CConstaterende datVoorst
Koppel je AI →
Document · PDF

1. bestemmingsplan Attero 2023 (toelichting)

gemeenteraad 23 februari 2026, gemeente VoorstBij agendapunt: Bestemmingsplan Attero 202314.986 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan Attero 2023 Toelichting

Documenttitel: Bestemmingsplan Attero 2023 Toelichting Status: Datum: Projectnaam: Projectnummer: Opdrachtgever: Referentie: Auteur(s): Collegiale toets: Datum/paraaf toets: Vrijgegeven door: Datum/paraaf vrijgave:

Attero 2023

Attero 2023

Inhoudsopgave

Toelichting

5

Hoofdstuk 1 Inleiding

7

1.1 1.2 1.3 1.4

7 8 8 9

Aanleiding en doel Ligging en begrenzing plangebied Vigerende plannen Leeswijzer

Hoofdstuk 2 Huidige situatie

11

2.1 2.1.1 2.1.2 2.2 2.3

11 11 11 11 12

Historie Stortterrein Gronden ten behoeve van groenrealisatie Ruimtelijke structuur Functionele inrichting

Hoofdstuk 3 Beleidskader

13

3.1 3.1.1 3.1.2 3.1.3 3.1.4 3.2 3.2.1 3.2.2 3.3 3.3.1 3.4

13 13 14 15 15 16 16 16 16 16 17

Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Landelijk Afvalbeheerplan 3 (2017-2019) Provinciaal en regionaal beleid Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Omgevingsverordening Gelderland Gemeentelijk beleid Ruimtelijke toekomstvisie Voorst Conclusie beleidskader

Hoofdstuk 4 Planbeschrijving

19

4.1 4.2 4.3 4.4

19 19 20 20

Het initiatief Maximale hoogte stortterrein Locatiekeuze Fasering, afwerking en overdracht stortterrein

Hoofdstuk 5 Omgevingsaspecten

21

5.1 5.2 5.2.1 5.2.2 5.2.3 5.3 5.3.1 5.3.2 5.3.3 5.4 5.4.1 5.4.2 5.4.3 5.5 5.5.1 5.5.2 5.5.3 5.6

21 21 21 22 22 23 23 25 25 25 25 26 27 28 28 28 28 28

Attero 2023

Inleiding Milieueffectrapportage Wet- en regelgeving Onderzoek Conclusie Cultuurhistorie en archeologie Landschap en cultuurhistorie Archeologie Conclusie Bodem en geohydrologie Wet- en regelgeving Onderzoek Conclusie Watertoets Wet- en regelgeving Onderzoek Conclusie Ecologie

2

5.6.1 5.6.2 5.6.3 5.7 5.7.1 5.7.2 5.7.3 5.8 5.8.1 5.8.2 5.8.3 5.9 5.9.1 5.9.2 5.9.3 5.10 5.10.1 5.10.2 5.10.3 5.11 5.11.1 5.11.2 5.11.3

Wet- en regelgeving Onderzoek Conclusie Lucht Wet- en regelgeving Onderzoek Conclusie Verkeer Inleiding Onderzoek Conclusie Geluid Wet- en regelgeving Onderzoek Conclusie Geur Wet- en regelgeving Onderzoek Conclusie Externe veiligheid Wet- en regelgeving Onderzoek Conclusie

28 29 35 35 35 36 36 36 36 36 37 37 37 38 39 39 39 39 40 40 40 41 41

Hoofdstuk 6 Juridische planopzet

43

6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6

43 43 43 44 45 45

Toelichting op de regels Opzet plan Hoofdstuk 1 - Inleidende regels Hoofdstuk 2 - Bestemmingsregels Hoofdstuk 3 - Algemene regels Hoofdstuk 4 - Overgangs- en slotregels

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid

47

7.1 7.2

47 47

Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1

Faseringsplan

Bijlage 2

Milieueffectrapport (MER)

Bijlage 3

Oplegnotitie MER 2024

Bijlage 4

Oplegnotitie MER 2025

Bijlage 5

Onderzoek bodem en geohydrologie

Bijlage 6

AERIUS berekening

Bijlage 7

Geluidsonderzoek

Bijlage 8

Geuronderzoek

Bijlage 9

Participatieverslag

Attero 2023

3

Attero 2023

4

Toelichting

Attero 2023

5

Attero 2023

6

Hoofdstuk 1

1.1

Inleiding

Aanleiding en doel

Stortterrein De Sluiner in Wilp wordt door het bedrijf Attero B.V. (hierna Attero) geëxploiteerd. Momenteel ligt op het stortterrein ongeveer 6,6 miljoen m3 afval opgeslagen. Er is daarmee een resterende stortruimte van ongeveer 0,4 miljoen m3. Attero is voornemens om nog circa 3 miljoen m3 extra toe te voegen aan de stortcapaciteit. Daarmee wordt de totale stortcapaciteit voor stortterrein De Sluiner maximaal 10 miljoen m3. Om de extra stortcapaciteit van circa 3 miljoen m3 op De Sluiner te kunnen realiseren, streeft Attero ernaar om de maximale hoogte van het stortterrein te verhogen van de huidige circa 31 meter, naar ongeveer 46,5 meter ten opzichte van het N.A.P. De uitbreiding van het stortterrein betekent alleen dat er in de tijd gezien langer gestort gaat worden. Het betekent dus niet dat er per jaar meer gestort gaat worden. Per jaar blijft dat maximaal de vergunde 275.000 ton/jaar. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken is een bestemmingsplanherziening nodig. Uitbreiding van stortcapaciteit wordt in het landelijk afvalbeleid voorlopig alleen toegestaan door uitbreiding van bestaande stortterreinen of door het heropenen van gesloten verklaarde stortterreinen. Deze locaties dienen te voldoen aan de eisen van het Stortbesluit bodembescherming. De huidige voorzieningen van het stortterrein voldoen hieraan en zijn zodoende geschikt voor capaciteitsvergroting.

De vigerende milieuvergunningen van Attero in Wilp voorzien bovendien in de voorgenomen uitbreiding. Met het uitbreiden van de stortcapaciteit van Attero kan de locatie in Wilp de komende jaren een belangrijke rol blijven spelen in de afvalverwerking en de afvalkringloop. Het bevoegd gezag heeft nadere eisen gesteld aan Attero om de uitbreiding van de stortcapaciteit mogelijk te maken. Om tegemoet te komen aan de omgeving, dient Attero het groenareaal in de gemeente Voorst duurzaam uit te breiden. Daarnaast dient, om tegemoet te komen aan de geuroverlast voor de omgeving, een zogenaamde tunnelcompostering te worden gerealiseerd en in gebruik genomen. In beide verplichtingen is voorzien middels een voorwaardelijke verplichting in de planregels behorende bij dit bestemmingsplan. De gronden behorende bij de duurzame uitbreiding van het groenareaal, zijn tevens onderdeel van dit bestemmingsplan. De gronden behorende bij de tunnelcompostering zijn middels een gebiedsaanduiding gekoppeld aan onderhavig bestemmingsplan. Binnen deze gebiedsaanduiding blijft het vigerende bestemmingsplan gelden en daarin is een tunnelcompostering reeds toegestaan.

Attero 2023

7

1.2

Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied bestaat uit drie delen. De capaciteitsuitbreiding van het bestaande stortterrein zal worden gerealiseerd binnen de bestaande inrichting boven op het bestaande stortterrein De Sluiner aan de Sluinerweg in Wilp, gemeente Voorst. Het stortterrein bevindt zich aan de zuidkant langs de A1 tussen Apeldoorn en Deventer. De duurzame uitbreiding van het groenareaal vindt plaats aan de overzijde van de A1 en aan de zuidzijde van De Sluiner. De gebiedsaanduiding ten behoeve van de tunnelcompostering is gelijk aan het recyclingterrein van De Sluiner, ten westen van de stortheuvel. In figuur 1 is het plangebied weergegeven, waarbij het stortterrein in paars is weergegeven, de gronden ten behoeve van een duurzame uitbreiding van het groenareaal in groen zijn weergegeven en de grond ten behoeve van de tunnelcompostering geel is omkaderd.

Figuur 1: Plangebied De Sluiner en omliggende gebieden.

1.3

Vigerende plannen

Onderhavige bestemmingsplan heeft als doel om het juridisch-planologisch kader te bieden voor de capaciteitsuitbreiding van het bestaande stortterrein. Omdat er voorwaardelijke verplichtingen zijn opgenomen in het bestemmingsplan zijn er op en rondom De Sluiner onderdelen aan het plangebied toegevoegd. De plandelen hebben verschillende planologische kaders die hieronder worden uiteengezet.

Attero 2023

8

Het stortterrein en de tunnelcompostering zijn onderdeel van het vigerende bestemmingsplan 'VAR 2013' (vastgesteld op 15-09-2014 door de gemeenteraad van de gemeente Voorst). Voor het stortterrein en de tunnelcompostering geldt de bestemming 'Bedrijf - Afvalverwerkingsbedrijf'. Gronden gelegen in deze bestemming zijn reeds bestemd om het stortterrein te laten fungeren binnen de wettelijke kaders. Het betreft de specifieke gebruiksregels van het vigerende bestemmingsplan die een capaciteitsvergroting van het stortterrein niet mogelijk maken. De maximale storthoogte, in een taps toelopende vorm, is op maximaal 37,2 meter boven N.A.P. vastgesteld. Met onderhavige bestemmingsplan worden de specifieke gebruiksregels voor het stortterrein, waarin de storthoogtes zijn opgenomen, aangepast om een capaciteitsvergroting mogelijk te maken. Het deel van het plangebied waarin is voorzien in de voorwaardelijke verplichting om het groenareaal duurzaam uit te breiden, is onderdeel van de volgende vigerende bestemmingsplannen: 'VAR 2013' (vastgesteld op 15-09-2014 door de gemeenteraad van de gemeente Voorst). Voor deze delen van het plangebied geldt dat de vigerende gronden zijn bestemd als 'Groen', 'Bos' en 'Agrarisch'. De bestemming 'Groen' blijft gehandhaafd.

Binnen de bestemming 'Bos' is het niet mogelijk om een duurzaam groenareaal te realiseren, omdat hier een zogenaamd productiebos wordt bedoeld. Binnen de bestemming 'Agrarisch' is het ook niet mogelijk om een duurzaam groenareaal te realiseren. 'Buitengebied' (geconsolideerde versie, d.d. 13-05-2019). Voor dit deel van het plangebied geldt dat de vigerende gronden bestemd zijn als 'Agrarisch'. Binnen deze bestemming is het niet mogelijk om een duurzaam groenareaal te realiseren. Tevens gelden op deze gronden (deels) de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 4' en 'Waarde - Landschap' en de gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied'. 'Verbreding A1' (onherroepelijk vastgesteld op 31-01-2022, gemeente Voorst). Voor dit deel van het plangebied geldt dat de gronden zijn bestemd als 'Verkeer'. Binnen deze bestemming is het niet mogelijk om een duurzaam groenareaal te realiseren. Tevens geldt op deze gronden (deels) de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5'. Binnen deze bestemmingsplannen (respectievelijk de bestemmingen 'Bos', 'Agrarisch' en 'Verkeer') is het niet mogelijk om een duurzaam groenareal te realiseren. De bestemming 'Groen' en de dubbelbestemmingen 'Archeologie en 'Landschap' vormen geen belemmering (en worden in onderhavig bestemmingsplan overgenomen).

De gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied' vervalt, omdat deze alleen van toepassing is op de agrarische bestemmingen.

1.4

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 van de toelichting wordt de huidige situatie in het plangebied beschreven. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 het beleidskader van het Rijk, de provincie en gemeente uiteen gezet. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de doelstelling en uitgangspunten. Hoofdstuk 5 gaat over de omgevingsaspecten die voor dit plangebied relevant zijn. Hoofdstuk 6 beschrijft de juridische opzet waarbij de plankaart ('verbeelding') en planregels worden besproken. Tot slot volgt in de hoofdstukken 7 een beschrijving van de uitvoerbaarheid van het plan en de resultaten van de inspraak en overleg.

Attero 2023

9

Attero 2023

10

Hoofdstuk 2

2.1

Huidige situatie

Historie

2.1.1 Stortterrein Sinds 1981 (oprichting van de Veluwse Puin Recycling) is dit deel van het plangebied in gebruik als afvalstort en recyclinginrichting. De inrichting is opgericht voor het verwerken van bouw- en sloopafval uit de regio. Tot de jaren negentig was het terrein in eigendom van de gemeente Voorst. Begin jaren negentig is de exploitatie van de regionale stortterrein 'De Sluiner' van de gemeente Voorst overgenomen door de VAR. Sindsdien heeft de VAR haar afvalverwerkingsactiviteiten sterk uitgebreid, met ondermeer de oprichting van composteerinstallaties, vergistingsinstallaties en sorteerhallen. De VAR is uitgegroeid tot een bedrijf met een compleet pakket afvalverwerkingsdiensten en meer dan 150 medewerkers. In 2011 is de VAR overgenomen door Attero. 2.1.2 Gronden ten behoeve van groenrealisatie De gronden die worden ingezet om te voldoen aan de voorwaardelijke verplichting om het groenareaal in de gemeente Voorst uit te breiden, zijn in gebruik geweest als open agrarische gronden en als productiebos. De gronden die vallen onder de huidige verkeersbestemming ten behoeve van de uitbreiding van de A1, zijn ingericht als weg (Ardeweg) met groene bermen.

2.2

Ruimtelijke structuur

Het bedrijfsterrein De Sluiner van Attero waarop het stortterrein zich bevindt, wordt omringd door de Rijksweg A1, de Sluinerweg en de Ardeweg. Het terrein van Attero heeft een eigen ontsluitingsweg aan de zuidwest kant van het plangebied, deze sluit aan op de Sluinerweg. De ontsluiting van het verkeer vanuit Attero loopt of via de Sluinerweg richting de Zutphenseweg (N345) welke vervolgens aansluit op de Rijksweg A1 of via de Sluinerweg richting het oosten om via een oversteek van de Rijksweg A1 richting Twello te rijden. Vanaf de Sluinerweg en de Ardeweg zijn de activiteiten van Attero slechts deels waar te nemen. De gebouwen zijn grotendeels omgeven door een met gras begroeide aarden wal en groene singels van bomen. Het stortterrein wordt begrenst door de Rijksweg A1 in het noorden, de Sluinerweg in het oosten en zuiden en het recyclingterrein van Attero in het westen. Ondanks de activiteiten die binnen het plangebied uitgevoerd worden, heeft het plangebied een overwegend groen aanzicht. Door de getrapte terreinhoogte van het stortterrein is en wordt voorkomen dat de stortheuvel als massief element in het landschap aanwezig is. Vanaf de Sluinerweg heeft ook het met gras begroeide stortterrein een groen aanzicht. Vanaf de Rijksweg A1 is tijdelijk waarneembaar dat er afval gestort wordt op het terrein, totdat het terrein wordt afgewerkt en er een groen landschap ontstaat.

Ten zuiden van de Sluinerweg liggen singels met bomen die voor een natuurlijke overgang naar de achtergelegen agrarische percelen zorgen. Aan de oostzijde, aan de overkant van de Sluinerweg, grenst het terrein van Attero aan het recreatiegebied Bussloo. De gronden die worden ingezet om te voldoen aan de voorwaardelijke verplichting om het groenareaal in de gemeente Voorst uit te breiden, bevinden zich aan de noordkant van de A1, grenzend aan de reeds bestaande groene zone langs de A1. Aan de zuidkant van De Sluiner liggen de gronden langs de Sluinerweg. Al deze gronden liggen tussen de omliggende dorpskernen en De Sluiner. De gronden die vallen onder de huidige verkeersbestemming ten behoeve van de uitbreiding van de A1, zijn ingericht als weg (Ardeweg) met fietspaden en groene bermen.

Attero 2023

11

2.3

Functionele inrichting

Circa 46 hectare van de totale 76 hectare van het terrein van Attero is in gebruik als stortterrein. Het stortterrein bevindt zich aan de oostkant van het terrein. Op het stortterrein bevindt zich geen permanente bebouwing (slechts tijdelijke containers en bouwketen). Er staan hier met name (verplaatsbare) installaties die afval verwerken en scheiden. De gronden die worden ingezet om te voldoen aan de voorwaardelijke verplichting om het groenareaal in de gemeente Voorst uit te breiden, zijn in gebruik geweest als agrarische gronden of als productiebos. Aan de noordkant van de A1 grenzen deze gronden aan de reeds bestaande groene zone langs de A1. Aan de zuidkant van De Sluiner liggen de gronden langs de Sluinerweg. Al deze gronden liggen tussen de omliggende dorpskernen en De Sluiner. De gronden die vallen onder de huidige verkeersbestemming ten behoeve van de uitbreiding van de A1, zijn ingericht als weg (Ardeweg) met groene bermen.

Attero 2023

12

Hoofdstuk 3

3.1

Beleidskader

Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. De NOVI komt als structuurvisie uit onder de bestaande Wet ruimtelijke ordening (WRO). Het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4, 2001) en de Rijksnatuurvisie 2014 gaan op in en worden vervangen door de NOVI en het bijbehorende Nationaal Milieubeleidskader. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervalt geheel, behalve paragraaf 4.9 Caribisch Nederland en Caribische Exclusieve Economische Zone. De NOVI geldt verder als wijziging van enkele onderdelen van het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP) op grond van de Waterwet. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als een omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. De NOVI biedt een kort, middellang en langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving.

De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met de NOVI benoemt het Rijk 21 nationale belangen. De eerste drie nationale belangen zijn van een ander, meer overkoepelend karakter, dan de overige. Deze nationale belangen zijn: 1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; 2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; 3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties; 4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; 5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften; 6. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; 7. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; 8. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving; 9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten; 10. Beperken van klimaatverandering; 11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO2-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; 12. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen; 13. Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie; 14.

Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); 15. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; 16. Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; 17. Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit; 18. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie; 19. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang; 20. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; 21. Ontwikkelen van een duurzame visserij. In relatie tot het voorliggende plan vormen de nationale belangen uit de NOVI geen belemmering voor het uitbreiden van de stortcapaciteit. Het voorliggende plan raakt aan punt 13 uit de NOVI. De SER (2016) beschreef in het rapport 'Werken aan een circulaire economie' (p. 167-168) over de noodzaak van

Attero 2023

13

storten, zelfs in een circulaire economie: “Daarnaast is van belang te constateren dat de hoeveelheid restafval in de toekomst weliswaar sterk zal afnemen, maar dat ook binnen de circulaire economie reststromen zullen blijven ontstaan. Denk aan residuen van recyclingprocessen, stromen waarvoor geen verwerkingstechnieken bestaan en stoffen die worden uit gefaseerd. Voor deze stromen zal verbranding met optimale energieterugwinning een belangrijk route zijn. Voor niet-brandbare reststoffen blijft (duurzaam) storten van belang. Op de lange termijn zal met name het verbranden van afval en in mindere mate storten van afval in omvang afnemen. Productieprocessen zijn dan zodanig ingericht conform de principes van ecodesign en design for recycling dat deze hoeveelheid restafval sterk terugloopt. Storten van afval blijft beperkt tot residuen van recyclingprocessen en van stoffen die uitgefaseerd worden. Nieuwe inzichten zullen ook in de toekomst kunnen leiden tot een besluit om de toepassing van stoffen in productieprocessen uit te faseren. Storten krijgt daarmee de functie van 'strategic sink'”. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte - voorganger van de NOVI - is uitgewerkt in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Deze uitwerkingen is opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (BKL).

Het BKL wordt van kracht zodra de Omgevingswet in werking treedt. Het BKL wordt dus uitwerking in regelgeving van het beleid dat in de NOVI staat. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) In het Barro zijn de verschillende nationale belangen vastgelegd die doorwerking moeten krijgen bij lagere overheden. Het gaat om de volgende nationale belangen: Rijksvaarwegen, project Mainportontwikkeling Rotterdam, kustfundament, grote rivieren, Waddenzee en waddengebied, defensie, Natuurnetwerk Nederland, erfgoederen van universele waarden, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeer-gebied. In de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) zijn de terreinen, gebieden en installaties zoals bedoeld in het Barro, aangewezen. Ten aanzien van het ophogen van het stortterrein wordt er geraakt aan het nationale belang hoofdwegen. In de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (RARRO, geconsolideerd op 01-12-2020), zijn reserveringsgebieden aangewezen ten behoeve mogelijke uitbreiding van deze hoofdwegen. De Rijksweg A1 ten noorden van het plangebied is zo'n reserveringsgebied.

Voor de noordelijke rijbaan zijn twee rijstroken gereserveerd en voor de zuidelijke rijbaan die direct aan het plangebied grenst, is één rijbaan gereserveerd. Op basis van artikel 2.7.2 van het Barro geldt dat bij ministeriële regeling hoofdwegen of delen daarvan worden aangewezen waarvoor een bij die regeling vast te stellen reserveringsgebied geldt aan een of beide zijden van de hoofdweg ten behoeve van een mogelijke uitbreiding daarvan. De breedte van het reserveringsgebied van het zuidelijke deel van de A1, wordt gemeten vanaf de buitenste kantstreep en bedraagt ten hoogste 34 meter aan weerszijden van de hoofdweg ten behoeve van de mogelijke verbreding per rijrichting met één rijstrook. De afstand van de buitenste kantstreep van de zuidelijke rijbaan van de A1 en het stortterrein is ongeveer 25 meter. Daarmee ligt een deel van het stortterrein binnen het aangewezen reserveringsgebied. De regels ten aanzien van deze reserveringsgebieden zijn doorgevoerd per 1 oktober 2012 met een wijziging van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (eerste aanvulling) (Staatsblad, jaargang 2012, nummer 434).

Conform artikel 2.7.4 van het Barro mag een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een reserveringsgebied, geen wijzigingen bevatten ten opzichte van het op het moment van aanwijzing van dat reserveringsgebied (1 oktober 2012) geldende bestemmingsplan die een stortterrein voor afvalstoffen mogelijk maakt artikel 2.7.4, lid 1 onder b). In het vigerende bestemmingsplan 'VAR 2013', is naar aanleiding van deze bepaling, specifiek opgenomen dat het een conserverend bestemmingsplan betreft. Daarmee sluit dat bestemmingsplan aan bij de regels uit het Barro. Het onderhavige bestemmingsplan is weliswaar niet conserverend, maar het stortterrein veranderd niet in de breedte en enkel de maximale hoogte van het stortterrein wordt verhoogd. Dit bestemmingsplan sluit derhalve aan bij de doelstelling van het Barro.

Attero 2023

14

3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) In het Bro zijn regels opgenomen die eisen stellen aan de inhoud van een toelichting op een bestemmingsplan. Een toelichting dient een verantwoording van de in het plan gemaakte keuzen te bevatten, net als een waterparagraaf, de uitkomsten van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro, de resultaten van verrichte onderzoeken, een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het plan zijn betrokken en de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan. Deze toelichting voldoet daaraan. Verder dienen bestemmingsplannen die voorzien in nieuwe stedelijke ontwikkelingen een verantwoording te bevatten aan de hand van de zogenoemde 'Ladder voor duurzame verstedelijking' (hierna: de Ladder). Met de Ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd.

De Ladder is geregeld in artikel 3.1.6 lid 2 en luidt: 'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.' Alvorens te toetsen aan de Ladder, dient te worden vastgesteld of sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Dit begrip is in artikel 1.1.1 Bro gedefinieerd als een "ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen". Uit de tot dusver gevormde jurisprudentie (zie uitspraken van 26 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1123, en 24 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:465) ten aanzien van dit begrip blijkt dat de omvang van de ontwikkeling een rol speelt. Zo wordt een project vanaf 12 woningen of meer aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bro. Het plan voorziet in de capaciteitsuitbreiding van het bestaande stortterrein. Deze bevindt zich op een reeds bestaand bedrijventerrein en is gelet op de nota van toelichting van het Bro gedefinieerd als nieuwe stedelijke ontwikkeling.

De behoefte aan de uitbreiding van stortcapaciteit op deze locatie is gegeven in hoofdstuk 1 van deze toelichting. Daarnaast wordt er binnen bestaand stedelijk gebied ontwikkeld, namelijk op het bedrijventerrein van Attero. Op basis van deze behoefte en de ontwikkeling in reeds bestaand stedelijk gebied, wordt er positief getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking zoals geregeld in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening. 3.1.4 Landelijk Afvalbeheerplan 3 (2017-2019) In het Landelijk afvalbeheerplan 3 (2017 – 2029) (LAP3) zijn een aantal uitgangspunten beschreven. De volgende selectie is voor de uitbreiding van de stortheuvel relevant: 1. Storten is een nutsfunctie en een fundamentele voorziening die maatschappelijk onmisbaar is. De overheid moet beschikbaarheid, continuïteit en kwaliteit van deze voorziening garanderen. 2. Ook in de toekomst moet er voldoende stortcapaciteit beschikbaar zijn. Hiervoor heeft het Rijk een bijzondere verantwoordelijkheid. 3. Nederland is voor storten zelfvoorzienend. 4. Er geldt sinds 2000 een moratorium op de uitbreiding van stortcapaciteit. Alleen onderlinge uitruil is mogelijk. 5. De vraag of er voldoende stortcapaciteit is, wordt beantwoord door middel van het 6-jaars- en het 12-jaarscriterium. Bij de start van LAP3 was er voldoende capaciteit.

Als een tekort aan stortcapaciteit ontstaat (en dat is onvermijdelijk vanwege het moratorium) dan wordt uitbreiding alleen toegestaan op bestaanhet stortterreinen. Het realiseren van nieuwe stortlocaties is niet aan de orde. Het moratorium zoals benoemd in punt 5 is ingegaan op 31 december 2000, toen was er nog bijna 80 miljoen m³ restcapaciteit beschikbaar. Eind 2019 bedroeg de restcapaciteit nog slechts 36,4 miljoen m³ (Rijkswaterstaat, WAR 2019). Attero heeft berekend of het 6 jaarcriterium en 12 jaarcriterium gehaald wordt met de overgebleven capaciteit. Vanaf 2026 blijkt er niet genoeg restcapaciteit om nog 6 jaar vooruit te kunnen. Het tekort zal eind 2029 oplopen tot 7,4 miljoen m³. Vanaf 2025 is al onvoldoende restcapaciteit voor het 12 jaarcriterium. Aan het einde van 2035 is het tekort opgelopen tot 22,1 miljoen m³. Aangezien bij een tekort aan capaciteit het alleen mogelijk is een vergunning voor vergrote capaciteit te verkrijgen voor

Attero 2023

15

uitbreiding van een bestaande locatie, valt de uitbreiding van de stortcapaciteit binnen het beleid zoals genoemd in LAP3.

3.2

Provinciaal en regionaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (vastgesteld op 19 december 2018), wordt stilgestaan bij de locatie, verbinding en duurzame invulling van (nieuwe) bedrijventerreinen. Hierin wordt specifiek benoemd dat om knelpunten te voorkomen en op te lossen, bedrijventerreinen dienen te worden geclusterd op een wijze waardoor vervoers- en goederensystemen slimmer met elkaar en met ontwikkelingen in de stad kunnen worden verbonden. De uitbreiding van de capaciteit van het stortterrein vindt plaats bovenop het reeds bestaande stortterrein, er is geen sprake van een nieuw bedrijventerrein of uitbreiding in brede zin. De provinciale omgevingsvisie vormt daarom geen belemmering voor de uitbreiding van de stortcapaciteit op het stortterrein. 3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland In de Omgevingsverordening Gelderland (januari 2023, geconsolideerd op 21-12-2022), is een paragraaf opgenomen ten behoeve van bedrijventerreinen: Paragraaf 2.2.3 'instructieregels bestemmingsplan bedrijventerreinen'. In deze paragraaf zijn drie artikelen opgenomen, te weten: Artikel 2.10 (nieuw bedrijventerrein en uitbreiding van bestaand bedrijventerrein); Artikel 2.11 (kadegebonden bedrijventerrein); Artikel 2.12 (solitaire bedrijvigheid).

Artikel 2.10 is in deze relevant en luidt als volgt: Een bestemmingsplan maakt een nieuw bedrijventerrein of een uitbreiding van een bestaand bedrijventerrein alleen mogelijk voor zover deze ontwikkeling past binnen het vigerende Regionaal programma werklocaties. Als een ontwikkeling niet past binnen het vigerende Regionaal programma werklocaties, kan een bestemmingsplan vooruitlopend op de eerstvolgende actualisatie een nieuw bedrijventerrein of de uitbreiding van een bestaand bedrijventerrein toch mogelijk maken onder de volgende voorwaarden: 1. er wordt voldaan aan de eisen van de Ladder voor duurzame verstedelijking; 2. er heeft aantoonbaar regionale afstemming plaatsgevonden over deze ontwikkeling, 3. en Gedeputeerde Staten stemmen in met deze ontwikkeling. In het Regionaal programma werklocaties 2019-2030 is opgenomen dat de Cleantech Regio, waar de gemeente Voorst onderdeel van is, afspraken heeft gemaakt om als uitgangspunt te hanteren om bestaande bedrijventerreinen zo goed mogelijk te benutten. Er is in onderhavig bestemmingsplan sprake van het optimaal benutten van het bestaand bedrijventerrein, omdat de stortcapaciteit verticaal wordt vergroot. Het Regionaal programma werklocaties vormt daarmee geen belemmering voor de uitbreiding van de stortcapaciteit van het stortterrein van Attero.

De uitbreiding van de capaciteit van het stortterrein voldoet aan het provinciaal beleid (omgevingsvisie en omgevingsverordening) en het regionaal beleid (Regionaal programma werklocaties 2019-2030). Het beleid vormt daarmee geen belemmering voor het uitbreiden van de stortcapaciteitet van het stortterrein.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1 Ruimtelijke toekomstvisie Voorst De gemeente Voorst heeft in 2017 een ruimtelijke toekomstvisie opgesteld onder de titel Kwaliteit, Verbinding en Duurzaamheid - Een krachtige basis voor ruimtelijke ontwikkelingen in de gemeente Voorst.

Attero 2023

16

In de gemeente Voorst past in eerste instantie kleinschalige bedrijvigheid die goed is in te passen in de kernen en in het landelijke gebied. Om toekomstige vraag naar bedrijfsruimte op te kunnen vangen kiest men in eerste instantie voor inbreiding/herschikking op de bestaande bedrijventerreinen in plaats van grootschalige uitbreiding van bestaande terreinen. Dit betekent dat op termijn herstructurering van bestaande bedrijventerreinen plaats zal moeten vinden om ruimte te vinden voor nieuwe activiteiten. Dat biedt ook kansen om de inpassing van de bedrijventerreinen in het landschap te verbeteren, vooral door entrees tot de kernen en beeldbepalende locaties te verfraaien. De capaciteitsuitbreiding van het stortterrein vindt plaats bovenop het huidige stortterrein. Er is daarmee geen sprake van grootschalige uitbreiding van een bedrijventerrein, maar van inbreiding op de bestaande locatie van het afvalverwerkingsbedrijf. Daarmee voldoet de uitbreiding van het stortterrein aan de visie van de gemeente Voorst.

3.4

Conclusie beleidskader

Het beleidskader op Rijks-, provinciaal/regionaal en gemeentelijk niveau vormt geen belemmering voor het uitbreiden van de stortcapaciteit van het bestaande stortterrein.

Attero 2023

17

Attero 2023

18

Hoofdstuk 4

4.1

Planbeschrijving

Het initiatief

De stortcapaciteit van het stortterrein op het terrein van Attero B.V. wordt uitgebreid met hogere maximale afdichtingshoogtes ten opzichte van het bestaande stortterrein. Het grondvlak van het stortterrein blijft ongewijzigd. In figuur 4.1 is de nieuwe situatie weergegeven. In figuur 4.2 is het bovenaanzicht van de nieuwe situatie weergegeven in een technische tekening. Beiden gezien vanaf het noorden.

Figuur 4.1: Nieuwe situatie gezien vanaf het noorden.

Figuur 4.2: Technische tekening (bovenaanzicht) van de nieuwe situatie.

4.2

Maximale hoogte stortterrein

De uitbreiding van het stortterrein vindt plaats in de hoogte. Omwille van deze uitbreiding zijn voor het stortterrein in de planregels maximale afdichtingshoogtes opgenomen zodat de heuvel landschappelijk inpasbaar blijft. In dit bestemmingsplan zijn ter plaatse van het stortterrein door middel van hoogtelijnen maximale afdichtingshoogtes opgenomen. In Bijlage 1 van de bestemmingsplanregels is tevens een kaart opgenomen waarin de maximale afdichtingshoogten van het stortterrein zijn weergegeven.

Attero 2023

19

4.3

Locatiekeuze

Naast de voorgenomen uitbreiding van de stortcapaciteit van het stortterrein in Wilp, lopen vergelijkbare processen bij andere stortterreinen in Nederland. Er is restcapaciteit en capaciteit bij verschillende exploitanten beschikbaar, verdeeld over de provincies. In Gelderland is geen andere bestaande of nieuwe locatie waar nog eens 3 miljoen m3 restafval kan worden gestort, omdat daarvoor geen nieuwe locatie mag worden ontwikkeld en er voor andere exploitanten dan Attero, momenteel, onvoldoende restcapaciteit beschikbaar is. Met het uitbreiden van de capaciteit van het stortterrein van Attero kan de locatie in Wilp de komende jaren een belangrijke rol blijven spelen in de afvalverwerking en de afvalkringloop binnen de provincie.

4.4

Fasering, afwerking en overdracht stortterrein

Het stortterrein De Sluiner zal nog een aantal decennia in gebruik zijn. Door het formaat van het stortterrein en het feit dat afvalverwerking niet op elke plek tegelijk kan en hoeft te gebeuren is het mogelijk om activiteiten op bepaalde delen van het stortterrein vroegtijdig, vóór het einde van de vergunde situatie, te beëindigen. Op deze locaties is het dan mogelijk te beginnen met de eindafwerking. Het naar voren halen van de eindafwerking heeft voornamelijk in esthetisch en landschappelijk opzicht voordeel en heeft daarmee dus met name voordeel voor het zicht vanuit de omgeving. Het huidige voornemen voor de fasering en afwerking bestaat uit een aantal stappen: 1. Talud noordzijde van het stortterrein, parallel aan de Rijksweg A1: Uiterlijk 2030 (naar verwachting volgt in 2025/2026 een Koninklijk besluit waarin de datum wordt gewijzigd naar 2033 in het Invoeringsbesluit Omgevingswet artikel 8.2.20) in profiel brengen en voorzien van beplanting. Deze ingreep heeft de meest positieve impact op de omgeving. De noordzijde van het stortterrein is de zijde waarop inwoners van Wilp-Achterhoek zicht hebben. Daarnaast is deze zijde ook zichtbaar van de A1. Het voornemen is om diverse beplanting aan te brengen omwille van een natuurlijkere uitstraling en verhoogde biodiversiteit.

Het advies van de ecoloog, welke geraadpleegd is voor beoordeling van milieueffect 'Natuur en ecologie' zal voor zover mogelijk opgevolgd worden. 2. Talud oost- en zuidzijde van het stortterrein: Vervroegd in profiel brengen en voorzien van beplanting. Ook het eerder afwerken van deze twee zijden heeft een positieve impact op de omgeving. Met name bedrijven en een aantal boerderijen heeft zicht op de oost- en zuidzijde. Het huidige voornemen betreft eenzelfde type afwerking als voor de noordzijde, het aanbrengen van diverse beplanting. Het talud aan de oostzijde zal tussen 2037 – 2039 afgewerkt worden. De zuidzijde tussen 2037 – 2046. 3. Talud westzijde en bovenkant stortterrein: Er is nog geen fasering voor eindafwerking gepland. Vooralsnog is het einde van de vergunde situatie relevant. De eindafwerking van deze delen zal eenzelfde type afwerking krijgen als de taluds, zoals het aanbrengen van diverse beplanting. Daarnaast is het mogelijk aanvullende recreatieve mogelijkheden te realiseren. De exacte invulling hiervan zal, in samenwerking met de omgeving, in de toekomst worden bepaald. Nadat de exploitatie van het stortterrein is beëindigd, wordt deze definitief afgewerkt en aan de nazorgorganisatie van provincie Gelderland overgedragen.

Het afval wordt afgedekt op basis van de dan geldende vergunningvoorschriften, gebruik makend van de dan beschikbare kennis, technieken en materialen. In ieder geval komt er een deklaag van circa 1 meter grond van wisselende samenstelling. De bekleding van de deklaag is veelal gras en ruigte dat door schapen kort wordt gehouden. In de huidige situatie is er op één plek een grote heestergroep; deze wordt door de schapen als schaduwplek gebruikt. En er is een 'vijver-poel' waar vogels en vlinders te vinden zijn. De beoogde fasering is opgenomen in Bijlage 1 bij deze toelichting.

Attero 2023

20

Hoofdstuk 5

5.1

Omgevingsaspecten

Inleiding

In het kader van een goede ruimtelijke ordening en in verband met de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan moeten de voor het plangebied relevante milieuaspecten worden beschouwd. Dit bestemmingsplan is deels een conserverend plan waarin ter plaatse van het stortterrein slechts één nieuwe ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt: De maximale afdichtingshoogtes worden verruimd. Het andere deel van dit bestemmingsplan maakt het aanplanten van bomen en onderbegroeiing mogelijk op gronden die nu als agrarisch zijn bestemd. Onderstaand wordt per milieu- of omgevingsaspect beschreven wat de effecten van het bestemmingsplan zijn voor de ruimtelijke ordening. Wanneer in de toekomst een ontwikkeling geïnitieerd wordt binnen het plangebied dan moet een initiatiefnemer in het kader van een omgevingsvergunning aantonen dat aan de milieu-eisen wordt voldaan.

5.2

Milieueffectrapportage

5.2.1

Wet- en regelgeving

Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is het noodzakelijk om ten behoeve van een bestemmingsplan dat kaderstellend is voor, of een besluit neemt over, projecten met grote milieugevolgen een milieueffectrapportage te doorlopen (gesloten spoor). Onderdeel C van de bijlage Besluit m.e.r. (de 'C-lijst') geeft de aard en omvang van dergelijke projecten. Van andere projecten moet het bevoegd gezag beoordelen of deze projecten belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen hebben (m.e.r.-beoordeling). Deze projecten staan in onderdeel D van de bijlage Besluit m.e.r. (de 'D-lijst'). Hierbij geldt sinds de aanpassing van het Besluit m.e.r. per 1 april 2011 de omvang als richtwaarde en niet als absolute drempelwaarde. Daarom is altijd een toets noodzakelijk of sprake is van een project met grote milieugevolgen zodra een project één of meer van de beschreven activiteiten in Onderdeel D bevat, ongeacht de omvang van deze activiteiten. Deze toets, de zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling, dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van de projecten, plaats van de projecten en kenmerken van het potentiële effect.

Het mag duidelijk zijn dat wanneer een project ruim beneden de omvang uit de bijlage van het Besluit m.e.r. blijft, deze beoordeling beknopt kan zijn. Als blijkt dat aanzienlijke nadelige milieugevolgen niet zijn uit te sluiten, is alsnog een volledige m.e.r.-beoordeling of m.e.r.-procedure nodig. In figuur 5.1 zijn bovenstaande regels schematisch weergegeven:

Figuur 5.1: Schematische weergave m.e.r.-(beoordelings)plicht. Op basis van artikel 7.6 van de Wet milieubeheer kunnen Provinciale Staten als aanvulling op de 'C-lijst'

Attero 2023

21

uit het Besluit m.e.r. in de provinciale milieuverordening (of provinciale omgevingsverordening) extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aanwijzen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben en dus m.e.r.-plichtig zijn. Provinciale Staten van Gelderland hebben in de Omgevingsverordening geen extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aangewezen die m.e.r.-plichtig zijn. In aanvulling op het voorgaande is er nog een zijspoor, het open spoor, waardoor een plan m.e.r.-plicht kan gelden. Dit is het geval wanneer significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten. Dan geldt de verplichting tot uitvoeren van een Passende Beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming en daarmee de verplichting tot het uitvoeren van een planm.e.r. Sinds 7 juli 2017 is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden (artikel 2, lid 5 onder b). Op grond van deze aanpassing is een vormvrije m.e.r.-beoordeling door het bevoegd gezag nodig voor projecten die zijn opgenomen in bijlage D, maar die beneden de drempelwaarden vallen. Dit betekent dat voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie moet worden opgesteld. 5.2.2

Onderzoek

Het voornemen is niet MER-plichtig conform de criteria in Besluit m.e.r, onderdeel C. Uit de concept MER-Aanmeldnotitie is gebleken dat de voorgenomen activiteit geen bijzondere omstandigheden met zich meebrengt die het verplichten tot het opstellen van een MER rechtvaardigen. Gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de potentiële effecten van het project, met betrekking tot de voorgenomen verandering van het stortterrein De Sluiner is vastgesteld dat de voorgenomen activiteit geen bijzondere omstandigheden met zich meebrengt, die het verplichten tot het opstellen van een MER rechtvaardigen. In overleg met bevoegde gezagen kiest Attero ervoor om niet eerst formeel te laten beoordelen of in dit geval aanleiding bestaat voor het opstellen van een MER, maar om gebruik te maken van de wettelijke mogelijkheid direct vrijwillig een MER op te stellen conform artikel 7.16, vijfde lid, van de Wet milieubeheer (Wm). Belangrijkste argument hiervoor is dat het opstellen van een MER een wezenlijke bijdrage kan leveren aan een zorgvuldige totstandkoming van het besluit over de toekomstige ophoging van stortterrein De Sluiner in Wilp.

Omdat zowel het bestemmingsplan als de omgevingsvergunning (Milieu) aangepast moeten worden, is er voor gekozen om ingevolge artikel 14.4b Wm een gecombineerd plan- en project-MER op te stellen waarvoor de uitgebreide voorbereidingsprocedure is gevolgd. In Bijlage 2 is het MER opgenomen. Voor het beoordelen van de milieueffecten zijn drie alternatieven voor het stortterrein uitgewerkt. De milieueffecten worden beoordeeld ten opzichte van de autonome situatie. De Commissie m.e.r. heeft een advies uitgebracht, waarop vervolgens een oplegnotitie (d.d. 31 juli 2024) is opgesteld behorende bij het MER. Daarin wordt nader ingegaan op de onderdelen stikstof en de ecologische ontwikkeling na afdichting van de stortplaats. In Bijlage 3 is deze oplegnotitie opgenomen. Naar aanleinding van actualisaties aan het ontwerp-bestemmingsplan is opnieuw een oplegnotitie opgesteld (d.d. 3 november 2025) bovenop het MER en de oplegnotitie uit 2024. In Bijlage 4 is deze oplegnotitie opgenomen. Hierin zijn de volgende actualisaties uiteengezet: Actualisatie van Bijlage 1 Faseringsplan, Bijlage 6 AERIUS berekening en Bijlage 8 Geuronderzoek als bijlagen bij de toelichting. De uitkomsten van deze actualiseringen hebben geen gevolgen voor het MER. 5.2.3

Conclusie

Het plan-MER en het proces van het doorlopen van de plan-m.e.r. hebben er toe geleid, dat een voorkeursalternatief tot stand is gekomen. Uit de plan-m.e.r. blijkt dat het voorkeursalternatief niet leidt tot onaanvaardbaar negatieve effecten voor het milieu. Onderliggend bestemmingsplan is een vertaling van het voorkeursalternatief uit de plan-m.e.r. Op basis van deze paragraaf wordt geconcludeerd dat op basis van het aspect milieueffectrapportage dit bestemmingsplan uitvoerbaar is.

Attero 2023

22

5.3

Cultuurhistorie en archeologie

5.3.1

Landschap en cultuurhistorie

Elk gebied heeft unieke cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten en waarden. Het is van groot belang om deze kwaliteiten en waarden te behouden en daar waar mogelijk te versterken. Dit om eenieder die het landschap in kan, het kan beleven en ervan kan genieten – ook in de toekomst. Het is van belang om de vegroting van het stortvolume zo veel mogelijk aan te laten sluiten en in te passen in het omliggende landschap om de huidige kwaliteiten en waarden indien mogelijk te kunnen behouden. Zo is het gehele bedrijfsterrein van Attero gelegen in het zogenaamde kampen-ontginningenlandschap. In het Landschapsontwikkelingsplan Van Veluwe Tot IJssel (LOP) wordt het landschapsbeleid ten aanzien van de kampenontginningen omschreven. De kampenontginningen bestaan uit een gebied ten oosten van Apeldoorns Kanaal, dat als het ware in een band ligt tussen Twello, Wilp Achterhoek, Teuge en de Vecht. De kampenontginningen bestaan uit een afwisselend patroon van hoge zandopduikingen en de ertussen gelegen lage delen. De hoge delen van deze eenheid bestaan uit 'kampen' die liggen op kleine zandopduikingen te midden van het relatief vlakke landschap van de IJsselvallei. Vaak waren de opduikingen te laag om vroeg in gebruik te zijn. De bewoning is dan ook van jongere oorsprong dan bijvoorbeeld de Veluweflank en de dekzandruggen.

De lage zandopduikingen waren, doordat ze net iets hoger liggen dan de omgeving, relatief geschikt voor de bouw van één of enkele boerderijen en de gronden waren vaak net bruikbaar voor akkerbouw. In combinatie met erfbeplanting en beplanting langs percelen en wegen ontstonden groene 'eilanden' te midden van de lager gelegen graslanden. Een kamp is dus eigenlijk niets anders dan een kleine individuele akker, ook wel éénmans-es' genoemd, waarbij ieder gezin zijn eigen bouwland bewerkte. Om de akkers af te schermen tegen vee en wild werden ze dus omgeven met houtwallen en houtsingels. Deze beplantingsstructuren hebben geleid tot een relatief kleinschalig landschap. Wegen volgden de hogere delen in het landschap en hadden hierdoor een bochtig verloop. Op onderstaande hoogtekaart (figuur 5.2) is goed te zien dat Attero en ook het nabijgelegen dorp Wilp-Achterhoek ontwikkeld zijn op deze zandopduikingen (de lichte groene kleur ligt hoger ten opzichte van de donkerblauwe kleur).

Figuur 5.2: Hoogtekaart AHN (bron: ahn.nl). Kenmerkend voor dit kampenontginningslandschap zijn de volgende landschappelijke en cultuurhistorisch waardevolle elementen: Een onregelmatig verkavelingspatroon; Half-open landschap; Singels en houtwallen die de onregelmatige verkaveling benadrukken (veelal langs wegen);

Attero 2023

23

Patroon van bebouwing ontstaan langs de weg, wel geclusterd en niet gelijkmatig verspreid (Wilp-Achterhoek); Bochtig verloop van wegen die de hogere delen in het landschap volgden. Deze landschappelijke en cultuurhistorisch waardevolle elementen zijn mooi terug te zien op onderstaande topografische kaarten (1900 en 2000) (figuur 5.3 en 5.4). De onregelmatige verkaveling is goed terug te zien rondom het bedrijfsterrein van Attero en Wilp-Achterhoek. Verder zijn beplantingsstructuren (houtsingels/ houtwallen en bos) in de loop der tijd veelal komen te vervallen (door intensivering/ optimalisatie van de landbouw).

Figuur 5.3 en 5.4: Topografische kaart van 1900 (boven) en 2000 (onder) (bron: topotijdreis.nl). De oudste kampenontginningen dateren uit het jaar 1000 n.C. en zijn gelegen rondom Twello. De opduiking bij Bussloo en Appensche Veld is bijzonder vanwege de als droge heideontginning ontstane bossen en een bijzonder lijnenspel van ontginnings- en zichtassen. Vanuit de hogere, en dus eerder in gebruik genomen (bewoonde) kampen werden de lager gelegen broekgronden tussen de kampen in gebruik genomen. Vaak ging dit lukraak en zijn perceelsgrenzen 'toevallig' ontstaan waardoor nu veelal een beeld heerst van onregelmatige perceelsbegrenzingen. Op basis van kaarten van de Cultuurhistorische kaart op het portal Kennisinfrastructuur Cultuurhistorie (KICH) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en de provinciale Waardenkaart van de provincie Gelderland (Gelderse cultuurhistorie) is vastgesteld dat zich binnen het plangebied geen cultuurhistorisch waardevolle elementen of monumenten bevinden. Voor de gronden behorend tot de voorwaardelijke verplichting die een uitbreiding van het groenareaal in de gemeente Voorst behelst, gelden de landschappelijke bepalingen zoals opgenomen in de planregels: Artikel 8.

Alvorens er kan worden gestart met het graven van watergangen, dient een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden te worden verkregen. Het graven als bedoeld in Artikel 8 is slechts toelaatbaar, indien daardoor de agrarische, landschappelijke, cultuurhistorische en/of natuurlijke waarden en/of aangrenzende

Attero 2023

24

natuurlijke waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind. 5.3.2

Archeologie

Gelet op het feit dat dit bestemmingsplan deels als conserverend kan worden bestempeld voor het plandeel betreffende het stortterrein, waarbij slechts de stortcapaciteit verticaal wordt vergroot en er geen ingrepen in de bodem zijn gepland, is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Eventuele archeologisch waardevolle objecten in de grond worden niet geroerd en blijven goed bewaard in de grond. Voor de gronden behorend tot de voorwaardelijke verplichting die een uitbreiding van het groenareaal in de gemeente Voorst behelst, gelden de archeologische bepalingen zoals opgenomen in de planregels: Artikel 7. Alvorens er kan worden gestart met het aanleggen van diepwortelende beplanting en/of watergangen, dient een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden te worden verkregen. Hiertoe dient middels archeologisch onderzoek aangetoond te worden dat er geen archeologische waarden worden geschaad. 5.3.3

Conclusie

Op basis van bovenstaande wordt geconcludeerd dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is als het gaat om de onderdelen cultuurhistorie en archeologie.

5.4

Bodem en geohydrologie

In deze paragraaf worden de milieueffecten betreft bodem en oppervlaktewater beschreven. Het ophogen van het stortterrein kan zonder het toepassen van de juiste maatregelen/voorzieningen mogelijk invloed hebben op de bodemopbouw/geohydrologie en de milieuhygiënische kwaliteit van grond, grondwater en/of oppervlaktewater. Op basis van het geotechnisch onderzoek inclusief zettingsanalyses (Geonius, kenmerk GC160239.R01.v2.0, d.d. 7 maart 2023 - Bijlage 5) en de resultaten van de tweejaarlijkse keuring 2022 van het stortterrein (Antea Group, kenmerk 0479464.100 rev. 01, d.d. 1 februari 2023), is door Antea Group gekeken naar de zettingen, drooglegging en de werking op het drainagesysteem als gevolg van de verhoging van het stortlichaam van de huidige maximaal 31m + NAP naar 47,2m + NAP en een toename van het stortvolume met 3.000.000 m3 (memo, kenmerk 0464372.100, d.d. 24 maart 2023). Op basis van deze onderzoeken is door Antea Group het volgende geconcludeerd: 5.4.1

Wet- en regelgeving

Wet bodembescherming De Wet Bodembescherming (Wbb) stelt regels om de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en haar fysieke eigenschappen te beschermen. Enerzijds heeft de wet een preventief doel en worden regels beschreven om te voorkomen dat een nieuwe verontreiniging van de bodem ontstaat. Anderzijds heeft de Wbb een curatief doel door voorwaarden te geven voor het opruimen, saneren, van reeds bestaande bodemverontreinigingen. De wet maakt onderscheid in historische en nieuwe bodemverontreiniging. Indien een verontreiniging veroorzaakt is na 31 december 1986, wordt dit gezien als nieuwe verontreiniging en geldt hiervoor de zorgplicht (Wbb, art. 13, Zorgplicht). Indien een verontreiniging veroorzaakt is voor 1 januari 1987, wordt dit gezien als historische verontreiniging. Een historische verontreiniging is saneringsplichtig indien in een Wbb-beschikking de aard, mate en omvang ("ernst") en risico's ("spoed") zijn vastgelegd. Binnen het plangebied zijn mogelijk historische verontreinigingen aanwezig. Volgens de Wbb moeten deze verontreinigingen gesaneerd worden indien er een onaanvaardbaar risico is voor mens of milieu of indien er een verspreidingsrisico is. Als dit niet het geval is, moeten verontreinigingen gesaneerd worden op een natuurlijk moment.

Vanaf 1 januari 2006 is de norm dat de sanering van historische bodemverontreinigingen functiegericht en kosteneffectief worden uitgevoerd.

Attero 2023

25

Stortbesluit bodembescherming en bijbehorende uitvoeringsregeling Er moet worden voldaan aan de voorwaarden en richtlijnen van het Stortbesluit bodembescherming en de bijbehorende uitvoeringsregeling. De vigerende vergunning neemt deze besluiten reeds in acht. De bestaande voorschriften kunnen in hoofdlijnen intact blijven. Op details dient rekening te worden gehouden met de toekomstige mogelijkheid om tussenafdichtingen mogelijk te maken die voldoen aan de eisen ten aanzien van richtlijn dichte eindafwerking zoals dat nu ook het geval is. De tussenafdichting voor het stortvak 2b is reeds aangelegd. In de vigerende vergunning is voor dergelijke aanlegwerkzaamheden paragraaf 11.2 opgenomen die borgt dat elke aanleg van een voorziening afzonderlijk dient te worden goedgekeurd. Er is voor de inrichting in Wilp is een apart besluit genomen aangaande de Uitvoeringsregeling stortbesluit bodembescherming: Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 30 november 2018, nr. IENW/BSK-2018/69557,tot wijziging van de Uitvoeringsregeling Stortbesluit bodembescherming Dit besluit impliceert een uitstel voor de aanleg van de bovenafdichting van 10 jaar voor de gehele stortterrein met uitzondering van stortvak 2B dat in de laatste fase zit van afdichting volgens het voorgeschreven bestek, en de 2 laatst aangelegde stortvakken 9 en 10.

Het besluit impliceert eveneens dat er extra beheers- en monitoringsmaatregelen worden genomen volgens bijlage 6 van dit besluit. Deze beheersmaatregelen zijn reeds getroffen en blijven van kracht tot het moment van de uiteindelijke afdichting van de stortvakken. Besluit stortterreinen en stortverboden afvalstoffen De implicaties van dit besluit zijn reeds in de vigerende beschikking verwerkt. Daartoe is 21 februari 2014 een ambtshalve wijziging doorgevoerd (DOS-2014-005902). Nieuwe situatie Op het stortterrein is het Stortbesluit bodembescherming van toepassing. De voorschriften ten aanzien van dit besluit blijven onverkort van kracht en kunnen indien gewenst worden herzien. Er zijn geen extra risico's op bodemverontreiniging dan vergund. De risico's zijn op dezelfde wijze beperkt door de standaard maatregelen die gelden voor voorzieningen op een stortterrein. Attero accepteert geen gevaarlijk afval anders dan het inerte asbest dat dubbel verpakt in speciale asbest bigbags wordt aangeleverd. Omdat asbest geen uitloog effecten heeft is in EU en nationale wetgeving reeds vastgelegd dat storten op een stortterrein voor ongevaarlijk afval kan plaatsvinden zoals nu reeds het geval is. Er zijn geen voorschriften nodig voor een gescheiden aanleg van stortvakken voor gevaarlijk afval. Er worden geen nieuwe stortcompartimenten aangelegd op het maaiveld.

De bestaande stortvakken zullen worden benut zonder dat er een nieuw risico ontstaat voor de bodem. De bestaande voorzieningen volstaan om de stortvakken op te hogen met dien verstande dat de huidige maximale termijn voor de bovenafdichting vooralsnog blijft bestaan. Als zich de situatie voordoet dat de datum van eindafwerking in zicht komt voordat het stortterrein zijn eindhoogte heeft bereikt dan wordt een extra voorziening aangebracht die voldoet aan de richtlijn voor dichte eindafwerking. Wat betreft bodembescherming kunnen de huidige voorschriften onverkort van kracht blijven in de nieuwe situatie. 5.4.2

Onderzoek

Bodemopbouw en geohydrologie Aangezien de uitbreiding van het stortterrein enkel in verticale richting plaatsvindt, vinden geen bewerkingen/werkzaamheden plaats die de bestaande bodemopbouw en geohydrologie beïnvloeden. Percolaat wordt naar een waterzuiveringsinstallatie afgevoerd middels een percolaatdrainagesysteem. Op basis van het geotechnisch onderzoek inclusief zettingsanalyses (Geonius, kenmerk GC160239.R01.v2.0 d.d. 7 maart 2023) in Bijlage 5 en de resultaten van de tweejaarlijkse keuring van

Attero 2023

26

het stortterrein (Antea Group, kenmerk 0479464.100 rev. 01 d.d. 1 februari 2023), is door Antea Group gekeken naar de zettingen, drooglegging en de werking op het drainagesysteem als gevolg van de verhoging van het stortlichaam van de huidige maximaal 31m + N.A.P. naar 47,2m + N.A.P. en een toename van het stortvolume met 3.000.000 m3. Hierbij is het volgende geconcludeerd: Zettingen en drooglegging Op basis van de bandbreedte van de maximaal optredende extra zettingen ten gevolge van de ophoging van het stortterrein (afgerond 6-9 cm) en de bij de tweejaarlijkse keuring (2022) vastgestelde drooglegging, is er in de stortvakken 7 en 10 onvoldoende extra zettingsruimte beschikbaar om aan de droogleggingseis van 0,7 m te voldoen. In de overige stortvakken wordt voldaan aan de droogleggingseis. Opgemerkt wordt dat in vak 7 alleen niet wordt voldaan aan de droogleggingseis bij meer dan 6 cm extra zetting. Bij de onderkant van de zettingsberekeningen (-30% in de bandbreedte) kan vak 10 ook nog voldoen. De vakken 7 en 10 zijn aan de buitenzijde van het stortterrein gesitueerd, mogelijk dat hier de extra ophogingen niet tot 47,2m + N.A.P. worden aangebracht, hetgeen geringere zettingen geeft waardoor bij de worst case aanname van berekende zettingen + 30% wel aan de droogleggingseis kan worden voldaan.

Met betrekking tot de berekende zettingen en de droogleggingseis van 0,7 m geldt dat het minimale afwijkingen betreft met onzekerheidsmarges in de bandbreedte. Aanbevolen is de actuele hoogteligging van de percolaatdrainages te bepalen om inzicht te krijgen in de daadwerkelijk opgetreden zettingen (minimale of maximale bandbreedte). Werking op het drainagesysteem De toegepaste percolaatdrains zijn bestand tegen de extra drukverhoging ten gevolge van de voorgenomen ophoging. Voor de berekeningen en een uitgebreide beschrijving/onderbouwing wordt verwezen naar het in de bijlage opgenomen rapport van Geonius en de memo van Antea Group. Verder wordt opgemerkt dat een onderafdichting na 30 jaar moet worden voorzien van een bovenafdichting, indien er geen 'Duurzaam Storten' op wordt toegepast. Dat betekent dat de uiterlijke afdichting van de stortvakken (behoudens reeds het afgedichte stortvak 2B) tussen 2030 en 2059 ligt. Bij de aanleg van deze afdichting wordt drainage aangelegd voor het bovenliggende afval. Voor het volledig afwateren van de onderliggende laag afval wordt over het algemeen van 20 jaar uitgegaan.

Bodemkwaliteit Met de huidige bodembeschermende voorzieningen en monitorings-/controlemaatregelen wordt verwacht dat de huidige bodemkwaliteit niet verslechterd en de kans op het ontstaan van nieuwe bodemverontreiniging verwaarloosbaar is, aangezien de uitbreiding van de stortcapaciteit enkel in verticale richting plaatsvindt. De levensduur van de beschermende voorzieningen zoals de onderafdichting zal in de loop van de tijd verstrijken. Hoe hiermee wordt omgegaan is beschreven in het nazorgplan (Versie 2022). Er hoeven geen vervolgonderzoeken plaats te vinden. Wel dient rekening gehouden te worden met de zorgplicht, wat betekent dat een bodemverontreiniging die in/na 1987 veroorzaakt is volledig dient te worden gesaneerd. 5.4.3

Conclusie

Op basis van bovenstaande wordt geconcludeerd dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is als het gaat om de onderdelen bodem en geohydrologie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16420634/2