CConstaterende datVoorst
Koppel je AI →
Document · PDF

1. bestemmingsplan Attero 2023 (toelichting) - Bijlage 2 Milieueffectrapport (MER)

gemeenteraad 23 februari 2026, gemeente VoorstBij agendapunt: Bestemmingsplan Attero 202338.372 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

15 mei 2023

CLICK TO ENTER "CDC2"

BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001

55

Projectgerelateerd

Mogelijk komt de levendbarende hagedis voor op de randen van het terrein. Met de vergroting van het stortvolume worden de randen van de stortplaats behouden. De aanwezige ruigtes aldaar worden niet verwijderd. Het leefgebied van de levendbarende hagedis blijft daarmee intact. Met het verhogen van de stortplaats zal in de toekomst, na afwerking van de stortplaats met folie en een leeflaag, mogelijk een toename aan geschikt leefgebied ontstaan. Negatieve effecten op de levendbarende hagedis zijn dan ook uitgesloten. Aantasting van de staat van instandhouding van de levendbarende hagedis wordt uitgesloten. Het realiseren van de voorgenomen mitigerende maatregelen (zie paragraaf 5.3) heeft een positief effect op de biodiversiteit. De stortplaats biedt de mogelijkheid om de ecologische waarden in de omgeving te versterken. Door reeds afgedichte stortvakken in gefaseerd te voorzien van ecologisch aantrekkelijk flora, kruiden en planten, wordt het gebied aantrekkelijk voor insecten en andere organismen. Deze zijn van belang voor het behoud en het versterken van de biodiversiteit in het gebied. Het betreft onder andere een aantal vegetatie dat voor komt op de Rode lijsten: soort van Rode Lijst Vaatplanten15.

Attero zorgt met ophoging van de stortplaats voor een afdichting met hoge natuurwaarden en verbetering van biodiversiteit en leefgebied en doet dat door de natuurlijke waarden significant uit te breiden met onder andere op zeldzame en bedreigde soorten vegetatie. Attero heeft aangegeven zich met name te willen richten op vlinders. Hiertoe is reeds een aantal plantensoorten benoemd die men voornemens is om in te zaaien. Dit betreft o.a. zwartblauwe rapunzel, beemdkroon, duifkruid, grote pimpernel, veldsalie en wilde marjolein. Deze plantensoorten zijn vrijwel verdwenen in (grote delen van) Nederland. Ze vormen bij uitstek waardevolle drachtplanten en leiden daarmee tot een aanzienlijke verrijking van de vegetatie en biodiversiteit door de aantrekking van vlinders, bijen en zweefvliegen. Daarnaast zijn maatregelen gericht op het aanbrengen van dood hout. Dood hout is een voedselbron voor vele micro-organismen en ongewervelde soorten welke op hun beurt weer voedsel kunnen vormen voor grotere, gewervelde soorten. Met het voornemen om de genoemde natuurlijke maatregelen uit te voeren, verbetert de biodiversiteit en breidt het leefgebied voor beschermde soorten uit, waardoor deze in potentie een groter areaal leefgebied zullen krijgen en kunnen bewonen. Dit wordt als positief beoordeeld.

Effectbeoordeling alternatief 2: Gezicht vorm 1 Voor alternatief 2 geldt dat deze zich niet wezenlijk onderscheid van alternatief 1. De effecten zijn gelijk doordat dit alternatief dezelfde maximale stortcapaciteit en bijbehorende effecten kent. Enkel de uiteindelijke afwerking van de stortplaats, en daarmee het uiteindelijke uiterlijk van de stortplaats, verschilt. Het verschil in afwerking leidt echter niet tot effecten op aanwezige beschermde dier- en plantensoorten. Effectbeoordeling alternatief 3: gezicht vorm 2 Voor alternatief 3 geldt dat deze zich, vanwege dezelfde redenen als alternatief 2, niet wezenlijk onderscheid van alternatief 1. Tabel 6-13 Beoordeling criterium beschermde soorten

Beoordeling beschermde soorten

Alternatief

15

Alternatief 1

+

Alternatief 2

+

Alternatief 3

+

https://minez.nederlandsesoorten.nl/content/rode-lijsten-soort-van-rode-lijst-vaatplanten?page=1

15 mei 2023

CLICK TO ENTER "CDC2"

BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001

56

Projectgerelateerd

6.3.5.3 Houtopstanden Effectbeoordeling alternatief 1 De voorgenomen continuering van de werkzaamheden en vergroting van het stortvolume leidt zowel in de referentiesituatie als in de voorgenomen situatie tot het rooien van een houtopstand van ca. 2000m2 in de noordwestelijke hoek van de stortplaats. Daarvoor dient binnen drie jaar na kap op dezelfde locatie eenzelfde oppervlakte aan herplant aangeplant te worden (zie ook paragraaf 5.3). Dit wordt in de voorgenomen situatie gerealiseerd in de vorm van nieuwe aanplant aan weerszijden van het bestaande bosje tussen de Ardeweg en de Vundelaarsweg, direct ten noorden van de A1. Er is ca. 18.000 m 2 nieuwe aanplant voorzien, waarmee het te kappen oppervlak ruimschoots wordt gecompenseerd. Deze nieuwe aanplant komt aan weerszijden van het bestaande bosschage ten noorden van de A1, tussen de Ardeweg en de Vundelaarsweg. Zowel aan de oost- als de westzijde wordt een strook met een lengte van ca. 300 meter en een breedte van ca. 30 meter aangeplant. Ten opzichte van de referentiesituatie is daarmee sprake van een positief effect. Effectbeoordeling alternatief 2 Voor alternatief 2 geldt dat deze zich niet wezenlijk onderscheid van alternatief 1.

De effecten zijn gelijk Ook bij dit alternatief wordt de houtopstand gerooid en nieuwe aanplant ruimschoots gerealiseerd, waardoor er sprake is van een positief effect ten opzichte van de referentiesituatie. Effectbeoordeling alternatief 3 Voor alternatief 3 geldt hetzelfde als voor alternatief 1 en 2. De effecten zijn gelijk Ook bij dit alternatief wordt de houtopstand gerooid en nieuwe aanplant ruimschoots gerealiseerd, waardoor er sprake is van een positief effect ten opzichte van de referentiesituatie. Tabel 6-14 Beoordeling criterium houtopstanden

Alternatief

Beoordeling houtopstanden

Alternatief 1

+

Wordt gerooid en ruim gecompenseerd ten opzichte van referentiesituatie

Alternatief 2

+

Wordt gerooid en ruim gecompenseerd ten opzichte van referentiesituatie

Alternatief 3

+

Wordt gerooid en ruim gecompenseerd ten opzichte van referentiesituatie

6.3.6

Toelichting

Mitigerende maatregelen

Naast het treffen van mitigerende maatregelen als onderdeel van het gebiedsproces (paragraaf 5.3) zijn enkele aanbevelingen mee te geven om de lokaal aanwezige natuurwaarden verder te versterken in de beoogde situatie. Hieronder wordt kort ingegaan op enkele verbeterpunten: • Het plaatsen van diverse nestkasten en verblijfskasten (zoals bijenhotels) verspreid over het terrein. De stortplaats zal met name in de eerste jaren na afwerking een sterk open karakter hebben. • Dit kan ondervangen worden door kunstmatige schuilmogelijkheden in de vorm van nestkasten, bijenhotels, vlinderhotels en vleermuiskasten aan te brengen. • Aanplanten van bomen in de omgeving om fijnstofconcentraties, afkomstig vanaf de A1, te verlagen. Fijnstof bestaat uit deeltjes in de lucht die kleiner zijn dan 10 micrometer (PM10). Fijnstof wordt niet opgenomen in de bladeren (zoals bijv. NOx en O3) maar slaat neer op de bladeren en takken. Daar blijft het fijnstof ‘plakken’ totdat het er tijdens een regenbui afspoelt en in de bodem terechtkomt. Langdurige aanwezigheid van langwerpige bladeren met een dun oppervlak vergroten de 15 mei 2023

CLICK TO ENTER "CDC2"

BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001

57

Projectgerelateerd

•

•

•

•

•

hoeveelheid afgevangen fijnstof. Deze punten zijn met name van toepassing op naaldbomen. Vrijwel alle naaldboomsoorten bevatten jaarrond bladgroen en hebben daarnaast langwerpige, dunne bladeren (naalden). Van belang voor een goede filterende werking is de structuur van de beplanting. Wanneer deze uit een dichte, ondoordringbare muur, dan buigt de lucht af en treedt er vooral verdunning op. Weinig wind leidt daarnaast tot stilstaande lucht, waardoor het fijnstof zich ophoopt voor de beplanting. De beplanting dient ook een relatief open structuur te hebben, zodat de lucht goed in de beplanting kan binnendringen. Voorkomen moet worden dat de lucht in de beplanting tot stilstand komt. Dan treedt er geen verversing meer op en neemt de filterende werking af. De optimale samenstelling en structuur van de beplanting hangt sterk samen met de specifieke omstandigheden. Zo leidt een groter aantal rijen bomen logischerwijs tot een breder element en daarmee tot een langere contacttijd en dus een grotere kans op neerslaan van fijnstofdeeltjes. Hierop aanvullend kan ook aandacht besteed worden aan de opname van NO x (stikstofoxiden) en O3 (ozon). Dit zijn gasvormige deeltjes die op een andere manier uit de lucht gefilterd dienen te worden. Bomen nemen deze stoffen via huidmondjes op de bladeren. De gassen worden vervolgens vastgelegd als biomassa.

De opname van deze gassen neemt toe bij een toenemend aantal bladeren met veel huidmondjes. Voorwaarde is wel dat de beplanting vitaal is en goed groeit. De bomen dienen ook geen last te hebben van droogtestress. Loofbomen zijn bij uitstek geschikt voor het filteren van gasvormige luchtvervuiling (vanwege het grote aantal huidmondjes). Wanneer er dan gekozen wordt voor een combinatie van naaldbomen met loofbomen, wordt aanbevolen om voor de loofbomen te kiezen voor soorten met ruwe, sterk krullende en/of behaarde bladeren. Deze bladeigenschappen zorgen voor een sterkere afname van luchtbewegingen dan bomen met gladde bladeren, waardoor deze soorten (naast NO x en O3) ook relatief veel fijnstof filteren. Daarnaast zorgt de combinatie van naald- en loofbomen voor een grotere biodiversiteit. Doordat de bloeiperiodes van bomen onderling verschillen, kunnen insecten over een langere periode foerageren op de aanplant. Daardoor neemt de diversiteit aan insecten toe, welke op haar beurt weer kan leiden tot een stijging in de diversiteit van het aantal soorten dat foerageert op deze insecten. Als soorten passend binnen de regio kan onder andere worden gedacht aan grove den, ruwe berk en zachte berk. Hoewel geen typische regionale soort, kan ook de aanplant van diverse lindesoorten worden overwogen.

Lindes bloeien over het algemeen wat later dan de meeste andere bomen en vormen daardoor een belangrijke voedselboom voor o.a. diverse bijensoorten.

Uit de effectbeoordeling volgen geen overige negatieve effecten waarvoor maatregelen getroffen dienen te worden. Er hoeven geen vervolgonderzoeken plaats te vinden. Wel dient rekening gehouden te worden met de zorgplicht. • Er wordt niet of zo min mogelijk gewerkt tussen zonsondergang en zonsopkomst. Veel algemene en beschermde diersoorten (o.a. vleermuizen) zijn vooral actief gedurende de vroege ochtend, late avond en nacht. • Behoud de verbinding en doorgang naar andere leefgebieden en schuilplekken buiten de invloedsfeer van de stortplaats. Het behouden van stroken met ruige vegetatie die in verbinding staan met andere gebieden geven kleinere (zoog)dieren kans te vluchten naar veilige gebieden. • Het eventuele kappen en rooien van struweel dient buiten het broedseizoen van vogels te gebeuren. Dit betreft globaal de periode september – februari en nadat een ecologische inspectie heeft uitgewezen dat er geen sprake is van broedgevallen. • De ophoging van de stortplaats, kan ervoor zorgen dat windstromen zorgen voor waaiafval (zoals in de huidige situatie ook het geval is). Dit afval wordt door de wind van de stortplaats afgeblazen en komt in de omgeving terecht. Bij een windkracht hoger dan >5, worden de stortactiviteiten in dit kader gestaakt. Onderzocht kan worden of hogere hekken en netten kunnen bijdragen aan het verder tegengaan van waaiafval. 15 mei 2023

CLICK TO ENTER "CDC2"

BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001

58

Projectgerelateerd

•

•

Er wordt rekening gehouden met toekomstige ontwikkelingen in het gebruik en toepassing van materieel ten behoeve van de exploitatie van het bedrijf en de aanleg en onderhoud van de voorgenomen mitigerende maatregelen. Dat betekent dat elektrificatie en toepassing van alternatieve brandstoffen kan zorgen voor een verdere vermindering van emissies vanuit bronnen in het plangebied. Tot slot is er ook een beplantingsplan ontwikkeld door een natuurspecialist van de gemeente. Deze is ook gecommuniceerd en voorgelegd aan de buurt in september 2020. Het type beplanting waar voor is gekozen zal een forse verrijking geven van de flora en fauna. Er zal een rijke “vlindertuin” ontstaan met alle daarmee meebrengende flora en fauna. In overleg met de omgeving wordt hieraan verder vorm gegeven.

6.3.7

Conclusies

Het voornemen van Attero om de stortplaats op te hogen en een tunnelcompostering te realiseren gaat samen met het plan om natuurontwikkeling op en om het plangebied mogelijk te maken. Het gaat voornamelijk om de aanplant aan beide kanten van het bos aan de noordkant van de snelweg als mitigerende maatregel (ca. 18 hectare) en de mogelijkheden om nieuwe natuur te creëren op de stortplaats zelf (ca. 45 hectare). Het realiseren van de voorgenomen mitigerende maatregelen heeft een positief effect op de biodiversiteit. Attero zorgt met ophoging van de stortplaats voor een afdichting met hoge natuurwaarden en verbetering van biodiversiteit en leefgebied en doet dat door de natuurlijke waarden significant uit te breiden met onder andere op zeldzame en bedreigde soorten vegetatie. Daarnaast zijn maatregelen gericht op het aanbrengen van dood hout. Met het voornemen om de genoemde natuurlijke maatregelen uit te voeren, verbetert de biodiversiteit en breidt het leefgebied voor beschermde soorten uit, waardoor deze in potentie een groter areaal leefgebied zullen krijgen en kunnen bewonen. Dit wordt als positief beoordeeld. De voorgenomen continuering van de werkzaamheden en vergroting van het stortvolume leidt zowel in de referentiesituatie als in de voorgenomen situatie tot het rooien van een houtopstand van ca. 2000m2 in de noordwestelijke hoek van de stortplaats.

Dit wordt in de voorgenomen situatie gecompenseerd in de vorm van nieuwe aanplant aan weerszijden van het bestaande bosje tussen de Ardeweg en de Vundelaarsweg, direct ten noorden van de A1. Ten opzichte van de referentiesituatie is daarmee sprake van een positief effect. Uit de bijgevoegde berekening uit de AERIUS calculator van 16 april 2023 (kenmerk RhExZximnymh), met bijbehorende bijlage met betrekking tot de mogelijk randeffecten, blijkt dat de depositie als gevolg van het voornemen toeneemt op een klein aantal hexagonen, wanneer de hexagonen met een mogelijk randeffect worden meegenomen. Deze toename wordt berekend binnen Natura 2000-gebieden Boetelerveld en Veluwe. Wanneer de hexagonen met een mogelijk randeffect buiten beschouwing worden gelaten is er geen toenamen van depositie. Er is wel een reductie van depositie op bijna alle hexagonen, die te verklaren is door een forse jaarlijkse reductie van 11,5 ton NOx emissie. Daar staat een geringe toename van ammoniak emissie tegenover van 51,3 kg. Aan de hand van de berekening met de AERIUS calculator kan dan ook de conclusie worden getrokken dat er op geen van de hexagonen een toename is van depositie.

15 mei 2023

CLICK TO ENTER "CDC2"

BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001

59

Projectgerelateerd

Tabel 6-15 Totaalbeoordeling effectscores

Alternatieven Natuur en ecologie

Referentiesituatie Alternatief 1: Pannenkoek

Alternatief 2: Gezicht 1

Alternatief 3: Gezicht 2

Natura 2000 (incl stikstof)

0

0

0

0

Beschermde soorten

0

+

+

+

Houtopstanden

0

+

+

+

Literatuurlijst • • • •

Provincie Gelderland, 20181. Beheerplan Natura 2000 Veluwe (057). Provincie Gelderland, 2018b. Beheerplan Natura 2000 58 – Landgoederen Brummen. Provincie Gelderland, 2018c. Beheerplan Natura 2000 Rijntakken (038). Oosterbaan Consultancy, 2023. Aerius berekening toelichting.

15 mei 2023

CLICK TO ENTER "CDC2"

BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001

60

Projectgerelateerd

6.4

Landschap

6.4.1

Inleiding

In deze paragraaf worden de effecten van de verschillende alternatieven voor de ophoging van de stortplaats beschreven voor het onderdeel landschap. De alternatieven kunnen leiden tot aantasting van de landschappelijke waarden in het gebied of kunnen juist kwaliteiten toevoegen aan het gebied. De effecten van de ophoging van de stortplaats van Attero te Wilp en de ontsluiting op het landschap, worden beschreven op basis van bureaustudie, gebiedskennis en expert judgement. In het MER wordt beoordeeld in hoeverre waardevolle landschappelijke aspecten zoals openheid, zichtlijnen en beelddragers door het voornemen worden beïnvloed en wat de gevolgen hiervan zijn voor de beleving van het landschap. De landschappelijke analyse wordt uitgevoerd voor de volgende aspecten: • Het effect van de extra stortcapaciteit op de landschappelijke kwaliteit; • Het effect van de extra stortcapaciteit op de herkenbaarheid van het landart object aan de horizon; • Het effect van de extra stortcapaciteit op recreatief medegebruik. Ter ondersteuning aan de effectbeoordeling is een groot aantal visualisaties gemaakt. Deze zijn gemaakt op basis van de reeds bekende visualisaties gemaakt door DS landschapsarchitecten. Hiervoor zijn vanuit verschillende standpunten rondom Attero de alternatieven geprojecteerd.

Omdat slechts het stortvolume verticaal wordt vergroot en er geen ingrepen in de bodem zijn voorgenomen, is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Bovendien wordt er ter plaatse van de stortplaats afval gestort tot een hoogte van maximaal 46,5 meter + NAP, en wordt er niet gegraven. Eventuele archeologisch waardevolle objecten in de grond worden niet geroerd en blijven goed bewaard in de grond.

6.4.2 •

• •

•

• • •

Beleidskader

Wet Ruimtelijke Ordening (2008): In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het nodig bij de ruimtelijke ontwikkeling van Attero, landschappelijke en cultuurhistorische waarden te inventariseren en te analyseren. Erfgoedwet (2016): De voorgenomen maatregelen hebben mogelijk effect op de cultuurhistorische en archeologische waarden in het studiegebied. Nationale Omgevingsvisie (2020): De visie vraagt aandacht voor onder meer het behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang (nationaal belang nr. 19). ‘Kiezen voor karakter, visie, erfgoed en ruimte’ (Rijk, 2011): Deze visie vraagt een integrale en omgevingsgerichte benadering van landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten. Bij de beschrijving en waardering van effecten wordt deze benadering als uitgangspunt gehanteerd. Provinciale Omgevingsvisie Provinciale Omgevingsverordening Gemeentelijke Welstandsnota

6.4.3

Beoordelings- en onderzoeksmethodiek

Aspect

Criteria

Werkwijze

Landschappelijke kwaliteit

Effect op de landschappelijke kwaliteit van de omgeving

Kwalitatief

Herkenbaarheid

Herkenbaarheid van landart object aan de horizon

15 mei 2023

CLICK TO ENTER "CDC2"

Kwalitatief

BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001

61

Projectgerelateerd

Recreatief medegebruik

Mogelijkheden voor recreatief medegebruik

Kwalitatief

Methodiek De effecten van de extra stortcapaciteit op het landschap zullen worden beoordeeld op basis van de volgende kwalitatieve onderzoeksmethodes: • Fotovisualisaties/ 3D bewerkingen; • Expert judgement. Fotovisualisaties / 3D bewerkingen Op basis van de reeds bekende visualisaties door DS landschapsarchitecten in opdracht van Attero. Op deze manier kan vanuit verschillende standpunten bekeken worden wat het visuele effect is van de extra stortcapaciteit en het ontwerp van de afwerking van de stortplaats. De volgende standpunten zijn hierin van belang: • Het zicht vanaf het dorp Wilp-Achterhoek naar Attero toe; • Het zicht direct vanaf de snelweg A1 naar Attero toe (snelweg landschap); • Zicht vanaf Withagenweg naar Attero toe; • Vogelvluchtperspectief (uit de lucht). Onderstaande afbeeldingen laten de 3D bewerkingen zien gemaakt door Techmaps in samenwerking met DS Landschapsarchitecten.

Figuur 6-5 3D modellen met zicht vanaf het dorp Wilp-Achterhoek naar Attero toe en vanaf de snelweg A1, gemaakt door Techmaps ism DS Landschapsarchitecten (Bruno Doedens), gebruikt met toestemming van Attero.

Expert judgement Op basis van kennis en ervaring wordt een inschatting gemaakt wat het effect is van de extra stortcapaciteit op de herkenbaarheid van het landart object aan de horizon. Middels deze twee kwalitatieve onderzoeksmethodes zal gekeken worden wat het effect is van de alternatieven op het landschap. Effectclassificatie De beoordeling zal beschouwd worden aan de hand van een vijfpuntsschaal van ‘- -‘ tot ‘+ +’. Deze manier van scoren is vooral bedoeld om het verschil tussen de alternatieven aan te duiden. Onderstaand wordt de specifieke invulling van deze schaal voor het landschap nader toegelicht. Hieronder volgt een omschrijving van het beoordelingskader voor elk van deze aspecten. 1. Het effect van de extra stortcapaciteit op de landschappelijke kwaliteit Het halfopen karakter van dit landschap, met haar singels en houtwallen is zeer kenmerkend voor het kampen-ontginningslandschap. De maat en schaal (en daarmee het karakter) van het landschap wordt bepaald door de elementen hoger dan ooghoogte in de wijde omgeving: hellingen, opgaande begroeiing zoals bos, singels en houtwallen. Het extra volume en hoogte van de stortlocatie zal van ver zichtbaar zijn in de omgeving. Dit heeft daarom zijn invloed op de kwaliteit en karakteristiek van het landschap. 15 mei 2023

CLICK TO ENTER "CDC2"

BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001

62

Projectgerelateerd

De alternatieven worden beoordeeld op basis van de “zichtbaarheid” en de ervaring van de nabijheid van de ophoging van de stortplaats van Attero in haar omgeving. Om dit goed in beeld te krijgen maken we gebruik van fotovisualisaties/ 3D bewerkingen om te zien in hoeverre het inrichtingsalternatief van Attero zichtbaar is vanuit de verschillende invalshoeken. Hoe sterker een alternatief zichtbaar is vanuit de omgeving hoe slechter een alternatief scoort. Dit effect is moeilijk kwantitatief meetbaar. De effecten worden daarom kwalitatief beschreven en daar waar ze werkelijk onderscheidend zijn tussen de alternatieven, ook onderscheidend beoordeeld. Voor de effectbeschrijving gebruiken we de volgende kwalitatieve methoden: fotovisualisaties/ 3D bewerkingen en expert judgement. Tabel 6-16 Operationalisering effectscores

Landschappelijke kwaliteit

Score

Toelichting

++++

n.v.t.

+

n.v.t.

0

Geen noemenswaardige verandering

-

Beperkt zichtbaar en nabij

--

Sterk zichtbaar en nabij

Effect op de landschappelijke kwaliteit van de omgeving

2. Het effect van de extra stortcapaciteit op de herkenbaarheid van het landart object aan de horizon Hoge elementen functioneren als herkenningspunten/ oriëntatiepunten in het landschap. Zo zijn de silo’s van het veevoederbedrijf in Wilp-Achterhoek een kenmerkend element in het landschap. Dit geldt ook voor Attero. Zij bepalen van een grote afstand het beeld van het landschap en vormen als het ware een landelijke skyline/ horizon. Voor de automobilist op de A1 vormt Attero ook een kenmerkend element/ herkenningspunt. Met de verschillende alternatieven van de stortplaats bij Attero met een vrije dan wel geometrische vorm gaat dit in de toekomst veranderen. Voor de effectbepaling is de herkenbaarheid van het landart object aan de horizon bepalend. Snap je wat je ziet? Is het noodzakelijk dat de vorm te “bevatten/ herkennen” valt? Of kan de aanschouwer het zien en ervaren als een vrije of willekeurige vorm? Enkel door verandering van perspectief (uit de lucht) zou de vorm van het gezicht (één van de alternatieven) te “lezen” zijn. Dat maakt kunst (in dit geval het landart object) interessant doordat het continu aan verandering onderhevig is wanneer je van perspectief/ standpunt verandert.

Een inrichtingsalternatief met een eigen herkenbare structuur tast het landschap en haar omgeving minder aan dan een inrichtingsalternatief met een onregelmatige ordening die niet goed te begrijpen/ lezen valt. Hoe groter en onregelmatiger de vorm van het object hoe slechter een alternatief scoort. De effecten van de extra stortcapaciteit op de herkenbaarheid van het landart object aan de horizon zijn moeilijk kwantitatief meetbaar. De effecten worden daarom kwalitatief beschreven en daar waar ze werkelijk onderscheidend zijn tussen de alternatieven, ook onderscheidend beoordeeld. Voor de effectbeschrijving gebruiken we de volgende kwalitatieve methoden: fotovisualisaties/ 3D bewerkingen en expert judgement. Tabel 6-17 Operationalisering effectscores

Herkenbaarheid van het landart object aan de horizon

Score

Toelichting

Herkenbaarheid van landart object aan de horizon

++

Het landart object is herkenbaar in relatie tot de locatie en zorgt voor een grote versterking van de landschappelijke skyline

15 mei 2023

CLICK TO ENTER "CDC2"

BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001

63

Projectgerelateerd

+

Het landart object is herkenbaar in relatie tot de locatie of zorgt voor een lichte versterking van de landschappelijke skyline

0

Geen noemenswaardige verandering

-

Het landart object is moeilijk herkenbaar in relatie tot de locatie of zorgt voor een lichte aantasting van de landschappelijke skyline

--

Het landart object is niet herkenbaar in relatie tot de locatie en zorgt voor een grote aantasting van de landschappelijke skyline

3. Het effect van de extra stortcapaciteit op recreatief medegebruik Onderdeel van het plan is dat, wanneer de stortlocatie het maximale volume en hoogte heeft bereikt, de afwerking van zodanige kwaliteit is dat deze geschikt is voor recreatief medegebruik door met name wandelaars en fietsers. In de alternatieven zal hier op verschillende manieren mee omgegaan worden. Mogelijk voorziet het ene alternatief in meer recreatieve voorzieningen/ functies dan het andere alternatief. Wat zal resulteren in een andere beoordeling. De effecten van de extra stortcapaciteit op recreatief medegebruik worden beoordeeld op basis van expert judgement. Tabel 6-18 Operationalisering effectscores

Recreatief medegebruik

Score

Toelichting

++

De voormalige stortplaats biedt in toenemende mate aanleiding voor recreatief verkeer, ontspanning en recreatief medegebruik van het omringende landschap.

+ Mogelijkheden voor recreatief medegebruik

6.4.4

Er is in lichte mate een toenemend potentieel voor recreatief medegebruik.

0

Er is geen wezenlijke verandering in het recreatief medegebruik van het landschap of in de potentie hiervoor.

-

Er is in lichte mate een verlies aan recreatief medegebruik of potentie daarvoor.

--

De voormalige stortplaats leidt tot een afname in mogelijkheden voor recreatief medegebruik

Referentiesituatie

Attero wordt omringd door de Rijksweg A1, de Sluinerweg en de Ardeweg. De stortplaats heeft een overwegend groen aanzicht. Door de getrapte terreinhoogte van de stortplaats is voorkomen dat het terrein als massief element in het landschap aanwezig is. Vanaf de Sluinerweg en de Ardeweg zijn de activiteiten maar deels waar te nemen. De gebouwen zijn grotendeels omgeven door een met gras begroeide aarden wal en groene singels van bomen. Landschap en cultuurhistorie Elk gebied heeft unieke cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten en waarden. Het is van groot belang om deze kwaliteiten en waarden te behouden en daar waar mogelijk te versterken. Dit om eenieder die het landschap in kan, het kan beleven en ervan kan genieten – ook in de toekomst. Het is van groot 15 mei 2023

CLICK TO ENTER "CDC2"

BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001

64

Projectgerelateerd

belang om de nieuwe ontwikkelingen rondom de ophoging van de stortplaats zo veel mogelijk aan te laten sluiten en in te passen in het omliggende landschap om de huidige kwaliteiten en waarden indien mogelijk te kunnen behouden. Zo is Attero gelegen in het zogenaamde kampen-ontginningenlandschap. In het Landschapsontwikkelingsplan Van Veluwe Tot IJssel (LOP) wordt het landschapsbeleid ten aanzien van de kampenontginningen omschreven. De kampenontginningen bestaan uit een gebied ten oosten van Apeldoorns Kanaal, dat als het ware in een band ligt tussen Twello, Wilp Achterhoek, Teuge en de Vecht. De kampenontginningen bestaan uit een afwisselend patroon van hoge zandopduikingen en de ertussen gelegen lage delen. De hoge delen van deze eenheid bestaan uit ‘kampen’ die liggen op kleine zandopduikingen te midden van het relatief vlakke landschap van de IJsselvallei. Vaak waren de opduikingen te laag om vroeg in gebruik te zijn. De bewoning is dan ook van jongere oorsprong dan bijvoorbeeld de Veluweflank en de dekzandruggen. De lage zandopduikingen waren, doordat ze net iets hoger liggen dan de omgeving, relatief geschikt voor de bouw van één of enkele boerderijen en de gronden waren vaak net bruikbaar voor akkerbouw. In combinatie met erfbeplanting en beplanting langs percelen en wegen ontstonden groene ‘eilanden’ te midden van de lager gelegen graslanden.

Een kamp is dus eigenlijk niets anders dan een kleine individuele akker, ook wel éénmans-es’ genoemd, waarbij ieder gezin zijn eigen bouwland bewerkte. Om de akkers af te schermen tegen vee en wild werden ze dus omgeven met houtwallen en houtsingels. Deze beplantingsstructuren hebben geleid tot een relatief kleinschalig landschap. Wegen volgden de hogere delen in het landschap en hadden hierdoor een bochtig verloop. Op onderstaande hoogtekaart is goed te zien dat Attero en ook het nabijgelegen dorp Wilp-Achterhoek ontwikkeld zijn op deze zandopduikingen (de lichte groene kleur ligt hoger ten opzichte van de donkerblauwe kleur). Figuur 6-6. Hoogtekaart AHN (bron: AHN viewer)

Kenmerkend voor dit kampen-ontginningslandschap zijn de volgende landschappelijke en cultuurhistorisch waardevolle elementen: • Een onregelmatig verkavelingspatroon; • Half-open landschap; • Singels en houtwallen die de onregelmatige verkaveling benadrukken (veelal langs wegen); • Patroon van bebouwing ontstaan langs de weg, wel geclusterd en niet gelijkmatig verspreid (WilpAchterhoek); 15 mei 2023

CLICK TO ENTER "CDC2"

BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001

65

Projectgerelateerd

•

Bochtig verloop van wegen die de hogere delen in het landschap volgden.

Deze landschappelijke en cultuurhistorisch waardevolle elementen zijn mooi terug te zien op onderstaande topografische kaarten (1900 en 2000). De onregelmatige verkaveling is goed terug te zien rondom Attero en Wilp-Achterhoek. Verder zijn beplantingsstructuren (houtsingels/ houtwallen en bos) in de loop der tijd veelal komen te vervallen (door intensivering/ optimalisatie van de landbouw).

15 mei 2023

CLICK TO ENTER "CDC2"

BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001

66

Projectgerelateerd

Figuur 6-7 Topografische kaart van 1900 (bron: topotijdreis)

Figuur 6-8. Topografische kaart van 2000 (bron: topotijdreis)

De oudste kampenontginningen dateren uit het jaar 1000 n.C. en zijn gelegen rondom Twello. De opduiking bij Bussloo en Appensche Veld is bijzonder vanwege de als droge heideontginning ontstane bossen en een bijzonder lijnenspel van ontginnings- en zichtassen. Vanuit de hogere, en dus eerder in gebruik genomen (bewoonde) kampen werden de lager gelegen broekgronden tussen de kampen in gebruik genomen. Vaak ging dit lukraak en zijn perceelsgrenzen ‘toevallig’ ontstaan waardoor nu veelal een beeld heerst van onregelmatige perceelsbegrenzingen.

6.4.5

Effectbeoordeling

De in het MER te beschrijven effecten van de alternatieven zullen worden vergeleken met de referentiesituatie. Dat is de situatie die in de toekomst zal ontstaan als de voorgenomen activiteit niet wordt ondernomen of, anders gezegd, de bestaande situatie van het milieu inclusief de autonome ontwikkeling op basis van vastgesteld beleid Op grond van bovenstaande (uitgangs)punten zullen ter bepaling van het voorkeursalternatief in het MER in elk geval de volgende uitvoeringsalternatieven worden beschouwd: • •

Huidige situatie (bestemmingsplan) Alternatief 1: Pannenkoekmodel

15 mei 2023

CLICK TO ENTER "CDC2"

BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001

67

Projectgerelateerd

• •

Alternatief 2: Gezicht vorm 1 Alternatief 3: Gezicht vorm 2

Figuur 6-9 3D model van de huidige situatie (het bestemmingsplan), gemaakt door Techmaps ism DS Landschapsarchitecten (Bruno Doedens), gebruikt met toestemming van Attero

Effect op de landschappelijke kwaliteit van de omgeving Het effect van de alternatieven op de landschappelijke kwaliteit van de omgeving is beoordeeld op basis van de visualisaties gemaakt door Techmaps in samenwerking met DS Landschapsarchitecten. Onderstaande afbeeldingen laten de 4 verschillende alternatieven zien vanuit verschillende invalshoeken. Voor dit effect is met name de zichtlijn vanuit Wilp-Achterhoek richting Attero belangrijk. Figuur 6-10 3D model met het alternatief en de referentiesituatie vanuit de lucht, gemaakt door Techmaps ism DS Landschapsarchitecten (Bruno Doedens), gebruikt met toestemming van Attero

15 mei 2023

CLICK TO ENTER "CDC2"

BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001

68

Projectgerelateerd

Figuur 6-11 3D model met alternatieven en de referentiesituatie vanaf de snelweg A1, gemaakt door Techmaps ism DS Landschapsarchitecten (Bruno Doedens), gebruikt met toestemming van Attero

Figuur 6-12 3D model met de alternatieven en de referentiesituatie vanuit Wilp-Achterhoek, gemaakt door Techmaps i.s.m. DS Landschapsarchitecten (Bruno Doedens), gebruikt met toestemming van Attero

Alternatief 1: Pannenkoekmodel Vooral vanuit het dorp Wilp-Achterhoek is goed zichtbaar wat het effect is van de verschillende alternatieven op de landschappelijke kwaliteit en haar omgeving. Zo valt het extra volume en hoogte van de stortlocatie bij het Pannenkoekmodel vrijwel niet op. Dit komt omdat de hoogte van de stortlocatie vrijwel geheel samenvalt met de kruinlijn van de bomen langs de A1. Verder laat de ophoging in het pannenkoek model één continue horizontale, robuuste lijn zien evenwijdig aan de andere beplantingslijnen. De verandering van de stort-locatie is daarmee beperkt zichtbaar en nabij waardoor het Pannenkoekmodel licht negatief scoort (-).

15 mei 2023

CLICK TO ENTER "CDC2"

BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001

69

Projectgerelateerd

Alternatief 2: Gezicht vorm A Als we weer kijken naar het 3D model gezien vanaf het dorp Wilp-Achterhoek is het inrichtingsalternatief gezicht A (in vergelijking met het pannenkoek model) veel dominanter aanwezig in het landschap. De glooiingen van het sculptuur komen ver boven de bomen uit. Karakteristiek voor het kampenontginningslandschap (waar Attero onderdeel vanuit maakt) is haar half-open en kleinschalige karakter. Dit is ontstaan door de beplantingsstructuren rondom de percelen. Daarbij is het landschap vrij vlak. Dit alternatief (gezicht vorm A) steekt zo ver boven het huidige landschap uit waardoor het extra volume van de stortlocatie een negatieve impact heeft op de maat en schaal (en daarmee het karakter) van het landschap. Dit alternatief is daarmee veel “zichtbaarder” ten opzichte van de referentiesituatie, waardoor je de nabijheid van de ophoging sterker ervaart, om deze reden scoort gezicht alternatief A sterk negatief (- ) ten opzichte van de referentiesituatie. Alternatief 3: Gezicht vorm B Kijkend naar inrichtingsalternatief gezicht B, is het extra volume van de stortlocatie ten opzichte van de referentiesituatie (bestemmingsplan) goed zichtbaar. De glooiingen van het sculptuur komen ver boven de bomen uit. Karakteristiek voor het kampen-ontginningslandschap (waar Attero onderdeel vanuit maakt) is haar half-open en kleinschalige karakter.

Dit is ontstaan door de beplantingsstructuren rondom de percelen. Daarbij is het landschap vrij vlak. Dit alternatief (gezicht vorm B) steekt zo ver boven het huidige landschap uit waardoor het extra volume van de stortlocatie een negatieve impact heeft op de maat en schaal (en daarmee het karakter) van het landschap. Dit alternatief is daarmee veel “zichtbaarder” ten opzichte van de referentiesituatie, waardoor je de nabijheid van de ophoging van de stortplaats sterker ervaart, om deze reden scoort gezicht alternatief A sterk negatief (- -) ten opzichte van de referentiesituatie.

15 mei 2023

CLICK TO ENTER "CDC2"

BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001

70

Projectgerelateerd

Herkenbaarheid van landart object aan de horizon Voor de effectbepaling is de herkenbaarheid van het landart object aan de horizon bepalend. Snap je wat je ziet? Is het noodzakelijk dat de vorm te “bevatten/ herkennen” valt? Of kan de aanschouwer het zien en ervaren als een vrije of willekeurige vorm? Enkel door verandering van perspectief (uit de lucht) zouden de gezichten te “lezen” zijn. Dat maakt kunst (in dit geval het landart object) interessant doordat het continu aan verandering onderhevig is wanneer je van perspectief/ standpunt verandert. Een inrichtingsalternatief met een eigen herkenbare structuur tast het landschap en haar omgeving minder aan dan een inrichtingsalternatief met een onregelmatige ordening die niet goed te begrijpen/ lezen valt. Hoe groter en onregelmatiger de vorm van het object hoe slechter een alternatief scoort. Figuur 6-13 3D model met de alternatieven en de referentiesituatie vanuit Wilp-Achterhoek, gemaakt door Techmaps i.s.m. DS Landschapsarchitecten (Bruno Doedens), gebruikt met toestemming van Attero

Alternatief 1: Pannenkoekmodel Alternatief 1 “het pannenkoekmodel” laat een alternatief zien waarin het grondlichaam over de gehele lengte als één samenhangende lijn (op één hoogte) in het landschap herkenbaar is. Hierdoor ontstaat een heel eenduidig, robuust grondlichaam met een linear en continu karakter. Deze lange lijnen van het grondlichaam lopen parallel aan de bestaande beplantingslijnen in het landschap, waardoor het grondlichaam wegvalt in het landschap. Dit alternatief is qua vormgeving vrijwel identiek aan de huidige (vergunde) situatie. Door de eenvoud van dit alternatief en de manier waarop het alternatief versmelt met het omliggende landschap vormt dit alternatief geen noemenswaardige verandering in het landschap en scoort daarom (0).

15 mei 2023

CLICK TO ENTER "CDC2"

BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001

71

Projectgerelateerd

Figuur 6-14 3D model met gezicht vorm A en B, gemaakt door Techmaps i.s.m. DS Landschapsarchitecten (Bruno Doedens), gebruikt met toestemming van Attero

Alternatief 2: Gezicht vorm A Alternatief 2 betreft een alternatief met een eigen unieke structuur. De verbeelding van een gezicht. De vraag is echter of de vorm (het gezicht) ook als zodanig te herkennen is vanuit het omliggende landschap. Naar verwachting lezen/ begrijpen omwonenden en voorbijgangers pas dat het grondlichaam een gezicht is wanneer ze weten waar ze naar moeten kijken. Wanneer men niet bewust kijkt ziet men een willekeurig grondlichaam met verschillende onregelmatige hoogtes. Deze onregelmatigheid van het object wordt met name veroorzaakt wanneer je op een andere plek in het landschap gaat staan. Vanuit Wilp zie je het object “en profil” en kan je het gezicht vrij goed herkennen, maar verplaats je je meer naar het zuidwesten, dan ben je het gezicht ‘kwijt’. Het landart object is moeilijk herkenbaar in relatie tot de locatie en het doel dat ermee beoogd is. Dit zorgt voor een aantasting van de landschappelijke skyline om die reden scoort dit alternatief negatief ten opzichte van de referentiesituatie en het doel dat ermee beoogd is (-). Alternatief 3: Gezicht vorm B Alternatief 3 betreft eveneens een alternatief met een eigen unieke structuur. De verbeelding van een gezicht. De vraag is echter of de vorm (het gezicht) ook als zodanig te herkennen is vanuit het omliggende landschap.

Naar verwachting lezen/ begrijpen omwonenden en voorbijgangers pas dat het grondlichaam een gezicht is wanneer ze weten waar ze naar moeten kijken. Wanneer men niet bewust kijkt ziet men een willekeurig grondlichaam met verschillende onregelmatige hoogtes. Deze onregelmatigheid van het object wordt met name veroorzaakt wanneer je op een andere plek in het landschap gaat staan. Vanuit Wilp zie je het object “en profil” en kan je het gezicht vrij goed herkennen, maar verplaats je je meer naar het zuidwesten, dan ben je het gezicht ‘kwijt’. Het landart object is moeilijk herkenbaar in relatie tot de locatie. Dit zorgt voor een aantasting van de landschappelijke skyline om die reden scoort dit alternatief negatief ten opzichte van de referentiesituatie en het doel dat ermee beoogd is (-). N.B. De effectbeoordeling voor de landschappelijk kwaliteit en herkenbaarheid zijn beïnvloed door de beleving vanuit de omgeving. De drie alternatieven zijn tijdens twee participatiebijeenkomsten met de omgeving besproken. Uit deze bijeenkomsten is gekomen dat de alternatieven met landart-sculpturen niet gewenst zijn. De omgeving wil graag voorkomen dat de stortplaats en daarmee Wilp, een trekpleister wordt voor luchtverkeer of luchtsporten zoals skydiven. 15 mei 2023

CLICK TO ENTER "CDC2"

BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001

72

Projectgerelateerd

Mogelijkheden voor recreatief medegebruik Onderdeel van het plan is dat, wanneer de stortlocatie het maximale volume en hoogte heeft bereikt, de afwerking van zodanige kwaliteit is dat deze geschikt is voor recreatief medegebruik door met name wandelaars en fietsers. In de alternatieven zal hier op verschillende manieren mee omgegaan worden. Mogelijk voorziet het ene alternatief in meer recreatieve voorzieningen/ functies dan het andere alternatief. Echter zijn de alternatieven nog niet voldoende doorontwikkeld/ doorontworpen dat er concreet kan worden ingegaan op de mogelijkheden voor recreatief medegebruik. Op dit moment zijn de verschillende alternatieven voor de ophoging van de stortlocatie nog niet onderscheidend van elkaar en ten opzichte van de referentiesituatie, deze scoren daarom allen neutraal op het onderdeel recreatief medegebruik.

6.4.6

Mitigerende maatregelen

Mogelijke mitigerende maatregelen zijn hoofdzakelijk gericht op het beperken van de visuele verandering van de stortplaats vanuit de omgeving, als gevolg van het ophogen van de stortplaats. Groene buffer A1: Om het zicht op de stortplaats vanuit Wilp-Achterhoek te verminderen, helpt het aanbrengen en inplanten van een parkzone langs de zuidelijke dorpsrand van Wilp-Achterhoek en de noordzijde van de A1. De bestaande bomenrij wordt dan uitgebreid richting het oosten, het deel waar momenteel het zicht op de stortplaats nog ruim is. Door na te denken over het plaatsen van bepaalde soorten bomen, kan worden aangesloten op het groen in de omgeving. Bovendien biedt dit kans om ten behoeve van de luchtkwaliteit bomen te gebruiken voor het afvangen van fijnstof afkomstig vanaf de snelweg. Onderstaande afbeelding toont het effect van het uitbreiden van de groenzone, bezien vanuit het dorp WilpAchterhoek.

Figuur 6-15. Overzicht effect groenzone langs A1. Gemaakt door Techmaps ism DS Landschapsarchitecten (Bruno Doedens), gebruikt met toestemming van Attero

Fasering: door de ophoging van de stortplaats gestructureerd en gefaseerd plaats te laten vinden, rekening houdend met de omgeving, kan het effect op de omgeving worden geminimaliseerd. Door de stortvakken die het meest zichtbaar zullen zijn prioriteit te geven in de ophoging, kunnen deze in een vroeg stadium al worden afgedicht. Bovendien biedt een efficiënte fasering kans om het recreatieve medegebruik al vóór de volledige ophoging van de stortplaats te faciliteren. Tunnelcompostering: Onderdeel van deze MER-procedure voor de ophoging van de stortplaats is de aanvraag voor toepassing van tunnelcompostering ten behoeve van geurreductie. Voor het onderwerp landschap heeft de tunnelcompostering geen negatieve impact omdat het te realiseren gebouw vrijwel niet zichtbaar zal zijn vanuit de omgeving.

15 mei 2023

CLICK TO ENTER "CDC2"

BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001

73

Projectgerelateerd

6.4.7

Conclusies

De beoordeling van de voorgaande paragrafen laten zien dat haast alle alternatieven een zekere negatieve impact hebben op de cultuurhistorisch waardevolle landschappelijke structuren. In onderstaande tabel is een samenvatting gegeven van alle scores.

Tabel 6-19 Totaalbeoordeling effectscores

Referentiesitua tie

Alternatief “gezicht a”

Alternatief “gezicht b”

Alternatief “pannenkoekmodel”

Effect op de landschappelijke kwaliteit van de omgeving

0

--

--

-

Herkenbaarheid van landart object aan de horizon

0

-

-

0

Mogelijkheden voor recreatief medegebruik

0

0

0

0

Alle scores zijn 0 dan wel negatief omdat elke aanpassing aan de stortplaats een impact heeft op het landschap. Hoe hoger de stortlocatie wordt, hoe meer impact dit heeft op de maat en schaal van het landschap. Alternatief 1: Pannenkoekmodel Dit alternatief scoort gemiddeld genomen het meest positief. Dit heeft te maken met de eenvoud van het ontwerp, de robuustheid en met de lange lijnen parallel aan bestaande beplantingsstructuren in het landschap. Het alternatief komt qua vormgeving vrijwel overeen met de vergunde autonome situatie maar met een extra hoeveelheid grond. Doordat de top van de stortplaats overeenkomt met de top van de bomen langs de A1, valt de stortlocatie ook vrijwel weg achter de bomen. Alternatief 2: Gezicht vorm A Dit alternatief scoort gemiddeld genomen negatief. Dit komt de herkenbaarheid van het landart object. Het gezicht is herkenbaar wanneer er “en profil” wordt gekeken vanuit Wilp. Wanneer het van standpunt verandert verdwijnt deze herkenbaarheid en lijken de hoogten willekeurig en daarmee doet het landart object afbreuk aan de landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten en waarden. Alternatief 3: Gezicht vorm B Dit alternatief scoort gemiddeld genomen negatief. Dit komt door de herkenbaarheid van het landart object. Het gezicht is herkenbaar wanneer er “en profil” wordt gekeken vanuit Wilp.

Wanneer het van standpunt verandert verdwijnt deze herkenbaarheid en lijken de hoogten willekeurig en daarmee doet het landart object afbreuk aan de landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten en waarden.

15 mei 2023

CLICK TO ENTER "CDC2"

BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001

74

Projectgerelateerd

6.5 6.5.1

Bodem en water

Inleiding

In deze paragraaf worden de milieueffecten van de drie alternatieven voor wat betreft bodem en oppervlaktewater beschreven. De alternatieven kunnen zonder het toepassen van de juiste maatregelen/voorzieningen mogelijk invloed hebben op de bodemopbouw/geohydrologie en de milieuhygiënische kwaliteit van grond, grondwater en/of oppervlaktewater. Daarbij is op basis van het geotechnisch onderzoek inclusief zettingsanalyses (Geonius, kenmerk GC160239.R01. v2.0 d.d. 7 maart 2023) en de resultaten van de tweejaarlijkse keuring 2022 van de stortplaats (Antea Group, kenmerk 0479464.100 rev. 01 d.d. 1 februari 2023), een beoordeling gemaakt van de zettingen, drooglegging en de werking op het drainagesysteem als gevolg van de verhoging van de stortplaats.

6.5.2

Beleidskader

Wet bodembescherming De Wet Bodembescherming (Wbb) stelt regels om de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en haar fysieke eigenschappen te beschermen. Enerzijds heeft de wet een preventief doel en worden regels beschreven om te voorkomen dat een nieuwe verontreiniging van de bodem ontstaat. Anderzijds heeft de Wbb een curatief doel door voorwaarden te geven voor het opruimen, saneren, van reeds bestaande bodemverontreinigingen. De wet maakt onderscheid in historische en nieuwe bodemverontreiniging. Indien een verontreiniging veroorzaakt is na 31 december 1986, wordt dit gezien als nieuwe verontreiniging en geldt hiervoor de zorgplicht (Wbb, art. 13, Zorgplicht). Indien een verontreiniging veroorzaakt is voor 1 januari 1987, wordt dit gezien als historische verontreiniging. Een historische verontreiniging is saneringsplichtig indien in een Wbb-beschikking de aard, mate en omvang ("ernst") en risico’s ("spoed") zijn vastgelegd. Binnen het plangebied zijn mogelijk historische verontreinigingen aanwezig. Volgens de Wbb moeten deze verontreinigingen gesaneerd worden indien er een onaanvaardbaar risico is voor mens of milieu of indien er een verspreidingsrisico is. Als dit niet het geval is, moeten verontreinigingen gesaneerd worden op een natuurlijk moment.

Vanaf 1 januari 2006 is de norm dat de sanering van historische bodemverontreinigingen functiegericht en kosteneffectief worden uitgevoerd. Stortbesluit bodembescherming en bijbehorende uitvoeringsregeling Er moet worden voldaan aan de voorwaarden en richtlijnen van het Stortbesluit bodembescherming en de bijbehorende uitvoeringsregeling. De vigerende vergunning neemt deze besluiten reeds in acht. De bestaande voorschriften kunnen in hoofdlijnen intact blijven. Op details dient rekening te worden gehouden met de toekomstige mogelijkheid om tussenafdichtingen mogelijk te maken die voldoen aan de eisen ten aanzien van richtlijn dichte eindafwerking zoals dat nu ook het geval is. De tussenafdichting voor het stortvak 2b is reeds aangelegd. In de vigerende vergunning is voor dergelijke aanlegwerkzaamheden paragraaf 11.2 opgenomen die borgt dat elke aanleg van een voorziening afzonderlijk dient te worden goedgekeurd. Er is voor de inrichting in Wilp is een apart besluit genomen aangaande de Uitvoeringsregeling stortbesluit bodembescherming: Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 30 november 2018, nr.

IENW/BSK-2018/69557, tot wijziging van de Uitvoeringsregeling Stortbesluit bodembescherming Dit besluit impliceert een uitstel voor de aanleg van de bovenafdichting van 10 jaar voor de gehele stortplaats met uitzondering van stortvak 2B dat in de laatste fase zit van afdichting volgens het voorgeschreven bestek, en de 2 laatst aangelegde stortvakken 9 en 10. Het besluit impliceert eveneens dat er extra beheers en monitoringsmaatregelen worden genomen volgens bijlage 6 van dit besluit. Deze 15 mei 2023

CLICK TO ENTER "CDC2"

BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001

75

Projectgerelateerd

beheersmaatregelen zijn reeds getroffen en blijven van kracht tot het moment van de uiteindelijke afdichting van de stortvakken. Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen. De implicaties van dit besluit zijn reeds in de vigerende beschikking verwerkt. Daartoe is 21 februari 2014 een ambtshalve wijziging doorgevoerd (DOS-2014-005902). Nieuwe situatie Op de stortplaats is het Stortbesluit bodembescherming van toepassing. De voorschriften ten aanzien van dit besluit blijven onverkort van kracht en kunnen indien gewenst worden herzien. Er zijn geen extra risico’s op bodemverontreiniging dan vergund. De risico’s zijn op dezelfde wijze beperkt door de standaard maatregelen die gelden voor voorzieningen op een stortplaats. Attero accepteert geen gevaarlijk afval anders dan het inerte asbest dat dubbel verpakt in speciale asbest bigbags wordt aangeleverd. Omdat asbest geen uitloog effecten heeft is in EU en nationale wetgeving reeds vastgelegd dat storten op een stortplaats voor ongevaarlijk afval kan plaatsvinden zoals nu reeds het geval is. Er zijn geen voorschriften nodig voor een gescheiden aanleg van stortvakken voor gevaarlijk afval. Er worden geen nieuwe stortcompartimenten aangelegd op het maaiveld. De bestaande stortvakken zullen worden benut zonder dat er een nieuw risico ontstaat voor de bodem.

De bestaande voorzieningen volstaan om de stortvakken op te hogen met dien verstande dat de huidige maximale termijn voor de bovenafdichting vooralsnog blijft bestaan. Als zich de situatie voordoet dat de datum van eindafwerking in zicht komt voordat de stortplaats zijn eindhoogte heeft bereikt dan wordt een extra voorziening aangebracht die voldoet aan de richtlijn voor dichte eindafwerking. Wat betreft bodembescherming kunnen de huidige voorschriften onverkort van kracht blijven in de nieuwe situatie.

6.5.3

Beoordelings- en onderzoeksmethodiek

Tabel 6-20 Overzicht onderzoeksaspecten en beoordelingscriteria

Aspect

Criteria

Werkwijze

Bodemopbouw en geohydrologie

Effect op de bodemopbouw en geohydrologie

Kwalitatief/ Kwantitatief

Bodemkwaliteit

Effect op de grond- en grondwaterkwaliteit

Kwalitatief

Oppervlaktewater

Effect op nabijgelegen oppervlaktewateren

Kwalitatief

Per inrichtingsalternatief wordt beoordeeld of het invloed heeft op de bodemopbouw en geohydrologie. Voor het aspect bodemkwaliteit wordt gekeken naar de invloed van de aanpassing van de inrichting op de kwaliteit van grond en grondwater, alsook naar de actuele verontreinigingssituatie. Voor wat betreft oppervlaktewater wordt beschreven welke oppervlaktewateren in de directe omgeving aanwezig zijn en of de situatie voor deze wateren wijzigt als gevolg van de nieuwe inrichting. Opgemerkt wordt dat het verbeteren van de bovengenoemde aspecten geen doel is van de nieuwe inrichting.

15 mei 2023

CLICK TO ENTER "CDC2"

BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001

76

Projectgerelateerd

Tabel 6-21 Operationalisering effectscores bodemopbouw en geohydrologie

Effectscore

Beoordeling

++ + 0 --

Zeer positief effect Positief effect Geen/ neutraal effect Negatief effect Zeer negatief effect

Operationalisering voor effect op de lokale en regionale bodemopbouw en geohydrologie Sterke verbetering Lichte verbetering Geen verstoring/invloed Lichte verstoring/invloed Sterke verstoring/invloed

Tabel 6-22 Operationalisering effectscores bodemkwaliteit

Effectscore

Beoordeling

++

Zeer positief effect

+

Positief effect

0 --

Geen/ neutraal effect Negatief effect Zeer negatief effect

Operationalisering voor effect op de bestaande bodemkwaliteit en geschiktheid bestaande bodemkwaliteit Sterke verbetering van de bodemkwaliteit (meerdere/volledige sanering) Lichte verbetering bodemkwaliteit (enkele/gedeeltelijke sanering) Geen verbetering van de bodemkwaliteit Lichte kans op afname bodemkwaliteit Sterke kans op afname van de bodemkwaliteit

Tabel 6-23 Operationalisering effectscores oppervlaktewater

Effectscore

Beoordeling

++ + 0 -

Zeer positief effect Positief effect Geen/ neutraal effect Negatief effect

--

Zeer negatief effect

6.5.4

Operationalisering voor effect op de nabijgelegen oppervlaktewateren Sterke verbetering van de kwaliteit van het oppervlaktewater Lichte verbetering van de kwaliteit van het oppervlaktewater Geen verbetering van de kwaliteit van het oppervlaktewater Lichte kans op afname van de kwaliteit van het oppervlaktewater Sterke kans op afname van de kwaliteit van het oppervlaktewater

Referentiesituatie

Onderstaande beschrijving van de (huidige) bodemopbouw, geohydrologische situatie, bodemkwaliteit en nabijgelegen oppervlaktewater is afkomstig uit versie 2022 van het Nazorgplan Attero “Stortplaats De Sluiner” te Wilp (kenmerk NL22-648800269-25833 d.d. 10 juni 2022). Voor een uitgebreidere beschrijving van deze aspecten wordt verwezen naar het nazorgplan. Bodemopbouw en geohydrologie Het oorspronkelijke maaiveld ter plaatse van de stortplaats en de omliggende percelen ligt op 5,5 tot 6,5 m +NAP. In de onderstaande figuren is de bodemopbouw voor respectievelijk de regionale en de lokale situatie weergeven. De stortplaats is niet gelegen in een waterwin- of grondwaterbeschermingsgebied. Ter plaatse van de locatie van de stortplaats is een deklaag van circa vijf meter dikte aanwezig van grof zand met plaatselijk klei- of veenlagen. In de deklaag komen ijzeroerlagen voor. Onder de deklaag begint het 1e watervoerend pakket, dat een totale dikte heeft van circa 40 m. In het pakket is op een diepte van 13 tot 15 m-mv een scheidende laag aanwezig (Eemklei) met een geschatte weerstand van 300 tot 350 dagen. Onder het 1e watervoerende pakket bevindt zich een zes meter dikke kleilaag, die lokaal gezien kan worden als geohydrologische basis. In figuur 6-16 en 6-17 is een 15 mei 2023

CLICK TO ENTER "CDC2"

BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001

77

Projectgerelateerd

overzicht gegeven van de parameters, die van belang zijn voor de beschrijving van de geohydrologische opbouw van de bodem.

Figuur 6-16 Regionale bodemopbouw en geohydrologische situatie

Figuur 6-17 Lokale bodemopbouw en geohydrologische situatie

Bodemkwaliteit Grond De stortlocatie is verdeeld in verschillende fases/vakken. Na de sanering van stortfase 1 en 2A is plaatselijk stortmateriaal tot maximaal 1 meter achtergebleven onder grondwaterniveau. In stortvakken 2B t/m 7 zijn geen verontreinigingen van de bodem geconstateerd. Ter plaatse van de nieuw aangelegde stortvakken 1A t/m E zijn plaatselijk lichte verontreinigingen vastgesteld. Er zijn ter plaatse van stortvakken 8 en nieuw aangelegde stortvakken 9 en 10 historische verontreinigen aanwezig in de grond en het grondwater die te relateren zijn aan de (voormalige) autosloperij en het afvalverzamelpunt. 15 mei 2023

CLICK TO ENTER "CDC2"

BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001

78

Projectgerelateerd

Grondwater Zowel onder-, boven- en benedenstrooms van de stortplaats is een verontreiniging met arseen in het grondwater aanwezig. Er wordt aangenomen dat de verontreiniging mede veroorzaakt wordt door de infiltratie van zuur percolaat uit de stortvakken 1 en 2A, waarbij het zuur heeft gezorgd voor een natuurlijke vrijgave van arseen uit de aanwezige oerlagen. Het arseen is niet afkomstig uit het percolaat. In de periode 1999 - 2006 is de onderafdichting van de stortvakken 1A t/m 1E aangelegd. In 2012 is de onderafdichting ter plaatse van stortvak 2A aangelegd. Verder is stortvak 2B inmiddels voorzien van een tijdelijke bovenafdichting. Tijdens sanering van stortvakken 1A t/m 1E en 2A is gebleken dat de grond en het grondwater onder de oude stortgedeelten beperkt verontreinigd is. Bij aanleg van stortvakken 1C t/m 1E zijn beheersdrains aangelegd die uitmonden in een verzamelput aan de buitenzijde van de stort. De huidige bodembeschermende voorzieningen (controledrainage, monitoringspeilbuizen, onder- en tussenafdichting middels folie, gecontroleerde afvoer percolaat) zijn afdoende om bodemverontreiniging te voorkomen/signaleren. Bodembescherming Daar waar bodembedreigende activiteiten plaatsvinden, heeft Attero bodembeschermende voorzieningen aangebracht en zijn maatregelen getroffen waarmee een verwaarloosbaar bodemrisico wordt gerealiseerd.

Tijdens exploitatie zal Attero dit kunnen aantonen, maar een verdere analyse vormt geen onderdeel van het MER. Autonome ontwikkeling Bij autonome ontwikkeling zal de verontreiniging in het grondwater langzaam afnemen door natuurlijke afbraak. De verontreiniging in de grond blijft stabiel. De aanwezige bovenafdichting verslijt na 75 jaar. De levensduur van de onderafdichting is 50 jaar. Binnen 50 jaar na aanleg van de onderafdichting wordt de stortplaats verduurzaamt waardoor geen verontreinigingen in het grondwater terecht komen. Mocht dit niet mogelijk zijn dan wordt de stortplaats afgedekt conform het Stortbesluit. Deze afdichting wordt regelmatig gecontroleerd en conform de geldende richtlijnen vervangen met een nieuwe afdichting. De kans op verontreiniging van de ondergrond/grondwater is hierdoor minimaal. Oppervlaktewater In de directe omgeving van de stortplaats zijn drie oppervlaktewateren aanwezig: • De Stouwgraaf; • Twellosche beek; • Recreatieplas Bussloo. De Stouwgraaf loopt aan de westzijde van het terrein naar het noorden en eindigt in het Toevoerkanaal, dat uitmondt in de IJssel. Aan de oostzijde van de stortplaats loopt de Twellosche beek. Ook deze waterloop eindigt in het Toevoerkanaal. Ten behoeve van de ophoging van het stort met fase 5 is de Twellosche beek in het verleden omgelegd.

Ten oosten van de stortplaats ligt de recreatieplas Bussloo (90 hectare), een voormalige zandwinning.

6.5.5

Effectbeoordeling

Aangezien de drie alternatieven enkel verschillen in hoogteverschillen in de bovenafwerking, zijn de hieronder beschreven effectbeoordelingen gelijk voor iedere inrichtingsalternatief (Pannenkoekmodel, Gezichtsvorm 1, Gezichtsvorm 2). 15 mei 2023

CLICK TO ENTER "CDC2"

BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001

79

Projectgerelateerd

Bodemopbouw en geohydrologie Aangezien de ophoging van de stortplaats enkel in verticale richting plaatsvindt, vinden geen bewerkingen/werkzaamheden plaats die de bestaande bodemopbouw en geohydrologie beïnvloeden. Percolaat wordt naar een waterzuiveringsinstallatie afgevoerd middels een percolaatdrainagesysteem. Op basis van het geotechnisch onderzoek inclusief zettingsanalyses (Geonius, kenmerk GC160239.R01. v2.0 d.d. 7 maart 2023) en de resultaten van de tweejaarlijkse keuring 2022 van de stortplaats (Antea Group, kenmerk 0479464.100 rev. 01 d.d. 1 februari 2023), is door Antea Group gekeken naar de zettingen, drooglegging en de werking op het drainagesysteem als gevolg van de verhoging van het stortlichaam van de huidige maximaal 31 m+NAP naar 47,2 m+NAP en een toename van het stortvolume met 3.000.000 m3 (memo met kenmerk 0464372.100 d.d. 24 maart 2023). In de memo is het volgende geconcludeerd: Zettingen en drooglegging Op basis van de bandbreedte van de maximaal optredende extra zettingen ten gevolge van de ophoging van de stortplaats (afgerond 6-9 cm) en de bij de tweejaarlijkse keuring (2022) vastgestelde drooglegging, is er in de stortvakken 7 en 10 onvoldoende extra zettingsruimte beschikbaar om aan de droogleggingseis van 0,7 m te voldoen. In de overige stortvakken wordt voldaan aan de droogleggingseis.

Opgemerkt wordt dat in vak 7 alleen niet wordt voldaan aan de droogleggingseis bij meer dan 6 cm extra zetting. Bij de onderkant van de zettingsberekeningen (-30% in de bandbreedte) kan vak 10 ook nog voldoen. De vakken 7 en 10 zijn aan de buitenzijde van de stortplaats gesitueerd, mogelijk dat hier de extra ophogingen niet tot 47,2 m +NAP worden aangebracht, hetgeen geringere zettingen geeft waardoor bij de worst case aanname van berekende zettingen + 30% wel aan de droogleggingseis kan worden voldaan. Met betrekking tot de berekende zettingen en de droogleggingseis van 0,7 m geldt dat het minimale afwijkingen betreft met onzekerheidsmarges in de bandbreedte. Aanbevolen is de actuele hoogteligging van de percolaatdrainages te bepalen om inzicht te krijgen in de daadwerkelijk opgetreden zettingen (minimale of maximale bandbreedte). Werking op het drainagesysteem De toegepaste percolaatdrains zijn bestand tegen de extra drukverhoging ten gevolge van de voorgenomen ophoging. Voor de berekeningen en een uitgebreide beschrijving/onderbouwing wordt verwezen naar het in de bijlage opgenomen rapport van Geonius en de memo van Antea Group. Verder wordt opgemerkt dat een onderafdichting na 30 jaar moet worden voorzien van een bovenafdichting, indien er geen ‘Duurzaam Stortbeheer’ op wordt toegepast.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16420624/2