CConstaterende datVoorst
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan - toelichting, regels en bijlagen (2022-14664 bestemmingsplan toelichting, regels en bijlagen

gemeenteraad 16 mei 2022, gemeente VoorstBij agendapunt: Bestemmingsplan Middendijk 26, Nijbroek (2022-14464)26.555 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Bestemmingsplan Middendijk 26, Nijbroek Planfase vastgesteld

M iddendijk 26, Nijbroek Deze standaard is gebaseerd op de SVBP 2012 (18 april 2012)

Middendijk 26, Nijbroek

Inhoudsopgave

Toelichting

5

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Het plangebied 1.3 Doel

5 5 5 7

Hoofdstuk 2 Analyse plangebied 2.1 Het landschap en bebouwde omgeving 2.2 Het erf 2.3 Uitgangspunten

8 8 9 11

Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Inleiding 3.2 Rijksbeleid 3.3 Provinciaal beleid 3.4 Regionaal beleid 3.5 Gemeentelijk beleid

13 13 13 14 17 17

Hoofdstuk 4 Planopzet 4.1 Inleiding 4.2 Uitgangspunten 4.3 Het ontwerp

19 19 19 19

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.1 Inleiding 5.2 Milieu-onderzoeken 5.3 Ecologie 5.4 Archeologie 5.5 Verkeer en parkeren 5.6 Water 5.7 Economische uitvoerbaarheid

29 29 29 32 33 34 35 35

Hoofdstuk 6 Juridische planopzet 6.1 Inleiding 6.2 Planregels 6.3 Bestemmingen 6.4 Flexibiliteit in het bestemmingsplan

36 36 36 37 39

Hoofdstuk 7 Overleg en inspraak 7.1 Uitkomsten overleg 7.2 Zienswijzen

41 41 41

Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3

43 44 99 103

Archeologisch onderzoeksrapport Watertoets Verkennend bodem- en asbestonderzoek

Regels

235

Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2

Inleidende regels Begrippen Wijze van meten

236 236 240

Hoofdstuk 2 Artikel 3

Bestemmingsregels Agrarisch met waarden - Landschap

241 241

2

Middendijk 26, Nijbroek

Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9

Wonen Groen Waarde - Archeologie - 1 Waarde - Archeologie - 5 Waarde - Landschap Leiding - Hoogspanningsverbinding

243 245 246 248 250 251

Hoofdstuk 3 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13

Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene afwijkingsregels Algemene procedureregels

253 253 254 255 256

Hoofdstuk 4 Artikel 14 Artikel 15

Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel

257 257 258

Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3

Functieveranderingsplan Landschapsplan Staat van Bedrijfsactiviteiten

259 260 283 287

3

Middendijk 26, Nijbroek

4

Middendijk 26, Nijbroek

T oelichting Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

In 2018 is door inwoners van het gebied Polder Nijbroek samengewerkt met de gemeente Voorst om een toekomstbeeld te schetsen voor de polder. Na het opstellen van het toekomstbeeld ‘Door grond verbonden’ zijn drie werkgroepen aan de slag gegaan met de thema's Wonen, Eigen Regie en Een rijk landschap. Tijdens de werkgroepen ontstond een kans om de drie werkgroepen te combineren in één project. Door crowdfunding uit het gebied is het voorliggende perceel eigendom geworden van de door de lokale bevolking opgerichte gebiedscoöperatie Polder Nijbroek. De gebiedscoöperatie Polder Nijbroek heeft een plan ingediend om op het perceel Middendijk 26 in Nijbroek functieverandering toe te passen. De voormalige boerderij, waarvan alleen de funderingen nog zijn overgebleven, is in 2014 verwoest door een brand. Om deze reden kent het perceel momenteel geen adressering. De oude agrarische bebouwing verkeert in slechte staat en wordt afgebroken. Het plan is om het voormalige agrarische erf te herontwikkelen naar kleinschalige woningbouw. Het perceel heeft in het huidige bestemmingsplan Buitengebied de bestemming Agrarisch en de dubbelbestemmingen Waarde - Landschap en Waarde - Archeologie - 1 & 5. Het perceel is gelegen op een landelijke locatie, ten zuidoosten van de kern Nijbroek. Binnen deze regels is het ontwikkelen van kleinschalige woningbouw niet mogelijk.

Om het plan te kunnen realiseren moet een nieuw bestemmingsplan worden vastgesteld.

1.2

Het plangebied

De situering van het plangebied in de omgeving is weergegeven in afbeelding 1. Het plangebied ligt ten zuidoosten van de kern Nijbroek, aan een eigen (doodlopende) weg aan de Middendijk. In afbeelding 2 is een luchtfoto van de bebouwing op het plangebied opgenomen. Het plangebied staat kadastraal geregistreerd als gemeente Nijbroek, sectie B, nummers 168, 959, 960, 965, 966, 1070, 1129, 1130, 2187, 2188, 2189 en 2190.

5

Middendijk 26, Nijbroek

Af beelding 1 - Plangebied in de omgeving (rood omlijnd).

Af beelding 2 - Luchtfoto van de bebouwing op het perceel.

6

Middendijk 26, Nijbroek

1.3

Doel

Doel van onderliggend bestemmingsplan is het ontwikkelen van een juridisch-planologisch kader om de extra woningen op het perceel aan de Middendijk 26 mogelijk te maken. Deze woningen komen ter vervanging van de voormalige agrarische opstallen en zorgen voor een kwaliteitsverbetering van het erf en het omliggend landschap.

7

Middendijk 26, Nijbroek

Hoofdstuk 2 2.1

Analyse plangebied

Het landschap en bebouwde omgeving

Het plangebied aan de Middendijk 26 ligt in het zogenaamde cope-ontginningenlandschap. Cope-ontginningen zijn normaliter agrarische veenontginningen. De Polder Nijbroek daarentegen is geen veenontginningenlandschap en volgt alleen de ontginnings- en verdelingsmethode die bij cope-ontginningen hoort. Bij cope-ontginningen gaat het om gebieden die in opdracht van de graven van Holland en de bisschoppen van Utrecht in de periode 950-1300 zijn ontgonnen. De kavels hebben vaste afmetingen en zijn op de kaart goed te herkennen. Het vanaf 1328 ontgonnen Nijbroekse cope-landschap is buiten het Zuid-Hollands/Utrechts veenweidegebied vrijwel de enige vindplaats van dit zogenaamde cope-landschap. Grote delen hebben nog steeds het karakteristieke patroon van lengtesloten die op een regelmatige afstand van 30, 60 of 90 meter parallel landinwaarts lopen. De percelen worden dan ook gekenmerkt door hun smalle en lange vorm, waarbij de percelen vanaf de Middendijk in oostelijke en westelijke richting landinwaarts georiënteerd zijn. Dit verkavelingstype noemen we ´strookverkaveling´. Verder is uit de topografische kaart af te leiden dat er overwegend landbouw voorkomt, maar dat er ook veel hoogstamboomgaarden voorkwamen en perceelsgewijze bossen met hakhout van eik en els. De perceelafscheidingen bestonden vaak uit meidoornhagen.

Historische hakhoutpercelen, hoogstamboomgaarden en houtranden vormen waardevolle cultuurhistorische overblijfselen van het vroegere grondgebruik. De middeleeuwse Middendijk, de voormalige Hanzeweg ter plekke van de Vaassenseweg, de dijken rond de polder als ook de onverharde lokale verbindingswegen in de polder vormen belangrijke cultuurhistorische overblijfselen van de historische infrastructuur en daarmee een kernkwaliteit van de polder Nijbroek. De geschiedenis van het landschap is zichtbaar bewaard gebleven. Onder andere de historische perceelsstructuur is grotendeels intact, de historische bewoningslocaties zijn bewoond gebleven en het met klei bedekte dekzandreliëf is tot op vandaag aanwezig. Het omringende landschap kenmerkt zich als een relatief open agrarisch landschap met graslanden, akkers, sloten en bomenrijen. Boerderijkavels liggen onregelmatig verspreid langs de wegen. Rondom het perceel Middendijk 26 liggen agrarische percelen in de vorm van afwisselende graslanden en akkers met verspreid diverse agrarische bedrijven. Het landschap is open van karakter. In de directe omgeving van het plangebied bevindt zich in het zuidoosten natuurgebied ´De Meintjes´. Het natuurgebied bestaat uit voormalige kleiputten waar klei gewonnen is ten behoeve van steengaasfabricage.

De kleiputten zijn in de loop der tijd vol komen staan met water, waardoor zich een waterrijk natuurgebied heeft gevormd. Het plangebied is gelegen in het buitengebied op relatief korte afstand van de dorpskern Nijbroek. De dorpskern Nijbroek bevindt zich in noordwestelijke richting op 200 meter afstand van het plangebied. Op grotere afstand (2,1 km) bevindt zich in zuidoostelijke richting de dorpskern Terwolde.

8

Middendijk 26, Nijbroek

Af beelding 3 - Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart.

2.2

Het erf

Op oude topografische kaarten is de eerste bebouwing op deze locatie zichtbaar rond het jaar 1850. Op de topografische kaart uit 1850 is te zien dat de boerderij ten zuidoosten van Nijbroek midden in het copeontginningenlandschap heeft gelegen. Tot die tijd was in de omgeving van het plangebied een afwisseling van akkers en graslanden aanwezig. Op de topografische kaart is ten noordoosten van het erf sinds 1917 bebossing waarneembaar. Op het erf zelf is de bebouwing vanaf 1960 fors toegenomen door de schaalvergroting in de landbouw. Op de topografische kaart van 2003 is het erf te herkennen in zijn huidige vorm. De bedrijfswoning vormt hier een uitzondering op. Deze is door een brand in 2014 verwoest. Van oudsher vond de ontsluiting van Middendijk 28 ook plaats via de ontsluiting van Middendijk 26. Het pad volgde hierbij de perceelsgrenzen en daarmee ook het verkavelingspatroon. Middendijk 28 heeft tegenwoordig een eigen ontsluiting en het pad eindigt bij het erf Middendijk 26. Vanaf het erf gaat het pad nu verder totdat het doodloopt op achterliggend perceel.

9

Middendijk 26, Nijbroek

Af beelding 4 - Historische situatie op Middendijk 26 (Topotijdreis, 2021)

Het perceel Middendijk 26 in Nijbroek heeft een totaal oppervlakte van 78.990 m2 . De gezamenlijke oppervlakte aan sloop van de voormalige agrarische opstallen bedraagt 1.210 m2. Het erf kenmerkt zich door grote twee grote bouwvolumes, de voormalige varkensstal en de werktuigenloods. De stal en loods zijn aan weerszijden van het erf gerealiseerd, met de nokrichting parallel aan de verkavelingsrichting van het perceel. Tot 2014 bevond zich aan de zuidkant van het erf naast het bakhuis ook de boerderij, maar deze is in 2014 verwoest door een brand. Alleen de fundering is hier nog van aanwezig. De boerderij stond haaks op een vertakking van het erf met nokrichting parallel aan het verkavelingspatroon. De gelijke kaprichting van alle gebouwen aan het erf komt ook terug in het nieuwe ensemble, evenals de compactheid van het erf.

10

Middendijk 26, Nijbroek

Af beelding 5 - Foto bestaande situatie op het erf met (foto vanuit oosten richting Middendijk genomen).

2.3

Uitgangspunten

Voor het plangebied is een aantal uitgangspunten opgesteld. Hierbij is het functieveranderingsbeleid zoals aangegeven in de notitie Ruimtelijke Kwaliteit Veranderende Erven van de gemeente Voorst de leidraad. Deze notitie geeft aanknopingspunten voor het creëren van een woonerf met de landschappelijke kenmerken van een agrarisch erf. 2.3.1

Conclusies vanuit huidige situatie

Op basis van de huidige situatie kan een aantal conclusies worden getrokken ten aanzien van het landschap en het erf: In de huidige situatie is de erfopzet passend in het strookverkavelingslandschap. De situatie op het perceel verslechterd doordat bebouwing niet is onderhouden sinds de agrarische bedrijfsvoering is verdwenen. De locatie van het afgebrande hoofdgebouw is passend voor een traditionele erfopzet in het strookverkavelingslandschap. Er is sprake van een traditioneel opgezet erf; het hoofdgebouw is gelegen aan de wegzijde, de achterzijde van het hoofdgebouw is het werkgedeelte. Rond het erf komen enkele beeldbepalende bomen voor die passend zijn op een traditioneel erf. Desondanks kan landschappelijk een flinke verbeterslag worden gemaakt. Er is weinig sprake van een relatie tussen het erf en het omliggende landschap, zo zijn de bijvoorbeeld de kavelgrenzen amper beplant. 2.3.2

Uitgangspunten

Het erf wordt heringericht volgens een zestal hoofdprincipes voor agrarische erven: 1. Een erf is een herkenbaar ensemble in het landschap en bestaat uit gebouwen, erfinrichting en 11

Middendijk 26, Nijbroek

beplanting; 2. Een erf bestaat uit gebouwde en niet gebouwde elementen, die mogelijk in verschillende perioden tot stand zijn gekomen en een sterke samenhang vertonen. Er is altijd één hoofdgebouw (de boerderij); 3. De gebouwen op een erf zijn gegroepeerd aan een gemeenschappelijke ruimte; 4. Een erf heeft een 'voor'- en 'achtererf': de sierzijde of vrouwelijke zijde en de werk- of mannelijke zijde; 5. Een erf heeft één duidelijke hoofdentree; 6. Elk erf is vanzelfsprekend verankerd in het landschap door de positie en oriëntatie van gebouwen, erfbeplanting en wandelpaden.

12

Middendijk 26, Nijbroek

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskader

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt het plan getoetst aan de relevante ruimtelijke beleidskaders op rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau.

3.2

Rijksbeleid

3.2.1

Nationale Omgevingsvisie

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI, 2020) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio´s; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen.

Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Onderliggend plan speelt zich af op lokaal niveau en heeft geen duidelijk herkenbare relatie met het ruimtelijk ordeningsbeleid op nationaal niveau. Het realiseren van onderhavige ontwikkeling is primair een provinciale c.q. gemeentelijke verantwoordelijkheid en is daarmee niet in strijd met de uitgangspunten van de Nationale Omgevingsvisie. Bovendien is de beoogde ontwikkeling in lijn met het toekomstperspectief voor stad en dorp uitgewerkt waaraan ruimtelijke initiatieven aan moeten voldoen.

Het plan zorgt voor een bijdrage aan de identitieit van het gebied door de impuls voor het landschap en de bijpassende ontwikkeling van het erf. Het plan is daarmee in lijn met de Nationale Omgevingsvisie. 3.2.2

Ladder duurzame verstedelijking

In de SVIR wordt de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij dient de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling te worden aangetoond. De ladder kent drie treden, die achter elkaar worden doorlopen.

13

Middendijk 26, Nijbroek

Af beelding 6 - Schema Ladder voor duurzame verstedelijking.

Voor woningbouwlocaties geldt volgens de jurisprudentie (uitspraken van de Raad van State) dat 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. Voor wonen is daarmee de lijn dat er vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Gezien de omvang van de ontwikkeling, is de SVIR en de ladder voor duurzame verstedelijking op onderliggend plan niet van toepassing. Het Rijk heeft dan ook geen verdere bemoeienis met de planvorming. Nadere toetsing aan de ladder is om dan ook niet noodzakelijk. 3.2.3

Nationaal Landschap Veluwe

In Nederland zijn 20 'Nationale Landschappen' die elk een unieke combinatie van cultuurhistorische en natuurlijke elementen hebben. De landschappen kenmerken zich door de specifieke samenhang tussen de verschillende onderdelen van het landschap, zoals natuur, reliëf, grondgebruik en bebouwing. Binnen een Nationaal Landschap is ruimte voor sociaal-economische ontwikkelingen, mits de bijzondere kwaliteiten van het gebied behouden blijven of -beter nog- worden versterkt. Plannen voor grootschalige nieuwbouwwijken, bedrijventerreinen en infrastructurele projecten passen hier dan ook niet binnen. De bouw van woningen om de eigen bevolkingsgroei op te vangen is in principe wel mogelijk. Voor specifieke gebieden in een Nationaal Landschap gelden extra, al bestaande, beschermende maatregelen. Te denken valt aan de Natuurbeschermingswet voor natuurgebieden, de Natuurschoonwet voor landgoederen en de Monumentenwet voor historische gebouwen of dorpsgezichten. Het plangebied aan de Middendijk 26 in Nijbroek valt binnen het Nationaal Landschap Veluwe. Dit Nationaal Landschap heeft de volgende kernkwaliteiten: schaalcontrast van zeer open naar besloten actieve stuifzanden; de grootte en aaneengeslotenheid van het bos. De provincies zijn verantwoordelijk voor het beleid voor de Nationale Landschappen, zie onder 3.3.2.

3.3

Provinciaal beleid

3.3.1

Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

De provincie heeft haar ruimtelijk beleid vastgelegd in de Omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland' die op 19 december 2019 vastgesteld door Provinciale Staten van Gelderland. De Gelderse Omgevingsvisie is een integrale visie, niet alleen op het gebied van de ruimtelijke ordening, maar ook voor waterkwaliteit en veiligheid, bereikbaarheid, economische ontwikkeling, natuur en milieu, inclusief de sociale gevolgen daarvan. De Omgevingsvisie is de vervanger van het streekplan en enkele andere structuurvisies. 14

Middendijk 26, Nijbroek

De titel van de Gelderse Omgevingsvisie is Gaaf Gelderland. Gaaf kent twee betekenissen. Enerzijds gaat gaaf in op de schoonheid van het landschap en de historie. Anderzijds heeft gaaf betrekking op de vernieuwing binnen Gelderland. De ambitie van Gelderland is het in stand houden van het landschap en de cultuurhistorische waarde. In de Omgevingsvisie staat een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal.

Af beelding 7 - Overzicht Omgevingsvisie Gelderland.

De provincie Gelderland gaat hierbij uit van het toevoegen van waarde in en aan de provincie door vanuit een brede blik te focussen. Vertrekkend vanuit de unieke kwaliteiten van de Gelderse streken en steeds weer verschillende belangen en bovenregionale mogelijkheden afwegen. De focus ligt op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Met behulp van 7 onderwerpen wordt hier richting aan gegeven: Energietransitie Klimaatadaptatie Circulaire economie Biodiversiteit Bereikbaarheid Economisch vestigingsklimaat Woon- en leefklimaat - Gezond en veilig. Dat is een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat is voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En, dat is aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid. - Schoon en welvarend. Dat is een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat is ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En, dat is het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie. Onderliggend plan past binnen de omgevingsvisie Gaaf Gelderland.

De bestaande cultuurhistorische waarde van het landschap Polder Nijbroek blijft behouden en wordt door de nieuwe ontwikkeling versterkt. Het landschap krijgt een impuls zowel op als rondom het erf. Het perceel wordt landschappelijk ingepast, door de aanplant van passende vegetatie wordt de verkavelingsstructuur in de Polder Nijbroek benadrukt. Daarbij wordt hiermee de biodiversiteit verbeterd. Maatschappelijk draagt het daarnaast bij aan de vraag naar woonruimte in Nijbroek. Het voedselbos/de bongerd draagt bij aan korte ketens. 15

Middendijk 26, Nijbroek

3.3.2

Omgevingsverordening Gelderland

In de Omgevingsverordening Gelderland staan regels beschreven, welke ervoor moeten zorgen dat de Omgevingsvisie Gelderland ook daadwerkelijk kan worden uitgevoerd. De omgevingsverordening dient dan ook als een juridisch instrument en beperkt zich tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. Daarmee dient de omgevingsverordening als een toetsingskader bij het opstellen van nieuwe ruimtelijke plannen zoals een bestemmingsplan of een uitgebreide afwijkingsprocedure in het kader van de omgevingsvergunning. Voor nieuwe woonlocaties stelt de Omgevingsverordening Gelderland (artikel 2.1) dat in een bestemmingsplan nieuwe woonlocaties en de daar te bouwen woningen slechts worden toegestaan wanneer dit past in de regionale woonagenda. De onderliggende woningbouwontwikkeling is meegenomen in de woningbouwprogrammering. Hiermee past het initiatief binnen de regionale woonagenda. Daarnaast kent de verordening verschillende kaartlagen waaraan regels zijn verbonden: Windenergie, Luchtvaart, Landbouw, Glastuinbouw, Natuur, Natura2000-gebied, Landschap, Water en milieu en Erfgoed. De locatie is aangeduid als 'intrekgebied'.

Gebieden met deze aanduiding mogen geen bestemming krijgen die de winning van fossiele energie zoals aardgas, aardolie, schaliegas en steenkoolgas mogelijk maakt. Daarnaast gelden er beperkingen voor vestiging van glastuinbouwbedrijven. Van dergelijke ontwikkelingen is met het plan geen sprake. Voorliggend plan voorziet in een ontwikkeling binnen het Nationaal Landschap De Veluwe. Een bestemmingsplan voor gronden binnen een Nationaal landschap maakt alleen bestemmingen mogelijk die de kernkwaliteiten van een Nationaal Landschap die de kernkwaliteiten niet aantasten. Binnen het nationale landschap De Veluwe, valt onderliggende locatie binnen het deelgebied Noordelijke IJsselvallei. Voor dit deelgebied gelden de volgende kernkwaliteiten: Gave gradiënt en ensemble van kom – oeverwal – uiterwaard; Karakteristiek grootschalig open komgebied met weidebouw, doorsneden door lange zuid-noord lopende weteringen. Het komgebied is opgesloten door aan de westzijde de wat hogere gronden richting Veluwe, en aan de oostzijde de oeverwallen. De ontwatering geschiedt niet naar de, aan de overzijde van de oeverwal gelegen, IJssel, maar via de lange weteringen door het zeer licht naar het noorden hellende gebied, tot het benedenstrooms bij Hattem (buiten het Waardevol landschap) in de IJssel komt.

Fijnmazige rechthoekige verkaveling haaks op de weteringen, boerderijen in linten langs de weteringen, weinig bebouwing. a. Weteringen scheiden de verschillende broeken, die elk variëren op de hoofdkarakteristiek van de strookvormige verkaveling haaks op de weteringen, met verschillen in richting en schaal. Deze structuur gaat terug op middeleeuwse broekontginning die in verschillende coalities plaatsvond met kerk, adel en boer. b. Over het algemeen vormen sloten de perceelsgrenzen. c. De boerderijen staan deels in linten, deels verspreid aan de rand van het gebied. Karakteristieke kleinschalige oeverwal met afwisseling van buurtschappen en verspreide bebouwing, grasland en bouwland, onregelmatige blokverkaveling en houtsingels tussen de landwegen. Deze oeverwallen liggen bij Terwolde en Vorchten / Veessen. Boerderijen in buurtschappen en verspreid rond het oude bouwland. Rond Nijbroek markante veertiende-eeuws verkavelings- en slotenpatroon (slagenverkaveling); Vrij uitzicht vanaf de dijk over het binnendijkse landschap en rivier met uiterwaarden; Rust, ruimte, donkerte. Met onderliggend plan wordt de kenmerkende verkavelings- en slotenpatroon rondom Nijbroek versterkt. Geconcludeerd wordt dat het plan past binnen de Omgevingsverordening Gelderland.

16

Middendijk 26, Nijbroek

3.4

Regionaal beleid

3.4.1

Regionale Structuurvisie Stedendriehoek 2030

De gemeenten in de regio Stedendriehoek (met de steden Apeldoorn, Deventer en Zutphen) hebben gezamenlijk een regionale structuurvisie opgesteld. In deze visie heeft de regio ruimtelijk beleid ontwikkeld voor de lange termijn (2030). De doelstelling hierbij is het behouden en versterken van de samenhang en variatie in woon-, werk- en recreatiegebieden, met het gelijktijdig ontwikkelen van nieuwe kwaliteiten in water, natuur, landschap en landbouw. De Stedendriehoek ontwikkelt zich zo in hoog tempo van een verband tussen drie steden naar een samenhangende stedelijke regio, met een groen middengebied en een groene omgeving. De Regionale Structuurvisie heeft de formele status van Intergemeentelijk Structuurplan. Dit betekent dat de structuurvisie richtinggevend is voor de ruimtelijke ontwikkeling. De visie doet geen uitspraken over het beleidsthema functieverandering. 3.4.2

Waar de stallen verdwijnen: Oude erven, nieuwe functies

Zoals in paragraaf 3.3.1 aangegeven laat de provincie Gelderland het aan regionale samenwerkingsverbanden over om een regionale invulling te geven aan het beleidskader voor functieverandering van agrarische gebouwen. De gemeente Voorst heeft samen met de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Lochem en Zutphen het regionaal beleidskader 'Waar de stallen verdwijnen: Oude erven, nieuwe functies' opgesteld. Inmiddels legt de provincie de verantwoordelijkheid volledig bij de regio en vraagt geen apart beleidskader meer om door de provincie vast te stellen. De notitie 'Waar de stallen verdwijnen: Oude erven, nieuwe functies' vormt nog steeds het regionaal beleidskader. Dit beleidskader is in 2014 is op het onderdeel maximaal toegestane maatvoering aangepast. Het beleidskader stelt primair als doel bij functieverandering een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. De regeling voor functieverandering geldt niet alleen voor vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen (met een agrarische bestemming) maar ook voor eerder vrijgekomen agrarische bedrijfsgebouwen waarvan de bestemming reeds is omgezet (bijv. wonen). Het beleidskader omschrijft welke regels de gemeenten in de Stedendriehoek willen hanteren bij functieverandering van vrijgekomen en vrijkomende agrarische gebouwen in het buitengebied.

Functieverandering zorgt per saldo voor minder steen in het buitengebied door het slopen van overbodige stallen en schuren en voor een aantrekkelijke vormgeving en (groene) inpassing van nieuwe functies op de plaats van die stallen en schuren. Conform het beleidskader vertaalt onderhavig plan zich tot twee extra woningen (van maximaal 750 m3) op het perceel. Binnen deze maximale volume is gekeken naar een vernieuwende woonvorm. Het ontwerp getuigt van hoge architectonische kwaliteit, de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing wordt afgebroken, cultuurhistorisch waardevolle landschapselementen worden teruggebracht in het landschap en er wordt veel natuur toegevoegd. Door de grote ruimtelijke en maatschappelijke winst die wordt behaald met het plan is binnen het woonvolume van 1.500 m3 ruimte geboden voor vier woningen. Het totaal aantal woningen binnen het plan komt daarmee op vijf. De ontwikkeling is door de Coöperatie Polder Nijbroek uitgewerkt in een beeldkwaliteits-/erfinrichtingsplan. Dit is een integraal plan voor het totale nieuwe erf en het omliggende landschap en is als Bijlage 1 bij de regels gevoegd.

3.5

Gemeentelijk beleid

3.5.1

Ruimtelijke Toekomstvisie Voorst

Op 18 december 2017 heeft de gemeente Voorst de Ruimtelijke Toekomstvisie Voorst (RTV) 'Kwaliteit,Verbinding en Duurzaamheid' vastgesteld. Deze Ruimtelijke Toekomstvisie is vooruitlopend op de nieuwe Omgevingswet (treedt naar verwachting in 2022 in werking) opgesteld. Met de Omgevingswet wordt het ruimtelijke beleid dynamischer opgesteld, meer ontwikkelingsgericht. Participatie speelt hierbij een belangrijke rol. De rol van de overheid is aan het veranderen. Inwoners en ondernemers krijgen een grotere rol in het ruimtelijk beleid. Met de nieuwe Omgevingswet krijgen initiatieven vanuit de samenleving waar mogelijk meer ruimte. De taak van de gemeente richt zich voornamelijk op het afwegen van alle belangen. De RTV 'Kwaliteit, Verbinding en Duurzaamheid' heeft een dubbele doelstelling. Enerzijds zijn bij de 17

Middendijk 26, Nijbroek

totstandkoming van de RTV doelen bepaald met de samenleving en hoe deze behaald moeten worden. Aan de andere kant dient de visie ook als toetsingskader voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Centraal in het ruimtelijk beleid van de gemeente Voorst staat dan ook onze eigen identiteit. Nieuwe ontwikkelingen moeten hierbij aansluiten en waar mogelijk versterken. Onder identiteit wordt verstaan: diversiteit en kwaliteit van de landschappen in de gemeente, de bijzondere monumenten en rijke cultuurhistorie, de dorpse schaal van de kernen, de menselijke maat en de krachtige sociale samenhang in de gemeente. Ook duurzaamheid maakt een onderdeel uit van de identiteit. Het gaat dan om de wens en de noodzaak om de ruimtelijke, economische en sociale kwaliteiten toekomst bestendig te maken. Op basis van de identiteit zijn in Ruimtelijke Toekomstvisie Voorst de volgende thema's geformuleerd: Wonen, leefbaarheid en sociale cohesie; Werken, innovatie en recreatie; Omgeving en landschap; Energie en klimaat. Een belangrijk uitgangspunt uit de toekomstvisie is dat bij nieuwe ontwikkelingen het landschap de drager is. Daarnaast geldt dat bij woningbouwontwikkelingen wordt gebouwd naar behoefte, gericht op kwaliteit en (in)passend in de omgeving. Met onderliggend plan wordt ingespeeld op een lokale woningbouwbehoefte.

Het plan versterkt daarbij zowel het unieke landschap van Nijbroek en past binnen de dorpse schaal van Nijbroek. Het plan draagt hiermee bij aan de identieit van de gemeente Voorst. Geconcludeerd wordt dat het plan past binnen de uitgangspunten van de Ruimtelijke Toekomstvisie Voorst. 3.5.2

Beleid functieverandering

Het regionale beleidskader voor functieverandering (zie paragraaf 3.4.2) biedt in hoofdlijnen het gemeentelijk toetsingskader bij aanvragen om functieverandering. Verevening moet bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van het perceel of de omgeving daarvan. Per plan wordt bekeken op welke manier en in welke mate verevening plaatsvindt. Hierbij is de maatschappelijke meerwaarde steeds leidend.

18

Middendijk 26, Nijbroek

Hoofdstuk 4 4.1

Planopzet

Inleiding

De aanleiding voor het opstellen van dit bestemmingsplan is het planologisch mogelijk maken van het nieuwe hoofdvolume (de voormalige boederij) met de schuurwoningen op het perceel Middendijk 26 in Nijbroek. Dit gebeurt in het kader van functieverandering waarbij het creëren van maatschappelijke meerwaarde en landschappelijke versterking centraal staan. De voormalige agrarische bebouwing wordt gesloopt, het erf en het omliggende landschap worden verfraaid en er worden 4 extra woningen toegevoegd. Deze extra woningen passen binnen de volumevoorwaarden uit het functieveranderingsbeleid (twee extra woningen, maximaal 1.500 m3). Functieverandering zorgt per saldo voor minder steen in het buitengebied door het slopen van overbodige stallen en schuren en voor een aantrekkelijke vormgeving en (groene) inpassing van nieuwe functies op de plaats van die stallen en schuren.

4.2

Uitgangspunten

Het is de bedoeling om middels functieverandering een bijdrage te leveren aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit door sloop van de gebouwen (ontstening) en door middel van landschappelijke inpassing op het perceel en de begrenzing ervan. De uitgangspunten voor het functieveranderingsplan zijn dan ook gebaseerd op de landschappelijke kwaliteit van het gebied en de bebouwingstypologie van de streek. Hierbij wordt, naast landschappelijke winst, de kwaliteitswinst behaald door het behoud en herstel van de historische boerenplaats als karakteristiek element. De erfinrichting, positionering, volumeopbouw en materialisering van de woningen op het erf geven het totaalplan de uitstraling van een eigentijds woonerf dat refereert naar de oorspronkelijke agrarische functie. De grondslag hiervoor wordt gevormd door de analyse van het plangebied (zie Hoofdstuk 2). Vanuit het Landschapsontwikkelingsplan IJsselvallei zijn de volgende punten van toepassing: Plaatselijk worden de veenontginningen versterk met erfbeplantingen en heggen. Het kenmerkende regelmatige verkavelingspatroon het veenontginningenlandschap wordt in stand gehouden of versterkt. Rond grootschalige bebouwing wordt het landschap versterkt door toevoeging van erfbeplantingen en kavelbeplantingen. Binnen de veenontginningen moet strategisch worden omgegaan met openheid.

Er dient rekening te worden gehouden met eisen vanuit het milieu (zie paragraaf 5.2.5)

4.3

Het ontwerp

Voor het perceel is een zogenaamd functieveranderingsplan opgesteld. Dat ruimtelijke uitwerking van het plan is als Functieveranderingsplan bij de regels van dit bestemmingsplan opgenomen. Dit functieveranderingsplan geeft een totaalbeeld van de nieuwe ontwikkelingen zowel wat betreft de bebouwing als wat betreft het groen en de verhardingen. De specifieke aanplant op het perceel is verder uitgewerkt in het Landschapsplan. Op de locatie van de voormalige boerderij wordt een meer eigentijdse vrijstaande woning gerealiseerd. Deze woning mag maximaal 750 m3 zijn, bij een hoge architectonische en landschappelijke kwaliteit mag hiervan (in beperkte mate en onder voorwaarden) worden afgeweken. Door de bouw van de vrijstaande woning naast het schuurvolume wordt de herkenbaarheid van het erf hersteld, waarbij de vrijstaande woning het hoofdgebouw vormt. Qua positionering van dit hoofdgebouw wordt uitgegaan van dezelfde oost-westoriëntatie waar alle gebouwen aan het erf aan voldoen. De vormgeving van de schuurwoning is sober van aard, waarbij materiaal- en kleurgebruik refereren aan agrarische bijgebouwen. Voor het erf aan de Middendijk 26 zijn de volgende ruimtelijke uitgangspunten en randvoorwaarden van toepassing: De boerderijwoning en het schuurvolume vormen een duidelijk ensemble. De gebouwen staan in 19

Middendijk 26, Nijbroek

dezelfde lengterichting als het slagenlandschap. De gebouwen hebben een eenduidige hoofdmassa en zijn passend qua maat en schaal in het landschap. Het erf, waar de beide woningen aan liggen, heeft het karakter van een achtererf en is sober en functioneel ingericht. De bestaande bomen blijven gehandhaafd. De nieuwe beplantingselementen zijn passend in het slagenlandschap en bestaan uit heggen en hagen, hoogstamboomgaard, knotbomen en solitaire bomen. De detaillering, het kleur- en materiaalgebruik van alle elementen op het erf zijn sober en ingetogen (donkere tinten, natuurlijke materialen).

Af beelding 8 - Plattegrond erf Middendijk 26.

In totaal biedt het plan woonruimte voor de huisvesting van 5 huishoudens. De vrijstaande woning biedt ruimte voor 1 huishouden, waar in het schuurvolume ruimte is voor 4 huishoudens. Deze schuurwoningen zijn vormgegeven als een geheel. Aangezien er meerdere huishoudens op het perceel komen te wonen is privacy een belangrijk aspect in het ontwerp. Door op erfafscheidingen hagen aan te planten ontstaan afgeschermde tuinen, voor een beperkt gedeelte zijn bij de schuurwoningen een schutting toegestaan om de privacy te waarborgen. Het kleine gedeelte zorgt ervoor dat de landschappelijke kwaliteit hoog blijft. Richting het landschap worden struweelhagen aangeplant, met her en der doorzichten richting het open landschap. De privacy van bewoners wordt zo op een landschappelijk passende manier gewaarborgd. Het voorhuis van de hoofdwoning vormt het formele gezicht naar de rijweg; het achterhuis sluit aan bij het informele en functionele karakter van het gemeenschappelijke erf. De entree van de hoofdwoning wordt formeel ontsloten via een toegangspad aan de noordzijde van de woning, wat het voorhuis en de entree verbindt met het gemeenschappelijke erf. De oriëntatie van de tuin en het terras van deze woning liggen op het zuidwesten. Dit komt ten goede van de te waarborgen privacy. De entree van de schuurwoningen vindt plaats via het gemeenschappelijke erf.

De tuin en het terras zijn gesitueerd ten zuiden van de schuurwoningen. In de volgende subparagrafen wordt een nadere toelichting gegeven op het ontwerp.

20

Middendijk 26, Nijbroek

4.3.1

De bebouwing

Vanuit de gedachte dat functieverandering per saldo verstening in het landschap moet doen afnemen, wordt het bebouwingsoppervlak verkleind door sloop van de bestaande stallen. Hiermee wordt het slagenlandschap benadrukt. Op de slag zelf wordt op locatie van de stal een schuurvolume gerealiseerd. Daarnaast wordt door de realisatie van een vrijstaande woning op locatie van de afgebrande boerderij, het 'hoofdgebouw' teruggebracht op het perceel. Om hier aan mee te werken is een hoge bebouwingskwaliteit een voorwaarde. Om op voorhand vast te leggen dat toekomstige bebouwing aan deze eis voldoet, zijn richtlijnen vastgelegd in een Functieveranderingsplan. In dit beeldkwaliteitsplan zijn onder andere de inrichting van het erf, de positionering van de woningen en de architectonische eisen met materiaalgebruik vastgelegd. Dit functioneert als richtinggevend kader voor de uitvoerende partijen, waarmee op voorhand een hoge bebouwingskwaliteit wordt gegarandeerd. De positionering van de woningen op het erf, en de ontsluiting hiervan zijn al kort behandeld in de inleiding van dit hoofdstuk. Deze zullen verder worden toegelicht in paragraaf 4.3.2. In het beeldkwaliteitsplan komen de architectonische richtlijnen ter sprake. Deze zijn van toepassing op de drie nieuw te realiseren gebouwen, namelijk de vrijstaande woning (het 'hoofdgebouw'), de schuurwoningen en de kapschuur.

Af beelding 9 - Weergav e bouwv olumes op op het erf Middendijk 26

Hoofdwoning Op de locatie van de in 2014 afgebrande boerderij, wordt een nieuwe vrijstaande woning gerealiseerd. Als 'hoofdgebouw' van het perceel refereert de bebouwing aan het streekeigen boerenerf, waarbij het voorhuis van de woning op de Middendijk is georiënteerd, en het achterhuis op het erf. De vrijstaande woning onderscheid zich op meerdere manieren van de andere, aan het erf te realiseren bijgebouwen. Dit onderscheid wordt onder andere behaald door af te wijken in materiaal, vorm en kleur van de bijgebouwen op het erf. Naast onderscheid tussen de hoofdwoning en de bijgebouwen, zal er ook onderscheid zijn tussen het voorhuis en het achterhuis van de hoofdwoning. Door het voorhuis qua materialen en/of detaillering te laten verschillen van het achterhuis aan de erfzijde, wordt gerefereerd aan de traditionele bouw van boerderij in de omgeving van het plangebied. Hierbij is het bedrijfsdeel van de boerderij gelegen aan het werkerf en functioneel/sober vormgegeven. Door te differentiëren in materiaalgebruik en detaillering ontstaat een soortgelijke vormgeving waarbij een eigentijdse referentie aan deze traditionele bouwstijl wordt gemaakt. Daarnaast zorgt een hogere maximale nokhoogte van 11 meter ook voor onderscheid 21

Middendijk 26, Nijbroek

tussen de hoofdwoning en de bijgebouwen. De maximale nokhoogte van bijgebouwen wordt begrenst op 9 meter, waarmee deze ondergeschikt zijn aan de hoofdwoning. Desondanks zullen er ook overeenkomsten zijn tussen de hoofdwoning en de bijgebouwen. Zo wordt de woning vormgegeven met een zadeldak zonder wolfseind, met grote en gesloten dakvlakken. Er ontstaat zo een eenvoudige hoofdvorm, welke ook te herkennen is bij de schuurwoningen en het bijgebouw. De kap van de woning kan zowel symmetrisch als assymetrisch zijn. De hoofdwoning zal dus duidelijk het hoofdgebouw moeten vormen door andere hoofdmaterialen en/of -kleuren te gebruiken. Dit zal wel in samenhang met schuurwoningen en het bijgebouw moeten zijn. Zo kan de gevel worden uitgevoerd in metselwerk en/of hout, waar dakbedekking plaatsvindt met gebruik van pannen, metalen plaatmateriaal of riet. Hierin moet aandacht zijn voor de streekeigen kleuren in het metselwerk. De roodtint staat hierin centraal.

22

Middendijk 26, Nijbroek

Af beelding 10 - Sf eerimpressie stedenbouwkundige kwaliteit (1)

Schuurwoning 23

Middendijk 26, Nijbroek

Ten oosten van de hoofdwoning worden aan het gemeenschappelijk erf vier schuurwoningen gerealiseerd. Deze schuurwoningen worden gerealiseerd binnen één bebouwingsvolume. Het gebouw wordt gekenmerkt door een lange asymmetrische kap, waarmee in het ontwerp wordt gerefereerd aan de kapschuurtypologie. De lage goot is georiënteerd op de 'achterzijde' van het bebouwingsvolume, richting het landschap in de polder Nijbroek. De hoge goot vormt een deel van de voorgevel van de schuurwoningen, welke direct grenst aan het gemeenschappelijke erf. Het bebouwingsvolume is daarnaast een eenduidige hoofdvorm zonder uitbouwen waarin gebruik wordt gemaakt van insnedes ten behoeve van zichtassen, terrassen entree en overstekken. De eenduidige hoofdvorm blijft hierdoor behouden. Een impressie van deze insnedes is weergeven op bovenstaande afbeelding. Zowel in ontwerp als in kleurstelling wordt de kapschuur vormgegeven volgens de kapschuurtypologie. De asymmetrische dakvlakken zijn groot en gesloten, en het zadeldak heeft geen wolfseind. Met een maximale nokhoogte van 9 meter is het volume daarnaast duidelijk ondergeschikt aan de vrijstaande hoofdwoning. De schuurwoningen worden vormgegeven in één materialen- en kleurencombinatie waarbij gebruik kan worden gemaakt van schuurmaterialen als houten gevels en (matte) pannendak of metalen plaatmateriaal als dakbedekking.

Hier wordt een eigentijdse invulling aan gegeven. Er moet daarbij sprake zijn van samenhang tussen bijgebouwen in het ontwerp en bij gebruik van materialen. Bijgebouw Naast de schuurwoningen zal er ten behoeve van parkeren en opslagruimte door bewoners ook een bijgebouw worden gerealiseerd aan het gemeenschappelijk erf. Het bijgebouw, wat door de bewoners gebruikt kan worden als overdekte parkeerruimte, zal veel gelijkenissen vertonen met de schuurwoningen. Daarnaast neemt ook de gebiedscoöperatie een gedeelte van het gebouw in gebruik. Er is onder andere een gelijkenis waarneembaar in het ontwerp en het materiaalgebruik. De voor de kapschuur typische asymmetrische kap zal aanwezig zijn in het ontwerp, waarbij het dakvlak groot en gesloten is, zonder wolfseind. De nokhoogte zal maximaal 9 meter bedragen, waarmee deze ondergeschikt is aan de hogere kap op de vrijstaande woning. In de keuze voor bouwmaterialen wordt ook hier gebruik gemaakt van traditionele schuurmaterialen als houten gevels met keramisch pannendak of plaatmateriaal als dakbedekking. Ten slotte zal het bijgebouw één kleurencombinatie krijgen welke overeenkomt met de gebruikte kleurstelling van de schuurwoningen. In grote lijnen vertoont het bijgebouw in bouwvolume en uitstraling gelijkenissen met de schuurwoningen.

De onderlinge variatie wordt aangebracht door insneden in de volumes, welke hun functie hebben vanuit het bepaalde programma (entree, garage, veranda e.d.)

24

Middendijk 26, Nijbroek

Af beelding 11 - Sf eerimpressie stedenbouwkundige kwaliteit (2)

25

Middendijk 26, Nijbroek

4.3.2

Erf, tuin en landschap

De samenstelling van de bebouwing op het erf bestaat uit vier hoofdvolumes. Dit zijn het nieuwe hoofdgebouw, de schuurwoningen en twee bijgebouwen. Deze liggen allen aan het gemeenschappelijke erf waar de toegangsweg op aansluit. De woningen en het kleinere bijgebouw zijn aan de zuidkant van het erf/ontsluiting gepositioneerd. Om de leefbaarheid te vergroten is er voor gekozen om het bijgebouw aan de noordkant te positioneren omdat hier aan de zuidkant geen ruimte voor is. Door de geringe breedte van de slag (45 meter) is voor het bijgebouw geen ruimte op het zuidelijk slag. Het gemeenschappelijke erf is ontsloten via de toegangsweg in westelijke richting op de Middendijk. Deze toegangsweg ontsloot ook het voormalige agrarische bedrijf en zal na realisatie van 'Plan 26' dienst blijven doen als hoofdontsluiting. Het gemeenschappelijke erf bestaat uit gebakken elementenverharding in combinatie met grind en/of halfverharding. De verharding loopt door tot aan de gevel van de bebouwing en versterkt daarmee het erfensemble. Ook wordt de verharding op het erf onderbroken door groen ten behoeve van privacy en verhoging van ruimtelijke kwaliteit. Het gemeenschappelijke erf wordt daarbij functioneel en sober ingericht zodat de eenvoudige inrichting bijdraagt aan informeel gebruik van het erf.

Zo wordt de achterzijde van het erf gemarkeerd door 1 of enkele bomen waarbij een bank kan worden geplaatst. De voorzijde heeft de uitstraling van een boerensiertuin door de aanplanting van een boom en lage inheemse hagen.

Af beelding 12 - Impressie van het erf

De erfafscheidingen van de verschillende woonkavels worden geaccentueerd door de aanplant van verschillende hagen, waarbij deze worden aangevuld met struweel/struiken om privacy tussen de verschillende woonkavels te waarborgen. De struweelhagen bestaan onder andere uit de rode kornoelje, de tweestijlige meidoorn en de sleedoorn. Het ten noorden van het erf gelegen perceel (grenzend aan het bijgebouw) wordt aangevuld met meerdere fruitbomen en eventueel moestuinen. De oude boomgaard wordt daarmee landschappelijk versterkt. Ook wordt de bestaande wilgenrij langs het toegangspad op de Middendijk aangevuld om het pad te accentueren.

26

Middendijk 26, Nijbroek

Af beelding 13 - Plattegrond erfinrichtingsplan Middendijk 26.

Het ontwerp, zie afbeeldingen 13 en 14, geeft het totaalbeeld voor de locatie na de functieverandering. Het laat zien waar welke beplanting komt, hoe de nieuwe bebouwing wordt gesitueerd en welke verharding wordt gebruikt.

Af beelding 13 - Uitsnede plattegrond erfinrichtingsplan Middendijk 26

De verschillende percelen behorend bij het plangebied worden landschappelijk ingepast. Het landschapsplan kenmerkt zich door de aanplant van vele (fruit)bomen, (sier)heesters en struweelhagen. De landschappelijke inpassing die onderdeel uitmaakt van het landschapsplan heeft het doel om de oude polderstructuur terug te brengen en te versterken. Ook zal er een poel worden aangebracht ten oosten van het erf. Hiermee wordt de biodiversiteit op het perceel vergroot. Daarnaast worden enkele verdwenen sloten en watergangen teruggebracht in het landschap. Deze vergroten de herkenbaarheid van het landschap. Om de herkenbaarheid in het slagenlandschap te versterken wordt begroeiing op de slagengrenzen versterkt met bomen en hagen. Ten slotte zal ook een wandelpad worden aangelegd in het plangebied. Dit wandelpad wordt aangelegd 27

Middendijk 26, Nijbroek

voor recreatieve doeleinden tussen de Middendijk en de Zeedijk. Dit is ook vastgelegd in het bestemmingsplan Zeedijk 23. Naast de recreatieve meerwaarde vergroot het wandelpad ook de toegankelijkheid en beleefbaarheid van de Polder Nijbroek. Om het wandelpad te accentueren wordt langs het pad de bestaande rij schietwilgen (knotwilgen) verder aangevuld en doorgezet. Zonneveld Op de meest oostelijk gelegen percelen van het plangebied wordt een zonneveld gerealiseerd van maximaal 3 hectare. Het gaat hier om een grondopstelling zonnepanelen. Het plan draagt op deze wijze aan de verduurzamingsopgave. Om het zicht op de grondopstelling te ontnemen vanaf de Middendijk en de oostelijk gelegen Zeedijk, wordt het zonneveld aan alle zijden landschappelijk ingepast door de aanplant van struiken en bomen. Visueel wordt daarmee de aanwezigheid van de zonnepanelen in het cultuurlandschap beperkt. Op onderstaande afbeelding is het zoekgebied voor het zonneveld weergeven met paarse arcering.

Af beelding 14 - Uitsnede plattegrond zoekgebied zonneveld (gearceerd in paars)

28

Middendijk 26, Nijbroek

Hoofdstuk 5 5.1

Uitvoerbaarheid

Inleiding

In dit hoofdstuk worden de randvoorwaarden vanuit de aspecten milieu, flora en fauna, archeologie en water behandeld.

5.2

Milieu-onderzoeken

5.2.1

Bodem

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan onderzoek te worden verricht naar de geschiktheid van de gronden voor het beoogde doel. In het geval van een verontreiniging moet de omvang ervan worden vastgesteld, zodat beoordeeld kan worden of, en zo ja welke, kosten zijn gemoeid met het verwijderen of verminderen van die verontreiniging, zodat voldaan wordt aan de eisen van de milieuwetgeving. In opdracht van gebiedscoöperatie Polder Nijbroek heeft Montferland Milieu in december 2020 een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd aan de Middendijk 26 te Nijbroek. Hierbij is onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van grond- en/of grondwaterverontreiniging in het plangebied. Het onderzoeksrapport beoordeeld of de onderzoekslocatie in milieuhygiënisch opzicht gebruiksbeperkingen kent voor het beoogde gebruik. De onderzoekslocatie van het plangebied bestaat uit de gronden waarop het toekomstig bebouwde en bewoonde erf wordt gerealiseerd. Het volledige onderzoek is te vinden in Bijlage 3. Uitgevoerd zijn een vooronderzoek, een veldonderzoek, en een chemisch onderzoek. Het vooronderzoek is uitgevoerd volgens de NEN-5725 norm. Uit de opgedane informatie van dit vooronderzoek bleek niet dat een milieuhygienisch verdachte situatie werd verwacht in het plangebied.

Voor de opzet van het bodemonderzoek is daarom uitgegaan van een onverdachte locatie conform de NEN-5740 norm. Op basis van het vooronderzoek kon echter wel worden verwacht dat de locatie ter plaatse van de oprit asbest bevat. De locatie is daarom voorafgaand aan het onderzoek aangemerkt als verdacht, waarmee de 'Onderzoeksstrategie voor een kleinschalige verdachte locatie' conform de NEN-5707 norm hier van toepassing is. Bodemonderzoek Bij het bodemonderzoek is zoals eerder gesteld uitgegaan van een onverdachte locatie. Hierbij hoort de hypothese dat er op de onderzoekslocatie geen of slechts licht verhoogde gehalten verontreiniging in de bodem en het grondwater worden aangetroffen. In het plangebied hebben 13 grondboringen plaatsgevonden. Hierbij werden licht verhoogde gehalten grondverontreiniging in de grond en in het grondwater aangetroffen. Deze vormen geen echter geen belemmering voor het toekomstige gebruik. Uit geen van de geanalyseerde deze grondboringen blijkt dat tussenwaarden en/of de interventiewaarden worden overschreden. Wel overschrijdt het gehalte barium in het grondwater de tussenwaarde. Er wordt verwacht dat het verhoogde gehalte barium van nature in de bodem voorkomt. Door het gebruik van de locatie zijn er geen directe risico's voor de omgeving. Het onderzoek raadt als gevolg van het verhoogde gehalte barium wel af grondwater op te pompen.

Formeel dient de gestelde hypothese door de verhogingen in de grond te worden verworpen (‘De gehele onderzoekslocatie kan op basis van het vooronderzoek als niet-verdacht worden beschouwd’ ). De verhogingen zijn echter beperkt en worden daarom als niet niet significant aangemerkt. Uit de resultaten van het bodemonderzoek wordt geconcludeerd dat er geen ernstige bodem- of grondwaterverontreinigingen aanwezig zijn binnen het onderzoeksgebied. De grondwaarden overschrijden alleen de achtergrond- of streefwaarde, wat duidt op slechts licht tot matige (natuurlijke) verontreinigingen. Asbestonderzoek Op basis van het vooronderzoek werd de hypothese gesteld dat de locatie ter plaatse van de oprit als 29

Middendijk 26, Nijbroek

verdacht kan worden beschouwd. Bij het onderzoek op deze locatie zijn echter zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Over de hele onderzoekslocatie is in de grove fractie geen asbest aangetroffen. Het mengmonster ASMM01 heeft in de fijne fractie een gehalte van <0,5 mg/kg aangetoond. Dit is onder het onder het criterium voor nader onderzoek (50 mg/kg d.s.). Nader asbestonderzoek is daarom niet noodzakelijk. Bij de oprit is echter wel minerale olieverontreiniging aangetroffen. De verontreiniging dient weggenomen te worden, voor zover dit redelijkerwijs mogelijk en doelmatig is. Conclusie Vanuit de onderzoeksresultaten kan dan ook geconcludeerd worden dat er geen sprake is van criteriumoverschrijdende verontreiniging in het onderzoeksgebied. De resultaten van het uitgevoerde bodem- en asbestonderzoek geven geen milieuhygiënische belemmeringen voor onderhavig plan en het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor de bouw van de vrijstaande woningen op het onderzochte gedeelte van de locatie. Aanvullend onderzoek is dan ook niet nodig. 5.2.2

Geluid

De Wet geluidhinder heeft tot doel de volksgezondheid en het milieu te beschermen tegen geluidsoverlast. Bij het opstellen van een bestemmingsplan is dan ook aandacht voor het aspect geluid noodzakelijk. Geluidsbelasting op gevels van geluidsgevoelige objecten moet binnen de normen blijven. Het gaat hier zowel om geluidhinder van wegverkeer, railverkeer en gezoneerde industrieterreinen. Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een spoorweg of industrieterrein, om deze reden ondervindt de locatie geen hinder van railverkeer of van het bedrijventerrein. Daarnaast ligt de hoofdwoning op ongeveer 175 meter afstand vanaf de Middendijk. Op de Middendijk geldt een maximaal toegestane snelheid van 60 km/uur. Gezien de grote afstand tussen de openbare weg en de ligging van de nieuwe woningen bestaat er geen (akoestisch) bezwaar tegen de bouw van de woningen en behoeft geen aanvullend akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. De afstand tussen de Middendijk en de dichtsbijzijnde woning in het plangebied bedraagt ongeveer 175 meter. Er is dan ook geen geluidsbelasting aanwezig door het verkeer dat gebruik maakt van de Middendijk. 5.2.3

Luchtkwaliteit

De eisen voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn sinds november 2007 vastgelegd in de Wet milieubeheer (Wm, in titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen). In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de Wet luchtkwaliteit bestaat uit in Europees verband vastgestelde normen voor maximumconcentraties voor een aantal luchtvervuilende stoffen. In Nederland kunnen met name fijn stof (PM10) en stikstofoxiden (NO2) problemen opleveren met betrekking tot overschrijding van de grenswaarden. Fijn stof wordt grotendeels veroorzaakt door grote industriële bronnen en het wegverkeer, NO2 wordt voornamelijk veroorzaakt door wegverkeer. Indien het uitoefenen van bevoegdheden zoals het vaststellen van bestemmingsplannen of het afwijken van het bestemmingsplan op grond van artikel 2.12 lid 1 sub a onder 1 van de Wabo gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, kunnen bestuursorganen die bevoegdheden uitoefenen wanneer aannemelijk is gemaakt dat: 1. het bestemmingsplan c.q. de afwijking niet leidt tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden; 2. de luchtkwaliteit als gevolg van het bestemmingsplan c.q. de afwijking per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft; 3. het bestemmingsplan c.q. de afwijking niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen.

Sinds 1 augustus 2009 is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van kracht. Volgens het NSL draagt een project 'niet in betekenende mate' (Nibm) bij zo lang de concentratie fijn stof of stikstofdioxide niet meer dan 3% bedraagt. Volgens de regeling Nibm wordt die grens pas overschreden bij bijvoorbeeld woningbouwprojecten van meer dan 1500 woningen of kantoorlocaties met meer dan 10.000 m2 bruto vloeroppervlak. Voor ontwikkelingen die 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeft niet te worden 30

Middendijk 26, Nijbroek

getoetst aan de grenswaarden. Dit bestemmingsplan maakt de bouw van 5 woningen mogelijk en kan daarmee worden aangemerkt als ontwikkeling die in niet betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. De locatie is tevens niet gelegen binnen een gebied waarin de normen van luchtkwaliteit worden overschreden. Geconcludeerd wordt dat de Wet luchtkwaliteit en het Besluit Nibm geen belemmering vormen voor onderhavige ruimtelijke ontwikkeling. 5.2.4

Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) gehanteerd. Het PR biedt burgers in hun woonomgeving een minimum beschermingsniveau tegen gevaarlijke stoffen.

Het GR legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Het plangebied ligt in een gebied dat volgens de Gelderse Risicokaart een middelgroot risico loopt op overstromingen. Deze middelgrote kans houdt in dat er eens in de 100 jaar overstromingen kunnen plaatsvinden. Bovendien ligt het plangebied in een beschermd gebied. Dit houdt in dat het gebied wordt beschermd door een primaire waterkering tegen buitenwater (zee, grote rivieren etc.) en regionale wateren (kleine rivieren, kanalen etc). Voor het aspect externe veiligheid luidt de conclusie dat het zojuist genoemde risico op overstromingen geen belemmering vormt voor het onderliggende wijzigingsplan. 5.2.5

Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Hieronder wordt verstaan het aanbrengen van voldoende ruimte tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen de milieubelastende en milieugevoelige functies. In de directe nabijheid van het perceel komen geen agrarische bedrijven voor. Doordat het plangebied niet direct aan de Middendijk ligt, maar 170 meter landinwaarts, bevindt het plangebied zich op afstand van de agrarische bedrijven aan de Middendijk. Het dichtstbijzijnde agrarische bouwvlak, behorende bij de Middendijk 31, bevindt zich op op ruim 195 meter. Het betreft hier een kleinschalige veehouderij waarbij verschillende dieren worden gehouden, waaronder rundvee en paarden. Voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering' een hulpmiddel. Conform deze milieuregels geldt er voor het houden van rundvee en paarden een richtafstand van minimaal 100 meter. Deze afstand is vanuit het geuraspect bepaald. Het plangebied bevindt zich hier ver buiten.

Dit houdt in dat de ontwikkeling van de woningen binnen het plangebied geen hinder veroorzaakt voor omliggende agrarische bedrijven en een gezond en veilig leefklimaat kan worden gehandhaafd.

31

Middendijk 26, Nijbroek

5.2.6

Stikstof

Het onderliggende plan betreft een functieveranderingsplan waarbij de bestemming Agrarisch wordt omgezet naar de bestemming Wonen. De overbodig geraakte voormalige agrarische bebouwing wordt gesloopt, het perceel wordt landschappelijk ingepast en er worden vier woningen toegevoegd. Er is zowel in de bouwfase als in de gebruiksfase sprake van stikstofuitstoot. Echter is er sprake van interne saldering vanwege de feitelijke planologische legale situatie. In deze planologische situatie heeft een passende beoordeling plaats gevonden. Daarnaast bedraagt de afstand van het plangebied tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Rijntakken circa 2,1 km. Een nieuwe passende beoordeling zou gezien aard en omvang van de wijziging, alsook door de afstand tot het natura 2000-gebied, geen nieuwe gegevens en inzichten opleveren over de significante gevolgen van het plan. De nieuwe ontwikkeling sluit aan op Dit is in overeenstemming met artikel 2.7, eerste lid, van de Wet Natuurbescherming en behoeft dus niet passend te worden beoordeeld. Geconcludeerd kan worden dat de Wet natuurbescherming, vanuit stikstof gezien, geen belemmering vormt voor onderhavig plan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11370023/1