CConstaterende datVoorst
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - landschappelijke en cultuurhistorische analyse Bureau Rho

gemeenteraad 22 september 2025, gemeente VoorstBij agendapunt: Bestuurlijke lus bestemmingsplan Nieuw Basselt en Fliertlanden (Twello Noord)13.138 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Bestaande zichtlijnen vanaf Huize Kruisvoorde Bron: Eigen bewerking afbeelding cyclomedia

39 | 53

KERNKWALITEIT 4 BOERDERIJ KLEINE BASSELT ALS LAATSTE ELEMENT VAN HET VROEGERE LANDGOED BASSELT. De nieuwe functies en gebouwen worden op zorgvuldige wijze geïntegreerd met de overblijfselen van het historische boerenerf, zodat de uitstraling en vormgeving van het erf behouden en herkenbaar blijven. Ook het hergebruik van de oude weg over het erf, waarbij het informele karakter van de weg gehandhaafd blijft, sluit aan bij het verleden. Er gaat zo min mogelijk verloren van Boerderij Kleine Basselt. Hoewel de boerderij wordt afgebroken – aangezien uit historisch bouwonderzoek bleek dat behoud niet haalbaar is – wordt de bestaande plek zorgvuldig herontwikkeld. De boerderij wordt vervangen door drie wooneenheden die zodanig gesitueerd, ontworpen en ontsloten worden dat het erf met de geschiedenis van Boerderij Kleine Basselt wordt gerespecteerd en de herinnering aan de oude boerderij levend blijft. 3.3

NATUURWAARDEN

KERNKWALITEIT 1 GROENE ONTWIKKELZONE EN GELDERS NATUURNETWERK (GNN) De bestaande beplantingen, die zijn opgenomen in de ecologische verbindingszone, vormen de basis voor het versterken

en uitbreiden van de groene en blauwe netwerken. In dit kader worden singels versterkt en ecologische poelen aangelegd, waarmee wordt aangesloten bij de doelstellingen van het Gelders Natuur Netwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelzones (GO). Hoewel deze ontwikkelingen soms lijken te botsen met de wens voor openheid, is binnen de ontwikkeling van Nieuw Basselt bewust geïnvesteerd in het versterken van de bestaande structuren. Door het gebruik van inheemse beplanting die naadloos aansluit op de ecologische zones van GNN en GO, ontstaat een half-open landschapsstructuur waarin zowel natuurwaarden als ruimtelijke kwaliteit optimaal tot hun recht komen. KERNKWALITEIT 2 BIODIVERSITEITSELEMENTEN Het realiseren van anderhalve hectare natuur/ landschap per hectare woningbouw levert een rijk en ontspannen landschap waar kansen liggen voor het creëren van geleidelijke overgangen met meer biodiversiteit en meer verwevenheid tussen dorp en ommeland. Van het huidige, relatief monoculturele agrarische landschap gaan we door deze ontwikkeling naar een meervoudig, gevarieerd landschap met hoge natuurwaarden en ecologische verbindingen. Zo draagt de ontwikkeling bij aan het versterken van de biodiversiteit en de opvang van regenwater.

Op gebiedsniveau zijn er drie belangrijke maatregelen waardoor de leefomgeving van de dieren en planten robuuster wordt: • De vegetatie en de waterhuishouding sluit aan op de omgeving. • De verbindingen voor dieren naar de wijk vanuit de directe omgeving zijn veilig. De bestaande beplanting (situatie) is zoveel mogelijk gehandhaafd en beschermd tijdens uitvoering bouw. Het is de basis van waaruit de natuur het gebied weer inneemt. • In de groene zones worden een aantal diersoorten uitgekozen waarvoor de leefomgeving wordt ingericht. Denk hierbij aan soorten als de das, kamsalamander en de winde. • Op woongebiedsniveau worden een aantal diersoorten uitgekozen waarvoor de leefomgeving binnen de woongebieden ook wordt ingericht. Denk daarbij aan heel gewone soorten die graag met ons leven zoals de egel, de pad, de mus en de wilde bij. In het ontwerp voor van bebouwing en maaiveld worden naast de wensen en eisen van de mensen ook die voor de doelsoorten verwerkt. KERNKWALITEIT 3 BEHEERSDOELEN EN ECOLOGISCHE SAMENHANG Binnen de ontwikkeling wordt gesteld dat de beheervorm zo bepalend is voor de natuurontwikkeling dat deze het beste

40 | 53

voorafgaand aan de verkoop van grond bedacht moet worden. De bouw van de wijk schept de condities voor natuurontwikkeling en de wijze van beheren bepaalt het succes. KERNKWALITEIT 4 LANDSCHAPPELIJKE GROENSTRUCTUREN Als uitgangspunt voor de landschappelijke onderlegger is de verhouding van de oppervlakte landschap- en natuurbouw t.o.v. de beoogde woonbuurten globaal anderhalf staat tot één. Dat wil zeggen dat voor elke hectare woningbouw anderhalve hectare natuur/landschap wordt ontwikkeld. Oude groenstructuren worden gerespecteerd en waar mogelijk versterkt, en er worden op verschillende locaties nieuwe brede groenzones aangelegd.

41 | 53

HFST 4

CONCLUSIE DEEL 2

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat de gemeenteraad onvoldoende inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom de ontwikkeling geen aantasting van de cultuurhistorisch waardevolle Basseltse Enk veroorzaakt, of – indien wel sprake is van aantasting – waarom deze aanvaardbaar zou zijn. De cultuurhistorische waarde blijkt uit de rapporten van H+N+S Landschapsarchitecten en Bureau Lantschap, waarin verschillende kernkwaliteiten voor landschap, cultuurhistorie en natuur zijn benoemd.

WAAR WÉL AAN WORDT VOLDAAN Landgoederenzone en landschappelijke samenhang De ontwikkeling sluit aan bij het karakter van de landgoederenzone door het gebruik van brede groenstructuren, zichtlijnen, singels en parkachtige inrichting.

WAAR NIET (VOLLEDIG) AAN WORDT VOLDAAN Open karakter Het gebied blijft niet volledig behouden als open agrarisch landschap, aangezien de realisatie van woonbuurten de oorspronkelijke openheid doorbreekt. Daarbij moet worden opgemerkt dat dit open karakter in de huidige situatie reeds is aangetast, zowel door bestaande bebouwing van de bestaande wijk De Basselt en beplanting als door het huidige agrarische gebruik (met name maïsteelt), waardoor de beleving van openheid van dit deel (lees het deel van de Basseltse Enk waarop woningbouw is voorzien) beperkt is.

Historische routes en paden Oude veldwegen en erfwegen worden behouden en opnieuw gebruikt, inclusief toevoeging van wandel- en fietsroutes, waarmee historische structuren herkenbaar blijven.

Kleinschalig karakter en overgangszones Het plan versterkt kleinschalige structuren zoals houtwallen, houtsingels en groenstroken en legt verbindingen naar omliggende natuur en agrarische gebieden.

Cultuurhistorische elementen (Boerderij Kleine Basselt) Hoewel de boerderij vanwege bouwvallige staat hoogstwaarschijnlijk wordt afgebroken, wordt de locatie herontwikkeld met drie wooneenheden die de geschiedenis en het informele karakter van het erf respecteren en voortzetten. De nieuwe gebouwen worden zorgvuldig geïntegreerd met de overblijfselen van het historische boerenerf, waarbij het erf

en zijn karakter behouden blijven. Zowel het informele karakter van het erf als de en de historische weg worden gerespecteerd. Natuurwaarden (GNN, biodiversiteit) Het plan voorziet in substantiële landschappelijke en ecologische versterking: voor elke hectare woningbouw wordt 1,5 hectare natuur en landschap ontwikkeld, met aandacht voor biodiversiteit en ecologische verbindingen. SAMENVATTING De Basseltse Enk is oorspronkelijk een kleinschalig, gevarieerd landschap met hagen, singels en open delen. De geplande bebouwing doorbreekt dit karakter gedeeltelijk, ondanks maatregelen om kleinschaligheid te behouden. Voor alle overige kernkwaliteiten – waaronder de ligging in de landgoederenzone, het kleinschalige karakter, de aanwezigheid van overgangszones, de historische landschapsstructuur, de visueel-ruimtelijke relatie met buitenplaatsen, het behoud van historische routes en paden, en de bescherming van beeldbepalende elementen zoals de boerderij Kleine Basselt – is aangetoond dat deze in het ontwerp worden gerespecteerd en, waar mogelijk, versterkt.

42 | 53

Ook op het gebied van natuurwaarden, zoals het versterken van ecologische verbindingen, biodiversiteit en landschappelijke groenstructuren, voldoet het plan aan de provinciale uitgangspunten. Zoals door de gemeente Voorst in het beeldkwaliteitsplan is opgenomen, alsmede in het bestemmingsplan is voorgeschreven. Daarmee kan worden geconcludeerd dat er door de woningbouw op de Basseltse Enk sprake is van enige aantasting van de openheid in gebied, maar niet in die mate dat hierdoor de kenmerken en herkenbaarheid van het gebied teniet wordt gedaan. Daar staat tegenover dat de voorgenomen inrichtingsmaatregelen het cultuurhistorische karakter van het gebied behoud en versterkt.

43 | 53

HFST 5

MAATREGELEN CULTUURHISTORISCHE WAARDEN

In dit hoofdstuk wordt onderzocht op welke wijze de Basseltse Enk, binnen de kaders van de geldende planologische mogelijkheden en zonder de ruimte voor woningbouw te beperken, zodanig kan worden ingericht dat de aantasting van de cultuurhistorische waarde zoveel mogelijk wordt geminimaliseerd. Daarbij wordt specifiek ingegaan op de relevante landschappelijke waarden uit het vorige bestemmingsplan voor het buitengebied. In dat bestemmingsplan hadden de gronden namelijk een dubbelbestemming 'Waarde - Landschap' op grond waarvan een aantal kenmerken beschermenswaardig werden geacht. De nadruk ligt op de punten 1, 7, 8, 9, 11, 13 en 19. Voor elk van deze waarden wordt beschreven op welke wijze zij kunnen worden toegepast en geïntegreerd in het ontwikkelingsplan, met als doel te komen tot een aanvaardbare en verantwoorde omgang met het cultuurhistorische landschap. ARTIKEL 38 WAARDE - LANDSCHAP 38.1 Bestemmingsomschrijving 'Bestemingsplan Buitengebied' De voor 'Waarde - Landschap' aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor: a. het behoud, de bescherming, het herstel en/of de versterking van de in het gebied

aanwezige landschappelijke waarden in de vorm van: 1

een robuust groen casco in de meer bebouwde en verrommelde gebieden door het vergroenen' van het landschap met behulp van wegbeplantingen, erfbeplantingen, kavelbeplantingen en bosjes

Als uitgangspunt voor de landschappelijke onderlegger geldt een verhouding van ongeveer anderhalf hectare natuur- en landschapsgebied per hectare woongebied. Dit betekent dat bij de ontwikkeling van circa 13 hectare woonvelden ongeveer 18 hectare aan natuur- en landschapscompensatie wordt gerealiseerd, waardoor het robuuste groene casco in het gebied verder wordt versterkt. 7

het contrast tussen laag- en hoog gelegen gebieden door behoud en aanleg van 'pollen' en de aanleg van hagen rond erven en percelen

Het contrast tussen laag- en hooggelegen gebieden blijft behouden door het behoud en de aanleg van ‘pollen’ en door het aanplanten van hagen rondom erven en percelen. Zo worden in het gebied rondom erf De Kleine Basselt nieuwe hagen aangelegd, waarmee de ruimtelijke verschillen in hoogte en structuur duidelijk zichtbaar blijven.

8

het contrast tussen de waardevolle openheid van gebieden en de beslotenheid van de landgoederen

Het waardevolle contrast tussen de openheid van de Basseltse Enk en de meer besloten sfeer van de omliggende landgoederen wordt planmatig geborgd en versterkt. Ten noorden van de bestaande bomensingel blijft de ruimte agrarisch extensief: bloemrijk grasland met losse bomen en hagen houdt het open, historisch agrarische karakter zichtbaar en verwijst naar het voormalige landgoed De Basselt en het bijbehorende erf De Kleine Basselt. Het deelgebied Kruisakker krijgt een brede, omsluitende groenstrook die het gevoel van een open akker behoudt terwijl verdwenen groensingels landschappelijk worden teruggebracht; deze groene zoom markeert de overgang naar meer besloten erfen landgoederenzones. Binnen de woonvelden wordt de overgang verder verfijnd: de parkachtige collectieve groene ruimte met wandelpaden, bankjes en bloemrijke beplanting sluit aan bij de tuinsferen van historische landgoederen, terwijl het woonveld De Basseltse Enk zorgvuldig binnen een bestaande houtwal wordt gepositioneerd en deze structuur wordt versterkt. Het Enkbos blijft behouden en wordt ecologisch en landschappelijk aangezet, waarmee een duidelijk contrast

44 | 53

ontstaat tussen open agrarisch gebied, groene kamers en besloten bosranden—precies het kenmerkende open-dichte spel dat het gebied identiteit geeft. 9

Zandopduikingen door de aanleg van weg-, erfen kavelbeplantingen

Op de zandopduikingen in het gebied zijn in de loop der tijd drie karakteristieke bebouwingspatronen ontstaan. Het eerste patroon betreft lintbebouwing langs de wegen, waarbij de bebouwing in kleine groepjes voorkomt en niet gelijkmatig is verspreid. Het tweede patroon wordt gevormd door boerderijen in het open veld, meestal gegroepeerd en met een eigen aansluiting op de weg. Het derde, bijzondere patroon omvat de historische landgoederen ten noorden van Twello, waarbij de buitenplaatsen op kleine zandopduikingen zijn gesitueerd en direct worden omringd door lagere gronden. De ontwikkellocatie valt binnen dit derde patroon. Het is daarom van belang dat de gebiedskenmerken die kenmerkend zijn voor de kampenontginningen worden gerespecteerd en, waar mogelijk, versterkt. Binnen de planontwikkeling wordt hiermee nadrukkelijk rekening gehouden. Landschappelijke

structuren, zoals de historische verkaveling, oude veldwegen en houtwallen of houtsingels, blijven behouden en worden waar mogelijk in hun karakteristieke vorm versterkt, zodat de landschappelijke en cultuurhistorische samenhang van het gebied behouden blijft. 11

Karakteristieke kavelpaden;

In het plangebied zijn geen beschermde karakteristieke kavelpaden aanwezig. Wel wordt de Basseltlaan als waardevol landschapselement behouden en beschermd. Daarnaast houdt de planopzet van Nieuw Basselt rekening met de ligging van een oorspronkelijk, maar inmiddels verdwenen pad, waardoor dit historische element op subtiele wijze wordt gereflecteerd in de nieuwe inrichting. 13

Karakteristieke beplantingen zoals heggen, wegbeplantingen, erfbeplantingen, bosjes en hoogstamboomgaarden

Karakteristieke beplanting blijft behouden en wordt waar mogelijk versterkt. De bestaande beplantingen, opgenomen in ecologische verbindingszone vormen de basis voor het versterken en uitbreiden van de groene en blauwe netwerken. Concept beplantingsplan Basseltse Enk Bron: Gemeente Voorst / DS Landschapsarchitecten

45 | 53

19

Rust, ruimte en donkerte

De planontwikkeling voor Nieuw Basselt is zo opgezet dat het landschappelijke karakter van rust, ruimtelijkheid en nachtelijke donkerte zoveel mogelijk behouden blijft en – waar haalbaar – wordt versterkt: • De nieuwe woonvelden worden compact geclusterd en landschappelijk ingepast binnen bestaande structuren (houtwal Basseltse Enk, bomensingel, groene omsluitingen rond Kruisakker), waardoor grote open ruimten en zichtrelaties in het omringende landschap intact blijven. • Extensieve agrarische inrichting (bloemrijk grasland met losse bomen en hagen) in het noordelijk deel boven de bomensingel waarborgt een open, minder bebouwd beeld en verwijst naar het historische gebruik van het voormalige landgoed De Basselt. • Brede groenstroken (min. ca. 15 m op o.a. overgang Kruisakker–Kruisweg) zorgen voor lucht en afstand tussen bebouwing en landschap, en ondersteunen de optische ruimtelijkheid. • Behoud en herstel van bestaande houtwallen, houtsingels en erfbeplanting werkt als groene buffering tegen geluid en visuele prikkels, en ondersteunt een rustig ervaringsbeeld. • De recreatieve ontsluiting (ommetjes) is

•

gericht op kleinschalig, langzaam verkeer; gemotoriseerd verkeer blijft primair gebonden aan bestaande routes (o.a. ontsluiting via Basseltlaan / Kruisweg), wat de rust in de landschappelijke zones ondersteunt. Binnen de ontwikkeling wordt gewerkt met ecologisch vriendelijke verlichting.

b. het behoud en de ontwikkeling van de ecologische waarden, tot uitdrukking komende in: 1

De landschappelijke verwevenheid van natuur, bos en landschapselementen met cultuurgronden

Als uitgangspunt voor de landschappelijke onderlegger is de verhouding van de oppervlakte landschap- en natuurbouw t.o.v. de beoogde woonbuurten globaal anderhalf staat tot één. Dat wil zeggen dat voor elke hectare woningbouw anderhalve hectare natuur/landschap wordt ontwikkeld. Historische groenstructuren worden gerespecteerd en waar mogelijk versterkt, en er worden op verschillende locaties nieuwe brede groenzones aangelegd. 2

aangewezen zijn voor nieuwe natuur en agrarisch natuurbeheer Het realiseren van anderhalve hectare natuur/ landschap per hectare woningbouw levert een rijk en ontspannen landschap waar kansen liggen voor het creëren van geleidelijke overgangen met meer biodiversiteit en meer verwevenheid tussen dorp en ommeland. Van het huidige, relatief monoculturele agrarische landschap gaan we door deze ontwikkeling naar een meervoudig, gevarieerd landschap met hoge natuurwaarden en ecologische verbindingen. Zo draagt de ontwikkeling bij aan het versterken van de biodiversiteit en de opvang van regenwater. 3

de specifieke verbindingsdoelstellingen voor de ecologische verbindingszones

De bestaande beplantingen, opgenomen in ecologische verbindingszone vormen de basis voor het versterken en uitbreiden van de groene en blauwe netwerken. Als uitgangspunt voor de landschappelijke onderlegger is de verhouding van de oppervlakte landschap- en natuurbouw t.o.v. de beoogde woonbuurten globaal anderhalf staat tot één.

het areaal en kwaliteit van natuur, bos en landschapselementen en gebieden die

46 | 53

BIJLAGE

47 | 53

BIJLAGE 1 OMSCHRIJVING ESSEN EN KAMPEN (RIJKSDIENST VOOR CULTUREEL ERFGOED) Oude akkercomplexen Definitie, ouderdom en verspreiding Nederland bestaat voor veertig procent uit zandgronden. Deze zijn al sinds de prehistorie door de mens in gebruik genomen voor de akkerbouw. De oudste herkenbare overblijfselen van akkerbouw zijn de elders in het handboek beschreven celtic fields. Oude akkercomplexen hebben twee kenmerkende verschijningsvormen. De eerste zijn de kleine afgebakende, individueel gebruikte akkers: de kampen. Deze worden vaak omgeven door houtwallen of –singels en zijn onregelmatig van vorm. De tweede vorm zijn de essen. Dit zijn grote(re) akkercomplexen die door meerdere boeren gebruikt werden. Er bestaat een grote verscheidenheid aan vormen en namen van akkercomplexen in verschillende delen van Nederland. De naam es is de meest algemeen gebruikte aanduiding, naast eng, enk, bolakker, veld, kouter, geest, gaast of kromakker. In de vroege middeleeuwen (500-800 na Chr.) ontstonden de eerste kleine individuele kampontginningen. In de volle middeleeuwen (1000-1300 na Chr.) groeide de bevolking en intensiveerde de landbouw. Het akkerbouwareaal nam in oppervlakte toe. De eerste essen ontstonden, als complexen van samengegroeide kampen. Aanvankelijk vond alleen bemesting met mest en strooisel plaats. De beperkende

factor in de groei van akkercomplexen was echter de beschikbaarheid van voldoende meststoffen. De bodemvruchtbaarheid werd vergroot door dierlijke mest vermengd met plaggen –afkomstig van de woeste grondenop de akkercomplexen aan te brengen. De akkerbouw op de zandgronden wordt daarom ook wel plaggenlandbouw genoemd. Hierdoor zijn de kenmerkende dikke esdekken en steilranden ontstaan. De dikte varieert, afhankelijk van de hoeveelheid zand in de plaggen: van minder dan 30 centimeter tot meer dan 1 meter. Het gebrek aan meststoffen werd pas in de met de introductie van kunstmest eind 19e eeuw doorbroken. Sindsdien zijn grote hoeveelheden woeste grond ontgonnen voor akkerbouw zonder dat er essen ontstonden. Akkercomplexen komen op alle niet te natte zandgronden in Nederland voor. De oudste kampen en essen zijn te vinden op de overgang van hoog naar laag land, of op zandkoppen of -ruggen te midden van lager land. De hellingen van stuwwallen en keileemplateaus en rivierterrassen zijn kenmerkende plaatsen. Ook op dekzandruggen en strandwallen (de oude duinen) vormden zich al vroeg akkercomplexen. Aantastingen en bedreigingen Het zandlandschap heeft de afgelopen eeuw

enorme veranderingen ondergaan. Grote delen (voormalig) akkerland zijn bebouwd. Door ruilverkavelingen en schaalvergroting in de landbouw zijn essen en kampen onherkenbaar veranderd en zijn veel kleine kampen samengevoegd of geheel verdwenen. Ook de authentieke perceelsscheidingen op de kampen en om de essen, als houtwallen en –singels, zijn veelal verwijderd. Op essen dienden solitaire bomen als perceelsscheiding. Ook deze bomen zijn door schaalvergroting verdwenen of bedreigd. Daarnaast zijn veel gronden afgegraven om laagten op te vullen of de industrie van (bouw)zand te voorzien. Hierdoor verdween de karakteristieke bodem. De onderliggende en met plaggen bedekte aardkundige en archeologische waarden raakten aangetast. Beheeropties Behoud en consolidatie Essen zijn niet of nauwelijks wettelijk beschermd. Voor zover er van bescherming sprake is, gebeurt dit via planologische maatregelen. Bescherming van esdekken vanuit archeologisch oogpunt komt al wel voor. Het gaat vaak om grote oppervlakten waarin de samenhang van groot belang is. Het grondgebruik, de inrichting, kenmerkend reliëf en de begroeiing bepalen of het complex zijn waarde behoudt. Bij ploegwerkzaamheden moet niet te diep

48 | 53

geploegd worden ter bescherming van de onderliggende archeologische waarden. Restauratie en reconstructie Essen en kampen kunnen hun karakteristieke eigenschappen terugkrijgen door de perceelranden streekeigen aan te passen en de reliëfverschillen te herstellen. Onderzoek op oude kaarten, in het bijzonder kadasterkaarten van voor 1900 of ruilverkavelingsplannen, geven voldoende aanknopingspunten. Belangrijk is ook op regionale karakteristieken en historische dynamiek te letten. In de loop der eeuwen heeft het landschap namelijk vele ontwikkelingen en veranderingen doorgemaakt, niet alleen ná 1850. Soms is het plaggendek afgegraven. Het kan raadzaam zijn om dit dek van zand en plaggen terug te brengen, om zo de archeologische waarde beter te beschermen. Wat betreft essen is er verschil in opvatting over de interne verdeling. De grote open complexen zouden ooit onderverdeeld kunnen zijn geweest in een bewerkt en braakliggend deel. Een manier om beweiding van het braakliggende deel mogelijk te maken is een (tijdelijke) omheining met vlechtwerk. Uit cultuurhistorisch oogpunt is het daarom interessant om dit gebiedsspecifiek te onderzoeken en zo mogelijk te herstellen. Dit vergroot de diversiteit in inrichting en de

historische waarde van de essen. Behoud door ontwikkeling Plattelandsrecreatie biedt kansen voor ontwikkeling van essen en kampen. Zo kan bijvoorbeeld bij kampen herstel van de begroeiing van de perceelranden ten behoeve van een camping bijdragen aan de waarden van het kleinschalig landschap. Deze begroeiing kan ook een rol spelen in het ontwikkelen van ecologische verbindingsassen. Een afwisselend kleinschalig zandlandschap met houtwallen, singels, steilranden en essen is aantrekkelijk voor (fiets)recreatie. Bij landinrichtings- en reconstructieprojecten kunnen de oude structuren van het kampenlandschap sturend zijn. De historische dimensie van het landschap beter wordt zo zichtbaar gemaakt. Nader signalement Akkercomplexen maakten deel uit van een gesloten landbouwsysteem. De productie van mest was binnen dit systeem essentieel. De boeren weidden hun vee op de ‘woeste gronden’ (bos en heide), daar staken ze ook de plaggen. Daarna vermengden ze de plaggen met dierlijke mest om dit op de essen en kampen aan te brengen. Het vee werd bijgevoerd met hooi van de lagergelegen hooilanden. De opbrengst van de akkers was vaak net voldoende om te kunnen overleven.

Deze vorm wordt ook wel plaggenlandbouw genoemd. In welke mate de es is verhoogd, lag sterk aan het soort plaggen en de plaatselijke bodemvruchtbaarheid. Bijvoorbeeld op plaatsen met een lemige ondergrond was plaggen minder noodzakelijk, omdat de bodem vanzelf al meer vruchtbaar was. Op complexen waar veel zandige plaggen zijn opgebracht, vaak in het potstalsysteem, worden essen gekenmerkt door de zogenaamde enkeerdgronden en soms door steilranden. In het zuiden van Nederland heeft over het algemeen meer ophoging plaatsgevonden dan in het noorden. Dit ligt aan de grotere intensiteit van de landbouw en het verschil in bodemvruchtbaarheid. De essen kunnen wel bedekt zijn met 50 tot wel 120 centimeter laag dikke voedselrijke grond. Onderzoek is nog gaande over de ouderdom en dikte van esdekken. Enkele veelgebruikte termen Es De bevolkingsgroei in de volle middeleeuwen (ca 1000-1300) zorgde voor een verandering in de bedrijfsvoering van de boeren op de zandgronden. Het bos werd steeds intensiever gebruikt voor beweiding en transformeerde steeds meer tot een monocultuur van heide. De veestapel groeide en zorgde voor een toename van meststoffen voor de akkers. De

49 | 53

essen leverden een hogere graanopbrengst, zodat de bevolking kon groeien. Met de verstedelijking nam de teelt van handelsgewassen zoals vlas, gerst en hop toe. Vanwege de toegenomen mogelijkheden voor bemesting breidden de complexen zich aanzienlijk uit. Essen zijn waarschijnlijk ontstaan uit een of meerdere kampen waarbij de onderlinge houtranden zijn verdwenen. Van oorsprong waren dit dus geen grootschalige open akkercomplexen. Er ontstonden grote akkerbouwcomplexen met verschillende namen: essen (Drenthe, Overijssel), engen of enken (Utrecht, Gelderland) en velden of akkers (Brabant, Limburg). In Friesland heten ze gaasten. Deze zijn meer verwant aan de Hollandse geesten dan aan essen. Sporadisch komt ook wel de Vlaamse benaming kouters voor. Een es kenmerkte zich vaak door een zekere mate van openheid. Om een es stond in de regel een houtwal (de eswal) tegen vraat door vee of wild. De interne verdeling van een es bestond uit perceeltjes. Ondanks de openheid, kenden essen een kleinschalige en veelal onregelmatige percelering. Als perceelsscheiding werden lage walletjes, stenen of solitaire bomen gebruikt, waardoor de openheid verminderde. De akkers werden dichtbij nederzettingen aangelegd. Het natuurlijk reliëf was hierin bepalend. Op de

hogere delen bevonden zich de akkers, wat lager de weiden en in het beekdal lagen de hooilanden. De rand van een es of kamp wordt in geval van een esdek gemarkeerd door een hoogteverschil ten opzichte van het omliggende land. Vandaar de term bolakker of bolle akker die in Brabant hier en daar gebruikt wordt. Soms komt het hoogteverschil tot uiting in een steilrand. Oude wegen in deze gebieden kenmerken zich door een lage ligging ten opzichte van het opgehoogde omliggende akkerland.

dunnere laag kan namelijk ook het gevolg zijn van een vruchtbaardere ondergrond met een lagere mestbehoefte. Bovendien zijn over het algemeen de dekken minder dik naarmate ze verder van de boerderij gelegen hebben. De kampen waren omgeven door een houtwal of houtsingel om het vee en wild buiten te houden. Kenmerkende gebieden die voornamelijk uit kampen en verspreid liggen boerderijen bestaan zijn de Achterhoek, Twente en de Gelderse Vallei.

Kamp De ontginningen in de vroege middeleeuwen waren veelal eenmansontginningen, de zogenaamde kampen. Op deze kleine percelen werd akkerbouw mogelijk gemaakt door mestopbrengsten van het eigen vee en strooisel. Meestal lagen deze percelen aan of rond een boerderij en waren voor eigen gebruik. In latere tijden begon heide een belangrijkere rol spelen in de bedrijfsvoering en werden er heideplaggen opgebracht. Door deze ontwikkeling zijn de kampen door de jaren heen steeds verder opgehoogd met een mineraalrijke grond en ontstonden de zogenaamde enkeerdgronden. De dikte van deze laag zegt globaal iets van de ouderdom van de akker, maar zeker is dat niet. Een

50 | 53

BIJLAGE 2 OMSCHRIJVING ESSEN EN KAMPEN (LEESTEKENS VAN HET LANDSCHAP) Vervloet, J.A.J. (1988), Kampontginning met plaatselijk essen. Historisch-Geografisch Tijdschrift 6, pp. 11-16: Es, alternatieve namen: Akker, Eng, Enk, Kouter, Veld. Functie: Landbouw Ouderdom: Romeinse Tijd en Vroege Middeleeuwen (12 v.Chr - 1000) Omschrijving: Een es is een aaneengesloten oud bouwlandgebied dat in gebruik is bij verschillende boeren. Ontstaan en functie: Essen zijn open akkercomplexen op de zandgronden van de Veluwe, Salland en de Achterhoek. De kavelscheidingen op een es bestaan uit, nauwelijks zichtbare, greppels, grasstroken of grensstenen. Essen ontstonden in gebieden waarin slechts een deel van het grondgebied geschikt was om bouwland aan te leggen. Meestal liggen essen op de plek met de gunstigste grondwaterstand: op de stuwwallen liggen ze onderaan de helling, elders meestal op de hoogste plekken in het landschap. De aanleg van essen begon in de negende/tiende eeuw en houdt verband met de toen groeiende graanteelt. In de loop van de tijd is het grondbezit op de essen onder meer door erfdeling, vaak zeer sterk versnipperd geraakt. Het ontbreken van heggen of houtwallen binnen de es (hoewel niet altijd het geval), maakt dat ze ondanks

het versnipperde bezit, een grootschalige indruk bieden. Overigens zijn er vroeger wel vaak tijdelijke afscheidingen, zoals hekken, toegepast, bijvoorbeeld als vee na de oogst op de akkers mocht grazen. De es als geheel was omgeven door een houtwal, de eswal, die vee en wild van de akkers moest houden. Essen kunnen in omvang sterk uiteen en lopen. Enerzijds bestaan zeer kleine essen die in gebruik zijn bij slechts twee of drie boeren (als er maar één boer is, spreekt men van een kamp, hoewel ook de term éénmanses wel eens wordt gebruikt) tot bouwlandgebieden van duizenden hectares. Vooral in de lage zandgebieden zijn essen nu nog vaak in het landschap herkenbaar door hun hogere ligging. Deels wordt dit veroorzaakt doordat ze zich bevinden op de hogere delen van het landschap, zoals dekzandruggen. Daarbij zijn de oude bouwlanden op de zandgronden in de loop van de afgelopen eeuwen opgehoogd door het gebruik van plaggenmest: mest die was vermengd met heide- of grasplaggen, zand of bosstrooisel. Ligging en streeknamen: Essen komen voor op de zandgronden van Ooststellingwerf (Friesland), Drenthe, Twente en het Land van Winterswijk (OostGelderland). In Midden-Nederland staan dit soort open akkercomplexen bekend als engen of enken, in Brabant als akkers, in Limburg als velden en in Vlaanderen als kouters.

51 | 53

Kamp Functie: Landbouw Omschrijving: Een kamp is een individuele, blokvormige ontginning, die is omgeven door heggen of houtwallen. Ontstaan en functie: In Nederland worden verschillende soorten kampen aangetroffen. Zij zijn bekend van de kampen- of hoevenlandschappen, in streken met een kleinschalig landschap, waar geen grote aaneengesloten stukken land aanwezig zijn, die geschikt zijn voor de akkerbouw. Hier ontstond een verspreid nederzettingspatroon, met gemengde bedrijfsvoering. Ook in landschappen met essen (en geconcentreerde nederzettingen) worden kampen gevonden. Deze kampen bevinden zich dichtbij of verspreid tussen de bebouwing. Het zijn huiskampen, waar de boer het jongvee liet weiden. Ligging en streeknamen: Het hoevenlandschap vinden we in Twente, de Achterhoek en op de zuidelijke zandgronden. De huiskampen (ook huiswoerd geheten) vinden we op de zandgronden waar essen voorkomen, bijvoorbeeld in Drenthe.

52 | 53

LEEUWARDEN - GRONINGEN - ROTTERDAM - DEVENTER - MIDDELBURG - EINDHOVEN

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15966076/1