CConstaterende datvoorschoten
Koppel je AI →
Document · PDF

Informatiebrief 065 Bijlage 2. Routekaart WLR.pdf

Commissie Wonen, Ruimte & Groen Voorschoten 6 oktober 2022, gemeente voorschotenBij agendapunt: Kwartaalrapportage van de samenwerking Warmte Leidse Regio11.513 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

WARMTE IN de Leidse regio Samenwerking tussen gemeenten Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Oegstgeest, Voorschoten en Zoeterwoude Een routekaart naar aardgasvrij door regionale samenwerking

INHOUDSOPGAVE

COLOFON DATUM ADVIESBUREAU AUTEURS E-MAIL TELEFOON WEBSITE

20 mei 2022 Over Morgen Martijn van Lier, Jeanke van der Haar, Joep Matser & Demis Iossifidis martijn.vanlier@overmorgen.nl 06 – 10199319 www.overmorgen.nl

2

MANAGEMENTSAMENVATTING

3

1 INLEIDING: VERTREKPUNT EN EINDBESTEMMING ROUTEKAART

4

2 VOOR VERTREK: UITGANGSPUNTEN EN REISGEZELSCHAP

7

2.1 Samenwerkingsovereenkomst Leidse Regio

7

2.2 Afnemers

7

2.3 Aanbieders

8

3 DE EERSTE ETAPPE: REGIONALE WARMTEVERBINDING

9

3.1 Warmtevraag

10

3.2 Warmteaanbod in de regio

10

3.3 Regionale route via de lokale distributienetten

12

4 DE EERSTE AFSLAG: CHAUFFEUR, NAVIGATOR OF PASSAGIER?

13

4.1 De gemeentelijke rol in een open regionaal systeem

13

4.2 Welke rol voor gemeenten in ORES?

15

5 DE WEG DIE VOOR ONS LIGT

17

5.1 Te nemen stappen in 2022

17

5.2 Schematische weergave routekaart

19

BIJLAGE

20

MANAGEMENTSAMENVATTING

inzetten op het ontwikkelen van de lokale distributienetten, met andere woorden de ­warmteclusters. Een ORES zorgt dat de clusters doelmatiger en efficiënter kunnen worden geëxploiteerd en niet andersom. Naast de warmtevraag moeten er ook voldoende bronnen beschikbaar zijn, restwarmte uit Rotterdam via WLQ+, geothermie, lokale bronnen zoals aqua­ thermie, ieder met hun eigen kenmerken. Het is voor de gemeenten belangrijk, bijvoorbeeld in geval van WLQ+, om concreet perspectief te hebben op de ontwikkeling van de behoefte aan collectieve warmte. De leiding van WLQ+ heeft een capaciteit maar de momentane warmtevraag in de Leidse regio maar ook bij andere gemeenten langs het tracé is groter dan dat. Op een gegeven moment zal Gasunie alle beschikbare transportcapaciteit, naast het deel dat is bestemd voor het Leidse warmtenet van Vattenfall, kunnen hebben gecontracteerd.

In de periode september 2021 tot en met mei 2022 heeft Over Morgen het programma Warmte Leidse Regio ondersteund. In die periode van intensieve samenwerking zijn inzichten vergaard en acties in werking gezet die een bijdrage en een versnelling kunnen leveren aan de warmtetransitie in de Leidse Regio. Met de opgedane ervaringen en inzichten heeft Over Morgen deze routekaart opgesteld om het programmateam en de werkgroep van WLR houvast te bieden voor de reis die voorligt. Tijdens die reis moet er gekozen worden voor een vervoersmiddel, zoals het Open Regionaal Energiesysteem (ORES), en zullen er een aantal tussenstops zijn. Met deze routekaart wordt niet een definitieve weg naar een einddoel uitgestippeld. Het einddoel is namelijk niet voor elk onderdeel al duidelijk, bijvoorbeeld als het gaat om de rol die gemeenten in willen nemen. Wel is dit een routekaart die helpt om te leren navigeren, die helpt scherp te krijgen welke keuzes op korte termijn en op lange termijn gemaakt moeten worden en die helpt door de adviezen die Over Morgen daarbij geeft.

Door warmtevraag en warmteaanbod te combineren zijn er in de regio drie ontwikkelgebieden te onderscheiden voor de inzet van die bronnen. De ontwikkelgebieden geven de mogelijk­ heid om de ontwikkeling en bijbehorende besluitvorming te faseren. De verwachting is dat dit voor meer tempo kan zorgen dan wanneer er in één keer een besluit genomen moet worden voor het gehele gebied.

Eén van de observaties is dat het komen tot gezamenlijke besluitvorming vanwege de ambtelijke en bestuurlijke afstemming bij de individuele gemeenten onvoldoende ­slagvaardig is. Marktpartijen hebben vaak weinig tijd om te wachten op besluitvorming omdat ze geen momentum willen verliezen en zo de kans op subsidie of noodzakelijk contract mislopen. Afnemers van warmte en aanbieders van warmte zullen samen met de samenwerkende gemeenten en WLR moeten optrekken om resultaat te bereiken. Dat schept verplichtingen over en weer. Als er bijvoorbeeld geen gegarandeerde warmtevraag is zal er niet worden geïnvesteerd in warmtebronnen, infrastructuur en samenwerkingsafspraken. Het instellen van een brede klankbordgroep is daarom een goed besluit. Gemeenten worden gevraagd om in dit kader op de eerste plaats afspraken te maken over welke woningen, wanneer en tegen welke voorwaarden (tarieven, duurzaamheid) op een collectief systeem aangesloten kunnen worden. Dat is noodzakelijk om een volgende stap te zetten in onder andere de ontwikkeling van warmtebronnen. Ten tweede is het nodig om een duidelijke bestuurlijke opdracht bij de individuele gemeentelijke organisaties neer te leggen om zich niet alleen in te spannen, maar ook resultaat te bereiken als zich een regionaal vraagstuk aandient.

1. Leiden Centrum en Leiderdorp: Verder uitbreiden van het bestaande warmtenet waar dat de beste oplossing is met de beschikbare HT warmte van WLQ+ 2. Katwijk en Oegstgeest: Lokale MT distributienetten die gevoed worden met geothermie en gebruik kunnen maken van een extra warmteoverdrachtstation bij Leiden om WLQ+ warmte in te zetten op MT niveau voor de clusters in dit ontwikkelgebied. Voor de ­Bloemenbuurt (Oegstgeest) zal daarnaast specifiek moeten worden beoordeeld wanneer HT warmte van WLQ+ beschikbaar kan komen. 3. Leiden Zuidwest, Leiderdorp, Voorschoten en Zoeterwoude: Hier zou een extra warmte­ overdrachtstation tussen Leiden Zuidwest en Voorschoten WLQ+ warmte beschikbaar maken voor de warmteclusters daar. Als de ontwikkeling van lokale distributienetten in Leiden Zuidwest bovendien snel kan geschieden dan kunnen die distributienetten ook de warmte van dat warmteoverdrachtstation transporteren naar Zoeterwoude. Om een goed besluit te kunnen nemen over de verdere realisatie van een ORES, in welke vorm dan ook, is het belangrijk om helder te maken wat een ORES is en wat niet, en hoe dat relateert aan de ontwikkelgebieden en de publieke waarden. In een externe ontwerp opdracht (Regionale Integratie) worden de komende periode verschillende varianten van een ORES ontworpen, afhankelijk van scenario’s van omvang en ontwikkelsnelheid van vraag- en aanbod van warmte.

Die varianten zullen worden geëvalueerd op hun match met de publieke waarden zodat een afweging kan worden gemaakt. Voor de begeleiding van deze studie wordt de eerder genoemde klankbordgroep ingezet waarmee wordt toegewerkt naar een gezamenlijk gedragen uitkomst.

De samenwerking richt zich primair op een regionale warmteverbinding die moet zorgen dat de warmtetransitie sneller, duurzamer en goedkoper verloopt dan zónder die verbinding. Dat regionale systeem moet dus ten dienste staan van de ontwikkeling van de warmtevraag. Door middel van het samen brengen van de gegevens van de Regionale Energie Strategie Holland Rijnland, afzonderlijke Transitievisies Warmte en gesprekken met stakeholders zijn er warmteclusters gedefinieerd. Dat zijn dus gebieden die onafhankelijk van een ORES in aanmerking komen om daar op lokaal niveau warmtedistributienetten te ontwikkelen. Hiermee wordt het regionale belang benadrukt dat de samenwerkende gemeenten als eerste

3

1. INLEIDING: VERTREKPUNT EN EINDBESTEMMING ROUTEKAART

De reis is tot nu voorbereid, we weten wie er mee op reis gaat en er is bepaald waar de reis naar toe moet gaan. Er is echter nog steeds een keuze te maken in welke rol WLR inneemt tijdens de reis en welke rol de gemeenten kunnen of misschien zelfs moeten aannemen. Hoe kan er vervolgens het beste een besluit genomen worden door de gemeenten over hun rol in ORES, een faciliterende rol, een regisserende rol of een participerende rol. Op basis van onze ervaring en verwachten we in de Leidse Regio een vorm van marktfalen. Dit zal deels moeten worden opgelost door acties als het versnellen en concretiseren van de warmtevraag in de gemeenten, het versnellen en ondersteunen van initiatieven om warmtebronnen te ontwikkelen en een vorm van participatie in de regionale energie infrastructuur indien de technisch-economische analyse van het ORES dit uitwijst.

De gemeenten Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Oegstgeest, Voorschoten en Zoeterwoude hebben in 2021 besloten samen te werken in de warmtetransitie, voor het realiseren van een aardgasvrije gebouwde omgeving in 2050. Deze samenwerking is geformaliseerd in een Samenwerkingsovereenkomst voor de Leidse Regio en een bijbehorend Plan van Aanpak en dienstverleningsovereenkomst. Doel van deze samenwerking is onderzoeken of met een open regionaal warmtesysteem de regionale warmtebronnen optimaal kunnen worden benut en bepalen of daarmee voordelen kunnen worden bereikt op het gebied van betaalbaarheid, betrouwbaarheid en duurzaamheid. De samenwerking richt zich ook specifiek op een onderzoek naar de ontwikkeling en de waarde van een open regionaal energiesysteem (ORES) voor de regio.

Wat zijn tot slot de belangrijkste te nemen stappen in 2022?

‣ C oncretiseren contacten met woningcorporaties en energiecollectieven via de klankbord­

In september 2021 is adviesbureau Over Morgen gevraagd om met een tijdelijk team het programma WLR verder inhoud te geven en de werkgroep verder te begeleiden, in afwachting van de aanstelling van een vast programmateam. Met de opgedane ervaringen en inzichten heeft Over Morgen deze routekaart opgesteld om het programmateam en de werkgroep van WLR houvast te bieden voor de reis die voorligt. Tijdens die reis naar 2050 moet er gekozen voor een vervoersmiddel zoals het Open Regionaal Energiesysteem (ORES) en zullen er een aantal tussenstops zijn. Voordat we echt vertrekken lichten we hieronder de routekaart en het ORES toe.

groep, omdat zij een belangrijke rol spelen als respectievelijk afnemers en aanbieders van een collectieve warmteoplossing. ‣ Identificeer warmtekavels en warmteleverancier ‣ D oorrekenen van verschillende varianten van een ORES, afhankelijk van scenario’s van omvang en ontwikkelsnelheid van vraag- en aanbod van warmte ‣ ‘Spijtvrije’ keuzes in 2022, zoals isolatieprogramma’s en het intensiveren van de ontwikke­ ling van een collectieve warmtevraag. Dat laatste is van belang voor de ontwikkeling van een collectief warmtenet; of dat nu lokaal is of bovengemeentelijk – het is altijd nodig. ‣H  et stellen van kaders en uitgangspunten voor grotere systeemkeuzes. ‣M  eer informatie vergaren middels technisch-economische verdieping van de waarde van een bovengemeentelijk ORES voor de regio ‣ Z eker stellen dat in gesprek wordt gegaan met bewoners en eigenaren, gevolgd door intensief participatieproces ‣ L ange termijn perspectief beschrijven als ‘stip aan de horizon’ ‣ C olleges en raden intensief betrekken in de verschillende oplossingsmogelijkheden voor aardgasvrije wijken Hier ligt een taak als verbinder en aanjager voor het Warmteprogramma Leidse Regio, maar de concrete invulling moet gedaan worden door gemeenten en vastgoedeigenaren.

Waarom een routekaart? Met deze routekaart wordt niet een definitieve weg naar een einddoel uitgestippeld. Het eind­doel is namelijk niet voor elk onderdeel al duidelijk, bijvoorbeeld als het gaat om de rol die gemeenten en samenwerkingsvorm WLR in willen nemen. Wel is dit een routekaart die helpt om te leren navigeren, die helpt scherp te krijgen welke keuzes op korte termijn en op lange termijn gemaakt moeten worden en wat Over Morgen daarbij adviseert. We gaan in op de kansen die de samenwerking kan bieden om de warmtetransitie te versnellen en hoe een regionaal energiesysteem eruit zou kunnen zien. Maar ook gaan we in op wat individuele gemeenten zelf moeten doen om de kansen daadwerkelijk te kunnen verzilveren. Om van de regionale samenwerking echt werk te maken, moet er in de komende 12 maanden een aantal belangrijke beslissingen genomen worden, zowel in de regionale samenwerking als bij de gemeenten afzonderlijk. Welke dat zijn, waarom ze niet vrijblijvend zijn, wat er moet gebeuren om die te nemen, wanneer deze genomen moeten worden en wat die uiteindelijk kunnen betekenen voor de regionale samenwerking wordt in deze routekaart inzichtelijk gemaakt.

4

Wat is een Open Regionaal Energiesysteem? eerst zelf moeten committeren aan de ontwikkeling van lokale distributienetten in de gemeenten zelf. Hierover later meer in deze routekaart.

Een Open Regionaal Energiesysteem (ORES) is een regionaal warmtetransportnet waar ­meerdere warmtebronnen en -leveranciers onderdeel van zijn en in één systeem samen­ werken om warmte te leveren aan de eindgebruikers. Daarbij wordt onder andere gekeken naar de inzet, de transport en de distributie van restwarmte, aardwarmte (duurzame warmte uit de ondergrond) en warmtelevering via lokale bronnen. Door in te zetten op meerdere bronnen wordt een warmtesysteem robuust, omdat het niet afhankelijk is van één bron. “Open” betekent in dit geval dus een systeem dat in staat is om meerdere bronnen te ­accommoderen en daarmee de regio op een efficiëntere manier van duurzame warmte te voorzien dan mogelijk is via een lokaal gesloten systeem.

Welke inzichten hebben we? De zes gemeenten van de Leidse Regio werken op gemeentelijk- en buurtniveau al volop aan plannen voor de warmtetransitie. Zo heeft de grote regio Holland Rijnland de Regionale Energie Strategie (RES) opgesteld en hebben de gemeenten deze vastgesteld, waarmee globaal verkend is hoe en waar binnen de grote regio energie duurzaam opgewekt kan worden. Deze informatie geeft op hoofdlijnen inzicht in de energetische situatie tussen warmtevraag en -aanbod in de Leidse regio. Verder heeft elke gemeente een Transitievisie Warmte (TVW) vastgesteld waarmee binnen de gemeente, lokaal, inzicht is verkregen in de warmtevraag van gebouwen, de mogelijkheden voor collectieve en individuele warmte­ oplossingen en perspectief op lokale, binnen de gemeente, bronnen als regionale bronnen. Regionale bronnen zijn dus van belang op lokaal niveau waarbij regionale afstemming nodig is om die bronnen zo optimaal mogelijk lokaal in te kunnen zetten, de basis voor de samen­ werking binnen WLR. Zo wordt op verschillende niveaus in de regio toegewerkt naar de eindbestemming: een aardgasvrije Leidse Regio in 2050.

Nuttig gebruik van regionale bronnen vraagt om coördinatie om de warmte uit deze bronnen naar de eindgebruikers te brengen. Eindgebruikers vormen de basis voor de ontwikkeling van een warmtesysteem. Als er geen gegarandeerde warmtevraag is zal er niet worden geïnvesteerd in warmtebronnen, infrastructuur en samenwerkingsafspraken. De regionale samenwerking in het programma Warmte Leidse Regio kan zorgen voor de boven­ gemeentelijke afstemming over de ontwikkeling van de warmtevraag door middel van warmte­clusters/-kavels. Dat is nu nog niet geregeld. Daarvoor zullen de gemeenten zich echt

Technisch economische analyse ORES Regionale Energie Strategie Holland Rijnland

Samenwerking Warmte Leidse Regio

Aanbod warmte regionaal Zeker stellen bronnen

Leidse Regio aardgasvrij

Aanbod warmte lokaal

Transitie Visie Warmte

Eerste wijken aardgasvrij

Vraag warmte lokaal

Ontwikkelen vraag

2021

2022 Q2 2022 Routekaart in beeld

2023

2028 Q2 2023 Besluit ORES vervolg Partnerselectie Randvoorwaarden en financiering

Q4 2022 Afwegingskader Evaluatie WLR

5

2050

Wegwijzer om keuzes te maken Omdat er op de route naar een aardgasvrije regio nieuwe inzichten en ontwikkelingen zullen ontstaan, vraagt de routekaart om een jaarlijkse herijking. Begin 2023 volgt zo’n moment. Dat betekent echter niet dat er nu nog geen keuzes gemaakt kunnen worden. Deze worden in hoofdstuk 5 besproken.

De samenwerking binnen WLR is in volle gang, tegelijkertijd ligt eindbestemming van aardgasvrij in 2050 nog ver weg. De manieren om daar te komen zijn niet nu al volledig uit te stippelen. Deze routekaart is dan ook een wegwijzer waarmee Over Morgen advies geeft aan het programmateam en de werkgroep van WLR over de verdere invulling van de regionale samenwerking en de acties tot eind 2022, gebruik makend van het lange termijn perspectief op een ORES met daarvoor noodzakelijke voorwaarden. De stappen die voor het eind van 2022 keuzes of extra inzet vragen, worden in dit document beschreven.

WAT

Voorbeelden van nieuwe informatie en inzichten in de komende maanden die van invloed zijn op de routekaart zijn onder andere:

WANNEER MEER DUIDELIJKHEID

REALISATIE

WLQ+

Duidelijkheid wordt medio 2022 verwacht vanuit het Bestuurlijk Overleg WLQ+

Vanaf eind 2024, waarbij de start van warmtelevering in 2025 zal plaats kunnen vinden, afhankelijk besluitvormingsproces

Geothermie

EZK heeft de opsporingsvergunningen gegund aan de geothermie operators die een besluit moeten nemen om te starten met geologisch onderzoek. Cruciaal is gecontracteerde afzet. Daar is de ontwikkeling van warmtevraag, concurrentie van WLQ+, essentieel en er wordt niet voor 2023 ­duidelijkheid verwacht.

Realisatie en exploitatie geothermie bron zal niet eerder zijn dan 2025

Vervolg Transitievisies Warmte

Eerste wijkuitvoeringsplannen zullen cf. de TVW’s gereed zijn in 2024.

Er zit ongeveer 8 jaar tussen opstellen wijkuitvoeringsplan en realisatie

Wet- en regelgeving

Wet Collectieve Warmte naar verwachting eind 2022 naar de Kamer. De voorgenomen eis tot publiek eigendom vraagt wijzigingen in de bestaande situatie, en geeft richting aan rolneming partijen. Hierbij zal de rol en bevoegdheid van gemeenten vrijwel zeker wijzigen. Financieel moet duidelijk worden naar welke projecten en programma’s de middelen uit het ­Klimaatfonds kunnen worden toegewezen.

Voor einde 2022 is er hopelijk meer duidelijkheid.

6

2. VOOR VERTREK: UITGANGSPUNTEN EN REISGEZELSCHAP

duurzaamheid) op een collectief systeem aangesloten kunnen worden. Dat is noodzakelijk om een volgende stap te zetten in onder andere de ontwikkeling van warmtebronnen. Dat geldt voor geothermie waar een afnamegarantie voor moet zijn voordat er een investering gedaan kan worden. Maar dat geldt ook in het geval dat de restwarmte via WLQ+ een positief besluit krijgt van betrokken partijen, dan is daar geen exclusiviteit of garantie van beschik­ baarheid voor de Leidse regio. Deze restwarmte blijft beschikbaar voor iedereen die warmte af wil nemen, ook voor gemeenten en vastgoed buiten de Leidse Regio. Daarmee is het een risico dat wanneer de Leidse Regio niet tijdig warmteafname heeft georganiseerd, de rest­ warmte van WLQ+ al ‘onderweg’ door andere gemeenten tussen Den Haag en Leiden wordt gebruikt.

De wil en bereidheid om als zes gemeenten samen te werken is er, getuige de SOK en ­bijbehorende documenten, zeker. Het proces om te komen tot gezamenlijke besluit­vorming is echter traag en complex vanwege de ambtelijke en bestuurlijke afstemming bij de individuele gemeenten. De besluitvorming over de SOK heeft bijvoorbeeld ongeveer een half jaar in beslag genomen terwijl de initiële scope van WLR anderhalf jaar is. Dat is uit verhouding. Marktpartijen hebben vaak weinig tijd om te wachten op besluitvorming omdat ze geen momentum willen verliezen en zo de kans op subsidie of noodzakelijk contract mislopen. In dit hoofdstuk geven we advies wie er mee op reis moet en hoe de verschillen in besluitvorming binnen dat reisgezelschap in balans gebracht kan worden. Uiteraard gaan de zes gemeenten zelf mee op reis, als ook als de partijen die warmte afnemen en tot slot de partijen die warmte aanbieden.

Ten tweede is het nodig om een duidelijke bestuurlijke opdracht bij de individuele gemeente­ lijke organisaties neer te leggen om zich niet alleen in te spannen, maar ook resultaat te bereiken als zich een regionaal vraagstuk voor het ORES aandient. Een voorbeeld hiervan is het vinden van een locatie voor een boorlocatie namens de geothermie operators. Dat belang gaat over gemeentegrenzen heen met als risico dat gemeentelijke belangen zorgen voor vertraging of misschien zelfs afstel. Een duidelijke bestuurlijke opdracht heeft als gewenst neveneffect dat marktpartijen de regio zullen beschouwen als een slagvaardige gespreks- en samenwerkingspartner.

2.1 Samenwerkingsovereenkomst Leidse Regio De Samenwerkingsovereenkomst Warmte Leidse Regio (WLR) is in oktober 2021 door de colleges vastgesteld. In het bijbehorende Plan van Aanpak en Dienstverleningsovereenkomst geven de zes gemeenten vorm aan een regionale samenwerking op de breedte van de warmtetransitie.

In deze overeenkomsten is afgesproken dat de zes gemeenten gezamenlijk:

‣ D e regierol pakken in samenspel met energiecoöperaties, woningcorporaties,

ADVIES – Maak van de ambities in de Transitievisies Warmte wederzijdse resultaatverplichtingen over het geschikt maken van gebouwen ten behoeve van de ontwikkeling van lokale ­warmtedistributienetten. – Wijs voor alle regionale vraagstukken één verantwoordelijke persoon aan die de regionale afstemming coördineert maar ook voldoende beslissingsbevoegdheid heeft om een onderbouwd besluit aan de bestuurders voor te leggen namens de gezamenlijke gemeenten.

­netbeheerders, marktpartijen en medeoverheden; ‣ E en betere sturing krijgen op de borging van publieke waarden van betaalbaarheid, haalbaarheid, duurzaamheid, tijdigheid (van CO2 reductie) en betrouwbaarheid; ‣ D e regionale afstemming organiseren bij de vormgeving van warmte(net)beheer, de uitgifte van warmtekavels en totstandkoming van distributienetten, waar de bovenlokale aspecten van belang zijn, zodat woningen tijdig op een duurzame warmtebron ­aangesloten kunnen worden; ‣ E en sterke en slagvaardige gespreks- en samenwerkingspartner zijn; ‣ E en projectorganisatie vormgeven en hiervoor gezamenlijk financiële verplichtingen voor kunnen aangaan.

2.2 Afnemers De basis voor de ontwikkeling van collectieve warmtesystemen wordt gevormd door gebouwen die geschikt zijn om aangesloten te worden en gebouweigenaren die bereid zijn om aan te sluiten op het systeem. In het verleden gebeurde dat vaak als marktinitiatief, omdat het voor een warmtebedrijf en vastgoedpartij zakelijk gezien interessant was. De regierol van de gemeente moet er voor zorgen dat ook de zakelijk gezien minder interessante delen in een gebied aangesloten worden.

De zes gemeenten pakken hun regierol. We zien dat er binnen de gemeenten met alle partijen contact is, via werkgroepen en bilaterale gesprekken. De rol als een sterke en slagvaardige gespreks- en samenwerkingspartner komt echter niet uit de verf. De ambitie is op dat punt momenteel groter dan de realiteit. Hierdoor komt het tijdig aansluiten van woningen op een duurzame warmtebron in gevaar.

Gemeentelijk vastgoed vormt een begin, maar woningbouwcorporaties vormen door hun omvang en duurzaamheidsopgave een belangrijke partner voor het ontwikkelen en stimuleren van de vraag naar collectieve warmte in de regio. Hun ambities, plannen en mogelijkheden

De benodigde versnelling zit daarom in de eerste plaats in het omzetten van de contacten naar afspraken over welke woningen, wanneer en tegen welke voorwaarden (tarieven,

7

2.3 Aanbieders

kunnen door hun omvang en volume van de warmtevraag fungeren als ‘launching customers’ en zo een belangrijke impuls geven aan de ontwikkeling van collectieve warmteprojecten. Zeker nu energieprijzen stijgen en kosteneffectieve oplossingen voor een duurzamere warmtevoorziening urgenter worden is dit nodig. Het programma heeft daarom regelmatig overleg gevoerd met Holland Rijnland Wonen maar in de regio is op dit moment nog beperkt sprake van actieve samenwerking op het verduurzamen van vastgoed. Die afspraken zullen vooral binnen gemeenten zelf tot stand komen.

In potentie zijn er in de Leidse Regio op dit moment twee bronnen die niet alleen binnen een wijk of gemeente gebruikt kunnen worden maar in (een deel van) de regio, en veel invloed hebben op een betaalbare, duurzame en tijdige warmtevoorziening in de wijken. Dat is op de eerste plaats restwarmte uit het havengebied van Rotterdam, naar de regio getransporteerd via WarmteLinQ+. Geothermie vormt de tweede bron. Op dit moment zijn er in de regio vier opsporings­ vergunningen verleend te weten aan de geothermieoperators Wayland Energy, Yeager, Eavor en Shell/D4s.

De warmtetransitie raakt verder natuurlijk sterk aan individuele inwoners. Energie­ coöperaties en andere lokale initiatieven kunnen een belangrijke rol spelen in het versterken van de steun voor het verduurzamen van de warmtevoorziening, waaronder collectieve. Het is de bedoeling om de regionale aanpak versterkend en verdiepend te laten zijn voor de lokale, wat in goed overleg vorm moet krijgen. In de ontwerpopgave ORES is deze samenhang een expliciet aandachtspunt. In het overleg met Rijnland Energie zoekt de Leidse Regio naar mogelijkheden voor onderlinge versterking op regionaal niveau. Regionale ontwikkelingen moeten lokale initiatieven niet in de weg zitten en onderzocht moet worden hoe regionale ontwikkelingen regionale initiatieven kunnen versterken. Het lokaal versterken van ­individuele initiatieven is duidelijk een rol voor de gemeenten zelf in het kader van hun lokale aanpak van de warmtetransitie.

Eventueel is er een derde bron mogelijk, namelijk de huidige, fossiel gestookte, centrale van Uniper die het Leidse warmtenet van warmte voorziet in combinatie met de opwekking van elektriciteit. Initieel zou deze centrale begin 2020 sluiten maar Vattenfall, de exploitant van het Leidse warmtenet, heeft een warmteleveringsovereenkomst tot medio 2026 met Uniper. Onvoorziene omstandigheden daargelaten, zal deze centrale in 2026 sluiten. Als het mogelijk is om de centrale te verduurzamen en nieuwe overeenkomsten af te sluiten met Vattenfall of andere warmteleveranciers dan zou dat kunnen wijzigen. Er zijn geen concrete plannen in die richting bekend bij WLR.

Vanwege deze samenhang met de aanpak per gemeente dient de Leidse Regio te komen tot een bestuurlijk advies over de mogelijkheden van deze onderlinge versterking. Een regionaal convenant is een vorm om deze locaties te benoemen en in de tijd vast te leggen. Dit kan verder zekerheid bieden die nodig is om te komen tot een open regionale warmte oplossing. Een soortgelijke redenering geldt overigens ook voor regionale vastgoedbeheerders en voor het gemeentelijke vastgoed dat verduurzaming behoeft. Een integrale package deal waarin de verduurzaming van dit vastgoed wordt gekoppeld aan de realisatie van een open regionaal energiesysteem kan het vertrouwen geven aan alle partijen om de noodzakelijke investeringen te doen.

Hoewel er al dus al geïnteresseerde en actieve marktpartijen aan de basis staan van de ontwikkeling restwarmte uit Rotterdam en geothermie, is het benutten van die boven­ gemeentelijke bronnen sterk afhankelijk van de manier waarop gemeenten hun rol invullen in hun onderlinge samenwerking op de volgende onderdelen: ‣ D e gemeenten hebben wettelijk de rol van de bevoegde instantie ten aanzien van de omgevingsvergunningen; ‣ G emeenten hebben een regierol als het gaat om het beschikbaar krijgen van voldoende warmtevraag voor de bron. De TVW’s vormen hiervoor de basis. ‣ G emeenten hebben een faciliterende rol in het beschikbaar krijgen van voldoende ruimte boven de grond, zoals een warmteoverdrachtstation voor WLQ+ of winningslocatie voor geothermie, en de ondiepe ondergrond, zoals bij warmte- en koudeopslag. Ook zonder een financieel risico dragende (oftewel participerende) rol ondersteunen ­gemeenten dus de ontwikkeling van collectieve warmtesystemen en hebben ze invloed op de haalbaarheid van de inzet van bronnen.

ADVIES – Continueer samenwerking met initiatieven, coöperaties en woningbouwcorporaties, vastgoedbeheerders, afdelingen vastgoedbeheer bij gemeenten en intensiveer zodra ORES concreter wordt – Borg, bijvoorbeeld met een regionaal convenant, op gemeentelijk niveau samenwerking met de corporaties waarbij binnen WLR regionaal in kaart wordt gebracht voor welke complexen een collectieve warmteoplossing wenselijk is.

Later in deze routekaart wordt een nadere technisch economische analyse van het ORES aangekondigd. Daarbij is besloten om een afvaardiging van de belanghebbende partijen zitting te laten nemen in een klankbordgroep. Deze klankbordgroep heeft als primair doel ondersteunen bij de verdieping van de technische en economische uitwerking van een warmte­systeem met regionale bronnen, het ORES. Op deze manier leveren zowel publieke

8

3. DE EERSTE ETAPPE: REGIONALE WARMTEVERBINDING

als marktpartijen, afnemers en aanbieders gezamenlijk input aan de analyse, en zijn ze direct betrokken bij het proces zodat de resultaten ook in de eigen organisaties herkend en begrepen worden.

De samenwerking richt zich onder andere op een regionale warmteverbinding die moet zorgen dat de warmtetransitie sneller, duurzamer en goedkoper verloopt dan zonder die verbinding. Dat regionale systeem moet dus ten dienste staan van de ontwikkeling van de warmtevraag. Dit hoofdstuk geeft antwoord op de vraag waar die warmtevraag is ­gelokaliseerd en wat er moet gebeuren om die vraag te koppelen aan het aanbod van lokale en regionale bronnen.

Dat is van groot belang voor het vervolg, wanneer partijen hun eigen afwegingen moeten maken voor de daadwerkelijke ontwikkeling, investering en realisatiefase. Denk bijvoorbeeld aan corporaties die afnamecontracten tegen bepaalde tarieven moeten afsluiten, of een geothermie operator die een risicodragende investering doet voor een warmtebron.

3.1 Warmtevraag

De klankbordgroep wordt primair ingericht voor de begeleiding van de verdieping van de ORES, maar zal in vergelijkbare vorm doorgaan indien er een positief beeld is voor vervolg.

Uit de RES blijkt dat de ontwikkeling van lokale netten belangrijk is in de eventuele ­ontwikkeling van een regionaal energiesysteem. Om de warmtevraag in kaart te brengen en in de tijd te zetten, gebruiken we de informatie uit de TVW van elke gemeente. De TVW laat per buurt zien welk alternatief voor aardgas de voorkeur heeft. Het is belangrijk te beseffen dat de TVW van de ene gemeente concreter en realistischer is dan van de andere. Over Morgen en het programma pleiten er voor dat gemeenten bij een volgende versie van de transitievisies en de RES minder uitgaan van vrijblijvendheid.

De beoogde klankborgroep is als volgt samengesteld maar kan door omstandigheden uiteraard wijzigen:

Bronnen:

Afnemers:

1. GasUnie / WarmtelinQ 2. Geothermie – via EBN

7. Rijnlandse Energie coöperatie 8. Woningcorporaties

Netten en infrastructuur:

Financiering/Regio

3. Vattenfall 4. Liander 5. Firan 6. Uniper

9. RES Holland Rijnland

Deze keuze welke aardgasvrije warmtevoorziening het best past in de wijken en buurten wordt gemaakt op basis van drie pijlers:

‣ T en eerste geeft de TVW per buurt aan welk alternatief van aardgas de laagst ­maat­schappelijke kosten heeft.

‣ V erder definieert iedere TVW een aantal uitgangspunten, waaraan de warmtetransitie moet voldoen.

‣ T en slotte is er vanuit de TVW gesproken met woningcorporaties, energiecoöperaties en

lokale initiatieven waardoor er al veel kennis bij de gemeenten is over de stand van zaken bij deze partijen.

ADVIES – Benoem een klankborgroep van belanghebbende partijen.

In figuur 1 staat de warmtevraag per wijk. Hoe donkerder de kleur, hoe hoger de warmtevraag. Dit heeft invloed op de in de TVW gemaakte keuzes voor een warmteoplossing en tijdspad (deze staat in figuur 2).

Figuur 1: Wijken in Leidse Regio met vraag naar collectieve warmte

9

Uit figuur 1 blijkt dat voor een groot gedeelte van de buurten in de Leidse regio geldt dat een warmtenet zorgt voor de laagst maatschappelijke kosten. Daarnaast laat deze figuur zien dat de grootste warmtevraag geconcentreerd is rondom het centrum van Leiden. De warmtenetten in de regio, buiten het groot Leidse warmtenet, zijn kleine, lokale distributie­netten. Die warmtenetten distribueren warmte naar elk gebouw in de wijk. In het vervolg maken we onderscheid tussen deze distributienetten en de (regionale) (warmte)transport­netten. Transportnetten zorgen er voor dat warmte van grote regionale bronnen wordt verdeeld over de distributienetten en grote afnemers. Het valt te vergelijken met het verschil tussen de elektriciteitsnetten van Liander en TenneT of de gasnetten van Liander en GasUnie.

Warmtecluster - starten in 2025 Warmtecluster - starten in 2030

Warmteclusters vóór 2030 aan te sluiten Het ORES is een regionaal transportnet dat moet zorgen dat de warmtetransitie sneller, duurzamer en goedkoper verloopt dan zonder ORES. Dat regionale systeem moet dus ten dienste staan van de ontwikkeling van de warmtevraag. Uit de analyse van de RES, de TVW’s en gesprekken met de gemeenten is op basis van woningcorporatiebezit, warmtevraag, vervangingsopgaven, lokale initiatieven en sloop/nieuwbouw plannen een beeld ontstaan van geclusterde gebieden met één of meer warmtenetten, lokale distributienetten. Warmte­ clusters zijn dus gebieden die onafhankelijk van een ORES in aanmerking komen om daar op lokaal niveau warmtedistributienetten te ontwikkelen. Hiermee wordt nogmaals het regionale belang benadrukt dat de samenwerkende gemeenten als eerste inzetten op het ontwikkelen van de lokale distributienetten, met andere woorden de warmteclusters. Een ORES zorgt dat de clusters doelmatiger en efficiënter kunnen worden geëxploiteerd en niet andersom. De clusters moeten dus ook prioriteit krijgen boven andere wijken. WLR kan zorgen voor de regionale afstemming maar het commitment moet van de afzonderlijke gemeenten zelf komen.

Figuur 2: De warmteclusters. De meest gunstige wijken zijn de blauwe wijken. In deze wijken kan in 2025 worden gestart. In de groene wijken kan in 2030 worden gestart.

Om aan het criterium te voldoen dat in de SOK is benoemd als “tijdigheid” zullen gemeenten zich concreet moeten uitspreken over een tijdspad per wijk of cluster. Tijdigheid is ook te realiseren door een aantal slecht geïsoleerde wijken op hoge temperatuur (HT) aan te sluiten. Gemeenten zullen daarna vanuit hun regierol die wijken moeten faciliteren om alsnog te isoleren en zo later de temperatuur van het distributienet kunnen verlagen. ADVIES – Stem regionaal af welke warmteclusters prioriteit krijgen om daar de ontwikkeling van ­lokale distributienetten door gemeenten (extra) te stimuleren. – Vraag gemeenten om commitment als het gaat om het ontwikkelen van lokale distributienetten. – Vraag gemeenten bij een volgende versie van de transitievisies warmte en de RES om minder vrijblijvendheid te zijn.

De clusters zijn weergegeven in figuur 2. Een uitgebreidere argumentatie over hoe deze clusters tot stand zijn gekomen, staat in de bijlage. De volgende stap is om aan deze warmteclusters een tijdsfactor toe te kennen: de warmte­ clusters met de meest gunstige eigenschappen zoals weinig gebouwaanpassingen en veel corporatiebezit (startmotor) hebben een grotere kans om eerder in de tijd te worden aan­ gesloten dan warmteclusters die deze eigenschappen niet hebben. We gaan uit van een periode van acht jaar per cluster om het distributienet te ontwikkelen en realiseren. In die periode zou een tijdelijke voorziening, zoals een gasgestookte hulpketel het warmtenet van warmte kunnen voorzien als een lokale duurzame bron niet meteen voorhanden is. De hulpketel wordt dan in de loop der tijd vervangen door een lokale duurzame bron of connectie met het ORES.

3.2 Warmteaanbod in de regio De transitie van aardgas naar andere, duurzame vormen van warmtevoorziening is zoals gezegd een complexe opgave. De bijzondere uitdaging in de Leidse regio is dat er heel weinig warmtebronnen beschikbaar zijn die er op grotere schaal kunnen worden ingezet. Dit heeft geleid tot een ‘multi-bronnen strategie’ waarin verschillende warmtebronnen in de loop van de tijd tot ontwikkeling worden gebracht en kunnen worden ingezet in de regio via het ORES.

10

Vanuit de Leidse Regio is een samenwerking vormgegeven om bovengemeentelijk betere oplossingen te bieden voor de warmtetransitie, dan lokaal op wijkniveau mogelijk is. Dat is gedreven door de inzet van regionale warmtebronnen, zoals WLQ+ en/of geothermie. Hiermee kan schaalgrootte verkregen worden, met positieve invloed op de publieke waarden betaalbaarheid (kosten verdelen over meer aansluitingen), tijdigheid (versnelde aanleg en beschikbaarheid bron en transitie) en duurzaamheid (inzet duurzame bron met hoge temperatuur verkleint inzet elektrisch vermogen).

Inzetbaarheid WLQ+ Op het moment van schrijven van deze routekaart is er nog geen besluit genomen over de daadwerkelijke realisatie van WLQ+. Als WLQ+ niet doorgaat, zal de oplossing vooral gezocht moeten worden in het reduceren van het aantal wijken en buurten waar een ­collectief warmtesysteem beoogd is en tegelijkertijd het nog krachtiger stimuleren van isolatie­maatregelen en lokale broninitiatieven in die wijken en buurten. Als WLQ+ wel doorgaat kan WLQ+ in elk cluster ingezet worden als basislastbron, vooral dankzij de HT-warmte en de kostenstructuur. Met name vanwege het HT karakter is WLQ+ ideaal als duurzame bron voor het bestaande Leidse warmtenet van Vattenfall, wat ook op korte termijn ingezet kan worden naast of in de plaats van warmte die Uniper nu levert vanuit de centrale. De woningen die zijn aangesloten op het Leidse warmtenet maken nu namelijk ook gebruik van HT-warmte. Het beoogd tracé van WLQ+ is dan ook gericht op het Leidse warmtenet in het oosten van de Leidse regio maar passeert via Leiden Zuidwest ook Voorschoten, Leiderdorp en Zoeterwoude. Met een warmteoverdrachtstation in die oosthoek kunnen de clusters daar ook met restwarmte op HT worden ontsloten. In dat geval bepaalt een technisch en financiële analyse of het verstandig is om WLQ+ effectief en efficiënt gebruik van dat gebied.

Dit wordt verder uitgewerkt en besproken in het Provinciaal Inpassingsplan (PIP) 1. WLR heeft met de ­gemeenten een notitie besproken over het tracé van WLQ+ en de locatie van één of meerdere warmteoverdrachtstations. Die discussie is nog gaande en de uitkomst zal ook afhangen van het moment dat gemeenten commitment kunnen afgeven over afname.

Figuur 3: WarmtelinQ-tracé (bron: https://www.warmtelinq.nl/trace)

Inzetbaarheid geothermie Geothermie wordt ook ingezet als basislastbron maar vooral in de clusters, dat wil zeggen lokale distributienetten, waar een wijkaanpak gaat zorgen voor een isolatiecampagne waardoor de woningen geschikt zijn voor een directe MT toepassing. Aangezien de geo­ thermiebronnen in het deel van de regio liggen nabij Leiden, Katwijk en Oegstgeest is het verstandig om de bronnen in dat deel ook te koppelen aan de vraag. Mocht er meer aanbod vanuit de geothermiebronnen beschikbaar zijn, dan bepaalt de nadere technisch en financiële analyse welke bron waar het beste ingezet kan worden via een ORES. De inzet van bronnen op basis van omgevingswarmte (bijv. aquathermie) is vanwege de hierboven genoemde kenmerken vooral gericht op de direct nabijgelegen clusters waar sprake is van gebouwen die verwarmd kunnen worden op lage temperatuur (LT) of midden temperatuur (MT) niveau (m.b.v. warmtepompen en WKO) warmte. Dit maakt dit type bronnen minder of niet geschikt voor regionale inzet.

Het eerder geuite advies om, ten aanzien van de ontwikkeling van de warmtevraag, ­commitment te vragen aan de gemeenten is een belangrijke vanuit het perspectief van WLQ+. De leiding van WLQ+ heeft een capaciteit die weliswaar groot is, 100 MWth, maar de momentane warmtevraag in de Leidse regio maar ook bij andere gemeenten langs het tracé is groter dan dat. Op een gegeven moment zal Gasunie alle beschikbare transport­ capaciteit, naast het deel dat is bestemd voor het Leidse warmtenet van Vattenfall, hebben ­gecontracteerd. Vooraf is zonder gegarandeerde afname geen zekerheid te verkrijgen. Hier geldt “wie het eerst komt wie het eerste maalt”.

ADVIES – Onderzoek voor de warmteclusters genoemd de haalbaarheid van regionale en lokale bronnen

1 https://www.zuid-holland.nl/onderwerpen/energie/warmtelinq-rijswijk-leiden/

11

3.3 Regionale route via de lokale distributienetten

back-up installaties. Als het mogelijk is om een significant gedeelte van de geproduceerde warmte op te slaan kan ervoor gezorgd worden dat er meer gebruik gemaakt kan worden van bronnen met een hoge prioriteit (economisch en duurzaam), dan dat zónder die opslag mogelijk is. Zonder fysieke opslag moeten de bronnen exact produceren wat er aan warmte gevraagd wordt omdat anders de temperatuur stijgt of zakt. Daar kan slim gebruik van worden gemaakt, maar er zijn harde grenswaarden.

Hoewel bekend is dat een aardgasvrije Leidse regio de eindbestemming is, verdient het aanbeveling om met tussenstops rekening te houden en de tijd te nemen om te beoordelen of het project nog op de goede weg is. In het voorgaande hebben we geanalyseerd waar het verstandig en zinvol is om lokale collectieve warmteoplossingen te ontwikkelen: de warmteclusters. De vraag die we ­vervolgens willen beantwoorden, of beter, pogen te beantwoorden, is of het verstandig is om die lokale distributienetten te verbinden en bronnen op regionaal niveau in te zetten voor effectief en efficiënt gebruik van die bronnen. Met “verstandig” verwijzen we naar de publieke waarden samenwerkingsovereenkomst.

Als blijkt dat de beschikbare duurzame lokale en duurzame regionale bronnen te beperkt of te kostbaar zijn om aan de complete warmtevraag van de regio te voldoen zal er uitgeweken moeten worden naar piekbronnen, bronnen die snel ingezet kunnen worden als de warmte­ vraag te hoog wordt voor de basislastbronnen. Bij piekbronnen accepteer je doorgaans hogere operationele kosten dan voor basislast omdat de afname beperkter is. Dat wordt vaak deels gecompenseerd door te kiezen voor lager investeringslasten. Voorbeeld hiervan zijn gas­ gestookte piekketels die (op termijn) gebruik kunnen maken van een hernieuwbaar gas. Hernieuwbaar gas is, zoals ook in de RES vermeld, biogas maar kan bij voldoende beschikbaar­ heid ook waterstof zijn. Echter, de RES gaat ervan uit dat waterstof voorlopig niet beschikbaar is voor de gebouwde omgeving. De piekbronnen zouden dan ook gedimensioneerd kunnen worden voor inzet als er een bron uitvalt maar nog wel aan de warmtevraag voldaan moet kunnen worden. Dan vormen die bronnen meteen ook back-up.

Hoe bepaal je de inzet van de bronnen? De warmtevraag van de gebouwde omgeving bepaalt wat de behoefte is. Op ieder moment moet er precies evenveel warmte beschikbaar zijn als er behoefte is aan warmte. Enige nuance daarbij is dat snelle en beperkte fluctuaties in een warmtenet door het systeem zelf worden opgevangen via de drukregeling en variaties in temperatuur. Hoe de warmtevraag varieert gedurende een jaar noemen we het warmteprofiel van het collectieve systeem. Als we de hoogte van de warmtevraag rangschikken van hoog naar laag, krijgen we een jaarbelasting­ duurkromme2.

ADVIES VOOR DE EERSTE ETAPPE – Zorg dat alle openstaande vragen die in dit hoofdstuk worden benoemd ook worden beantwoord in de technische en financiële analyse die momenteel wordt gedaan onder de “uitvraag ORES”.

Bij de ontwikkeling van een collectief warmtesysteem moet dus rekening worden gehouden met de hoogte van de warmtevraag en met beschikbaarheid van voldoende vermogen van de bronnen.

Mochten de bronnen onvoldoende warmte kunnen leveren dan zijn er twee opties:

‣ Temperen van de volloop of besluiten bepaalde gebieden niet aan te sluiten. ‣ Stimuleren van het isoleren van de gebouwen in de afzetgebieden. Dit vlakt de

­jaar­belastingduurkromme, omdat de totale vraag in een jaar (oppervlakte onder de jaarbelasting­duurkromme) afneemt. Isolatie zorgt er ook voor dat de betreffende gebouwen op een lagere temperatuur verwarmd kunnen worden waardoor per beschikbare bron meer woningen kunnen worden aangesloten. Ook is het dan mogelijk meer warmte te onttrekken aan bronnen die op middentemperatuur (50 graden) of lage temperatuur (30 graden) warmte leveren.

Opslag en piek- en back-up Geothermie, restwarmte uit Rotterdam en omgevingswarmte worden vooral ingezet als basislast voorziening. De businesscases van die regionale bronnen houden daar ook rekening mee. Er moet daarnaast rekening gehouden worden met de opslag van warmte en piek- en 2 https://gemeentebestuur.haarlem.nl/bestuurlijke-stukken/2019393567-3-Bijlage-2-Overzicht-duur­ zame-warmte-bronnen-Haarlem.pdf

12

4. DE EERSTE AFSLAG: CHAUFFEUR, NAVIGATOR OF PASSAGIER?

Drie ontwikkelgebieden Hiermee trekken we een eerste conclusie dat er in de regio drie ontwikkelgebieden (Figuur 4) zijn te onderscheiden voor de regionale inzet van WLQ+ en geothermie. De ontwikkelgebieden geven de mogelijkheid om de ontwikkeling en bijbehorende besluitvorming te faseren. De verwachting is dat dit voor meer tempo kan zorgen dan wanneer er in één keer een besluit genomen moet worden voor het gehele gebied.

De reis is voorbereid, we weten wie er mee op reis gaat en er is bepaald waar de reis naar toe moet gaan. Er is echter nog steeds een keuze te maken in welke rol WLR inneemt tijdens de reis en welke rol de gemeenten kunnen of misschien zelfs moeten aannemen. In dit hoofd­ stuk wordt stilgestaan bij de keuzen die er zijn en hoe er het beste een besluit genomen kan worden om een rol te nemen.

4. Leiden Centrum en Leiderdorp: Verder uitbreiden van het bestaande warmtenet waar dat de beste oplossing is met de beschikbare HT warmte van WLQ+ 5. Katwijk en Oegstgeest: Lokale MT distributienetten die gevoed worden met geothermie en gebruik kunnen maken van een extra warmteoverdrachtstation bij Leiden om WLQ+ warmte in te zetten op MT niveau voor de clusters in dit ontwikkelgebied. Voor de ­Bloemenbuurt (Oegstgeest) zal daarnaast specifiek moeten worden beoordeeld wanneer HT warmte van WLQ+ beschikbaar kan komen. 6. Leiden Zuidwest, Leiderdorp, Voorschoten en Zoeterwoude: Hier zou een extra warmteoverdrachtstation tussen Leiden Zuidwest en Voorschoten WLQ+ warmte beschik­ baar maken voor de warmteclusters daar. Als de ontwikkeling van lokale distributienetten in Leiden Zuidwest bovendien snel kan geschieden dan kunnen die distributienetten ook de warmte van dat warmteoverdrachtstation transporteren naar Zoeterwoude.

4.1 De gemeentelijke rol in een open regionaal systeem Voor ieder deel van de warmteketen, d.w.z. de warmtebron, de warmte-infrastructuur en/of voor de warmtelevering aan gebruikers, kan de gemeente in grote lijnen drie mogelijke rollen in het energiesysteem innemen: 1. Faciliterende rol 2. Regisserende rol 3. Participerende rol

Faciliterende rol Als facilitator laat de gemeente de transitie in principe over aan de markt onder bestaande wettelijke kaders. Deze rol kan gekozen worden als je voor (een specifiek deel van) de warmteketen geen noodzaak ziet actief in te grijpen. Vanuit deze rol hoef je als gemeente niet te beschikken over veel inhoudelijke kennis over het ontwerpen, aanleggen, beheren en exploiteren van warmtenetten. Dat kan beperkt blijven tot de juridische kennis die nodig is om te beoordelen en te toetsen of een aanvrager een vergunning kan krijgen.

Regisserende rol Hierin neemt de gemeente een juridische verantwoordelijkheid in de warmtetransitie door actief marktpartijen te selecteren, en toezicht te houden op de uitvoering van taken. Als regisseur maakt de gemeente financiële, technische en ruimtelijke kaders voor publieke, private en particuliere warmtevoorzieningen en organiseert toepassing van deze kaders. Via een aanbestedingsprocedure en concessieverlening gaat de gemeente met een partij een overeenkomst aan, waarmee die partij het recht krijgt om voor een afgesproken termijn en volgens afgesproken termen warmte te leveren in een bepaald gebied. In deze positie moet

Figuur 4: Drie ontwikkelgebieden voor de regionale inzet van WLQ+ en geothermie

13

je als gemeente naast juridische kennis over aanbesteden van concessies en over contracten, wel beschikken over - of toegang hebben tot - voldoende inhoudelijke kennis om goed in staat te zijn je positie te bepalen, de wensen en eisen te formuleren, de wederzijdse rechten en plichten te kunnen bepalen. De regisseursrol wordt op stadsniveau ingevuld binnen de gemeentelijke organisatie of (eventueel gedeeltelijk) door een aparte uitvoeringsorganisatie in eigendom van de gemeente. In Katwijk is voor de wijk Kalkoven gekozen voor een combi­ natie van een concessie voor 15 jaar met het verstrekken van een lening voor de warmteinfra. Omdat de gemeente onder gunstige voorwaarden bij de Bank Nederlandse Gemeenten een lening afsluit, wordt de business case van het warmtebedrijf verbetert waardoor het meer haalbaar en betaalbaar wordt. De gemeente wordt daarmee juridisch eigenaar van de warmteinfra, waarbij dit ook het onderpand is voor de verstrekte lening.

Zo’n regionaal netwerkbedrijf kan op het niveau van de zes WLR-gemeenten of op het niveau van de RES Holland Rijnland ingericht worden.

Het bedrijf kan dan zowel als eigenaar (exploitant) of aandeelhouder (financier) optreden:

‣H  et gaat in ieder geval om een entiteit die werkzaam is in een groter gebied dan één warmtekavel.

‣H  et gaat om de regionale warmte infrastructuur inclusief

regelingen en pompen. Aanvullend kunnen ­zogenoemde ‘Energy Hubs’, inclusief WOS en aan­sluitingen ook publiek gemaakt zijn als onderdeel van een systeem waarin verschillende bronnen op eenzelfde druk en temperatuur gebracht worden. ‣ D enkbaar is ook aansluiting bij de werkgebieden en aan­deel­houdersstructuren van de bestaande net­ beheerders voor gas en elektriciteit. Deze netbeheerders hebben allen een aparte entiteit die zich richt op warmte­ netwerken. Overigens is de rol van netbeheerders wette­ lijk beperkt tot transport activiteiten, en hebben ze geen rol in de opwek en levering.

Participerende rol De gemeente neemt juridische verantwoordelijkheid in de warmtetransitie door actief en financieel risicodragend deel te nemen in ontwikkelende tot uitvoerende taken in de warmteketen. Er zijn verschillende vormen van participatie mogelijk. Daarin is financiële deelname en inspraak leidend, waarbij de gemeente (mede) eigenaar wordt van te kiezen assets door aandeelhouder te worden. Als aandeelhouder investeert de gemeente onder voorwaarden in warmtevoorzieningen, soms alleen en soms met (publieke) partners. In die rol is de gemeente verantwoordelijk voor de exploitatie en instandhouding van de assets, en kan deze uitbesteden aan een competente leverancier. In Nederland zijn steeds meer voorbeelden waarin de gemeente aandeelhouder wordt van een warmte-infrabedrijf, zoals in Zaanstad, Delft en Hengelo. De rollen van warmteleverancier en de warmtebron zijn dan in private handen, terwijl de infrastructuur (grotendeels) in publieke handen is. De meest vergaande vorm is wanneer de gemeente aandeelhouder van het warmtebedrijf is, dus de volledige organisatie inclusief de warmtelevering. Dat kan via 100% eigendom (Stadsverwarming Purmerend), maar vaak is het middels een samenwerking tussen partijen.

De warmtekavels worden binnen gemeenten georganiseerd. Dat valt binnen bestaande gemeentelijke processen waarbij de samenwerking WLR ondersteunt door kennis te delen. Voor het WLR is de beoogde fysieke koppeling met een open regionaal warmtenetwerk een belangrijke kans. In dat geval worden de lokale warmtekavels onderling verbonden met een warmte-hoofdinfrastructuur. Dat gebeurt veelal door lokale netwerkjes regionaal te koppelen het zogenaamde ‘kralenrijgen’. In dit geval is publieke sturing op zowel de ontwikkeling van lokale warmtekavels, als de koppeling middels een regionaal warmtenetwerk van groot belang.

Ontwikkelingen in Nederland: op weg naar regionale infrastructuur en lokale warmtekavels De hierboven beschreven rollen zijn in de praktijk vaak minder zwart-wit. Zo zien we in Nederland verschillende initiatieven om op regionaal niveau een koppeling tussen lokale warmtenetten te verzorgen middels een regionaal warmtenetwerkbeheer bedrijf. Dit kan zowel een privaat als publiek karakter hebben, al is de praktijk dat dit nu vooral publieke initiatieven zijn. Dit bedrijf kan dan als aandeelhouder zelf de uitvoering en exploitatie van een regionale infrastructuur ter hand nemen, of als aandeelhouder een rol spelen om lokale gemeentelijke netten te versnellen. Het in oprichting zijnde Gelders Warmte Infra Bedrijf (zie kader) is daar een actueel voorbeeld van.

GELDERS WARMTE INFRA BEDRIJF Om te voorkomen dat elke gemeente eigen expertise moet opbouwen en voor voldoende mens­­kracht moet zorgen, wil de provincie Gelderland het Gelders Warmte Infra Bedrijf (GWIB) oprichten. Als medeaandeelhouders rekent de provincie op netwerkbedrijf Alliander en het Innovatie & Energie­fonds Gelderland. Per project kan vervolgens een lokaal warmte infra bedrijf worden opgericht met de gemeente en het GWIB als aandeelhouder. Voordelen zijn dan centraal expertise wordt opgebouwd, en het afsluiten van leningen wordt eenvoudiger en vooral goedkoper. Bovendien gaat de provincie er van uit dat het draagvlak voor stadsverwarming toeneemt als de gemeente zeggenschap over het warmtenet houdt.

Door die sturing worden schaalvoordelen verkregen – die daarna gesocialiseerd kunnen worden en ten goede komen aan de betaalbaarheid. Hiermee worden eerlijke en trans­parante prijzen berekend aan afnemers. In geval van regionale bronnen ontstaat er zo sturing op een rechtvaardige verdeling van deze bronnen, en een onafhankelijke en open structuur voor nieuwe bronnen en/of verdere verduurzaming.

14

4.2 Advies van Over Morgen over welke rol voor gemeenten in ORES? De gemeenten in de Leidse regio willen door samen te werken in de warmtetransitie hun gestelde doelen horend bij de publieke waarden halen. In het algemeen is samenwerking tussen alle betrokken partijen altijd noodzakelijk. Vanzelfsprekend vanuit draagvlak bij alle afnemers, maar een investering in samenwerking tussen technische partijen die warmte oplossingen kunnen bieden is ook altijd nodig. Daarvoor dient een bepaalde rol gekozen te worden, waarmee de gemeente invloed kan uitoefenen. Hiervoor zijn een aantal varianten beschreven met een afweging tussen invloed en risico. Hieronder de overwegingen en adviezen voor WLR in deze.

Zorg voor gelijke standaarden in techniek Ongeacht de keuze voor een regionaal of lokaal systeem, en ongeacht het eigendom en gemeentelijke rolneming, is het sterk aan te raden technische en systeem standaarden vast te stellen zodat op termijn op zichzelf staande warmtenetwerken gekoppeld kunnen worden door een regionaal warmtenetwerk. Zeker bij een gewenste regionale koppeling moeten die technische eisen vooraf gesteld worden, waardoor er op dat vlak enige sturing noodzakelijk is. Deze systeemregie ligt vaak bij de netwerkbeheerder, waar aanbod en vraag samenkomen.

De huidige wetgeving en instrumenten volstaan grotendeels

We verwachten dat dit ook in de Leidse Regio aan de orde is. Vanuit het perspectief van economische haalbaarheid en tijdigheid vinden wij het zeer raadzaam om nu al te ­onderzoeken òf en welke mogelijkheden er zijn voor de gemeenten om een meer actieve, stimulerende of zelfs participerende rol te nemen. ‣ E en technisch-economische verdiepende studie voor het ORES zal meer duidelijkheid gaan geven in een verwacht marktfalen. ‣ O verheden (gemeente, provincie en Rijk) zullen samen in gesprek moeten (blijven) over wie welke bijdrage kan leveren. ‣ D e gemeenten vinden een zuivere publieke rolneming van groot belang voor de beharti­ ging van publieke waarden en belangen. Dit betekent dat ze op dit moment stellen geen investeringspartners te willen zijn voor commerciële partijen. Indien er een vorm van marktfalen is, en een ORES maatschappelijk lagere kosten heeft dan het duurzame alternatief, zou dit opnieuw beoordeeld moeten worden.

De bescherming van afnemers is geregeld in bestaande nationale wetgeving. Dit is echter geen garantie dat de markt zelfstandig de door de gemeente gewenste oplossing organiseren kan. Als vuistregel is het doorgaans voldoende om voor de warmte opwek te volstaan met de financiële ondersteuning vanuit de SDE regeling, en de juridische kaders die de gemeente kan stellen via ruimtelijke en milieu wetgeving. Voor warmtelevering verdient het de voorkeur meer regie en toezicht te houden op levering door via een concessie extra eisen te stellen aan de markt (regisserende rol). Het risico is zeer beperkt, de invloed vele malen groter.

Bij marktfalen dient WLR zich te richten op publiek aandeelhouderschap In Nederland komt het nog vaak voor dat de markt (met gebruik van bestaande subsidies) niet in staat is zelfstandig een warmtenet te ontwikkelen. In dat geval spreken we van marktfalen. Een oorzaak daarvan is divers; het kan liggen aan knellende regelgeving vanuit Rijk of Gemeente (denk aan het verbod op gebruik van bepaalde warmtebronnen), maar ook aan het ontbreken van voldoende financiële middelen (denk aan het feit dat gebruik van duurzaam opgewekte energie in de hele keten nog vaak kostbaarder is dan het gebruik van het fossiele systeem).

Daarbij één aandachtspunt: door participatie kan de gemeente in de ogen van sommigen haar onafhankelijkheid verliezen omdat ze onderdeel wordt van het warmtesysteem. Daar moet nadrukkelijk aandacht voor zijn in met name de communicatie; de gemeente staat voor haar inwoners en niet voor een warmtebedrijf.

15

Politieke voorkeur kan doorslaggevend zijn in rolneming Met de vorming van nieuwe colleges in de Leidse Regio, is het nog onduidelijk wat de politieke voorkeur is. Een aantal partijen hebben de overtuiging dat bezit en beheer van vitale nutsdiensten altijd in handen van de overheid moeten zijn, andere partijen hebben de overtuiging die juist geheel anders zijn, zoals de markt zijn werk laten doen. In de vorige colleges bleek niet dat hier een sterke voorkeur was, en dat de gemeenten zich vooral lieten leiden door de afweging tussen risico en noodzakelijke bijdrage. Indien dat verandert in de nieuwe colleges verdient dit extra aandacht.

­wettelijke plafond op de warmteprijs ook lokaal middels concessies afspraken gemaakt worden met warmteleveranciers. ‣ A ls projectpartner kan de gemeente meer betrokkenheid en inzet leveren op andere risico’s zoals vergunningen, ruimtelijke inpassing, communicatie, warmteplannen en andere aspecten. Zo kan een open regionaal warmtenet een belangrijke rol spelen in de regio.

Meest waarschijnlijke rolneming gemeenten in regionaal warmtesysteem Op basis van onze ervaring en verwachten we in de Leidse Regio een vorm van marktfalen. Dit kan deels worden opgelost door acties als: ‣ V ersnellen en concretiseren warmtevraag in de gemeente. Daarmee ontstaat er dekking voor de investeringen in de warmteketen waardoor het zogenoemde ‘vollooprisico’ verkleind kan worden. De gemeente heeft hier vaak meer invloed op dan marktpartijen wegens warmteplannen en -kavelaanwijzingen, en neemt zo risico over van de markt. Wegens die invloed kan de gemeente dit tegen lagere kosten waardoor de business case verbetert. ‣ V ersnellen en ondersteunen van initiatieven om warmtebronnen te ontwikkelen. Denk daarbij aan ruimtelijke inpassing en vergunningen. We verwachten dat er naast deze maatregelen extra inzet nodig is. Daarvoor is de meest logische optie een vorm van regie, financiële ondersteuning of participatie in de regionale energie infrastructuur. Indien de technisch-economische analyse van het ORES dit uitwijst, adviseren we de Leidse Regio dan ook om op deze wijze invloed uit te oefenen.

‣ Indien een financiële bijdrage noodzakelijk is om de warmtetransitie te realiseren, kan de gemeente door het verstrekken van een risicodragende lening een financiële onder­ steuning bieden vanuit een regierol nemen, of als participerende aandeelhouder zowel een financiële als sturende rol. Belangrijk is dat in beide rollen een competente partij ingezet wordt die het ontwerp, beheer en exploitatie ter hand neemt. De gemeente kan zich dan blijven richten op haar kerntaken, en het infra bedrijf sturen op haar publieke waarden. ‣ A ls concessieverlener of aandeelhouder kan er actiever gestuurd worden op welke wijken wanneer aangesloten worden; daarmee is een betere balans te vinden tussen het zuivere financiële gewin (“de krenten uit de pap”) en maatschappelijke baten die samen gaan met wensen voor sociale wijkverbeteringen. Zo ontstaan er andere “inkomstenstromen” oftewel maatschappelijke baten die de bijdrage rechtvaardigen. Dit kan een private partij niet doen. ‣ D e gemeente heeft als aandeelhouder van de infra invloed om deze transportkosten tussen warmtekavels transparant te nivelleren of socialiseren, met als doel dat deze transport­ kosten voor alle eindgebruikers binnen de regio zo betaalbaar mogelijk blijven en op eenzelfde niveau. Als het gaat om de tarieven voor de eindgebruikers, kan er naast het

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duivenvoorde&id=176c9e7d-9018-44de-8899-1c1f8b4fba60