CConstaterende datVoorst
Koppel je AI →
Document · PDF

1. bestemmingsplan Attero 2023 (toelichting) - Bijlage 2 Milieueffectrapport (MER)

gemeenteraad 23 februari 2026, gemeente VoorstBij agendapunt: Bestemmingsplan Attero 202338.372 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

5

Publicatie: Jongh, de L., Tunn, V.S.C., Delahaye R. (2022) Afvalcijfers op een rij. Via CBS. Coalitieakkoord 2019 – 2023 Provincie Gelderland 7 Rijkswaterstaat (2016). Hoogwaardige recycling Gevat in een beleidsformule en een multicyclus-LCA-methodiek 8 Circulaire Atlast Gelderland – Provincie Gelderland 6

15 mei 2023

CLICK TO ENTER "CDC2"

BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001

11

Projectgerelateerd

Het moratorium zoals benoemd in punt 5 is ingegaan op 31 december 2000, toen was er nog bijna 80 miljoen m³ restcapaciteit beschikbaar. Eind 2019 bedroeg de restcapaciteit nog slechts 36,4 miljoen m³ (Rijkswaterstaat, WAR 2019). Attero heeft berekend of het 6- en 12 jaarcriterium gehaald wordt met de overgebleven capaciteit. Vanaf 2026 blijkt er niet genoeg restcapaciteit om nog 6 jaar vooruit te kunnen. Het tekort zal eind 2029 oplopen tot 7,4 miljoen m³. Vanaf 2025 is al onvoldoende restcapaciteit voor het 12 jaarcriterium. Aan het einde van 2035 is het tekort opgelopen tot 22,1 miljoen m³. Aangezien bij een tekort aan capaciteit het alleen mogelijk is een vergunning voor vergrote stortvolume te verkrijgen door ophoging van een bestaande locatie, valt het voornemen van Attero bij Wilp uitstekend binnen dit beleid.

3.2

Locatiekeuze

Naast de voorgenomen ophoging van de stortplaats in Wilp, lopen vergelijkbare processen bij andere stortplaatsen in Nederland. Er is restcapaciteit en capaciteit bij verschillende exploitanten beschikbaar, verdeeld over de provincies. In Gelderland is geen andere bestaande of nieuwe locatie waar nog eens 3 miljoen m3 restafval kan worden gestort, omdat daarvoor geen nieuwe locatie mag worden ontwikkeld en er voor andere exploitanten dan Attero, momenteel, onvoldoende restcapaciteit beschikbaar is. Met het uitbreiden van de stortcapaciteit van Attero kan de locatie in Wilp de komende jaren een belangrijke rol blijven spelen in de afvalverwerking en de afvalkringloop binnen de provincie. Het behouden van de locatie in Wilp voor het verwerken en storten van afval is vanuit een (bedrijfs-)economisch en duurzaamheidsperspectief dan ook voor de hand liggend. Om die reden zoekt het MER naar alternatieven voor de stortplaats, bínnen het plangebied bij de Sluiner in Wilp. Uit jurisprudentie9 volgt verder dat een (project) MER in het kader van een omgevingsvergunning milieu geen locatiealternatieven hoeft te bevatten. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen ophoging van stortplaats De Sluiner, valt een alternatieve locatiekeuze anders dan de Sluiner in Wilp in het MER niet onder de in beschouwing te nemen alternatieven.

Dat betekent dat de alternatieven in het MER elk binnen de locatie Sluiner worden uitgewerkt. De keuze voor de ontwikkeling van de locatie in Wilp in plaats van andere locaties is te onderbouwen vanuit verschillende perspectieven. (zie ook paragraaf 5.1 ) Attero in Voorst is de enige afvalverwerker in Gelderland die GFT vergist en/of composteert. De keuze voor De Sluiner in Wilp als locatie om het voornemen te realiseren ligt dan ook in het feit dat zij in de doelen en behoeften van de provincie kan blijven voorzien, nu en in de toekomst. De bestaande vergunningen van Attero voorzien in de activiteiten (waaronder het storten) op het terrein en zijn voor onbepaalde tijd. Echter, vanuit het Nazorgplan Attero ‘Stortplaats De Sluiner’ te Wilp door Sweco (10-06-2022) is het volgende vermeld: - het storten van afval zal eindigen per 31 december 2046. - De aanleg laatste fase tijdelijke bovenafdichting in 2049. De gehele bovenafdichting krijgt inrichting als zonnepark met een exploitatieduur van 25 jaar. - Opruimen zonnepark en vervangen van de tijdelijke bovenafdichting in prenazorgperiode in 2074. Aanleg en onderhoud van definitieve bovenafdichting, peilbuizen, hekwerk en bestratingen. Beheer overeenkomend optimale staat van onderhoud van overdracht. - Overdracht en start nazorg op 1 januari 2078.

Het zou daarbij onnodig kostbaar en inefficiënt zijn om de restproducten die gestort moeten worden naar een alternatieve locatie te vervoeren. Bovendien voorziet het beleidskader Landelijk Afvalbeheerplan (LAP) erin dat er geen nieuwe stortplaatsen worden ontwikkeld, maar dat de vraag naar stortmogelijkheden zoveel mogelijk binnen bestaande locaties, zoals bij Attero in Wilp wordt opgevangen. Per jaar blijft dat maximaal de 275.000 ton/jaar, deze hoeveelheid is ongewijzigd ten opzichte van de huidige vergunning.

9

ABRvS 23 april 2008, nr. 200704125/1 en ABRvS 2 april 2008, nr. 200703386/1

15 mei 2023

CLICK TO ENTER "CDC2"

BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001

12

Projectgerelateerd

3.3

Plan- en studiegebied

Het plangebied waar het in dit MER over gaat, is het gebied waarbinnen Attero het voornemen om de stortplaats te verhogen voorziet. Het betreft het terrein van Attero aan de Sluinerweg in Wilp. Omgevingseffecten als gevolg van het voornemen hebben mogelijk een groter bereik dan de grenzen van het plangebied. Het gebied waar omgevingseffecten significant zijn toe te schrijven aan het voornemen, is het studiegebied. Het studiegebied is niet éénduidig af te kaderen en verschilt per deelonderzoek naar de omgevingseffecten. Het plangebied in relatie tot het studiegebied is gunstig vanwege de grote afstand tot natuurgebieden. Des te groter de afstand tot deze gebieden, hoe kleiner de nadelige milieueffecten met betrekking tot bijvoorbeeld stikstofdepositie. Paragraaf 6.3 gaat dieper in op dit milieueffect. De ophoging zal worden gerealiseerd binnen de bestaande inrichting boven op de bestaande stortplaats. Dit is in lijn met het moratorium komend uit het Landelijk Afvalbeheerplan (2017 – 2029) welke het vigerende beleid is. In figuur 3.1 is de huidige locatie en inrichting te zien. Het totale terrein van Attero in Wilp beslaat ongeveer 76 hectare. Twee-derde deel (circa 46 hectare) van het terrein is in gebruik ten behoeve van de stortplaats en één derde deel als recyclingterrein.

Figuur 3-1: Locatie en inrichting stortplaats De Sluiner

Stortplaats Op de stortplaats bevindt zich nauwelijks permanente bebouwing. Er staan hier met name (verplaatsbare) installaties die afval verwerken en scheiden. Daarnaast staan er verschillende tijdelijke loodsen, containers en bouwketen. De stortplaats kan nog tot 2049 jaar gebruikt worden, om daarna helemaal afgedekt te worden en een andere functie te krijgen. De stortplaats is onderverdeeld in meerdere stortvakken, welke gefaseerd worden opgevuld. De stortplaats heeft een overwegend groen aanzicht. Door de getrapte terreinhoogte van de stortplaats is voorkomen dat het terrein als massief element in het landschap aanwezig is. Vanaf de Sluinerweg en de Ardeweg zijn de activiteiten maar deels waar te nemen. De gebouwen zijn grotendeels omgeven door een met gras begroeide aarden wal en groene singels van bomen. Vanaf de Sluinerweg heeft ook de met gras begroeide stortplaats een groen aanzicht. Vanaf de Rijksweg A1 is ook sprake van een hoofdzakelijk groen aanzicht. Ook ten zuiden van de Sluinerweg liggen singels met bomen die voor een natuurlijke overgang naar de achtergelegen agrarische percelen zorgen. Ten noorden van de Rijksweg A1 ligt over de gehele lengte van het plangebied een groenstrook. In het midden van deze 15 mei 2023

CLICK TO ENTER "CDC2"

BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001

13

Projectgerelateerd

groenstrook ligt aan de noordzijde een bosperceel. Aan de oostzijde grenst de inrichting aan het recreatiegebied Bussloo. Recyclingterrein Op het recyclingterrein bevinden zich naast de overslag- en sorteerinrichting, de kantoren en de centrale ingang van het terrein. Daarnaast bevinden zich hier de composteerinrichting, een aantal wateropslagsilo's en een gebouw met stortgasmotoren. Dit is ook de beoogde locatie voor de tunnelcompostering. Al het herbruikbare afval wat binnenkomt bij Attero wordt naar verschillende hallen op het terrein getransporteerd. In al deze hallen vinden verschillende verwerkingsactiviteiten plaats. Zo wordt onder meer in een hallen complex bedrijfsafval en in een andere hal gft-afval voorbewerkt voor het composteringsproces. Daarnaast is er een puinbreker op het terrein, waarmee Attero bouwafval omzet in granulaat, megablokken en keerwanden. Ook is er een grondreinigingsinstallatie op het terrein, dat van vervuilde grond een herbruikbare grondstof maakt. Eveneens is er sprake van laagwaardige bouwstoffen uit compostering die nuttig kunnen worden toegepast op de stortplaats. Het residu van dat wat er niet meer kan worden gerecycled, wordt gestort.

3.4

Omgeving

Het plangebied wordt omringd door de Rijksweg A1, de Sluinerweg en de Ardeweg. Het terrein heeft een eigen ontsluitingsweg die aansluit op de Sluinerweg. De ontsluiting van het verkeer vanuit de inrichting loopt of via de Sluinerweg richting de Zutphenseweg (N345) welke vervolgens aansluit op de Rijksweg A1 óf via de Sluinerweg richting het oosten om via een oversteek van de Rijksweg A1 richting Twello te rijden. In figuur 3.2 staat de ligging van (de grens van) het vigerend bestemmingsplan VAR 2013 afgebeeld. Het terrein van Attero heeft de enkelbestemming Bedrijf – Afvalverwerkingsbedrijf. De buffer direct om het terrein heen (aan weerszijden van de ontsluitingswegen) én aan de overzijde van de rijksweg A1 hebben de enkelbestemming Groen of enkelbestemming Bos.

Figuur 3-2. Lokale ligging van de inrichting van Attero (bron: ruimtelijkeplannen.nl, Bestemmingsplan VAR 2013) 15 mei 2023

CLICK TO ENTER "CDC2"

BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001

14

Projectgerelateerd

Aan de zuidoost en zuidwest kant van het VAR terrein liggen twee agrarische percelen die onderdeel zijn van dit bestemmingsplan. Daarnaast ligt er rondom de afvalverwerkingslocatie een zone met groen en maken enkele bosschages en een bosperceel ten noorden van de Rijksweg A1 onderdeel uit van het bestemmingsplan.

15 mei 2023

CLICK TO ENTER "CDC2"

BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001

15

Projectgerelateerd

4

Kaders en richtlijnen in het MER

4.1

Wettelijk kader

Storten is de wijze van afvalbeheer voor afvalstoffen die, al dan niet tijdelijk, niet nuttig kunnen worden toegepast of verbrand. Daarmee staat storten op de laatste plaats in de afvalhiërarchie. Hiervoor zijn de volgende redenen: • Het verlies van grondstoffen; • De emissies die optreden bij het storten van organisch afval. In Nederland droeg in 2006 de emissie van methaan uit bestaande en oude stortplaatsen voor ongeveer 2,8% bij aan de nationale bijdrage aan het broeikaseffect (emissieregistratie PRTR). Het terugdringen van storten van de verteerbare organische afvalstoffen, sluit derhalve aan bij het klimaatbeleid; • De vereiste eeuwigdurende nazorg; • De gebruiksmogelijkheden van een stortplaats na beëindiging van de stortactiviteiten zijn beperkt. Storten is een basisvoorziening die goed geregeld moet zijn. De doelstelling van het stortbeleid is daarom het op een milieuhygiënisch verantwoorde en veilige wijze uitvoeren en zeker stellen van de stortfunctie in Nederland. Er ligt een aantal wetten en richtlijnen met grondslag aan het stortbeleid, dan wel met een direct verband. Dit hoofdstuk geeft een overzicht van de belangrijke beleidsachtergronden bij het voornemen.

4.1.1

Besluit milieueffectrapportage en Wet milieubeheer

Activiteiten met in potentie belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kennen een verplichting voor het opstellen van een MER. Het Besluit milieueffectrapportage (Besluit MER 10 ) maakt onderscheid tussen enerzijds de verplichting om een MER op te stellen (MER-plicht, onderdeel C) en anderzijds de verplichting te beoordelen of vanwege bijzondere omstandigheden waaronder de activiteit wordt ondernomen, een MER moet worden opgesteld (MER-beoordelingsplicht, onderdeel D). De voorgenomen activiteit van Attero is niet MER-plichtig conform de criteria in Besluit m.e.r, onderdeel C. Uit de concept MER-Aanmeldnotitie is gebleken dat de voorgenomen activiteit geen bijzondere omstandigheden met zich meebrengt die het verplichten tot het opstellen van een MER rechtvaardigen. Gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de potentiële effecten van het project, met betrekking tot de voorgenomen verandering van de stortplaats De Sluiner is vastgesteld dat de voorgenomen activiteit geen bijzondere omstandigheden met zich meebrengt, die het verplichten tot het opstellen van een MER rechtvaardigen. In het Besluit MER zijn activiteiten aangewezen waarvoor het niet zeker is of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden.

Deze zijn beschreven in onderdeel D van het Besluit MER Om te bepalen of er bij deze activiteiten uit onderdeel D sprake kan zijn van belangrijke nadelige milieugevolgen dient hiervoor per geval een MER-beoordeling uitgevoerd te worden. In overleg met bevoegde gezagen kiest Attero ervoor om niet eerst formeel te laten beoordelen of in dit geval aanleiding bestaat voor het opstellen van een MER, maar om gebruik te maken van de wettelijke mogelijkheid direct vrijwillig een MER op te stellen conform artikel 7.16, vijfde lid, van de Wet milieubeheer (Wm). Belangrijkste argument hiervoor is dat het opstellen van een MER een wezenlijke bijdrage kan leveren aan een zorgvuldige totstandkoming van het besluit over de toekomstige ophoging van stortplaats De Sluiner in Wilp. Omdat zowel het bestemmingsplan als de omgevingsvergunning (Milieu) aangepast moeten worden, kiest Attero ervoor om ingevolge artikel 14.4b Wm een gecombineerd plan- en projectMER op te stellen waarvoor de uitgebreide voorbereidingsprocedure gevolgd zal (moeten) worden. 10

In de tekst wordt onderscheid gemaakt tussen MER, het rapport geschreven met hoofdletters en MER, de procedure geschreven met kleine letters en puntjes. 15 mei 2023

CLICK TO ENTER "CDC2"

BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001

16

Projectgerelateerd

Vanwege het belang van een zorgvuldige afweging verzoekt Attero het bevoegd gezag (BG) – in deze het College van Gedeputeerde Staten van de Provincie Gelderland (GS) – om: • Op grond van artikel 7.24. lid 2 Wm een advies uit te brengen inzake de reikwijdte en het detailniveau van de informatie t.b.v. het MER; en • Daarbij ingevolge artikel 7.25 Wm ook de wettelijke adviseurs en de Commissie MER (Cmer) te raadplegen.

4.1.2

Wet natuurbescherming

Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze beschermt natuurgebieden en planten- en diersoorten en vervangt drie wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Het uitgangspunt van de Wnb is de bescherming en ontwikkeling van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit. Op 14 september 2015 is een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet (Nbw) afgegeven 11 voor de inrichting van Attero in Wilp. Het betreft een vergunning van vóór het intreden van het PAS, de programmatische aanpak stikstof dat door de Raad van State op 29 mei 2019 is vernietigd. De werkzaamheden zoals die destijds zijn vergund, veranderen niet en omdat die niet onder het regime van het PAS vielen, hoeven die niet te worden heroverwogen. Voor de voorgenomen activiteit zal echter wel in het kader van het MER worden getoetst of en in welke mate deze voldoet aan de vereisten van de vigeren Wnb.

4.1.3

Wet ruimtelijke ordening

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) regelt hoe ruimtelijke plannen in Nederland tot stand komen en gewijzigd worden. De Wro geeft bepalingen over onder meer structuurvisies, bestemmings- en inpassingsplannen en de beheer verordening. Het vigerende bestemmingsplan is Bestemmingsplan VAR 2013 (met IMRO-nummer NL. IMRO.0285.18100-VS00). In dat bestemmingsplan zijn de stortcapaciteit en de storthoogte beperkt tot 7 miljoen m3 respectievelijk 31 meter boven maaiveld. Eén en ander betekent voor het realiseren van de voorgenomen ophoging van de stortplaats dat het bestemmingsplan op beide punten aangepast moet worden, zodat dit planologisch inpasbaar is. Aanpassing van het bestemmingsplan is mogelijk door middel van een bestemmingsplanwijziging of een buitenplanse afwijking via een omgevingsvergunning voor de activiteit afwijken van het bestemmingsplan. Mede tegen deze achtergrond opteert Attero voor een gecombineerd plan-/project-MER.

4.1.4

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) regelt de omgevingsvergunning. In artikel 2.1 lid 2 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) zijn vergunningsplichtige categorieën van bedrijfsactiviteiten aangewezen. Het voorgenomen initiatief kent een Wabo-vergunningplicht, omdat stortplaats De Sluiner meerdere processen en installaties uitvoert en bedrijft, die als IPPC-plichtig zijn aangemerkt (zie § 4.1.6) en onder meerdere categorieën van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht (Bor) vallen. Hiervoor geldt een uniforme openbare voorbereidingsprocedure conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waarbij GS bevoegd zijn te beslissen op de aanvraag. Attero zal derhalve een vergunning in het kader van de Wabo 11

Besluit Nbw GS van 14 september 2015 met zaaknummer 2015-00799

15 mei 2023

CLICK TO ENTER "CDC2"

BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001

17

Projectgerelateerd

aanvragen. Conform artikel 3.18 lid 1 van de Awb neemt het bestuursorgaan het besluit zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk zes maanden na ontvangst van de aanvraag. Bij de beoordeling van de status van wet- en regelgeving is (uiteraard) ook de huidige vergunning van belang.

4.1.5

Waterwet

Attero beschikt over een recente watervergunning in het kader van de Waterwet (Wtw). 12 Deze hoeft niet te worden aangepast. Immers, ook de toekomstig vrijkomende (afval)waterstromen worden gescheiden opgeslagen en zoveel mogelijk hergebruikt. En het afvalwater van de stortvakken wordt via een verzamelleiding afgevoerd naar de afvalwatersilo voor afvoer naar de RWZI Terwolde en voor een deel per as naar een derde die het zuivert. De hoeveelheid te onttrekken grondwater mag niet meer zijn dan strikt noodzakelijk en maximaal 38 m³/uur met een maximum van 137.263 m³/jaar.

4.1.6

Richtlijn industriële emissies

De Richtlijn industriële emissies (RIE) verplicht de lidstaten van de EU om activiteiten van industrieën te reguleren middels een integrale vergunning gebaseerd op de beste beschikbare technieken (BBT / BAT (Best Available Techniques)). Indien een installatie onder de RIE valt, moet worden getoetst aan de daarop van toepassing zijnde BBT-conclusies. Wanneer de BBT-conclusies nog niet zijn vastgesteld, geldt hiervoor het hoofdstuk BAT van de betreffende BREF (BAT reference document). In de wet- en regelgeving wordt in dit kader ook de term IPPC-installatie gehanteerd. IPPC was de voorganger van de RIE. De bestaande activiteiten storten, op- en overslag en scheidingsinstallatie zijn RIE-plichtig op basis van de categorieën 5.1, 5.3 en 5.4 zoals genoemd in Bijlage I van de RIE. Deze activiteiten en installaties wijzigen weliswaar niet ten gevolge van de voorgenomen ophoging van de stortplaats, maar zullen toch als onderdeel van het MER aan een BBT-toets worden onderworpen. Daarbij speelt mee dat een aantal Europese BREF-documenten en BBT-Conclusies en Nederlandse BBT-documenten is geactualiseerd.

4.1.7

Crisis- en herstelwet

Stortplaats De Sluiner wordt vermeld in Bijlage II van de Crisis- en herstelwet (Chw), namelijk onder Aa. Overige ruimtelijke projecten onder 11 waar wordt gesproken over ‘levering van restwarmte van de Veluwse Afvalrecycling (VAR) voor benutting in glastuinbouwcluster Withagen’. Echter, omdat de voorgenomen ophoging van stortplaats De Sluiner daar geen invloed op heeft, is de Chw niet van toepassing op besluiten die vereist zijn voor dit project. Dat betekent concreet dat geen gebruik kan worden gemaakt van de ‘versnelde’ bestuursrechtelijke en/of MER-procedures zoals beschreven in Afdeling 2 en 3 van de Chw.

4.1.8

Overige wet- en regelgeving

In het kader van het MER is de volgende wet- en regelgeving ook nog relevant: ◼ Activiteitenbesluit milieubeheer: Veel regelgeving is ter ondersteuning van de Wm opgenomen in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling milieubeheer (Abm en Arm). Zo is hierin het toetsingskader voor Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) geregeld. ◼ Stortwetgeving: Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 30 november 2018, nr. IENW/BSK-2018/69557, tot wijziging van de Uitvoeringsregeling Stortbesluit bodembescherming. ◼ Externe veiligheid: In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is een lijst opgenomen met activiteiten op basis waarvan bedrijven worden aangewezen. Onderdeel van deze lijst vormt onder andere toetsing aan het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 (Brzo 2015). In het Brzo 2015 staat een lijst met drempelwaarden voor gevaarlijke stoffen op basis waarvan bedrijven worden aangewezen. 12

Waterschap Vallei en Veluwe, Definitieve vergunning Attero B.V. te Wilp in het kader van de Waterwet, 22 juni 2018, kenmerk 999106/1292238

15 mei 2023

CLICK TO ENTER "CDC2"

BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001

18

Projectgerelateerd

◼

◼

Hierbij wordt onderscheid gemaakt in een lage en een hoge drempel voor een reeks gevaarlijke stoffen of stofcategorieën en geldt een zogenaamde ‘sommatieverplichting’. Attero valt onder de lage drempelwaarden en valt conform de ‘sommatieverplichting’ ook niet onder het Brzo 2015. Vanwege de activiteiten met gevaarlijke stoffen valt Attero ook niet onder een ander onderdeel van het Bevi. Wet luchtkwaliteit: Het Nederlandse wettelijke stelsel voor luchtkwaliteitseisen is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’, van de Wm. Dit wettelijk stelsel is van kracht sinds november 2007 en wordt ook wel de ‘Wet luchtkwaliteit’ (‘Wlk’) genoemd. Uit dit rapport kan geconcludeerd worden dat Attero nog steeds voldoet aan de wettelijke kwaliteitseisen. Immers alle vrachtbewegingen en materieel zijn hetzelfde qua type maar de uitvoering (lees bouwjaar) is verbeterd in de loop der jaren. De emissie is dus afgenomen en voldoet daarmee aan de vergunde emissie. Paragraaf 6.3 gaat nader in op het onderdeel stikstof. Wet geluidhinder: In het Akoestisch onderzoek wordt extra aandacht besteed aan het Geluidverdeelplan en de Geluidverdeelkaart waarin de geluidemissies per perceel en/of hectare worden vastgelegd. Het plangebied valt niet binnen een gezoneerd industriegebied. De geluidsemissies moeten uiteraard wel voldoen aan milieuvergunning.

4.1.9

Overige betrokken bestuursorganen

In het kader van de MER-procedure zullen het bevoegd gezag en de initiatiefnemer moeten afstemmen met overige betrokken bestuursorganen. Voor deze procedure zijn – afhankelijk van de van toepassing zijnde wettelijke kaders en te volgen procedures – de volgende instanties van belang, voor zover nog niet genoemd in de eerdere paragrafen: ◼ Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT): op grond van artikel 2.26 lid 3 Wabo juncto artikel 6.3, 2e lid van het Bor heeft de ILT een wettelijke adviestaak naar het bevoegd gezag bij de Wabovergunningverlening aan grote bedrijven. Hiermee beoordeelt de ILT of de omgevingsvergunning voldoet aan nationale en Europese regelgeving; ILT is ook wettelijke adviseur bij MER-procedures; ◼ Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland wordt mogelijk ingeschakeld als adviseur inzake brandveilig gebruik; ◼ Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed is één van de wettelijke adviseurs in het kader van de MER

4.2

Advies Commissie MER

De NRD is inmiddels getoetst door de Commissie MER. De Commissie is gevraagd om haar advies over de reikwijdte en detailniveau van het MER uit te brengen. In haar advies stelt de commissie voor om in het milieueffectrapport aan te tonen wat verschillende ontwerpen van de ophoging van de stortplaats betekenen voor het landschap en hoe het terrein uiteindelijk gebruikt kan worden. Verschillen in milieueffecten komen dan goed in beeld. Op advies van de Commissie MER wordt in de uitwerking ook gekeken naar de verschillende functiemogelijkheden voor bijvoorbeeld recreatie, natuur en energie. De inbreng van de Commissie MER op de NRD wordt in het MER gereflecteerd en toegepast op de deelonderzoeken. De Commissie beschouwt de volgende punten als essentiële informatie in het MER. Dat wil zeggen dat voor het meewegen van het milieubelang bij een besluit over de ophoging van de stortplaats het MER in ieder geval onderstaande informatie bevat: • De afweging binnen de Attero-locaties, die tot de keuze van ophoging van de stortplaats in Wilp heeft geleid en de rol die omgevingseffecten hierin hebben gespeeld. Zie hiervoor hoofdstuk 3. • Een heldere en eenduidige beschrijving van alle huidige afvalbewerkings- en verwerkingsactiviteiten en hun milieueffecten (referentiesituatie) én de samenhang daarvan met de ophoging van de stortplaats.

Dit moet leiden tot een inhoudelijke en geografische afbakening van de referentiesituatie en het voornemen. Zie hiervoor paragraaf 5.1;

15 mei 2023

CLICK TO ENTER "CDC2"

BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001

19

Projectgerelateerd

•

•

• •

Een duidelijke omschrijving van de ophoging en de milieueffecten daarvan. In de NRD worden twee hoofdalternatieven genoemd voor de vormgeving van de stortplaats: model ’pannenkoek’ en een ‘landart-sculptuur’ in de vorm van een gezicht. Deze vormalternatieven moeten helder worden beschreven, ondersteund door duidelijke visualisaties. Zie hiervoor hoofdstuk 5 en de deelonderzoeken in hoofdstuk 6; Uitgewerkte functie-alternatieven voor ‘recreatie’, ‘hoogwaardige natuur’ en ‘energie’, zodat de verschillen in milieueffecten duidelijk zijn en mogelijke milieuvoordelen in beeld zijn gebracht. Samen met de twee vormalternatieven worden zo de hoeken van het speelveld verkend. Het uiteindelijke voorkeursalternatief kan een combinatie van alternatieven zijn. Zie hiervoor hoofdstuk 7; Een beschrijving van de mitigerende maatregelen en de rol die deze bij de beoordeling spelen zie hiervoor paragraaf 5.3. Om te komen tot een optimale ruimtelijke inrichting adviseert de Commissie het ontwerpproces van alternatieven en eventuele alternatieven in het kader van dit MER-onderzoek actief te gebruiken en hier de omwonenden bij te blijven betrekken zie hiervoor de hoofdstukken 5 en 7.

Naast deze punten op hoofdlijnen, is per deelonderzoek een aantal opmerkingen en aandachtspunten benoemd door het MER. In het opstellen van het MER is de inbreng van de Commissie van grote waarde is de lijn van aandachtspunten gevolgd en zo goed mogelijk verwerkt in voorliggend rapport.

4.3

Notitie Reikwijdte en Detailniveau

In de afgelopen periode is door Royal HaskoningDHV een Notitie Reikwijdte en Detailniveau (hierna: NRD) opgesteld en opgeleverd op 16 juli 2021. De NRD is in een uitgebreide consultatieronde besproken met de betrokken (bevoegde) gezagen, overheidsinstanties, omwonenden en niet in de laatste plaats met de Commissie MER. In de NRD worden de reikwijdte en het detailniveau van de milieueffectrapportage opgeschreven. Het gaat om de te onderzoeken alternatieven en milieuaspecten en om het detail- en schaalniveau waarop deze beschreven worden vast te stellen. Een NRD is het fundament voor een goed en efficiënt MER, en bestemmingsplan of omgevingsplan. Het geeft richting aan de scenario’s en aan de milieuonderzoeken die worden uitgevoerd. De conclusies uit het NRD vormen de basis voor de uitwerking van het MER.

15 mei 2023

CLICK TO ENTER "CDC2"

BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001

20

Projectgerelateerd

5

Alternatieven in het MER

5.1

Scope alternatieven MER De Sluiner

Volgens de Wm moet het MER niet alleen de voorgenomen activiteit beschrijven, maar ook de alternatieven daarvoor, die redelijkerwijs in beschouwing dienen te worden genomen, en een motivering van de voor de in beschouwing genomen alternatieven bevatten (artikel 7.23 lid 1 onder b Wm). Uit jurisprudentie13 volgt verder dat een (project) MER in het kader van een omgevingsvergunning milieu geen locatiealternatieven hoeft te bevatten. Dat ligt ook niet voor de hand gelet op de aard en omvang van de voorgenomen ophoging van de stortplaats. Er is in Gelderland geen andere bestaande of nieuwe locatie waar nog eens 3 miljoen m3 restafval kan worden gestort, omdat daarvoor geen nieuwe locatie mag worden ontwikkeld en er voor andere exploitanten dan Attero, momenteel, onvoldoende restcapaciteit beschikbaar is. In de derde plaats wordt opgemerkt dat het initiatief de ophoging van een bestaande stortplaats betreft die aan alle geldende wettelijke eisen en normen zal (moeten) voldoen. De toe te passen processen en installaties betreffen alle bewezen, moderne en relatief eenvoudige technieken die Attero zal toepassen. Het is mede daarom niet redelijk en realistisch om voor het voornemen alternatieve technieken te beschouwen en vergelijken.

In de alternatievenstudie worden landschappelijke uitvoeringsalternatieven afgewogen om tot een voorkeursalternatief voor de eindafwerking te komen waarin de eventueel nadelige gevolgen voor het milieu en de leefomgeving tot een minimum worden gereduceerd. Het daaruit resulterende voorkeursalternatief wordt in het MER toegelicht.

5.1.1

Referentiesituatie: autonome ontwikkeling

In het MER worden de effecten van de voorgenomen ontwikkeling van de Sluiner vergeleken met de referentiesituatie. Dat is de situatie die in de toekomst zal ontstaan als de voorgenomen ontwikkeling (het plan) niet wordt gerealiseerd; In dit geval betekent dat het voortzetten van de huidige activiteiten volgens het vigerende bestemmingsplan en vergunning. De referentiesituatie is gebaseerd op de bestaande situatie van het milieu, samen met de gevolgen van de zogenaamde autonome ontwikkelingen in en rondom het plangebied. De referentiesituatie gaat ervan uit dat vastgesteld overheidsbeleid (en de gevolgen daarvan) zal worden gerealiseerd. Het beschrijven van de referentiesituatie vraagt om een analyse van de vraag hoe het plan- en studiegebied er in de toekomst uit zal zien bij ongewijzigd beleid. Omdat er een verschil kan zitten in de bestaande situatie en de planologisch mogelijke situatie, wordt in eerste instantie uitgegaan van de feitelijke, bestaande toestand en concrete ontwikkelingen die nog niet zijn gerealiseerd, maar waarover wel al besluiten zijn genomen. Besluiten zoals omgevingsvergunningen voor uitbreiding van bedrijven of nieuwe functies in het plangebied. Ook wordt rekening gehouden met generieke (plan-overschrijdende) ontwikkelingen die van belang zijn voor de te verwachten milieueffecten.

13

ABRvS 23 april 2008, nr. 200704125/1 en ABRvS 2 april 2008, nr. 200703386/1

15 mei 2023

CLICK TO ENTER "CDC2"

BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001

21

Projectgerelateerd

5.1.2

Beschrijving autonome ontwikkeling

Er vinden geen autonome activiteiten plaats in het plangebied, anders dan de huidige situatie. De activiteiten die zodoende nu en in de referentiesituatie plaatsvinden bij Attero, zijn op basis van de revisievergunning van 20 mei 2008 als volgt: • Algemene bedrijfsactiviteiten • Het nemen van proeven ten behoeve van ontwikkeling nieuwe technieken • Een mobiele buffervoorziening ten behoeve van percolaat • Een wasplaats voor het reinigen van het eigen materieel • Het realiseren van een zuiveringsinstallatie voor afvalwater. • Het composteren van huishoudelijk en analoog GFT-afval • Met een verwerkingscapaciteit van max. 250.000 ton per jaar • Het vergisten van max. 66.000 ton per jaar als onderdeel van de 250.000 ton per jaar composteren. • Grondreiniging en bodemsanering • Verwerkingscapaciteit 250.000 ton RKGV, baggerspecie en verontreinigde grond per jaar • Acceptatie van extern aangeleverde grond in plaats van grond van stortplaats • Verwerking van asbesthoudende grondstromen • Accepteren en verwerken van 200.000 ton materiaal per jaar afkomstig van (voormalige) stortplaatsen, zijnde locaties waar afvalstoffen zijn gestort, dan wel een locatie met materiaal dat niet voldoet aan het Bouwstoffenbesluit, of een locatie die categorie-2-bouwstoffen (norm Bouwstoffenbesluit) bevat (geluidswallen, illegale stortplaatsen en aanvullingen met puin en/of afval uit het verleden).

• Opslaan, overslaan en het mechanisch, fysisch en handmatig scheiden van bedrijfsafval en grof huishoudelijk afval • Aannemen, opslaan, overslaan, sorteren, bewerken, verwerken van bouw- en sloopafval, KWD- en grof huishoudelijk afval waaronder afval van particulieren, met een capaciteit van 350.000 ton per jaar • In bedrijf hebben van een houtlijn voor verwerken A-, B- en C-hout, met een maximum van 160.000 ton per jaar (valt onder totale capaciteit van 350.000 ton per jaar van de sorteercapaciteit). • Verkleinen en mengen van bouw- en sloopafval • Bouw- en sloopafvalbewerkingsinrichting voor het verkleinen en mengen van bouw- en sloopafval met een capaciteit van 330.000 ton per jaar (inclusief teerhoudend en niet teerhoudend asfalt) • Het wassen van gebroken puin afkomstig van de puinbreker • Betonmenginstallatie voor de productie van betonmortel, zand bentoniet en gestabiliseerde materialen met een capaciteit van 60 m3 per uur. • Storten • Stortplaats voor het op of in de bodem brengen van (restfracties van) huishoudelijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen tot de voormalige BAGA-grens, waaronder VerTech-residu, residuen uit de inrichtingen op het VAR-terrein alsmede saneringsgrond • Uitbreiding stortgasmotoren van de stortplaats • Tijdelijke opslag van te storten afvalstoffen.

Sinds de revisievergunning in 2008 is afgegeven zijn er een paar wijzigingen geweest zoals hieronder aangegeven: • De capaciteit van het GFT-vergisten is beperkt tot 66.000 ton/jr. (oorspronkelijk 132.000 ton) • Het nat vergisten is ingetrokken en zal niet gerealiseerd worden • De waterzuivering is nog niet gerealiseerd maar zal op termijn wel nodig zijn • Post Shredder Technology (PST) als onderdeel van het sorteren (scheiden, verkleinen verdichten) is ingetrokken maar de totale verwerkingscapaciteit blijft gelijk. 15 mei 2023

CLICK TO ENTER "CDC2"

BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001

22

Projectgerelateerd

5.2

Fasering, afwerking en overdracht stortplaats

De stortplaats de Sluiner zal nog een aantal decennia in gebruik zijn, ongeacht verlening van vergunning tot ophoging. Door het formaat van de stortplaats en het feit dat afvalverwerking niet op elke plek tegelijk kan en hoeft te gebeuren is het mogelijk om activiteiten op bepaalde delen van de stortplaats vroegtijdig, vóór het einde van de vergunde situatie, te beëindigen. Op deze locaties is het dan mogelijk te beginnen met de eindafwerking. Het naar voren halen van de eindafwerking heeft voornamelijk in esthetisch, landschappelijk opzicht voordeel en heeft daarmee dus met name voordeel voor het zicht vanuit de omgeving. Het huidige voornemen voor de fasering en afwerking bestaat uit een aantal stappen. • Talud noordzijde stortplaats, parallel aan de Rijksweg A1; Uiterlijk 2030 in profiel brengen en voorzien van beplanting. Deze ingreep heeft de meest (positieve) impact op de omgeving. De noordzijde van de stortplaats is de zijde waarop inwoners van Wilp-Achterhoek zicht hebben. Daarnaast is deze zijde ook zichtbaar van de A1. Het voornemen is om diverse beplanting aan te brengen omwille van een natuurlijkere uitstraling en verhoogde biodiversiteit. Het advies van de ecoloog, welke geraadpleegd is voor beoordeling van milieueffect ‘Natuur en ecologie’ zal voor zover mogelijk opgevolgd worden.

• Talud oost- en zuidzijde stortplaats; Vervroegd in profiel brengen en voorzien van beplanting. Ook het eerder afwerken van deze twee zijden heeft een positieve impact op de omgeving. Met name bedrijven en een aantal boerderijen heeft zicht op de oost- en zuidzijde. Het huidige voornemen betreft eenzelfde type afwerking als voor de noordzijde, het aanbrengen van diverse beplanting. Het talud aan de oostzijde zal tussen 2037 – 2039 afgewerkt worden. De zuidzijde tussen 2037 – 2046. • Talud westzijde en bovenkant stortplaats; nog geen fasering voor eindafwerking gepland. Vooralsnog is het einde van de vergunde situatie dus relevant. De eindafwerking van deze delen zal eenzelfde type afwerking krijgen als de taluds, het aanbrengen van diverse beplanting. Daarnaast is het mogelijk aanvullende recreatieve mogelijkheden te realiseren. De exacte invulling hiervan zal, in samenwerking met de omgeving, in de toekomst bepaald worden. De wijze van eindafwerking valt buiten de scope van deze MER-beoordeling. Nadat de exploitatie van de stortplaats is beëindigd, wordt deze dus definitief afgewerkt en aan de nazorgorganisatie van provincie Gelderland overgedragen. Het afval wordt afgedekt op basis van de dan geldende vergunningvoorschriften, gebruik makend van de dan beschikbare kennis en materialen. In ieder geval komt er een deklaag van circa 1 meter grond van wisselende samenstelling.

De bekleding van de deklaag is veelal gras en ruigte dat door schapen kort wordt gehouden. In de huidige situatie is er op één plek een grote heestergroep; deze wordt door de schapen als schaduwplek gebruikt. En er is een ‘vijverpoel’ waar vogels en vlinders te vinden zijn.

15 mei 2023

CLICK TO ENTER "CDC2"

BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001

23

Projectgerelateerd

15 mei 2023

CLICK TO ENTER "CDC2"

BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001

24

Projectgerelateerd

5.3

Aanvullende- en mitigerende maatregelen

Het MER maakt daarnaast een doorkijk naar mogelijke toekomstige ontwikkelingen. Nadat de stortplaats is volgestort en afgewerkt (de situatie waarvoor dit MER is opgesteld), wordt de stortplaats mogelijk ingericht met nieuwe bestemmingen zoals dagrecreatie en zonne-energie. Vervolgens zal deze voor eeuwige nazorg aan de provincie worden overgedragen. Er is een aantal mitigerende maatregelen die Attero voorstelt ter beperking van mogelijke hinder, overlast of zichtbeperking als gevolg van het voornemen. In overleg met de omgeving worden deze maatregelen nader uitgewerkt. Te overwegen mitigerende maatregelen betreffen onder andere: Verlengen geluidswal A1 Het voornemen van Attero heeft geen significante effecten op de geluidsbelasting naar de omgeving. Deze blijft gelijk. Wel is het mogelijk dat Attero meedenkt in het uitbreiden van de bestaande geluidswallen langs de A1. In overleg met de omgeving wordt bepaald hoe deze maatregel mogelijk vorm krijgt. Verduurzamen Een mogelijke maatregel is het benutten van de groene buffers langs de noordzijde van de A1 voor het installeren van panelen voor de opwekking van zonenergie. Bovendien kan er na afdichting van stortvakken op de stortplaats, de ruimte worden gebruikt voor het plaatsen van zonnepanelen.

Recreatieve verbinding Het voornemen van Attero, behoudt het plan om mogelijk een recreatieve invulling te geven aan het terrein, na voltooiing van het voornemen. Dat doet het bedrijf door de stortplaats te voorzien van een wandel- en/of fietsroute. Deze kunnen geïntegreerd worden in bestaande wandel- en fietsnetwerken in de omgeving van het terrein en vormen een zuidelijke verbinding van de bestaande fietsroutes over de A1 over de viaducten Ardeweg en Sluinerweg. Ook is het denkbaar dat er een nieuw viaduct wordt aangelegd voor fietsers. Groene buffer A1 Om het zicht op de stortplaats vanuit Wilp-Achterhoek te verminderen, helpt het aanbrengen en inplanten van een bosstrook langs de noordzijde van de A1. De bestaande bomenrij wordt dan uitgebreid richting het noorden, het deel waar momenteel nog zicht op de stortplaats is. De bosstrook zal circa 30 m breed zijn. Door na te denken over het plaatsen van bepaalde soorten bomen, kan worden aangesloten op het groen in de omgeving. Bovendien biedt dit kans om ten behoeve van de luchtkwaliteit bomen te gebruiken voor het afvangen van fijnstof afkomstig vanaf de snelweg. De stortplaats biedt de mogelijkheid om de ecologische waarden in de omgeving te versterken.

Door reeds afgedichte stortvakken in gefaseerd te voorzien van ecologisch aantrekkelijk flora, kruiden en planten, wordt het gebied aantrekkelijk voor insecten en andere organismen. Deze zijn van belang voor het behoud en het versterken van de biodiversiteit in het gebied. Het betreft onder andere een aantal vegetatie dat voor komt op de Rode lijsten: soort van Rode Lijst Vaatplanten14. Parallel aan de ontwikkelingen op de stortplaats, speelt er een gebiedsproces, waarin de haalbaarheid van mitigerende maatregelen wordt onderzocht. Dat proces is erop gericht om de hinder die de omgeving kan ondervinden, verder terug te dringen of te compenseren. Náást de geplande ophoging, wordt met het voornemen ingezet op kansen voor ecologie, omgeving en energieopwekking.

De mitigerende maatregelen die Attero voornemens is te implementeren, betreft de ontwikkeling van circa 18 hectare aan de overzijde van de A1. In het kader van klimaatadaptatie- en mitigatie, natuur- en ecologie 14

https://minez.nederlandsesoorten.nl/content/rode-lijsten-soort-van-rode-lijst-vaatplanten?page=1

15 mei 2023

CLICK TO ENTER "CDC2"

BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001

25

Projectgerelateerd

en landschap zullen de bestaande houtopstanden uitgebreid worden. Over de lengte parallel aan de afvalberg zal een gemixt bosplantsoen aangelegd worden. Deze nieuwe aanplant komt aan weerszijden van het bestaande bosschage ten noorden van de A1, tussen de Ardeweg en de Vundelaarsweg. Zowel aan de oost- als de westzijde wordt een strook met een lengte van ca. 300 meter en een breedte van ca. 30 meter aangeplant. De lengte van de bomen zorgen voor verminderde zichtbaarheid van de afvalberg vanaf Wilp-Achterhoek. Door slimme keuze van boom- en plantsoorten ontstaat een fijn habitat voor lokale fauna en de mogelijkheid tot opnemen van stikstof. Verder zal in de berm tussen de vangrail en de houtopstanden een zonnepark gerealiseerd worden, de opwek van duurzame energie is een klimaat mitigerende maatregel. De mogelijke maatregelen langs de A1 bestaan uit; • het aanleggen van twee grondwallen tot maximaal 10 meter hoog; • het realiseren van maximaal 17 poelen • het planten van maximaal 16.500 bomen

Figuur 5-1 Overzicht mitigerende maatregelen gebiedsproces

Naast de maatregelen rondom de snelweg, wordt het plangebied (ca. 45 hectare) gebruikt om nieuwe natuur te 15 mei 2023

CLICK TO ENTER "CDC2"

BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001

26

Projectgerelateerd

creëren op de stortplaats zelf. Attero heeft aangegeven zich met name te willen richten op vlinders. Hiertoe is reeds een aantal plantensoorten benoemd die men voornemens is om in te zaaien. Dit betreft o.a. zwartblauwe rapunzel, beemdkroon, duifkruid, grote pimpernel, veldsalie en wilde marjolein. Deze plantensoorten zijn vrijwel verdwenen in (grote delen van) Nederland. Ze vormen bij uitstek waardevolle drachtplanten en leiden daarmee tot een aanzienlijke verrijking van de vegetatie en biodiversiteit door de aantrekking van vlinders, bijen en zweefvliegen. De inrichting van de uiteindelijk volgestorte afvalberg zelf zal een combinatie van plantsoorten zijn die goed aansluiten in het landschap en passend zijn bij lokale flora en fauna. De stortplaats wordt na bereiken van de maximale stortcapaciteit voorzien van een folielaag en afgewerkt met een leeflaag van ca. één meter dikte met een afschot van ca. vijf procent. Dit afschot is wettelijke eis, welke geldt voor de afdichtingsfolie die wordt aangebracht. De aangebrachte leeflaag hoeft niet noodzakelijkerwijs te voldoen aan dit afschotpercentage. Door met de leeflaag te variëren qua afschot wordt er meer diversiteit in het landschap gecreëerd. De verschillende hellingshoeken leiden tot windsterkere en windluwere delen en een groot aanbod aan microgradiënten.

Dit draagt positief bij aan de geschiktheid van het gebied voor bijv. insecten en de levendbarende hagedis. De aanleg en mitigerende effecten van deze maatregelen komt terug in de daarvoor relevante effectonderzoeken.

15 mei 2023

CLICK TO ENTER "CDC2"

BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001

27

Projectgerelateerd

5.4

Alternatieven in het MER

Een m.e.r is een onderzoek naar de milieugevolgen van een voorgenomen activiteit. Dat gebeurt aan de hand van alternatieven. Alternatieven zijn de mogelijke manieren waarop de voorgenomen activiteit kan worden gerealiseerd. In artikel 7.7 en artikel 7.23 van de Wet milieubeheer staat dat in het MER de 'redelijkerwijs in beschouwing te nemen alternatieven’ moeten worden beschreven. In feite wordt daarmee de speelruimte voor het uiteindelijke besluit bepaald: wat niet in de m.e.r is onderzocht, kan ook niet in de besluitvorming worden opgenomen. Het is dan ook van belang dat het plan zoals dat uiteindelijk wordt vastgesteld of het project waarover uiteindelijk het besluit wordt genomen, ook inderdaad in het MER is onderzocht óf dat het op z'n minst binnen de bandbreedte van de beschouwde alternatieven valt. Bij de besluitvorming kan dus niet gekozen worden voor een geheel nieuwe oplossing (of voor een oplossing met geheel nieuwe elementen), wanneer de effecten daarvan niet duidelijk in het MER in beeld zijn gebracht. In het MER moet een vergelijking worden gemaakt tussen de mogelijke milieugevolgen bij de autonome ontwikkeling en die bij de voorgenomen activiteit en bij mogelijke alternatieven.

Op grond van bovenstaande (uitgangs)punten zullen ter bepaling van het voorkeursalternatief in het MER in elk geval de volgende uitvoeringsalternatieven worden beschouwd ten opzichte van de huidige situatie: • Alternatief 1: Pannenkoekmodel • Alternatief 2: Gezicht vorm 1 (vooraanzicht) • Alternatief 3: Gezicht vorm 2 (zijaanzicht) Van alternatieven naar voorkeursalternatief In de NRD zijn de hierboven benoemde alternatieven opgenomen ter uitwerking in het MER. Ten tijde van het schrijven van dit rapport, is er in overleg met aanwonenden al voor gekozen om de alternatieven 2 en 3 af te laten vallen. Deze alternatieven konden niet op steun rekenen vanuit de omgeving van Attero. Toch worden deze alternatieven voor de volledigheid wél behandeld in het MER. Dat wordt gedaan om het voorkeursontwerp: een aangepaste versie van alternatief 1 (zie hoofdstuk 7) in een volledig onderbouwd perspectief te plaatsen. Algemene uitgangspunten bij de alternatieven Voor elk van de alternatieven zijn, in aanvulling op paragraaf 5.1, een aantal uitgangspunten: Attero is voornemens om nog circa 3 miljoen m3 extra toe te voegen aan de stortcapaciteit. Daarmee wordt de totale stortcapaciteit voor stortplaats De Sluiner maximaal 10 miljoen m 3. Deze extra capaciteit is binnen het Landelijk Afvalbeheerplan (LAP) beschikbaar.

De activiteiten van Attero in Wilp-Achterhoek sluiten aan bij de doelstellingen van het LAP. • • •

•

• •

Het oppervlak van de stortplaats blijft gelijk, ongeveer 45 ha. De dagelijkse aanvoer zal naar aard en omvang van de aan te voeren afvalstromen ten opzichte van de vigerende vergunning niet wijzigen. Wel zal de maximale storthoogte substantieel toenemen om de extra stortcapaciteit van circa 3 miljoen m3 op de Sluiner te kunnen realiseren. De storthoogte zal verhogen van de huidige maximaal 31 meter, naar circa 46 m +NAP of zeer plaatselijk tot circa 65 m +NAP, afhankelijk van de keuze van voorkeursalternatief. De vigerende vergunningen van Attero in Wilp voorzien in de gewenste ophoging, ook ten aanzien van de bijbehorende verkeersbewegingen, de stikstofemissies en andere milieuaspecten. In principe is dan ook geen uitbreiding van de vergunde milieueffecten nodig. De bedrijfsactiviteiten in het plangebied zullen plaatsvinden tot de einddatum in 2049 Parallel aan de ontwikkelingen op de stortplaats, speelt er een gebiedsproces voor de verkenning van de wenselijkheid en haalbaarheid van mitigerende maatregelen, zoals het aanbrengen van een zichtwal en natuurontwikkeling langs de noordzijde van de A1 en op de stortlocatie zelf.

15 mei 2023

CLICK TO ENTER "CDC2"

BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001

28

Projectgerelateerd

5.4.1

Alternatief 1: Pannenkoekmodel

Figuur 5-2. Bovenaanzicht Alternatief 1: pannenkoekmodel

Dit alternatief is vanaf het zijaanzicht volledig plat. Het talud loopt op tot een hoogte van ca. 46 m +NAP zodat aan het gewenste stortvolume voldaan kan worden. Een ontwerp als ‘pannenkoek’ is de simpelste manier van ophogen. Het voordeel hiervan is kostentechnisch maar daarnaast ook het alternatief met de minste ‘poespas’. In vergelijking tot de andere twee alternatieven zal deze de minste aandacht trekken, zowel vanuit de lucht als vanaf de grond. Het platte model geeft mogelijkheden om energie op te wekken of schapen te laten grazen. Daarnaast is er ruimte om wandel- en / of fietspaden te creëren. Voor de ontwerptekening van het pannenkoekmodel wordt verwezen naar onderstaande figuren.

Figuur 5--3. Ontwerptekening Alternatief 1: pannenkoekmodel (lichtgrijs) ten opzichte van referentie (donkergrijs) (bezien vanuit Wilp)

Figuur 5-3 laat een doorsnede van het ontwerp zien. Het donkergrijze vlak is de referentiesituatie, de daarop liggende kleuren betreft het nieuwe ontwerp. In het gebiedsproces wordt expliciet aandacht besteed aan de zichtbaarheid van de aangepaste afvalberg. Het meekrijgen en meedenken van de bewoners van WilpAchterhoek is één van de speerpunten van de ophoging van de stortplaats door Attero. Dit geldt ook voor de hiernavolgende alternatieven.

15 mei 2023

CLICK TO ENTER "CDC2"

BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001

29

Projectgerelateerd

5.4.2

Alternatief 2: Gezicht (vooraanzicht)

Dit alternatief betreft een stortplaats met een zogenaamde ‘land-art’ sculptuur. Deze neemt de vorm aan van het vooraanzicht van een gezicht. Door de schaal waarop dit toegepast wordt zal dit vanaf grote hoogte herkenbaar te zien zijn en kan op die manier van grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde worden. Naast (eeuwige) stortplaats kan de locatie in Wilp hiermee ook fungeren als wereld-groot kunstwerk. Daarnaast kan door de glooiing meer variatie gegeven worden aan het landschap. Een variërend landschap is vanuit recreatief oogpunt aantrekkelijk.

Figuur 5-4. Bovenaanzicht Alternatief 2: Gezicht vorm 1

Onderstaande figuur 5-5 laat een doorsnede van het ontwerp zien. referentiesituatie, de daarop liggende kleuren betreft het nieuwe ontwerp.

Het donkergrijze vlak is de

Figuur 5-5. Ontwerptekening Alternatief 2: gezicht vorm 1 (lichtgrijs) ten opzichte van referentie (donkergrijs) (bezien vanuit Wilp)

15 mei 2023

CLICK TO ENTER "CDC2"

BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001

30

Projectgerelateerd

5.4.3

Alternatief 3: Gezicht (zijaanzicht)

Dit alternatief betreft tevens een stortplaats met een zogenaamde ‘land-art’ sculptuur. Deze neemt de vorm aan van het zijaanzicht van een gezicht. Door de schaal waarop dit toegepast wordt zal dit vanaf grote hoogte herkenbaar te zien zijn en kan op die manier van grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde worden. Naast (eeuwige) stortplaats kan de locatie in Wilp hiermee ook fungeren als wereld-groot kunstwerk. Daarnaast kan door de glooiing meer variatie gegeven worden aan het landschap. Variatie in landschap zorgt voor een hogere recreatieve waarde.

Figuur 5-6 Bovenaanzicht Alternatief 3: Gezicht vorm 2

Onderstaande figuur 5-7 laat een doorsnede van het ontwerp zien. Het donkergrijze vlak is de referentiesituatie, de daarop liggende kleuren betreft het nieuwe ontwerp.

Figuur 5-7. Ontwerptekening Alternatief 3: gezicht vorm 2 (lichtgrijs) ten opzichte van referentie (donkergrijs) (bezien vanuit Wilp)

15 mei 2023

CLICK TO ENTER "CDC2"

BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001

31

Projectgerelateerd

Onderstaande figuur 5.8 laat de zichtlijnen zien vanuit het dorp Wilp-Achterhoek. Attero heeft het doel en ambitie om de zichtbaarheid van de afvalberg vanuit het dorp te minimaliseren. Daarvoor is het mogelijk, dat de bomenrij langs de A1 wordt verlengd, om het zicht op de berg te minimaliseren.

Figuur 5-8. Overzicht Alternatief en vanuit Wilp-Achterhoek (indicatief voor Alternatief en A en B)

5.5

Cumulatieve effecten

Een ontwikkeling in de directe omgeving van het plangebied is de verbreding van A1. Storten heeft in principe niet iets met een verbreding van een rijksweg te maken, echter, beide zijn wel overlastbronnen die door uitbreiding beide een grotere impact kunnen hebben op de omgeving. Op de A1 tussen Apeldoorn en Azelo wordt 55 km rijksweg voorzien van een extra rijstrook bij (project ‘Uitbreiding A1 Oost’). De realisatie vindt naar verwachting plaats tussen 2022 en 2025. Attero wil de ophoging realiseren op de bestaande locatie, binnen de huidige begrenzingen en met maatregelen op het terrein buiten de stortplaats. Dit is het enige initiatief vanuit Attero zelf, er zijn geen cumulatieve effecten te verwachten vanuit eigen initiatieven in relatie tot de ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied.

15 mei 2023

CLICK TO ENTER "CDC2"

BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001

32

Projectgerelateerd

6

Beoordeling milieueffecten

6.1

Aanpak effectbeoordeling

De kern van een MER is de effectbeoordeling van het voornemen. Daarin wordt een beoordeling gegeven van de verandering die een voornemen teweegbrengt ten opzichte van de situatie zonder het voornemen; de referentiesituatie. Het beoordelingskader daarbij is gebaseerd op de Notitie reikwijdte en detailniveau dat is opgesteld ter voorbereiding op dit MER. In dit document staat de keuze voor de te onderzoeken milieueffecten beschreven. Er zijn relevante milieueffecten mogelijk op de thema’s die in dit hoofdstuk worden uitgewerkt. De milieuthema’s zijn zo veel mogelijk onderverdeeld in meetbare criteria. Per milieuthema worden diverse detailstudies uitgevoerd om de milieueffecten in beeld te brengen en te kunnen meten. De volgende paragrafen geven een toelichting op het beoordelingskader. De effecten van de ontwikkeling worden beschreven als veranderingen ten opzichte van de referentiesituatie; de autonome ontwikkeling binnen de huidige vergunning van Attero.

Voor het beschrijven van de effecten is de volgende werkwijze gehanteerd: ▪ De milieueffecten zijn zoveel mogelijk kwantitatief (cijfermatig) beschreven; ▪ Voor die criteria waarbij het niet mogelijk of minder relevant is om de effecten kwantitatief te bepalen, zijn deze kwalitatief beschreven; ▪ Bij de beschrijving van effecten is, daar waar dit aan de orde is, onderscheid gemaakt tussen tijdelijk optredende effecten (in de bouw- en aanlegfase) en permanente effecten (in de eindfase). In de bouwen aanlegfase ontstaat een tijdelijke situatie waarin de omgeving te maken krijgt met de effecten van de realisatie van de herontwikkeling. Dat betekent dat de bereikbaarheid, lucht- en geluidskwaliteit voor een bepaalde periode aan mogelijke verandering onderhevig zijn. Hiervoor wordt in de beoordeling van alternatieven en het eindrapport een onderdeel opgenomen. Om de milieueffecten op een overzichtelijke manier in beeld te kunnen brengen en vergelijkbaar te maken voor de te onderzoeken alternatieven en alternatieven, worden deze per criterium vertaald naar een kwalitatieve score. Hierbij wordt opgemerkt dat sommige criteria worden beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie en sommige criteria worden beoordeeld op het behalen van een bepaalde waarde. Dit onderscheidt wordt duidelijk gemaakt door de beoordeling van deze criteria in twee verschillende tabellen weer te geven.

Hierbij wordt zo veel mogelijk de onderstaande scoreschaal aangehouden. Voor elk milieuthema wordt deze scoreschaal uitgewerkt tot een beoordelingskader en eventuele afwijkingen nader gemotiveerd. Tabel 6-1. Scoringstabel alternatievenstudie

Score

Verklaring

++

Zeer positieve bijdrage/effecten

+

Positieve bijdrage/effecten

0

Neutrale effecten/gelijkblijvende bijdrage

-

Negatieve bijdrage/effecten

--

Zeer negatieve bijdrage/effecten

15 mei 2023

CLICK TO ENTER "CDC2"

BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001

33

Projectgerelateerd

6.2

Verkeer en bereikbaarheid

6.2.1

Inleiding

In de (concept) m.e.r.-Aanmeldnotitie is geconcludeerd dat de ophoging naar alle verwachting geen wezenlijk ander effect zal hebben op de vervoersstromen en/of verkeershinder, dan in de huidige situatie het geval is. Omdat het verkeer op en om de locatie wel heel duidelijk zichtbaar en merkbaar is, wordt dit aspect wel beschreven in het MER. Onder het thema bereikbaarheid, verkeer en vervoer komen in het MER de effecten aan de orde die gerelateerd zijn aan het gebruik van de infrastructuur rondom Attero in Wilp. Het gaat daarbij om het vaststellen van het verkeerskundig effect van het voornemen op verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid in het plangebied. Veranderingen ontstaan door autonome groei, verschuiving in de verkeersstromen, het transformeren van het (plan)gebied en door veranderingen in vervoerskeuzes, zoals meer of minder gebruik van openbaar vervoer en langzaam verkeer en autogebruik. Dit onderzoek beschouwt de verkeersafwikkeling en de verkeersveiligheid op de wegen rondom het plangebied in het kader van het voornemen van Attero.

6.2.2

Beleidskader

Primair is het waarborgen van verkeersveiligheid geregeld in de weg- en verkeerswetgeving. Dit betreft de Europese Directive 2008/96/EG (voor rijks- en hoofdwegen), Wegenverkeerswet en het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Daarnaast zijn er voor het inrichten van veilige weginfrastructuur richtlijnen en aanbevelingen beschikbaar. Deze kennen weliswaar geen wettelijke basis, maar uit jurisprudentie blijkt dat een goede onderbouwing nodig is om van richtlijnen af te wijken. De ontwikkelingen dienen daarnaast te voldoen aan de beleidsdoelen zoals geformuleerd in het gemeentelijk en provinciaal Mobiliteitsbeleid. In onderstaand overzicht zijn de relevante beleidskaders voor mobiliteit en verkeer uitgewerkt. Tabel 6-2. Beleidskader MER Attero de Sluiner

Beleidskader Nationaal

Omgevingswet

In de Omgevingswet is een veilige en gezonde fysieke leefomgeving één van de maatschappelijke doelen (artikel 1.3 Omgevingswet). Overheden nemen hierdoor ook verkeersveiligheid bij het uitoefenen van taken en bevoegdheden mee in de afwegingen. Zo speelt verkeersveiligheid voor overheden een rol bij het evenwichtig toedelen van functies binnen de ruimtelijke ordening. Een handvat daarbij is het Strategisch Plan Verkeersveiligheid 2030

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Het economisch en sociaal belang van mobiliteit wordt op nationaal niveau vastgelegd in het NOVI. Het in samenhang functioneren van het totale systeem van wegen, spoorwegen en vaarwegen is een nationaal belang. Het NOVI zet in op het realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem. De exploitatie van Attero veroorzaakt verkeersbewegingen op het provinciaal netwerk van de provincie en in de regio. Om de omgeving in zijn geheel bereikbaar te houden moet de doorstroming op omliggende wegen gewaarborgd blijven. Bij het voornemen van Attero ligt de focus op het goed afwikkelen van het vrachtverkeer dat van- en naar het terrein rijdt.

15 mei 2023

CLICK TO ENTER "CDC2"

BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001

34

Projectgerelateerd

Strategisch Verkeersveiligheid (SPV 2030)

Plan 2030

Het Strategisch Plan Verkeersveiligheid 2030 beschrijft een vernieuwde visie op verkeersveiligheid. Overheden en maatschappelijke partijen zetten gezamenlijk in op een meer ‘risicogestuurd’ verkeersveiligheidsbeleid: ongevallen voorkómen door de belangrijkste risico’s in het verkeerssysteem proactief aan te pakken. Met de exploitatie van Attero, in relatie tot het vrachtverkeer dat ze genereert, is verkeersveiligheid een belangrijk aandachtspunt in het MER.

Provinciaal en Regionaal In deze visie beschrijft de provincie de ontwikkelingen en bereikbaarheidsopgaven voor Gelderland richting 2030, de strategie en een afwegingskader op basis waarvan activiteiten en projecten worden geselecteerd die bijdragen aan het realiseren van de visie. De visie voor een bereikbaar Gelderland is een uitwerking van de ambitie bereikbaarheid in de Omgevingsvisie Gaan voor Gaaf Gelderland. Ze zet daarbij in op duurzaam personen- en goederenvervoer. De exploitatie van Attero veroorzaakt verkeersbewegingen op het provinciaal netwerk van de provincie en in de regio. Om de omgeving in zijn geheel bereikbaar te houden moet de doorstroming op omliggende wegen gewaarborgd blijven. Bij het voornemen van Attero ligt de focus op het goed afwikkelen van het vrachtverkeer dat van- en naar het terrein rijdt.

Visie voor een Bereikbaar Gelderland

Gemeentelijk

Programma Mobiliteit 2020-2030 gemeente Voorst

6.2.3

In het programma Mobiliteit van de gemeente Voorst, geeft ze invulling aan de speerpunten van het beleidsthema mobiliteit. Daarmee bouwt het voort op de ambities in de Ruimtelijke Toekomstvisie Voorst 2018. Naast een sterke focus op een duurzame en bereikbare regio per fiets, is een belangrijk uitgangspunt in het programma ook de bereikbaarheid voor (vracht)verkeer. De bereikbaarheid van het landelijk gebied per (vracht)auto is van belang voor de lokale economie en de bereikbaarheid van het platteland in het algemeen. Een goede onderliggende bereikbaarheid van steden in de regio, onze dorpen en de bedrijven en voorzieningen is en blijft een belangrijk en noodzakelijk onderdeel voor een sterke economische sector. Deze focus op vrachtverkeer in het programma, maakt dat ook de aandacht voor verkeersveiligheid in de gemeente een belangrijk thema is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16420624/2