CConstaterende datvoorschoten
Koppel je AI →
Document · PDF

Informatiebrief 066 Onderzoek mogelijke rol gemeente bij Joods vastgoed (incl. bijl.)

Gemeenteraad Voorschoten 2 november 2023, gemeente voorschotenBij agendapunt: Informatiebrieven van het College van B&W11.524 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Informatiebrief Zaaknummer:

Z/22/066564

Documentnummer:

360724

Datum:

maandag 18 september 2023 verzonden 26 september 2023

Onderwerp:

Onderzoek mogelijke rol gemeente bij Joods vastgoed

Portefeuillehouder:

Wethouder De Bruijn

Bijlage(n):

1. Rapport Joodse Onteigeningen Voorschoten

Geachte Raad, Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn duizenden panden van Joodse burgers door de bezetter onteigend en doorverkocht. Na de oorlog zagen de teruggekeerde eigenaren of hun nabestaanden zich bij de restitutie in een aantal steden met langdurige procedures en soms hoge kosten geconfronteerd. We zijn er als college van Burgemeester & Wethouders op geattendeerd dat er mogelijk ook gebeurtenissen in Voorschoten hebben gespeeld. Naar aanleiding hiervan heeft het college opdracht gegeven hier onderzoek naar te doen. Het team Advies & Actualiteit van de Radboud Universiteit heeft het onderzoek uitgevoerd. Voor u ligt het rapport dat het team Advies & Actualiteit van de Radboud Universiteit heeft uitgevoerd. Uit het onderzoek blijkt dat de gemeente Voorschoten geen rol heeft gespeeld bij de ontrechting van Joods vastgoed. Voor de conclusies verwijs ik u naar het rapport Joodse Onteigeningen Voorschoten, bladzijde 19 & 20 – “Conclusies over onteigening en rechtsherstel”.

Met vriendelijke groet, het college van burgemeester en wethouders,

E.A. van Wattingen, gemeentesecretaris

drs. N. Stemerdink, burgemeester

Deze brief is digitaal vastgesteld. Hierdoor staat er geen fysieke handtekening in de brief. Gemeente Voorschoten Leidseweg 25 | Postbus 393, 2250 AJ Voorschoten | T 14071 | E gemeente@voorschoten.nl | www.voorschoten.nl BTW NL 00179762B01 | KvK 27381083 | IBAN NL43 BNGH 0285 0796 70 | BIC BNGHNL2G

JOODSE BURGERS IN VOORSCHOTEN: ONTEIGENING EN RECHTS­HERSTEL Onderzoek in opdracht van gemeente Voorschoten

Charlotte Dommerholt MA Owen Duijvendak Prof. dr. Wim van Meurs Dr. Marieke Oprel Nijmegen, augustus 2023

Joodse burgers in Voorschoten: onteigening en rechts­herstel Onderzoek in opdracht van gemeente Voorschoten

Dit onderzoek is uitgevoerd door Advies & Actualiteit, een onderzoeksteam dat zich bezighoudt met actuele vraagstukken van maatschappelijke en (semi)overheidsorganisaties. Het team is verbonden aan de expertisegroep Politieke Geschiedenis van de Radboud Universiteit. Projectleiders: Wim van Meurs, Marieke Oprel Onderzoekers: Charlotte Dommerholt, Owen Duijvendak Redactie: Susanne Geuze Vormgeving: Joyce Dekker Bij voorkeur citeren als: Charlotte Dommerholt, Owen Duijvendak, Wim van Meurs, Marieke Oprel, ‘Joodse burgers in Voorschoten: onteigening en rechts­herstel’ (Nijmegen: Radboud Universiteit, Advies & Actualiteit, augustus 2023). Het auteursrecht van deze publicatie berust bij de opdrachtgever: Gemeente Voorschoten Afbeelding omslag Voorschoten; een vliegtuig (bommenwerper type B-25 Mitchell) vliegt over de toren van de Dorpskerk, datum onbekend (waarschijnlijk april/mei 1945), fotograaf onbekend. © Gemeentearchief Voorschoten, VS-FO-0760-1

4

Inhoudsopgave 1.

Inleiding Over dit onderzoek Oorlogsverleden en Jodenvervolging Dankwoord Opdracht Het onderzoeksteam

2. Onteigening en rechts­herstel in Voorschoten Onteigening en rechts­herstel De gemeente en Joods vastgoed Bejegening

3.

Verantwoording Woordkeuze Methode

4.

Bijlagen Tabel: Onteigening en rechts­herstel Voorschoten Literatuur Archieven Websites en kranten

5

7 8 9 13 14 15 17 18 19 20 23 23 25 33 33 34 37 38

6

1. Inleiding Tijdens de bezetting (1940-1945) deporteerde het naziregime meer dan honderd­duizend Nederlandse Joden. Via Kamp Westerbork werden deze mensen afgevoerd naar concentratiekampen, waaronder Auschwitz en Sobibor. Slechts weinigen overleefden de Holocaust. Vaak werden al voor deportatie de bezittingen van deze inwoners geroofd: van kunstwerken, hypotheken en effectenportefeuilles tot woninginboedels, landbezit en vastgoed. Vele duizenden panden van Joodse eigenaren werden onteigend en een deel daarvan werd tijdens de oorlog doorverkocht. Joodse burgers die de kampen overleefden of na de bevrijding hun onderduik konden verlaten, keerden vaak terug naar hun vroegere woonplaats. Bij terugkeer moesten zij of, veel vaker, hun overlevende familieleden en nabestaanden, vaststellen dat veel panden door de bezetter waren doorverkocht of in ieder geval nieuwe bewoners hadden. De teruggaaf van Joodse eigendommen werd geregeld door de Raad voor het Rechts­herstel in Den Haag. In principe werden de onteigeningen en oorlogskopen nietig verklaard. Daarvoor moest de ontrechte Joodse burger wel een verzoek om teruggaaf indienen. Hij of zij kreeg dan vaak te maken met onverwachte kosten, waaronder belastingen of erfpacht over de jaren van ‘afwezigheid’.

Reconstructies laten zien dat berooide Joodse eigenaren hun vastgoed soms meteen weer moesten verkopen om deze rekeningen te kunnen betalen. Vaak was het een moeizaam en lang proces om aan de eisen van het rechts­herstel te voldoen, of met de nieuwe eigenaar tot een ‘minnelijke schikking’ te komen. In het Nederlandse verhaal over de oorlog werden de antisemitische maatregelen, deportaties van Joden en onteigeningen van hun vastgoed lange tijd vooral geassocieerd met de nazi’s en hun bezettingsregime. Pas sinds het einde van de 20e eeuw zijn ze stap voor stap deel geworden van de eigen geschiedenis, als zwarte bladzijde van onrecht en ontrechting. Afgelopen jaren stelde men ook steeds nadrukkelijker de vraag, welke al dan niet verwijtbare rol Nederlandse gemeenten hebben gespeeld bij de onteigeningen en het rechts­herstel. Nabestaanden, Joodse organisaties, onderzoeksjournalisten en historische verenigingen agendeerden dit thema in de gemeentepolitiek. De uitgangssituatie en bestuurlijke keuzes tijdens de bezetting en bevrijding verschilden per stad. Daarom is systematisch archiefonderzoek nodig om de historische feiten te reconstrueren. Met de grote steden in de Randstad voorop hebben inmiddels tientallen steden deskundige historici opdracht gegeven om de rol van hun gemeente in beeld te brengen.1

7

Over dit onderzoek Historisch geïnteresseerden en betrokkenen in Zuid-Holland doen al jaren onderzoek naar gebeurtenissen in de Tweede Wereldoorlog. Zo proberen zij de slachtoffers van de bezetting en de Jodenvervolging een gezicht en een levensverhaal (terug) te geven en het onrecht tastbaar te maken. Ons onderzoek is nadrukkelijk geen poging om dit omvangrijke en gedetailleerde werk over te doen of te controleren. We zijn ons er bovendien van bewust dat vormen van ontrechting en onrecht in dit onderzoek buiten beschouwing moeten blijven: vormen die niet gaan over de onteigening van Joods vastgoed. We beseffen ook dat het proces van rechts­herstel, met al zijn tekortkomingen, veelomvattender was dan de vragen die wij beantwoorden. Ons onderzoek had een korte looptijd en bestond uit gerichte vragen naar de rol van de gemeente in onteigening en rechts­herstel. Deze opdracht was in die zin beperkt. De meerwaarde ligt juist in de systematische methodiek en transparante keuzes van het archiefonderzoek. In 2021, 2022 en 2023 voeren we in Gelderland, Overijssel, Noord-Holland en Zuid-Holland nog zo’n tien soortgelijke onderzoeksprojecten uit voor dertig gemeenten.2 Deze serie projecten maakt het mogelijk om onze methodiek en de keuze van archiefbronnen verder te verbeteren.

De inzichten die we opdoen, kunnen we in een breder perspectief plaatsen, zonder daarbij de eigen­heid van de oorlogsgeschiedenis van elke gemeente uit het oog te verliezen. In onze onderzoeksopdracht is het geen doel op zich om een volledige reconstructie te maken voor individuele ontrechte personen en onteigende panden. We hebben het dossier van een aanzienlijk aantal personen en panden gereconstrueerd. Deze dossiers hebben we niet in verhalende of gestandaardiseerde vorm opgenomen in het rapport. Met representatieve voorbeelden laten we zien hoe de procedures van onteigening en rechts­herstel werkten. We laten met voorbeelden ook zien welke informatie en ingangen de archieven bieden voor de vragen van de gemeente.

Oordelen toen en nu De historische reconstructie en analyse van het bestuurlijke (niet) handelen tijdens de bezetting en na de bevrijding staan los van een moreel oordeel. Vanuit ons huidige perspectief, driekwart eeuw later, moeten we voorzichtig zijn met zo’n oordeel. In een paar gevallen biedt het historische bronmateriaal aanknopings­punten dat burgemeesters, wethouders en ambtenaren in strijd handelden met maatschappelijke verwachtingen of bestuurlijke normen van die tijd. Dit rapport sorteert voor op een oordeel over hoe gemeente Voorschoten handelde tijdens de oorlog. Tegelijkertijd is het noodzakelijk om historische gebeurtenissen in hun context te plaatsen. Beide uitersten bieden geen soelaas. Alleen uitgaan van de destijds geldende regels zou in lijn zijn met de ‘kille, formalistische’ aanpak van het naoorlogse rechts­herstel. Juist op die aanpak is nu van alle kanten kritiek. Tegelijkertijd moeten we ons ervan bewust zijn

8

dat normen en verwachtingen tijdgebonden zijn. Elke generatie stelt weer andere vragen aan de geschiedenis. Het zou te ver gaan om zomaar vanuit het heden te oordelen over hoe mensen in een andere tijd handelden, terwijl hun omstandigheden en beperkingen ons (gelukkig) vreemd zijn. Dit rapport bestaat na deze inleiding uit een hoofdstuk met de bevindingen van ons archiefonderzoek en de conclusies. In het derde hoofdstuk besteden we aandacht aan de verantwoording van dit onderzoek en voorzien we de begrippen die we gebruiken van toelichting. Het vierde en laatste hoofdstuk geeft in tabelvorm een overzicht van de onteigende panden voor onteigening en rechts­ herstel. Ook vindt u hier een overzicht van geraadpleegde literatuur en gebruikte archief­collecties. De conclusies van ons onderzoek zijn te vinden in hoofd­stuk 2, aan het eind van de paragrafen ‘Onteigening en rechts­herstel’ en ‘Bejegening’. In alle rapporten van deze projectenserie hanteren we dezelfde methodiek. De Inleiding en de paragraaf Woordkeuze (hoofdstuk 1 en 3) van de eindreportages zijn daarom grotendeels gelijkluidend.

Oorlogsverleden en Jodenvervolging De Tweede Wereldoorlog houdt veel mensen in Nederland nog altijd bezig. Hoe gaan we om met dit verleden van oorlog, bezetting, Jodenvervolging, collaboratie en verzet? Die vraag speelt nog net zozeer een rol als in de periode vlak na de bevrijding. In die driekwart eeuw zijn de vragen en inzichten in de wetenschappelijke literatuur sterk veranderd. Ook in de maatschappij kijken mensen nu anders naar de bezetting en de Jodenvervolging, en naar de rol van Nederlandse overheden daarin. Achteraf bezien heeft de overheid een belangrijke rol gespeeld in de omgang met dit verleden. Met name door hoe ze direct na de oorlog rechts­ herstel en zuiveringen organiseerde, maar ook door de besluiten tot compen­ satie­betalingen aan de Joodse gemeenschap een halve eeuw later. Door ons in die tijd en haar denkkaders te verplaatsen, kunnen we begrijpen waarom deze politieke en juridische keuzes zo gemaakt werden. Zo wordt de omgang met het verleden ook zelf weer geschiedenis. Ook nu is het rechts­herstel nog geen afgesloten hoofdstuk. En ook ons beeld van bezetting en Jodenvervolging blijft zich ontwikkelen.

Nederland en de buurlanden Als je Nederland vergelijkt met andere Noordwest-Europese landen die bezet zijn geweest door nazi-Duitsland, vallen een paar dingen op. De Nederlandse overheid gaf veel prioriteit aan het herstel van de eigendomsverhoudingen en het normaliseren van het economische verkeer. En dat terwijl de geschied­ schrijving over de oorlog zo sterk en zo lang werd gekleurd door een goed/foutperspectief. Voor ons moeilijk voorstelbaar, maar de Jodenvervolging kreeg in Nederland pas in de jaren zestig haar centrale plaats in de herinnering aan de oorlogstijd, net als in de buurlanden. Aan het eind van de vorige eeuw kwam moeizaam een debat op gang over nationale schuld (naast slachtofferschap). Ook wat dat betreft liep Nederland

9

Europees gezien in de pas. In de publieke herinnering kwam steeds meer de nadruk te liggen op verantwoordelijkheid, verwerken en compensatie of excuses voor het (niet) handelen van overheidsinstellingen tijdens de bezetting. Vlak na de oorlog was het bestuurlijke en juridische proces van rechts­ herstel deel van de omgang met het recente verleden. Inmiddels is dat rechts­ herstel zélf onderwerp geworden van een kritische beoordeling. Ook dit is niet typisch Nederlands. We zien het ook gebeuren in Frankrijk, België en de Scandinavische landen.

Goed en fout Direct na de bevrijding streden verschillende uitdagingen om voorrang: weder­ opbouw en economisch herstel, bestraffing van landverraders en collabora­ teurs en rechts­herstel voor slachtoffers en ontrechten. De Nederlandse regering in ballingschap in Londen had zich voorgenomen om ‘snel, streng en rechtvaardig’ om te gaan met landgenoten die ‘fout’ waren geweest tijdens de oorlog en bezetting. Niet minder dan 150.000 mensen moesten zich voor regionale tribunalen verantwoorden. Onder hen waren politieagenten en NSB’ers, maar ook veel bestuurders die op hun post waren gebleven. Een klein aantal kopstukken werd streng gestraft, waaronder Anton Mussert en Hanns Albin Rauter. Zij werden als oorlogsmisdadigers gefusilleerd. In de praktijk verschoof de aandacht al snel naar maatschappelijk en economisch herstel. Straffen werden milder en het vroegere verzet kreeg steeds minder zeggenschap in de bestraffing van daders.3 Met deze tribunalen was wel de toon gezet. Men zag in het verleden een duidelijke tegenstelling tussen goed en fout, sterk gekoppeld aan de houding ten opzichte van het vaderland. Zeker in de eerste jaren na de bevrijding werd de beeldvorming over de bezettingstijd gedomineerd door verhalen over verzetsdaden en de vaderlands- en Oranjeliefde van de gewone Nederlander.

Alleen een kleine groep NSB’ers, landverraders en opportunisten zou het naziregime hebben gesteund. Uit deze tijd stamt ook het Monument van de Joodse Erkentelijkheid voor de Amsterdammers die de Joodse bevolking hadden geholpen. Het feit dat in geen West-Europees land proportioneel zo weinig Joodse burgers de bezetting overleefd hadden als in Nederland, bleef zo op de achtergrond. Over een bijzonder slachtofferschap van de Joodse bevolking werd nauwelijks gesproken, ondanks de beelden en berichten van de bevrijding van Auschwitz en andere concentratiekampen.

Na de bevrijding Eenmaal in Den Haag teruggekeerd, organiseerde de Nederlandse regering (ook op basis van Londense plannen) de teruggaaf van bezit dat de bezetter en anderen zich onrechtmatig hadden toegeëigend. Ook moesten eigendoms­ rechten worden hersteld. Om dit proces in goede banen te leiden, werd al in augustus 1945 de Raad voor het Rechts­herstel opgericht. Daarbij hoorde ook het Nederlands Beheersinstituut (NBI). Dat instituut beheerde het bezit

10

Tijdelijke rechtbanken voor de bijzondere rechts­ pleging na de bevrijding. Regionale tribunalen bestonden uit een jurist en twee gerespecteerde personen uit de regio. De nationale overheid moest hun oordeel goedkeuren. De NationaalSocialistische Beweging in Neder­land werd in 1931 opgericht door Anton Mussert. De NSB won bij de Provinciale Staten­verkiezingen 1935 bijna 8 procent van de stemmen. Rauter was de hoogste vertegen­woordiger van de SS in Neder­land. Hij was medeverantwoordelijk voor de deportatie van de Neder­landse Joden.

van zowel Duitse instellingen, landverraders en collaborateurs als van de ontrechten en vermisten uit de bezettingstijd, in afwachting van definitieve regelingen. Uitgangspunt was dat de bezitsverhoudingen van vóór de onteigeningen moesten worden hersteld. De Nederlandse staat nam daarin een bemiddelende en afstandelijke positie in. Men wilde zo snel mogelijk terugkeren naar een ongehinderd economisch leven, zonder slepende eigendomsconflicten. Om ontwrichting van de wederopbouw te voorkomen, koos men voor verdelende in plaats van herstellende gerechtigheid. Dat betekende dat de ontrechten net zomin mochten worden bevoordeeld bij het rechts­herstel, als de oorlogskopers mochten worden benadeeld. Rechts­herstel werd gezien als een eenmalige en vooral boekhoudkundige handeling: de onrechtmatige onteigeningen en eventuele doorverkoop werden ongedaan gemaakt, maar de gevolgen ervan bleven voor rekening van de oorspronkelijke eigenaar. Kortom, bij rechts­herstel was gerechtigheid niet het doel. En ondanks hun bijzondere slachtofferschap zag men het als onwenselijk om de Joodse gemeenschap anders te behandelen dan andere groepen slachtoffers. Het is veelzeggend dat Joodse vertegenwoordigers geen stem kregen in de Raad. Rechts­herstel en teruggaaf betekenden meestal een minnelijke schikking tussen onteigende en oorlogskoper.

Daarbij woog de ongunstige onder­handelings­positie van de een net zo weinig mee als de vraag of de ander schuldig was. De meeste Joodse burgers keerden immers berooid terug. En vrijwel elke koper wist (of had kunnen weten) dat ‘zijn’ vastgoed uit Joods bezit stamde.4

Jodenvervolging en collectieve schuld In de jaren zestig kreeg de Holocaust een centrale plaats in de oorlogs­ herinnering. Concentratiekampen werden toen ingericht als herdenkings­ centra. Deze perspectiefwisseling begon in de Bondsrepubliek Duitsland, vanuit een besef van nationale, collectieve schuld. In heel Europa verschoof de aandacht van de veldslagen, verzetshelden en oorlogsmisdadigers naar de slachtoffers. Het ging ook niet meer over de natie, maar over individuele burgers. Egodocumenten en historisch onderzoek gaven de Jodenvervolging en het bijzondere slachtofferschap van Joodse burgers door de vernietigingskampen een centrale plaats in de collectieve herinnering. Net als in andere landen groeide in Nederland het besef dat verwerking van de trauma’s van oorlog, vervolging en bezetting veel tijd zou kosten. Voor het eerst sprak men ook over tweede- en derde-generatie slachtoffers. De Raad voor het Rechts­herstel werd pas in 1967 gesloten, en niet begin jaren vijftig zoals oorspronkelijk het plan was. Deze perspectiefwisseling ontstond doordat de langetermijngevolgen van de bezetting zichtbaar werden, maar ook doordat Nederlanders nieuwe verwachtingen kregen van de overheid. In de eerste naoorlogse jaren vond men dat de overheid een beperkte verzorgingsplicht had; zij diende vooral

11

te zorgen voor minimale bestaanszekerheid. Door de uitbreiding van de verzorgingsstaat veranderde dat. De opvatting van rechts­herstel als teruggaaf van eigendom paste daar goed bij. De overheid zag het steeds meer als haar taak om slachtoffers en ontrechten naar vermogen te compenseren.

Excuses voor het rechts­herstel Eind jaren negentig liet de Nederlandse regering onderzoek doen naar het naoorlogse rechts­herstel. Dat gebeurde na internationale onthullingen over bijvoorbeeld roofkunst en Joodse tegoeden bij Zwitserse bankhuizen. Mogelijk hebben zelfs de verwerking van het communistische verleden in Oost-Europa en de omgang met de apartheid in Zuid-Afrika een rol gespeeld bij dit besluit. Op basis van de resultaten van verschillende Nederlandse commissierapporten besloot het kabinet verontschuldigingen aan te bieden aan de Joodse slachtoffers en hun nabestaanden. De Joodse gemeenschap kreeg een financiële tegemoetkoming. De Nederlandse regering noemde deze stappen samen ‘finaal recht’. Toch besloot de gemeenteraad van Amsterdam in 2013 op basis van nieuw lokaal onderzoek om zijn verantwoordelijkheid te nemen. Uit het onderzoek bleek namelijk dat gemeente Amsterdam in de oorlog zelf onteigend Joods vastgoed had aangekocht. Ook had de gemeente na de bevrijding gemeentebelastingen en erfpachtcanon geheven over de bezettingsjaren. In de jaren daarna volgde soortgelijk onderzoek in Rotterdam, Den Haag en Utrecht.

De zogenaamde Maror‑gelden (Morele Aan­sprakelijk­heid Roof en Rechts­herstel) van de nationale overheid voor de tekortkomingen van het naoorlogs rechts­ herstel. Ook banken, verzekeraars en het beurswezen droegen bij aan dit fonds.

Het verleden opnieuw gewogen Ook het wetenschappelijk onderzoek veranderde. Naast het bekende politieke en militaire verhaal van de Tweede Wereldoorlog op nationaal en inter­ nationaal niveau, ontstond meer aandacht voor de dagelijkse ervaring van burgers en bestuurders tijdens de bezetting op regionaal en lokaal niveau. Juist daar werd duidelijk dat morele labels van goed en fout, zoals ‘collaboratie’ en ‘verzet’, slechts een klein deel van de historische werkelijkheid dekken. Het dilemma van de ‘burgemeester in oorlogstijd’ is hiervan slechts één voorbeeld. Deze nuancering van schuldvragen en meer oog voor dwang en keuze­ vrijheid droegen ertoe bij dat de medeverantwoordelijkheid van Nederlandse instanties opnieuw werd gewogen. Van het regeringsbeleid en de politie tot de NS of de Heidemij, maar ook van gemeentelijke overheden.5 Kortom, onze omgang met het oorlogsverleden is door de tijd sterk veranderd. Overheidsbeleid, publiek debat en wetenschappelijk onderzoek gaven elkaar daarbij steeds impulsen. In de eerste twee decennia na de oorlog gaf een nationaal gekleurd perspectief van goed en fout houvast in het verlangen naar normaliteit. Het resultaat was achteraf bezien eerder verdringing dan verwerking van de gebeurtenissen.

Ook formele procedures en regels boden houvast in onzekere tijden, met een – in de ogen van Nederlanders in de 21e eeuw – hardvochtige beleidsuitvoering tot gevolg. Vanaf de jaren zestig kreeg de Holocaust de publieke en emotionele betekenis die voor Nederlanders van nu vanzelfsprekend is. Herbezinning

12

De keuze tussen twee kwaden: medeplichtig worden door steeds verder­gaande collabo­ ratie, of ontslag riskeren en vervanging door een NSB-burgemeester.

op de (eigen) schuldvraag duurde in Nederland net als in andere bezette landen tientallen jaren, vanuit het gevestigde verhaal van verzet en eigen slachtofferschap. Onlangs heeft dat in de wetenschappelijke literatuur geleid tot een nuancering en contextualisering van schuldvragen. In het publieke debat leidde het juist tot een nadruk op morele schuldvragen.

Dankwoord We bedanken onze opdrachtgever, burgemeester Nadine Stemerdink, voor haar vertrouwen in ons team. Ook bedanken we Jacques Boon, initiatiefnemer en lid van de klankbordgroep, en Stan Dessens, lid van de klankbordgroep. Eveneens bedanken we Monique Brunet de Rochebrune en Mark Veliscek van gemeente Voorschoten, voor het plezierige contact. Daarnaast willen we gemeentearchivaris Cora in ‘t Veld en archiefmedewerker Lisette van Koppen van het gemeentearchief Voorschoten in Wassenaar bedanken voor hun hulp. Door de coronacrisis kon het archiefonderzoek voor onze reeks projecten pas in september 2021 echt beginnen. Dat bleek een voordeel; meer dan een dozijn historici en archivarissen zijn ons met een soortgelijke opdracht van andere gemeenten voorgegaan. We bedanken hen voor hun bereidheid om ervaringen met ons te delen, onder andere tijdens de Nijmeegse en Groningse online-workshops op 23 juni en 9 december 2021. Bijzondere dank zijn we verschuldigd aan Maarten Duijvendak, Herman de Koning, Hinke Piersma, Wouter Veraart en Maarten-Jan Vos. De verantwoordelijkheid voor de gekozen opzet en uitvoering ligt vanzelfsprekend volledig bij de auteurs. Dankzij de inzichten van collega’s en hun archief-technische adviezen konden wij weloverwogen keuzes maken. Zo kreeg de vergelijking als methode bij ons een centralere plaats dan in eerdere studies.

Ook gaven we bewust een prominente plaats aan een reconstructie van de beleidsvorming en -uitvoering door de gemeente. Dit onderzoek is uitgevoerd aan de Radboud Universiteit, in het Radboud Institute for Culture & History (RICH), door de denktank Advies & Actualiteit van de expertisegroep Politieke Geschiedenis. Onze dank geldt niet in de laatste plaats het vaste team van Susanne Geuze en Joyce Dekker, die de eindredactie en vormgeving van deze schriftelijke presentatie van de onderzoeksresultaten verzorgden. Een minder zichtbare, maar niet minder waardevolle bijdrage leverden Marina Kritikou en Annebel Spanjersberg, met een uitgebreide literatuurstudie naar Jodenvervolging en onteigeningen. Junior-onderzoekers Charlotte Dommerholt en Owen Duijvendak voerden dit onderzoek uit en werden daarbij ondersteund door Iris de Jager, Tess Obbink en Imke Odinot. Liza Werkman voerde het krantenonderzoek uit. Advies & Actualiteit slaat een brug tussen academische geschiedschrijving en maatschappelijke vraagstukken. Met andere woorden: tussen wetenschap en toegepast onderzoek. We bouwen en vertrouwen daarbij op de onderzoeks­

13

ervaring van gepromoveerde stafleden, maar net zo goed op het talent en de inzet van jonge onderzoekers en studenten.

Opdracht In 2019 digitaliseerde het Nationaal Archief de Verkaufsbücher, de vastgoed­ boeken van de Duitse bezetter. In die boeken had het naziregime doorverkocht Joods vastgoed geregistreerd. De Verkaufsbücher geven dus een goed overzicht van wat er tijdens de Tweede Wereldoorlog gebeurde met Joods vastgoed. Wel bevatten ze alleen informatie over onteigende panden die doorverkocht zijn. De informatie in de Verkaufsbücher werd bij de digitalisering gekoppeld aan kadastergegevens. Op 27 mei 2020 berichtten onderzoeksjournalisten van het televisie­ programma Pointer (KRO-NCRV) over deze 7.500 geregistreerde transacties van deze systematische onteigening van Joodse burgers. Zij toonden aan dat er bij gemeenten nog weinig bekend was over hun rol bij deze onteigeningen. Pointer riep op tot verder onderzoek.6

Vraag 1: ontrechting De eerste vraag die we in dit onderzoek beantwoorden, gaat over de onteigening van Joodse vastgoedeigenaren door de Duitse bezetter. We weten dat gemeenten in praktische zin meegewerkt hebben aan de onteigening – van transport en opslag van inboedels tot betrokkenheid bij de verhuur van leegstaande panden. Van een aantal steden is bekend dat de gemeente een of meerdere Joodse panden gekocht heeft, direct of via een tussenhandelaar. Heeft gemeente Voorschoten gebruikgemaakt van de ontrechting van haar Joodse burgers door onteigend vastgoed aan te kopen, terwijl zij wist waarom deze panden vaak tegen een lage prijs te koop aangeboden werden?

Vraag 2: rechts­herstel De tweede hoofdvraag gaat over het rechts­herstel na de bevrijding. We weten dat onteigende panden meestal zijn teruggegeven aan de rechtmatige eigenaar. Elke registratie van een verkooptransactie vermeldt onder andere het adres van het verkochte pand of panden, de ‘verkoper’ en de koper (beiden met adres). Daarnaast wordt de beheerder genoemd, de notaris, de verkoopdatum en de koopprijs. Van Amsterdam en Den Haag weten we dat ze naheffingen en boetes oplegden voor gemeentebelastingen op vastgoed of een erfpachtcanon, voor de tijd tussen het moment van onteigening en het herstel van eigenaarschap. Dat gebeurde zonder enig respect voor het bijzondere slachtofferschap van Joodse burgers. Heeft ook gemeente Voorschoten zulke naheffingen of boetes opgelegd aan Joodse huiseigenaren of hun nabestaanden, met name voor straatbelasting?

Vraag 3: bejegening De eerste twee vragen zijn concreet en gaan over formele bestuurlijke keuzes. De handelingsruimte van de gemeente was beperkt, zowel binnen het

14

onteigenings­beleid van de bezetter als binnen het nationale beleid voor rechts­ herstel na de bevrijding. Minder concreet, maar niet minder wezenlijk is onze derde onderzoeksvraag, die naar hoe de gemeente handelde ten opzichte van Joodse inwoners. Hoe gaf gemeente Voorschoten zich rekenschap van hun bijzondere slachtofferschap? De bronnen geven op deze vraag geen volledig of representatief antwoord, maar bepaalde terugkerende patronen worden wel zichtbaar.

Het onderzoeksteam Wim van Meurs, hoogleraar Politieke Geschiedenis aan de Radboud Universiteit, initiatiefnemer van denktank Advies & Actualiteit, projectleider ‘Lokaal besturen tussen bezetter en burger’ (Mondriaan Fonds, 2020-2023) Marieke Oprel, universitair docent aan de Radboud Universiteit, coördinator en adviseur bij Advies & Actualiteit. In 2020 gepromoveerd aan de Vrije Universiteit Amsterdam op een studie over tot vijandelijke onderdanen verklaarde Duitsers, op basis van de archieven van het Nederlands Beheers­ instituut, projectleider ‘Vermogensonteigening na de Tweede Wereldoorlog’ (Mondriaan Fonds, 2020-2023) Charlotte Dommerholt, junior onderzoeker bij Advies & Actualiteit, afgestudeerd aan de masteropleiding Geschiedenis Vandaag, Rijksuniversiteit Groningen (2022) Owen Duijvendak, junior onderzoeker bij Advies & Actualiteit, afgestudeerd in Human Geography en Spatial Sciences aan de Rijksuniversiteit Groningen Joyce Dekker, grafisch vormgever, Studio Joyce Dekker in Utrecht Susanne Geuze, afgestudeerd aan de masteropleiding Politiek en Parlement, Radboud Universiteit (2014), werkt als zelfstandig tekstschrijver en redacteur

15

Noten 1

2

Hinke Piersma en Jeroen Kemperman, Openstaande rekeningen: de gemeente Amsterdam en de gevolgen van roof en rechts­ herstel, 1940-1950 (Amsterdam: Boom, 2015); Hinke Piersma en Jeroen Kemperman, ‘De erfpachtkwestie in Amsterdam (1945-1960)’ (Amsterdam: NIOD, 2014); Maili Blauw, ‘Verschil maken? Gemeente, belastingen en rechts­herstel in naoorlogs Utrecht’ (Utrecht, 2020); Robin te Slaa, ‘Daar dit een immorele aanslag is’: de houding van de gemeente Den Haag tegenover Joodse eigenaren van onroerend goed 1940-1955 (Voorburg: De Nieuwe Haagsche, 2017); Hinke Piersma en Marleen van den Berg, ‘Ontrechting en rechts­herstel. Het Rotterdamse gemeentebeleid inzake ontrechting en rechts­herstel van Joodse oorlogsslachtoffers 1940-1955’ (Amsterdam: NIOD, 2020). Radboud Universiteit, Advies & Actualiteit, www.ru.nl/rich/rich-society/ adviesactualiteit-onderzoek-opdracht/vm/ onteigening-van-joods-vastgoed-in-wo2-en.

16

3

4

5

6

Nele Beyens, Overgangspolitiek. De strijd om de macht in Nederland en Frankrijk na de Tweede Wereldoorlog (Amsterdam: Wereldbibliotheek, 2009); Peter Romijn, Snel, streng en rechtvaardig: politiek beleid inzake de bestraffing en reclassering van ‘foute’ Nederlanders, 19451955 (Houten: De Haan, 1989); Marieke Oprel, The Burden of Nationality. Dutch Citizenship Policies towards German Nationals in the Aftermath of the Second World War (1944-1967) (Amsterdam: VU University Press, 2020). Wouter Jan Veraart, Ontrechting en rechts­ herstel in Nederland en Frankrijk in de jaren van bezetting en wederopbouw (Deventer: Kluwer, 2005); Ido de Haan, ‘Het einde van de naoorlogse geschiedenis’, Krisis, nr. 2 (2008): 48-52. Peter Romijn, Burgemeesters in oorlogstijd: besturen tijdens de Duitse bezetting (Amsterdam: Balans, 2006); Guus Meershoek, Dienaren van het gezag: de Amsterdamse politie tijdens de bezetting (Amsterdam: Van Gennep, 1999). KRO-NCRV, Pointer, pointer.kro-ncrv.nl/ vastgoedboeken-van-de-duitse-bezetter.

2. Onteigening en rechts­herstel in Voorschoten In de nacht van 10 mei 1940 werden de inwoners van Voorschoten – op dat moment een boerendorp waar zo’n 5.000 mensen woonden – gewekt door het geronk van overtrekkende vliegtuigen.1 Deze Duitse toestellen probeerden te landen op het nabijgelegen vliegveld Valkenburg. De vliegtuigen zakten weg in de drassige bodem van het nog niet afgebouwde vliegveld. Ook landden er tientallen parachutisten. Tijdens deze eerste oorlogsdagen werd er flink gevochten om het vliegveld; uiteindelijk kwam het in handen van de Duitse bezetter. Die gebruikte het vliegveld van 1940 tot en met 1942, maar maakte het in 1943 onbruikbaar. In de meidagen van 1940 werd ook gevochten bij herberg Het Haagse Schouw. De brug die op dit punt lag, vormde een belangrijke plek op de weg tussen Den Haag, vliegveld Valkenburg en Amsterdam. Nederlandse soldaten wisten de strategische plek te heroveren op de Duitsers.2 Ook de spoorlijn en spoorbrug De Vink werden tijdens de oorlog meerdere keren beschoten. Op 6 februari 1945 was het raak: 9 Voorschotenaren kwamen om het leven en 12 andere burgers raakten gewond.3 In de loop van de oorlog waren er steeds meer sporen van de bezetting te zien in Voorschoten.

In de omgeving stond luchtafweergeschut en op een kaart die het verzet in 1943 tekende, waren Duitse bunkers en een loopgraaf te zien.4 Voorschoten was tijdens de oorlog een garnizoensplaats. Officieren werden ingekwartierd bij burgers en vanwege een tekort aan barakken werden militairen ook gehuisvest in de niet-afgebouwde woningen aan de Willem de Zwijgerlaan. Ook Duitse militairen werden ingekwartierd in Voorschoten.5 Men stelde lijsten op met huizen die hier mogelijk voor in aanmerking kwamen. Gemeente Voorschoten ving bovendien evacués op uit Rotterdam, Den Haag en Katwijk. Deze mensen werden ook zo veel mogelijk bij Voorschotenaren ondergebracht. Ondanks de hoeveelheid Duitse soldaten in Voorschoten en omstreken, was het verzet actief in de gemeente. Zo drukte de secretaresse van burgemeester Berkhout vanuit het gemeentehuis blanco persoonsbewijzen voor de illegaliteit achterover.6 Ook zaten er verschillende onderduikers in Voorschoten, zoals een Joods jongetje uit Rotterdam, dat bij het echtpaar Van der Stoel verbleef.7 De Joodse gemeenschap in gemeente Voorschoten was klein. Er was geen synagoge in het dorp en Joodse burgers uit Voorschoten waren aangewezen op de Joodse gemeente in Leiden.8 Hoeveel Joodse burgers in Voorschoten woonden, is niet helemaal duidelijk; de cijfers lopen uiteen.

Dat heeft er onder andere mee te maken dat de registratielijsten uit 1941 verschillende aantallen geven. In elk geval ging het ongeveer om enkele tientallen mensen.

17

Op het oorlogsmonument in Voorschoten zijn in 2012 de namen toegevoegd van 9 Joodse burgers die in concentratiekampen of tijdens hun onderduik omkwamen.9 In gemeente Voorschoten liggen nog geen Stolpersteine voor omgekomen Joodse burgers. De meeste Joodse burgers die rond 1940 in Voorschoten woonden, waren vluchtelingen uit Duitsland die na 1933 naar Nederland waren gekomen. Een van hen was van oorsprong Russisch: Mardachia Naymann. Hij was via Hamburg naar Nederland gereisd.10 Mardachia werd op 16 april 1943 vermoord in concentratiekamp Sobibor. Aan Narcisstraat 1, waar hij woonde, woonden nog drie Joodse burgers: de Duitse Moritz Botwin, Rosalie Botwin-Platz en Henriette Platz. Ook zij werden in 1943 in Sobibor vermoord.11 Twee Joodse burgers die in Den Haag woonden, maar twee panden bezaten in Voorschoten, waren Albert Spanjer en zijn vrouw Ingeborg Johanna. Zij overleefden de oorlog en woonden later in Utrecht.12

Zogenaamde ‘struikel­ stenen’ in het trottoir voor het laatste woonhuis van gedeporteerde Joden, sinds 1992 in heel Europa geplaatst.

Onteigening en rechts­herstel In onze onderzoeken naar onteigening en rechts­herstel en in de onderzoeken van anderen, worden verschillende soorten archieven gebruikt. Geen van deze archieven geeft een volledig en definitief antwoord op de onderzoeksvragen. Daar­naast zijn sommige archieven – of delen daarvan – tijdens de oorlog verloren gegaan, opzettelijk vernietigd of in de jaren na de oorlog opgeschoond of gere­orga­ niseerd. We combineren daarom meerdere bronnen uit verschil­lende archieven (zie verder hoofd­stuk 3: Verant­woording). Zo proberen we te achter­halen welke percelen zijn onteigend en verkocht, en of de gemeente hierbij een rol speelde. De eerste stap in dit onderzoek was om percelen van Joodse eigenaren te achterhalen die zijn onteigend en verkocht. De Verkaufsbücher zijn daarvoor een belangrijke bron. Deze boeken zijn grotendeels bewaard gebleven. In de Verkaufsbücher troffen wij 7 huizen aan in gemeente Voorschoten. Daarnaast vonden we via de kaartenbak van de Raad voor het Rechts­herstel nog 2 panden en via de database van het Joods Cultureel Kwartier nog 4 weilanden (zie Bijlagen, tabel 1). Van de in totaal 9 panden onteigende en verkocht de bezetter er 8. Voor deze panden heeft in 1948 of 1950 rechts­herstel plaatsgevonden. Een negende pand, Leidseweg 39, is in beheer genomen door de bezetter, maar niet onteigend en verkocht.

In 1942 onteigende gemeente Voorschoten een stukje land van het perceel waar dit pand op staat, om er trottoir van te maken. Dit gebeurde bij alle woningen aan de Leidseweg, omdat men de straat wilde verbreden. Volgens de gemeentelijke grootboeken gebeurde dit tussen 1940 en 1950.13 Zoiets zien we vaker, en het heeft niet te maken met anti-Joodse maatregelen. Leidseweg 39 werd in 1955 via publieke verkoop verkocht aan Jozef Cornelis Gerardus Alkemade. De eigenaresse van het huis aan de Leidseweg, Marianne Pardo-Oppen­ heimer, had nog 5 woningen in haar bezit in Voorschoten – aan de Treubstraat/ Narcisstraat – die na onteigening door de bezetter wel werden verkocht.14

18

Elke registratie van een verkooptransactie vermeldt o.a. het adres van het verkochte pand of panden, de ‘verkoper’ en de koper (beiden met adres). Daarnaast wordt de beheerder genoemd, de notaris, de verkoopdatum en de koopprijs.

Voor deze huizen vond dus wel rechts­herstel plaats. Na rechtsherstel kwamen deze panden op naam van familie Van Os uit Voorschoten. Marianne woonde zelf in Scheveningen. Op 9 mei 1944 werd zij vermoord in concentratiekamp Theresienstadt.15 Een ander pand dat naar voren kwam, is een pand aan de Papelaan. Het perceel was eigendom van Henri (Hans) Polak, oprichter en directeur van weverij Het Paapje. Hij maakte hier onder andere wandkleden. Het ging om een pottenbakkerij met omliggend erf. In 1944 kocht Carolus Bosman het pand, maar in 1948 vond er rechts­herstel plaats en ging het terug naar Hans Polak. Landbouwgronden van Joodse eigenaren moesten in mei 1941 verplicht worden geregistreerd bij de bezetter, waarna ze te koop werden aangeboden door de eigenaar. Dit gebeurde ook met 4 weilanden in gemeente Voorschoten. De Wassenaarse Hartog Cohen liet in 1941 zijn weilanden verplicht registreren. In datzelfde jaar verkocht hij ze aan Hendrikus Adrianus van Tol. In 1946 kwamen de gronden weer in bezit van Hartog. In het kadaster staat niets over rechts­herstel; we vonden het bewijs voor rechts­herstel in het NBI-dossier van Hartog Cohen.16

De gemeente en Joods vastgoed Om na te gaan of gemeente Voorschoten – direct of indirect – percelen heeft aangekocht, in de eigen gemeente of ergens anders, onderzochten we ook politiek-bestuurlijke bronnen. We bekeken de gemeentelijke grootboeken van de periode 1939 tot 1950 van gemeente Voorschoten. Hierin vonden we niets waaruit blijkt dat gemeente Voorschoten zich heeft beziggehouden met de aankoop van percelen van Joodse eigenaren, of daartoe enige poging heeft ondernomen. Daarnaast onderzochten we bronnen over woningen en woonomstandigheden tijdens en na de oorlog, om te zien of hier melding werd gemaakt van onteigende panden die gemeente Voorschoten mogelijk had gekocht. Dat was niet het geval. Op basis van onderzochte bronnen, heeft gemeente Voorschoten geen Joods vastgoed gekocht. Verder onderzochten we of gemeente Voorschoten na de oorlog naheffingen voor gemeentebelastingen heeft gestuurd aan Joodse inwoners. De kohieren van de gemeentebelastingen zijn inmiddels vernietigd, volgens de daarvoor geldende archiefprocedures. Daardoor kunnen we niet meer nagaan of de gemeente aanmaningen heeft verstuurd. In de grootboeken vonden we geen gegevens die duiden op naheffingen van achterstallige belastingen.

Conclusies over onteigening en rechts­herstel 1. Gemeente Voorschoten heeft geen panden of gronden gekocht van Joodse eigenaren, of hiertoe enige poging ondernomen. 2. Voor 8 onteigende panden van Joodse eigenaren in gemeente Voorschoten heeft rechts­herstel plaatsgevonden. Een negende pand werd in beheer genomen, maar niet verkocht.

19

3. Voor de 4 verplicht geregistreerde en verkochte landbouwgronden vond rechts­herstel plaats in 1946. 4. Volgens de beperkte bronnen stuurde de gemeente geen naheffingen voor gemeentebelastingen.

Bejegening Burgemeester Marinus Floris Berkhout trad in 1936 aan als burgemeester van Voorschoten. In augustus 1944 overleed hij, toen hij samen met twee wachtmeesters van de politie in zijn auto werd aangereden door een trein. Berkhout sprak zich tijdens de bezetting niet uit tegen het naziregime, maar hij was het tegelijkertijd oneens met de nationaalsocialisten. Hij koos ervoor om niet af te treden in 1941, toen Verordening 152/1941 in werking trad, maar bleef zijn ambt als burgemeester uitvoeren. Het was kiezen tussen twee kwaden: of vervangen worden door een NSB-burgemeester, of moeten schipperen tussen zijn persoonlijke overtuiging en de wil van de bezetter. Berkhout zou een goede relatie hebben gehad met de Commissaris der Provincie Zuid-Holland; ze correspondeerden geregeld. Ook was Berkhout de plaatselijke directeur van de Nederlandse Volksdienst (NVD) en Winterhulp, net als veel andere burgemeesters. Hij onderhield goed contact met nationaalsocialistische organisaties. Hij schreef bijvoorbeeld aan SS’er Hanns Albin Rauter, met de vraag of Duitse officieren ook hun radio’s moesten inleveren. Ondanks zijn contact met de bezetter sprak Berkhout zich uit tegen de NSB. Hij wilde niet dat NSB’ers hoge posities kregen binnen het gemeentelijke apparaat, en voor zover bekend is dat ook niet gebeurd.

In lijn met veel andere burgemeesters zette Berkhout wel zijn handtekening onder de verordeningen van de Duitsers. Hij hield ook in de gaten hoe de verordeningen werden uitgevoerd. Nadat de borden met ‘voor Joden verboden’ werden geplaatst, meldde Berkhout in 1942 aan de procureur-generaal dat het bord bij de ingang van het Wilhelminapark was verdwenen.17 Na het overlijden van burgemeester Berkhout in augustus 1944 werd wethouder Viveen waarnemend burgemeester. Dat bleef hij tot het einde van de oorlog. Viveen was sinds 1940 wethouder en hij was geen lid van de NSB. In 1948 betaalde de gemeenteraad een gedeelte van de kosten voor de grafsteen van Berkhout, en schreef hierbij het volgende: ‘De gemeenteraad, die met ons college van oordeel is, dat het uit piëteitsoverwegingen wenselijk is het graf van de overledene, die tijdens zijn leven steeds naar zijn beste weten de belangen van de gemeente en haar inwoners heeft voor­ gestaan, op een passende wijze aan te duiden, besloot het gevraagde bedrag beschikbaar te stellen.’18 De vraag wie nu ‘de gemeente’ was, is niet zo duidelijk als op het eerste gezicht lijkt. We moeten onderscheid maken tussen hoe gekozen en benoemde bestuurders in de eerste fase van de bezetting handelden, en

20

Verordeningen waren besluiten van de Duitse Rijks­commissaris. Ze werden per jaar door­ genummerd. Door deze Veror­dening werd de gemeente­raad buiten werking gesteld, waardoor de burge­ meester alleen handelde.

Benaming tijdens de bezetting voor de Commissaris van de Koningin. NSB’ers namen deze positie in. De Nederlandse Volks­ dienst en Winter­hulp waren allebei nationaal­ socialistische organisaties die zich bezighielden met maatschappelijke hulpverlening.

hoe ze te werk gingen in de tijd dat er een NSB-burgemeester was. Die NSBburgemeester bestuurde zonder gemeenteraad. Ook de wethouders en andere functionarissen met wie hij samenwerkte, waren door de bezetter benoemd. In gemeente Voorschoten was dit onderscheid er niet, want burgemeester Berkhout werd niet vervangen door een NSB-burgemeester. Het uitvoerende werk van bijvoorbeeld de gemeentepolitie of gemeente­diensten is een kwestie op zich. De vraag hoe zulke diensten hun werk deden, valt buiten ons onderzoek. Wel laat dit onderzoek zien dat de rol en speelruimte van de gemeente beperkt waren. Zeker tijdens de oorlogsjaren, toen de bezetter maatregelen dicteerde. Het naoorlogse proces van rechts­herstel werd op nationaal niveau georganiseerd door het NBI en de Raad voor het Rechts­ herstel. Dat verliep buiten gemeentebestuurders om. Met onze hedendaagse blik terugkijkend op de Tweede Wereldoorlog, vinden we het bijzondere slachtofferschap van de Joodse bevolking vanzelfsprekend. Dit rapport, en ook de bredere vakliteratuur, laten zien dat Nederlandse bestuurders daar tijdens en vlak na de oorlog anders naar keken. Het besef dat Joodse burgers in bijzondere mate slachtoffers waren, leefde nauwelijks. Sterker nog: een van de leidende principes was juist dat niemand bevoordeeld of benadeeld mocht worden door het rechts­herstel.

De redenatie van de overheid was dat alle Nederlanders gelijk waren en dat Joden niet apart behandeld moesten worden. Zoiets paste meer bij de discriminatie van de nazibezetters, vond men. In de praktijk betekende dit voor Joodse burgers nog meer onrecht en benadeling. Eigenaren van panden die de gemeente op bevel had gevorderd, kregen een kleine vergoeding van de Wehrmacht via de gemeente. Voor Joden van wie het vastgoed onder beheer geplaatst was, ging deze vergoeding naar de roofinstellingen. Deze roofinstellingen betaalden indirect mee aan de deportaties en kampen.

Conclusies over de bejegening van Joodse burgers Het archief bevat te weinig materiaal om uitspraken te doen over de bejegening van Joodse inwoners in Voorschoten, op de getroffen algemene maatregelen tegen Joodse burgers na. Maar die waren landelijk ingesteld, en zeggen weinig specifiek over hoe gemeente Voorschoten handelde. 1. Burgemeester Berkhout onderhield namens de gemeente contact met de Duitse bezetter. Hij was het persoonlijk niet eens met de Verordeningen van de bezetter, maar verzette zich daar niet actief tegen. 2. Wij hebben geen aanwijzingen gevonden dat gemeente Voorschoten haar Joodse inwoners tijdens en na de oorlog anders behandelde dan andere inwoners. De gemeente werkte niet actief mee aan de deportaties tijdens de bezetting, maar had ook geen speciale regelingen of coulance voor teruggekeerden na de bevrijding.

21

Noten 1

2 3 4

5

6 7

Joop Peeters, Voorschoten tijdens 1940-1945 en andere wetenswaardigheden (Tilburg, 1995). Peeters, Voorschoten tijdens 1940-1945. Peeters, Voorschoten tijdens 1940-1945. R.J. Braggaar, Achter verduisterde ramen; Voorschotense kronieken 1940-1945 (Alphen aan de Rijn, 2009). Gemeentearchief Voorschoten (GAV), 115 begrotingen balansen en rekeningen, grootboek inkomsten en uitgaven 1943; GAV, Gemeente Voorschoten, 1739 Woonaangelegenheden tijdens en vlak na de oorlog 1940-1946. Braggaar, Achter verduisterde ramen. Braggaar, Achter verduisterde ramen.

22

8 9 10

11 12 13

14 15 16 17 18

Braggaar, Achter verduisterde ramen. Joods Monument, nr. 397150. GAV, 1341 Maatregelen tegen vreemdelingen door politie 1940-1943. Joods Monument, nr. 27742. Joods Monument, nr. 595650, nr. 600389. GAV, 205 t/m 213, begrotingen en balansen, 1941-1949; GAV, 1872 Vaststelling gevelrooilijn Leidseweg. NBI, 146110, Pardo-Oppenheimer, M. Joods Monument, nr. 139706. NBI, inv.nr. 853, dossier 8644, Hartog Cohen Braggaar, Achter verduisterde ramen. GAV, 212 begrotingen balansen en rekeningen, begroting 1948.

3. Verantwoording Gemeente Voorschoten heeft deze onderzoeksopdracht gegund aan uni­ver­sitaire onderzoekers. Daarmee verwacht zij een wetenschappelijke bekrachtiging van het omvangrijke bestaande onderzoek over dit thema. Dat begint met een doordachte verantwoording van de gekozen onderzoeks­methoden, begrippen en concepten die we gebruiken. De bronnen die we kiezen, moeten relevant en doelmatig zijn. Elke soort bronnen kent beperkingen. Aan de hand van eigen vooronderzoek en dat van anderen hebben we bepaald welk type bronnen we gebruiken – en welke bronnen juist niet.

Woordkeuze Nog voordat in de zomer van 1942 de deportatie van de Joodse bevolking van Nederland begon, was de uitsluiting van Joodse burgers uit het economische leven een centrale doelstelling van het naziregime. Joodse bedrijven werden gesloten of aan Arische gegadigden verkocht. Vastgoed, hypotheken en huurinkomsten van Joodse Nederlanders werden in beheer genomen. De inkomsten die deze transacties opleverden, waren voor de bezetter uiteindelijk bijzaak, al werden het geroofde geld en bezit ingezet om de kosten van deportatie­transporten en de bouw en het onderhoud van kampen als Westerbork te dekken.

Roof, onteigening of vordering Het begrip ‘roof’ (of formeler, ‘ontvreemding’) werd na de bevrijding gekozen om dit criminele handelen van de Duitse instanties te benoemen. De term ‘roof’ laat de morele veroordeling van het handelen van de bezettingsmacht treffend zien. Toch schiet het woord voor de doelstellingen van dit onderzoek tekort. We moeten ons namelijk verdiepen in de instituties en rechtsregels die werden ingericht om deze roof uit te voeren. Bovendien was de toe-eigening van bezit voor eigen gewin niet het hoofddoel. Het begrip ‘ontrechting’ treft wél precies deze doelstelling. Namelijk: burgers hun (economische) rechten ontnemen en uit de maatschappij verwijderen. In dit rapport hanteren we daarom het begrip ‘ontrechting’ als het om de slachtoffers gaat. Gezien de moord op zes miljoen Joden door het naziregime schiet ook die term tekort. Maar in elk geval past de term ‘ontrechting’ bij de vragen over bestuurlijke procedures en keuzes waar dit onderzoek over gaat.1

Vervreemding of onteigening Voor het vastgoed zelf ontbreken de juiste woorden. Juridische termen zijn immers niet bedoeld om het handelen van een misdadige overheid in woorden

23

te vatten. De neutrale term ‘vervreemding’ zegt juridisch niet meer dan de overdracht van eigendomsrechten, bijvoorbeeld door verkoop of schenking. ‘Onteigening’ (of ‘gedwongen verkoop’) betekent dat een overheid vanuit een algemeen belang – en terughoudend – een burger dwingt om zijn eigendom aan de staat over te dragen, tegen een passende compensatie. Elke democratie kent zulke procedures. Bijvoorbeeld voor de uitbouw van infrastructuur en stadsvernieuwing, of bij een noodsituatie zoals na de bombardementen op Rotterdam en Nijmegen.2 Van zo’n onteigening was tijdens de bezetting geen sprake. Ontrechting van de burger was immers het doel. Ook was geen sprake van proportionele en gerechte compensatie. Streng genomen werd de zeggenschap over een pand onteigend, maar het stond de beheerder vrij om dat pand te verkopen. Na deportatie van de ontrechten bleef de verkoopsom bij een roofbank. Het slachtoffer kreeg geen financiële compensatie voor zijn eigendomsverlies, maar alleen een maandelijkse toelage uit zijn claim op de Niederländische Grundstücksverwaltung (NGV), om in een minimaal levensonderhoud te voorzien. In dit rapport onderscheiden we Duitse onteigeningen (op basis van de verschillende anti-Joodse Verordeningen) en Nederlandse onteigeningen.

In uitzonderlijke situaties, zoals bij overstromingen, kon de Nederlandse overheid ook voor en na de bezetting land- en huizenbezit onteigenen in het belang van wederopbouw. In een aantal gemeenten gebeurde dit tijdens of na de oorlog vanwege bombardementen. De term vordering, of confiscatie, verwijst naar een verdere complicatie. De Duitse Wehrmacht vorderde huizen, scholen en bedrijfspanden om soldaten in te kwartieren of om oorlogsmaterieel op te slaan. De bezitter behield zijn eigendom, maar het gebruik ervan moest hij aan de bezetter laten. Dit gebeurde tegen een kleine periodieke compensatie. Of de eigenaar al dan niet Joods was, speelde bij vordering geen rol. In een paar gemeenten werden huizen gevorderd om ze vervolgens te slopen, voor de bouw van verdedigings­ werken of voor een vrij schootsveld. Het verschil met de ‘Duitse’ onteigeningen is dat dit geen specifiek anti-Joodse maatregel was en dat er een compensatie tegenover stond.

Andere juridische begrippen Ook het gebruik van andere juridische begrippen krijgt in deze context een cynische ondertoon. Een ‘beheerder’ (Verwalter) of ‘bewindvoerder’ (Treuhänder) over het eigendom van een burger zou immers altijd naar eer en geweten de belangen van deze burger moeten dienen. In zekere zin werden de Joodse eigenaren inderdaad onder curatele geplaatst. Maar het stond de beheerder vrij om het vastgoedbezit te verkopen naar eigen goeddunken. Dat werd zelfs van hem verwacht. Toch kunnen we er niet omheen om deze termen te gebruiken om aan te tonen welke juridische constructies de bezetter gebruikte. Zonder deze kennis is namelijk ook het proces van rechts­herstel – met deels dezelfde termen als ‘beheer’ – niet goed te begrijpen. Daarbij kunnen de intenties van ontrechting

24

De NGV (ofwel: Neder­ landse Administratie van Onroerende Goederen) was de centrale instantie die het Joodse eigen­dom vanaf 1941 eerst registreerde en vervolgens liet door­ verkopen.

(en uiteindelijke deportatie) door een onrecht-staat niet genoeg benadrukt worden. Met deze belangrijke kwalificatie gebruiken we zo veel mogelijk het begrippenpaar ‘ontrechting’ en ‘onteigening’.

Rechtsregels en morele normen De spanning tussen morele oordelen en juridisch-institutionele kaders keert in dit onderzoek steeds terug. Voor de oorlog en tijdens haar ballingschap in Londen had de Nederlandse regering met deze spagaat te maken. Ze gaf haar ambtenaren opdracht om het bestuur voort te zetten tijdens een (eventuele) bezetting – in het belang van de Nederlandse bevolking en zoals het oorlogsrecht dat voorzag. Tegelijk deed ze er met de geallieerden alles aan om Nederland te bevrijden en steun te bieden aan het verzet. Zo vormden de Verordeningenvan de bezetter geldend recht, hoewel de bezetting illegaal was en de besluiten burgers onrecht aandeden. Ook bij het naoorlogse rechts­ herstel konden de onteigeningen wel ‘nul en nietig’ verklaard worden, maar de Nederlandse instanties konden deels niet anders dan effecten van de Duitse regels als uitgangspunt nemen bij het reconstrueren en ongedaan maken van alle gevolgen. In veel gevallen waren de oorlogskopers van het vastgoed op de hoogte van het feit dat ze onteigende Joodse panden kochten – of ze hadden daarvan op de hoogte kunnen zijn. Toch trokken de uitvoerders van het rechts­herstel hun eigendomsclaim niet op die grond in twijfel. Het principe van de bescherming van privébezit kreeg prioriteit. Zonder bewijs van het tegendeel nam men in de praktijk aan dat oorlogskopers te goeder trouw hadden gehandeld.

Om ervoor te zorgen dat het economisch verkeer zo snel mogelijk weer normaal werd, koos de Nederlandse staat na de oorlog voor een verdelende in plaats van een herstellende gerechtigheid. Het rechts­herstel mocht de oorlogskopers niet benadelen en de oorspronkelijke eigenaren niet bevoordelen. Zo moest men bepalen wat er gebeurd zou zijn als het vastgoed niet onteigend was geworden, met alle bijbehorende praktische haken en ogen en onrechtvaardigheden. Door dit uitgangspunt deelden twee eigenaren eigenlijk hetzelfde bezit. Van hen werd verwacht dat ze samen tot een redelijke en acceptabele oplossing zouden komen. Dat leidde tot langlopende conflicten over renovatiekosten, huurderving, belastingheffingen en dergelijke, en uitgebreide verrekeningen daarvan. De Joodse ontrechten moesten hun herstelde eigendomsrechten feitelijk met anderen delen. Bij de onderhandelingen hadden zij vaak de zwakkere positie.3

Methode In dit onderzoek wilden we betrouw­bare antwoorden formuleren op de drie vragen: heeft gemeente Voorschoten panden aangekocht van Joodse eigenaren, en zijn naheffingen van gemeentebelastingen opgelegd in het proces van rechts­herstel?

25

De derde vraag gaat over bejegening. Hoe stelde de gemeente zich op tegenover haar Joodse burgers, tijdens de bezetting en na de bevrijding? Zijn er aanwijzingen dat de gemeente naar vermogen probeerde om de impact van anti-Joodse maatregelen te vertragen of te beperken? Of is de indruk eerder dat men hoopte, door mee te werken aan deze anti-Joodse maatregelen, een zekere welwillendheid te bereiken van de bezetter tegenover andere burgers? Besteedde de gemeente na de bevrijding speciale aandacht aan Joodse slachtoffers en nabestaanden, bijvoorbeeld door belastingen of boetes kwijt te schelden?

Onteigeningsvraag Op het eerste gezicht lijken de Verkaufsbücher een duidelijk antwoord te geven op de onteigeningsvraag. In die boeken staan alle onteigende Joodse panden die de bezetter heeft doorverkocht – kleine administratieve slordigheden en het ontbrekende eerste register daargelaten. Uit de Verkaufsbücher blijkt dat gemeente Amsterdam een flink aantal panden direct van de ANBO kocht. Maar Amsterdam was de grote uitzondering. De andere gemeenten die in de Verkaufsbücher als koper te boek staan, kochten slechts één of enkele van tientallen of honderden doorverkochte panden. De onderzoeksrapporten van andere gemeenten laten bovendien zien dat aankoop door de gemeente via een tussenhandelaar ook naar verhouding zelden voorkwam.

Drie stappen Daarom kozen we voor een alternatieve aanpak. Door vanuit verschillende bronnencollecties dezelfde hoofdvraag te benaderen, ontstaat een betrouwbaarder beeld. Onze aanpak bestond uit drie stappen, die elkaar aanvullen en controleren: 1. De reconstructie van politieke besluitvorming over de eventuele aankoop van onteigende panden. De belangrijkste bronnen zijn hier de archieven van gemeente- en provinciebestuur. 2. Een reconstructie van de transacties die in de Verkaufsbücher staan, aangevuld met kadasteronderzoek. 3. Onderzoek naar berichtgeving over oorlogsaankopen en teruggaafproblemen in lokale kranten na de oorlog. Zowel voor, tijdens als na de bezettingsjaren was voor de aankoop van vastgoed een besluit van de gemeenteraad nodig – of ten minste van het college van B en W, toen de bezetter de gemeenteraden ontbonden had. De formele werkwijze van nationale en decentrale overheden in dit vraagstuk is voor dit onderzoek een voordeel. De eerste stap was dus om naar verwijzingen over koop(onderhandelingen) te zoeken in de notulen en besluiten van raad en college en in jaarverslagen over de oorlogsjaren. Een soortgelijke zoektocht deden we in dezelfde omvangrijke bronnen voor de eerste drie jaar na de bevrijding, omdat ook teruggaaf op de agenda kan hebben gestaan. Uit onderzoeksrapporten voor andere steden is bekend dat het

26

gemeente­bestuur de toestemming van de Commissaris der Provincie nodig had voor zulke aankopen. Daarom hebben we ook het archief van de Commissaris bestudeerd. Als tweede stap bestudeerden we de gegevens uit de Verkaufsbücher. Daarbij waren we extra alert op ‘verdachte’ panden: transacties met professionele tussenhandelaren, aankopen met een hoge kostprijs en notariële afhandeling uit de ambtstijd van een NSB-burgemeester. Uitgangspunt is de aanname dat de gemeente hechtte aan een formele verwerving van vastgoedeigendom. De kans is dus groot dat panden die een gemeente heeft aangekocht, voorkomen in de Verkaufsbücher. Buiten Amsterdam zijn echter maar een paar gevallen bekend waarbij de gemeente zelf in de Verkaufsbücher voorkomt als eerste koper.4 Particuliere geïnteresseerden schakelden vaker een tussenkoper in, om te verhullen dat ze profiteerden van het lot van Joodse medeburgers. Het is aannemelijk dat ook gemeenten deze oplossing kozen. In principe kan elke eerste koper zo’n tussenhandelaar zijn geweest. Ons onderzoek beschouwde makelaars, notarissen en iedereen wiens naam bij meer dan één transactie in de Verkaufsbücher als koper staat als mogelijke professionele tussenhandelaar. De resultaten in andere steden laten zien dat gemeenten twee redenen hadden om Joods vastgoed aan te kopen. Als het om stadsvernieuwing ging, vond de aankoop relatief vroeg plaats.

Zo’n aankoop gebeurde vaker zonder tussenhandelaar en werd ook besproken in de bestuurlijke notulen. Juist bij gewraakte aankopen (of pogingen daartoe) waar het om luxueuze woonruimte voor een NSB-burgemeester en andere gemeentefunctionarissen ging, paste men verschillende methoden om de koop te verbergen. Tussenhandelaren werden ingeschakeld of niet de gemeente, maar de burgemeester of functionaris zelf trad als koper op. Zulke kopen bleven ook vaker buiten de bestuurlijke akten. De eigendomsgeschiedenis van de op deze gronden verdachte verkooptransacties – bovengemiddelde prijs, NSB-periode en/of professionele tussenhandelaar – hebben we in kadaster en NBI-archief gereconstrueerd tot het einde van de bezetting. In bijna elke stad werd de burgemeester op enig moment tijdens de bezetting vervangen door een NSB’er. Hetzelfde gold voor de Commissaris der Provincie. Deze functionarissen werden na de oorlog berecht in het kader van de Bijzondere Rechtspleging. Het is goed denkbaar dat twijfelachtige vastgoed­ aankopen daarbij aan de orde kwamen. Voor een beperkt aantal personen– met name burgemeester(s) – hebben we daarom ook de procesdossiers uit het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR) onderzocht. We gingen op zoek naar uitzonderingen en handelingen die ook tijdens en vlak na de oorlog door velen als onacceptabel werden beschouwd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duivenvoorde&id=2ec0577b-305c-43cf-aab8-d90231281373