Oplegnotitie Verkenningsrapport regionaal warmtebedrijf Leidse Regio en Vervolg (incl. bijlagen)
Tekst van het document
Oplegnotitie Zaaknummer:
Z–22/066075
Documentnummer:
415497
Datum:
22 oktober 2024
Onderwerp:
Oplegnotitie “Verkenningsrapport regionaal warmtebedrijf
Verzonden 22 oktober 2024
Leidse Regio en vervolg” Portefeuillehouder: Bijlage(n):
Wethouder Schokker 1. Raadsinformatiebrief “Verkenningsrapport regionaal warmtebedrijf Leidse Regio en vervolg” 2. Programma WLR – Verkenning regionaal warmtebedrijf – Versie 1.1a
Geachte Raad, Bijgevoegd vindt u het rapport over de verkenning van de oprichting van een regionaal warmtebedrijf en de bijbehorende raadsinformatiebrief van het Programma Warmte Leidse Regio (WLR). Met deze oplegnotitie plaatsen wij deze documenten in Voorschotens perspectief. Later volgt een aanvullende informatiebrief met meer achtergrond over het proces en ontwikkelingen in de warmtetransitie van Voorschoten. Intentieovereenkomst (IOK) en partnerkeuze Op dit moment werkt het college binnen WLR toe naar een IOK met de andere gemeenten en mogelijk één of twee publieke partners. Wij vinden deze partnerkeuze belangrijk. Hoewel de IOK geen onomkeerbare verplichtingen bevat, is de beoogde volgende stap wel om een samenwerkingsovereenkomst (SOK) te tekenen en samen als aandeelhouder in een warmtebedrijf te stappen. Het college wil dit proces daarom zorgvuldig doorlopen. Bij een samenwerking met Energiebeheer Nederland (EBN) gaat het primair om de rol van financiële investeerder en aandeelhouder. Dit is in alle scenario’s een welkome toevoeging en een deelname van EBN is dus gewenst. De bijdrage van Alliander kan waardevol zijn en op verschillende manieren worden ingevuld. Er zijn meer vervolggesprekken en onderzoek nodig om duidelijkheid te krijgen over de gewenste rol van Alliander.
Uitgangspunten rol warmtetransitie Zoals aangekondigd in bijgevoegde informatiebrief willen we de gemeenteraad de eerste helft van 2025 een voorstel doen om kaderstellende uitgangspunten vast te stellen. Daarom is
Gemeente Voorschoten Leidseweg 25 | Postbus 393, 2250 AJ Voorschoten | T 14071 | E gemeente@voorschoten.nl | www.voorschoten.nl BTW NL 00179762B01 | KvK 27381083 | IBAN NL43 BNGH 0285 0796 70 | BIC BNGHNL2G
gelijktijdig met deze brief ook een LTA-wijziging naar het presidium gestuurd. Deze is bewust wat breder geformuleerd dan enkel de gemeentelijke rol in het warmtebedrijf. Dit is gedaan omdat de context van de warmtetransitie in beweging is. Dit geeft de flexibiliteit om ook andere gerelateerde onderwerpen te bespreken als hier het komende half jaar reden voor blijkt te zijn. Collectieve warmte in de Leidse regio en Voorschoten In de informatiebrief in de bijlage staat een afbeelding met wijken die mogelijk geschikt zijn voor collectieve warmte. De TVW 1.1 van Voorschoten spreekt van warmteclusters, die soms anders zijn dan de buurtindeling, zoals die in de informatiebrief gebruikt is. Voor de volledigheid geven we hieronder daarom de indeling en fasering, zoals die in de TVW 1.1 zijn vastgesteld. Bij afwijkende informatie volgen we in Voorschoten onderstaande afbeelding en tabel.
Voor de fasering in de tijd zijn de clusters ‘All-electric’ en ‘Noord-Hofland’ aangewezen als clusters om voor 2030 mee te starten. In de Krimwijk, onderdeel van het ‘All-electric’-cluster, is al een uitvoeringsplan opgesteld en is de buurtaanpak in volle gang. Wat we in de Krimwijk leren kunnen we ook in de rest van het ‘All-electric’-cluster en in het buiten- en tussengebied toepassen. Noord-Hofland is het cluster om te starten met een collectief warmtesysteem (warmtenet) als alternatief voor aardgas. Na Noord-Hofland zijn Boschbloem en/of Vlietdorp de meest logische vervolgclusters.
Pagina 2 van 3
Nr.
Naam
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10
Noord-Hofland Boschbloem Vlietdorp Nassaucentrum Groot Adegeest Oud Starrenburg Dobbewijk All-electric Buiten- en tussengebied Aardgasvrij
Aantal
Alternatief
Richtjaar (+/- 2 jaar)
2.690 1.610 2.720 1.040 1.530 540 120 1.520 150 500
MT-warmtenet MT-warmtenet MT-warmtenet MT-warmtenet MT-warmtenet Nader onderzoek Nader onderzoek Warmtepomp Warmtepomp Geen actie
2030 2032* 2038* 2040* 2042* 2042* 2042* 2045 2050 2024
* Indicatief en afhankelijk van toekomstige besluitvorming warmteprogramma
Kamerbrief Wet collectieve warmte Tussen het opstellen van de informatiebrief en deze oplegnotitie is een brief van minister Hermans naar de Tweede Kamer gestuurd over de Wet collectieve warmte (Wcw) en de randvoorwaarden voor de verdere uitrol van warmtenetten. Tijdens de raadsinformatiebijeenkomst van WLR was de betaalbaarheid voor bewoners een groot punt van zorg. Dit wordt ook herkend in de brief van de minister. Zij geeft aan op zoek te gaan naar oplossingen om de betaalbaarheid voor bewoners te garanderen, zodat bij de warmtetransitie gestuurd kan worden op de laagste maatschappelijke kosten. Een voorbeeld hiervan is het instellen van een tarieflimiet. Het ziet er dus naar uit dat gemeenten verder ondersteund zullen worden bij de uitvoering van haar regierol.
Met vriendelijke groet, het college van burgemeester en wethouders,
E.A. van Wattingen,
drs. N. Stemerdink,
gemeentesecretaris
burgemeester
Deze brief is digitaal vastgesteld. Hierdoor staat er geen fysieke handtekening in de brief.
Pagina 3 van 3
Raadsinformatiebrief “Verkenningsrapport regionaal warmtebedrijf Leidse Regio en vervolg” Aan de leden van de gemeenteraad van de gemeente ...
Geachte raadsleden, De gemeenten Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Oegstgeest, Voorschoten en Zoeterwoude werken sinds 2021 binnen het programma Warmte Leidse Regio (WLR) samen aan de warmtetransitie. In april 2024 informeerde het college u over de start van de verkenning naar de oprichting van een regionaal warmtebedrijf in de Leidse regio. In deze brief gaan wij, het programmateam WLR, in op de uitkomsten van deze verkenning en de vervolgstappen die de samenwerkende gemeenten in de Leidse regio willen gaan zetten. In het bijzonder willen we u een toelichting geven op het voornemen om een Intentieovereenkomst aan te gaan, de voorziene stappen daarna, de informatieverstrekking en de geplande besluitvorming. De informatie in deze brief heeft het programmateam WLR op hoofdlijnen gepresenteerd en toegelicht tijdens de regionale raadsinformatiebijeenkomst in Leiden op 24 september 2024. Daar heeft u de gelegenheid gekregen om met het programma en de betrokken bestuurders in gesprek te gaan over de deze ontwikkelingen. Een sfeerimpressie van deze bijeenkomst is online beschikbaar via https://on-the-spot.nl/wlr Het rapport van de verkenning is als bijlage bij deze brief bijgevoegd. Ook de presentatie van de raadsinformatiebijeenkomst is via de griffie met u gedeeld.
Samenvatting De WLR-gemeenten hebben een gezamenlijke verkenning gedaan naar de oprichting van een regionaal warmtebedrijf in de Leidse regio. Dit in voorbereiding op nieuwe aanstaande wetgeving die uitgaat van publieke warmtebedrijven voor de ontwikkeling van een publieke warmtevoorziening in Nederland. Uit de verkenning blijkt dat gemeenten in onze regio open staan voor verdieping van de samenwerking in de vorm van een regionaal warmtebedrijf. Er zijn ook publieke partijen die open staan om in onze regio mee te werken aan de oprichting van een regionaal warmtebedrijf en ontwikkeling van een publieke collectieve warmtevoorziening. De volgende stap is om deze intentie vast te leggen in een Intentieovereenkomst eind dit jaar. Daarin spreken de gemeenten ook af welke nadere onderzoeken nodig zijn om eind 2025 te kunnen beslissen of oprichting van een gezamenlijk warmtebedrijf haalbaar en wenselijk is. We voorzien daarnaast dat de gemeenteraden van elke gemeente medio 2025 een uitgangspuntenkader vaststellen voor de deelname aan het warmtebedrijf en misschien ook andere aspecten van de gemeentelijke regierol in de warmtetransitie. Dat kader is leidend voor de colleges en het programma WLR in de vormgeving van verdere afspraken. Bij de beslissing over het oprichten van een regionaal warmtebedrijf hebben de gemeenteraden evengoed een belangrijke rol.
Het gaat om een beslissing die ingrijpende gevolgen heeft voor de gemeente en die vraagt om budgetreserveringen. Daarom vragen de colleges raden om wensen en bedenkingen te uiten over de afspraken die gemeenten gaan maken over de oprichting en inrichting van het warmtebedrijf eind 2025. Het programmateam WLR werkt met de colleges samen om vooraf aan de besluiten de raden te voorzien van gedegen informatie. Het is belangrijk dat gemeenteraden op de hoogte zijn van de opties, de risico’s en gevolgen van de voorgenomen besluiten voor gemeente en inwoners. We nemen deze stappen wetende dat er nog veel onzekerheid is rondom warmtenetten. De publiciteit over de huidige warmteontwikkeling door private partijen is vaak negatief. De randvoorwaarden voor de betaalbaarheid en haalbaarheid van warmteprojecten zijn in de maak, maar nog niet rond. Dit terwijl de ambities van de overheid- zowel het rijk als gemeenten- op warmtegebied groot zijn. Het alternatief, namelijk elektrificatie van de energiebehoefte, leidt tot problemen. Het elektriciteitsnet kan de toekomstige groei en drukte niet aan. Verzwaring van het net vergt veel tijd en grote investeringen. In onze regio hebben we een paar gunstige omstandigheden om grootschalig in te zetten op collectieve warmte. We hebben grote regionale bronnen en relatief dichte clusters van bebouwing.
Om deze met elkaar te verbinden en de bestaande kansen te verzilveren, is wel nauwe regionale samenwerking nodig. Samenwerking binnen WLR verband, maar ook breder, met de RES HR, onze buurgemeenten en de provincie.
Verkenning ingegeven door nieuwe wettelijke kader Wcw De behoefte om de oprichting van een regionaal warmtebedrijf te verkennen is sterk ingegeven door een nieuw wettelijk kader. Het wetsvoorstel Wet collectieve warmte (Wcw) verandert het marktmodel voor warmte ingrijpend. De wetgever zet in op vergaande marktregulering, waarbij warmtenetten en warmtebedrijven in publieke handen komen. De gemeenten voeren lokaal regie. Het college krijgt de bevoegdheid om een aantal belangrijke beslissingen over de inrichting van de warmtevoorziening binnen de gemeente te nemen: • Aanwijzen van warmtekavels en -gebieden waarbinnen een (publiek) warmtebedrijf collectieve warmte realiseert en exploiteert; • Aanwijzen van integraal verantwoordelijke (publieke) warmtebedrijven voor betreffende warmtekavels; • Het (eventueel) inzetten van de aanwijsbevoegdheid in het Warmteprogramma, waardoor gebieden al vóór 2050 aardgasvrij worden. Deze laatste bevoegdheid krijgt juridische verankering via de gemeenteraad in het Omgevingsplan. Om een publieke warmtevoorziening voor elkaar te krijgen is het nodig dat publieke partijen kapitaal en uitvoeringskracht bij elkaar brengen. Op dit moment is er nog geen publiek warmtebedrijf in de Leidse regio dat past binnen de nieuwe wettelijke kaders.
Voor de WLR-gemeenten was dit de reden om gezamenlijk te onderzoeken welke gemeenten en (andere) publieke partijen ervoor openstaan om gezamenlijk tot een regionaal warmtebedrijf te komen. Uitkomsten verkenning In de verkenning is gesproken met een groot aantal vertegenwoordigers van gemeenten, medeoverheden, financiers, publieke en private partijen die actief zijn om de warmtetransitie vorm te geven. Concrete vraag daarbij is welke rol de verschillende partijen kunnen en willen spelen in een regionaal warmtebedrijf en onder welke voorwaarden zij daaraan willen deelnemen. De focus in de verkenning ligt op het organiseren van voldoende publieke realisatiekracht voor de regionale opgave, conform de Wcw. De prioriteit ligt in deze fase bij het vinden van publieke partners waardoor het publieke meerderheidsaandeel in het toekomstige warmtebedrijf haalbaar is. De verkenning is afgerond met de rapportage Verkenning regionaal Warmtebedrijf1, die is opgesteld door het programma WLR en is vastgesteld door de wethouders van de WLR-gemeenten in het bestuurlijk overleg. Eén van de conclusies uit het onderzoek is dat alle WLR-gemeenten positief staan tegenover de oprichting van een regionaal warmtebedrijf en overwegen om als aandeelhouder in te stappen. Wel stellen gemeenten (rand)voorwaarden aan die deelname. Randvoorwaardelijk is de steun hiervoor vanuit colleges en gemeenteraden.
Daarnaast vinden gemeenten het belangrijk dat alle deelnemers de publieke waarden en belangen delen en dat het mogelijk is om toe te treden tot het warmtebedrijf voor partners en dat de opties voor uittreding uit het warmtebedrijf duidelijk zijn. Gemeenten zien (grote) voordelen om regionaal samen te werken en gezamenlijk deel te nemen in een regionaal warmtebedrijf. Daarbij vinden gemeenten het belangrijk om het commitment uit te spreken naar elkaar om deze samenwerking aan te gaan. Uit de verkenning komt ook naar voren dat het rijk – middels een nationale deelneming via Energie Beheer Nederland (EBN) – en het netwerkbedrijf Alliander – middels hun dochter Firan – bereid zijn om verder in gesprek te gaan over deelname aan een regionaal warmtebedrijf in de Leidse regio. Deelname van het rijk is vooral gericht op de inbreng van het benodigde kapitaal. Alliander beschikt als publieke netbeheerder over capaciteiten (kennis, mede-financieringsmogelijkheden) die waardevol kunnen zijn voor de inrichting van een regionaal warmtebedrijf. De belangrijkste aanbeveling uit de verkenning van de WLR-gemeenten is om samen met de beoogde publieke partners vervolgstappen te nemen richting de oprichting van een regionaal warmtebedrijf: de Voorbereidingsfase. In de Intentieovereenkomst, die de basis legt voor deze fase, worden de uitgangspunten en (proces)afspraken vastgelegd voor deze fase.
Deze Intentieovereenkomst leidt niet tot bindende afspraken noch tot onomkeerbare stappen voor de individuele gemeenten of publieke partijen. Het is de bedoeling om samen de opzet van een regionaal warmtebedrijf uit te werken die passend is voor de gemeentelijke opgave en de publieke waarden. WLR en de RES 1
Programma Warmte Leidse Regio, Verkenning regionaal Warmtebedrijf, opgenomen als bijlage bij deze brief.
De samenwerking tussen de zes gemeenten in de Leidse regio ontwikkelt zich in de bredere regionale context. De WLR-gemeenten werken nauw samen met de RES Holland Rijnland om ervoor te zorgen dat de warmtetransitie gecoördineerd verloopt en dat kennis en ervaringen worden uitgewisseld. Zo werkt het programmateam WLR mee aan de uitwerking van het regionale eindbeeld voor collectieve warmte. De RES HR heeft op zijn beurt een belangrijke rol om de verschillende ontwikkelingen richting warmtebedrijven in de regio (Aardwarmte Rijnland, Alphen aan den Rijn, WLR) met elkaar te verbinden met het oog op de toekomstige samenwerking in de regio. nMIEK status collectief warmtesysteem Zuid- Holland De ontwikkeling van de collectieve warmte-infrastructuur heeft in de provincie Zuid-Holland onlangs de nMIEK (nationaal Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat) status gekregen. Het programma nMIEK moet ervoor zorgen dat alle betrokken partijen op een gecoördineerde en efficiënte manier samenwerken om sneller de duurzame warmtenetten te realiseren binnen alle warmteclusters in onze provincie. Dit moet uiteindelijk bijdragen aan een voor betere publieke regie op en versnelling van de uitrol van warmtenetten. Wat dit mogelijk betekent voor onze regio werken we samen met RES Holland Rijnland uit.
Daarbij wordt gezamenlijk een lobby richting het rijk gevoerd om ervoor te zorgen dat het rijk de benodigde randvoorwaarden invult voor het laten slagen van de realisatie van nieuwe collectieve warmtenetten. Vervolgproces en rol gemeenteraad De verkenning naar de oprichting van een regionaal warmtebedrijf is afgerond. De laatste stap van de Verkenningsfase is het maken van afspraken met de zes gemeenten en eventueel de publieke partners over de inrichting van de Voorbereidingsfase. Dit willen we vastleggen in de Intentieovereenkomst. In onderstaand schema is de planning opgenomen van de besluitvorming en de daarover benodigde informatievoorziening naar de gemeenteraad toe over de oprichting van het regionaal warmtebedrijf. De afkorting IOK verwijst vaan de Intentieovereenkomst en de afkorting SOK naar de Samenwerkingsovereenkomst. In de volgende paragraaf lichten we toe wat de juridische kaders zijn voor deze besluitvorming en wat de inhoud van de besluiten zal zijn.
Juridische kaders besluitvorming oprichting en deelname warmtebedrijf Binnen het traject zoals uitgewerkt door het programma WLR voorzien we twee overeenkomsten. De Voorbereidingsfase start met het sluiten van een Intentieovereenkomst en het eindigt met het sluiten van de Samenwerkingsovereenkomst. Graag gaan we kort in op de juridische achtergrond van de besluitvorming zoals opgenomen in het schema. De Gemeentewet (Gw) bepaalt de bevoegdhedenverdeling tussen het college en de raad binnen de gemeente. Het oprichten van een warmtebedrijf betekent mogelijk dat de gemeente als aandeelhouder deelneemt in een (privaatrechtelijk) rechtspersoon. Hiervoor gelden de volgende regels:
-
-
Het oprichten van een rechtspersoon is in principe een privaatrechtelijke rechtshandeling, waarvoor het college bevoegd is. De Gw vereist wel dat de raad van tevoren is geraadpleegd via een wensen en bedenkingenprocedure (artikel 160 lid 1 onder d van de Gw. En art. 160 lid 2 Gw) Als het sluiten van een overeenkomst ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gemeente, dan geeft het college de raad vooraf inlichtingen daarover én neemt het college geen besluit voordat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen. (art. 169 lid 4 Gw).
Kortom, de raad heeft een belangrijke rol door voorafgaand aan het collegebesluit, gevoed met voldoende informatie, haar wensen en bedenkingen mee te geven aan het college. Dit geldt zowel over het oprichten van en deelname aan een warmtebedrijf, alsook bij het sluiten van overeenkomsten die dat tot doel hebben en tot ingrijpende gevolgen kunnen leiden. Inhoud van de voorziene besluitvorming colleges en raden WLR Besluit raad over uitgangspunten voor verdere samenwerking Naast de juridisch vereiste besluiten om te komen tot een warmtebedrijf voorzien we dat elk college binnen de WLR samenwerking de gemeenteraad uiterlijk medio 2025 een voorstel doet tot vaststelling van kaderstellende uitgangspunten voor de lokale warmtetransitie. Deze uitgangspunten gaan leidend zijn voor de deelname van de gemeente aan een regionaal warmtebedrijf. Het college neemt ze mee bij het opstellen van de Samenwerkingsovereenkomst. Het college komt op een later moment terug bij uw raad met een concreet voorstel hiervoor. Intentieovereenkomst De verkenningsfase eindigt uiterlijk in december 2024 wanneer colleges van de WLR-gemeenten en eventuele partners de Intentieovereenkomst sluiten. De Intentieovereenkomst verplicht de deelnemende partners nog niet tot de deelname in het regionaal warmtebedrijf.
Het is – na het sluiten van de Intentieovereenkomst – alsnog mogelijk om af te zien van verdere samenwerking. Het is wel een belangrijke stap, waarmee de gemeenten en eventuele publieke partners het commitment aangaan voor een gezamenlijk vervolg. We voorzien de volgende inhoud van de Intentieovereenkomst: • Uitspreken intentie om samen tot een regionaal warmtebedrijf te komen; • Afspraken voor samenwerking in de Voorbereidingsfase (rol gemeenten en evt. partners, budget, mogelijkheden tot toe- en uittreding); • Afspraken over nadere onderzoeken naar inrichting en uitwerking van warmtebedrijf (taken, deelnemers, juridische structuur, governance (o.a. stemverhouding en aandelen) en financiering warmtebedrijf); • Flexibel karakter (géén bindend karakter voor deelname warmtebedrijf) en voorbehoud kaderstelling door gemeenteraden voor verdere stappen. Samenwerkingsovereenkomst De Voorbereidingsfase wordt afgerond met het sluiten van de Samenwerkingsovereenkomst. De Samenwerkingsovereenkomst bevat belangrijke afspraken over het voornemen tot oprichting van een gezamenlijke rechtspersoon die de taken krijgt van een regionaal warmtebedrijf. Voorafgaand aan de Samenwerkingsovereenkomst vraagt het college de raad om de kaders voor de deelname aan de Samenwerkingsovereenkomst vast te stellen. Deze neemt het college mee in de afspraken.
We voorzien de volgende inhoud van de Samenwerkingsovereenkomst: • Inbedding eerdere kaderstelling door gemeenteraden; • Vaststelling aandeelhouders regionaal warmtebedrijf; • Juridische en financiële commitment om als aandeelhouder aan regionaal warmtebedrijf deel te nemen; • Afspraken over de juridische vormgeving van het warmtebedrijf, aandeelhouderschap, business case etc.; • Afspraken over stappen tot daadwerkelijke oprichting van een regionaal warmtebedrijf; • Benodigde mandatering t.b.v. besluiten tot oprichting van en deelname aan regionaal warmtebedrijf. Gemeenten (en partners) richten een warmtebedrijf op en nemen als aandeelhouder deel aan de rechtspersoon
In beginsel worden de benodigde toestemmingen en mandaten voor deze laatste twee stappen in de Samenwerkingsovereenkomst geregeld. Budgetreservering Het oprichten van een warmtebedrijf vergt investeringen van de deelnemende partijen, waaronder de gemeenten. In de Voorbereidingsfase maken we inzichtelijk met welke toekomstige investeringen de gemeenten rekening dienen te houden in de meerjarenbegrotingen als zij besluiten deel te nemen aan het regionale warmtebedrijf. Het college betrekt uw raad tijdig om de benodigde middelen te reserveren. Deze besluitvorming verloopt per gemeente anders. Het college doet op een later moment een concreet voorstel hiervoor in afstemming met de WLR-samenwerking. Informatievoorziening aan de raden Naast de besluitvorming speelt een gedegen en tijdige informatievoorziening naar de raad een cruciale rol in het proces. In het bijgevoegde planningsschema zijn daarom terugkerende raadsinformatiebijeenkomsten en brieven ingepland. Daarnaast is er de mogelijkheid om een informatieve technische briefing te houden over de voortgang van het programma WLR in een commissievergadering. Dat kan helpen om de besluitvorming goed voor te bereiden. De behoefte hiernaar en de planning daarvan stemt het programmateam WLR nader af met uw griffie.
Collectieve warmte in de Leidse regio: kansen en uitdagingen Warmtenetten zijn de laatste tijd veel in het nieuws geweest. Er zijn veel zorgen over de kostenontwikkeling van de warmtelevering voor klanten van bestaande warmtenetten. De aanleg van nieuwe warmtenetten raakt vertraagd of stopt zelfs, omdat de business cases voor de aanleg moeilijk sluitend te krijgen zijn. Dit alles heeft tot gevolg dat de warmtetransitie vertraagt. Niet in de laatste plaats omdat de grote commerciële warmtebedrijven, waaronder Vattenfall, te kennen hebben gegeven hun activiteiten niet uit te breiden in bestaande woonwijken. Daarnaast zetten we in de Leidse regio stappen terwijl er nog veel onzekerheid is over een deel van de randvoorwaarden. De wetsvoorstellen worden de komende tijd behandeld door het parlement. Dat betekent dat de bevoegdheden van gemeenten in de warmtetransitie pas later in werking treden. Het rijk is bezig met de financiële instrumenten om warmtenetten betaalbaar te maken voor alle bewoners. Dat betekent dat we nu uitgaan van maatregelen die onzeker zijn. Toch is het nodig om nu al voorbereidingen te treffen om straks snel door te kunnen pakken met warmtenetten. Warmtenetten zijn een belangrijke oplossingsrichting voor een aardgasvrije gebouwde omgeving.
Het rijk gaat ervanuit dat in 2050 ongeveer 2,6 miljoen woningen en gebouwen een aansluiting krijgen op een collectief warmtenet. Dit met als basis het Klimaatakkoord en de uitwerkingen die door RESregio’s en gemeenten zijn gemaakt, in onder andere de Transitievisies Warmte. Voor de WLR-gemeenten is de inschatting dat voor zo’n 100.000 woningen en gebouwen een aansluiting op een collectieve warmteoplossing maatschappelijk gezien de laagste kosten brengt. Een alternatieve energievoorziening voor deze gebouwen, bijvoorbeeld in de vorm van een warmtepomp, brengt niet alleen hogere maatschappelijke kosten met zich. Het zorgt ook voor grotere problemen op het stroomnet. Het huidige elektriciteitsnet is niet toegerust op de toename in de elektriciteitsvraag wanneer wijken op grote schaal overschakelen naar warmtepompen. Voor gemeenten is de warmtetransitie een grote opgave, die tientallen jaren in beslag zal nemen. Er zijn in de Leidse regio een aantal gunstige omstandigheden, die voordelen bieden bij de ontwikkeling van collectieve warmtenetten. Allereerst is er sprake van een dichtbebouwd gebied met veel aaneengesloten bebouwing. Als gebouwen dicht op elkaar geplaatst zijn is er minder warmte-infrastructuur nodig. Dat verlaagt de kosten.
Daarnaast zijn er in potentie voldoende lokale en regionale duurzame warmtebronnen om te kunnen voldoen aan de warmtevraag van de 100.000 woningen en gebouwen.
Figuur 2. Weergave voorziene collectieve warmtevraag Leidse regio. Alle gemeenten hebben in 2021 een Transitievisie Warmte (TVW) opgesteld. Deze is ook vastgesteld door de gemeenteraden. Hierin is vastgelegd welke buurten collectieve warmte als voorkeursoplossing kennen. Het aantal woningen en gebouwen uit alle buurten van de zes WLR-gemeenten bij elkaar tellen op tot het aantal van 100.000, zoals hiervoor genoemd. Niet alle buurten kunnen tegelijkertijd aangesloten op collectieve warmte. Daarom hebben de gemeenten hier een globale planning afgegeven, die vertaald is naar een kaart (zie figuur 2). Hierbij geven de jaartallen in de legenda de tijdsperiode aan waarin de gemeente verwacht te starten met de transitie van die buurt2 naar collectieve warmte. In 2026 stellen alle gemeenten een Warmteprogramma op, dat is een actualisatie van de TVW. Regionale aanpak gaat samen met lokaal maatwerk De inzet van (grote) regionale bronnen, zoals restwarmte en geothermie vraagt om het gecoördineerd bundelen van voldoende warmtevraag. Ook de ruimtelijke inpassing van de warmte-infrastructuur vraagt om regionale afstemming. Daarnaast heeft het (schaal)voordelen om de uitrol van warmte-infrastructuur gezamenlijk op te pakken, in plaats van afzonderlijk per gemeente. Samenwerking tussen de zes WLRgemeenten is daardoor niet alleen vanzelfsprekend, maar noodzakelijk.
Daarbij helpt samenwerking de WLRgemeenten om de krachten te bundelen en gezamenlijk de kennis en kunde aan te trekken om deze grote uitdaging aan te gaan. Hierdoor wordt de slagkracht vergroot en door de schaalvoordelen de kosten en risico’s gedeeld. De regionale aanpak is beter en goedkoper dan de optelsom van lokale ontwikkelingen. Dit komt door de aaneengesloten ligging van de wijken en buurten die geschikt zijn voor een collectieve warmtenet en het gebruik van regionale warmtebronnen. De regionale warmte- infrastructuur kan de lokale distributienetten met elkaar verbinden en de distributie van warmte vanuit de regionale bronnen verzorgen. Daardoor is het 2 De buurtindeling uit de TVW stamt uit 2021. In de hier weergegeven kaart is de buurtindeling uit 2024 gebruikt. Met name
voor Oegstgeest betekent dat, dat er een aantal wijzigingen in buurten is opgetreden. Zo is de buurt Oudenhof in Oegstgeest in 2022 volledig opnieuw ingedeeld. De kaart die hier wordt weergegeven kan dus iets afwijken van de indeling in de TVW's van individuele gemeenten.
goedkoper dan de optelsom van losse, lokale ontwikkelingen. Dit was de conclusie uit de ORES-studie die in 2023 is uitgevoerd en die mede de basis vormde om de samenwerking de Leidse regio voort te zetten. Dat wil overigens niet zeggen dat er een uniforme warmteoplossing gekozen moet worden voor de verschillende wijken en buurten. De warmtevraag van woningen en gebouwen is van verschillende factoren afhankelijk, waaronder de ligging en de mate van isolatie. In het ontwerp en de realisatie van de individuele warmtenetten zoekt het college samen met het verantwoordelijke warmtebedrijf naar de lokaal best passende oplossing. Dit proces gaat in samenhang met de regionale context, het participatieproces met afnemers en de beschikbaarheid van lokale en regionale warmtebronnen. De informatie vanuit het programma WLR die u in deze brief leest raakt vooral regionale kwesties. De afzonderlijke gemeenten binnen de WLR samenwerking werken ondertussen op lokaal niveau aan de verbinding met de bewoners, bedrijven en andere toekomstige afnemers van warmtenetten. Gemeenten zorgen voor een breed participatieproces ter voorbereiding van de besluiten die nodig zijn om de warmtetransitie te doorlopen. We houden u op de hoogte en vertrouwen er op u zo voldoende te hebben geïnformeerd.
Hoogachtend,
Programmateam WLR Karolina Pill, Hans van Egmond en René Jansen
Bijlage: - Programma WLR – Verkenning regionaal Warmtebedrijf
Programma Warmte Leidse Regio
Verkenning regionaal Warmtebedrijf 4 Oktober 2024, versie 1.1a
1
Inhoud Leeswijzer
1. Inleiding 2. Opzet verkenning 3. Uitgangspunten verkenning 4. Inzichten Stakeholders 5. Inzichten Gemeenten
6. Indicatieve organisatiemodellen 7. Conclusies 8. Aanbevelingen
Bijlagen 1. Geraadpleegde personen 2. Achtergrondinformatie stakeholders 3. Referenties
2 | Programma Warmte Leidse Regio | Verkenning regionaal Warmtebedrijf
Leeswijzer De gemeenten Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Oegstgeest, Voorschoten en Zoeterwoude werken binnen het programma Warmte Leidse Regio (WLR) samen aan de warmtetransitie. De gezamenlijke doelstelling voor de WLR is de realisatie van een Open Regionaal Energiesysteem (ORES) met borging van de publieke waarden: betaalbaar, duurzaam, tijdig en betrouwbaar. Als onderdeel van deze samenwerking vindt een verkenning plaats naar de oprichting van een regionaal Warmtebedrijf in de Leidse regio. Dit is mede ingegeven door het wetsvoorstel Wet Collectieve Warmtevoorziening (Wcw), waarin is opgenomen dat warmtenetten (met een meerderheidsaandeel) in publiek eigendom komen. In deze rapportage zijn de belangrijkste bevindingen uit de verkennende gesprekken met gemeenten en stakeholders over de mogelijke rol die zij kunnen en willen spelen in een regionaal Warmtebedrijf vastgelegd.
3 | Programma Warmte Leidse Regio | Verkenning regionaal Warmtebedrijf
De Inleiding (hoofdstuk 1) schetst de context waarbinnen de verkenning plaatsvindt en de samenwerking in de Leidse regio. In hoofdstuk 2 en 3 zijn de opzet en de uitgangspunten van de verkenning opgenomen. Hoofdstuk 4 en 5 beschrijven de belangrijkste bevindingen uit de gesprekken met stakeholders en gemeenten. Hoofdstuk 6 bevat een schets van de mogelijke organisatiemodellen die daaruit zouden kunnen ontstaan. Tenslotte vormen de conclusies (hoofdstuk 7) en aanbevelingen (hoofdstuk 8) de afronding van de rapportage. In de bijlagen zijn opgenomen: een overzicht met de geraadpleegde personen (bijlage 1), achtergrondinformatie stakeholders (bijlage 2), en de referenties (bijlage 3).
1. Inleiding Alle gemeenten in Nederland zijn bezig om de warmtetransitie vorm te geven. Dit met de ambitie om de doelstellingen uit het Klimaatakkoord te realiseren. Het Rijk heeft gemeenten de regie gegeven bij de realisatie van aardgasvrije wijken. Van hen wordt gevraagd om de route uit te stippelen. Deze route loopt vanaf het opstellen van een Transitievisie Warmte, via een uitvoeringsplan per wijk, naar de daadwerkelijke realisatie: het aanwijzen van warmtekavels en de keuze van een Warmtebedrijf. De Wcw1 bepaalt de richting die de overheid heeft ingezet voor de warmtetransitie. Deze gaat uit van een nieuwe marktordening in de warmtemarkt. Van belang daarbij is dat het Warmtebedrijf – dat de gemeente aanwijst voor een warmtekavel – voor een meerderheidsaandeel in publieke handen moet zijn. De samenwerking in de Leidse regio2 is formeel gestart in 2021 en in eerste instantie aangegaan voor de periode tot eind 2023. Met instemming van de gemeenteraden is de regionale samenwerking Warmte Leidse Regio (WLR) voortgezet voor de periode 2024 – 2027.
Opdracht programma WLR De warmtetransitie is een complexe opgave die een lange doorlooptijd vraagt. Daarom is in de opdrachtformulering het lange termijn doel van de WLRgemeenten centraal gesteld: In 2050 is de Leidse regio aardgasvrij, de gebouwvoorraad is goed geïsoleerd én wordt met duurzame warmte verwarmd. De vastgestelde hoofdopgave3 daarbij voor het programma WLR: 1. Het verkennen en voorbereiden van een Regionaal Publiek Integraal Warmtebedrijf (RPIW, hierna regionaal Warmtebedrijf) op WLR niveau, als uitvoeringsorgaan voor de realisatie en exploitatie van het ORES 2. De voorbereiding op de realisatie van een ORES waarin, met borging van publieke waarden, bronnen (aanbod) en afname (vraag) van warmte met elkaar verbonden zijn
De samenwerking is erop gericht om de warmtetransitie in de Leidse regio te versnellen. De ambitie daarbij is om in onderlinge afstemming en solidariteit en vanuit een gezamenlijk regionale belang een Open Regionaal Energie Systeem (ORES) te ontwikkelen waarin de publieke waarden zijn geborgd.
De verkenning naar een regionaal Warmtebedrijf is een logische vervolgstap binnen de samenwerking in de Leidse Regio. Op dit moment is er nog geen publiek Warmtebedrijf in de Leidse regio dat past binnen de nieuwe wettelijke kaders en sturing geeft op de publieke waarden.
De inzet van (grote) regionale bronnen, zoals restwarmte en geothermie – die in de Leidse regio belangrijk zijn om te kunnen voorzien in de benodigde warmte – vraagt om het gecoördineerd bundelen van voldoende warmtevraag. Ook heeft het (schaal)voordelen om de uitrol van warmte-infrastructuur gezamenlijk op te pakken, in plaats van afzonderlijk per gemeente.
Het doel van het regionaal Warmtebedrijf is om de gemeenten te begeleiden en te faciliteren bij de ontwikkeling en exploitatie van collectieve warmte oplossingen, om zo de ontwikkelfase te versnellen. De precieze rol en taak van het regionaal Warmtebedrijf dient nader uitgewerkt te worden.
4 | Programma Warmte Leidse Regio | Verkenning regionaal Warmtebedrijf
2. Opzet verkenning In de verkenning is gesproken met vertegenwoordigers van gemeenten en partners. Het doel hiervan is vast te stellen welke partners open staan om deel te nemen aan een regionaal Warmtebedrijf en de warmtetransitie in de Leidse regio willen helpen realiseren. Concrete vraag daarbij is welke rol de verschillende partijen kunnen en willen spelen in een regionaal Warmtebedrijf en onder welke voorwaarden zij daaraan willen deelnemen. De focus in de verkenning ligt op het organiseren van voldoende publieke realisatiekracht voor de regionale opgave, conform de Wcw. De prioriteit ligt daarom bij het vinden van publieke partners.
Shortlist van partijen verkenningsfase • Gemeenten: Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Oegstgeest, Voorschoten, Zoeterwoude, HLTsamen (Hillegom, Lisse en Teylingen), Noordwijk, Alphen aan den Rijn
• Andere overheden: Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK), Energie Beheer Nederland (EBN), Provincie Zuid-Holland (PZH), RES Holland Rijnland
Een belangrijk deel van de verkenning is erop gericht om vast te stellen wat de ambities en wensen zijn van gemeenten, met als belangrijk aspect ook de verwachtingen van de rol die een regionaal Warmtebedrijf moet spelen.
• Energiecoöperaties: Rijnland Energie Coöperatie
De inzichten vanuit de verkenning zijn samengebracht in deze rapportage. Daarmee is vast te stellen: a) met welke partijen samenwerkingsverbanden te vormen zijn en b) welke vervolgstappen nodig zijn. Daarmee werken we toe naar het afsluiten van een Intentieovereenkomst tussen de partijen die gezamenlijk het vervolg ingaan.
• Commerciële warmtebedrijven actief in de Leidse regio: Vattenfall Warmte, Linthorst Energy, Eneco, Ennatuurlijk, InWarmte
Globale planning van de Verkenningsfase en de opvolgende Voorbereidingsfase. Na de zomer van 2024 verwachten we de uitkomsten van de Verkenningsfase te presenteren in een regionale raadsinformatiebijeenkomst.
5 | Programma Warmte Leidse Regio | Verkenning regionaal Warmtebedrijf
• Publieke Warmte/Netwerkbedrijven: Firan/Alliander, Enpuls Warmte Infra/Enexis, NetVerder/Stedin, Dunea Warmte & Koude, HVC
• Financiers: InvestNL, Bank Nederlandse Gemeenten (BNG), Rabobank
3. Uitgangspunten verkenning 1
Transitievisies warmte als vertrekpunt Uit de Transitievisies warmte van de WLR-gemeenten komt het beeld naar voren dat in de Leidse regio voor zo’n 100.000 woningen een collectieve warmteoplossing het beste alternatief is. In de (door de gemeenten) op te stellen warmteprogramma’s (2026) wordt dit bevestigd of bijgesteld en dienen gemeenten de tijdslijn voor de realisatie vast te stellen.
2
Focus op collectieve warmte met ORES als eindbeeld In de ORES systeemstudie4, die in 2023 is uitgevoerd, is geconcludeerd dat de uitgewerkte ORES-scenario’s significant gunstiger zijn, kijkend naar de cumulatieve kosten over 30 jaar. Met de realisatie van de benodigde collectieve warmte oplossingen in de Leidse regio werken we aan de stapsgewijze invulling van dit eindbeeld.
3
Meerdere regionale bronnen De warmtelevering door alleen WarmtelinQ5 (vanaf 2027) is niet voldoende om te voorzien in de totale warmtevraag van de Leidse regio. Hiervoor is de inzet van andere bronnen, zoals geothermie6 en aquathermie noodzakelijk.
4
Rol en taken van een regionaal Warmtebedrijf Een regionaal Warmtebedrijf opereert binnen de kaders van de Wcw en is in staat om: a) warmtebronnen te contracteren en/of te ontwikkelen, b) warmteinfrastructuur van verschillende temperaturen te realiseren/beheren en c) de levering van warmte te organiseren aan de gebouwde omgeving (corporaties, VvE’s, particulieren, kantoren, etc.).
6 | Programma Warmte Leidse Regio | Verkenning regionaal Warmtebedrijf
Systeemschets van het ORES, met daarin verschillende typen collectieve warmteoplossingen en verschillende (regionale) warmtebronnen
3. Uitgangspunten verkenning 5
Borging van publieke waarden De samenwerkende gemeenten werken samen om de warmtetransitie te versnellen en streven naar een gebalanceerde borging van de publieke waarden: a) betaalbaarheid, b) haalbaarheid, c) duurzaamheid, d) tijdigheid (van CO2reductie) en e) betrouwbaarheid.
6
Focus op mogelijke aandeelhouders De focus in de verkenningsfase is erop gericht om te komen tot een intentieovereenkomst met partijen die (in principe) bereid zijn om als aandeelhouder deel te nemen aan het regionaal Warmtebedrijf. Op basis van deze overeenkomst gaan deze partijen voorbereidingsfase in.
7
Basis leggen voor de gehele warmtetransitie De opzet van het regionaal Warmtebedrijf legt de basis om de realisatie (en operatie) van de collectieve warmtetransitie in de Leidse regio in zijn volle omvang uit te voeren. Uitganspunten voor de realisatie zijn een doorlooptijd van 25 jaar (in 2050 gereed) en een totale investering van (orde grootte) € 1,5 miljard.
8
Operationeel in 2027 & overbruggingsconstructies tot 2027 Het regionaal Warmtebedrijf is op 1 januari 2027 operationeel. Dit in lijn met de planning van de aanleg van (de verbinding tussen Rijswijk en Leiden van) WarmtelinQ. In het onderzoek worden mogelijkheden verkend om overbruggingsconstructies te implementeren (tot 2027) voor bijvoorbeeld contractering van bronnen en transportcapaciteit of het ontwerpen en aanleggen van collectieve warmte oplossingen in wijken die eerder de realisatie starten. Deze constructies moeten overdraagbaar zijn aan het regionaal Warmtebedrijf, zodra dat operationeel is.
7 | Programma Warmte Leidse Regio | Verkenning regionaal Warmtebedrijf
4. Inzichten stakeholders Partijen onderzoeken rol en positioneren zich De verkenning naar een regionaal Warmtebedrijf past in een brede tendens. Bijna alle partijen bereiden zich voor op hun rol in publieke warmtebedrijven en/of hun bijdrage aan de warmtetransitie: • EZK ontwikkelt – in het verlengde van de Wcw – instrumenten om de betaalbaarheid van warmtenetten te verbeteren. • EBN bereidt zich voor om als staatsdeelneming een aandeelhoudersrol in te kunnen nemen in publieke Warmtebedrijven. • PZH is een verkenning gestart om vast te stellen welke rol zij in willen nemen in de warmtetransitie en hun rolneming in publieke Warmtebedrijven. • Alliander bereidt zich voor om een rol te spelen als (mede) eigenaar van publieke Warmtebedrijven. • Dunea ontwikkelt een visie en strategie voor de langere termijn om daarmee bij te dragen aan de warmtetransitie. • BNG bereidt zich voor op hun rol in de financiering van de warmtetransitie en publieke warmtebedrijven. In het komende jaar wordt het speelveld gevormd, waarbinnen de realisatie van de warmtetransitie plaatsvindt. Naar verwachting zijn begin 2025 de eerste contouren daarvan zichtbaar. De invulling van de verschillende rollen zal hoogstwaarschijnlijk enige jaren in beslag nemen.
8 | Programma Warmte Leidse Regio | Verkenning regionaal Warmtebedrijf
4. Inzichten stakeholders Schaalgrootte publiek Warmtebedrijf
Mogelijke aandeelhouders regionaal Warmtebedrijf
Een belangrijk vraagstuk in de warmtetransitie is de schaal waarop publieke Warmtebedrijven ontstaan en opereren: gemeentelijk, regionaal, provinciaal of zelfs landelijk. In de verkenning komen daarin de volgende beelden naar voren:
EBN, Alliander en kleinere private partijen geven in de gesprekken aan dat ze open staan om als aandeelhouder toe te treden in een regionaal Warmtebedrijf.
• EZK zet met de Wcw in op gemeentelijke regie en ziet graag samenwerking tussen gemeenten ontstaan in de oprichting van publieke Warmtebedrijven. • EBN neemt als uitgangspunt een deelneming op regionaal of provinciaal niveau met een maximaal aandeel van 40% (inbreng Eigen Vermogen) in een publiek Warmtebedrijf. • PZH ziet verschillende samenwerkingsverbanden (clusters) ontstaan, waaronder in Rotterdam, Den Haag, Westland en de Leidse regio. PZH ziet een rol voor zichzelf om de samenwerking en kennisuitwisseling tussen die clusters te bevorderen en bovenregionale aandachtspunten op te pakken. PZH geeft daarbij aan dat deelneming in een regionaal Warmtebedrijf daarbij (op dit moment) niet het instrument is wat zij daarvoor willen inzetten. • In Zuid-Holland zijn twee netwerkbedrijven actief (Stedingroep en Alliander) waartussen samenwerking in een gezamenlijk publiek warmtebedrijf niet voor de hand ligt. • Dunea richt zich met name (maar niet uitsluitend) op het leveringsgebied waarin zij actief is. Het ligt voor de hand dat er in Zuid-Holland meerdere publieke Warmtebedrijven ontstaan, waarbij de regionale schaal (Leidse regio, mogelijk in combinatie met Noordwijk, Hillegom, Lisse, Teylingen en Alphen aan den Rijn) logisch is.
9 | Programma Warmte Leidse Regio | Verkenning regionaal Warmtebedrijf
• EBN positioneert zich als aandeelhouder in provinciale en regionale Warmtebedrijven. • Alliander richt zich op het verzorgingsgebied waarin het actief is. Aangezien de Leidse regio onderdeel is van hun verzorgingsgebied staan zij ervoor open om te participeren in een regionaal Warmtebedrijf. Hierbij geven zij aan dat hun inbreng kan bestaan uit kennis en aandeelhouderschap (via medefinanciering). • Linthorst Energy en InWarmte zijn (als commerciële partij) bereid om te investeren in lokale warmte en koude oplossingen en indien nodig (tijdelijk) als aandeelhouder toe te treden in een gemeentelijk of regionaal Warmtebedrijf. Er zijn meerdere samenwerkingsverbanden te schetsen, waarin partijen samen een regionaal Warmtebedrijf vormen. Een regionaal Warmtebedrijf waarin alle partijen participeren lijkt minder voor de hand te liggen door de: a) verschillende visie(s) en b) complexiteit van de samenwerking (zie ook p.23).
4. Inzichten stakeholders Financiering
Maatschappelijk laagste kosten
EZK onderkent dat aanvullende maatregelen nodig zijn om de publieke investeringskracht en de betaalbaarheid in de warmtetransitie te verbeteren. EZK zet in op meerdere instrumenten7 (deels nog in ontwikkeling) om de warmtetransitie te ondersteunen, te weten:
Alliander vindt het noodzakelijk dat er op korte termijn duidelijkheid komt over de keuze voor collectieve warmteoplossingen in bepaalde wijken. Hiermee kan voorkomen worden dat te veel woningeigenaren zelf investeren in een aardgasvrijhuis, waarmee de economische haalbaarheid voor een warmtenet minder gunstig wordt.
1. Aanwijzing van EBN als staatsdeelneming, die voor maximaal 40% participeert in publieke Warmtebedrijven. 2. Het Waarborgfonds Warmtenetten8 is een financieringsinstrument dat bijdraagt aan een versnelling in de aanleg van collectieve warmtesystemen in Nederland. 3. Er zijn subsidies, bijvoorbeeld het de Warmtenetten Investeringssubsidie9 (WIS), waarvan publieke Warmtebedrijven gebruik kunnen maken. Beoogde effecten van deze instrumenten: • De WACC (zie kader hieronder) daalt richting de 4%. • Er is minder inleg van Eigen Vermogen nodig door aandeelhouders (10%). • Het publieke Warmtebedrijf kan tegen een lagere rente Vreemd Vermogen aantrekken. • Tegemoetkoming in de investering voor die delen die zich niet terugverdienen. Daarnaast ontwikkelt BNG financieringsconstructies, waaronder een constructie waarmee pensioenfondsen vermogen kunnen inbrengen. WACC Weighted Average Cost of Capital (WACC) is het gewogen gemiddelde van de kosten van Eigen Vermogen en de kosten van Vreemd Vermogen.
10 | Programma Warmte Leidse Regio | Verkenning regionaal Warmtebedrijf
Netbeheerder Liander ontwikkelt gemeentevoorstellen, waarin beschreven staat wat volgens hen de (on)mogelijkheden zijn voor de energietransitie. Hierin wordt de samenhang beschreven van de verzwaring van het elektriciteitsnetwerk en de rol van collectieve warmtenetten daarin. In een eerder onderzoek10 heeft Liander al aangegeven dat – door maximaal in te zetten op collectieve warmte oplossingen – het risico op congestie en de daarmee samenhangende rem op economische ontwikkeling, groei en verduurzaming in de Leidse regio verkleind wordt. Alliander meent dat de maatschappelijke kosten van aanleg, beheer en exploitatie van warmtenetten met de 30-40% omlaag kunnen, als er wordt ingezet op schaalgrootte in combinatie met (zoveel mogelijk) standaardisatie. Betaalbaarheid Veruit de grootste uitdaging in de warmtetransitie en de ontwikkeling van collectieve warmteoplossingen is de betaalbaarheid voor bewoners en bedrijven. BNG adviseert om ook de eenmalige bijdrage aansluitkosten (BAK) van de bewoners en bedrijven (grotendeels) mee te financieren. Dit om de participatiegraad en de deelname aan collectieve warmteoplossingen te vergroten.
4. Inzichten stakeholders Verdeling en contractering warmte van WarmtelinQ Een belangrijke warmtebron voor de Leidse regio is WarmtelinQ. PZH heeft een actieve rol11 genomen in de ontwikkeling van deze transportverbinding (Rotterdam – Den Haag – Leiden) door een investeringssubsidie van € 81 miljoen. Daarbij heeft PZH de regierol op zich genomen in het proces van de aanleg. Voor de Leidse regio zijn daarin twee elementen van groot belang: • Aanleg van zogenaamde T-stukken voor de uitkoppeling van warmte. • Contracteren van warmte die afgenomen en gebruikt wordt als bron van het ORES. De Gasunie is verantwoordelijk voor de aanleg van WarmtelinQ. Zij zet nu in om met iedere gemeente individueel afspraken te maken over de aanleg van deze T-stukken. Met PZH is besproken om hiervoor een meer strategische aanpak te volgen en er voor te zorgen dat er op (drie) voorziene plaatsen T-stukken aangelegd worden. Dit vanuit een toekomstvisie en maatschappelijke meerwaarde en niet op basis van garanties en/of contracten die gemeenten (nu) moeten aangaan. De verdeling van de hoeveelheid warmte gaat nu op de wijze van ‘first come, first serve’. Hierbij worden gemeenten gevraagd om afspraken te maken over (en zich vast te leggen op) de afname van die warmte. Dit in een situatie waarin de planning van de realisatie van de warmte oplossingen nog niet duidelijk is.
PZH kan helpen om die verdeling te maken op basis van een meer strategisch perspectief en daarbij garanties te geven om die warmte af te nemen. Dat beperkt o.a. de risico’s die gemeenten dan moeten nemen.
11 | Programma Warmte Leidse Regio | Verkenning regionaal Warmtebedrijf
4. Inzichten stakeholders Relevante overige inzichten • Enpuls Warmte Infra en NetVerder zien voor zichzelf geen rol in de Leidse regio en richten zich op de regio’s waar Enexis, respectievelijk Stedin het netbeheer voor elektriciteit en gas verzorgen. • Vattenfall wacht af óf en wanneer de Wcw wordt aangenomen en ingevoerd. Ze willen (op dit moment) geen publiek-private samenwerking aangaan, waarin Vattenfall een minderheidsbelang heeft. Op 12 juli heeft Vattenfall aangekondigd12 geen nieuwe, grootschalige warmtenetten voor bestaande bouw meer op te starten. De focus is voorlopig voornamelijk gericht op de ontwikkeling van warmte- en koudeopslagsystemen gecombineerd met stadswarmte voor nieuwbouwprojecten (hybride WKO). • Voor InvestNL is het nu niet opportuun om bij te dragen aan de financiering van collectieve warmteoplossingen en/of publieke Warmtebedrijven. De rol van EBN als staatsdeelneming in Warmtebedrijven zou voldoende garantie voor de realisatie moeten zijn. • Dunea Warmte & Koude en Firan richten een ‘Project BV’ op voor de realisatie van de collectieve warmte en koude oplossing in Valkenhorst (Katwijk). Het gaat hier in totaal om 5.600 woningen. Het wordt een optie om te onderzoeken welke rol een regionaal Warmtebedrijf kan spelen als Dunea en/of Firan hierin als partner toetreden.
• De leden van Rijnland Energie Coöperatie spreken de wens uit dat het regionaal Warmtebedrijf ook een rol gaat spelen in de realisatie van lokale collectieve warmte en koude oplossingen. Hiervoor is (hoogstwaarschijnlijk) maatwerk nodig om de verschillende lokale coöperaties te ondersteunen.
12 | Programma Warmte Leidse Regio | Verkenning regionaal Warmtebedrijf
4. Inzichten stakeholders Strategische opties In de verkennende gesprekken zijn een aantal strategische opties aangedragen en besproken, die de warmtetransitie in de Leidse regio kunnen ondersteunen. Deze kunnen bijdragen om belangrijke blokkades weg te nemen en risico’s te verkleinen of te mitigeren. Deze strategische opties dienen verder onderzocht te worden op validiteit en haalbaarheid. 1. Overname van het warmtenet van Vattenfall in de Leidse regio. Mogelijk wordt dit voorafgegaan door de overname van Vattenfall Warmte (in zijn geheel) door EBN. 2. Met Vattenfall afspraken maken over: •
het transport van warmte door hun warmtenet in de Leidse regio ten behoeve van het regionaal Warmtebedrijf, en/of
•
het aanleggen van (publieke) warmtenetten in (buurten van) Leiderdorp en Zoeterwoude die gekoppeld zijn aan hun netwerk.
3. Een aantal private partijen is bereid om te investeren in de ontwikkeling van collectieve warmteoplossingen in de Leidse regio en ook bereid om (tijdelijk) als warmteleverancier op te treden tot het regionaal Warmtebedrijf operationeel is. Belangrijk aandachtspunt daarbij is om de mededingingsregels na te leven bij het aangaan van samenwerkingen met private partijen. 4. Dunea Warmte & Koude kan een interessante partij zijn om mee samen te werken met de focus op aquathermie (als bron) en (Zeer) Lage Temperatuur (ZLT) warmtenetten, zeker in de gemeenten die aandeelhouder zijn in Dunea. 5. Bundeling van aan te besteden diensten met andere (lokale of regionale) Warmtebedrijven om schaalgrootte te creëren.
13 | Programma Warmte Leidse Regio | Verkenning regionaal Warmtebedrijf
5. Inzichten gemeenten Algemene inzichten
Algemene richting per gemeente
Voor alle gemeenten geldt dat de verkenning naar een regionaal Warmtebedrijf past bij de fase waarin de warmtetransitie zich bevindt. Individuele gemeenten overwegen ook andere opties, zoals de aansluiting bij het warmte-initiatief in de Duin- en Bollenstreek.
Gemeente Katwijk voorkomt graag het ontstaan van drie (of zelfs meer) publieke Warmtebedrijven, waartoe zij zich moet verhouden. Dit kan bereikt worden door één regionaal Warmtebedrijf integraal verantwoordelijk te maken en (op termijn) de governance van nu nog (deels) los van elkaar staande projecten daarin onder te brengen. De gemeente zelf heeft noch de ambitie noch de daarvoor benodigde uitvoeringscapaciteit en kennis om een lokaal Warmtebedrijf op te richten.
Besluitvorming over rolneming in een regionaal Warmtebedrijf vraagt voor alle gemeenten verdere (interne) afstemming en besluitvorming, die in de komende periode plaatsvindt. De planning van het programma WLR om eind 2025 tot een samenwerkingsovereenkomst te komen sluit daar (vooralsnog) goed op aan. Los van de mogelijke samenwerking in een regionaal Warmtebedrijf, vraagt een aantal onderwerpen om regionale afstemming en samenwerking, waaronder: • afname/contractering van warmte vanuit regionale bronnen (WarmtelinQ, Aardwarmte Rijnland). • rol (en uitbreiding van het bestaande warmtenet) van Vattenfall. • ontwikkeling van regionaal Warmtesysteem (ORES), waaronder de realisatie van de (warmte)verbindingen met Duin- en Bollenstreek en Alphen aan den Rijn. De gemeenten Hillegom, Lisse, Teylingen (HLT) en Noordwijk doen samen met Firan (en andere partijen) een verkenning naar de oprichting van regionaal Warmtebedrijf in de Duin- en Bollenstreek. Alphen aan den Rijn verkent de oprichting van een gemeentelijk Warmtebedrijf. Beide initiatieven staan open om (op termijn) tot intensievere samenwerking te komen met de Leidse regio. Een eerste mogelijkheid om die samenwerking aan te gaan lijkt in de loop van 2025 te ontstaan met het aangaan van de (beoogde) samenwerkingsovereenkomst(en). 14 | Programma Warmte Leidse Regio | Verkenning regionaal Warmtebedrijf
Gemeente Leiden geeft aan dat er meerwaarde of evidente voordelen moeten zijn om deel te nemen in een regionaal Warmtebedrijf. Deze voordelen kunnen ontstaan wanneer een regionaal Warmtebedrijf in staat is bepaalde mogelijkheden te realiseren waartoe Leiden niet zelfstandig in staat is. Deze kunnen zijn: financiering, binding van partners, bronontwikkeling, aansluiting op landelijke lijnen, etc. Leiden is de enige WLR-gemeente die aangeeft de oprichting te overwegen van een lokaal Warmtebedrijf. Gemeente Leiderdorp vindt dat de ontwikkeling van collectieve warmte nodig is, als we de klimaatdoelstellingen willen halen. De kracht en mogelijkheden van iedere gemeente zijn belangrijk om de samenwerking tot in de volle breedte uit te nutten. Daarbij heeft Leiderdorp de samenwerking met de andere Leidse gemeenten nodig. Gemeente Leiderdorp kan tegelijkertijd een belangrijke bijdrage leveren aan de andere Leidse gemeenten om een gezamenlijk warmtenet te realiseren. Een regionaal Warmtebedrijf biedt inwoners een extra keuze, naast individuele en lokale initiatieven voor warmte en koude, waarbij er geen dwang of verplichting is. Daarbij maakt het regionaal Warmtebedrijf transparant wat collectieve warmte en koude voor inwoners kan betekenen, wat goede oplossingen zijn en ook waar een warmtenet nu (nog) niet realistisch is.
5. Inzichten gemeenten Gemeente Oegstgeest vindt dat er een publiek Warmtebedrijf moet ontstaan dat voldoende doorzettingsmacht heeft. Daarbij moet er voldoende vraag zijn naar collectieve warmteoplossingen. De benodigde schaalgrootte kan volgens hen bereikt worden door samenwerking in de Leidse regio en bij voorkeur ook met Noordwijk, de HLT-gemeenten en (indien opportuun) met Alphen aan den Rijn. Gemeente Voorschoten voorziet dat lokaal gestarte projecten organisch uitgroeien tot één regionaal warmtesysteem. Hoewel regionale sturing en coördinatie wenselijk is, moet lokaal maatwerk mogelijk zijn. Dit is vooral belangrijk voor het bereiken van voldoende draagvlak onder bewoners. Vanuit die ontwikkeling is het voor hen een logische stap om de oprichting van een regionaal Warmtebedrijf te ondersteunen. De gemeente zelf is te klein en heeft niet de uitvoeringskracht om een lokaal Warmtebedrijf op te richten. Gemeente Zoeterwoude ziet het, als kleine gemeente, als een noodzaak om samen te werken en een regionaal Warmtebedrijf op te richten. Deze regionale samenwerking is voor hen essentieel om de warmtetransitie te laten slagen. Dit in lijn met de aanleg van de beoogde (regionale) warmtebron (WarmtelinQ). Zoeterwoude is momenteel niet van plan een gemeentelijk Warmtebedrijf op te richten.
Daarvoor ontbreken de financiële middelen, de kennis en daarbij wordt het risico als te groot ingeschat.
15 | Programma Warmte Leidse Regio | Verkenning regionaal Warmtebedrijf
5. Inzichten gemeenten Dienstverlening en taken regionaal Warmtebedrijf Gemeenten hebben (in grote lijnen) dezelfde verwachtingen van de dienstverlening die een regionaal Warmtebedrijf ontwikkelt en de taken die ze daarin uitvoeren (zie de overzichten scope en taken).
Scope dienstverlening regionaal Warmtebedrijf Bron contractering & ontwikkeling
Warmteoplossingen & Distributie
Verkoop & Levering
• • • •
• Ontwerp, realisatie en operatie warmteoplossingen • Verschillende temperatuurregimes (MT, LT, ZLT) • Peak & Back-up • Aanleg hoofd distributieleiding • Buffers & WKO
Woningen • Corporaties • VVE’s • Particulieren
Restwarmte Geothermie Aquathermie Gas (peakvraag)
Belangrijke aandachtspunten die daarbij genoemd zijn: • Coördinatie en bundeling van de regionale warmtevraag. • Bijdragen aan (of participatie in) de ontwikkeling van (regionale en lokale) warmtebronnen, bijvoorbeeld aquathermie en geothermie.
Grootverbruikers • Kantoren • Scholen • Ziekenhuizen • Glastuinbouw
• Een rol spelen in een efficiënte verdeling van warmte (vanuit regionale bronnen) in de Leidse regio, zoals WarmtelinQ en geothermie. • Het ondersteunen van de gemeente bij de lokale vraagontwikkeling, met name waar het gaat om het ontwikkelen van een concreet (financieel) aanbod richting afnemers van warmte. • Maken van én sturen op een regionale planning voor de uitrol van collectieve warmteoplossingen en sturen op de realisatie van een regionaal warmtesysteem (ORES). • Het voorzien in de benodigde financiering voor de aanleg van warmteoplossingen en hoofddistributieleiding(en). • Het regionaal Warmtebedrijf moet aanspreekbaar en bereikbaar zijn indien er iets misgaat of onjuist geleverd wordt. Het streven naar goede service en hoge klanttevredenheid is belangrijk voor gemeenten. • Het Warmtebedrijf is een partner in de ontwikkeling van beleid en besluiten van de gemeente over collectieve warmte (kavels, kavelplannen, financiering etc.)
16 | Programma Warmte Leidse Regio | Verkenning regionaal Warmtebedrijf
Taken regionaal Warmtebedrijf Commercieel
Technisch & Operationeel
Financieel
• Inkoop (contracteren bronnen) • Verkoop • Klantwerving • Service • Klanttevredenheid
• Voldoen aan wettelijke kaders, • Ontwikkelpartner gemeenten • Keuze technologie • Ontwerp en aanleg • Beheer en operatie • Operationele bedrijfsprocessen • Contracteren marktpartijen (uitvoering)
• Opstellen business cases voor individuele projecten • Aantrekken kapitaal • Ontwikkelen aanbod voor afnemers • Ontwikkelen financieel beleid
5. Inzichten gemeenten Mogelijke additionele dienstverlening Individuele gemeenten suggereren additioneel de volgende dienstverlening: • Het ondersteunen van lokale Energiecoöperaties in de ontwikkeling van kleinschalige collectieve warmteoplossingen (maatwerk). • Het (mogelijk in combinatie van collectieve warmteoplossingen) aanbieden van koude oplossingen • Het aanbieden of faciliteren van individuele warmteoplossingen. • Het aanbieden of faciliteren van oplossingen voor het zoveel mogelijk beperken van warmteverlies. • Bijdragen aan de vermindering van de complexiteit t.a.v. regionale samenwerking (verschillende samenwerkingsverbanden die ontstaan). • Meedenken met gemeenten over de energietransitie in samenhang met bijvoorbeeld netcongestie of andere uitdagingen. • Meedenken en adviseren over ruimtelijke vraagstukken (nieuwbouwopgaven). Aandachtspunt: balans tussen investeringen, kosten en inkomsten De investeringen die een regionaal Warmtebedrijf doet en de operationele kosten die ontstaan – door de dienstverlening en taken die uitgevoerd worden – dienen in balans te zijn met de inkomsten. Primaire inkomsten komen vanuit de levering van warmte aan afnemers, rekening houdend met de regulering vanuit de ACM.
Voor (met name) de additionele dienstverlening moet een afweging gemaakt worden welke (additionele) inkomsten daartegenover staan en/of welke financiële bijdragen gemeenten daarvoor inbrengen. Daarbij dient ook rekening gehouden worden met de wettelijke kaders en het verbod op kruissubsidiering tussen extra (semi commerciële) activiteiten en de gereguleerde activiteiten. In principe voert een warmtebedrijf volgens de Wcw uitsluitend de wettelijke taken uit. 17 | Programma Warmte Leidse Regio | Verkenning regionaal Warmtebedrijf