Besluit veiligheidsregio’s (Bvr). In de wet worden een tweetal taken benoemd die direct betrekking hebben op de (basis) brandweerzorg, namelijk: 1. het voorkomen, beperken en bestrijden van brand; 2. het beperken en bestrijden van gevaar voor mensen en dieren bij ongevallen anders dan bij brand. Om uitvoering te kunnen geven aan deze taken is in het besluit beschreven hoe de (basis) brandweerzorg moet worden georganiseerd. Het gaat hier om eisen aan de organisatie, opkomsttijden, materieel en uitrusting. Deze eisen hebben uitsluitend betrekking op het spoedeisende optreden van de brandweer, waarbij sprake is van brand of andere levensbedreigende incidenten. In de Wvr is opgenomen dat de organisatie van de brandweerzorg wordt uitgewerkt in het dekkingsplan, dat onderdeel uitmaakt van het beleidsplan. Het risicoprofiel, inclusief de brandrisico’s vormen hiervoor de basis. Het algemeen bestuur van de veiligheidsregio stelt het dekkingsplan, inclusief de locaties waarbij afgeweken wordt van de wettelijke tijdnormen, vast. Bij het ontwerpen van het dekkingsplan moeten de tijdsnormen voor de eerste basisbrandweereenheid die in het Bvr staan, in acht worden genomen.

De tijdsnormen voor de eerste basisbrandweereenheid (tankautospuit) zijn als volgt opgenomen in het Bvr (artikel 3.2.1). • 5 minuten bij gebouwen met een winkelfunctie met een gesloten constructie, gebouwen met een woonfunctie boven een gebouw met een winkelfunctie of gebouwen met een celfunctie; • 6 minuten bij portiekwoningen, portiekflats of gebouwen met een woonfunctie voor verminderd zelfredzamen; • 8 minuten bij gebouwen met een andere woonfunctie dan bedoeld onder a en b, of met een winkelfunctie, gezondheidszorgfunctie, onderwijsfunctie of logiesfunctie; • 10 minuten bij gebouwen met een kantoorfunctie, industriefunctie, sportfunctie, bijeenkomstfunctie of een overige gebruiksfunctie. • Het bestuur van de veiligheidsregio stelt geen opkomsttijd vast die hoger is dan achttien minuten.

14 | |

•

• Om overal in de regio te voldoen aan de in het besluit gestelde opkomsttijden brengt onevenredige kosten en inspanning met zich mee. Op enkele locaties in de regio is het, vanwege de uitgestrektheid van het gebied, zelfs onmogelijk om binnen de norm ter plaatse te zijn. Artikel 3.2.1, lid 2 van het Bvr biedt de mogelijkheid aan besturen van veiligheidsregio’s om voor bepaalde locaties opkomsttijden vast te stellen die afwijken van de tijdnormen. Indien hiervan gebruik gemaakt wordt, motiveert het bestuur de keuze van de locatie en de mate van de afwijking. Daarnaast wordt bij deze locaties geïnvesteerd in risicobeheersingsmaatregelen. Bij de toekomstvisie van de VNOG past een moderne aanpak waarin rekening gehouden wordt met toekomstige ontwikkelingen. Hier past de in paragraaf 3.1 genoemde systematiek van ‘RemBrand: gebiedsgerichte opkomsttijden’ en deze kan hiervoor worden gebruikt. Naast een wettelijk kader voor de basisbrandweerzorg worden in het Bvr ook eisen gesteld aan de bestrijding van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De wettelijke taak die hieraan ten grondslag ligt, betreft het verkennen van gevaarlijke stoffen en verrichten van ontsmetting. Met betrekking tot de organisatie en inrichting van de opschaling (tweede en volgende tankautospuit) en andere specialismen dan gevaarlijke stoffen, zijn geen wettelijke bepalingen van toepassing.

4.2. Uitgangspunten VNOG

Doelstelling: het doel van het dekkingsplan is een zo optimaal mogelijke plaatsing van het brandweermaterieel om zo de aanwezige risico’s zo adequaat mogelijk af te dekken.

•

Er is voldoende materieel beschikbaar ten behoeve van opvang bij onderhoud, storingen en inzet vakbekwaamheid; Bij de plaatsing van materieel is rekening gehouden met de belastbaarheid in relatie tot de paraatheid / uitruk garantie van de post; De huidige locaties van de posten en de beschikbare stallingsruimte is leidend;

4.3. Norm- en streeftijden

Wettelijk is alleen een tijdsnorm vastgelegd voor de opkomst van de eerste basisbrandweereenheid, ook wel de tankautospuit (TS). Bij alle andere tijden wordt in dit dekkingsplan gesproken over streeftijden voor de opkomst van de betreffende eenheden. Het begrip opkomsttijd Opkomsttijd is slechts een deel van de kwaliteit van de repressieve brandweerzorg die weer een deel vormt van de totale brandweerzorg. Door de sterke focus op opkomsttijd in het Besluit veiligheidsregio’s raakt het noodzakelijke evenwicht tussen preventieve en repressieve brandweerzorg onderbelicht. Het hoofdstuk ‘Risicogerichte benadering’ gaat hier verder op in. In onderstaand figuur is de relatie tussen opkomsttijd weergegeven ten opzichte van de ontdekkingstijd en inzettijd. De opkomsttijd is één van de pijlers waarop de brandweer het dekkingsplan bouwt en waaraan het bestuur de prestatie van de brandweer toetst. De opkomsttijd is de tijd die verstrijkt tussen de ontvangst van de melding bij de meldkamer brandweer en het ter plaatse komen van de vereiste brandweereenheid. De opkomsttijd is een kwaliteitsmaat voor de dienstverlening van de brandweer. Het aantal

en de spreiding van eenheden is bepalend voor de opkomsttijd en slagkracht. Er bestaat geen wetenschappelijke onderbouwing voor een optimale opkomsttijd in relatie tot de beoogde veiligheidseffecten. Zo snel mogelijk is altijd het beste en dat is ook wat de burger verwacht. De opkomsttijd wordt bepaald door de volgende onderdelen: 1. Verwerkingstijd Meldkamer: de tijd die de Meldkamer Brandweer nodig heeft om de melding te beluisteren, door te vragen en om te zetten in een passende alarmering. 2. Uitruktijd: de tijd die het personeel nodig heeft om naar de kazerne te gaan, zich om te kleden en in te stappen. N.B.: gekazerneerd personeel bevindt zich al op/om de kazerne. 3. Aanrijdtijd: de tijd die het voertuig nodig heeft om de plaats incident te bereiken. Tankautospuit Voor de opkomsttijd van de eerste tankautospuit worden de gebiedsgerichte opkomsttijden (zie paragraaf 7.1.) aangehouden: • referentiewaarde 7 minuten met een bandbreedte van 4 tot 10 minuten voor gebouwen met risico niveau 1. • referentiewaarde 10 minuten met een bandbreedte van 7 tot 13 minuten voor gebouwen met risico niveau 2. • referentiewaarde 15 minuten met een bandbreedte van 12 tot 18 minuten voor gebouwen met risico niveau 3. Voor de opschaling van tankautospuiten (tweede en volgende tankautospuit) zijn geen wettelijke tijdsnormen vastgesteld.

In de landelijke handreiking grootschalig brandweer optreden zijn wel uitruktijden voor een peloton opgenomen. Binnen een uur na een aanvraag voor aflossing dient een peloton op te komen bij de regiogrens van de eigen regio. Dit is een ruimere marge dan in

Het dekkingsplan is gebaseerd op de volgende uitgangspunten: • Repressieve brandweerzorg wordt geleverd vanuit een fijnmazig netwerk van brandweerposten; • Elke post heeft minimaal één tankautospuit (basis, combi of BT/SB); • Een tweede TS wordt geplaatst op een aantal strategische plekken in de regio op basis van de omvang van de risico’s en leefomgeving; • Een post heeft maximaal drie specialistische taken; • Het dekkingsplan houdt geen rekening met ‘gelijktijdigheid’ van incidenten; • Het dekkingsplan biedt minimale ruimte voor bijstand naar andere regio’s;

| 15 |

geval van een acute bijstandsaanvraag, waarbij de bijstand zo snel mogelijk moet worden geleverd. Situationele commandovoering Het onderzoek naar situationele commandovoering geeft hernieuwd inzicht in de manier waarop leiding wordt gegeven aan grootschalige incidenten en waar deze kan worden verbeterd. Dit rapport adviseert een stapsgewijze opbouw in de opschaling. Het inzicht in het belang van de mensfactoren is een belangrijke factor ten behoeve van de opzet, beoordeling en evaluatie van crisisbestrijding. De feitelijke wijze van bestrijding van het incident en de passende commandovoering worden - mede - gebaseerd op formele kennis. Het vervullen van de functie van commandovoerder vergt veel vakmanschap bij de uitvoering van zijn taken, namelijk: • Een inschatting maken van de – huidigesituatie van het incident; • Een inschatting maken van de ontwikkeling van het incident in de tijd waarbij hij rekening houdt met de invloed van lopende bestrijdingsactiviteiten. • Een aanpak opstellen weggezet in tijd inclusief commandotype. • Concreet benoemen welke techniek, tactiek en formatie noodzakelijk zijn om het incident te bestrijden. In dit plan is uitgegaan van de streeftijden van 15 min. voor de tweede TS, 20 min. voor de derde TS en 30 min. voor de vierde TS.

Deze tijden zijn enerzijds gebaseerd op de uitkomsten van het onderzoek naar situationele commandovoering en anderzijds op praktijkervaringen vanuit diverse regio’s.

uitrusting en procedures is ook gekeken naar de gewenste opkomsttijd. Op basis van de aanwezige vee-intensiteit en de ervaring van de betrokken posten is hiervoor een tijd bepaald. Dit heeft geleid tot de volgende tijden: • Brandweervaartuig 30 minuten • Duikteam 30 minuten • Oppervlaktereddingsteam 30 minuten • Vee Red Installatie 30 minuten De laatste onderdelen zijn in nauw overleg met de postcommandanten uitgewerkt en besproken als onderdeel van een totaalproject Optimalisering Specialismen. In dit project zijn alle bovengenoemde specialismen meegenomen. Gesproken is over de soorten, omvang en opkomsttijden voor de specialismen. Dit heeft geleid tot een totaal voorstel met opkomsttijd en bezetting per specialisme. De term streeftijden wordt in dit dekkingsplan gehanteerd, omdat er geen wettelijke dan wel landelijke tijdsnormen gelden voor de specialismen. De streeftijd is daarmee een regionale professionele waarde voor de opkomst van het betreffende specialisme.

_____ 3- Brandweeracademie (2015). Situationele commandovoering bij de brandweer; drs. J.C. Hazebroek MCPm, drs. B. van ’t Padje, dr. J. Groenendaal, T. Geertsema BBA., dr. M.A. Hagenaars.

Specialismen In het vorige vastgestelde dekkingsplan (Slagkracht) van de VNOG zijn voor een aantal specialismen de opkomst/streeftijden al bepaald. Er zijn op dit moment geen argumenten om deze te herzien en dus gelden voor de volgende specialismen de aangegeven tijden: • Hulpverleningsvoertuig 18 minuten • Redvoertuig 18 minuten • WT-G 20 minuten • WTS 500 30 minuten • WTS 1500 60 minuten Op basis van dezelfde systematiek (Slagkracht) zijn in afgelopen periode voor het onderdeel Waterongevallen ook de opkomst/streeftijden bepaald (zie ook bijlage 3). Daarnaast is er in het kader van een projectopdracht onderzoek gedaan naar het onderwerp Redding Groot Vee. Naast allerlei aanbevelingen op het gebied van materieel,

16 | |

| 17 |

5.

Risicogerichte benadering

De Wet veiligheidsregio’s bepaalt dat het dekkingsplan is gebaseerd op het risicoprofiel, waarin ook de brandrisico’s beschreven staan. Het risicoprofiel brandweer is gericht op de (basis)brandweerzorg, waar de drie belangrijkste brandweerprocessen aan ten grondslag liggen: beheersen, bestrijden en normaliseren. Daarbij gaat het risicoprofiel uit van alle kerntaken van de brandweer (brand, hulpverlening, waterongevallen en Incidentbestrijding gevaarlijke stoffen). Eén van de opgaven van de VNOG is het verkrijgen van een sterke informatiepositie en een helder inzicht in de risico’s. Deze informatiepositie wordt behaald door data te verzamelen, deze om te zetten in informatie en deze informatie te veredelen met kennis. Om kennis te verkrijgen over waar de brandweer van toegevoegde waarde kan zijn, is het risicoprofiel brandweer ontwikkeld. Het risicoprofiel brandweer geeft een beeld van de feitelijke risico’s in de regio. Een nadere toelichting over het risicoprofiel brandweer treft u aan in bijlage 3. De brandweer hanteert een risicogerichte aanpak om de brandveiligheid in de regio te optimaliseren. Dit houdt in dat een combinatie van maatregelen op het gebied van risicobeheersing en (de voorbereiding op) incidentbestrijding wordt getroffen om de brandrisico’s zo optimaal mogelijk te beheersen. Het streven daarbij is verbetering van de brandveiligheid in de gehele regio.

5.1 Brandveiligheid: gezamenlijke verantwoordelijkheid De mate van brandveiligheid van een object is een samenspel van een aantal kenmerken. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om de kenmerken van het object zelf, zoals de bouwmaterialen, brandwerende voorzieningen en de aanwezigheid van rookmelders. Daarnaast gaat het ook om de wijze waarop het object gebruikt wordt. Welke risicovolle activiteiten vinden plaats en hoe zelfredzaam zijn de gebruikers? Ook speelt een rol de aanwezigheid van een bedrijfshulpverleningsorganisatie (BHV) en de inzetmogelijkheden van de brandweer. Het Bouwbesluit regelt het minimale veiligheidsniveau. Het Bouwbesluit kent verschillende gebruiksfuncties, waaronder industrie, wonen en gezondheidszorg. Het uitgangspunt van het systeem van brandveiligheid is in basis voor alle gebruiksfuncties gelijk. Voldoende voorzieningen moeten aanwezig zijn om

18 | |

het object bij brand tijdig te verlaten en er moeten maatregelen zijn getroffen om brandoverslag naar belendende percelen te voorkomen. De (repressieve) brandweer vult hier op aan, c.q. dekt het restrisico af, de praktijk is immers weerbarstiger en is niet altijd te vangen in regelgeving gebaseerd op gemiddelden. nieuwe omgevingsbesluiten en -regelingen advieskoppelingen opgenomen die enerzijds via Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ingevoerd gaan worden en anderzijds via de omgevingstafels worden behandeld. Daarnaast kan gevraagd en ongevraagd worden geadviseerd over de in het Regionaal Risicoprofiel opgenomen risico’s. Belangrijk is om te beseffen dat van de repressieve brandweer als uitgangspunt niet verwacht wordt iedere brand te kunnen blussen, redding van mogelijke slachtoffers is de belangrijkste taak.

De zorg voor brandveiligheid is een gezamenlijke inspanning van burgers, partners en brandweer. Het op orde zijn van de brandveiligheid van een gebouw is primair de verantwoordelijkheid van de eigenaar/ gebruiker. Dit is vastgelegd in diverse regelingen binnen het omgevingsrecht. Het Instituut Fysieke Veiligheid schrijft daarover het volgende in het rapport “de Basis voor Brandveiligheid”: “Als mensen niet in staat zijn zelfstandig te vluchten, zoals veelal het geval in het geval van een gezondheidszorgfunctie of wonen met zorg, dan moet de BHV compenserende maatregelen nemen die voorzien in een tijdige ontruiming. In de algemene toelichting van het Bouwbesluit staat dat de brandweer hierbij een (beperkte) rol kan spelen. In beginsel moet de BHV zorgen voor de ontruiming van de door brand bedreigde mensen. Immers, op het moment van ontruiming, het meest cruciale moment, kan de brandweer nog niet ter plaatse zijn.” Brandveiligheidsvoorzieningen (waaronder branden rookwerende scheidingen, rookdetectie en de alarminstallatie) en een goede BHV zijn beide essentieel, zeker in de zorgsector. Gebreken aan de brandveiligheidsvoorzieningen zorgen voor een versnelde brand- en rookverspreiding met een grotere kans op slachtoffers, omdat de BHV wordt bemoeilijkt in haar taak.

Deze gebreken kunnen in de eerste fase van een brand niet gecompenseerd worden door extra brandweerinzet. De brandweer kan immers nog niet ter plaatse zijn. 5.2 Relatie met norm- en streeftijden

In hoofdstuk 7 staat beschreven dat in een relatief klein deel van het verzorgingsgebied van de VNOG niet de wettelijke normtijden voor de eerste basisbrandweereenheid (tankautospuit) worden behaald. Ook de streeftijden voor de tweede TS binnen 15 min. staan onder druk. Benadrukt wordt, dat dit geen wettelijke norm betreft. Het niet halen van de tijden betekent niet automatisch dat het brandrisico voor deze gebieden onaanvaardbaar is. De brandweer blijft zich altijd inspannen om zo snel mogelijk ter plaatse te zijn. De opkomsttijd is één van de maatregelen die brandweer kan treffen om te zorgen voor een brandveilige leefomgeving. De focus op enkel de opkomsttijden is te eenzijdig bij het beschouwen van de integrale brandveiligheid. De zorg voor brandveiligheid is een gedeelde verantwoordelijkheid van de gemeenten en de brandweer en ook wordt een beroep gedaan op de eigen verantwoordelijkheid van inwoners, bedrijven, instellingen en bezoekers van de regio. De meeste slachtoffers vallen in de beginfase van brand, op het moment dat de brandweer überhaupt nog niet ter plaatse kan zijn. Risicobeheersingsmaatregelen met effect op deze fase hebben daarmee de meeste veiligheidswinst. Met maatregelen ‘voor de vlam’ wordt een scenario gerealiseerd dat beheersbaar is voor de brandweer. Ook wanneer deze iets later aanwezig is dan de genoemde opkomst- en streeftijden.

Het is zinvoller om op andere vlakken (aan de voorkant van de vlam) financiële (overheid)investeringen te doen om het totale veiligheidsniveau te verhogen. Om dit verder toe te lichten zijn in bijlage 5 drie voorbeelden uitgewerkt. Opkomsttijd is één van de vele maatregelen die brandweer kan treffen om te zorgen voor een brandveilige leefomgeving. Daar waar de tijden niet gehaald worden investeert de VNOG in het nemen van risicobeheersingsmaatregelen zoals nu wordt toegepast in de pilotgebieden Winterswijk en Harderwijk in het kader van de ontwikkeling van het Risicoprofiel brandweer.

activiteiten ingezet daar waar zij de grootste toegevoegde waarde hebben, bijvoorbeeld maar niet uitsluitend: •

Gewerkt wordt aan een programma Veilig Leven waarin in wordt gegaan op de risicobeheersingsmaatregelen op middel en lange termijn. In dit programma wordt ook gekeken naar wat de gevolgen zijn van nieuwe risico’s. Denk hierbij aan de energietransitie met concrete voorbeelden als de waterstof CV ketel, elektrische vervoermiddelen en de (buurt) accu’s;

•

Slimme rookmelders in combinatie met burenhulp (project Leefsamen), stimulering risicobewustzijn inwoners in combinatie met zelfredzaamheid. In het begin stadium van de brand melding genereren, kans op slachtoffers verkleint aanzienlijk, in het begin stadium hulp op gang brengen.

•

Toezichtprojecten van de afdeling Risicobeheersing;

•

Brandweerposten oefenen gericht op de risico’s in hun verzorgingsgebied of bij bijzondere objecten;

•

Een risicogerichte doelgroep- en branchebenadering, waar mogelijk in samenwerking met ketenpartners, de inzet van (publieks)campagnes en het communiceren van risico’s;

•

Voorlichtingscampagnes die lokaal afgestemd zijn op aanwezige risico’s waarin de brandweerposten ook een rol kunnen spelen;

•

Doelgroepgerichte bewustwordingsberichten via social media, toegespitst op specifieke (postcode)gebieden;

•

Informatie over het risiconiveau wordt digitaal toegankelijk gemaakt voor inwoners en belanghebbenden.

Door het inzicht dat verkregen door het innovatieve product risicoprofiel brandweer, worden gericht

| 19 |

In de afbeelding hieronder is de informatie gestuurde samenhang schematisch weergegeven.

Deze systematiek zal de komende jaren verder ontwikkeld worden en mede op basis van de input van het dekkingsplan (met name de dekkingsresultaten van de 1e en 2e tankautospuit) zullen specifieke gebiedsgerichte acties worden opgezet en uitgevoerd.

20 | |

| 21 |

6.

Organisatie van de repressieve brandweerzorg

6.1 Locaties brandweerposten De repressieve brandweerzorg in de VNOG wordt geleverd vanuit 56 brandweerposten. De verdeling van deze posten over het verzorgingsgebied van de VNOG ziet er als volgt uit.

een gezamenlijke kazerne mogelijk is, maar dat er wel veel punten zijn die moeten worden uitgezocht en uitgewerkt. Het gebied Dinxperlo-Süderwick is een reële locatie voor een internationale kazerne. Eerste stap voor de realisatie hiervan is het creëren van draagvlak binnen de betrokken posten, gemeenten (Aalten en Bocholt) en de VNOG. Inmiddels blijkt dat zowel van Nederlandse als Duitse zijde interesse is om verder te gaan met het project Crossfire voor Dinxperlo-Süderwick. Ook blijkt binnen de posten een groeiende interesse te zijn. In 2020 is het overleg gestart tussen ambtelijke vertegenwoordigers van de VNOG en Bocholt om vast te stellen hoe dit project verder kan worden uitgewerkt. Een datum voor mogelijke realisatie van de internationale kazerne is in deze fase van het project nog niet te geven. Posten stedelijk gebied Apeldoorn Het algemeen bestuur heeft gevraagd om onderzoek te doen naar de mogelijkheid van samenvoeging van posten en kantoorfuncties in het stedelijk gebied van Apeldoorn (de zogenoemde één-postgedachte). In het stedelijk gebied van Apeldoorn wordt momenteel uitgerukt vanuit meerdere kazernes. Op deze posten zijn ook kantoorfuncties gehuisvest. Daarnaast wordt uitgerukt vanuit drie vrijwillig bezette locaties. Tenslotte beschikt de VNOG in Apeldoorn over twee etages aan de Europaweg met kantoorfunctie.

In 2011 – bij de vorming van het brandweercluster Epe-Voorst-Apeldoorn – is uitgebreid onderzoek gedaan naar de locaties die het meest geschikt zijn voor de één postgedachte. De resultaten van dit onderzoek zijn aanleiding voor het vervolgonderzoek, waarvoor in het algemeen bestuur van 15 januari 2020 de onderzoeksopdracht inclusief criteria zijn vastgesteld.

6.2 Ontwikkelingen brandweerposten Op een aantal posten vindt nog een ontwikkeling plaats. Grensoverschrijdende samenwerking Langs de gehele grens van de veiligheidsregio gaan we naar een intensivering van de NederlandsDuitse samenwerking. Dit betekent onder andere een herijking van de convenanten en het geven van een impuls aan zowel de bestuurlijke als de operationele grensoverschrijdende samenwerking.

22 | |

Plan internationale kazerne Dinxperlo - Süderwick In 2018 is het eerste document van het project Crossfire opgeleverd. Bij dit project is er onderzoek gedaan naar de haalbaarheid van een gezamenlijke brandweerpost in het grensgebied tussen Duitsland en Nederland. Er is toen vooral gekeken naar de inmiddels bestaande internationale kazernes in Baarle Nassau/Baarle Hertog en Nieuw Namen/ Kieldrecht, beide in het grensgebied van België en Nederland. Het resultaat van dit onderzoek is dat

Posten Gendringen en Silvolde In overleg met de brandweerposten wordt onderzocht of deze toekomstig samen op kunnen gaan in één post. Dit onderzoek wordt ingestoken vanuit de motivatie om de brandweerzorg toekomstbestendig te organiseren. Mogelijke uitkomsten zijn: • Optie 1) Er verandert niets qua kazernes en de huidige werkwijze blijft onveranderd; • Optie 2) Er zal gekeken worden of de huidige kazernes t.o.v. beide gebieden en het fijnmazig netwerk op de juiste plaats staan. • Optie 3) Er zal een investering moeten komen

om één nieuwe kazerne te bouwen centraal binnen het gebied van de huidige kazernes Gendringen & Silvolde. Voor dit onderzoek wordt een periode van drie jaar uitgetrokken (2020-2022). Nieuw- en verbouw kazernes Voor een aantal kazernes is nieuwbouw gepland, namelijk: • Almen Loenen • Didam Oldebroek • Hoog Soeren Twello • Klarenbeek Ugchelen NB: over de locatie Wapenveld wordt momenteel overleg gevoerd. De nieuwe locaties van de kazernes worden doorgerekend op de impact op de opkomsttijd en de dekking die dit oplevert. De VNOG beschikt over een blauwdruk voor het bouwen van kazernes. Afhankelijk van de omvang van de kazerne, het aantal vrijwilligers/beroeps en het aantal voertuigen is er een plan beschikbaar. De blauwdruk houdt rekening met alle eisen die aan een kazerne gesteld worden, is volledig upto-date en kan mogelijkheden bieden tot circulair bouwen. De blauwdruk biedt ruimte aan wisselende eisen van welstand, maar ook aan de wisselende eisen van het bestemmingsplan. De ambitie is een natuurlijke en rustige basis met beeldbepalende (kleur-)accenten, welke de identiteit en duurzame uitstraling van de brandweerkazerne versterken. Tegelijkertijd blijft het ontwerp sober en doelmatig. Naast de nieuwbouwinitiatieven staat een aantal verbouwprojecten gepland. Deze plannen zijn ingegeven door andere projecten zoals de risicoinventarisatie en evaluatie.

Logistieke eenheid Bij incidenten en bij grootschalige oefeningen kan de logistieke eenheid gealarmeerd worden om te zorgen voor eten en drinken, ademlucht, brandstof of extra verlichting. De VNOG heeft momenteel nog twee logistieke eenheden. Eén in Apeldoorn voor de Westkant van de regio en één in Doetinchem voor de Oostkant. Met het besluit van het algemeen bestuur van 15 januari 2020 is de opdracht verstrekt om de logistieke eenheden, waar operationeel verantwoord, te vereenvoudigen en indien mogelijk over te gaan van twee naar één team. De logistieke eenheden zijn vanaf 2014 (West) en 2016 (Oost) ingevoerd. In 2020 zal onderzocht worden op welke wijze bovenstaande mogelijk is.

| 23 |

Het doel is in ieder geval om te komen tot een effectievere en goedkopere organisatie van de taken waarbij veel of alle taken van de logistieke eenheden weer bij posten (de basis) worden neergelegd en de bevelvoerder - in overleg met de officier van dienst - bepaalt of inzet nodig is.

6.4 Bezetting van de brandweerposten De bezetting van de brandweerposten is gebaseerd op de in het Besluit veiligheidsregio’s bepaalde bezetting van de eenheden voor de basisbrandweerzorg (zes personen) en het aantal specialismen en hun bezetting.

6.3 Organisatievormen De brandweerzorg in de VNOG wordt met verschillende organisatievormen uitgevoerd: volledig vrijwillig, volledig beroeps (24-uursdienst) of een combinatievorm.

Op 3 september 2015 heeft het algemeen bestuur de sterkte per post bepaald door het document ‘posten zijn de basis’ vast te stellen. In juli 2017 heeft een actualisatie van de dit document plaatsgevonden.

Overwegingen om te kiezen voor een beroepsorganisatie zijn met name gelegen op het vlak van de risico’s en de uitrukfrequentie op jaarbasis. Een verzorgingsgebied met grote risico’s heeft statistisch gezien ook meer kans op incidenten met vaak grotere effecten. Om al deze incidenten adequaat te kunnen bestrijden is een vrijwillige organisatie dan niet meer toereikend. De vrijwilligers hebben naast hun vrijwillige taak in de meeste gevallen nog een andere werkgever. Wanneer het aantal uitrukken op jaarbasis rond de 300 tot 350 ligt (gemiddeld één per dag) dan is de overweging om over te gaan naar een beroepsorganisatie dan wel naar een combinatievorm valide. Dit aantal uitrukken kan niet op de “hoofdwerkgevers” worden afgewenteld.

De externe commissie, die advies uitbracht over het materieelspreidingsplan dat de basis is voor dit dekkingsplan, heeft geadviseerd om het aantal post categorieën dat gehanteerd wordt in ‘posten zijn de basis’ te vereenvoudigen. Dit advies wordt ter hand genomen en krijgt in de komende periode in samenspraak met de postcommandanten een nadere uitwerking.

Organisatievormen in de VNOG: • De post Apeldoorn-centrum (Vosselmanstraat 203 te Apeldoorn) beschikt over een volledige beroepsorganisatie, 24-uur per dag. Daarnaast kent deze post ook een vrijwillige bezetting onder andere ten behoeve van herbezetting en opschaling. • Op de post Apeldoorn-Zuid (Saba 6 te Apeldoorn) is gedurende kantooruren (7.3017.30 uur) een dagdienstbezetting met een harde koppeling aanwezig om de eerste uitruk te verzorgen. • Apeldoorn de Maten en Beekbergen zijn overdag buiten dienst, de uitruk wordt dan verzorgd vanuit de post Apeldoorn Zuid. • De posten Doetinchem en Zutphen kennen een kazerneringsregeling voor avonden en weekenden. Deze kazerneringsdiensten worden gevuld vanuit een vrijwillige bezetting. Overdag wordt op deze locaties een rooster gehanteerd voor de kazernering waar zowel de vrijwilligers als dagdienst medewerkers onderdeel van uit maken. • Alle overige brandweerposten zijn volledig georganiseerd met vrijwilligers.

24 | |

Voor een post met één tankautospuit ziet de poststerkte er als volgt uit: Wettelijke norm: 1 bevelvoerder 1 chauffeur 4 manschappen 6 Totaal

Garantiefactor: Aantal: 400 % 4 400 % 4 250 % 10 (300%) 18

De optimale bezetting van een post met één TS is achttien personen. De standaard bezetting van een TS is zes personen. Omdat veelal gewerkt wordt met een vrije instroom wordt een gemiddelde factor van 300% voldoende geacht om deze bezetting ook te kunnen garanderen. Voor de cruciale functies van bevelvoerder en chauffeur is een 400% dekking gewenst, voor manschappen is dit 250%. In het geval een post één van de specialismen uitvoert wordt hiervoor de poststerkte opgehoogd. In de meeste gevallen worden de specialismen uitgevoerd door dezelfde postleden die ook uitrukken op de tankautospuit verzorgen. Hiervoor wordt dus uit dezelfde ‘pool’ geput. Om gelijktijdigheid van de uitvoering van taken te kunnen garanderen is het nodig het aantal postleden op te hogen.

| 25 |

7. Spreiding basisbrandweerzorg 7.1 Eerste tankautospuit Inleiding De tankautospuit is de basiseenheid voor brandweerzorg. De basiseenheid is de enige eenheid waar wettelijke normen voor vastgesteld zijn. In dit document worden de gebiedsgerichte opkomsttijden gehanteerd (zie paragraaf 4.1. en 4.3.) De slagkracht van de VNOG wordt georganiseerd vanuit een fijnmazig netwerk van brandweerposten. Alle brandweerposten beschikken over minimaal één tankautospuit voor de eerste uitruk. In onderstaande tabel is het beoordelingskader van gebiedsgerichte opkomsttijden voor de eerste tankautospuit weergegeven. Daarin is zichtbaar dat er een referentiewaarde en een bandbreedte gehanteerd wordt per categorie. Belangrijk hierbij is te vermelden dat momenteel de pilot voor gebiedsgerichte opkomsttijden wordt uitgevoerd. Dit kan nog leiden tot een wijziging in de karakterbepaling per categorie. Aantal en spreiding In de regio kennen wij twee type tankautospuiten, namelijk de TS-Basis en de TS-Combi. De TS Basis is uitgevoerd volgens de richtlijn die gesteld zijn voor een TS door Brandweer Nederland. De TS-Combi voldoet ook aan deze vereisten en is daarnaast inzetbaar voor natuurbrandbestrijding. Dit hoofdstuk richt zich op de inzet van de tankautospuiten ten behoeve van brandbestrijding.

Op de inzet specifiek ten behoeve van natuurbrandbestrijding wordt ingegaan bij het hoofdstuk over de specialismen.

26 | |

Op elke post staat volgens de algemene uitgangspunten minimaal één TS: • De TS Basis staat op de posten: Aalten, Borculo, Dinxperlo, Doetinchem, Eibergen, Gendringen, Groenlo, Lichtenvoorde, Neede, Ruurlo, Silvolde, Varsseveld, Wehl, Winterswijk, Apeldoorn-Centrum, Apeldoorn-de Maten, Apeldoorn-Zuid, Almen, Barchem, Brummen, Eerbeek, Gorssel, Hengelo, Laren, Lochem, Steenderen, Terwolde, Twello, Voorst, Zutphen, Elspeet, Epe, Ermelo, Harderwijk, Hattem, Oene, Putten, Vaassen, Wezep. • De TS-Combi staat op de posten: Bergh, Didam, Apeldoorn-Centrum, Beekbergen, Hoenderloo, Loenen, Uddel, Ugchelen, Klarenbeek, Vorden, Zelhem, Elburg, Heerde, Hierden, Nunspeet, Oldebroek, Wapenveld.

Op zes locaties staat een tweede TS, namelijk: Doetinchem, Winterswijk, Apeldoorn-Centrum, Zutphen, Harderwijk, Nunspeet. De locaties met een tweede TS zijn, conform de algemene uitgangspunten, bepaald op basis van de risico’s en omvang van de leefomgeving. In Nunspeet en Apeldoorn-Centrum staat één TS-Basis en één TS-Combi. Bij de andere posten met een tweede tankautospuit betreft dit allemaal twee keer een TS-Basis. Dekking Op basis van de aantallen en spreiding van de tankautospuiten op de posten in de regio kan een bepaalde opkomst geleverd worden. Onderstaande afbeelding laat zien welke opkomst geleverd wordt in relatie tot de gehanteerde bandbreedte indeling uit het beoordelingskader gebiedsgerichte opkomsttijden. Legenda: • De rode rondjes staan symbool voor de brandweerposten in de regio. • De kleuren geven de opkomsttijd weer die geleverd kan worden in minuten (zie nadere verklaring in de volgende afbeelding).

NB 1: de post Hoog-Soeren is hierop een uitzondering. Op deze post staat een BT/SB4 natuur, dit is een vier persoonsbrandweervoertuig dat specifiek gericht is op natuurbrandbestrijding (zie paragraaf 8.1.) NB 2: voor de post Bergh wordt nog onderzocht welk type voertuig(en) het meest geschikt is voor het gecombineerde risicoprofiel van de locatie (oude binnenstad, natuur en een BRZO-bedrijf). Dit zal in ieder geval een voertuig zijn geschikt voor de oude binnenstad. Daarnaast wordt in overleg met de post bepaald welk tweede specialistisch voertuig voor natuurbrand er, gelet op de specifieke risico’s in het gebied, moet komen. Dit geldt ook voor de schuimbluseenheid. Het afstoten van de 2e TS hangt samen met goede afspraken en samenwerking met VGGM/ post Zevenaar. Hierover zijn de gesprekken reeds opgestart en uitvoeringsafspraken vastgelegd. Voor de post Didam hangt het afstoten van de tweede TS samen met goede afspraken met post Zevenaar.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9729857/1