CConstaterende datVoorst
Koppel je AI →
Document · PDF

1. bestemmingsplan Attero 2023 (toelichting)

gemeenteraad 23 februari 2026, gemeente VoorstBij agendapunt: Bestemmingsplan Attero 202314.986 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Attero 2023

27

5.5

Watertoets

5.5.1

Wet- en regelgeving

In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets (Artikel 3.1.1 Bro). De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten. De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen. 5.5.2

Onderzoek

Adviesbureau Royal HaskoningDHV heeft de digitale watertoets ingevuld. Conclusie hieruit is dat de 'normale procedure' gevolgd moet worden. Hieronder volgt het wateradvies van waterschap Vallei en Veluwe. Naast dit advies wordt aandacht besteed aan de omgang met afvalwater binnen de inrichting. Het advies van het Waterschap Vallei en Veluwe is dat er geen waterbelang speelt in het plangebied. Conform de vergunning loost Attero water zowel via een persleiding op een rioolwaterzuiveringsinstallatie (directe lozing) als rechtstreeks op het oppervlaktewater. Het water dat op het oppervlaktewater wordt geloosd bestaat uitsluitend uit niet-verontreinigd hemelwater. Voor deze (afval)waterlozingen is een watervergunning ingevolge de Waterwet verleend. 5.5.3

Conclusie

Het plan is, vanuit de waterhuishouding bezien, voor het waterschap beperkt van belang. De motivatie daarvoor is dat plannen zonder (nieuwe) ontwikkelingsmogelijkheden, zoals functiewijzigingen en actualisaties, nauwelijks tot geen effect hebben op de waterhuishouding. Dit betekent dat geen essentieel waterbelang wordt geraakt en het waterschap op basis daarvan een positief wateradvies geeft.

5.6

Ecologie

5.6.1

Wet- en regelgeving

De bescherming van natuur in Nederland is vastgelegd in Europese en nationale wet- en regelgeving, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. Voorheen was de soortenbescherming in Nederland geregeld in de Flora- en faunawet en de gebiedsbescherming in de Natuurbeschermingswet 1998. Sinds 1 januari 2017 zijn de Natuurbeschermingswet, Flora- en faunawet en de Boswet opgegaan in één nieuwe wet: de Wet natuurbescherming (Wnb). Gebiedsbescherming wordt ook gewaarborgd onder het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). De Wnb heeft tot doel in het wild voorkomende planten- en diersoorten in stand te houden en te beschermen. De wet kent daardoor zowel verbodsbepalingen, gebiedsbescherming als een algemene zorgplicht. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij'-principe. Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden, maar er kan worden afgeweken van de verbodsbepalingen middels ontheffingen. Door middel van gebiedsbescherming wordt een beschermingskader geboden voor de flora en fauna binnen aangewezen beschermde gebieden. Hieronder vallen de speciale beschermingszones volgens de Europese Vogel- en

Attero 2023

28

Habitatrichtlijn (Natura 2000-gebieden), gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voormalige EHS), beschermde natuurmonumenten en staatsnatuurmonumenten. 5.6.2

Onderzoek

In het kader van dit bestemmingsplan heeft er onderzoek plaatsgevonden naar Natura 2000-gebieden, Stikstof, Beschermde soorten en Houtopstanden. In Bijlage 6 bij deze toelichting is de AERIUS-berekening opgenomen. Natura 2000-gebieden Gezien de grote afstand (> 4 km) van het plangebied tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden is er geen sprake van ruimtebeslag, barrièrewerking of versnippering. Verzoeting, verzilting of veranderingen in het grondwaterpeil kunnen ook worden uitgesloten. Verontreiniging kan worden uitgesloten doordat de inrichting moet voldoen aan de Richtlijn Industriële Emissies (RIE). Daarnaast worden vrijkomende (afval)waterstromen gescheiden opgeslagen en via een verzamelleiding afgevoerd naar de afvalwatersilo voor afvoer naar de RWZI Terwolde en voor een deel per as naar een derde die het zuivert. Het vergroten van het stortvolume heeft geen effecten op de grondwaterstanden of nabijgelegen rivieren en beken, waardoor negatieve effecten als gevolg van verdroging, vernatting, verandering van de stroomsnelheid, verandering van de overstromingsfrequenties en verandering van de dynamiek van het substraat kunnen worden uitgesloten.

Negatieve effecten als gevolg van storende factoren kunnen vanwege de afstand van de inrichting tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden, de aanwezigheid van tussenliggende storende elementen zoals de bebouwde kom van Wilp en Apeldoorn en diverse snelen provinciale wegen, worden uitgesloten. Ook worden geen soorten geïntroduceerd. Enkel negatieve effecten als gevolg van vermesting en verzuring (als gevolg van stikstofdepositie) kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. Stikstof Op 9 oktober 2025 is in AERIUS een berekening gemaakt om te bepalen wat het verschil is tussen de referentiesituatie en de periode na 2027 wanneer de aanleg van de tunnelcompostering en de mitigerende maatregelen gereed is. In 2015 (huidige natuurvergunning) is geen rekening gehouden met het feit dat bij een dieselmotor ook een kleine emissie van ammoniak vrijkomt. AERIUS houdt daar wel rekening mee. Daarom is de emissie van ammoniak in AERIUS voor het jaar 2015 hoger dan vergund. In de vergunning kwam alleen ammoniak vrij bij de biofilters (4.555 kg/jr). Omdat AERIUS er van uitgaat dat bij een dieselmotor een geringe hoeveelheid ammoniak vrijkomt is deze emissie in AERIUS berekend op 4.628,7 kg/jaar voor het jaar 2015. Bij het gebruik van moderne motoren komt meer ammoniak vrij dan bij oudere motoren op diesel.

Als gevolg van deze moderne motoren gaat de uitstoot van NOx fors omlaag maar van NH3 omhoog. Als gevolg van deze moderne motoren gaat de totale emissie van NH3 van de locatie omhoog van 4.628,7 kg naar 4.743,2 kg terwijl de emissie van NH3 van de biofilters afneemt. De emissie van NOx van de locatie neemt af van 55,7 ton naar 32,1 ton per jaar. Randeffecten Stikstof Uit de berekening blijkt dat er geen sprake is van een toename van depostitie van stikstofverbindingen wanneer de hexagonen met een randeffect buiten beschouwing worden gelaten. Voor wat betreft natura 2000 gebied “Veluwe” is sprake van 2 hexagonen met een randeffect:

Attero 2023

29

Randhexagonen op Natura 2000-gebied 'Veluwe' Randhexagoon 1

Attero 2023

30

Habitattypen voor randhexagoon 1 Zoals te zien in bovenstaande afbeelding ligt randhexagoon 1 (aangegeven met marker, ster) midden in habitattype Lg13 ‘Bos van arme zandgronden’. In onderstaande afbeelding is te zien dat dit randhexagoon op circa 24,7 kilometer ligt gelegen ten opzichte van de planlocatie.

Afstand randhexagoon 1 tot planlocatie Randhexagoon 2

Attero 2023

31

Habitattypen voor randhexagoon 2 Randhexagoon 2 ligt voor een heel klein gedeelte nog in habitattype ZGH6230dka ‘Heischrale graslanden, droog kalkarm’. De rest van het randhexagoon ligt in habitattype Lg13 ‘Bos van arme zandgronden’. In onderstaande afbeelding is te zien dat dit randhexagoon op circa 24,7 kilometer ligt gelegen ten opzichte van de planlocatie.

Afstand randhexagoon 2 tot planlocatie Wat betreft Natura 2000-gebied 'Boetlerveld' is sprake van 1 hexagoon met een randeffect:

Attero 2023

32

Randhexagoon op Natura 2000-gebied ‘Boetelerveld’ Randhexagoon 3 Zoals te zien in bovenstaande afbeelding 7 ligt randhexagoon 3 (aangegeven met marker, ster) midden in habitattype H4010A ‘Vochtige heiden (hogere zandgronden)’.

Attero 2023

33

Habitattypen voor randhexagoon 3 In onderstaande afbeelding is te zien dat dit randhexagoon op circa 24,8 kilometer ligt gelegen ten opzichte van de planlocatie.

Afstand randhexagoon 3 op planlocatie Uit de berekening blijkt dat op 56.872,89 hectare de depositie afneemt. De hexagonen met een randeffect beslaan een oppervlakte van 1,52 hectare. Resultaat Stikstof Op basis van berekeningen met de AERIUS calculator versie oktober 2025 blijkt dat geen extra depositie wordt veroorzaakt van stikstofverbindingen op Natura-2000 gebieden.

Beschermde soorten Vleermuizen Op het terrein van Attero bevinden zich gebouwen waarin zich verblijfplaatsen van gebouw bewonende vleermuissoorten kunnen bevinden. Het betreft dan met name de gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Het vergroten van het stortvolume heeft geen effect op de aanwezige bebouwing naast de stortheuvel. Hierdoor zijn negatieve effecten op verblijfplaatsen van gebouw bewonende vleermuissoorten op voorhand uit te sluiten. Het terrein fungeert daarnaast ook als foerageergebied voor diverse vleermuissoorten. Het vergroten van het stortvolume heeft echter geen effecten op de geschiktheid van het terrein als foerageergebied. Ook in de toekomstige situatie kan het terrein blijven fungeren als foerageergebied. Ten slotte zijn er rondom het stortterrein mogelijk vaste vliegroutes aanwezig in de vorm van de watergangen en bomenrijen. Vleermuizen maken gebruik van dergelijke lijnvormige elementen als

Attero 2023

34

geleiding. Het vergroten van het stortvolume leidt niet tot het verlies van één of meerdere van deze lijnvormige elementen. In de toekomstige situatie komen er mogelijk juist meer lijnvormige elementen bij doordat de mogelijkheden worden onderzocht om bomen aan te planten ten behoeve van het terugdringen van het fijnstofgehalte afkomstig vanaf de A1. De voorgenomen verticale uitbreiding van het stortvolume leidt niet tot negatieve effecten op vleermuizen. Aantasting van de staat van instandhouding van de diverse vleermuissoorten wordt uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Op het terrein van Attero komen de bunzing en steenmarter voor. Beide soorten kunnen van het plangebied gebruik maken als foerageergebied. Het vergroten van het stortvolume heeft geen effecten op de geschiktheid van het gebied als foerageergebied. Ook in de toekomst blijft het terrein kleine zoogdieren als muizen en spitsmuizen aantrekken. Aantasting van de staat van instandhouding van beide soorten wordt uitgesloten. Vogels Op het stortterrein kunnen diverse algemene vogelsoorten tot broeden komen. Ook vormt het stortterrein foerageerbiotoop voor algemene broedvogelsoorten en vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten. Met een vergroting van het stortvolume wordt mogelijk een deel van het stortterrein die nu reeds is afgedekt, weer in gebruik genomen.

Dit leidt tot een tijdelijke vermindering van oppervlakte aan geschikt broed- en foerageerbiotoop. Na het bereiken van het maximale stortvolume wordt het stortterrein voorzien van folie en een leeflaag van circa 1 meter dikte. Hierop ontwikkelt zich op korte termijn weer een kruidige vegetatie, waardoor het gebied daarna weer volledig kan fungeren als broed- en foerageerbiotoop. In de tussenliggende periode is in de directe omgeving voldoen het alternatief broeden foerageerbiotoop aanwezig, waardoor de continuering van de stortwerkzaamheden niet leidt tot negatieve effecten op algemene broedvogelsoorten of vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten. Aantasting van de staat van instandhouding van de diverse aanwezige vogelsoorten wordt uitgesloten. Reptielen Mogelijk komt de levendbarende hagedis voor op de randen van het terrein. Met de vergroting van het stortvolume worden de randen van het stortterrein behouden. De aanwezige ruigtes aldaar worden niet verwijderd. Het leefgebied van de levendbarende hagedis blijft daarmee intact. Met het verhogen van het stortterrein zal in de toekomst, na afwerking van het stortterrein met folie en een leeflaag, mogelijk een toename aan geschikt leefgebied ontstaan. Negatieve effecten op de levendbarende hagedis zijn dan ook uitgesloten. Aantasting van de staat van instandhouding van de levendbarende hagedis wordt uitgesloten.

Houtopstanden In de noordwestelijke hoek van het stortterrein is een houtopstand aanwezig van ca. 2.000 m2, bestaande uit meerdere heesters. Met de ophoging van het stortterrein wordt deze houtopstand gerooid. Hiervoor is geen kapvergunning of -melding nodig omdat houtopstanden op een stortheuvel bij wet verwijderd dienen te worden. stortbesluit bodembescherming temrijn voor afdichten stortplaats. 5.6.3

Conclusie

Samengevat kan worden gesteld dat de beoordeelde criteria geen negatieve effecten als gevolg van de uitbreiding van de stortcapaciteit en de realisatie van de tunnelcompostering. Op basis van bovenstaande wordt geconcludeerd dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is op het onderdeel ecologie.

5.7

Lucht

5.7.1

Wet- en regelgeving

De Wet milieubeheer (Wm) biedt de volgende grondslagen voor de onderbouwing dat een plan voldoet aan de wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit: het project leidt niet tot overschrijding van grenswaarden (art. 5.16 lid 1 sub a);

Attero 2023

35

het plan draagt niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit (art. 5.16 lid 1 sub c); er worden grenswaarden overschreden, maar ten gevolge van het project is er per saldo sprake van een verbetering van de concentratie van de betreffende stof of blijft de concentratie gelijk (art. 5.16 lid 1 sub b onder 1); er worden grenswaarden overschreden, maar ten gevolge van een door het project optredend effect of een met het plan samenhangende maatregel is er per saldo sprake van een verbetering van de concentratie van de betreffende stof of blijft de concentratie gelijk (art. 5.16 lid 1 sub b onder 2); het project is genoemd of beschreven in, dan wel past binnen of is in elk geval niet strijdig met het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (art. 5.16 lid 1 sub d). Wanneer een plan voldoet aan één van bovenstaande grondslagen, kan het wat luchtkwaliteit betreft doorgang vinden. Advieswaarden WHO Als aan de wettelijke grenswaarden wordt voldaan, is er nog steeds kans op gezondheidsschade door luchtverontreiniging. De WHO hanteert daarom advieswaarden voor fijn stof (PM10 en PM2,5) die lager zijn dan de wettelijke grenswaarden. De WHO advieswaarden zijn 20 µg/m3 voor PM10 en 10 µg/m3 voor PM2,5. 5.7.2

Onderzoek

Er worden in beginsel geen activiteiten toegevoegd die bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit is het plan daarom niet van invloed op de omgeving. Verder zijn er geen bestaande activiteiten in de omgeving van het plangebied die qua luchtkwaliteit van invloed zouden kunnen zijn op de ontwikkelingen binnen het plangebied. Gesteld kan worden dat het plan "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit. 5.7.3

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat de luchtkwaliteit "niet in betekenende mate" zal verslechteren. Derhalve hoeft niet nader op het aspect luchtkwaliteit te worden ingegaan en vormt het aspect lucht geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

5.8

Verkeer

5.8.1

Inleiding

In het belang van een goede ruimtelijke ordening moet sprake zijn van een aanvaardbare afwikkeling van alle soorten verkeer. Bij ruimtelijke planning dienen verkeerskundige aspecten afgewogen te worden, omdat deze van grote invloed zijn op de het doelmatig functioneren van verschillende functies. Wanneer nieuwe ontwikkelingen worden gepland, is het van belang te onderzoeken welke effecten dit heeft op de verkeerskundige situatie om zo nodig passende maatregelen te kunnen nemen. 5.8.2

Onderzoek

Verkeersbewegingen Attero Het verkeer van en naar Attero kan gebruik maken van de omliggende wegen waaronder de Sluinerweg, naar de Zutphenseweg (N345) en de Ardeweg. Naast de verkeersbewegingen voor van de aan- en afvoer van afval-, grond- en hulpstoffen zijn er verkeersbewegingen van het personeel dat werkzaam is bij Attero. Het aantal verkeersbewegingen dat Attero maximaal genereert is opgenomen in de milieuvergunning van het bedrijf. Er is een maximum gesteld aan het aantal toegestande voertuigbewegingen van het bedrijf, in het kader van omgevingseffecten.

Attero 2023

36

In het planvoornemen is bepaald dat de verkeersgeneratie van Attero niet wijzigt. Er is geen toename van (vracht)verkeer per etmaal als gevolg van het plan. Anders dan de verkeerstoename door autonome ontwikkelingen, is er geen merkbare toename in verkeersintensiteit aan te wijzen als gevolg van het voornemen van Attero. Het plan is dan ook uitvoerbaar bevonden in het kader van bereikbaarheid en verkeer. Verkeersveiligheid Aangezien er geen absolute toename van het aantal verkeersbewegingen wordt veroorzaakt door het voornemen, zullen er als gevolg van het voornemen geen wijzigingen optreden ten aanzien van de verkeersveiligheid. Het toegestane aantal verkeersbewegingen mag niet worden overschreden. Omdat geen sprake is van toename van de verkeersbewegingen wordt ook de verkeersveiligheid ter plaatse niet nadelig beïnvloed door Attero. Het plan is dan ook uitvoerbaar bevonden in het kader van verkeersveiligheid. 5.8.3

Conclusie

In het kader van bereikbaarheid, verkeer en verkeersveiligheid wordt geconcludeerd dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is.

5.9

Geluid

5.9.1

Wet- en regelgeving

De Wet geluidhinder (Wgh) biedt een toetsingskader voor het geluidniveau op de gevels van geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen en scholen. De wet kent een ondergrens, de zogenaamde voorkeursgrenswaarde. Wanneer de geluidbelasting lager is dan deze waarde, zijn de voorwaarden die de Wet geluidhinder stelt aan het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen niet van toepassing. Daarnaast is er in de wet een bovengrens opgenomen, de maximaal toelaatbare geluidbelasting. Indien de geluidbelasting hoger is dan deze waarde, is het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen in principe niet mogelijk. Wanneer de geluidbelasting tussen de voorkeursgrenswaarde en de maximaal toelaatbare geluidbelasting ligt, is het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen aan beperkingen gebonden en alleen onder voorwaarden mogelijk. Dit wordt een 'hogere waarde' genoemd ('hoger' in de zin van hoger dan de voorkeursgrenswaarde) en wordt via een formele procedure vastgelegd. Wegverkeerslawaai Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) artikel 74 hebben alle wegen een geluidzone. Uitzondering hierop zijn woonerven en straten met een maximumsnelheid van 30 km/u. De zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en of een weg binnen of buitenstedelijk is gelegen.

Voor de bepaling van de maximale vast te stellen geluidbelasting houdt de Wet geluidhinder rekening met de ligging van de geluidgevoelige bestemmingen en wordt onderscheid gemaakt tussen stedelijk en buitenstedelijk gebied. Binnen stedelijk gebied gelden over het algemeen minder strenge normen. In het kort komt het er op neer dat het gebied binnen de bebouwde kom behoort tot het stedelijke gebied, met uitzondering van het gebied binnen de bebouwde kom, dat gelegen is binnen de zone van een autoweg of autosnelweg. In het laatste geval en voor de situatie buiten de bebouwde kom gelden de normen die van toepassing zijn op het buitenstedelijke gebied. Een hoofdweg is, conform deze definitiebepaling van de Wet geluidhinder, altijd gelegen in buitenstedelijk gebied. Indien de geluidbelasting hoger is dan de voorkeurgrenswaarde en maatregelen gericht op reductie van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend zijn of als deze overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard ontmoeten, zijn burgemeester en wethouders van de gemeente bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de geluidbelasting.

Attero 2023

37

De gevels van geluidgevoelige bestemmingen kunnen ook worden uitgevoerd als een blinde of dove gevel (conform artikel 1b lid 5 van de Wgh). Hiermee vervalt de verplichting om te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde, waarbij een kanttekening wordt geplaatst dat de geluidwering van deze gevels ten minste gelijk dient te zijn aan de hoogte van de geluidbelasting minus de maximale binnenwaarde. Ter anticipatie op het steeds stiller worden van motorvoertuigen mag alvorens te toetsen aan de geldende grenswaarden een aftrek worden toegepast op de berekende geluidbelasting. Deze aftrek bedraagt: 2 dB voor wegen waar de maximumsnelheid gelijk is aan of hoger is dan 70 km/uur; 5 dB voor overige wegen. Industrielawaai Een industrieterrein is volgens de Wet geluidhinder een terrein waar zich bedrijven kunnen vestigen die genoemd worden in artikel 40 van de Wet geluidhinder en onderdeel D van Bijlage I behorende bij het Besluit omgevingsrecht (de zogenaamde grote lawaaimakers). Op grond van hoofdstuk V van de Wet geluidhinder is rondom deze terreinen een zone vastgesteld, waarbuiten de etmaalwaarde van het gemiddelde geluidsniveau ten gevolge van alle bedrijven op dat terrein niet hoger mag zijn dan 50 dB(A). De zone is een planologisch aandachtsgebied, waarbinnen regels van kracht zijn, die aan zowel industriële activiteiten als aan woningbouw beperkingen opleggen.

De ligging en omvang van de zone wordt met een bestemmingsplan vastgelegd. In het kader van het bestemmingsplan dient gekeken te worden naar de geluidsbelasting van geluidgevoelige bestemmingen in de omgeving van het industrieterrein. Indien de geluidsbelasting meer dan 50 dB(A) bedraagt, kan de gemeente een hogere waarde vaststellen. De maximale ontheffingswaarde voor nieuwe woningen bedraagt 55 dB(A). Beoordelingskader De optredende geluidseffecten worden beoordeeld op basis van dosiseffect-relaties per geluidbronsoort. De juridische haalbaarheid wordt getoetst op basis van de vigerende normen per geluidbronsoort. Ontwikkelingen en activiteiten moeten binnen de in de Wet geluidhinder en het Activiteitenbesluit gestelde geluidsnormen blijven. Bij overschrijding van de normen zijn mitigerende maatregelen noodzakelijk. 5.9.2

Onderzoek

Door Antea Group (d.d. 15 februari 2023) is een onderzoek uitgevoerd om vast te stellen wat de geluidgevolgen zijn van de beoogde veranderingen aan de stortheuvel. Het verloop van het onderzoek, de resultaten en hieruit te trekken conclusies zijn beschreven in deze paragraaf. Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 7 van deze toelichting. Op basis van de Wet geluidhinder zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden, namelijk: railverkeerslawaai industrielawaai wegverkeerslawaai In dit geval is industrielawaai en wegverkeerslawaai van belang. In de omgeving van het plangebied is namelijk geen spoorverbinding aanwezig, railverkeerslawaai hoeft dan ook niet te worden beschouwd. Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT Uit de berekeningen blijkt dat op alle beoordelingspunten wordt voldaan aan de geluidgrenswaarden voor LAr,LT ingevolge de vigerende vergunning Wabo. Maximale geluidbelasting LAmax Uit de berekeningen blijkt dat op alle beoordelingspunten wordt voldaan aan de geluidgrenswaarden voor LAmax ingevolge de vigerende vergunning Wabo. Effect veranderingen stort op geluid vanwege verkeer op Rijksweg A1 Er is een verschilberekening tussen de situatie met het huidige stortprofiel ten opzichte van het beoogde

Attero 2023

38

stortprofiel weergegeven. Uit de resultaten volgt dat geen sprake is van een significante verandering van de geluidbelasting van de Rijksweg op omliggende woningen, vanwege beoogde veranderingen aan de stortheuvel. Volgende uit de effectbeoordeling wordt voldaan aan de geluidgrenswaarden voor zowel LAr,LT, LAmax en geluid Rijksweg A1. Omdat er dus geen nadelige situatie ontstaat ten gevolge van veranderingen in akoestiek is het derhalve ook niet nodig mitigerende maatregelen te treffen. 5.9.3

Conclusie

Geluid activiteiten op het terrein van de inrichting Met de beoogde verandering en de uitgangspunten zoals in deze paragraaf beschreven, wordt nog steeds voldaan aan de geluidgrenswaarden ingevolge de vigerende vergunning Wabo. De beoogde verandering is daarmee “akoestisch neutraal”. Uit akoestisch oogpunt zijn er derhalve voor genoemde veranderingen geen belemmeringen. Invloed op geluid Rijksweg A1 Uit de uitgevoerde berekeningen overeenkomstig Reken- en meetvoorschrift geluid 2012, volgt dat geen sprake is van een significante verandering van de geluidbelasting van de Rijksweg op omliggende woningen, door beoogde veranderingen aan de stort. Op basis van bovenstaande wordt geconcludeerd dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is voor het onderdeel geluid.

5.10

Geur

5.10.1 Wet- en regelgeving Er is in Nederland voor het aspect geur in de ruimtelijk planvorming geen specifieke wetgeving geur van bedrijven, met uitzondering van veehouderijen. In Nederland is de bescherming tegen geurhinder van bedrijven (uitgezonderd veehouderijen) geregeld via het Activiteitenbesluit (algemene regels). Daarnaast kunnen geurvoorschriften staan in een maatwerkbesluit of omgevingsvergunning. De hindersystematiek voor geur staat in artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit. De provincie Gelderland kent een geurbeleid gebaseerd op de hedonische waarde van de vrijkomende geur. De te verwachten geursituatie is getoetst aan zowel de geurnormering uit de huidige vergunning als aan het Gelders Geurbeleid. Bij dit laatste is op verzoek van bevoegd gezag de hedonische waarde van de vrijkomende geuren buiten beschouwing gelaten. Getoetst is aan de normering zoals opgenomen in het Geurbeleid voor de categorie “minder hinderlijk”. 5.10.2 Onderzoek Door SGS Nederland B.V. (d.d. 08 mei 2025) is een onderzoek uitgevoerd om vast te stellen wat de geurgevolgen zijn van het uitbreiden van de stortcapaciteit op de locatie Attero Wilp. Het onderzoeksrapport is als Bijlage 8 toegevoegd aan deze toelichting. Onderstaande tabel geeft de te verwachten geurbelasting na implementatie van tunnelcompostering.

De in de tabel genoemde eerste zes referentiepunten zijn identiek aan de punten welke in eerdere rapportages zijn gebruikt. In de kop van de tabel is ook het toetsingskader opgenomen. Hierbij wordt opgemerkt dat de provincie Gelderland recent heeft aangegeven dat het Gelders Geurbeleid ten aanzien van het gebruik van de hedonische waarde is aangepast. Zij heeft daarom Attero gevraagd om, afwijkend van de geurrapportage 2021, als toetsingskader uit te gaan van de categorie geur: “minder hinderlijk” en daarbij de emissies niet te corrigeren voor de hedonische waarde van de individuele bronnen.

Attero 2023

39

Uit de tabel blijkt dat op alle referentiepunten voldaan wordt aan de grenswaarde behorend bij het toetsingskader voor gebiedscategorie “wonen” (gebied met volgens het vigerende bestemmingsplan overwegend de bestemming ‘wonen’). Op 8 van de 18 toetspunten (groen gekleurd in de tabel) wordt ook voldaan aan de richtwaarde. Voor de toetspunten 1 t/m 6 is ook een vergunde geurbelasting als 98 percentiel beschikbaar. Hiermee vergeleken neemt de geurbelasting gemiddeld over die 6 punten met 22 % af. Voor de overige toetspunten is deze niet beschikbaar omdat deze pas in dit rapport op verzoek van bevoegd gezag zijn toegevoegd. Bij bovenstaande conclusies wordt tenslotte nog opgemerkt dat de 98 percentiel concentratie vooral bepaald wordt door de continue bronnen zoals de biofilters en de opslag gereed product. Deze bronnen bepalen gezamenlijk 69 % van de jaarlijkse geuremissie, terwijl deze bronnen geen oorzaak zijn van klachten. Klachten worden met name veroorzaakt door de niet continue bronnen waarvan de geurbelasting beter beschreven wordt door de hogere percentielen. Zoals uit bovenstaande tabel blijkt, voldoet de 99,9 percentiel als gemiddelde van alle toetspunten aan de richtwaarde. Attero vraagt naast de bestaande activiteiten ook een nieuwe geurbron aan, namelijk een silo waarin het water vanuit de compostering wordt opgeslagen.

De geurimmissie ten gevolge van deze bron voldoet ruimschoots aan de streefwaarde van het geurbeleid. 5.10.3 Conclusie Omdat uit de berekeningen blijkt dat de jaaremissie aan geur in de nieuwe situatie niet toe neemt maar juist afneemt zijn geen mitigerende maatregelen benodigd. Op basis van deze paragraaf mag worden geconcludeerd dat het bestemmingsplan voor het onderdeel geur uitvoerbaar is.

5.11

Externe veiligheid

5.11.1 Wet- en regelgeving Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat uit verschillende besluiten en regelingen. Deze

Attero 2023

40

besluiten regelen aan welke milieukwaliteitseisen met betrekking tot externe veiligheid moet worden voldaan. De volgende besluiten zijn van toepassing voor dit onderzoek. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi): Inrichtingen met gevaarlijke stoffen Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt): Spoorwegen, autowegen, vaarroutes met transport van gevaarlijke stoffen Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb): Hogedruk aardgasleidingen. 5.11.2 Onderzoek Attero is momenteel geen inrichting die onder het regime van het Bevi valt. De inrichting zelf veroorzaakt dan ook geen externe veiligheidsrisico en hiermee geen plaatsgebonden risico, geen groepsrisico en geen brand- en explosieaandachtsgebied. Indien het voornemen niet uitgevoerd wordt, blijft deze situatie bestaan. De uitbreiding van de stortcapaciteit leidt er niet toe dat Attero andersoortige gevaarlijke stoffen gaat opslaan. Door de toename van de opslag van afvalstoffen blijft de Bevi-status van de inrichting ongewijzigd: Attero valt niet onder het regime van het Bevi. De inrichting zelf veroorzaakt in geen van de alternatieven een externe veiligheidsrisico en hiermee geen plaatsgebonden risico, geen groepsrisico en geen brand- en explosieaandachtsgebied. 5.11.3 Conclusie Op basis van bovenstaande wordt geconcludeerd dat het bestemmingsplan uitvoerbaar voor het onderdeel externe veiligheid.

Attero 2023

41

Attero 2023

42

Hoofdstuk 6

6.1

Juridische planopzet

Toelichting op de regels

De regels en de verbeelding vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. De toelichting is niet juridisch bindend, maar kan wel gebruikt worden als nadere uitleg bij de regels. Op de verbeelding zijn alle noodzakelijke gegevens ingetekend. Er wordt onderscheid gemaakt in (dubbel)bestemmingen en aanduidingen. De bestemmingen zijn de belangrijkste elementen. De op de verbeelding opgenomen bestemmingen zijn in overeenstemming met de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012). Door deze standaarden wordt de kleur en de codering van de bestemmingen bepaald. De bestemmingen zijn op het renvooi weergegeven in alfabetische volgorde. Elke op de verbeelding weergegeven bestemming is gekoppeld aan een bestemmingsregel in de regels. De regels laten vervolgens bij elke bestemming zien op welke wijze de gronden binnen de desbetreffende bestemming gebruikt en bebouwd mogen worden. Daarbij wordt onder meer verwezen naar aanduidingen op de verbeelding. Aanduidingen in samenhang met de regels, geven duidelijkheid over datgene wat binnen een bestemmingsvlak al dan niet is toegestaan. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. De 'Inleidende regels', bestaande uit een begrippenlijst en regels met betrekking tot de 'wijze van meten'; 2.

De 'Bestemmingsregels', die in dit bestemmingsplan te onderscheiden zijn in regels voor 'gewone', rechtstreekse bestemmingen en dubbelbestemmingen; 3. De 'Algemene regels' die in principe betrekking hebben op alle bestemmingen die in het plangebied voorkomen; 4. De 'Overgangs- en slotregels' die bestaan uit het overgangsrecht (voor bestaande bouwwerken en bestaand gebruik dat van het bestemmingsplan afwijkt) en de naam waaronder het bestemmingsplan moet worden aangehaald. Deze volgende paragrafen bevatten een beschrijving van de bestemmingen, waarbij per bestemming het doel of de doeleinden worden aangegeven. Daarnaast wordt in deze paragrafen ingegaan op de overige regels uit het bestemmingsplan. Conform SVBP2012 zijn de regels onderverdeeld in vier hoofdstukken.

6.2

Opzet plan

Dit bestemmingsplan behelst een integrale herziening van de bestemmingsplannen voor zover gelegen binnen de in dit bestemmingsplan opgenomen enkelbestemmingen ter plaatse van het stortterein en de landschappelijke inpassing: 'VAR 2013' (vastgesteld op 15-09-2014 door de gemeenteraad van Voorst). 'Buitengebied' (geconsolideerde versie, d.d. 13-05-2019). 'Verbreding A1' (onherroepelijk vastgesteld op 31-01-2022 door de gemeenteraad van Voorst). Dit bestemmingsplan vormt eveneens een partiële herziening van het bestemmingsplan 'VAR 2013' (vastgesteld 15-09-2014) voor zover het de gronden betreft waarop de overige afvalverwerkende activiteiten van Attero plaatsvinden (westelijk van het stortterein). Dit deel van het bestemmingsplan wordt partieel herzien omdat het planologisch regime uit het vigerende bestemmingsplan 'VAR 2013' blijft bestaan, er wordt alleen een verplichting aan toegevoegd: alvorens het stortterrein te mogen ophogen dient daar een tunnelcompostering gerealiseerd en in gebruik genomen te zijn.

6.3

Hoofdstuk 1 - Inleidende regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In dit artikel zijn de begrippen verklaard die genoemd worden in de planregels. Dit artikel voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Artikel 2 Wijze van meten

Attero 2023

43

In dit artikel is bepaald hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden. Evenals de begripsbepalingen voorkomen de bepalingen inzake de wijze van meten interpretatieverschillen bij de toepassing van de planregels.

6.4

Hoofdstuk 2 - Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Bedrijf - Stortterrein De voor 'Bedrijf - Stortterrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor het storten en opslag van afvalstoffen; gronddepots; met daarbij behorende: (onbebouwde) terreinen; (ontsluitings)wegen; groenvoorzieningen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen; voorzieningen ten behoeve van extensieve dagrecreatie, zoals fiets- en voetpaden. Voor het bouwen van andere bouwwerken geldt dat de hoogte niet meer mag bedragen dan 20 meter, met uitzondering van de hoogte van terreinafscheidingen, waarvan de hoogte niet meer mag bedragen dan de hoogte van de aanwezige vuilstort, vermeerderd met 4 meter. Ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke vorm van bedrijf - storthoogte 1' en '-2', '-3' en '-4' zijn de maximale storthoogten na zetting, klink en aanbrengen van de afdeklaag ten behoeve van de afdichting van het stortterrein opgenomen, met een maximum van 46,5 meter boven N.A.P. Er is een voorwaardelijke verplichting opgenomen die het uitbreiden van de capaciteit van het stortterrein met meer dan 2 meter ten opzichte van de bestaande storthoogte, slechts toelaatbaar maakt indien de landschappelijke inpassing als bedoeld in 5.1 onder a binnen 2 jaar na vaststelling van dit bestemmingsplan is gerealiseerd en duurzaam in stand wordt gehouden.

Er is een voorwaardelijke verplichting opgenomen die het gebruik van met dit bestemmingsplan extra toegekende stortcapaciteit ten opzichte van de in het vigerende plan ('Var 2013') geldende maximale stortcapaciteit, als bepaald in Bijlage 2 van de planregels, slechts toelaatbaar maakt indien er tenminste een feitelijke start is gemaakt met de bouw van een tunnelcompostering ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - tunnelcompostering'. Artikel 4 Groen De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen; water, waterberging en waterhuishoudkundige voorzieningen; openbare nutsvoorzieningen; geluidwerende voorzieningen, in de vorm van een geluidswal en/of -scherm; bij deze bestemming horende voorzieningen zoals verhardingen, verkeers- en verblijfsvoorzieningen.Voor een geluidswal en/of geluidsscherm zijn specifieke bouwregels opgenomen. Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. Artikel 5 Groen - Landschappelijke inpassing De voor 'Groen - Landschappelijke inpassing' aangewezen gronden zijn bestemd voor landschappelijke inpassing op basis van een voorwaardelijke verplichting; groenvoorzieningen; onverharde voetpaden; nutsvoorzieningen en straatmeubilair; waterlopen, waterberging en waterinfiltratievoorzieningen; met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde en verhardingen. Gebouwen zijn in algemeenheid niet toegestaan.

Op deze gronden dienen bomen, onderbegroeiing en waterlopen gerealiseerd te worden overeenkomstig het in Bijlage 3 opgenomen inrichtingsplan. Artikel 6 Waarde - Archeologie 4 De voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Artikel 7 Waarde - Archeologie 5

Attero 2023

44

De voor 'Waarde - Archeologie 5' aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Artikel 8 Waarde - Landschap De voor 'Waarde - Landschap' aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor het behoud, de bescherming, het herstel en/of de versterking van de in het gebied aanwezige landschappelijke waarden in verschillende vormen genoemd in het artikel. Tevens zijn de gronden mede bestemd voor het behoud en de ontwikkeling van de ecologische waarden die op verschillende manieren tot uitdrukking komen in het artikel.

6.5

Hoofdstuk 3 - Algemene regels

In dit hoofdstuk zijn de regels opgenomen die betrekking hebben op het gehele plangebied en alle andere regels in het bestemmingsplan. Artikel 9 Anti-dubbeltelregel De anti-dubbeltelregel voorkomt dat een cumulatie van bebouwing optreedt en de maximale maatvoering in het bestemmingsplan wordt overschreden. Deze regeling is verplicht overgenomen uit het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Artikel 10 Algemene bouwregels In deze regels zijn algemene bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen in het plan gelden, voor zover er geen voor de bestemming geldende bouwregels van toepassing zijn. Artikel 11 Algemene aanduidingsregels overige zone - tunnelcompostering In deze regels worden de regels overeenkomstig het bestemmingsplan 'VAR 2013' van overeenkomstige toepassing verklaard. In lid 3.4.2 is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het verplichte gebruik van de gronden bedoeld in deze gebiedsaanduiding. Tevens is er een bevoegdheid voor burgemeester en wethouders toegevoegd dat zij voorwaarden mogen stellen aan de omgevingsvergunning voor het bouwen van een tunnelcompostering: de bouw van de tunnelcompostering wordt na de feitelijke start onafgebroken voortgezet tot en met de feitelijke realisering; het bouwproces wordt binnen 2 jaar na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning voor de tunnelcompostering afgerond.

Artikel 12 Algemene afwijkingsregels In dit artikel is de bevoegdheid opgenomen om bij omgevingsvergunning af te wijken van regels die opgenomen zijn in het plan. Dit betreft bijvoorbeeld de mogelijkheid om af te wijken van de voorgeschreven maten en percentages. Afwijking is overigens alleen mogelijk wanneer hiermee geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan aspecten als de woon- en milieusituatie van aangrenzende percelen.

6.6

Hoofdstuk 4 - Overgangs- en slotregels

Artikel 13 Overgangsrecht Het overgangsrecht is vastgelegd in de vorm zoals in het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Artikel 14 Slotregel Deze regel bevat de citeerregel van het plan.

Attero 2023

45

Attero 2023

46

Hoofdstuk 7

7.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Financiële uitvoerbaarheid Conform artikel 3.1.6. van het Besluit ruimtelijke ordening dient de toelichting van een bestemmingsplan inzicht te geven over de uitvoerbaarheid van het plan. In deze paragraaf wordt ingegaan op de economische (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Het planvoornemen wordt door de initiatiefnemer gefinancierd. Exploitatieplan Volgens de Wro moet de gemeente een exploitatieplan vaststellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen, tenzij het kostenverhaal op een andere wijze is gegarandeerd. In dit geval is voor het planvoornemen een anterieure overeenkomst afgesloten tussen intitiatiefnemer en gemeente Voorst. Conclusie Op basis van deze subparagraaf wordt geconcludeerd dat het planvoornemen financiëel uitvoerbaar is.

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Inspraak en maatschappelijk overleg Op grond van artikel 3.1.6 onder e van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gaan een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor, vergezeld van een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken. Er heeft participatie plaatsgevonden. Het verslag is opgenomen in Bijlage 9 bij deze toelichting. Overleg met andere overheden Op grond van artikel 3.1.1, lid 1 juncto artikel 3.1.6, lid 1 onder c Bro pleegt het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan, daarbij overleg met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Het ontwerpbestemmingsplan is toegezonden aan de relevante partners. Zienswijzen Op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het ontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken voor een ieder ter visie gelegd. Er is één zienswijze ingediend. Deze zienswijze is door de appellant zelf ingetrokken.

Attero 2023

47

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16420634/2