Bestemmingsplan - toelichting (2021-58173)
Tekst van het document
Bestemmingsplan | Toelichting
Woningbouw Binnenweg - Rijksstraatweg, Wilp Gemeente Voorst
Datum: 5 oktober 2021 Projectnummer: 170353.02 ID: NL.IMRO.0285.8117-OW00
INHOUD 1
Inleiding
3
1.1 1.2 1.3 1.4
Aanleiding Ligging plangebied Geldende bestemmingsplan Leeswijzer
3 3 4 5
2
Planbeschrijving
6
2.1 2.2 2.3
Historische context Huidige situatie Toekomstige situatie
6 7 9
3
Beleid en regelgeving
13
3.1 3.2 3.3 3.4
Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid
13 16 17 20
4
Milieu- en omgevingsaspecten
23
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11
Vormvrije m.e.r.-beoordeling Bodem Geluid Luchtkwaliteit Bedrijven en milieuzonering Externe veiligheid Water Natuur Archeologie Cultuurhistorie Verkeer en parkeren
23 24 25 27 29 31 32 36 38 40 40
5
Juridische toelichting
43
5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6
Algemeen Inleidende regels Bestemmingsregels Algemene regels Overgangs- en slotregels De verbeelding
43 43 44 46 48 48
6
Uitvoerbaarheid
49
6.1 6.2
Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid
49 49
Bijlagen Bijlage 1: stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitplan Bijlage 2: toets aan de ladder voor duurzame verstedelijking Bijlage 3: vormvrije m.e.r.-beoordeling Bijlage 4: verkennend bodemonderzoek noordelijk deel Bijlage 5: verkennend bodemonderzoek zuidelijk deel Bijlage 6: akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 7: quick scan bedrijven en milieuzonering Bijlage 8: akoestisch onderzoek omgevingsgeluid Bijlage 9: quick scan externe veiligheid Bijlage 10: digitale watertoets Bijlage 11: riolerings- en waterhuishoudkundig plan Bijlage 12: quick scan natuur Bijlage 13: stikstofonderzoek Bijlage 14: ecologische voortoets Bijlage 15: nader soorten onderzoeken Bijlage 16: archeologisch onderzoek noordelijk deel Bijlage 17: archeologisch onderzoek zuidelijk deel Bijlage 18: memo verkeer en parkeren
1
Inleiding
1.1
Aanleiding In het kern Wilp, gemeente Voorst, bevindt zich aan de zuidoostzijde een inbreidingslocatie. De locatie wordt aan oost- en westzijde begrensd door respectievelijk de Binnenweg en de Rijksstraatweg. Het voornemen bestaat om op deze grotendeels onbebouwde locatie nieuwbouw te ontwikkelen in de vorm van 43 grondgebonden woningen en de herontwikkeling van de molenstomp. De beoogde nieuwbouwontwikkeling zal gefaseerd ontwikkeld worden. In het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Wilp 2010’ is de locatie hoofdzakelijk bestemd als ‘Agrarisch’ en voor een klein deel als ‘Wonen’. Deels kent het plangebied daarmee een geschikte bestemming, echter betreft dit slechts een klein deel van het plangebied. Bovendien mogen binnen deze woonbestemming geen nieuwe woningen worden gebouwd. Het beoogde plan past dan ook niet binnen het geldende bestemmingsplan, waardoor de realisatie van de woningen niet zonder meer mogelijk is. Om de beoogde ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken, is de vaststelling van een nieuwe bestemmingsplan voor dit gebied noodzakelijk. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.
1.2
Ligging plangebied Het plangebied is gesitueerd aan de zuidoostzijde van de kern Wilp. Het plangebied wordt begeleid door de Rijksstraatweg aan de westzijde, de Binnenweg en enkele bestaande woningen aan de oostzijde en bestaande woningbouw/bedrijvigheid aan de noord- en zuidzijde. Op de navolgende afbeeldingen is de globale ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding van dit bestemmingsplan.
Globale ligging plangebied (rode cirkel) in de kern Wilp (bron: pdokviewer.pdok.nl).
3
Globale begrenzing plangebied (rood omkaderd, bron: pdokviewer.pdok.nl).
1.3
Geldende bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied geldt op dit moment het bestemmingsplan ‘Wilp 2010’, zoals vastgesteld op 25 oktober 2010 door de gemeenteraad van Voorst. Op grond van dit bestemmingsplan gelden voor het plangebied de enkelbestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Wonen’.
Uitsnede uit verbeelding van het geldende bestemmingsplan met daarop het plangebied globaal rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl).
4
Agrarisch De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf met een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering, bedrijfswoningen, aan huis verbonden beroepen c.q. bedrijven, een bed & breakfast, recreatief medegebruik, water, waterberging en waterhuishoudkundige voorzieningen, openbare nutsvoorzieningen en bij de bestemming behorende voorzieningen. Daarnaast geldt voor een gedeelte de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - kwekerij’, waarmee ter plaatse een kwekerij is toegestaan. Onder voorwaarden mogen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gerealiseerd. Wonen De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, al dan niet in combinatie met aan huis verbonden beroepen en/of aan huis verbonden bedrijven. Tevens worden er door middel van functieaanduidingen tuinen en erven mogelijk gemaakt (respectievelijk door de aanduidingen ‘tuin’ en ‘erf’). Verder zijn openbare nutsvoorzieningen, een bed & breakfast (onder voorwaarden) en bij de bestemming behorende voorzieningen toegestaan. Onder voorwaarden mogen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gerealiseerd. Ten slotte kan onder voorwaarden worden afgeweken van de gestelde gebruiksregels.
1.4
Leeswijzer Dit bestemmingsplan is opgebouwd uit zes hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de bestaande situatie en de toekomstige situatie. In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader geschetst. Hoofdstuk 4 omvat de toetsing aan de planologische haalbaarheidsaspecten en milieuaspecten. De toelichting besluit met hoofdstukken over de opbouw van de planregels (Hoofdstuk 5) en de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid (Hoofdstuk 6).
5
2
Planbeschrijving
2.1
Historische context Wilp is het oudste dorp binnen de gemeente Voorst. In 765 wordt al gesproken van een, door Lebuïnus gestichte, kapel. Vanuit deze kapel werden de omliggende grone den ontgonnen. Met de aanleg van de Veluwsche Bandijk in de 13 eeuw neemt de bevolking verder toe. De kapel wordt vervangen door de huidige kerk en zo ontstaat het huidige nog goed herkenbare middeleeuwse dijkdorp. Buiten het dijkdorp kwam bebouwing verspreid voor langs de Binnenweg, Kerkstraat e en Dorpsstraat. Vanaf de 18 eeuw ontstaan rondom het dorp de eerste landgoederen en tot buitens verbouwde boerderijen. Met de verharding van de Rijksstraatweg in de e 19 eeuw neemt de bebouwing langs deze weg sterk toe. Dit leidt uiteindelijk tot een verdere verdichting van de linten tussen kerk en Rijksstraatweg (de Dorpsstraat en de Kerkstraat). Na de oorlog groeit het dorp opnieuw sterk. De open gebieden tussen de bebouwingslinten worden opgevuld met kleinschalige woonbuurten. Tegelijk worden diverse voorzieningen gerealiseerd, zoals het sportpark aan de noordwestzijde van het dorp en het voorzieningencluster van basisschool en dorpshuis bij het oude dijkdorp. Het meest kenmerkend van Wilp is de typische vorm van het oude dijkdorp, met de monumentale kerk in de punt van de dijk met daarachter uitwaaierende bebouwing langs de historische doorgaande wegen.
Het ruimtelijke patroon van Wilp is sterk noord-zuid georiënteerd als gevolg van de ontwikkeling langs de Rijksstraatweg en de Wilpse Dijk. Binnen het dorp benadrukken de Smittenbergstraat/Hofstraat en de Binnenweg deze noord-zuid gerichte oriëntatie verder.
1900
1950
1980
2018
Historische kaarten van het plangebied (rode cirkel) en de omgeving (bron: topotijdreis.nl). 6
2.2
Huidige situatie 2
Het plangebied is met een oppervlakte van ruim 20.000 m een omvangrijke inbreidingslocatie binnen de kern Wilp. Een belangrijke ruimtelijke structuurdrager in de omgeving van het plangebied is de Rijksstraatweg (N790). De noord-zuid lopende Rijksstraatweg grenst aan de westzijde aan het plangebied, is de stedenbouwkundige ruggengraat van Wilp en scheidt het dorp in een ouder oostelijk deel en een nieuwer westelijk deel. Tevens vormen aan de andere zijde van het plangebied de Binnenweg en de Wilpse dijk belangrijke ruimtelijke structuurdragers in de omgeving. De functionele structuur in de nabije omgeving wordt voornamelijk bepaald door de woonfunctie, sporadisch aangevuld met verspreid liggende bedrijvigheid. Het plangebied is in de huidige situatie grotendeels onbebouwd. Er zijn twee gebouwen gesitueerd binnen de grenzen van het plangebied. Dit betreft een woning en een molenstomp. De bestaande woning wordt gesloopt en de molenstomp blijft behouden en positief bestemd in voorliggend plan. Tevens is parkeergelegenheid aanwezig binnen het plangebied, behorende bij een aangrenzend autobedrijf. Deze parkeergelegenheid zal niet worden behouden. Het verder onbebouwde deel van het plangebied laat zich kenmerken als (al dan niet gemaaide) weidegrond, met opgaand groen en/of bomen aan de randen van de percelen.
In de navolgende afbeeldingen worden impressies gegeven van de huidige situatie van het plangebied. Op de luchtfoto is de te behouden molenstomp globaal aangeduid met een groene cirkel en de te slopen woning met een rode cirkel. Tevens is aangegeven vanuit waar de daarna volgende impressies zijn bezien (nummers).
1
4 2
3
Luchtfoto plangebied met daarop globaal aangegeven wat behouden blijft (groen) en wat gesloopt wordt (rood) (bron: pdokviewer.pdok.nl). 7
1
2
3
4
Impressies huidige situatie plangebied met referentie naar luchtfoto (bron: Google Street View).
8
2.3
Toekomstige situatie Om het plangebied een invulling te geven, passend bij de ruimtelijke en functionele karakteristieken zoals die bestaan in de omgeving, bestaat het voornemen om te voorzien in maximaal 44 woningen, in de vorm van 25 rijwoningen, 12 twee-ondereen-kapwoningen, 6 vrijstaande woningen en één molenwoning. Voor de inrichting van het plangebied, alsmede de uitgangspunten voor de bebouwing, is door SAB een 1 stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitplan opgesteld, welke is toegevoegd als bijlage 1 bij deze toelichting. Navolgend worden de uitgangspunten en beoogde uitwerking van de ontwikkeling uiteengezet. Ruimtelijke uitgangspunten De Rijksstraatweg en Binnenweg hebben elk een verschillend karakter. Nieuwe woningen aan de Rijksstraatweg dienen aan te sluiten bij het ‘formele’ karakter van deze laan, daar waar nieuwe woningen aan de Binnenweg juist een dorpse uitstraling (noordzijde) dan wel landelijke uitstraling (zuidzijde) mogen krijgen. De woningen aan de noordzijde zullen worden ontsloten via de Binnenweg en staan aan een dorpserf. De bebouwing en inrichting van de openbare ruimte vertonen sterke samenhang om het gevoel van een erf te versterken. De bestaande molenstomp krijgt een markante plek in het plangebied en ligt in het zicht vanaf de Rijksstraatweg. De molenstomp vormt een herkenningspunt aan een centraal pleintje waaromheen woningen beoogd zijn.
Verder is binnen het plangebied een oost-westverbinding beoogd voor langzaam verkeer. Dit betreft tevens een calamiteitenroute. Parkeergelegenheid bevindt zich op eigen terrein, zoveel mogelijk uit het zicht en groen ingepast. De groenstructuur is een belangrijk onderdeel van de hoofdstructuren zoals die gelden binnen het plangebied. Waardevolle bomen worden ingepast in het plan. In de navolgende afbeelding zijn de ruimtelijke uitgangspunten - zoals hiervoor beschreven - globaal weergegeven.
Uitgangspuntenkaart beoogde ontwikkeling (SAB). 1
SAB (2021). Stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitplan. Binnenweg, Wilp. Projectnummer: 170353. 19 april 2021. 9
Stedenbouwkundige uitwerking Door de verschillende ruimtelijke uitgangspunten ontstaan vier verschillende deelgebieden. Ieder deelgebied is onderscheidend en kent een eigen beeldkwaliteit. Het betreft de volgende gebieden: A. wonen aan een dorpserf: in dit deelgebied krijgen de woningen een dorps karakter. Dit wordt bereikt door de woningen te situeren rondom een dorpserf en dorpse materialen toe te passen, zoals baksteen en keramische pannen. De woningen worden voorzien van eenduidige hoofdvormen met beperkte accenten en een verplichte kap, waarbij overwegend sprake is van langskappen en/of mansarde kappen en één of twee lagen. Het optisch verlagen van de goothoogte versterkt het intieme karakter van het dorpserf (beoogd bij twee-onder-een-kapwoningen). De hoeken kunnen middels een architectonisch accent verbijzonderd worden, zoals een afwijkende raampartij of een verspringende goothoogte, mits dit de samenhang van het totaal niet ondermijnt. Ten slotte is aandacht voor duurzaamheid door toepassing van mee-ontworpen zonnepanelen in het dakvlak, groen(zones) en ecologisch waardevolle hagen als erfafscheiding; B. wonen rond de molen: in dit deelgebied krijgen de woningen een dorps karakter met een meer 'industriële uitstraling', passend bij de bestaande molenstomp. De woningen staan samen met de molenstomp gesitueerd rondom een dorpspleintje.
De architectuur rond het molenplein heeft een ingetogen karakter met simpele hoofdvormen, waardoor de molenstomp extra markant wordt in het beeld. De woningen bestaan uit maximaal twee lagen met een (langs)kap. Voor de molenstomp geldt het credo ‘behoud door ontwikkeling’; eigentijdse ingrepen zijn toegestaan, mits het industriële karakter van de molenstomp niet wordt aangetast. Het pleintje waaraan de woningen zijn beoogd is toegankelijk vanaf de Rijksstraatweg en is uitgevoerd in klinkers. Ten slotte is aandacht voor duurzaamheid door toepassing van mee-ontworpen zonnepanelen in het dakvlak, groen(zones), ecologisch waardevolle hagen als erfafscheiding en waterdoorlatende parkeervakken; C. wonen aan de Rijksstraatweg: de bebouwing vormt de schakel tussen de woningen ten noorden van het plangebied en de woningen ten zuiden van het plangebied. Karakteristiek voor de bestaande woningen is de individuele verschijningsvorm van de woningen, er is veel variatie. De nieuwe woningen worden onder architectuur gebouwd. De woningen worden voorzien van twee lagen met kap en hebben een royale voortuin. De detaillering is zorgvuldig en kent dorpse details. Wederom is nadrukkelijk aandacht voor een groene uitstraling, duurzame erfafscheidingen en de toepassing van zonnepanelen; D.
wonen aan de Binnenweg: de drie kavels aan de Binnenweg zijn vrije kavels die passen binnen de landelijke uitstraling die de Binnenweg hier heeft. De woningen zijn maximaal anderhalve laag met kap en kennen een eenduidige hoofdmassa. Het is van belang dat de woningen een individuele, landelijke uitstraling krijgen door te variëren in omvang, gevelverhoudingen en architectuur. Verder is aandacht voor duurzaamheid door de toepassing van ecologisch waardevolle hagen en hemelwaterberging op eigen terrein. Voor een uitgebreide beschrijving van de stedenbouwkundige opzet en beeldkwaliteit per deelgebied wordt verwezen naar het beeldkwaliteitplan, dat als bijlage bij zowel de toelichting als de regels is opgenomen. Het beeldkwaliteitplan wordt door de gemeenteraad vastgesteld en vormt daarmee straks het formele toetsingskader voor welstand bij aanvragen voor een omgevingsvergunning. Navolgende afbeelding toont een im-
10
pressie van de beoogde inrichting van het plangebied, waarbij tevens de verschillende deelgebieden zijn aangeduid.
Uitgangspunten stedenbouwkundige opzet, met daarop de deelgebieden aangeduid (bron: SAB)
Fasering De voorgenoemde stedenbouwkundige opzet wordt gefaseerd mogelijk gemaakt. In eerste instantie de ontwikkeling van de deelgebieden A en D bij recht mogelijk gemaakt, aangevuld met de (her)ontwikkeling van de molenstomp. In totaal gaat het om 29 woningen. Uit een woningbehoefteonderzoek volgt immers een kwantitatieve opgave van 20 tot 30 woningen tot 2025. De deelgebieden B en C worden op een later moment ontwikkeld, op voorwaarde dat de behoefte is aangetoond. Hiervoor is in dit bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Programmatische uitgangspunten Het functioneel programma bestaat uit zowel rij-, twee-onder-één-kap- als vrijstaande woningen. Zo is er sprake van een divers programma, gericht op meerdere doelgroepen. Er doen zich in het plangebied mogelijkheden voor om een deel van de woningen voor de starters- en/of seniorendoelgroep te realiseren, maar hierbij geldt dat ook de gezinnen een woning in het plangebied kunnen vinden. Dit biedt kansen om de doorstroming op de woningmarkt te stimuleren. Doorstromers zijn veelal ‘oude’ starters, die op zoek zijn naar een nieuwe woning om zo een stap te kunnen maken in hun ‘wooncarrière’. Deze doelgroep laat een woning achter, die vaak geschikt is voor starters. Verder krijgen diverse woningen in het plangebied een levensloopbestendig ka-
11
rakter door bijvoorbeeld garages in te richten als extra slaapkamer. Het gaat om circa 6 tot 8 woningen in het plangebied. Overwogen wordt om enkele vrijstaande woningen als vrije kavels uit te geven, zodat mensen hun eigen ‘woonwens’ op deze kavel kunnen verwezenlijken. Verder geldt de volgende verdeling in segmenten:
Segment Betaalbaar Midden Vrij Totaal
Totaal # 17 14 13 44
Fase 1
% 38,6% 31,8% 29,5% 100%
# 12 10 7 29
% 41,4% 34,5% 24,1% 100%
Fase 2 # 5 4 6 15
% 33,3% 26,7% 40,0% 100%
Duurzaamheid en ecologie Een duurzame ontwikkeling, met ruimte voor ecologische waarden, is uitgangspunt, zowel bij de inrichting van de openbare ruimte en de bouw van de woningen: door in de openbare ruimte de hoeveelheid benodigde verharding te minimaliseren, is er een ruime hoeveelheid groen aanwezig, dat onder andere ingericht wordt als wadi; bestaande bomen worden zoveel mogelijk behouden en nieuwe bomen worden aangeplant, die bijdragen aan het microklimaat (schaduw en verkoeling); beplanting is bij voorkeur inheems en draagt bij aan de biodiversiteit; de combinatie van hagen en bloemrijke graslanden biedt een goed leefgebied voor de huismus; vanwege de groene inrichting met bomen en hagen ontstaat goed foerageergebied voor vleermuizen; de steenuil heeft baat bij extensief beheerd grasland, met zowel kort als lang kruidenrijk gras als foerageergebied; straatverlichting minimaliseren, zodat de verstoring op de natuur minimaal is. Zorg ook dat de lantaarns alleen naar beneden schijnen en niet naar de zij- of bovenkant.
per twee woningen wordt er minimaal één inbouwkast gerealiseerd voor vleermuizen, huismussen of gierzwaluwen; in elke groenzone worden minimaal twee insectenkasten of bijenhotels geplaatst; iedere woning krijgt bij oplevering een regenton voor het opvangen en vertraagd laten infiltreren van het regenwater; bij de oplevering van de woningen krijgen nieuwe bewoners een wegwijzer (flyer) mee die inzicht geeft in de mogelijkheden voor een ecologische inrichting van de tuin. Dit tezamen maakt dat wordt voorzien in een woningbouwontwikkeling die nadrukkelijk past binnen de ruimtelijke en functionele kenmerken zoals die bestaan rondom c.q. binnen het plangebied. Waarbij zowel op grote als kleine schaal aandacht is voor duurzaamheid en ecologie.
12
3
Beleid en regelgeving
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
De Nationale Omgevingsvisie De NOVI Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving met ambities. In deze NOVI worden de nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Er worden vier prioriteiten voor Nederland geformuleerd: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven; 1 Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Er wordt weer gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van ruimte. 2 Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: er moet altijd gekeken worden naar de context van het gebied. Keuzes in verschillende gebieden kunnen daarom verschillen. 3 Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.
Toetsing Het Rijk zet in de NOVI onder andere in op de energietransitie, duurzaam groeipotentieel, sterke en gezonde steden, combinaties van functies en identiteit. Gelet op het feit dat er met voorliggend plan wordt voorzien in een duurzame en toekomstbestendige inrichting, waarbij de bestaande kwaliteiten en kenmerken centraal staan, wordt een bijdrage geleverd aan het realiseren van de Rijksprioriteiten uit de NOVI.
3.1.2
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) bepaalt welke kaderstellende uitspraken van het kabinet bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Ecologische hoofdstructuur (thans Natuurnetwerk Nederland (NNN)), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen.
13
Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij de Ecologische Hoofdstructuur (thans NNN) en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Ten aanzien van de begrenzing van de EHS (thans NNN) is bepaald dat niet het rijk, maar de provincies die grenzen (nader) bepalen. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Toetsing Het voorgenomen plan raakt geen van de nationale belangen en is niet in strijd met het bepaalde in de SVIR en het Barro. 3.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking (Bro 3.1.6 tweede lid) Vanuit het Rijk wordt een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte bevorderd. Hiervoor is de Ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd en als procesvereiste opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de Ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Toetsing Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bro opgenomen.
Een stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of ande2 re stedelijke voorzieningen’. Uit jurisprudentie blijkt dat een woningbouwplan dat voorziet in de realisatie van maximaal 11 woningen binnen een dorpskern niet hoeft te worden aangemerkt als woningbouwlocatie of een andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Met voorliggend initiatief worden maximaal 44 woningen opgericht. Hiermee is een toets aan de Ladder voor duurzame ontwikkeling noodzakelijk. Hiervoor is een afzonderlijke rapportage 3 opgesteld , die als bijlage bij de toelichting is opgenomen. De belangrijkste conclusies worden navolgend beschreven.
2
Zie hiervoor de uitspraak van de ABRvS d.d. 16 september 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2921).
3
SAB (2020). Toets Ladder voor duurzame verstedelijking. Wilp, Woningbouw Binnenweg. Projectnummer: 170353.02. 16 oktober 2020. 14
Kwantitatieve behoefte Gelet op de positieve huishoudensontwikkeling binnen de gemeente Voorst, de kwantitatieve woonopgave van de gemeente, het feit dat de ontwikkeling reeds onderdeel uitmaakt van de gemeentelijke woningbouwprogrammering, de concrete woonbehoefte in Wilp en de oplopende druk op de woningmarkt in de regio Stedendriehoek, wordt geconcludeerd dat er behoefte bestaat aan nieuwe woningen in Wilp. De behoeftebepaling van de tweede fase van het plan zal aan de orde komen bij het eventueel effectueren van de wijzigingsbevoegdheid. Kwalitatieve behoefte Gelet op de kwalitatieve huishoudensontwikkeling met bijbehorende woonwensen (behoefte aan woningtypen) kan gesteld worden dat het plan met haar diverse woonprogramma aansluit bij de demografische ontwikkelingen in het verzorgingsgebied. Er is in het plangebied immers ruimte voor woningen voor starters, senioren en gezinnen. Meer specifiek geldt in Wilp een concrete kwalitatieve behoefte aan rij- en twee-onderéén-kapwoningen. Door in dit plan 86% van het totale programma in deze woningtypen te realiseren wordt een concrete bijdrage aan deze kwalitatieve behoefte geleverd. Tevens worden er concrete ambities waargemaakt op het gebied van betaalbaarheid (30% van het programma) en levensloopbestendigheid.
In het plan is slechts in zeer beperkte mate ruimte voor enkele vrijstaande woningen, deze woningen zorgen voor het waarmaken van het landelijke en dorpse woonmilieu. Bovendien worden met dit plan ook diverse concrete bijdragen geleverd aan het realiseren van regionale en gemeentelijke volkshuisvestelijke ambities uit de woonvisie, waaronder het realiseren van ambities op het gebied van ruimtelijke kwaliteit en leefbaarheid (behoud jongeren en aantrekken ‘terugkeerders’). Dit maakt dat de ontwikkeling voorziet in een kwalitatieve behoefte van het verzorgingsgebied. De ontwikkeling van het plangebied ten behoeve van woningbouw sluit aan op de woningbehoefte in de regio en gemeente en anticipeert op de demografische ontwikkelingen door in te zetten op een divers woonprogramma voor diverse doelgroepen. Daarbinnen is nadrukkelijk ruimte geboden voor het realiseren van ambities op het gebied van onder andere betaalbaarheid en levensloopbestendigheid. Tevens wordt aangesloten op de gemeentelijke ruimtelijke en volkshuisvestelijke beleidsafspraken en is het plan reeds opgenomen in de regionaal afgestemde gemeentelijke woningbouwprogrammering. De ontwikkeling voorziet daarom in een behoefte binnen het verzorgingsgebied. Voor de tweede fase van het plan zal te zijner tijd, bij effectuering van de wijzigingsbevoegdheid, de behoefte worden onderzocht.
Ligging binnen bestaand stedelijk gebied Geconcludeerd wordt dat voorliggende ontwikkeling voorziet in een ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied, waardoor sprake is van inbreiding. Conclusie De nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. Geconcludeerd wordt dat voorliggende ontwikkeling volledig binnen bestaand gebied wordt gerealiseerd. Het plan voldoet daarmee aan de Ladder voor duurzame verstedelijking en is niet in strijd met het Rijksbeleid.
15
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie Gelderland Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. Sinds 1 maart 2019 is deze omgevingsvisie van kracht. De provincie heeft in de omgevingsvisie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal gesteld. Gezond en veilig. Dat is een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat = voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En, dat = aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid. Schoon en welvarend. Dat is een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat = ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie. Onderdeel van de omgevingsvisie zijn diverse thematische visieschetsen met de volgende thema’s: Energietransitie: van fossiel naar duurzaam. Klimaatadaptie: omgaan met veranderend weer. Circulaire economie: sluiten van kringlopen. Biodiversiteit: werken met de natuur. Bereikbaarheid: duurzaam verbonden. Vestigingsklimaat: een krachtige, duurzame topregio.
Woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam.
3.2.2
Omgevingsverordening Gelderland In de Omgevingsverordening Gelderland staan regels beschreven, welke ervoor moeten zorgen dat de Omgevingsvisie Gelderland ook daadwerkelijk kan worden uitgevoerd. De omgevingsverordening dient dan ook als een juridisch instrument en beperkt zich tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. Daarmee dient de omgevingsverordening als een toetsingskader bij het opstellen van nieuwe ruimtelijke plannen, zoals een bestemmingsplan of een uitgebreide afwijkingsprocedure. De omgevingsvisie bevat de strategische ambities voor de lange termijn. verordening voorziet ten opzichte van de omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De omgevingsverordening oriënteert zich net zo breed als de omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevings16
verordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Actualisatie omgevingsverordening Op 22 september 2020 hebben Gedeputeerde Staten het ontwerp voor de Omgevingsverordening vastgesteld. Dit ontwerp heet ook wel actualisatieplan 7. Naar verwachting nemen Provinciale Staten in het voorjaar van 2021 een besluit over deze actualisatie Toetsing Raadpleging van de digitale kaarten van de Omgevingsvisie en -verordening Gelderland heeft uitgewezen dat het plangebied meerdere thema’s raakt. Zo ligt het plangebied in zijn geheel binnen een intrekgebied. In een bestemmingsplan krijgen intrekgebieden geen bestemming die de winning van fossiele energie, zoals aardgas, aardolie, schaliegas en steenkoolgas, mogelijk maakt. Onderhavig plan voldoet hieraan en vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan. Verder is het thema ‘woon- en leefomgeving’ van belang. Voor nieuwe woonlocaties stelt de Omgevingsverordening Gelderland (artikel 2.1 en 2.2) dat in een bestemmingsplan nieuwe woonlocaties en de daar te bouwen woningen slechts worden toegestaan wanneer dit past in de regionale woonagenda.
De onderliggende woningbouwontwikkeling is meegenomen in de woningbouwprogrammering en maakt onderdeel uit van de plannen die zijn opgenomen in de regionale woonagenda. Verder valt te lezen dat inbreiding boven uitbreiding gaat. Met voorliggend plan is sprake van een passende invulling van een inbreidingslocatie binnen de kern Wilp. Daarmee is het plan in lijn met het gestelde in de Omgevingsvisie en -verordening. Conclusie Het provinciaal beleid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
3.3
Regionaal beleid
3.3.1
Regionale Structuurvisie Stedendriehoek 2030 De Regionale Structuurvisie Stedendriehoek 2030 is in mei 2007 vastgesteld door de gemeenteraden van Apeldoorn, Brummen, Deventer, Lochem, Voorst en Zutphen. In deze visie staan de gemeenschappelijke ambities voor de lange termijn tot 2030. De gemeenten streven naar een hoogwaardige ruimtelijke ontwikkeling van de Stedendriehoek als geheel. Behoud en versterking van de samenhang en variatie in woon-, werk- en recreatiegebieden, met het gelijktijdig ontwikkelen van nieuwe kwaliteiten in water, natuur, landschap en landbouw, staan centraal. Om deze centrale doelstelling concreet te maken, zijn de volgende vijf strategische keuzen geformuleerd: duurzaam waterbeheer als basis voor ruimtelijke ontwikkeling; natuur, landschap en landbouw ontwikkelen in functiecombinaties; regionale bereikbaarheid verbeteren door hoogwaardig openbaar vervoer; stedelijke herstructurering gaat boven nieuwe stadsuitbreidingen; toevoegen van centrum-stedelijke en landelijke woonmilieus.
17
De volgende concrete aspecten worden van belang geacht voor de Stedendriehoek in 2030: het landschap blijft ‘open’; het versterken van stedelijke voorzieningen en openbaar vervoer; het stimuleren van innovatieve regionale economie; het reduceren van automobiliteit door goede koppelingen aan openbaar vervoer en fietsgebruik; het vergroten van variatie in de samenstelling van de stedelijke bevolking en de woningvoorraad. In de verstedelijkingsopgave voor het wonen binnen de Stedendriehoek speelt het bestaand stedelijk gebied een prominente rol: de Stedendriehoek kiest uitdrukkelijk voor verdere herstructurering en intensivering van het bestaand stedelijk gebied boven nieuwe stadsuitbreidingen. Via stedelijke herstructurering is het ontwikkelen van aantrekkelijke centrum-stedelijke woonmilieus in en rond bestaande binnensteden een belangrijke opgave. Verhoging van de kwaliteit van de openbare ruimte, het beleefbaar maken van stedelijke karakteristieken en versterking van het aanbod aan stedelijke voorzieningen en openbaar vervoer, zijn belangrijke elementen van deze opgave. Voor de reeds lopende en geplande stadsuitbreidingen geldt dat deze ontwikkelingen gewoon afgerond worden. Toetsing Onderhavig plan past binnen de kaders van de regionale structuurvisie.
Het plan voorziet in de bouw van een gedifferentieerd aanbod woningen, waarbij duurzaamheids-, water- en natuuraspecten leidend zijn en worden versterkt. In totaal voorziet het plan in maximaal 44 woningen, waarbij verschillende doelgroepen worden aangesproken in een landelijk en dorps woonmilieu. Met de ontwikkeling wordt een invulling gegeven aan een relatief grootschalige inbreidingslocatie, waarbij wordt aangesloten bij de ruimtelijke en functionele karakteristieken zoals die voorkomen in de omgeving van het plangebied. 3.3.2
Woonagenda Cleantech Regio 2018 De gemeente Voorst maakt deel uit van de Cleantech Regio waarbinnen de samenwerkende gemeenten op regionaal niveau afspraken maken. Dit gebeurt onder meer op het gebied van woningbouw in de regionale woonagenda. In de onlangs (eind 2020) geëvalueerde en herijkte regionale woonagenda is de woningbehoefte voor de regio tot 2030 uiteengezet. Met de woningbouwprogrammering in de regio wordt gestuurd op kwaliteit. Het behouden en versterken van de woonkwaliteit vraagt om de juiste woning, voor de juiste doelgroep, op de juiste plek in de regio. Daarbij kan woningbouw niet los worden gezien van de lokale woningbehoefte, het bestaande woningaanbod, de specifieke plek en veranderende woningbehoefte. Daarvoor is bovenal maatwerk op lokaal niveau. Om vanuit de gezamenlijke ambitie op kwalitatieve groei te sturen zijn richtinggevende principes ontwikkeld voor het lokaal beoordelen van woningbouwplannen. Het gaat daarbij om drie speerpunten: Woningbouw draagt bij aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit van de bestaande stad, wijk, dorp, kern en buitengebied;
18
Woningbouw is behoeftegericht, past bij de lokale vraag van een specifieke doelgroep en levert een strategische (toekomstgerichte) aanvulling op het bestaande woningaanbod; De programmering is flexibel en kan aangepast worden om goed te blijven aansluiten op de speerpunten van ons beleid en actuele marktontwikkelingen. In het onderstaande schema zijn deze speerpunten nader uitgewerkt.
Speerpunten regionale woonagenda (bron: Cleantech Regio)
Naast de kwalitatieve afspraken, zijn in regionaal verband ook kwantitatieve afspraken gemaakt voor de periode 2020 - 2030. In de regionale woonagenda is per gemeente een bandbreedte opgenomen tussen de behoefte op basis van huishoudensgroei (lage bandbreedte) en het inlopen van een theoretisch woningtekort (hoge bandbreedte). In de regio wordt per gemeente gekoerst op een realistisch woningbouwprogramma waarbij vraag een aanbod goed op elkaar aansluiten. Toetsing Binnen de kwantitatieve afspraken continueert de gemeente Voorst haar koers om gemiddeld 80 woningen per jaar toe te voegen. De gemeente Voorst zet in op een realistische prognosticering waarbij het belangrijk is dat woningbouw aansluit op de korte- en lange termijn behoefte, alsmede het dorpse karakter. Met voorliggend plan wordt voorzien in een gevarieerd woningbouwprogramma, waarmee vrijwel iedere doelgroep wordt aangesproken. Daarnaast wordt een inbreidingslocatie voorzien van een passende invulling en is sprake van fasering, waarmee kan worden ingespeeld op veranderingen op de woningmarkt. Voorliggend plan is in lijn met het gestelde in de Woonagenda Cleantech Regio. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met het regionaal beleid.
19
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
Ruimtelijke Toekomstvisie Voorst Op 18 december 2017 heeft de gemeente Voorst de Ruimtelijke Toekomstvisie Voorst (RTV) ‘Kwaliteit, Verbinding en Duurzaamheid’ vastgesteld. De RTV is vooruitlopend op de nieuwe Omgevingswet (treedt naar verwachting in 2022 in werking) opgesteld. De Ruimtelijke Toekomstvisie Voorst heeft een dubbele doelstelling. Enerzijds wil de gemeente met de samenleving ambities bepalen en vervolgens deze ook behalen. Anderzijds fungeert de visie ook als een toetsingskader voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. In het gehele ruimtelijke beleid is de identiteit leidend. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten hierbij passen en die waar mogelijk versterken. Met identiteit doelt de gemeente op: de diversiteit en kwaliteit van de landschappen in de gemeente, de bijzondere monumenten en cultuurhistorie, de dorpse schaal van de kernen, de menselijke maat en de krachtige sociale samenhang in de gemeente. Een extra element dat de gemeente aan die identiteit wil toevoegen is duurzaamheid. Het gaat dan om de wens en de noodzaak om de ruimtelijke, economische en sociale kwaliteiten toekomstbestendig te maken. Er kan daarbij gebruik gemaakt worden van de ontwikkelingen in de Cleantech Regio die mikt op het stimuleren van schone technologie en een circulaire economie.
Vanuit de gemeentelijke identiteit is naar thema’s gekeken en naar ontwikkelingen die staan te gebeuren. In deze visie formuleert de gemeente strategische beleidskeuzes, gericht op het behouden en versterken van de identiteit, op de volgende thema’s: wonen, leefbaarheid en sociale cohesie; werken, innovatie en recreatie; omgeving en landschap; energie en Klimaat. Toetsing Op het aspect wonen worden in de ruimtelijke toekomstvisie vier pijlers onderscheiden (gedestilleerd uit de Woonvisie Aantrekkelijk Voorst 2025, die verderop in deze paragraaf aan bod komt), namelijk: aantrekkelijke woongemeente, betaalbaarheid en beschikbaarheid, kwaliteit van de woningvoorraad en vergrijzing en wonen met zorg. Met voorliggend plan wordt nadrukkelijk beantwoord aan deze pijlers op het gebied van wonen. Zo is sprake van een divers woonprogramma, met kansen voor betaalbare en levensloopbestendige woningen. dit betekent huisvestigingsmogelijkheden voor starters, gezinnen én senioren. Tevens zet de gemeente Voorst in op inbreiding voor uitbreiding met betrekking tot woningbouwontwikkeling, waar eveneens aan wordt voldaan. Ten slotte doen zich kansen voor om klimaatadaptie, leefbaarheid en duurzaamheid een meer prominente rol te geven.
De voorgenomen ontwikkeling kent immers vele en hoge duurzaamheidsambities, alsmede maatregelen waarmee hittestress en wateroverlast worden voorkomen en de mogelijk voor biodiversiteit om te floreren wordt versterkt. Dit tezamen maakt dat de voorgenomen woningbouwontwikkeling nadrukkelijk beantwoord aan de visie van de gemeente Voorst.
20
3.4.2
Dorpsvisie Wilp In de Dorpsvisie Wilp (2008) is het ruimtelijke programma voor Wilp nader uitgewerkt. Dit betekent concreet dat een aantal locaties zijn aangewezen voor nieuwbouw. Behalve de locatie van de voormalige Rabobank, bevinden deze zich allemaal ten zuiden van de Dorpsstraat, tussen de Rijksstraatweg en Binnenweg in. Toetsing Het voorliggende plangebied wordt specifiek genoemd als inbreidingslocatie (Kruitbos/molenstomp). Ten tijde van het opstellen van de dorpsvisie werd ter plaatse gedacht aan circa 20 woningen. Naast aantallen is in de visie eveneens ingegaan op de kwalitatieve ambities. Er dient in de kernen van Wilp ‘dorps’ te worden gebouwd in aansluiting op de bestaande woonmilieus. Voor een kern als Wilp betekent dit dat er in dichtheden van 10 tot maximaal 25 woningen per hectare kan worden gebouwd. Dit betreft dichtheden inclusief wegen en verblijfsruimten. De kwalitatieve invulling van het woningbouwprogramma betreft de verdeling van het programma over de verschillende woningbouwcategorieën. Het voorliggende plan voldoet hier nadrukkelijk aan. Er worden verschillende deelgebieden gerealiseerd, zodat maximaal kan worden ingespeeld op de bestaande karakteristieken zoals die in de omgeving van het plangebied voorkomen.
Daarnaast wordt met het plan voorzien in een gemengd programma met verschillende woningcategorieën, zodat het plan meerdere doelgroepen aanspreekt.
3.4.3
Woonvisie Aantrekkelijk Voorst 2025 In 2017 heeft de gemeente Voorst de woonvisie ‘Woonvisie Aantrekkelijk Voorst 2025’ vastgesteld. De gemeente Voorst identificeert zich als een groene gemeente die goed bereikbaar is vanuit de drie stedelijke centra (Zutphen, Deventer en Apeldoorn) en waar ondanks de geringe grootte een goed voorzieningenaanbod is. De gemeente richt zich daarom ook op vier pijlers: 1 Aantrekkelijke woongemeente: hier zet de gemeente Voorst onder meer in op het inspelen op veranderende woonbehoeften en het verbeteren van de leefbaarheid in de gemeente. Bij nieuwbouw vindt kwalitatieve sturing plaats, waarbij gebouwd wordt voor de behoefte van nu, maar ook voor langere termijn. Hierbij wordt ingezet op een divers woningaanbod dat aansluit bij woonwensen van verschillende doelgroepen. Leefbaarheid wordt gestimuleerd. 2 Beschikbaarheid en betaalbaarheid: vraag en aanbod van de sociale huurwoningen en bereikbare koopwoningen staat hier centraal. Voor lagere en middeninkomens moet de woonvraag bediend worden, door te zorgen voor voldoende aanbod sociale huurwoningen en bereikbare kooopwoningen. 3 Kwaliteit van de woningvoorraad: het gaat hier vooral om het verbeteren van de duurzaamheid van woningen in de gemeente. 4 Vergrijzing en wonen met zorg: de vergrijzing heeft gevolgen voor het wonen en de zorg. Langer zelfstandig wonen is het uitgangspunt.
Toetsing In de gemeentelijke woonvisie wordt aangegeven dat de vraag naar woningen in de gemeente Voorst de komende jaren toeneemt als gevolg van een groei van het aantal huishoudens. Het gaat om circa 800 huishoudens in de periode 2015-2025, voorna-
21
melijk als gevolg van huishoudensverdunning. De gemeente zet in op een jaarlijkse realisatie van circa 80 woningen. De gemeente geeft daarbij aan dat de meeste van deze woningen onderdeel uitmaken van bestaande plannen. Daarbij wordt wel rekening gehouden met het feit dat een deel van de plancapaciteit uiteindelijk niet gerealiseerd zal worden. Daarom is het uitgangspunt om een totale planruimte van 900 woningen aan te houden voor de periode 2015-2025. Uit de speerpunten volgt verder onder meer dat de gemeente de ambitie heeft om de voorraad aan goedkope koopwoningen te vergroten, evenals het woonaanbod voor ouderen. Verder wordt in de woonvisie aangegeven dat de gemeente kiest om in de middelgrote kernen, zoals Wilp, minimaal 30% van de nieuwbouwproductie in het segment ‘sociaal’ te laten vallen. In voorliggend plan wordt aan deze ambitie voldaan: 13 van de 43 nieuwbouwwoningen behoort tot het segment ‘betaalbaar’. Het gaat om 30% van het programma. Voor de eerste fase geldt zelfs dat 10 van de 28 woningen (36%) betaalbaar is. Voor deze woningen wordt nu een directe bouwtitel opgenomen. Verder is er met de realisatie van 6 tot 8 levensloopbestendige woningen ook nadrukkelijk aandacht voor de seniorendoelgroep en wordt met de mix aan grondgebonden woningtypen (vrijstaande, twee-onder-één-kap-, én rijwoningen) woningaanbod voor vrijwel alle doelgroepen gerealiseerd.
Conclusie Voorliggend initiatief is in lijn met het gemeentelijk beleid.
22
4
Milieu- en omgevingsaspecten Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven) gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema’s cultuurhistorie, archeologie, bodem, ecologie, externe veiligheid, geluid, luchtkwaliteit, milieuzonering, geur, water, het Besluit milieueffectrapportage en verkeer en parkeren.
4.1
Vormvrije m.e.r.-beoordeling Algemeen Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is het noodzakelijk om ten behoeve van een bestemmingsplan dat kaderstellend is voor projecten met grote milieugevolgen, een plan-m.e.r. op te stellen. Onderdeel D van de bijlage Besluit m.e.r. geeft de omvang van dergelijke projecten. Hierbij geldt sinds de aanpassing van het Besluit m.e.r. per 1 april 2011 de omvang als richtwaarde en niet als absolute drempelwaarde. Daarom is altijd een toets noodzakelijk om na te gaan of sprake is van een project met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EUrichtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van de projecten, plaats van de projecten en kenmerken van het potentiële effect. Het mag duidelijk zijn dat wanneer een project ruim beneden de omvang uit de bijlage van het Besluit m.e.r. blijft, deze beoordeling beknopt kan zijn. Toetsing De voorgenomen ontwikkeling is aan te merken als een activiteit genoemd onder D.11.2 (stedelijke ontwikkelingen) van de bijlage behorend bij het Besluit milieueffectrapportage. De bouw van 44 woningen kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject, maar blijft onder de drempelwaarde van 2.000 woningen.
Dit neemt niet weg dat in dit geval een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling heeft plaatsgevonden en is verwoord in een afzonder4 lijke rapportage , die als bijlage bij de toelichting is opgenomen. Uit de m.e.r.-beoordeling blijkt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het project die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Uitsluitend voor wat betreft natuur zijn er mogelijk negatieve milieueffecten, maar die zijn zeer gering en niet als een belangrijk negatief milieueffect te kwalificeren. De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r.-(beoordelings-) procedure is daarom niet nodig.
4
SAB (2021). Vormvrije m.e.r.-beoordeling. Binnenweg, Wilp. projectnummer: 170353.02. 24 maart 2021. 23
Conclusie Gelet op de kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiele effecten, zullen er geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Er zijn geen ernstige milieugevolgen te verwachten die het nodig maken een m.e.r.(beoordelings) procedure te volgen.
4.2
Bodem Algemeen In het kader van de te verlenen omgevingsvergunning moet zijn aangetoond dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Hiertoe is het uitvoeren van een verkennend milieukundig bodem- en grondwateronderzoek noodzakelijk. Toetsing Bodemonderzoek noordelijk deel Ter plaatse van het noordelijk deel van het plangebied is een verkennend bodemon5 derzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: op zintuiglijke wijze is in vijf boringen in de bovengrond zwak tot matig puin aangetroffen, waarbij in één boring eveneens zwak koolas is aangetroffen; tijdens het veldonderzoek is in de bodem op zintuiglijke wijze geen ‘asbestverdacht’ materiaal aangetroffen; ter plaatse van de (kadastrale) percelen 1666 en 1665 kan geconcludeerd worden dat: in bovengrond-mengmonster BG-1 weiland een lichte verontreiniging met kobalt en lood is aangetroffen; In bovengrond-mengmonster BG-2 weiland een lichte verontreiniging met lood is aangetroffen; ter plaatse van het (kadastrale) perceel 1665 (erf) kan worden geconcludeerd dat: in bovengrond-mengmonsters BG erf lichte verontreinigingen met kobalt, lood, zink en PAK (10 van VROM) zijn aangetroffen; in ondergrondmengmonster OG-1 geen van de onderzochte stoffen zijn aangetroffen in een concentratie boven de streefwaarde of detectiegrens van de desbetreffende stof; in het
grondwater uit peilbuis 14 een lichte verontreiniging met barium is aangetroffen; ter plaatse van het (kadastrale) perceel 1664 kan worden geconcludeerd dat: in zowel bovengrond-mengmonsters BG paardenbak en BG perceel 1664 als ondergrondmengmonster OG perceel 1664 geen van de onderzochte stoffen zijn aangetroffen in een concentratie boven de streefwaarde of detectiegrens van de desbetreffende stof; in de vloerbedekking uit de paardenbak geen asbest aangetroffen is; in het grondwater uit peilbuis 2 een lichte verontreiniging met barium is aangetroffen.
5
De Klinker (2013). Verkennend bodemonderzoek. Binnenweg 19, Wilp. Rapportnummer: 213060BW11. 8 mei 2013. 24
De aangetroffen (licht) verhoogde gehaltes vormen geen aanleiding tot het doen van nader onderzoek. De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is geschikt voor het beoogde gebruik. Volledigheidshalve dient te worden vermeld dat het verkennend bodemonderzoek dateert uit 2013. Omdat er tussentijds geen vervuilende (bodem)activiteiten in het plangebied hebben plaatsgevonden, wordt het niet nodig geacht het voornoemde onderzoek te actualiseren. Bodemonderzoek zuid(west)elijk deel Ook aan de zuid(west)zijde van het plangebied is voorzien in een verkennend bodem6 onderzoek . Op basis van dit onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: ter plaatse van de voormalige ondergrondse olietank in de grond is sprake van een sterke verontreiniging met minerale olie en licht tot matige verontreiniging met vluchtige aromaten. Daarnaast is nikkel licht verhoogd. In het grondwater is sprake van een matige verontreiniging met minerale olie en licht verhoogde concentraties aan vluchtige aromaten; op het overige onderzochte deel van de locatie zijn in de boven- en ondergrond diverse chemische parameters aangetoond in een licht verhoogd gehalte. Deze lichte verontreinigingen vormen geen aanleiding tot het doen van nader onderzoek. De resultaten wijzen op een diffuus aanwezige lichte bodemverontreiniging als gevolg van het langdurig historisch gebruik van de locatie.
Er zijn geen aanwijzingen dat op de locatie (behoudens ter plaatse van de voormalige ondergrondse tank) sprake is van sterke grond- en/of grondwaterverontreiniging. De verontreiniging ter plaatse van de voormalige ondergrondse olietank is voldoende vastgesteld. Uitgaande van historische verontreiniging wordt gezien de beperkte om3 vang van de sterke grondverontreiniging (10 m ) overeenkomstig voorgaande onderzoeken geconcludeerd dat geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Aanbevolen wordt de verontreinigde grond te verwijderen . Hiermee worden de gebruiksbeperkingen opgeheven en zijn de gronden geschikt voor de functie wonnen. Omdat geen sprake is van een ernstige bodemverontreiniging hoeft voor deze sanering geen saneringsplan te worden opgesteld of een BUS-procedure te worden doorlopen. Geadviseerd wordt een plan van aanpak op te stellen en in te dienen bij het bevoegd gezag en na goedkeuring de werkzaamheden onder milieukundige begeleiding uit te laten voeren door een gecertificeerde aannemer. Conclusie Met inachtneming van het voorgaande vormt het aspect 'bodem' geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
4.3
Geluid Algemeen De mate waarin het geluid onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het bestemmingsplan moet volgens de Wgh worden
6
Ortageo Noordoost B.V. (2019). Verkennend en nader bodemonderzoek locatie aan de Binnenweg in Wilp. Rapportnummer: 210988/R02. 8 oktober 2019. 25
aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Wegen met een maximale snelheid van 30 km/uur zijn uitgesloten van akoestisch onderzoek en dienen enkel in het kader van een goede ruimtelijke ordening worden onderzocht. Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of de geluidbelasting binnen de waarden valt zoals deze voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De voorkeursgrenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. Voor spoorweglawaai bedraagt de voorkeursgrenswaarde 55 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk. Burgemeester en Wethouders zijn binnen de grenzen van haar eigen beleid en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting. Toetsing Met voorliggend plan worden geluidgevoelige objecten mogelijk gemaakt (woningen). om de geluidbelasting op de woningen inzichtelijk te maken is voorzien in een akoes7 tisch onderzoek wegverkeerslawaai .
Daaruit kan het volgende worden geconcludeerd (de bouwblokken waarover wordt gesproken zijn na de opsomming weergegeven): de geluidbelasting vanwege de Rijksstraatweg (N790) bedraagt maximaal 54 dB. Dit is hoger dan de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting, maar lager dan de maximale ontheffingswaarde. Overschrijdingen vinden plaats voor een drietal bouwblokken. Er is sprake van zowel geluidluwe gevels als geluidluwe buitenruimtes. Voor alle overige bouwblokken wordt voldaan aan de Wgh; de geluidbelasting vanwege de Binnenweg (30 km/uur) bedraagt maximaal 51 dB. Dit is hoger dan de gehanteerde ten hoogste toelaatbare geluidbelasting, maar lager dan de gehanteerde maximale ontheffingswaarde. Overschrijdingen vinden plaats op vier bouwblokken. Er is sprake van zowel geluidluwe gevels als geluidluwe buitenruimtes. Voor alle overige bouwblokken wordt voldaan aan een goede ruimtelijke ordening; de gehanteerde ten hoogste geluidbelasting als gevolg van de Hofstraat (30 km/uur) wordt niet overschreden. Er wordt voldaan aan een goede ruimtelijke ordening. bron- en overdrachtsmaatregelen zijn onderzocht, maar stuiten op bezwaren van financiële, landschappelijke, stedenbouwkundige en civieltechnische aard. Een hogere waarde procedure als gevolg van de Rijksstraatweg (N790) dient te worden doorlopen. Een hogere waarde van 54 dB is benodigd voor de woning in bouwblok M.
Een hogere waarde van 56 dB is benodigd voor de woningen in de bouwblokken L en N; een hogere waarde procedure als gevolg van de Binnenweg is niet benodigd omdat dit een niet-gezoneerde weg volgens de Wgh betreft; maatregelen aan de ontvanger zijde zijn benodigd om zodoende de binnenwaarde van 33 dB te waarborgen. Hiermee moet dan worden voldaan aan de eisen uit het 7
SAB (2020). Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai. Binnenweg, Wilp. Projectnummer: 170353.02. 6 juli 2020. 26
Bouwbesluit 2012, waarbij tevens een goed woon- en leefklimaat wordt gewaarborgd. Een nader onderzoek naar de gevelwering in het kader van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen dient dit te bevestigen. De hoogst berekende gecumuleerde geluidbelasting bedraagt 59 dB (bouwblok M). Ter indicatie is een geluidwering van minimaal 26 dB benodigd;
Weergave bouwblokken (bron: WinHavik).
Conclusie Mits de noodzakelijk hogere waarden wordt verleend, vormt het aspect 'geluid' geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan. Het ontwerpbesluit tot vaststelling van hogere waarden wordt gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd.
4.4
Luchtkwaliteit Algemeen Eisen met betrekking tot luchtkwaliteit zijn verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en vormen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM 10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan.
27
Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De derogatiebeschikking van de EU is in 2015 verlopen. De NSL is na 2015 twee maal verlengd en betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Doordat de derogatiebeschikking van de EU na 2015 niet is verlengd, dient Nederland overigens op dit moment te voldoen aan de Europese luchtkwaliteitsnormen. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a.
woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het plan ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden. Toetsing Een project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen 3 dan 1,2 µg/m . In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen.