Informatiebrief 51 Voortgang en mijlpalen doelen Integraal Waterketenprogramma 2024-2028 (incl. bijlage)
Tekst van het document
➢
➢
Figuur 5.8.2. Illustratie afkoppelen verharding (bron Rioned)
5.8.3 ➢
➢ ➢
Klimaat: Berging
De Leidse regio heeft vanwege klimaatadaptatie (2050) als regel dat bij nieuwbouw en herinrichting een bui van minimaal 70 mm in 1 uur verwerkt kan worden. Hierbij volgen we de recent door de Provincie Zuid-Holland opgestelde richtlijnen Wateroverlast | Bouw Adaptief6. In het plangebied treedt bij extreem hevige neerslag geen schade op (bij 70 mm in een uur) aan bebouwing, infrastructuur en aan vitale voorzieningen en vitale voorzieningen blijven functioneren (bij 90mm in een uur) (hoofdwegen, drinkwater en energie). Het ondergronds rioolsysteem (buizen) is gedimensioneerd op het verwerken van 35,7 mm. Bij nieuwbouw en herinrichting van de fysieke leefomgeving dient dan aanvullend minimaal 34,3 mm verwerkt te kunnen worden door hetzij aanvullende ondergrondse (tijdelijke) berging of door (tijdelijke) berging en afstroming via het maaiveld. Rijnland werkt aan het opnemen van nieuwe regels in de Waterschapsverordening. Aan de huidige compensatie regel verhard oppervlak (15% extra open water) wordt als extra regel toegevoegd dat een plangebied 90 millimeter neerslag in 24 uur kan bergen. Het is hierbij niet toegestaan dat beide hier genoemde regels gestapeld worden. Retentievoorzieningen (groene daken, bergen in ondergrondse kratjes) staan los van de eis dat bui=10 ondergronds (afkoppelen) afgevoerd moet worden.
Retentievoorzieningen kunnen niet “uitgeruild” worden tegen afvoer ondergronds.
6 Het is de verwachting dat gedurende planperiode ook de landelijke maatlat vastgesteld wordt. Indien nodig wordt het beleid hier dan op aangepast
27
Figuur 5.8.3 Water bergen in openbaar gebied
5.8.4 Bovengronds Maaiveld Om ook meer neerslag dan de gehanteerde standaardbui (bui=10) te verwerken, willen de gemeenten het hemelwater afvoeren naar plaatsen waar het geen kwaad kan of tijdelijk kan worden geborgen. De ruimtelijke inrichting wordt dan ook van belang voor het oplossen van de waterproblematiek. Water bovengronds biedt kansen voor verfraaiing van de leefomgeving. De realiteit is dat de bovengrondse mogelijkheden voor het omgaan met hemelwater groter zijn dan de ondergrondse ruimte die sterk onder druk staat van o.a. de warmtetransitie. Het bovengronds afvoeren van hemelwater betekent wel dat er over de projectgrenzen heen gekeken moet worden en vereist een 3D-benadering. Want water stroomt van hoog naar laag over grenzen. Het maaiveld is daarmee een onderdeel voor de rioolbeheerder om (met ontwerpers, stedenbouwers en collegabeheerders) het regenwater te sturen en tegelijk te werken aan klimaatadaptatie en de kwaliteit van de leefomgeving. Hiervoor kunnen gemeenten (en het waterschap) bij nieuwbouw en herinrichting een aantal leidende principes hanteren. De mate waarin dit gebeurt is onderdeel van separate besluit- en beleidsvorming van de individuele gemeenten binnen de Leidse Regio. ➢
➢
➢ ➢ ➢ ➢
Relevante fysieke veranderingen worden benut om klimaatbestendige maatregelen te nemen. Dat geldt voor projecten van de gemeenten en het waterschap en voor projecten van inwoners, (agrarische) bedrijven, woningcorporaties, terreinbeheerders en maatschappelijke organisaties. Zo worden de onderhoudscycli van infrastructuur, riolering, groen en gebouwen benut. Om te kunnen anticiperen op klimaatverandering en om overlast tijdens hevige neerslag te voorkomen, moet het water zoveel mogelijk op een andere manier dan via riolering worden afgevoerd of geborgen. Oppervlakkige afstroming van overtollige neerslag heeft daarbij de voorkeur. De afstroming vindt plaats naar een tijdelijke laagteberging, waar het geen schade oplevert. Vanuit deze voorziening vindt infiltratie naar het grondwater plaats of (vertraagde) afvoer naar het oppervlaktewatersysteem. Voorbeelden van tijdelijke berging zijn Wadi’s, waterberging in parkeervak, waterberging in wegfundering, waterberging tussen stoepranden, groene daken etc. Bij (ver)nieuwbouw is sprake van een klimaatbestendige bouw en inrichting (Wateroverlast | Bouw Adaptief) met zo min mogelijk afwenteling naar de omliggende percelen. In de bebouwde omgeving leggen we meer groen aan om de sponswerking van het gebied te vergroten.
We verminderen hitte in bebouwd gebied door het creëren van (tijdelijke) schaduwwerking en het gebruik van de juiste bouwmaterialen (denk aan absorptie en kleur). Ook houden wij bij de inrichting van de ondergrond rekening met het risico van opwarming van drinkwater in het leidingnet onder verharde oppervlakken. Er wordt waterneutraal gebouwd. Bij alle bouwprojecten wordt extra verharding gecompenseerd door minimaal 15% extra oppervlaktewater7. Dit sluit aan bij de richtlijn bouwadaptief: De ontwikkeling gebeurt waterneutraal en leidt niet tot extra aanvoer/afvoer van water. Hemelwater wordt zoveel mogelijk vastgehouden en hergebruikt in het plangebied.
5.9 Zorgplicht hemelwater Perceeleigenaar De zorgplicht voor hemelwater begint bij de perceeleigenaar. De eigenaar van het terrein waarop het hemelwater valt, is primair verantwoordelijk voor de afvoer van het hemelwater. De gemeente is verantwoordelijk voor inzameling van afstromend hemelwater van percelen, waarvan de eigenaren redelijkerwijs niet zelf kunnen voorzien in afvoer naar oppervlaktewater of bodem. Dit kan doordat: • •
•
er geen oppervlaktewater in de buurt is waarop geloosd kan worden; infiltratie niet mogelijk is door een te hoge grondwaterstand; infiltratie wordt belemmerd vanwege de samenstelling van de ondergrond.
7 (Uitvoeringsregel 11: Versnelde afvoer bij toename verhard oppervlak en 27 (alternatieve berging), Hoogheemraadschap van Rijnland)
28
De gemeentelijke zorgplicht omvat dan niet meer dan een door de gemeente aangeboden voorziening waar het hemelwater in geloosd kan worden. Het is aan de gemeente om te bepalen welke voorziening dat is. Naast de zorg voor het afvloeiende hemelwater van particuliere terreinen heeft de gemeentelijke zorgplicht ook betrekking op het hemelwater dat van openbaar terrein afstroomt. Bij de verwerking van overtollig regenwater op percelen speelt in de praktijk het afkoppelen van de afvoer van regenwater van de riolering een belangrijke rol. Bij de verwerking van het afgekoppelde regenwater en de daarbij gehanteerde lozingsroute (in de bodem of naar het oppervlaktewater) moet rekening worden gehouden met het feit dat afstromend regenwater niet altijd schoon is. Het afvloeiende hemelwater van daken en wegen mag vanuit het oogpunt van waterhoeveelheid na het positief doorlopen van de droge-voetentoets (zie bijlage 9) op het oppervlaktewater worden geloosd. De voorkeur gaat uit naar het plaatselijk vasthouden van water in de ondergrond. Bij nieuwbouw en renovatie is de eigenaar van het terrein waarop het hemelwater valt, primair verantwoordelijk voor eventuele tijdelijke berging en de afvoer van dat hemelwater. Het hemelwater wordt verwerkt via de voorkeursvolgorde zoals opgenomen in paragraaf 5.6.2. Anders omgaan met regenwater langer vasthouden.
Wanneer het hemelwater te verontreinigd is, moet het ter plaatse, door de houder, worden gezuiverd (via een helofytenfilter, een zuiveringsfilter of een gelijksoortige voorziening). 5.10 Afvoerstructuurplan Het afvoerstructuurplan geeft een blauwdruk van de riolering (buizen) die nodig is voor de verwerking van afval, hemel- en grondwater. Hierbij wordt ook rekening gehouden met het klimaatbestendig maken van de fysieke leefomgeving. Bij vervanging (einde levensduur en herinrichting) van gemengde stelsels is het principe (zie ook paragraaf 5.8.2.) dat de ontvlechting van afvalwaterlozingen en hemelwaterlozingen wordt gerealiseerd tenzij dit niet doelmatig is. In de komende planperiode wordt hiervoor per gemeente een afvoerstructuurplan opgesteld (dan wel bijgesteld) waarin dit is opgenomen. We volgen hierbij voor wat betreft vormgeving en inhoud het afvoerstructuurplan dat in de afgelopen periode door de gemeente Leiden is opgesteld. Voor wat betreft de kwantitatieve afstemming tussen de uitstroming uit de riolering naar het watersysteem zijn de resultaten van de Droge-voetentoets (zie 5.13.2) input voor het afvoerstructuurplan. 5.11 Uitgangspunten beheer en onderhoud: voorkomen wateroverlast Soort stelsel of voorziening DWA HWA DWA+HWA Watergangen en duikers Oeverbescherming
Uitvoering Door het structureel reinigen van riolen, drainage, lijngoten, kolken en wegen, zorgen de gemeenten er voor dat de afstroming naar de riolen en in de riolen gewaarborgd wordt. Verstoppingen worden daarmee zo veel mogelijk voorkomen. De watergangen en kunstwerken zoals duikers zijn schoon (baggeren en maaien). De oeverbeschermingen (zoals o.a. kademuren en beschoeiingen) worden zo onderhouden dat de watergangen het juiste profiel houden.
5.12 Grondwater 5.12.1 Grondwatertaak Gemeentelijke taak (zorgplicht) grondwater De gemeente is verantwoordelijk voor het nemen van maatregelen in het openbaar gemeentelijke gebied om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de fysieke leefomgeving toegedeelde functies zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. E.e.a. voor zover het treffen van die maatregelen doelmatig is en niet behoort tot de taak van een waterschap, een provincie of het Rijk. De gemeente is aanspreekbaar, maar niet aansprakelijk voor schade aan gebouwen als gevolg van te hoge of te lage grondwaterstanden en funderingsproblemen. De grondwatertaak bevat zeven elementen die tezamen bepalen of de gemeente verantwoordelijk kan worden gehouden om nadelige grondwaterstandgevolgen te voorkomen of te beperken. Het moet gaan om het: 1. treffen van maatregelen; 29
2. in openbaar gebied; 3. om structureel nadelige gevolgen voor de grondwaterstand; 4. voor de aan de grond gegeven bestemming; 5. zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken; 6. mits dit doelmatig is en voor zover er; 7. geen verantwoordelijkheid bestaat voor waterschap, provincie of Rijk (RWS).
Grondwatertaak particulier Een perceel-/gebouweigenaar heeft een eigen verantwoordelijkheid om te zorgen voor een goede staat van zijn perceel en daarop staande gebouwen en andere werken. Hiertoe behoort ook de fundering en kelder van een gebouw. Op grond van zowel het bestuurs- als privaatrecht heeft een particulier zelf een riolerings-, hemelwater- en grondwaterverantwoordelijkheid. In beginsel zijn pandeigenaren daarmee zelf verantwoordelijk voor funderingsonderhoud en grondwaterbeheer op eigen terrein. Kosten voor funderingsschade zijn dan ook voor pandeigenaren. Op eigen terrein is de perceeleigenaar zelf verantwoordelijk om een grondwaterprobleem op te lossen en te voorkomen; voor het verwerken van overtollig grondwater en te lage grondwaterstanden De gemeente stelt zich tot doel het de perceeleigenaar mogelijk te maken deze verantwoordelijkheid te nemen. Dit zal voornamelijk bestaan uit het verstrekken van informatie. 5.12.2 Wanneer is sprake van overlast door grondwater? Er is sprake van grondwateroverlast als er hinder of schade in de woning, erf of tuin optreedt, als gevolg van een structureel te hoge of lage grondwaterstand. Om grondwateroverlast objectief vast te stellen, wordt een relatie gelegd met de gewenste grondwaterstand in het stedelijk gebied: de ontwateringsdiepte (zie figuur 5.12.1.) De gewenste ontwateringsdiepte is mede afhankelijk van het grondgebruik.
Figuur 5.12.1. Ontwateringsdiepte
De afgelopen jaren ontstaat in Nederland ook meer aandacht voor problemen door te lage grondwaterstanden in stedelijk gebied. Enerzijds in de vorm van schade aan houten paalfunderingen (vooral in laag Nederland). Anderzijds in de vorm van schade aan gebouwen die op staal zijn gefundeerd door onregelmatige zettingen door uitzakkende grondwaterstanden (in het hele land). 5.12.3 Grondwater: In- en uitbreidingen Bij in- en uitbreidingen moet in de planfase aandacht besteed worden aan grondwater. De initiatiefnemer behoort daartoe onderzoek te verrichten ter onderbouwing van zijn plan om grondwateroverlast (te hoge grondwaterstand) en grondwateronderlast (bijvoorbeeld schommelingen door periodes van droogte) zoveel mogelijk te voorkomen. Hierbij moet de relatie met de overige disciplines binnen de openbare ruimte zichtbaar gemaakt worden. De eventueel hiermee gemoeide kosten van noodzakelijke maatregelen moeten ten laste komen van de (grond)exploitatie. 5.12.4 Grondwatermodel De gemeenten werken aan een regionaal grondwatermodel. Een grondwatermodel is een belangrijk instrument om inzicht te krijgen in de werking van het grondwatersysteem. Dit model richt zich op het stedelijk gebied van de gemeenten. Het grondwatermodel wordt ingezet als praktisch gericht, geohydrologisch gereedschap. Het model is opgezet met inachtneming van de volgende punten. • •
Het model moet in staat zijn om berekeningen uit te voeren op lokale schaal, zoals voor bouwputbemalingen, rioolwerkzaamheden of maatregelen tegen grondwateroverlast. Het model moet ingezet kunnen worden voor regionale studies. Denk aan de gevolgen van klimaatveranderingen, peilwijzigingen en afkoppelen (en infiltreren) van hemelwater.
30
• • •
Het model kan ingezet worden als beleidsondersteunend instrument. De modelresultaten (zoals kaarten van de ontwateringsdiepte) kunnen worden ingezet om kans- en risicogebieden te definiëren. Modelresultaten kunnen worden gebruikt voor het gemeentelijk waterloket. Vlakdekkende kaarten van bijvoorbeeld de ontwateringsdiepte kunnen voor bewoners op een duidelijke manier inzicht verschaffen in het watersysteem van de gemeente. Het grondwatermodel moet gekalibreerd zijn aan de hand van peilbuismetingen.
5.12.5 Uitgangspunten grondwater ➢
➢
➢
➢ ➢ ➢
➢
➢
➢
Bij het aanleggen en vervangen van de riolering worden in principe ook grondwater regulerende maatregelen genomen. Scenario-berekeningen met het grondwatermodel tonen aan dat deze nodig zijn. Het doel is om uiteindelijk voor het stedelijk gebied, een grondwaterregulerend systeem te ontwerpen en aan te leggen dat de sponswerking van de bodem intact kan houden. Dit grondwaterregulerend systeem kan dan in de toekomst gelijktijdig met rioleringsen/of wegwerkzaamheden worden aangelegd. Bij vervangen van oude riolering en relinen zijn de gemeenten alert op ongewenste stijging van de grondwaterstand door het wegvallen van de drainerende werking van oude lekkende riolen. Indien nodig legt de gemeente drainage mee met de nieuwe riolering. Gemeenten zijn ook alert op het voorkomen, bij maatregelen of tijdens perioden van droogte, van een grondwaterstand die mogelijk te laag wordt met schade aan funderingen als gevolg. Het kan in die gevallen doelmatig zijn via drainerende buizen grondwater te infiltreren. Dit dient van geval tot geval onderzocht te worden. Drainagewater wordt op regie van de gemeente verwerkt. Streven is om – waar mogelijk – de belasting van relatief schoon water op de zuivering zo laag mogelijk te houden door dit water rechtstreeks af te voeren naar de hemelwaterriolering of oppervlaktewater.
In het peilbesluit is rekening gehouden met het tegengaan van bodemdaling en het beschermen van funderingen. Een bemalen drainage is vergunningplichtig. Drainage die afvoert op een DWA- of gemengd riool is ook een (indirect) bemalen drainage. Bij herstructurering of vervangingen van bestaande drainage stelsels is ontvlechting of afkoppelen het vertrekpunt. De gemeenten willen in hun gebied een grondwaterstand hebben, die geen structurele overlast veroorzaakt bij de bewoners. Als richtlijn is een hoogte van de kruipruimtebodem van 0,50 meter minus straatpeil in openbare grond gehanteerd. De richtlijn is dat de (gemiddelde) grondwaterstand in het stedelijk gebied niet langer dan twee aaneengesloten weken 0,50 meter minus straatpeil of hoger is. Om te kunnen bepalen of er structurele problemen zijn, moet er inzicht zijn in de gemeentelijke grondwaterstanden en de hieraan gerelateerde problemen. Dit structurele inzicht is redelijk goed aanwezig. De gemeenten beschikken over een meetnet van grondwaterpeilbuizen, waardoor er inzicht is in het verloop van de grondwaterstanden in het stedelijk gebied. (zie ook paragraaf 5.12.4 Grondwatermodel) De gemeenten zijn vanwege het karakter van een inspanningsplicht bij deze zorgplicht niet verantwoordelijk voor de handhaving van het grondwaterpeil in bebouwd gebied.
De gemeenten geven met het waterloket invulling aan hun coördinerende bevoegdheid (zorplicht grondwater) bij eventuele grondwateroverlast, dat leidt echter niet automatisch tot “aansprakelijkheid” voor de grondwaterstand en de eventuele grondwateroverlast in het stedelijk gebied. Het (grond)waterloket is het loket waar de de meldingen/vragen binnenkomen en herverdeeld worden naar de beantwoordende instantie.
5.12.6 Uitgangspunten Rol particulier bij Grondwater ➢
➢ ➢
De aanpak van grondwaterproblemen in tuinen en gebouwen is de taak van de particuliere eigenaar zelf. Verblijfsruimtes en ook kelders behoren (conform Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl)) vocht- en waterdicht te zijn. In verblijfsruimtes en kelders optredende grondwateroverlast moet door de particulier worden weggenomen, door toepassing van bijvoorbeeld cultuurtechnische of bouwkundige maatregelen. Pandeigenaren zijn zelf verantwoordelijk voor funderingsonderhoud en grondwaterbeheer op eigen terrein. Lozen van grondwater bij ontwatering via gemende riolering of afvalwaterriolering is bij wet verboden. Voor tijdelijke situaties kan hier middels een vergunning van worden afgeweken (artikel 3.2 Blbi).
5.13 Instrumenten Oppervlaktewatersysteem 5.13.1 Toetsing oppervlaktewatersysteem Op basis van de provinciale verordening geeft het hoogheemraadschap invulling aan de controle en borging van de waterveiligheid en bescherming tegen wateroverlast (inundatie). Met watergebiedsplannen voor de polders worden de eventuele wateropgaven opgespoord en doelmatig opgelost. Hiermee wordt primair de waterkwantiteit veiliggesteld overeenkomstig de geldende normering voor wateroverlast zoals opgenomen in de Waterverordening. Voor iedere polder en de boezem ligt het waterpeil vast in een peilbesluit. Hierin worden door het hoogheemraadschap de waterstanden in het oppervlaktewater vastgelegd. Het hoogheemraadschap betrekt particulieren en gemeenten bij de totstandkoming van peilbesluiten.
31
5.13.2 Droge-voetentoets voor hemelwateruitlaten en riool Om te toetsen of het watersysteem de (plaatselijke) aanvoer uit het riool (tijdens overstorten) aan kan, wordt een droge-voetentoets uitgevoerd. Een bebouwde kom kan zowel boezemland en/of meerdere polders omvatten. Daarom worden riool gerelateerde vraagstukken dan ook binnen het beheergebied van Rijnland per kern in beeld gebracht. Zowel de huidige situatie als toekomstige wijzigingen worden getoetst. De drogevoetentoets vervangt de vergunning (kwantitatief) voor hemelwateruitlaten en riooloverstorten. In bijlage 9: Procedure Droge-voetentoets voor hemelwateruitlaten en riooloverstorten is de procedure opgenomen. ➢ ➢ ➢ ➢ ➢
➢
Doel is te controleren of het watersysteem de hoeveelheid rioolwater (vuil- en hemelwater) goed kan afvoeren. De toets toont alle lozingspunten in het stedelijk gebied, ongeacht de ligging in polder- of boezemland. Ook nieuwe lozingspunten8 worden samen met bestaande getoetst. Een gedetailleerde benadering is nodig, omdat vooraf niet duidelijk is welke oppervlakken op één lozingspunt lozen én omdat vooraf niet duidelijk is of elke duiker groot genoeg is om opstuwing te voorkomen De berekening wordt door het hoogheemraadschap uitgevoerd, de gemeente bepaalt of levert de omvang van de lozingen per locatie (ha per lozingslocatie op basis van bijvoorbeeld bui 08 of 10). Knelpunten worden afgestemd met de gemeentelijke beleidsuitwerking voor de hemelwaterzorgplicht en met de watergebiedsplannen e.d. van het hoogheemraadschap.
5.13.3 Toetsing watersystemen: watertoets De watertoets volgt een vast proces, dit proces is als schema opgenomen in bijlage 8. De watertoets zorgt er voor dat bij alle ruimtelijke plannen (landelijk én stedelijk gebied) aandacht is voor de kwaliteit en kwantiteit van water. De watertoets is verplicht voor alle overheden die waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten maken. Maar ook als bijvoorbeeld een particulier of ondernemer een vrijstelling van het bestemmingsplan of omgevingsplan nodig heeft, komt de watertoets aan de orde. De gemeente vraagt de watertoets aan bij de ‘waterbeheerder’. Meestal het Hoogheemraadschap en soms Rijkswaterstaat. Bij een watertoets worden er 2 verplichtingen gesteld aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen. ➢ ➢
Het vroegtijdig in de planvorming betrekken van de waterbeheerder, zoals een waterschap9 . Verantwoording afleggen over de manier waarop is omgegaan met de inbreng van de waterbeheerder. Dit gebeurt meestal in de waterparagraaf van het ruimtelijke plan.
5.13.4 Berging Rekening-Courant (BRC) Voor een klimaatbestendige leefomgeving is een robuust watersysteem noodzakelijk. Ter compensatie van nieuw verhard oppervlak moet extra water worden gegraven. 'Teveel' gegraven water wordt met de BRC voor later gebruik veiliggesteld. Dit draagt bij aan een flexibele en kostenbewuste aanpak. Op polderniveau of op peilvakniveau leidt dit tot samenwerking tussen gemeenten, zodat efficiënter kan worden omgegaan met het grondgebruik. ‘Teveel’ water (overcompensatie) kan na drie jaar niet meer worden ingebracht als compensatie voor nieuwe plannen. Dan vervallen de rechten tenzij dit expliciet in een vergunning is vastgelegd. Met een BRC wordt het ‘vooraf’ graven van water bevorderd. Een BRC is een waterbalans, een overeenkomst tussen het hoogheemraadschap en een gemeente. Dit vergemakkelijkt de ontwikkeling van projecten, zeker in gebieden waar graven van nieuw oppervlaktewater moeilijk is. Gemeenten beheren, volgens vaste procedures en regels omschreven in de overeenkomst met het hoogheemraadschap, zelf de BRC. Er mag geen negatief saldo ontstaan.
8 Nieuwe ontwikkelingen mogen de bestaande situatie niet verslechteren. Dat betekent bijvoorbeeld dat nieuwe verharde
oppervlakken moeten worden gecompenseerd. Ook kan dat bijvoorbeeld betekenen dat afkoppelen kan leiden tot compensatie 9 De waterschappen hebben dit voor de initiatiefnemers makkelijk gemaakt met de Digitale Watertoets. Zo kunnen initiatiefnemers van ruimtelijke plannen online nagaan of hun ruimtelijk plan in eerste instantie voldoende rekening houdt met water. Uit de Digitale Watertoets volgt een advies met welke wateraspecten relevant zijn voor het plan en waarom. 32
6
BELEID PER FUNCTIONELE DOELSTELLING; LEEFOMGEVING EN MILIEU
6.1 Doel en plaats in de waterketen Duurzaam beschermen Natuur en milieu (bodem, grond- en oppervlaktewater)
Dunea, Gemeente en hoogheemraadschap
Alle secundaire functies die betrekking hebben op het handhaven van droge voeten en volksgezondheid.
De plaats in de waterketen, zie figuur 2.1, waar activiteiten plaatsvinden voor deze doelstelling zijn de stappen 1, 4, 6 en 7; winning van water voor drinkwater, transport en zuivering van afvalwater en onttrekking van grondstoffen. 6.2 Milieutechnisch functioneren Waterketen Gemeenten, drinkwaterbedrijven en hoogheemraadschap beseffen zich dat lozingen vanuit de waterketen naar het oppervlaktewatersysteem onvermijdbaar zijn. Gezamenlijk kunnen we er wel voor zorgen dat de effecten op de leefomgeving verbeteren. Hiertoe volgen we een doelmatige aanpak met kosteneffectieve maatregelen. Doel is dat inzameling, transport en zuivering van stedelijk afvalwater niet tot gezondheidsrisico´s, geurhinder of water(bodem)kwaliteitsproblemen leidt. Afgeleid doel is het sluiten van de energie- en grondstoffenkringloop. In het verleden is al veel bereikt. Het voldoen aan de basisinspanning en een gericht lozingenbeleid voor afvalwaterzuiveringen draagt bij aan het halen van de gewenste waterkwaliteit. Met de procedure waterkwaliteit overstorten, monitoren de waterpartners de knelpunten achter de riooloverstortlocaties. Ook is het huidige beleid gericht op het ontvlechten van schoon hemelwater (afkoppelen). Hierdoor neemt ook het risico op een Ecoli besmetting tijdens een water-op-straat situatie verder af.
In de volgende paragrafen worden beleidsuitgangspunten behandeld die bijdragen aan het verbeteren van de waterkwaliteit. 6.2.1 ➢ ➢ ➢ ➢ ➢
➢
Uitgangspunten Lozing vanuit Riolering op oppervlaktewater
Onnodige emissies door te lage overstortdrempels of te hoge inslagpeilen van rioolgemalen dienen te worden voorkomen. Een overstortvergunning is niet nodig, mits de overstort in het BRP en/of IWKp is opgenomen. Dit geldt ook na inwerkingtreding van de Omgevingswet. Waterkwaliteitsproblemen veroorzaakt door de riolering worden gezamenlijk in beeld gebracht met de procedure “smalle” waterkwaliteitsspoor toets, zie bijlage 10. De basisinspanning is niet meer maatgevend en heeft een indicatieve functie. Voor eventuele kwaliteitsknelpunten worden doelmatige oplossingen gezocht in zowel de riolering als in het watersysteem en zowel in ontwerp als in beheer. Ook voor het verwerken van hemelwater naar het oppervlaktewater zijn aandachtspunten o o o o o o o
6.2.2 ➢
➢
Uitgangspunten AWZI / voorheen Activiteitenbesluit
De Rijnlandse afvalwaterzuiveringsinstallaties (AWZI’s) lozen het gezuiverde afvalwater grotendeels op boezemwater. Hoewel een groot deel van de vervuiling in de AWZI wordt verwijderd, is deze lozing toch een bron van voedingsstoffen en vervuiling. Rijnland stelt zelf de lozingseisen op voor de betreffende lozingen. Deze liggen vast in het maatwerkbesluit Lozingen AWZI’s. Deze lozingsnormen zijn beduidend strenger dan de doorgaans in Nederland gehanteerde normen. Dit komt door de aanwezigheid van gevoelige teelten, de voedselrijke grondslag van het gebied en de beperkte beschikbaarheid van kwalitatief schone bronnen in de droge maanden van het jaar.
6.2.3 ➢ ➢ ➢
Duurzaam bouwen. Het toepassen van een berm- of bodempassage. Voorkomen verkeerde aansluitingen (toezicht en controle). Het regenwaterriool uitvoeren met (straat)kolken voorzien van extra zand-/slibvang of zakputten (putten met verdiepte bodem) op tactische plekken in het stelsel. Adequaat beheer van straatoppervlak, straatkolken en zakputten (straatvegen en kolken/putten zuigen). Het toepassen van duurzaam onkruidbeheer. Voorlichting aan bewoners, gebruikers en beheerders juist gebruik van riolering. Bijvoorbeeld het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en repareren en chemische onkruidbestrijding.
Uitgangspunten Ongezuiverde particuliere lozingen / voorheen BLAH
Ongerioleerde lozingen mogen niet tot waterkwaliteitsproblemen leiden. Lozingen vanuit een IBA op gevoelige wateren (zie tabel 6.2.3.1. en bijlage 10) zijn niet toegestaan. In geval van zwemwater- of natuurfunctie (KRW en natura 2000) geldt een minimale afstand van 1 km tussen de (‘bovenstroomse’) lozing en het gevoelige water. Binnen de Leidse regio liggen de volgende gevoelige wateren:
Gemeente
Naam watersysteem (relevante doelstellingen)
33
Leiden Leiderdorp Zoeterwoude Oegstgeest Voorschoten Wassenaar
Waterspeelplaats Cronensteijn (zwemwater); nabij ’t Joppe (KRW en zwemwater 2x) en Kagerplassen (KRW) De Plas (natuur); nabij Zoetermeerse plas (KRW en zwemwater 2x), Benthuizer plas (waterparel) en De Wilck (Natura2000, KRW) Klinkenbergerplas (zwemwater 2x) nabij Vlietland (KRW, zwemwater 3x) en Vogelplas Starrevaart (Natura2000, KRW) nabij Valkenburgse meer (KRW, zwemwater)
Tabel 6.2.3.1 - gevoelige wateren binnen de subregio Leidse Regio ➢
De gemeenten en Rijnland stemmen met elkaar af hoe om te gaan met bestaande en nieuwe ongezuiverde lozingen van huishoudelijk afvalwater. Hiervoor wordt de procedure voor ongezuiverde lozingen gevolgd (Bijlage 6 Procedure Ongezuiverde Lozingen).
6.2.4 Diffuse emissies Er is niet veel grip op vele kleine emissies10 (“diffuse emissies”). Op deze emissies stuurt het Rijk met het bronbeleid. Daardoor dalen deze emissies op termijn. Op dit moment zorgen deze emissies niet vaak voor waterkwaliteitsproblemen. Ook instrumenten als vergunningverlening en handhaving hebben op deze emissies weinig grip. Communicatie, voorlichting en plantoetsing wel. De strategie voor de diffuse lozingen is: • • •
Primair laten we het bronbeleid zijn werk doen. Daar waar diffuse emissies voor problemen zorgen (met name bouwmaterialen) dringen we er met voorlichting en plantoetsing bij partijen op aan deze zo veel mogelijk terug te dringen. Met monitoring wordt de ontwikkeling van deze emissie gevolgd.
6.2.5 Uitgangspunten voorkomen hinder: geur, geluid en H2S overlast Langere verblijftijden en aanrotting in druk- en persleidingen veroorzaken H2S vorming. Dit kan betonschade, corrosievorming en geurhinder tot gevolg hebben. Het is ook een serieus risico voor rioolinspecteurs en technici. Een goed ontwerp zorgt voor een significante vermindering van natuurlijke vorming van H2S en geurhinder. Hierdoor worden onnodige kosten voor geur beperkende maatregelen voorkomen. Dit kan door. • • • •
Het voorkomen van lange verblijftijden in druk- en persleidingen. Persleidingen zoveel mogelijk injecteren op persleidingen Bij aansluiting van persleidingen op een vrijverval riool zorgen voor een verdronken aansluiting
Toevoegingen van stoffen die een negatief effect hebben op het werken van de zuivering moeten worden vermeden. Emissiemaatregelen voor geur en geluid zijn (voor rioolgemalen) opgelegd vanuit de Omgevingswet en voorheen het activiteitenbesluit. Het hoogheemraadschap beschermt gemalen en persleidingen tegen H2S corrosie en past geur beperkende maatregelen toe. De omvang van deze maatregel hangt af van de kwaliteit van het aangevoerde rioolwater. Er worden geen normen gesteld aan de hoeveelheid H2S die door het rioolstelsel wordt geloosd op gemalen en persleidingen. Om de kwaliteit van eindgemalen, persleidingen en aanliggende rioleringsstelsels niet te snel te laten afnemen, is het nemen van maatregelen om H2S te voorkomen of te minimaliseren aan te bevelen. Voor de AWZI wordt vanuit de Omgevingswet een emissienorm voor geur opgelegd. De vastgestelde geurcontouren worden weergegeven in de maatregelmodule. Om te voldoen aan de gestelde eisen worden (waar nodig) op de zuivering geur beperkende maatregelen toegepast. H2S wordt bij binnenkomst op de zuivering afgevangen. Aanrotting van het afvalwater of de aanwezigheid van H2S heeft daarom geen significant effect op het zuiveringsproces. 6.2.6 ➢ ➢ ➢ ➢
➢
10
Calamiteitenbestrijding
Voor calamiteiten- en rampenbestrijding is de Wet Veiligheidsregio’s van toepassing. Het bevoegde gezag is de burgemeester van de inliggende gemeente, de voorzitter van de veiligheidsregio, de CdK of de minister. Gemeentelijke diensten en het hoogheemraadschap geven advies aan het bevoegde gezag en kunnen uitvoerende taken hebben. Bij bedreiging van het functioneren van de AWZI of voor de waterkwaliteit wordt het hoogheemraadschap van Rijnland ingeschakeld. De afgelopen planperiode is een gezamenlijk Incidentenplan opgesteld (zie hoofdstuk 7).
Een emissie die niet op één bepaalde plek zijn oorsprong heeft, maar over een groter gebied plaatsvindt
34
6.2.7 Schadelijke microverontreinigingen Per AWZI is bepaald of deze een ‘hot-spot’ is voor Schadelijke Microverontreinigingen. Afhankelijk van nut en noodzaak worden maatregelen benoemd in de maatregelmodule. Voorbeelden van microverontreinigingen zijn: micro plastics, nano deeltjes, Pfos/pfas, medicijnresten, hormoonstoffen en bestrijdingsmiddelen. Er zijn nog geen emissie opgaven voor deze stoffen. Het effect van veel van deze stoffen op het ecosysteem (water) is niet altijd voldoende duidelijk/bewezen. De wetgever richt zich op preventie/voorkomen van vervuiling. Een heldere boodschap helpt de burger in het nemen van eigen verantwoordelijkheid. De komende iWKp-periode zetten alle ketenpartners zich in om de communicatie over ‘wat wel en niet in het riool’ weer onder de aandacht te brengen. Dit is welllicht ‘oude informatie’ maar daarmee niet minder waar. Het hoogheemraadschap van Rijnland oriënteert zich op zowel preventiemaatregelen als end of pipe verwijdering op de AWZI’s. Er wordt hierbij gestreefd naar participatie door burgers en ziekenhuizen of zorginstellingen. Hierbij heeft bewustwording voor geneesmiddelen en bestrijdingsmiddelen prioriteit. Ook hierin wordt gezocht naar een ketenaanpak door inzameling van geneesmiddelen door apothekers en gemeenten. Ook wordt gezocht naar mogelijkheden om microverontreinigingen zoveel mogelijk naar grotere AWZI’s te brengen.
Dit kan door bijvoorbeeld meer ziekenhuizen naar dezelfde AWZI te laten afvoeren en de zuivering hier speciaal voor in te richten. Voor gemeenten is de vuillast vanuit de overstorten van de gemengde riolering belangrijk. Bij terugdringen van deze vuillast door afkoppelbeleid wordt voorkomen dat huishoudelijk- en bedrijfsafvalwater met verontreinigingen in het milieu terecht komen. Bij overstorten uit de gemengde riolering gaat het om incidentele situaties. Er is sprake van een riooloverstort op het moment dat regenbui groter is dan de berging in het rioleringsstelsel. Door de aanleg van hemelwaterleidingen én afvoer van hemelwater over het maaiveld (afvoer naar oppervlaktewater of infiltratie in de bodem), vermindert de belasting van afvalwater op het oppervlaktewater. De impact van hemelwaterafvoer op het oppervlaktewater wordt ook steeds belangrijker. Hemelwaterstelsels lozen afstromend regenwater van daken, groen en wegen op het oppervlaktewater. Dit afstromende hemelwater is schoner dan afvalwater, maar niet schoon. Lokaal zijn maatwerkoplossingen mogelijk. Het vasthouden van hemelwater in de bodem (droogte bestrijden, zie paragraaf 5.6) verkleint de hoeveelheid regenwater die in het oppervlaktewater terechtkomt. Naar verwachting neemt de verontreiniging van oppervlaktewater dan af.
Ook is er een maatschappelijk belang om wateroverlast (mogelijke schade aan gezondheid en bezit) in de bebouwde omgeving te voorkomen. Omdat dit zwaarder weegt dan een mogelijk negatieve beïnvloeding van de waterkwaliteit, blijft afstromend hemelwater naar oppervlaktewater acceptabel. 6.3 Zwemwater, speelwater en waterspeeltoestellen 6.3.1 ➢ ➢
➢
Zwemwater: Uitgangspunten waterkwaliteit en gezondheid
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)11 staan regels voor zwemwaterbeheer. Hieruit volgen verplichtingen voor provincie en waterbeheerder. Omgevingsdiensten voeren zwemwatertaken uit namens de provincies. Gemeenten volgen voor officiële zwemwateren de richtlijnen voor zwemwater, zoals vastgelegd in de Europese Zwemwaterrichtlijn, en de daaruit afgeleide Whvbz (Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden) en Bhvbz (Besluit hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden). Dit voor monitoring van de waterkwaliteit, de bepaling van de kwaliteitsklasse en het opstellen van zwemwaterprofielen. Taken Waterbeheerder Hoogheemraadschap van Rijnland: o o o o o
voor de zwemlocaties een zwemwaterprofiel opstellen en deze regelmatig beoordelen en zo nodig actualiseren; tijdens het badseizoen zwemwaterkwaliteit controleren door de zwemlocatie te monitoren. vaststellen of de zwemlocaties ingedeeld worden in de categorie 'slecht', 'aanvaardbaar', 'goed' of 'uitstekend'; passende maatregelen nemen voor behoud of verbetering van de zwemwaterkwaliteit; bij onverwachte situaties die negatieve gevolgen kunnen hebben op de kwaliteit van het zwemwater passende maatregelen nemen.
➢ Taken van de provincie; o o o
het publiek informeren over de zwemlocaties en de zwemwaterkwaliteit. De provincie kan indien nodig een negatief zwemadvies of zwemverbod instellen; elk voorjaar aanwijzen van de zwemlocatie; de duur van het badseizoen per zwemlocatie vaststellen;
11 afdeling 3.2
35
o
➢
➢ ➢
o
op de zwemlocaties jaarlijks een onderzoek naar de veiligheid verrichten. Hieraan gekoppeld stellen zowel provincie als waterbeheerder maatregelen vast voor de verbetering van de veiligheid; passende maatregelen nemen voor behoud of verbetering van de zwemwaterkwaliteit.
Zwemwateren worden, in opdracht van de waterbeheerder, minimaal 4x per seizoen en maximaal één maand voor start van het zwemseizoen bemonsterd op de aanwezigheid E.coli, Intestinale enterococcen en blauwalgen. Waterspeelplaats Cronesteyn in Leiden wordt bijvoorbeeld in het zwemseizoen minimaal 1x per twee weken bemonsterd. De (lokatie)beheerder is ook verantwoordelijk voor visuele controle op doorzicht, kleur, geur, schuim, olie en vuil. Wanneer uit de waarnemingen van de gemeente of uit de bemonsteringen blijkt dat er een gevaar kan zijn voor zwemmers wordt een negatief zwemadvies of zwemverbod ingesteld door Omgevingsdienst.
6.3.2 Zwemwater of speelwater? Initiatiefnemers voor zwemwaterlocaties moeten deze locaties melden bij de provincie. Het Hoogheemraadschap van Rijnland geeft daarbij advies. Waterspeelplaatsen die door de provincie aangewezen zijn als officieel zwemwater en daarmee onder de zwemwaterrichtlijn vallen, beschouwen we als zwemwater. Dit zijn locaties met een grote waterdiepte. Op deze locaties zijn vaak veel zwemmers aanwezig. Het oppervlaktewater van de andere waterspeelplaatsen beschouwen we als speelwater. 6.3.3 Onderscheid Waterspeelplaatsen Bij de waterspeelplaatsen maken we onderscheid in: ➢ ➢
➢
Speelwater. Hierbij is het oppervlaktewater zelf het speelelement. Dit zijn ondiepe speelvijvers of stroompjes waarin wordt gespeeld en gezwommen (door een gering aantal mensen). Vaak met speelelementen als stapstenen, sluizen en schepraderen. Zwemwater is (speel)water dat officieel aangewezen is als zwemwater door de provincie. Waterspeeltoestellen. Hierbij is het water onderdeel van de speelelementen. Het water is nodig om de speeltoestellen te laten fwerken. Denk hierbij aan een waterrad, watervallen, kanalen met hevels, sluizen, goten, schepraderen, et cetera. Deze toestellen worden bij voorkeur gevoed met schoon leidingwater of bronwater.
6.3.4 ➢ ➢ ➢ ➢ ➢
Speelwater: Uitgangspunten waterkwaliteit en gezondheid
Bij aanleg van nieuwe speelwaterlocaties moet, voorafgaand aan de ontwerpfase, door onderzoek aangetoond worden dat de beoogde locatie hier geschikt voor is en dat de waterkwaliteit (zwemwaterrichtlijn) gewaarborgd kan worden zonder speciale beheermaatregelen. Net als zwemwater, wordt speelwater door gemeente tijdens het zwemseizoen (1 mei tot 1 oktober), 1x per twee weken en maximaal één maand voor start van het zwemseizoen bemonsterd op de aanwezigheid E.coli, Intestinale enterococcen en blauwalgen. Ook is de (lokatie)beheerder verantwoordelijk voor visuele controle op doorzicht, kleur, geur, schuim, olie en vuil. Wanneer uit de waarnemingen van de (lokatie)beheerder of uit de bemonsteringen blijkt dat er een gevaar kan zijn voor de bezoekers, wordt door de gemeente een waarschuwing gegeven of de speelplaats wordt afgesloten voor publiek. Het gevaar van legionellabesmetting is bij niet spuitend speelwater minimaal en kan buiten beschouwing worden gelaten. Bij speelwater dat vernevelt en zich op openbaar gebied bevindt, kan legionellapreventie nodig zijn, bijvoorbeeld door desinfectie. Wanneer er onverhoopt toch sprake is van legionella, wordt het speeltoestel tijdelijk afgesloten en doorgespoeld. Hierna wordt het water herbemonsterd. Wanneer daaruit blijkt dat er geen legionella meer aanwezig is, kan het speeltoestel weer gebruikt worden.
6.4 Onderhoud watergangen 6.4.1 Taken en verantwoordelijkheden watergangen Het onderhoud van primaire watergangen, vastgelegd in de legger van oppervlaktewater van Rijnland, doet bij het Hoogheemraadschap van Rijnland. De overige wateren zijn in onderhoud bij de kadastrale eigenaren, voor het grootste deel de gemeenten. Een beperk, deel valt onder de onderhoudsplicht van andere kadastrale en/of aangrenzende eigenaren. Dan ligt de kadastrale perceelgrens in het midden van de watergang. De onderhoudsverplichting ligt dan bij de gemeente en een tweede partij. In de praktijk is het niet mogelijk om een watergang voor de helft te onderhouden. Daarom maken de onderhoudsplichtigen onderling afspraken over de aanpak van de onderhouds(bagger)werkzaamheden. Gangbare constructies zijn: ➢ ➢
totale kosten, inclusief een verrekening van voorbereidings- en uitvoeringskosten, van het betreffende traject worden evenredig gedeeld tussen de gemeente en de andere onderhoudsplichtige; de kosten van voorbereiding, baggeren (maar ook krozen en maaien) en transport worden betaald door de gemeente. De kosten voor verwerking van de baggerspecie of het accepteren op het aangrenzende perceel (indien mogelijk) worden gedragen door de andere onderhoudsplichtige. 36
6.4.2 Keur en legger Rijnland De onderhoudsplicht voor de gemeentelijke watergangen is omschreven in de keur van het hoogheemraadschap van Rijnland. Sinds 1 juli 2020 heeft Rijnland een nieuwe Keur (zie Keur en uitvoeringsregels (rijnland.net). • • •
6.4.3 ➢
➢
In de keur staat wie het onderhoud van een watergang moet uitvoeren en wat de onderhoudsplicht inhoudt. In de legger staat wat de gewenste diepte van de watergang is. In de keur is ook de ontvangstplicht van bagger en de waterplanten vastgelegd, die hoort bij de (perceel)eigenaar van de oever.
Onderhoudseisen watergangen Overtollige waterplanten verwijderen. De aanwezigheid van te veel waterplanten, bijvoorbeeld riet, hindert de aanen afvoer van water. Vanuit ecologisch oogpunt is het juist wél wenselijk dat er waterplanten in water groeien. Zij zijn een schuilplaats voor vissen en vogels. Waar waterplanten en begroeiingen geen hinder vormen voor de aanen afvoer van water, mag een gedeelte blijven staan. Dit is afhankelijk van het type water (primair of overig) en de breedte van het water. In geen geval mag verlanding optreden (water wordt land). Begroeiing wel of niet toegestaan?
o o o
in overige wateren smaller dan 2 meter breed mag geen begroeiing blijven staan. in overige wateren vanaf 2 meter, mag aan elke oever 10% van de breedte aan planten blijven staan. vanaf 6 meter, mag aan elke oever 20% van de breedte aan planten blijven staan. Dus in een overig water van 7 meter breed mag aan beide oevers 140 centimeter planten blijven staan. Zie ook onderstaand schema.
In onderstaand figuur staa een schema van een dwarsdoorsnede van een oppervlaktewater met de benaming uit de legger.
Als het het technisch mogelijk is, worden watergangen aangelegd en gebaggerd op circa 20 cm beneden leggerdiepte (de leggerdiepte ligt tussen ingreepmaat en onderhoudsmaat). 6.4.4 Verwerking van baggerspecie Beleidsmatig wordt de verwerking van baggerspecie onderverdeeld in drie vormen: 1. 2. 3.
het storten van baggerspecie in een erkende stortplaats; het nuttig hergebruik van baggerspecie volgens het Besluit bodemkwaliteit (Bbk); het be- of verwerken van baggerspecie in erkende inrichtingen volgens de Wet milieubeheer.
De praktijk leert dat uit het stadswater de laatste jaren relatief schone baggerspecie vrijkomt. Meestal omdat de sterk verontreinigde baggerspecie al in eerdere baggerronden is verwijderd. Het heeft de voorkeur bagger te verspreiden over het aangrenzend perceel. De ervaring is dat de ruimte in stedelijk gebied beperkt is en dat de bewoners het verspreiden van baggerspecie op de beschikbare ruimte niet op prijs stellen. Daarom voeren de beheerders de baggerspecie vaak af naar een erkende verwerker. Heel soms wordt de baggerspecie in een weilanddepot verspreid. Dit is een speciale vorm van “verspreiden over aangrenzend perceel”.
37
6.4.5 Natuurbescherming Baggeren Sinds 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming van kracht. Deze vervangt drie wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. De wet Natuurbescherming gaat op in de Omgevingswet. Bij het baggeren van watergangen moet rekening worden gehouden met aanwezige natuurwaarden. Sommige watergangen, die rijk zijn aan flora en fauna en waar bewoners veel waarde aan hechten, worden niet in het voorjaar of de zomer gebaggerd. Dit gebeurt in de voor flora en fauna beste periode (najaar en begin winter). De andere watergangen mogen het gehele jaar door gebaggerd worden. Baggerwerkzaamheden worden uitgevoerd conform de Gedragscode Waterschappen 2019. Daarin staat aan welke voorwaarden voldaan moet worden om werkzaamheden op ecologisch verantwoorde wijze uit te voeren. 6.5 Duurzaamheid (stap 7 waterketen) 6.5.1 Algemeen Een duurzame waterketen vraagt om (energie)besparingen en terugwinning van grondstoffen en CO2. Afvalwater is geen afval meer, maar een bron van grondstoffen (zoals organische stof, energie, fosfaat en water). Het betrekken van de waterketen bij invulling van duurzaamheidsopgaven biedt kansen. Vanuit de waterketen kan een concrete bijdrage worden geleverd aan de energietransitie. In de volgende paragrafen volgen een aantal voorbeelden.
6.5.2 Circulariteit Gemeenten en Rijnland hebben zich, in lijn met het nationaal en provinciaal beleid, als doel gesteld om 50% circulair te zijn in 2030 en volledig circulair in 2050. Hier worden gedurende de looptijd van het IWKP aanbestedings- en uitvoerings- richtlijnen opgesteld. Deze richten zich vooral op hoe hier mee om te gaan voor rioleringswerken.Vanaf 2024 werken we volgens onderstaand schema.
6.5.3 ➢ ➢ ➢ ➢ ➢
Kansen Energie en CO2-uitstoot Groeien naar de Energiefabriek, hierin wordt groene energie opgewekt en de CO2-uitstoot vermindert. Rijnland heeft een energie-opgave: 30% energiebesparing en 30% duurzame energieopwekking in de waterketen (biogas, wind, zon, riothermie, WKO, oppervlaktewater). Thermische Energie uit afvalwater (TEA). Warmte en/of koudewinning uit drinkwater en rivierwaterleidingen. Thermische Energie uit oppervlaktewater (TEO)
38
6.5.4 ➢
➢
➢
➢
6.5.5
Kansen Grondstoffen Bij stedelijke vernieuwing kan de samenstelling van het afvalwater worden bijgestuurd of kan worden onderzocht of (lokale) afzetkanalen kunnen worden ontwikkeld (circulaire economie). Rijnland voert een onderzoek uit naar de grondstoffenffabriek (het terugwinnen van fosfaat) bij de zuivering HaarlemWaarderpolder. Afhankelijk van de uitkomsten, wordt gekeken of een grondstoffenfabriek gemaakt kan worden. En vervolgens wordt dan gekeken of dit bij meerdere zuiveringen zoals bijvoorbeeld Leiden Zuid-West toegepast kan worden. Vanwege de vervuilingen in zuiveringsslib wordt dit nu nog tegen hoge kosten bewerkt, verbrand en gedumpt op de Maasvlakte. Recent heeft Stowa/RIONED mogelijke verbeteringen onderzocht. Afhankelijk van de kwaliteit van het afvalwater is compostering van het zuiveringsslib te overwegen. Dunea en Oasen hebben hergebruik van reststoffen uitbesteed aan Aquaminerals. Zij verzorgen de afzetting en recycling van de reststoffen die vrijkomen bij de drinkwaterproductie. Het gaat dan bijvoorbeeld om kalkkorrels die vrijkomen bij ontharding, waterijzer, poederkoolslib en struviet.
Van Nieuwe sanitatie naar circulaire waterketen
Perspectief:Kan je in afval een roos zien bloeien?
Dit perspectief ligt aan de basis van Nieuwe Sanitatie. Met Nieuwe Sanitatie wordt gestreefd naar een duurzame (afval)waterketen. Het eindproduct is een reststroom waar de afvalstoffen efficiënt gescheiden kunnen worden. Het hoogheemraadschap zet deze dan om naar grondstoffen of energie (na verwijdering van schadelijke en zorgwekkende stoffen). Bij Nieuwe Sanitatie zijn drie partijen met elkaar verbonden. • • •
Drinkwaterbedrijf Dunea/Oasen. Dit bedrijf maakt het drinkwater en brengt dit bij inwoners en bedrijven. Drinkwater wordt in huis omgezet naar afvalwater. Gemeenten zamelen stedelijk afvalwater in en transporteren dit naar het eindgemaal. Waterschap transporteert het stedelijke afvalwater van eindgemaal naar de zuivering en behandelt het.
Doelen • • •
Verminderen afvalwaterstromen door drinkwater besparende maatregelen toe te passen en beuwst en duurzaam gebruik van drinkwater. Efficiënter kunnen transporteren en zuiveren, zodat energie, grondstoffen en schoon (gebiedseigen) water de eindproducten zijn van de waterketen. Betere waterkwaliteit door verbeteren zuiveringsrendement en voorkomen overstorten door een verminderende, maar dikkere, afvalwaterstroom.
Circulaire Benadering Nieuwe Sanitatie is een circulaire benadering, waarbij alle schakels, zelfs de (toekomstige) inwoners, in de waterketen zijn betrokken. De volgende stappen worden doorlopen. 1. 2. 3. 4.
Start met drinkwater besparen; Hergebruik van grijs water en/of regenwater Transporteer zo zwart en dik mogelijk afvalwater naar de zuivering én houdt relatief schoon water in het gebied. Water dat nodig is bij droogte én het ecosysteem ondersteunt; Benut zwart water als grondstof voor o.a. bio-plastics of bron voor (chemische) energie.
Het is duidelijk dat hier voor bewoners, drinkwaterbedrijven, gemeenten en waterschappen uitdagingen liggen van bron tot zuivering en oppervlaktewaterbron. Niet alleen technisch, maar ook bestuurlijk. Dit vraagt om een brede aanpak van stedelijke vernieuwing. Want het gaat niet alleen om inpandige oplossingen, maar ook om ruimtelijke inrichtingsvraagstukken t.a.v. sturen, opslaan en circulair gebruik van water. In de Bollenstreek wordt op de ontwikkelingslocatie Valkenhorst dit concept geïmplementeerd. De echte uitdaging ligt natuurlijk om de principes ook in het bestaande gebied toe te passen. 6.5.6 Kaderrichtlijn water voor overig (stedelijk) water ‘Overig water’ is het merendeel van de watergangen in de polders en de vele kleine watersystemen op boezemniveau. Vrijwel al het stedelijk water valt hieronder. Samen onderzoeken we de mogelijkheden om binnen het stedelijk gebied de waterkwaliteit te verbeteren. Gemeenten krijgen hierin expliciet ruimte om ambities voor de waterkwaliteit kenbaar te maken. Dit is een open overleg waarvoor geen procedure is opgesteld. Hierin neemt het hoogheemraadschap het initiatief. Onderwerpen die aan bod kunnen komen en waarover afspraken gemaakt kunnen worden, zijn. 39
• • • • • •
Functie (bijdragen en versterken van gemeentelijke ambities zoals toerisme, recreatie, natuurwaarde, biodiversiteit samen met waterstructuur en waterkwaliteit toevoegen als onderwerp aan planvorming) Inrichting (bijv. natuurvriendelijke oevers, afkoppelen verhard oppervlak, niet-ondergedoken duikers) Onderhoud (bijv. baggeren en maaien) Beheer (bijv. peilbeheer, doorspoeling) Monitoring (wat gaan we waar en hoe vaak meten) Emissies binnen stedelijk gebied (bijv. bestrijdingsmiddelengebruik en toepassing van bouwmaterialen)
6.6 Bodem, Ondergrond en grondwater 6.6.1 Omgevingswet en bodem De Omgevingswet benoemt de bodem als een onderdeel van de fysieke leefomgeving. Het begrip bodem is als volgt gedefinieerd: “vaste deel van de aarde met de zich daarin bevindende vloeibare en gasvormige bestanddelen en organismen.” In de Omgevingswet is de definitie van grondwater: “water dat zich onder het bodemoppervlak in de verzadigde zone bevindt en dat in direct contact met de bodem of ondergrond staat.” Het nieuwe wettelijke instrumentarium voor bodem berust op drie pijlers: • • •
het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie); het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging over de kwaliteit van de leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies); het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer historische verontreinigingen).
Elke pijler kent zijn eigen instrumenten die ontleend worden uit de Omgevingswet. De nieuwe regels vervangen de huidige regels over bodemkwaliteit, zoals de Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit en het Besluit uniforme saneringen. 6.6.2 Zorgplicht bodem Met de komst van de Omgevingswet, wijzigt de systematiek van de zorgplicht voor bodem. Het beschermingsniveau voor de bodem blijft wel hetzelfde onder de Omgevingswet. De zorgplicht verplicht iedereen bij (dreigende) bodemverontreiniging of aantasting tot het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd. Dit gaat zowel om het voorkomen als het ongedaan maken van verontreinigingen en aantastingen. 6.6.3 De Opgave De bebouwde omgeving kan niet functioneren zonder een gezonde bodem en zonder de vitale infrastructuur zoals drinkwaterleidingen, riolering, en een energienetwerk die daar in liggen. Zowel boven- als ondergronds is de ruimtelijke invloed van deze netwerken en systemen groot. Die wordt in de toekomst alleen maar groter. Al deze netwerken en systemen staan onder druk en vormen een opgave richting 2040: • • • •
de riolering is deels verouderd; waterleidingen worden door de hoge temperaturen (klimaatverandering) te warm; het voor de kenniseconomie noodzakelijke dataverkeer vraagt om snellere en betere verbindingen (glasvezel) dan nu beschikbaar zijn; de bestaande ondergrondse infrastructuur van kabels en leidingen moet verzwaard, aangepast en uitgebreid te worden voor de energietransitie en klimaatverandering.
Dit alles terwijl de ruimte in de bodem beperkt is. Dat vraagt om slimme combinaties. Zo moet de verduurzaming van de energie-infrastructuur hand in hand gaan met de klimaatadaptieve maatregelen. Ook het grondwatersysteem verandert in de toekomst door klimaatontwikkelingen. Er is sprake van bodemdaling en zettingen in de ondergrond. Daarnaast kan het veranderende en toenemende gebruik van de ondergrond (de energietransitie) het grondwatersysteem beïnvloeden. Dit betekent dat de boven- en ondergrondse opgaven beter op elkaar afgestemd moeten worden. Soms is de ondergrond leidend voor de mogelijkheden bovengronds. De gemeenten hebben hierin een faciliterende en stimulerende rol en pakken de regie om samen met relevante partijen de bodem en ondergrond duurzaam in te richten. 6.6.4
Wat gaan we doen vanuit de waterketen? 40
➢
Een consistente ordening van de ondergrond. Door bij vervanging van riolering de ligginggegevens te combineren met die van andere gebruikers (Telecom, water, netbeheerder etc) wordt een integraal ontwerp van de ondergrond (bestaande en nieuw benodigde liggingsgegevens) gemaakt. Dit is de kans om door ruimtereservering rekening te houden met toekomstige ontwikkelingen zoals energietransitie en klimaatadaptatie.
➢
Bodemdaling en verzilting tegengaan. Bodemdaling is een reële bedreiging in de Leidse regio. De mate waarin verschilt van locatie tot locatie. Verzilting is pas een probleem wanneer er functies zijn die er niet goed tegen kunnen. Het is goed om ook hier rekening mee te houden. Een andere omgang met bodemdaling is gezamenlijk optrekken nodig van diverse overheden, ketenpartners en andere belanghebbenden. Ook hier spelen de ontharding van tuinen en het vasthouden van water een belangrijke rol en is de participatie van bewoners essentieel.
➢
Waterkwaliteit beschermen o Door de extremere temperaturen wordt het drinkwater in de ondiep liggende waterleidingen te warm. Dat is een risico voor de volksgezondheid. Dit wordt opgelost met afspraken over de ordening van de ondergrond met diensten en bedrijven. o Om de overstort van het vuilwaterriool te voorkomen wordt een gescheiden rioolstelsel gerealiseerd. o Ook wordt gewerkt aan natuurvriendelijke oevers om de kwaliteit van het oppervlaktewater te verbeteren. o we pakken verontreiniging van grondwater door historische activiteiten aan en zorgen ervoor dat de risico’s beheerst worden, en verontreiniging zich niet via het grondwater verder kan verspreiden. Uitgangspunt is dat de vervuiler de verontreiniging zelf aanpakt.
➢
Integraal en duurzaam, werk met werk maken. De rioleringswerkzaamheden, de ingrepen voor de klimaatadaptatie en de opgaven voor de energietransitie lopen zoveel mogelijk gelijk op. Waar dat niet lukt, wordt zowel bij de rioleringswerkzaamheden, als bij de ingrepen voor de klimaatadaptatie, als bij de ingrepen in het energienet, gewerkt met de inrichtingsprincipes voor de ordening van de ondergrond. Er wordt voldoende ruimte gereserveerd voor andere opgaven (in ieder geval voor versterking en uitbouw van de groenstructuren). De aanwezige kabels en leidingen worden op de juiste wijze ingepast. Bij het werk met werk maken is de functionaliteit (leeftijd) in combinatie met de kwaliteit van de riolering maatgevend. Dit om te voorkomen dat kapitaalvernietiging ontstaat door vroegtijdige vervanging (ruim voor einde levensduur).
➢
Gezonde en doorlaatbare bodem stimuleren. Afstemming tussen ondergrond en ontwikkelingen boven de grond is ook belangrijk om de biodiversiteit in de bodem te verbeteren. Het gaat dan om een gezonde bodem, waar natuurlijke processen kunnen plaatsvinden en verharding beperkt is. Een gezond bodemleven bestaat uit heel veel organismen, denk aan schimmels, bacteriën en ongewervelde dieren. Er is ook een wisselwerking met het leven bovengronds. Zo groeien planten beter in een vitale bodem. Deze ecologische kwaliteit is er alleen wanneer lucht en water kan doordringen in de grond. Met een veranderend klimaat telt iedere druppel water die in de bodem kan trekken. Een gezonde en doorlatende bodem draagt bij aan klimaatadaptatie. Waterretentie (het vasthouden van water) draagt hier ook aan bij.
➢
Leveringszekerheid drinkwater, nu en in de toekomst. Bij groei van het aantal woningen en voorzieningen hoort ook uitbreiding van (capaciteit van) ondergrondse kabels en leidingen (denk aan drinkwater, riool, elektriciteit et cetera) en aanpassing van andere infrastructuur. Verder is voldoende productiecapaciteit nodig voor drinkwater voor de toekomstige leveringszekerheid. De verwachting is dat hieruit een ruimtevraag voortvloeit voor de Leidse regio; zowel ondergronds als bovengronds. De drinkwatervoorziening nu en in de toekomst is een belangrijk onderwerp van gesprek met gemeenten en betrokken stakeholders.
41
42
7
SAMENWERKING IN DE LEIDSE REGIO
7.1 Inleiding In de Leidse Regio is al veel ervaring opgedaan met samenwerking in de waterketen. Dit iWKp is basis voor de voortzetting en verdere uitbouw van de samenwerking in bedrijfsvoering in de waterketen. Ook als integraal onderdeel van de stedelijke omgeving. De 3 K’s (Kosten, Kwaliteit en Kwetsbaarheid) blijven daarbij centraal staan. De samenwerking levert meerwaarde door gezamenlijk efficiënter en goedkoper in te kopen en door gebruik te maken van elkaars ervaringen en elkaars werkwijzen. Zo wordt voorkomen dat ieder ‘het wiel voor zichzelf uit moet vinden’. Gelijkwaardigheid en autonomie van de partners zijn hierbij het vertrekpunt. Onderlinge samenwerking gebeurt op operationeel niveau, met gegevensuitwisseling, en door gezamenlijke projecten, gezamenlijke inkoop en overleg. Ontwikkelingen als klimaatadaptatie, energietransitie, woningbouw en invoering van de Omgevingswet hebben hun effect op (het omgaan met) de waterketen en hieraan wordt door de partners vanuit hun watertaken bijgedragen. De geplande activiteiten en maatregelen (zie de Maatregelenmodule) worden geprogrammeerd en daarmee wordt de voortgang van deze activiteiten ondersteund en de gezamenlijkheid geborgd. 7.2 Ambities en Organisatie De ketenpartners willen in de komende planperiode de waterketen, die een groot maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigd, in stand houden en waar mogelijk verbeteren.
Met in acht neming van de hierboven genoemde 3K’s en binnen de kaders van de Omgevingswet. En daarbij kansen grijpen voor klimaatadaptatie, energietransitie, duurzaamheid en een gezonde en leefbare omgeving. Sleutelfactoren om deze doelen op een kosteneffectieve wijze te bereiken zijn: • •
Assetmanagement voor goed beheer en optimaal benutten van de gezamenlijke waterketeninfrastructuur; Kennisbeheer en -ontwikkeling. Dit is zowel de kennis van het eigen gebied en de eigen systemen en infrastructuur (kenmerken, meetresultaten) als het gebruiken van elders in Nederland ontwikkelde kennis.
De samenwerking vindt zijn basis in het ambtelijk waterketenoverleg. Van daaruit worden managers en bestuurders betrokken om richting te geven en de benodigde middelen beschikbaar te stellen. Alle partners in de waterketen willen de samenwerking versterken. Omdat de formaties van de organisaties niet groot zijn, is de kwetsbaarheid (vertrek of tijdelijk niet beschikbaar zijn van medewerkers) een gezamenlijk aandachtspunt. Het zoveel mogelijk op een vergelijkbare wijze werken helpt om elkaar daarbij te ondersteunen. De samenwerking is per onderwerp maatwerk, de ene keer gericht op de Leidse Regio geheel en andere keren op een zuiveringskring of deel daarvan. 7.3 Van normgericht naar risicogestuurd beheer/Asset Management Om de openbare ruimte te laten functioneren, beheren gemeenten talloze objecten. Deze objecten, zoals riolering, bruggen en bomen heten ook wel assets. Assetmanagement beziet de openbare ruimte als een verzameling van objecten die gezamenlijk een prestatie moeten kunnen leveren. Elke asset heeft een functie met een daaraan gekoppelde prestatie die moet worden verricht. Zo is een watergang er om water aan- en af te voeren met als prestatie de hoeveelheid water die per tijdseenheid afgevoerd kan worden. In de vorige planperiode is binnen de samenwerking gestart met de introductie van een meer risico gestuurd vervangingsbeleid.