CConstaterende datVoorst
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan - toelichting (2021-58173)

gemeenteraad 7 maart 2022, gemeente VoorstBij agendapunt: Bestemmingsplan Woningbouw Binnenweg-Rijksstraatweg, Wilp (2021-71443)15.904 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De ontwikkeling van maximaal 44 nieuwe woningen in dit bestemmingsplan valt ook binnen de NIBM-regeling zodat onderzoek op grond van de Wet luchtkwaliteit niet noodzakelijk is. Raadpleging van de NSL-monitoringstool heeft aangetoond dat er geen sprake is van (dreigende) grenswaarde-overschrijdingen. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. Vanuit zowel de

28

Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening vormt het plan op het gebied van luchtkwaliteit geen belemmering. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 langs de Rijksstraatweg (ter hoogte van het plangebied) bepaald. Hiervoor is gebruik gemaakt van de NSL-monitoringstool. De jaargemiddelde concen3 tratie NO2 bedraagt (voor 2020) maximaal 13,9 µg/m , voor PM10 bedraagt dit maxi3 maal 15,9 µg/m . In beide gevallen wordt de jaargemiddelde grenswaarde van 40 3 µg/m niet overschreden. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt maximaal 3 9,6 µg/m en is daarmee ruimschoots lager dan de jaargemiddelde grenswaarde van 3 25 µg/m . Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen of stabiliseren, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. Conclusie Het aspect lucht vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.5

Bedrijven en milieuzonering Algemeen Indien door middel van een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is 8 de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.

Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten betreffend perceel.

8

VNG publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’, 2009. 29

Toetsing 9 Door SAB is een quick scan bedrijven en milieuzonering uitgevoerd . Uit deze quick scan volgt dat de karakter van het plangebied is aan te merken als een ‘rustige woonwijk’. De herontwikkeling voorziet niet in hinderveroorzakende functies. Wel dient onderzocht te worden of de ontwikkeling zelf hinder kan ondervinden van hinderveroorzakende functies in de omgeving. Interne werking (milieugevoelig) Ten aanzien van hinder van bestaande bedrijvigheid op de beoogde ontwikkeling volgt uit de quick scan dat voor de meeste omliggende hinderveroorzakende functies wordt voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-brochure, waardoor deze gronden met bijbehorende functies niet onevenredig worden geschaad in hun ontwikkelingsmogelijkheden en ter plaatse van het plangebied een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd. Voor twee inrichtingen direct grenzend aan het plangebied (een autobedrijf en verhuurbedrijf) wordt niet voldaan aan de richtafstanden voor wat betreft het aspect geluid. Hiermee kan niet worden gemotiveerd dat ter plaatse van de ontwikkellocatie een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd. Nader onderzoek naar het aspect geluid is daarmee noodzakelijk. 10

Door SAB is voorzien in een akoestisch onderzoek industrielawaai ten aanzien van het autobedrijf en het verhuurbedrijf. Uit dit onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd:  ten gevolge van autobedrijf Scherling wordt stap 2 van de VNG-publicatie in het kader van een rustige woonwijk (richtwaarde 45 dB(A)) niet overschreden;  ten gevolge van autotechniek Bongertman worden stap 2 én stap 3 van de VNGpublicatie in het kader van een rustige woonwijk overschreden. Dit wordt veroorzaakt door de openstaande overheaddeur. In dit kader dienen maatregelen overwogen te worden;  ten gevolge van Dumaij media (verhuurbedrijf) wordt stap 2 van de VNG-publicatie in het kader van een rustige woonwijk niet overschreden;  ten gevolge van de maximale geluidsniveaus van autobedrijf Scherling en autotechniek Bongertman worden de richtwaarden overschreden door het sluiten van portieren, het ontluchten van de vrachtwagens en het schoonspuiten van auto’s;  In dit kader zijn maatregelen overwogen. Indien aan de oostzijde van het terrein, nabij de rijwoningen A, een afscherming van 2,5 meter hoog wordt gerealiseerd, kan voldaan worden aan een goede ruimtelijke ordening.  nader onderzoek wijst uit dat in het kader van het Activiteitenbesluit geen overschrijdingen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau zijn geconstateerd, indien deze afscherming wordt gerealiseerd.

Conclusie Met inachtneming van het voorgaande vormt het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan. De realisatie van een geluidafschermende voorziening op de oostelijke erfgrens van het bedrijf is ge9

SAB (2020). Quick scan bedrijven en milieuzonering. Binnenweg, Wilp. projectnummer: 170353.02. 10 juli 2020.

10

SAB (2020). Akoestisch onderzoek omgevingsgeluid. Binnenweg Wilp. Projectnummer 170353.02. 11 december 2020. 30

waarborgd middels een voorwaardelijke verplichting. Daarmee is de bouw en instandhouding van de erfafscheiding voldoende verzekerd.

4.6

Externe veiligheid Algemeen Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (chemische fabriek, lpg-vulpunt) en de mobiele bronnen (route gevaarlijke stoffen). Er wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (of-6 wel 10 ). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risi-6 co van 10 als grenswaarde. Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers.

Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Toetsing 11 In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een quick scan externe veiligheid opgesteld, waarin relevante omliggende risicobronnen zijn geïnventariseerd. De belangrijkste conclusies worden hieronder weergegeven. Voor het opstellen van de quick scan is de risicokaart geraadpleegd. Stationaire bronnen Binnen een straal van één kilometer van de ontwikkellocatie bevinden zich geen stationaire risicobronnen. Deze risicobronnen vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Mobiele bronnen Binnen de relevante straal van de ontwikkellocatie bevinden zich één buisleiding, één spoorlijntraject en twee wegvakken. Er bevinden zich geen transportroutes over water. Uit de quick scan volgt dat het plangebied buiten het invloedsgebied van de genoemde mobiele bronnen ligt. De planontwikkeling heeft daardoor geen effect op het groepsrisico. Een nadere beschouwing is niet benodigd.

11

SAB (2020). Quick scan externe veiligheid. Binnenweg, Wilp. Projectnummer: 170353.02. 7 april 2020. 31

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.7

Water Rijksbeleid - Het Nationaal Waterplan 2016-2021 Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. Provinciaal beleid - Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De hoofdzaken van het provinciaal beleid voor water zijn gericht op een veerkrachtig en duurzaam water- en bodemsysteem. Dit systeem bestaat uit bodem en ondergrond, grondwater en oppervlaktewater. En het is duurzaam als het ook in de toekomst kan blijven functioneren en in stand kan worden gehouden tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. De provincie onderschrijft de ambitie van de Europese Kaderrichtlijn Water dat uiterlijk in 2027 het grond- en oppervlaktewater in Europa schoon en ecologisch gezond moet zijn en dat er voldoende water is voor duurzaam gebruik en voert deze uit. De beschermde gebieden voor grondwater, waterberging, de Kaderrichtlijn Water en Natura 2000 zijn leidend bij de uitwerking van dit beleid in programma’s of in kaders in de verordening.

Er worden condities gesteld voor effectief en zuinig gebruik van drinkwater, speciale waterecologie (Hoogst Ecologisch Niveau wateren en Specifiek Ecologische Doelstelling wateren), (grond)waterafhankelijke landnatuur plus de beschermingszones natte landnatuur en grondwateronttrekkingen voor drinkwater en 3 industrie, groter dan 150.000 m /jaar. De provincie stelt via uitvoerend beleid de doelen voor de regionale wateren voor de Kaderrichtlijn Water vast en geeft daarbij ook invulling aan de voorzieningenniveaus. Met de Gelderse waterschappen en de landbouw geeft de provincie invulling aan het vasthouden van water in de bodem, het grondwater en de haarvaten van het watersysteem. Bescherming tegen overstromingen vindt primair plaats op basis van preventie, waar nodig aangevuld met maatregelen in de ruimtelijke ordening en evacuatie. Deze bescherming gebeurt bij voorkeur in combinatie met het ontwikkelen en versterken van karakteristieke riviernatuur in Natura 2000-gebieden. Beleid Waterschap Vallei en Veluwe - Waterbeheerprogramma 2016-2021 Vanaf 1 januari 2016 is het Waterbeheerprogramma van het Waterschap Vallei en Veluwe van kracht. Het is bewust neergezet als een programma en niet meer als een waterbeheerplan. De maatregelen zijn op hoofdlijnen uitgewerkt, het “hoe” volgt bij het jaarlijks vaststellen van de begroting.

32

De zorg voor de kerntaken “beschermen tegen overstroming”, “schoon en voldoende oppervlaktewater” en “zuiveren van afvalwater” blijft voorop staan. Daarbij wil het waterschap wel meer toe naar een integrale benadering van de gezamenlijke opgave. Het waterschap wil haar ambities en doelen steeds sterker bereiken samen met de waterpartners. De ambities zijn:  We beschermen ons gebied tegen overstromingen.  We zorgen voor de juiste hoeveelheid water.  We zorgen voor de goede oppervlaktewaterkwaliteit.  Schoon en vuil water worden zo veel mogelijk gescheiden.  We halen de hoogst mogelijke waarde uit water.  We beheren afvalwaterketen en watersysteem als één geheel samen met onze partners. Samen met gemeenten wil het waterschap schoon hemelwater en afvalwater zoveel mogelijk aan de bron scheiden. Dit om de negatieve effecten van extreme buien (lagere waterkwaliteit door overstorten) en droogte (lagere waterkwaliteit door geen watertoevoer, hittestress), als gevolg van klimaatverandering, te voorkomen. Hiertoe stelt het waterschap een beleidsplan op en voert dit uit. Binnen de verantwoordelijkheden van de waterpartners voor grondwaterbeheer wil het waterschap de samenwerking initiëren en als grondwaterloket fungeren. De start betreft het vormen van een gezamenlijk grondwaterkennisteam.

Binnen de jaarcyclus wordt door het waterschap verantwoording afgelegd over de inhoudelijke doelen en resultaten. In de cyclus wordt een moment ingebouwd om op collegiale basis met de waterpartners de programmering voor het komende jaar af te stemmen. Dit is het waterplein. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal:  Nederland blijft de veiligste delta in de wereld.  Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater.  Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht.  Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement.  Nederlanders leven waterbewust. Het kabinet zet de veranderingen in het waterveiligheidsbeleid voort en zal hiertoe een wetsvoorstel met nieuwe normen voor de primaire keringen voorbereiden. Nieuwe normen zijn nodig, omdat de huidige eisen aan primaire keringen grotendeels uit de jaren zestig van de vorige eeuw dateren. Sindsdien zijn het aantal mensen en de economische waarde achter de dijken toegenomen. Ook is nieuwe kennis beschikbaar gekomen over de werking van de keringen en de gevolgen van overstromingen. De doelen op het gebied van waterveiligheid zijn omgerekend naar normspecificaties voor de keringen. Deze zijn niet meer gebaseerd op dijkringen, maar op dijktrajecten. Elk dijktraject krijgt een norm-specificatie die past bij de gevolgen in dat specifieke gebied.

De normspecificaties zijn ingedeeld in zes klassen, waarbij de overstromingskans varieert van 1/300 per jaar tot 1/100.000 per jaar.

33

Het Rijk onderkent het belang van verbinden van ruimte en water. Bij het aanpakken van wateropgaven en de uitvoering van watermaatregelen vindt daarom afstemming plaats met andere relevante ruimtelijke opgaven en maatregelen in het gebied, zodat scope, programmering en financiering zo veel mogelijk op elkaar aansluiten of, beter nog, elkaar versterken. Het kabinet streeft daarbij ook naar integrale combinaties, waarbij ruimtelijke inrichting een belangrijke rol speelt bij het oplossen van wateropgaven. Omgekeerd is het van belang om bij ruimtelijke opgaven vroegtijdig rekening te houden met wateropgaven en de veerkracht van watersystemen. De gewenste betere verbinding tussen water en ruimte geldt voor alle opgaven op het gebied van waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Toetsing 12 Voor onderhavig plan is de digitale watertoets doorlopen. Uit de digitale watertoets volgt dat het plan onder de normale procedure valt. Voor het verdere proces is het van belang het waterschap te betrekken bij het plan. Bestaande situatie In de huidige situatie is het plangebied (exclusief de bestaande bebouwing) geheel onverhard en in gebruik als (intensief beheerd) grasland. De maaiveldhoogte binnen het plangebied bedraagt circa NAP + 6 tot 7 meter. Het freatisch grondwater bevindt zich op circa 2,6 meter beneden maaiveld.

De bodem bestaat uit matig fijn tot matig grof, zwak tot sterk siltig zand. Oppervlaktewater In het plangebied is momenteel geen oppervlaktewater aanwezig. Waterveiligheid In of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen primaire of regionale waterkeringen aanwezig. Als gevolg van de klimaatverandering nemen de overstromingsrisico's toe. Op de waterkaart zijn daarom zogenaamde dijkringgebieden vastgelegd. Voor dergelijke gebieden is het risico inzichtelijk gemaakt voor overstroming bij een doorbraak van de dijk. Het voorliggende plangebied is gelegen in dijkringgebied 52 (Oost Veluwe). De wettelijke norm voor deze dijkring is een overschrijdingskans van 1:1250 per jaar. Op basis van de risicokaart blijkt dat de kans op overstroming zeer gering is. Bij een eventuele dijkdoorbraak zal de waterdiepte in het plangebied maximaal 0,5 meter bedragen. Wateroverlast Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen neemt het oppervlakte verhard in veel gevallen toe. Toch zal het toekomstige gebied moeten voldoen aan het watersysteem zoals dat tegenwoordig wordt voorgesteld waarin rekening is gehouden met klimaatverandering. Een belangrijk principe is dat een deel van het afstromend hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater.

Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in

12

Waterschap Vallei en Veluwe (2020). Digitale watertoets. Binnenweg, Wilp. Dossiercode: 20201116-10-24782. 16 november 2020. 34

het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. Binnen het voorliggende plangebied is sprake van een toename aan verhard oppervlak ten opzichte van de huidige situatie. Als gevolg van deze toename dient watercompensatie gevonden te worden binnen het plan. In totaal bedraagt de toename aan 2 verhard oppervlak circa 11.000 m . De gemeente Voorst hanteert een bergingseis voor het plangebied van 60 mm (T=100). Er wordt een droogweerafvoer (DWA) aangelegd en het hemelwater (HWA) wordt middels goten en IT-riolen naar de wadi's geleid. Een grotere wadi ligt centraal in het plan, een tweede kleinere wadi ligt langs de entree vanaf de Rijksstraatweg. De wadi's hebben een waterdiepte van 30 cm en taluds van maximaal 1:3. Ter aanvulling op de wadi's wordt er onder de parkeervakken waterbergende fundering c.q. infiltratiekratten geplaatst. Hiermee wordt de bergingseis van 60 mm bij T=100 gehaald. Dit 13 is nader onderbouwd in het riolerings- en waterhuishoudkundig plan , zoals opgesteld voor de voorliggende ontwikkeling. Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen.

Voor de aanleghoogte van gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt een aanleghoogte van de vloer geadviseerd van minimaal 80 centimeter ten opzichte van de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG). Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. In gebieden waar grondwateroverlast op kan treden, adviseren het waterschap de volgende voorkeursvolgorde toe te passen: (1) kruipruimteloos bouwen, (2) ophogen van het plangebied of (3) toepassen van drainage in openbaar gebied en particulier terrein. Waterkwaliteit Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater wordt vervuild. In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen. Er mogen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen gebruikt worden op delen die het hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Afkoppeling van hemelwater zorgt ervoor dat het aantal riooloverstorten laag is.

Ook dit komt de waterkwaliteit (in de omgeving) ten goede.

13

Orbis (2021). Riolerings- en waterhuishoudkundig plan. Ontwikkeling Binnenweg Noord Wilp. Projectnummer: 1191064. 22 maart 2021. 35

Riolering De gemeente heeft een zorgplicht voor doelmatige verwerking en afvoer van hemelwater, afvalwater en grondwater. Er wordt voorzien in een DWA. Hemelwater wordt middels goten en IT-riolen naar de wadi's geleid. Beheer en onderhoud Het beheer en onderhoud van het inzamelings- en transportstelsel van afvalwater, kortom de riolering, ligt bij de gemeente. Het Waterschap is verantwoordelijk voor de zuivering van het aangeleverde afvalwater. Het Waterschap is de beheerder van het totale watersysteem en van de waterkeringen. Het onderhoud van de waterkeringen en hoofdwatergangen is tevens de verantwoordelijkheid van het Waterschap. Het onderhoud van de overige watergangen ligt bij particulieren, de gemeente en andere instanties. Het beheer en onderhoud van het gemeentelijke inzamelings- en transportstelsel ligt bij de gemeente tot aan het eindgemaal dat in beheer is van waterschap Vallei en Veluwe. Het Waterschap is verantwoordelijk voor het transport vanuit het eindgemaal tot en met afvalwaterzuiveringsinstallatie en voor de zuivering. De gemeentelijke riolering moet bereikbaar zijn voor beheer en onderhoud. Conclusie Met inachtneming van het voorgaande vormt het aspect water geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.8

Natuur Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. Toetsing 14 In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een quick scan natuur uitgevoerd, waarmee onderzocht is of er beschermde natuurwaarden - volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving - aanwezig zijn in het plangebied. Naast beschermde natuurwaarden in het plangebied is ook nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied. Navolgend worden kort de conclusies van de quick scan uiteengezet. De volledige rapportage is als bijlage bij de toelichting opgenomen.

14

SAB (2018). Quick scan natuur. Wilp, Binnenweg. Projectnummer: 170353.01. 20 juni 2018. 36

Gebiedsbescherming Uit de quick scan blijkt dat Natura 2000-gebied Rijntakken in de buurt van het plange15 bied ligt. Hiertoe is een stikstofberekening uitgevoerd. Op basis van deze toets wordt geconcludeerd dat de nu gehanteerde grenswaarde van 0,00 mol stikstof/ha/j wordt overschreden met 0,02 mol stikstof/ha/j voor de aanlegfase (2022). Geconcludeerd wordt dat milieueffecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten. Aanvullend is 16 hiertoe een ecologische voortoets opgesteld. Uit deze toets blijkt dat de deposities die de ontwikkeling veroorzaakt zo gering zijn, dat meetbare of merkbare, dus significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen zijn uitgesloten. Zodoende hoeft voor de ontwikkeling geen passende beoordeling te worden opgesteld en geldt geen vergunningplicht. Verder blijkt dat het plangebied niet in het Natuurnetwerk Nederland of ander provinciaal beschermd gebied ligt. De voorgenomen ingreep zal geen effect op de wezenlijke waarden en kenmerken van deze gebieden hebben. De bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan niet in de weg. Soortenbescherming In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving.

In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat in en rondom het plangebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd de werkzaamheden buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Door het uitgevoerde veldbezoek in het plangebied is duidelijk geworden dat enkele essentiële elementen van beschermde diersoorten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten in het plangebied. Het betreft foerageergebied van de steenuil en de huismus. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. De lokale instandhouding van de kerkuil kan met het totale stedenbouwkundige plan worden aangetast. Daarom wordt aangeraden ook hiernaar on17 derzoek uit te voeren.

Uit het nader onderzoek naar de huismus, kerkuil en steenuil volgt dat er geen sprake is van overtreding van de Wet natuurbescherming. De sloop van de bestaande woning, het verwijderen van de beplantingen en het bouwen van de 15

SAB (2020). Onderzoek stikstofdepositie Wilp, Woningbouwlocatie Binnenweg. Projectnummer: 170353.02. 11 december 2020.

16

SAB (2021). Ecologische voortoets. Wilp, Woningbouwlocatie Binnenweg. Projectnummer: 170353.02. 25 februari 2021.

17

Foreest Groen Consult (2019). Nader onderzoek. Huismus, kerkuil en Steenuil. Binnenweg Wilp. 8 juli 2019. 37

nieuwe woningen heeft geen gevolgen voor de plaatselijke populatie huismussen. Het kan zelfs zo zijn dat door de bouw van de woningen en het ontstaan van meer gevarieerde tuinen de huismus na de realisatie van de plannen een meer kwalitatief leefgebied zal krijgen. Het huidige gebied bestaat vooral uit lang niet gemaaid gras en is vrij grootschalig. Dekking is alleen aan de randen te vinden waardoor de huismus niet optimaal gebruik kan maken van dit gebied. De notenboom kwalificeert niet als een vaste rust- en verblijfplaats voor de kerkuil. Het plangebied in de huidige staat is bovendien niet van belang voor de kerkuil. De steenuil is niet in het plangebied aanwezig. Ook zijn er geen aanwijzingen gevonden dat de steenuil in een nabijgelegen opstal verblijft. De huidige staat waarin het gebied verkeert, is ook niet geschikt voor de steenuil. In het lange gras dat niet bemest is kan de steenuil niet goed jagen. Mogelijkheden om uit te kijken zijn vrijwel niet aanwezig. Op basis van een quick scan natuuronderzoek uit 2019 (Foreest Groen Consult; 11 november 2019) kwam een mogelijk belang naar voren voor vleermuizen en kleine 18 marterachtigen. Zodoende is voor deze soorten eveneens nader soortenonderzoek uitgevoerd. De uitbouw van de molenstop is van belang voor de gewone dwergvleermuis. In deze uitbouw zijn één paarverblijf en één zomerverblijf aanwezig.

De twee verblijfplaatsen bevinden zich op twee verschillende locaties in dit gebouw. Het herstel van dit gebouw leidt tot een overtreding van de Wet natuurbescherming voor wat betreft vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen. Er zal een ontheffing moeten worden aangevraagd, waarbij mitigerende maatregelen moeten worden getroffen. Kleine marterachtigen zijn niet aangetroffen. Het verwijderen van de groene elementen heeft daardoor geen invloed op de aanwezigheid van deze soorten. Bescherming houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Conclusie Met het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming, inclusief projectplan met mitigerende maatregelen, vormt het aspect natuur geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.9

Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij

18

Foreest Groen Consult (2021). Nader onderzoek. Vleermuizen en kleine marterachtigen. Binnenweg Wilp. 22 juli 2021. 38

het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Toetsing Noordelijk deel Ter plaatse van het noordelijk deel van het plangebied is een archeologisch bureau19 en booronderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek kan worden geconcludeerd dat in overeenstemming met wat verwacht werd op basis van het bureauonderzoek in het plangebied archeologische resten aangetroffen zijn. Het betreft resten van aardewerk, houtskool en bouwmateriaal (verbrand hutteleem). Deze resten horen waarschijnlijk bij een nederzettingsterrein uit de periode IJzertijd-Romeinse tijd. De vindplaats spreidt zich waarschijnlijk over het gehele noordelijk deel van het plangebied uit. De gaafheid van de vindplaats lijkt goed; er zijn geen bodemverstoringen dieper dan 30 cm waargenomen. Middels een archeologische dubbelbestemming zijn de eventuele resten beschermd. Zuidelijk deel Ter plaatse van het zuidelijke deel van het plangebied is eveneens voorzien in een ar20 cheologisch bureau- en booronderzoek . Op basis van het booronderzoek worden in het gehele plangebied archeologische vindplaatsen verwacht in de top van het pleistocene zand. Dit betreffen vooral vindplaatsen uit de periode IJzertijd - Romeinse tijd, maar ook oudere vindplaatsen kunnen voorkomen.

Aangezien overwegend archeologische sporen verwacht worden en de vondst-laag vermoedelijk deels geërodeerd is bij overstromingen vanuit de IJssel, in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek. Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over het plangebied sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen. Dit onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen en is zodoende juridisch geborgd met een archeologische dubbelbestemming. Westelijk deel Voor het westelijke deel van het plangebied (fase 2) is een archeologische dubbelbestemming opgenomen (Waarde - Archeologie - 2). Voor dit deel van het plangebied wordt de onderzoeksplicht doorgeschoven naar het moment waarop toepassing wordt gegeven aan de wijzigingsbevoegdheid. In het kader van de wijzigingsprocedure dient aangetoond te worden dat de beoogde bouw van de woningen niet leidt tot een aantasting van eventueel aanwezige archeologische waarden. Conclusie Met inachtneming van het voorgaande vormt het aspect archeologie geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

19

RAAP (2007). Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek. Binnenweg 19 te Wilp. Projectcode: VOWP. 17 april 2007.

20

Econsultancy (2020). Archeologisch verkennend booronderzoek. Binnenweg te Wilp. rapportnummer: 7582.002. 10 april 2020. 39

4.10

Cultuurhistorie Algemeen Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Toetsing In het plangebied is het restant gelegen van de molen Weltevreden. Het bestaat uit de molenromp met een aangebouwde machinekamer en pakhuis. Dit kenmerkende gebouw met een industriële uitstraling heeft een hoge cultuurhistorische waarde en zal worden ingepast in het plan. de waarden zijn middels een dubbelbestemming geborgd. Verder zijn geen Rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig binnen het plangebied. De ruimtelijke structuur wordt met voorliggend initiatief niet aangetast. Dit maakt dat eventuele aanwezige cultuurhistorische waarden niet worden aangetast. Conclusie Met inachtneming van het voorgaande vormt het aspect cultuurhistorie geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.11

Verkeer en parkeren Voor de voorgenomen ontwikkeling is voorzien in een quick scan verkeer en parke21 ren . Navolgend worden de conclusies kort weergegeven. Verkeer De verkeersgeneratie als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling wordt bepaald op basis van de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren’. Om de verkeersgeneratie te bepalen dient in eerste instantie de mate van stedelijkheid bepaald te worden. Op basis van de cijfers van het CBS is Wilp aan te merken als een ‘niet stedelijk’ gebied. Gelet op het feit dat het plangebied in de bebouwde van Wilp is gesitueerd, wordt gesteld dat de kencijfers voor ‘rest bebouwde kom’ aangehouden kunnen worden. In de navolgende tabel is de verkeersgeneratie van het planvoornemen weergegeven. Woningtypen

Kencijfer maximale verkeersgeneratie

Aantal

Aantal verkeerbewe-

(per woning/wooneenheid)

woningen

gingen per etmaal

Rijwoningen

7,8

25

195

Twee-onder-een-

8,2

12

98,4

8,6

7

60,2

-

44

353,6

kapwoning Vrijstaande woning (incl. molenstomp) Totaal

21

SAB (2021). Notitie verkeer en parkeren. Binnenweg, Wilp. Projectnummer: 170353.02. 24 maart 2021. 40

In de navolgende afbeelding wordt weergegeven hoe de ruim 350 verkeersbewegingen worden opgenomen in het verkeersbeeld. De wegen kunnen de toename van verkeersbewegingen relatief eenvoudig verwerken.

Verdeling van de verkeersstromen (bron: SAB)

Parkeren Voor nieuwbouw binnen de gemeente Voorst wordt gebruik gemaakt van de kencijfers van het kennisplatform CROW (ASVV 2012, landelijke norm). Dit houdt in dat de parkeernorm voor dure woningen minimaal 2,0 parkeerplaatsen per woning bedraagt en voor goedkope en middeldure woningen 1,8 parkeerplaats per woning. Deze norm wordt voor de gehele gemeente aangehouden. Dit levert de volgende parkeerbehoefte op. Woningtype

Aantal

Parkeernorm

Parkeerbehoefte

2,0

Waarvan in de openbare ruimte 0,3 per woning

Vrijstaand (met garage en dubbel oprit) Twee-onder-eenkap (met garage en dubbel oprit) Aaneengebouwd tussenwoningen Aaneengebouwd hoekwoningen Totaal

7

12

1,8

0,3 per woning

21,6

15

1,8

1,8 per woning

27,0

10

1,8

1,8 per woning

18,0

44

14,0

80,6

41

In het stedenbouwkundig ontwerp zijn 91 parkeerplaatsen beoogd, waarmee ruimschoots wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Volledigheidshalve is in de regels van dit bestemmingsplan een regeling voor parkeren opgenomen. Indien op grond van bestemming ‘Wonen’ wordt gebouwd, dient voorzien te worden in de aanleg en instandhouding van voldoende parkeergelegenheid. Daarbij moet voldaan worden aan de parkeernormen zoals genoemd in bovenstaande tabel. Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

42

5 5.1

Juridische toelichting Algemeen Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. In deze paragraaf worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012 en de Wabo. Daarnaast is zoveel mogelijk aangesloten bij de systematiek van het geldende bestemmingsplan ‘Wilp’. Opzet bestemmingsplan De eerste fase van het nieuwe woongebied is voorzien van een eindbestemming. Op grond van deze bestemming geldt een rechtstreekse bouwtitel.

De globale eindbestemming is inhoudelijk gestoeld op het inrichtingsplan, maar biedt tegelijkertijd enige flexibiliteit. Bij het toekennen van de bouwvlakken is een kleine marge in acht genomen. Door deze opzet wordt de nodige flexibiliteit gedurende het ontwikkelingstraject gecreëerd, om te voorkomen dat later knelpunten ontstaan bij ondergeschikte wijzigingen aan het bouwplan. Voor fase 2 van het nieuwe woongebied is vooralsnog de agrarische (en woon-) bestemming gecontinueerd. Wel zijn de betreffende gronden voorzien van een wijzigingsbevoegdheid naar ‘Wonen’, ‘Verkeer - Verblijfsgebied’ en ‘Groen’.

5.2

Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.

43

5.3

Bestemmingsregels

5.3.1

Opbouw bestemmingen Bestemmingsomschrijving Bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de grond worden toegekend. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies zoals ‘Wonen’ en ‘Groen’. De aard van de toegelaten inrichtingen van gronden (bouwwerken en werken, geen bouwwerken zijnde) vloeit dan voort uit de toegelaten functies. Bouwregels In de bouwregels worden voor alle hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding. Afwijken van de bouwregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan burgemeester en wethouders ten aanzien van bepaalde bouwregels. Specifieke gebruiksregels In dit onderdeel kan worden aangegeven welke vormen van gebruik men in ieder geval strijdig acht met de bestemming. Het is niet de bedoeling alle mogelijke strijdig gebruiksvormen te noemen, maar alleen die vormen van gebruik waarvan het niet op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de bestemmingsomschrijving.

Afwijken van de gebruiksregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde gebruiksregels. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden In dit onderdeel zijn voor bepaalde (grond)werkzaamheden verbodsbepalingen opgenomen, om te voorkomen dat specifieke landschappelijke kwaliteiten of mogelijk aanwezige waarden (in de bodem) verstoord of vernietigd worden.

5.3.2

Bestemmingen In deze paragraaf zijn de feitelijk in het plan voorkomende bestemmingen beschreven. Per bestemming is kort toegelicht welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden. Agrarisch De westzijde van het plangebied is voorzien van een agrarische bestemming zonder bouwvlak. De gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf met een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering, recreatief medegebruik, water(berging), openbare nutsvoorzieningen en bijbehorende voorzieningen. Er mogen

44

geen gebouwen worden gebouwd. Wel mogen er onder voorwaarden andere bouwwerken worden gebouwd. Groen De structurele groenvoorzieningen in het plangebied zijn voorzien van de bestemming ‘Groen’. De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, agrarisch medegebruik, water(berging), nutsvoorzieningen en bijbehorende voorzieningen Er mogen enkel andere bouwwerken worden opgericht, waarbij per categorie een maximale bouwhoogte is aangegeven. Ten slotte is het bouwen van overkappingen niet toegestaan. Verkeer - Verblijfsgebied De voor ‘Verkeer - Verblijfsgebied’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen met een functie voor de ontsluiting van aanliggende gronden, parkeervoorzieningen, ambulante handel, water(berging), nutsvoorzieningen en bijbehorende voorzieningen. Er mogen enkel andere bouwwerken worden gerealiseerd, waarbij voldaan moet worden aan de maximale bouwhoogte van 6 meter. Wonen De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor de bouw van maximaal 29 woningen, aan huis verbonden beroepen/bedrijven en een bed & breakfast (onder voorwaarden), alsmede de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken, tuinen (ter plaatse van de bijbehorende aanduiding) en erven (ter plaatse van de bijbehorende aanduiding). Ten slotte zijn bijbehorende voorzieningen toegestaan.

Hoofdgebouwen (woningen) mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd, in aaneengebouwde, twee-onder-één-kap of vrijstaande vorm, waarbij geldt dat maximaal het aantal eenheden mag worden gebouwd conform de bijbehorende aanduiding. Het toegestane woningtype is aangeduid op de verbeelding. Binnen de bouwvlakken gelden daarnaast standaardbepalingen ten aanzien van de goot- en bouwhoogte en breedte van het hoofdgebouw. Ten slotte geldt dat hoofdgebouwen maximaal 1 meter achter het figuur ‘gevellijn’ mogen worden gebouwd. Ter plaatse van het bouwvlak en de functieaanduiding ‘erf’ mogen overige gebouwen worden gebouwd, mits de goot- en bouwhoogte niet meer bedraagt dan respectievelijk 2 3 en 5 meter en met een maximum van 50 m . De bouwmogelijkheden ter plaatse van de functieaanduiding ‘tuin’ zijn beperkt, hier mogen uitsluitend erkers en/of entreeportalen worden gebouwd, mits voldaan wordt aan de daaraan gestelde maatvoeringseisen. In de bouwregels is tevens een regeling voor parkeren opgenomen. Indien op grond van bestemming ‘Wonen’ wordt gebouwd, dient voorzien te worden in de aanleg en instandhouding van voldoende parkeergelegenheid. Daarbij moet voldaan worden aan de parkeernormen zoals genoemd in het desbetreffende artikel.

Er geldt een voorwaardelijke verplichting ten aanzien van de realisatie en instandhouding van een geluidwerende voorziening ter plaatse van de bijbehorende aanduiding.

45

Tot slot zijn binnen de bestemming ‘Wonen’ beroepen of bedrijven aan huis – onder 2 voorwaarden – toegestaan tot 50 m . Onder voorwaarden kan worden afgeweken van de gebruiksregels. Waarde - Archeologie - 2 De gronden van het plangebied zijn voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie - 2’. Daarin is bepaald dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is voor 2 bodemverstorende werkzaamheden groter dan 30 m en dieper dan 0,3 meter beneden maaiveld. Waarde - Cultuurhistorie De gronden ter plaatse van de molenstomp zijn voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde - Cultuurhistorie’. Hierin is bepaald dat de bestaande gevelindeling, indeling van vensters, dak- en gevelmaterialisatie, deuropeningen en de bestaande ligging moet worden gehandhaafd. Hiervan kan bij omgevingsvergunning worden afgeweken.

5.4

Algemene regels Dit hoofdstuk bevat een aantal algemene regels, onderverdeeld over de volgende artikelen: Anti-dubbeltelregel In deze regel is vastgelegd dat grond die in aanmerking moest worden genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning, waarvan de uitvoering heeft plaatsgevonden of alsnog kan plaatsvinden, bij de beoordeling van een andere aanvraag om omgevingsvergunning niet opnieuw in beschouwing mag worden genomen. Algemene bouwregels In dit artikel is een aantal aanvullende bouwregels opgenomen dat voor alle bestemmingen kan gelden. Het gaat om regels voor ondergronds bouwen en om bestaande afwijkingen, die als minimaal of maximaal toegestaan gelden. Algemene gebruiksregels In dit artikel is een regeling opgenomen met betrekking tot strijdig gebruik. Algemene afwijkingsregels Dit artikel is een aanvulling op de afwijkingsregels uit de bestemmingen. In het artikel is een aantal algemene afwijkingen opgenomen, dat middels een omgevingsvergunning kan worden verleend. Het betreft een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan bij een omgevingsvergunning mogelijk te maken. Ook geldt een afwijkingsregel voor het toestaan van evenementen.

Algemene wijzigingsregels In de algemene wijzigingsregels is bepaald dat de bestemming ter plaatse van de aanduiding ‘wetgevingzone - wijzigingsgebied 1’ mag worden gewijzigd in de bestemmingen ‘Groen’, ‘Verkeer - Verblijfsgebied’ en ‘Wonen’, mits voldaan wordt aan de daaraan gestelde voorwaarden. In deze voorwaarden is bepaald dat het aantal

46

woningen niet meer mag bedragen dan 15, met dien verstande dat aan de Rijksstraatweg uitsluitend vrijstaande en twee-aaneengebouwde woningen mogen worden gebouwd. Ook is bepaald dat de goot- en bouwhoogte niet meer mogen bedragen dan respectievelijk 6 en 11 meter. Voor het overige wordt het bepaalde in de bestemming ‘Wonen’ in acht genomen. Algemene procedureregels In dit artikel staat wat is bedoeld als er in de regels wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen.

47

5.5

Overgangs- en slotregels In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. In de slotregel is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald.

5.6

De verbeelding Voor het verbeelden van de geometrisch bepaalde bestemmingen is een BGTondergrond gebruikt. Dit bestand is opgebouwd in coördinaten in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting, of kortweg Rijksdriehoekscoördinaten (ook wel: RDcoördinaten). Dit zijn de coördinaten die in Nederland worden gebruikt als grondslag voor onder meer geografische aanduidingen, waarbij de exacte locatie van een gebied wordt vastgelegd. In het plan is met behulp van lijnen, coderingen en arceringen aan gronden (en in dit geval ook wateren) een bepaalde bestemming toegekend. Binnen een bestemmingsvlak zijn met aanduidingen nadere regels aangegeven. Op een afdruk van de geometrische plaatsbepaling, de verbeelding, zijn alle bestemmingen en aanduidingen naast elkaar zichtbaar.

48

6 6.1

Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Op basis van artikel 3.1.6, lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een wijzigingsplan onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. De ontwikkelingen die concreet mogelijk worden gemaakt door het wijzigingsplan moeten (economisch) uitvoerbaar zijn, omdat er anders sprake is van een oneigenlijke bestemming. Het voorliggende plan wordt gerealiseerd op particulier initiatief. De gemeente en de initiatiefnemer hebben een anterieure overeenkomst gesloten waarin de rechten en plichten van zowel de ontwikkelaar als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling van kostenverhaal. Met deze overeenkomst is het plan verzekerd van kostendekking, het opstellen van een exploitatieplan is daarom overeenkomstig artikel 6.12, lid 2 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening niet nodig. Gesteld kan worden dat er geen verplichting is om tegelijkertijd met de ruimtelijke procedure een exploitatieplan op te stellen. De economische uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is hiermee aangetoond.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1

Vooroverleg Op grond van ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voert het college van burgemeester en wethouders, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan, overleg met andere bestuursorganen van bijvoorbeeld buurgemeenten, het waterschap en de provincie. Het overleg tussen de bestuurlijke instanties dient in een redelijke verhouding te staan tot de aard en omvang van het bestemmingsplan. Het overleg dient dan ook beperkt te blijven tot die overheidsinstanties waarmee overleg werkelijk noodzakelijk is om te voorkomen dat de taak of verantwoordelijkheid van het andere overheidsorgaan ontoelaatbaar wordt beperkt, of dat het door dat orgaan te behartigen belang aantoonbaar wordt benadeeld. In deze paragraaf of in een bijlage bij dit bestemmingsplan zullen de resultaten van het overleg worden samengevat en van een antwoord worden voorzien

6.2.2

Zienswijzen Na afronding van het vooroverleg start de formele bestemmingsplanprocedure. Het ontwerpbestemmingsplan zal voor een periode van zes weken voor een ieder ter inzage gelegen. Een ieder kan in deze periode zienswijzen indienen. In deze paragraaf of in een bijlage bij dit bestemmingsplan zullen de binnengekomen zienswijzen worden samengevat en van een antwoord worden voorzien.

49

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10973336/2