Informatiebrief 026 Actualisatie bovenregionaal plan Jeugdhulp Plus (incl. bijlagen).pdf
Tekst van het document
b. Succesvolle preventie. Doordat we beter zijn geworden in preventie, hebben minder jongeren JeugdzorgPlus nodig.
Hypothesen die veronderstellen dat er minder jeugdigen naar JeugdzorgPlus gaan f. Minder aanvragen door scherpere afweging. We zijn beter geworden in het maken van onderscheid naar wie JeugdzorgPlus echt nodig heeft. En voor die wat niet nodig heeft, kunnen we iets anders inzetten.
Hypothesen die veronderstellen dat er niet minder jeugdigen naar JeugdzorgPlus gaan. c. Verplaatsing naar andere regio’s. Jeugdigen stromen vaker in JeugdzorgPlus-aanbod in andere regio’s. Tegelijkertijd is er geen instroom in de regio Zuid-West vanuit andere regio’s met dezelfde omvang. d. Kortere trajecten/behandelduur. Wanneer de instroom gelijk blijft, maar trajecten gemiddeld korter worden, wordt het aantal benodigde bedden lager. 41
g. Minder afgegeven machtigingen. Kinderrechters geven minder vaak machtigingen af, al dan niet als gevolg van het maatschappelijke debat om geen gesloten jeugdhulp meer in te zetten. Dit zou ook een drijver voor GI’s zijn om minder machtigingen aan te vragen.
3. Verleden: duiden van de afnemende inzet van JeugdzorgPlus
Er is een groot aantal mogelijke verklaringen voor deze afgenomen inzet aangedragen (2/2) Hypothesen die veronderstellen dat er minder jeugdigen naar JeugdzorgPlus gaan (vervolg) h. Aantal plekken is ingeperkt. Doordat er minder JeugdzorgPlusplaatsen zijn, wordt vaker de afweging gemaakt om iets anders in te zetten.
i. Alternatieven beschikbaar. Doordat er meer alternatief aanbod is, wordt vaker de afweging gemaakt om iets anders in te zetten. j. Maatschappelijk debat over zo min mogelijk inzet van gesloten, heeft als gevolg dat er minder JeugdzorgPlus ingezet wordt. k. Sturing door gemeenten. Gemeenten sturen op lagere kosten en dus op minder JeugdzorgPlus. l. Verplaatsing naar het LTA of JJI. Jeugdigen stromen vaker in bij LTA-aanbod of een JJI in plaats van bij JeugdzorgPlus.
42
m. Jeugdigen blijven onbehandeld. (Problematische situaties bij) jeugdigen worden minder vaak gesignaleerd, waardoor een steeds grotere groep überhaupt niet in zorg komt.
6. Bijlagen
De afgenomen inzet van JeugdzorgPlus komt vooral door de lagere instroom van jeugdigen De eerste vraag is in hoeverre de afname in aantal jeugdigen verklaard kan worden door de duur van trajecten, de afname van instroom, of van uitstroom. In de afbeelding hiernaast zijn instroom, uitstroom en bezetting in relatieve zin in de tijd weergegeven*. Omdat met name inen uitstroom flink kunnen schommelen, hebben we waarden over een jaar gemiddeld weergegeven. Hieruit is op te maken dat de uitstroom het minst snel daalt (-27%), gevolgd door aantal jeugdigen (-42%) en aantal plaatsingen (-53%)**. Dit betekent dat de afname van het aantal plaatsingen de primaire drijver is van de afname van de bezetting. Dit roept de vraag hoe breed deze afname van instroom is, zie hypothese a. op de volgende pagina. Het impliceert daarnaast dat de gemiddelde duur toeneemt (uitstroom blijft achter op instroom). We kijken hier nader naar bij hypotheses c. d. en e. verderop.
Instroom, uitstroom en aantal jeugdigen (%, gem) 120% 100%
-27% -42%
80%
-63%
60% 40% 20% 0%
Uitstroom
43
Totaal Plaatsingen
Aantal jeugdigen
*Bron: jaarrapportages plaatsingscommissie. Instroom en uitstroom zijn in een bepaald kwartaal, het aantal jeugdigen is op het peilmoment aan het einde van dat kwartaal. . **Omdat we hier gemiddeld hebben, wijkt de relatieve afname af van de werkelijke (niet-gemiddelde afname). Deze zijn nog iets groter, met name de instroom.
6. Bijlagen
Bewijslast per hypothese | doelgroep wordt kleiner: a. afname van jeugdigen in jeugdhulp over de hele linie Hypothese: Het aantal jeugdigen in de jeugdhulp neemt over de hele linie af, JeugdzorgPlus loopt daarbij in de pas. Er is dus simpelweg minder vraag naar jeugdhulp. Bewijslast: In de onderstaande afbeelding is het aantal jeugdigen in jeugdhulp* in het landsdeel op verschillende peilmomenten afgezet tegen het aantal jongeren in JeugdzorgPlus. Ter vergelijk hebben we ook jeugdhulp met verblijf weergegeven. Ontwikkeling aantal jeugdigen per type jeugdhulp 120% 100%
Hoewel de totale inzet van jeugdhulp ook een daling laten dien in het tweede halfjaar van 2021, is die daling zeker niet zo sterk als die van JeugdzorgPlus. De daling van de landelijke cijfers kan mogelijk voortkomen uit onderrapportage, omdat dit de meest recente gegevens zijn.
De hypothese wordt daarnaast ook niet herkend door gesprekspartners: zij geven aan dat de inzet eerder toe- dan afneemt. Conclusie: deze hypothese kan hooguit beperkt een verklaring vormen voor de afname.
Totaal jeugzorg
80% 60% 40%
Totaal jeugdhulp met verblijf
20%
Jeugdhulp+
0% 2017, 2017, 2018, 2018, 2019, 2019, 2020, 2020, 2021, 2021, h1 h2 h1 h2 h1 h2 h1 h2 h1 h2
44
*Bron: statline Kerncijfers over jeugdzorg, 2015-2021, periode 2017 – 2021 (twee tabellen), selectie van betreffende regio’s, aantal jeugdigen in totale jeugdzorg, jeugdhulp met verblijf.
6. Bijlagen
Bewijslast per hypothese | doelgroep wordt kleiner: b. succesvolle preventie Hypothese: doordat de jeugdhulp beter is geworden in preventie, zijn er minderen jeugdigen waarbij de problematiek zich zodanig ontwikkeld heeft, dat er noodzaak voor gesloten jeugdzorg is.
ouders van jonge kinderen. Dat betekent dat preventie ten behoeve van JeugdzorgPlus pas na een aantal jaren zijn vruchten afwerpt. De decentralisatie is tegelijkertijd nog niet zo heel lang geleden.
N.B. We hebben het hier niet over substitutie – het inzetten van een andere vorm van ondersteuning voor jongeren waarbij zich al een problematiek ontwikkeld heeft. Zie ook hypothesen f. en i.
Conclusie: hoewel we misschien (veel) beter zijn geworden in preventie, ligt het niet voor de hand dat we dit terugzien in afnemende instroom in de JeugdzorgPlus.
Bewijslast: de effectiviteit van preventieve activiteiten is in algemene zin erg moeiljk om te bewijzen. Als het al bekend is wie met deze activiteiten in aanraking te komen, is het immers moeilijk om aan te geven wat er anders gebeurd zou zijn.
Wanneer deze hypothese waar zou zijn, zou dit niet alleen in de JeugdzorgPlus, maar ook in andere vormen van jeugdhulp zichtbaar moeten zijn. Dit is niet het geval (zie hypothese a.). Voor veel jongeren in JeugdzorgPlus is de kiem van hun problematieken vroeg gelegd. Om echt het verschil met preventie te maken, moet dit zich richten op 45
Bron: PM
6. Bijlagen
Bewijslast per hypothese | instroom niet lager: c. Verplaatsing naar andere regio’s Hypothese: Jeugdigen stromen vaker in JeugdzorgPlus-aanbod in andere regio’s. Tegelijkertijd is er geen instroom in de regio Zuid-West vanuit andere regio’s met dezelfde omvang. N.B. We rekenen hiertoe niet aanbod van JeugdzorgPlus-aanbieders dat buiten het landsdeel ligt.
Bewijslast: Gegevens van de plaatsingscommissie geven inzicht de ‘bestemming’ van plaatsingen. We hebben deze uitgesplitst naar plaatsingen bij aanbieders die door het landsdeel gecontracteerd zijn, plaatsingen naar aanbieders in andere regio’s. Dit is hiernaast, uitgesplitst per kwartaal, weergegeven. In de tabel hieronder staat op basis hiervan de relatieve ontwikkeling tussen ‘17 en ‘21 weergegeven. Bestemming
46
2021 tov 2017 (%)
Buitenregionaal
-92,4%
Landsdeel ZW
-46,5%
Bron: PM
Aantal plaatsingen per 'bestemming' 160
140 120 100 80 60 40 20 0 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 2017
2018
2019
Buiten regionaal
2020
2021
Landsdeel ZW
Het aantal plaatsingen naar andere regio’s neemt dus evenzogoed af, naar buitenregionaal aanbod zelfs een stuk meer dan het aantal plaatsingen in het eigen landsdeel. Conclusie: deze hypothese kan geen verklaring vormen voor de afname
6. Bijlagen
Bewijslast per hypothese | instroom niet lager: d. Kortere trajecten Hypothese: Wanneer de instroom gelijk blijft, maar trajecten gemiddeld korter worden, wordt het aantal benodigde bedden lager. Bewijslast: in hoofdstuk 3 zagen we al dat de uitstroom minder snel afgenomen is, dan de instroom. Dit impliceert dat de duur toegenomen is. De plaatsingscommissie heeft ook gegevens van de verdeling van duur van trajecten. Deze zijn in de figuur hieronder weergegeven. Verdeling van duur
Op basis van deze verdeling, kunnen we een gemiddelde duur bepalen. Daarvoor nemen we het gewogen gemiddelde van de duur. Het resultaat hiervan is in de tabel hieronder weergegeven. Jaar
Duur (mnd)
Jaar
Duur (mnd)
2016
6,0 2019
7,4
2017
6,8 2020
8,5
2018
7,3 2021*
6,5
100%
De gemiddelde duur is tot en met 2020 dus eerder toe- dan afgenomen. Voor 2021 is het moeilijk conclusies te trekken, maar de bevinding in hoofdstuk 3 suggereert dat de ingezette beweging eerder versterkt is.
80% 60% 40%
Conclusie: de duur neemt eerder toe dan af. Deze hypothese kan geen verklaring vormen voor de afname van het aantal jeugdigen.
20% 0% 2016
2017 0-3m
47
3-6m
2018
2019
2020
6-12m
12-18m
18-24m
*In 2021 ontbreken er gegevens; onderdelen tellen niet op tot 100%.
2021*
6. Bijlagen
Bewijslast per hypothese | instroom niet lager: e. Langere plaatsingen leidt tot minder terugval (1/2) Hypothese: wanneer plaatsingen gemiddeld langer duren, kan dit ertoe leiden dat trajecten effectiever zijn en dat er dus minder sprake is van terugval. Dit zou kunnen leiden tot een kleiner benodigd aantal plekken (twee kortere ineffectieve trajecten duren samen langer dan één langer effectief traject).
Bewijslast: in de onderstaande figuur is het aantal plaatsingen per kwartaal weergegeven, uitgesplitst naar type. Type instroom per kwartaal
100 50 0 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4
48
2018
Nieuw
Hernieuwd
2019
2020
Hernieuwd na onttrekking
Lopend gemiddelde aandeel hernieuwde plaatsingen op totaal 37% 36% 35% 34% 33% 32% 31% 30% 29%
150
2017
Dit laat zien dat alle typen plaatsingen in de loop van de tijd afnemen. We bekijken dit nader door het aandeel hernieuwde plaatsingen (al dan niet na onttrekking) op het totaal aantal plaatsingen (excl. overplaatsingen) te bepalen. Dit aandeel verschilt erg van moment op moment. We nemen daarom het lopend gemiddelde over 4 kwartalen. Dit is in onderstaande afbeelding weergegeven.
2021 Overplaatsing
*In 2021 ontbreken er gegevens; onderdelen dellen niet op tot 100%.
Q1
Q2
Q3
2017
Q4
Q1
Q2
Q3
2018
Q4
Q1
Q2
Q3
2019
Q4
Q1
Q2
Q3
2020
Q4
Q1 2021
6. Bijlagen
Bewijslast per hypothese | instroom niet lager: e. Langere plaatsingen leidt tot minder terugval (2/2) Bewijslast (vervolg): dit aandeel neemt over de tijd dus enigszins toe: het aandeel herplaatsingen op het totaal aantal plaatsingen wordt dus groter in de loop der tijd. Wanneer we het aantal herplaatsingen als maat voor de terugval hanteren, dan kan zien we meer, in plaats van minder terugval.
Conclusie: deze hypothese kan de afname niet verklaren.
49
*In 2021 ontbreken er gegevens; onderdelen dellen niet op tot 100%.
6. Bijlagen
Bewijslast per hypothese | instroom lager: f. minder aanvragen door scherpere afweging (1/3) Hypothese: GI’s maken (al dan niet als gevolg van het maatschappelijk debat over gesloten plaatsingen) een steeds scherpere inschatting van wanneer er gesloten hulp nodig is, en wanneer niet. Er worden daardoor ook minder aanvragen gedaan. Bewijslast: de figuur op pagina 32 toont aan dat het de afgenomen instroom is, die de afname in het aantal bezette plekken verklaart. Dit komt niet omdat kinderrechters meer machtigingen afgeven (zie hypothese g. verderop). Dus komt het door minder aanvragen voor machtigingen. Om deze hypothese nader te toetsen, kijken we onder andere naar de ontwikkeling van de maatregelen die ingezet worden voor gesloten plaatsing. De verdeling van plaatsingen in JeugdzorgPlus over de verschillende maatregelen over de tijd, is in de afbeelding rechts weergegeven. Daaruit is op te maken dat zo’n 80% van alle plaatsingen in JeugdzorgPlus op grond van een (voorlopige) ondertoezichtstellingen ((V)OTS) of (voorlopige) voogdijmaatregel zijn.
50
Verdeling plaatsingen naar maatregel 100% 90% 80%
70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% h1
h2
h1
h2
h1
h2
h1
h2
h1
h2
2017
2017
2018
2018
2019
2019
2020
2020
2021
2021
OTS
VOTS
Voogdij
JR
DM
Voorlopig Voogdij
Vrijwillig (14)
6. Bijlagen
Bewijslast per hypothese | instroom lager: f. minder aanvragen door scherpere afweging (2/3) Absoluut aantal ingezette (V)OTS'en Bewijslast (vervolg): Deze maatregelen worden uiteraard ook in andere contexten ingezet dan voor plaatsingen in JeugdzorgPlus. Wanneer de totale inzet ervan gelijk blijft, maar specifiek voor de inzet van JeugdzorgPlus daalt, kan dit bewijslast voor deze hypothese zijn: daar worden immers naar alternatieve vormen gekeken.
1400
In de afbeelding rechts is het aantal ingezette (voorlopige) ondertoezichtstellingen ((V)OTS) in het landsdeel Zuid-West in de loop van de tijd weergegeven, uitgesplitst naar (V)OTS’en ten behoeve van JeugdzorgPlus en overige (V)OTS’en*. Beide laten een daling zien. Om dat beter te kunnen vergelijken, geven we de relatieve ontwikkeling ten opzichte van het eerste halfjaar van 2017 weer in de figuur rechtsonder. Het aantal (V)OTS’en ten behoeve van JeugdzorgPlus is een stuk harder gedaald (49%) dan de overige (V)OTS’en (19%).
0
1200 1000 800
Totaal begonnen OTStrajecten (excl. voor jh+)
600
Plaatsingen jh+ agv (V)OTS
400 200
Relatief aantal ingezette (V)OTS'en 120% 100% 80%
Totaal begonnen OTStrajecten (excl. voor jh+)
60% 40%
Plaatsingen jh+ agv (V)OTS
20% 0% h1
h2
2017
51
h1
h2
h1
2018
*Bron van het totaal aantal OTS’en is CBS statline, OTS’en t.b.v. jeugdhulp komt uit de administratie van het landsdeel. Er zijn dus twee afzonderlijke bronnen gebruikt, met alle aandachtspunten voor onderlinge vergelijking vandien.
h2
2019
h1
h2
2020
h1
h2
2021
6. Bijlagen
Bewijslast per hypothese | instroom lager: f. minder aanvragen door scherpere afweging (3/3) Absoluut aantal ingezette Voogdijmaatregelen Bewijslast (vervolg): Iets vergelijkbaars kunnen we doen met het aantal (voorlopige) voogdijmaatregelen. Die zijn veel kleiner in aantal en kennen daardoor meer schommelingen (zie afbeelding rechtsboven op de pagina). Om goed te kunnen vergelijken, nemen we een lopend gemiddeld over een heel jaar en zetten dit vervolgens af tegen de gemiddelde waarde over 2017. We zien dan iets vergelijkbaars als bij de (V)OTS’en: in de betreffende periode neemt het aantal (voorlopige) voogdijmaatregelen ten behoeve van JeugdzorgPlus met 49% af, terwijl de overige (voorlopige) voogdijmaatregelen slechts met 7% afnemen. Conclusie: Deze hypothese is plausibel kan de daling verklaren.
200 Totaal begonnen voogdijtrajecten (excl. voor jh+)
150 100
Plaatsingen jh+ agv (V)Voogdij
50 0
Relatief aantal ingezette (voorlopige) voogdijmaatregelen (lopend gemiddelde) 120% 100% 80%
Totaal begonnen voogdijtrajecten (excl. voor jh+)
60% 40%
Plaatsingen jh+ agv (V)Voogdij
20% 0% h1
h2
2017
52
h1
h2
2018
h1
h2
2019
h1
h2
2020
h1 2021
6. Bijlagen
Bewijslast per hypothese | instroom lager: g. kinderrechters machtigen minder snel voor gesloten jeugdhulp. Hypothese: als gevolg van het maatschappelijk debat willen kinderrechters steeds minder machtigingen voor gesloten jeugdhulp afgeven. Doordat aanvragen voor gesloten jeugdhulp toch afgewezen worden, vragen GI’s ook minder vaak aan. Bewijslast: een aanvraag die een GI doet, maar niet goedgekeurd wordt door een kinderrechter, wordt met een ‘intrekking’ aangeduid. In de afbeelding rechts is het aandeel intrekkingen op het aantal aanvragen (minus overplaatsingen) weergeven. Om minder schommelingen te zien, hebben we hier een lopend gemiddelde over een jaar weergegeven.
Zou het eerste deel van deze hypothese waar zijn, dan zouden we meer intrekkingen verwachten. In de plaats daarvan zijn het er minder; het aandeel neemt af van maximaal zo’n 10% naar minder dan 4%. Het tweede deel van de hypothese lijkt daarmee ook niet erg plausibel: het ligt niet voor de hand dat dergelijke kleine percentages afwijzingen 53
*In 2021 ontbreken er gegevens; onderdelen dellen niet op tot 100%.
demotiverend werken. Conclusie: het eerste deel van deze hypothese kan de afname niet verklaren. Het tweede deel is niet plausibel. Percentage intrekkingen op aantal verzoeken rechtbank (lopend gemiddelde) 12% 10% 8% 6% 4% 2% 0% Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 2017
2018
2019
2020
2021
6. Bijlagen
Bewijslast per hypothese | h. minder inzet vanwege minder plekken (drijver van verminderde instroom) Hypothese: doordat er minder JeugdzorgPlus-plaatsen zijn, wordt vaker de afweging gemaakt om iets anders in te zetten. Bewijslast: de meest plausibele verklaring voor het afgenomen aantal jeugdigen is de vermindering van et aantal aanvragen door GI’s. De vervolgvraag is, wat de drijver daarachter is. Het is moeilijk om dit precies te achterhalen wat meespeelt, omdat dit van jeugdige tot jeugdige en van professional tot professional kan verschillen. Het is goed denkbaar dat GI’s vanuit de wetenschap dat het aantal bedden beperkt is, genoodzaakt zijn om heel bewuste keuzes te maken voor wie deze ingezet kunnen worden. Er zijn dan ook enkele gesprekspartners dat deze hypothese aandraagt als mogelijke verklaring.
54
Bron: PM
Ter nuancering hierop: de JeugdzorgPlus-aanbieders hebben in principe een leveringsplicht en daarnaast is er in principe de mogelijkheid om uit te wijken naar andere regio’s, dus de vraag is hoe sterk bovengenoemde prikkel doorwerkt bij de GI-medewerkers. Conclusie: het is waarschijnlijk dat dit een (van de) drijvers voor verminderde aanvragen is.
6. Bijlagen
Bewijslast per hypothese | i. er zijn alternatieven beschikbaar (drijver van verminderde instroom) Hypothese: Doordat er meer alternatief aanbod is, wordt vaker de afweging gemaakt om iets anders in te zetten. Bewijslast: de meest plausibele verklaring voor het afgenomen aantal jeugdigen is de vermindering van et aantal aanvragen door GI’s. De vervolgvraag is, wat de drijver daarachter is. Het is moeilijk om dit precies te achterhalen wat meespeelt, omdat dit van jeugdige tot jeugdige en van professional tot professional kan verschillen. Deze specifieke drijver wordt beperkt genoemd door gesprekspartners. Dat is ergens ook goed te begrijpen. Er zijn immers vormen van aanbod die zich als alternatief positioneren, maar hu gezamenlijke capaciteit is onvoldoende om de verminderde instroom opgevangen te hebben. Jeugdigen zijn voor een groot deel in het reguliere aanbod terecht gekomen. Daarbij is het goed denkbaar dat de wetenschap dat dit een mogelijkheid is, meespeelt in de afwegingen die de GI’s maken.
55
Bron: PM
Conclusie: het is mogelijk een (van de) drijvers voor verminderde aanvragen.
6. Bijlagen
Bewijslast per hypothese | j. maatschappelijk debat over zo min mogelijk gesloten (drijver verminderde instroom) Hypothese: het maatschappelijk debat over zo min mogelijk inzet van gesloten, heeft als gevolg dat er minder JeugdzorgPlus ingezet wordt. Bewijslast: de meest plausibele verklaring voor het afgenomen aantal jeugdigen is de vermindering van et aantal aanvragen door GI’s. De vervolgvraag is, wat de drijver daarachter is. Het is moeilijk om dit precies te achterhalen wat meespeelt, omdat dit van jeugdige tot jeugdige en van professional tot professional kan verschillen. Er is naar aanleiding van het maatschappelijke debat wel breed overeenstemming over dat JeugdzorgPlus zo min mogelijk (en minder dan voorheen) ingezet moet worden. Veel gesprekspartners (waaronder de GI’s en plaatsingscoördinatie) noemen dit dan ook als drijver. Conclusie: het is waarschijnlijk de prominentste drijver voor verminderde aanvragen.
56
Bron: PM
6. Bijlagen
Bewijslast per hypothese | k. wens om maatschappelijke kosten lager te maken (drijver minder instroom) Hypothese: gemeenten sturen op lagere kosten en dus op minder JeugdzorgPlus. Bewijslast: veel gemeenten kampen met financiële tekorten op hun jeugdhulpbudget. In die zin kan dit als drijver fungeren. Tegelijkertijd kunnen gemeenten niet in directe zin op de inzet van JeugdzorgPlus sturen, omdat kinderrechters machtigingen afgeven en GI’s deze aanvragen. Er zijn twee manieren waarop dit toch mee kan spelen. Gemeenten kunnen enerzijds indirect sturen op de uitgaven, via de afbouw van JeugdzorgPlus-plekken. Daar is weliswaar sprake van productiefinanciering (in plaats van een vast aantal in te kopen plekken), maar gemeenten maken met aanbieders wel afspraken over de capaciteit. Een tweede mogelijkheid is dat gemeentelijke toegangen uit zichzelf al vaker indicaties van open aanbod afgeven.
57
Bron: PM
Tegelijkertijd wordt in gesprekken aangedragen dat sommige van de ingezette alternatieven door hun intensiteit juist meer kosten dan JeugdzorgPlus. Conclusie: in zoverre dit een drijver is, werkt deze slechts op een indirecte manier door.
6. Bijlagen
Bewijslast per hypothese | l. Verplaatsing naar LTA of JJI (gevolg minder instroom) Hypothese: Jeugdigen stromen vaker in bij LTA-aanbod of een JJI in plaats van bij JeugdzorgPlus. Bewijslast: Bij hypothese c. hebben we inzicht in de ‘bestemming’ van plaatsingen gebruikt. Daar hebben we een derde categorie ‘landelijke specialistische instellingen’ (LTA) niet weergegeven. In de afbeelding rechts is deze uitgezet tegen het aantal plaatsingen bij aanbieders die door het landsdeel gecontracteerd zijn. Dit is hiernaast, uitgesplitst per kwartaal, weergegeven. In de tabel hieronder staat op basis hiervan de relatieve ontwikkeling tussen ‘17 en ‘21 weergegeven. Bestemming
2021 tov 2017 (%)
Landelijk specialistisch
-9,3%
Landsdeel Zuid-West
-46,5%
Hieruit is op te maken dat het aantal plaatsingen in het LTA minder gedaald is dan het aandeel plaatsingen bij LTA-aanbieders. 58
*In 2021 ontbreken er gegevens; onderdelen dellen niet op tot 100%.
Aantal plaatsingen per 'bestemming' 160 140 120 100 80 60 40 20 0 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 2017
2018
2019
Landelijk specialistisch
2020
2021
Landsdeel ZW
Tegelijkertijd laat bovenstaande figuur zien dat het totale aantal plaatsingen in het LTA vanuit het landsdeel veel kleiner is dan plaatsingen in JeugdzorgPlus. Het kan de afname in absolute zin dus niet verklaren. Conclusie: mogelijk klopt de hypothese wel, maar deze kan de afname niet (of althans slechts in zeer beperkte mate) verklaren.
6. Bijlagen
Bewijslast per hypothese | l. Verplaatsing naar LTA of JJI (gevolg minder instroom) (2/2) Bewijslast (vervolg): Voor de JJI’s ontbreekt er een meerjarige en actuele monitor, maar is/was er wél sprake van stijging van de instroom. De jaarlijkse instroom was nog redelijk stabiel net onder de 1.500 tussen 2013 en 2017. In 2018 en 2019 was deze een stuk hoger (resp. ongeveer 1.800 en 1.900).* In 2021 was deze echter weer lager (1.659). De stijging vindt dus niet alleen plaats voorafgaand aan de daling in de JeugdzorgPlus, in 2021 is er bovendien sprake van een daling. Tegelijkertijd is er sprake van capaciteitsproblemen bij de JJI’s. Dit lijkt echter voornamelijk veroorzaakt door de eerdere sluiting van locaties in combinatie met personeelstekorten. Dit alles zegt overigens niet dat er nu geen jeugdigen in JJI’s komen, die eerder in de JZ+ zouden zijn gekomen, maar wel dat dit niet een grote verklaring is voor de afname. Conclusie: deze verklaring kan de afname niet, of hooguit voor een klein deel, verklaren. 59
*p. 25 Factsheet strafrechtketenmonitor 2019, ministerie van J&V (2020) ** Infographic Justitiële Jeugdinrichtingen 2021, DJI (2021)
6. Bijlagen
Bewijslast per hypothese | instroom lager: m. jeugdigen blijven onbehandeld Hypothese: (problematische situaties bij) jeugdigen worden minder vaak gesignaleerd, waardoor een steeds grotere groep überhaupt niet in zorg komt. Bewijslast: wanneer de doelgroep niet in omvang afgenomen is, maar de instroom wel lager, kan dit mogelijk veroorzaakt worden doordat (problematische situaties bij) jeugdigen minder vaak gesignaleerd worden dan voorheen en zij daarom niet in zorg komen. Met name de coronaperiode wordt aangedragen als tijdvak waarin dit zou spelen. Er is in algemene zin niets veranderd in of en hoe gemeenten en anderen oog hebben voor problematische situaties bij jeugdigen. Dat zou dan ook geen verklaring kunnen vormen. Als hiervan dus sprake zou zijn, dan moet het vanwege de coronamaatregelen zijn. Zulke situaties lossen zich bovendien in het algemeen echter niet vanzelf op; er zou vooral sprake moeten zijn van uitstel. De periode met zware coronamaatregelen ligt tegelijkertijd alweer voldoende ver achter ons,
60
dat dit effect zich zou moeten manifesteren. Dat is niet het geval in de JeugdzorgPlus en naar verluid ook niet in de crisisopvang. Conclusie: dit speelt waarschijnlijkheid geen rol.
Meer weten?
(030) 2363030 Andersson Elffers Felix www.aef.nl Mail@aef.nl 12-1-2023
1e Actualisatie Bovenregionaal plan JeugdhulpPlus (Vastgoedtransitie) 23 Februari 2023, definitief
Holland Rijnland – Haaglanden – Zuid-Holland-Zuid MiddenHolland – Rijnmond (Zuid-Holland)
Colofon Opdrachtgever:
Coördinerend gemeente Rotterdam namens jeugdhulpregio’s Zuidwest
copyright © 4advies, 2023 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt, in enige vorm of op welke wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van 4advies, Arnhemseweg 10, Amersfoort.
Inhoud 1
Inleiding
4
1.1 1.2 1.3 1.4
Opdrachtomschrijving Aanpak Bovenregionaal plan en vastgoedtransitie Proces transitie opgave Zuidwest / doorontwikkeling JZ+
4 4 4 5
2
Doorontwikkeling JZP ZW 2020-2022
7
2.1 2.2 2.3 2.4
Doorontwikkeling afbouw, doelgroepen Omvorming kleinschaligheid Opbouw alternatieven 2020-2022 Omvorming separeerruimten (aanvullende SPUK JZ+)
7 7 8 9
3
Ambities en uitgangspunten Zuidwest (2023)
10
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6
Toekomstbestendig Jeugdzorgplus Zuidwest (AEF) Bovenregionaal plan 2022 en verder: intensieve zorgbehoefte met machtiging Uitgangspunten landsdeel Zuidwest Grijstinten: hybride en flexibel werken – te ontwikkelen Alternatieven - te ontwikkelen Behoefte landelijke specialisaties
10 10 12 12 13 14
4
Toekomstig zorglandschap (2024/2025)
15
4.1 4.2 4.3 4.4
Bovenregionaal plan intensieve zorgbehoefte met machtiging Afwegingselementen Onderwijs voor kwetsbare jongeren Inhoudelijke en financiële knelpunten die vragen om landelijke afstemming
15 17 17 19
5
Vervolg
21
5.1
Besluitvorming bovenregionaal plan
21
Bijlagen b1
Routekaart VNG : 8 elementen
Actualisatie Bovenregionaal plan februari 2023
3
1
Inleiding
1.1
Opdrachtomschrijving VNG en het ministerie van VWS hebben op advies van de Jeugdautoriteit, aan de 11 coördinerende gemeenten gevraagd om hun bovenregionaal plan ‘af- en ombouw gesloten jeugdhulp’ uiterlijk 1 februari 2023 te actualiseren en daarna halfjaarlijks. De VNG heeft een routekaart opgesteld met daarin de elementen die onderdeel moeten zijn van de actualisatie (Bijlage 1). De routekaarten (actualisaties per landsdeel) worden vervolgens naast elkaar gelegd om uiterlijk 1 april een zo volledig en actueel mogelijk beeld op te leveren. Uiterlijk 1 augustus 2023, en vervolgens ieder half jaar, maken de 11 gemeenten een nieuwe update van hun bovenregionale plannen en leggen zij deze onder regie van VNG en VWS opnieuw naast elkaar. Als coördinerende gemeente is gemeente Rotterdam verantwoordelijk voor de actualisatie van het bovenregionaal plan Zuidwest. De actualisatie betreft dezelfde doelgroep als het oorspronkelijke plan, namelijk de gesloten jeugdzorg.
1.2
Aanpak Eind december en begin januari hebben de 5 jeugdhulpregio’s gezamenlijke uitgangspunten geformuleerd voor het bovenregionaal plan. Deze uitgangspunten zijn gebaseerd op het AEF rapport1 over JeugdzorgPlus in landsdeel Zuidwest dat eind december werd opgeleverd. In dit proces zijn ook de beide aanbieders, Schakenbosch en iHUB en gecertificeerde instellingen (GI,JBW) betrokken, waarna de uitgangspunten verder zijn aangevuld, aangescherpt en ambtelijk akkoord bevonden. Het bestuurlijk proces in het landsdeel zal worden gestart zodra dit concept bovenregionale plan gesloten jeugdhulp gereed is, begin februari. Naast de jeugdhulpregio’s, aanbieders en GI’s is de regioregisseur herbezinning Residentieel onderwijs betrokken voor een update over de doorontwikkeling van het residentieel onderwijs op de betreffende locaties.
1.3
Bovenregionaal plan en vastgoedtransitie In 2020/2021 hebben de vijf jeugdhulpregio’s, de aanbieders Horizon (iHUB) en Schakenbosch en gecertificeerde instellingen (GI) intensief samengewerkt om via het bovenregionaal plan JeugdzorgPlus 2 invulling te gegeven aan de ambities van Zuidwest: de afbouw van de gesloten bedden naar 100 in 2024 de ontwikkeling van verschillende alternatieven om geslotenheid te voorkomen meer kleinschaliger voorzieningen
1 Rapportage Toekomstbestendig Jeugdzorgplus, 22 december 2022, AEF 2
Bovenregionaal plan Zuidwest d.d. 24 juni 2021, vastgesteld door Stuurgroep doorontwikkeling eind juni 2021
Actualisatie Bovenregionaal plan februari 2023
4
Leidend hierbij waren de Houtskoolschets en het ambitiedocument voor de doorontwikkeling van de Jeugdzorg. Deze grote veranderopgave in de gesloten jeugdzorg vraagt om een vastgoedtransitie, zodat de overgang van de huidige accommodaties gesloten jeugdhulp naar meer kleinschalige woonvormen mogelijk wordt. Hiervoor is voor Zuidwest incidenteel ca. € 10 miljoen aan Rijksmiddelen beschikbaar gesteld via een Specifieke uitkering (SPUK). Voor gemeenten staat de continuïteit van zorg en gecontroleerde afbouw van capaciteit voorop. Het bovenregionaal plan uit 2021 en de daaruit voortvloeiende strategische vastgoedplannen per aanbieder waren voorwaardelijk voor de inzet van deze middelen.
1.4
Proces transitie opgave Zuidwest / doorontwikkeling JZ+ De jeugdhulpplus in Zuidwest is volop in ontwikkeling. Terwijl wordt gewerkt aan de doorontwikkeling van het zorgaanbod en alternatieven lopen gelijktijdig trajecten waarbij het Ministerie van VWS en de Jeugdautoriteit betrokken zijn. Als onderdeel daarvan is het nodig dat de beide aanbieders medio 2023 een continuïteitsplan opleveren waaruit blijkt hoe zij invulling willen/kunnen geven aan de toekomstige jeugdhulp in het landsdeel. Dit geactualiseerde bovenregionale plan voor gesloten jeugdzorg is een vertaling van het onderzoek van AEF. De uitgangspunten van het geactualiseerde bovenregionale plan (februari 2023) vormen de contouren voor de nog op te stellen continuïteitsplannen van de zorgaanbieders gesloten jeugdhulp, Begin februari bespreken de bestuurders van de twee aanbieders, regio’s en afvaardiging van GI, de contouren voor de continuïteitsplannen, dus het bovenregionale plan JH+. In de 2e actualisatie (augustus 2023) vindt opnieuw een update plaats op basis van die toekomstplannen en relevante ontwikkelingen. Ter illustratie het hiernavolgende schema:
Actualisatie Bovenregionaal plan februari 2023
5
Figuur: samenhang proces actualisatie en transitieopgave
Actualisatie Bovenregionaal plan februari 2023
6
2
Doorontwikkeling JZP ZW 2020-2022
2.1
Doorontwikkeling afbouw, doelgroepen Bronnen: Kwartaalrapportage Plaatsingscoördinatie Zuidwest3, update doelgroepenanalyse (C.de Roo, Jeugdbescherming West), Rapportage Behoefteanalyse specialistisch alternatief(AEF), Rapportage Toekomstbestendig Jeugdzorgplus (AEF)4. Toen het bovenregionaal plan werd vastgesteld (juni 2021) zag de wereld er anders uit. Nu, ruim anderhalf jaar later, is duidelijk geworden dat het aantal gesloten plaatsingen snel blijft afnemen. Dit betekent onder meer dat: Afbouw versneld gerealiseerd is, veel sneller dan werd verwacht. Door grote terughoudendheid met gesloten plaatsing worden minder aanvragen gedaan. ‘Transformatie heeft prognose overtroffen’. Een deel van de doelgroep in alternatieven landt. Maar die opbouw loopt wél achter op de afbouw; geen gedeeld beeld over alternatieven Een deel van de doelgroep in open residentieel landt. Maar door-ontwikkeling open jeugdhulp loopt niet gelijk op; is (nog) onvoldoende toegerust voor deze zwaardere doelgroep Een deel van de doelgroep onbekend landt Ook zal voor een deel van de doelgroep gesloten plaatsing nodig blijven. Inzet op zo veel mogelijk verkorten en verbeteren (kleinschaligheid, nabijheid). De doelgroep die in JHP blijft ‘verzwaart’. Wachttijden voor intensief ambulant en specialistisch GGZ leiden tot verergering van de problematiek; veel 1 op 1.
Hierdoor toenemende vraag naar flexibele inzet, flexibel (zorg)aanbod en expertise om tegemoet te komen aan verzwaring Nieuw tarief voor verkleinde groepen is gerealiseerd waarmee financiële randvoorwaarde is ingelost Normenkader per april 2022 is vastgesteld ‘De toekomstige ontwikkeling/verzwaring en omvang JH+ doelgroep in ZW is niet te voorspellen. Keuzes nodig van regio’s’ [Rapportage Toekomstbestendig Jeugdzorgplus (AEF] ‘Geen specifieke groep te benoemen waarvoor landelijk specialistisch aanbod nodig is [Behoefteanalyse-specialistisch-alternatief-gesloten-jeugdhulp AEF]’.
2.2
Omvorming kleinschaligheid Stand van zaken januari 2023 op basis van input aanbieders
3
De Plaatsingscoördinatie Zuid-West is het schakelpunt voor de toeleiding van alle aanmeldingen voor een
gesloten plaatsing in de provincie Zuid-Holland. 4
Adviesbureau AEF heeft in opdracht van het ministerie van VWS de behoefte aan landelijk specialistisch
aanbod onderzocht(1); in opdracht van het landsdeel is onderzocht wat nodig is voor toekomstbestendige jeugdhulp in Zuidwest (2)
Actualisatie Bovenregionaal plan februari 2023
7
Schakenbosch Schakenbosch heeft de beweging naar kleinschaligheid gemaakt en de verkleining van groepen naar maximaal 6 in de woongroepen op het instellingsterrein grotendeels doorgevoerd in 2022. Een merkbaar effect is dat er nu minder incidenten plaatsvinden dan voor de verkleining. Het doorlopend integraal dagprogramma is operationeel (samenwerking met iHUB onderwijs op terrein), waardoor onderwijs op maat voor de jongeren een feit is. De separeerruimtes zijn buiten gebruik, op elke groep is (laagdrempelig) een comfortkamer voor kinderen gerealiseerd. De veldnormen en het normenkader worden geïmplementeerd en de medewerkers worden getraind op nieuwe vaardigheden bij de 2 op 6 woongroepen (2 begeleiders, 6 jongeren). De wens is de verkleining ook door te voeren in open groepen waar de groepsgrootte nog 9 jongeren is. Tevens wil Schakenbosch hybride gaan werken in een mix van open en gesloten, afhankelijk van de vraag/zorgbehoefte. iHUB iHUB heeft de beweging naar kleinschaligheid gemaakt en de verkleining van groepen naar maximaal 6 grotendeels doorgevoerd, op 2 doelgroepen na (Hestia/meiden en SGG groep). Toegang Aanbieders denken in samenspraak met Plaatsingcoördinatie (PC) na over hoe gezamenlijke toeleiding, via ‘gezamenlijke voordeur’ kan plaatsvinden (o.a. via de zogenoemde ‘verklarende analyse’).
2.3
Opbouw alternatieven 2020-2022 In het ambitiedocument van Zuidwest (2020) zijn de volgende alternatieven benoemd: ambulantisering, gezinsopname, kleinschalige voorziening, School2Care. Deze alternatieven vormen een belangrijke schakel in de transitie binnen het landsdeel. Het idee daarbij is dat de kleinschalige, alternatieve behandelvormen die in ontwikkeling zijn voor een aanzienlijke groep jongeren juist de mogelijkheid bieden om opname in geslotenheid via een machtiging Gesloten Jeugdzorg te voorkomen Stand van zaken januari 2023 op basis van input aanbieders Schakenbosch Schakenbosch heeft er in het afgelopen jaar voor gekozen om met focus te werken aan het continueren van de dienstverlening op locatie. In het eerste kwartaal 2023 wordt beoordeeld op welke wijze kleinschaligheid in de wijk kan worden opgepakt (pilotplan bijna gereed) en wordt in ketensamenwerking met de Beter thuis teams een pilotplan ambulante inzet voorbereid (bijna gereed). iHUB iHUB heeft het Ambulante team JHP ontwikkeld als alternatief voor een plaatsing in de JeugdzorgPlus. Dit team betreft een maatwerk traject waarbij wordt aangesloten bij de ondersteuningsvraag die systemisch/gezinsgericht is. Het team kan worden ingezet naast open residentiele jeugdzorg of JeugdzorgPlus. Het doel hiervan is overplaatsing
Actualisatie Bovenregionaal plan februari 2023
8
en plaatsing in JeugdzorgPlus te voorkomen dan wel dit laatste te verkorten. School2Care is een alternatieve vorm die al eerder ontwikkeld was. Voor het alternatief van de gezinsopname zijn door iHUB wel stappen gezet maar niet in geslotenheid.
2.4
Omvorming separeerruimten (aanvullende SPUK JZ+) De afbouw van separeerruimten is een goede en noodzakelijke beweging5 om zo spoedig mogelijk te stoppen met separeren. De Staatssecretaris wil toe naar versnelde afbouw van resterende separeerruimten, mede ingegeven door het feit dat na invoering van de wet Rechtspositie gesloten jeugdhulp, die binnenkort door de Tweede Kamer behandeld wordt, deze separeerruimtes niet meer zijn toegestaan. In het Strategisch vastgoedplan van Schakenbosch is de verbouw en realisatie van een familieverblijf en een intensieve behandelgroep in de huidige separeerruimtes opgenomen. Komende periode worden voorbereidingen getroffen voor de realisatie hiervan met de hiervoor beschikbaar gestelde SPUK-middelen. Schakenbosch heeft eind vorig jaar definitief afscheid genomen van de 2 separeerruimten. iHUB heeft in 2022 een plan uitgewerkt voor de ombouw van separeerruimten in Harreveld naar kindvriendelijke afzonderingsruimten en familiekamers. Gemeente/ regio’s en iHUB zijn in gesprek over de realisatie hiervan in relatie tot de toekomstbestendigheid van de locatie voor gesloten jeugdhulp en duurzame inzet van (SPUK)middelen.
5
2023 02 03 TK brief Uitvoeringsplan af- en ombouw gesloten jeugdhulp
Actualisatie Bovenregionaal plan februari 2023
9
3
Ambities en uitgangspunten Zuidwest (2023)
3.1
Toekomstbestendig Jeugdzorgplus Zuidwest (AEF) Het AEF onderzoek naar een toekomstbestendig jeugdhulpstelsel in Zuidwest levert de volgende (hoofd)conclusies op:
Geen aanwijzing voor verkleining doelgroep; wel minder instroom. Bepaalde mate van geslotenheid blijft nodig: jeugdigen waar sprake is van een stevige onveiligheid voor zichzelf en/of anderen, in combinatie met ontbrekende behandelmotivatie en/of onttrekkend gedrag. De inschatting van de omvang van deze groep kent grote bandbreedte, afhankelijk van groot aantal factoren: Bandbreedte 556-90 jeugdigen op lange termijn Geslotenheid kan op diverse manieren ingevuld, onbekend wat beste werkt/ voor wie. Gemeenten moeten richting bepalen over: het te ontwikkelen alternatieve aanbod, wijze van invulling geslotenheid en de route van de huidige naar de beoogde situatie.
De ambitie om veel minder gesloten jeugdhulp in te zetten dan nu het geval is, wordt breed gedeeld onder betrokkenen. Wat precies nog nodig is en hoe daar naartoe te bewegen, daarover bestaan verschillen van inzichten. Gemeenten moeten hierin een richting kiezen: zij moeten keuzes maken over het te ontwikkelen alternatieve aanbod, hoe zij invulling willen geven aan het aanbod dat een gesloten karakter zal blijven kennen en de manier waarop zij van de huidige naar de beoogde situatie willen bewegen [AEF p. 33]. De (financiële) randvoorwaarden die horen bij afbouw van gesloten jeugdzorg zijn onderdeel van het proces rond de continuïteitsplannen en vallen buiten scope van deze actualisatie.
3.2
Bovenregionaal plan 2022 en verder: intensieve zorgbehoefte met machtiging Het AEF rapport over Zuidwest beschrijft dat er een groep jeugdigen zal blijven waarvoor een bepaalde mate van geslotenheid nodig blijft: jeugdigen waarvoor een stevige onveiligheid voor zichzelf en/of anderen is, in combinatie met het ontbreken van behandelmotivatie en/of onttrekkend gedrag. Gemeenten/jeugdhulpregio’s nemen de regie door in dit bovenregionale plan het onderzoek van AEF te vertalen naar een aantal uitgangspunten namens landsdeel, voor verdere uitwerking in de continuïteitsplannen van de zorgaanbieders. In deze paragraaf een toelichting op de keuzes door regio’s die hebben geleid tot de uitgangspunten zoals geformuleerd in 3.3
6 Op basis van groepsgrootte van 6 gaat de actualisatie uit van 54 in plaats van 55
Actualisatie Bovenregionaal plan februari 2023
10
I Organiseren rondom Intensieve zorgbehoefte Door het zorgaanbod niet langer op doelgroep te organiseren maar te organiseren op zorgbehoefte (AEF) zijn er 2 groepen te specificeren o.b.v. ernst van de problematiek: 1. Intensieve zorgbehoefte 2. Intensieve zorgbehoefte plus vrijheidsbeperkende maatregelen De eerste groep betreft open jeugdhulp, mogelijke alternatieven en passend aanbod voor de jongeren die (voorheen) geholpen werden in de gesloten jeugdhulp. De kennis en kunde van gesloten aanbieders kan bijdragen aan het passender maken van het open aanbod om escalatie naar geslotenheid te voorkomen. Om hier in het kader van het toekomstig aanbod concreter invulling aan te geven vraagt bovenregionaal overleg en afstemming tussen de jeugdhulpregio’s en aanbieders. Vervolgens kan dit binnen de individuele regio worden geformaliseerd, waarbij rekening gehouden wordt met eigen regionale partners per regio. Zie ook paragraaf 3.4 en 3.5 Door intensieve zorgbehoefte bovendien centraal te stellen worden zorg en huisvesting niet langer rondom doelgroepen georganiseerd. Dit betekent dat alle expertisen in huis moeten zijn (of in huis te halen). Zoals bijvoorbeeld door ambulantisering of uitbreiding/verplaatsing van forensische expertise. De tweede groep betreft de gecontracteerde partners Jeugdhulpplus, iHUB en Schakenbosch en de doelgroep van deze actualisatie.
II Ambitiedocument (2020) en normenkader Zuidwest (2022). Onderstaande bovenregionale uitgangspunten komen uit de eerder geformuleerde ambities door regio’s en aanbieders die ten dele ook al zijn vastgelegd in het normenkader:
Geen kind het landsdeel uit; zorg binnen landsdeel organiseren7; bijv. heroverweging Harreveld door overbrengen expertise naar landsdeel Geen kind gesloten onder 12 jaar; zorg open en anders organiseren; bijv. heroverweging Bergse bos door omvormen naar open zorg 12Maximaal een half jaar gesloten zorg op locatie (onder voorbehoud beschikbaarheid uitstroom); bijv. heroverweging WLZ kinderen bij Schakenbosch.
III Onderwijsorganisatie leidend De onderwijsorganisatie is leidend principe bij de toekomstige ontwikkeling van het zorgaanbod en de locatie(s). De toegang tot onderwijs / dagbesteding in aansluiting op de zorg die jeugdigen in voorzieningen voor gesloten jeugdzorg ontvangen is een belangrijke pijler in het kunnen bieden van een toekomstperspectief. Het gaat niet alleen over een groep met intensieve zorgbehoefte maar ook een intensieve onderwijsbehoefte. Dit wordt zowel door ervaringsdeskundigen (zie AEF), aanbieders als overige betrokkenen in de gesprekken over dit bovenregionaal plan benadrukt. En is tevens onderdeel van de Herziening residentieel Onderwijs door OCW.
7
Wordt ook onderkend in AEF Rapport ‘Behoefte-analyse specialistisch alternatief gesloten jeugdhulp’
Actualisatie Bovenregionaal plan februari 2023
11
IV Meer tinten in de intensieve zorg Meer verscheidenheid in aanbod van intensieve zorg op de groepen is te realiseren door verdere verkleining. Door bijvoorbeeld te werken in groepen van 3 in plaats van 6, zodat (nog intensievere) zorg in 1 op 1 setting voorkomen of verminderd wordt. Het moet dan mogelijk zijn op de locatie te schakelen (van groep van 6 naar groep van 3, en zodra dat kan weer terug). Ook het flexibeler maken van bedden kan bijdragen aan het borgen van ambulantisering. Omdat door een flexibel bed snel geschakeld kan worden tussen thuis en een (tijdelijk) bed op een zorglocatie. V Concentratie zorg versus gescheiden huisvesting Voor de doelgroep waarbij huisvesting op dezelfde locatie/accommodatie niet mogelijk is vanwege relatie dader-slachtoffer kan gescheiden huisvesting noodzakelijk zijn. Het concentreren van zorg vraagt om een overweging ten aanzien van 1. samen plaatsen van (doel)groepen die elkaar ondersteunen in effectiviteit van behandeling (magical mix) 2. niet samen plaatsen van (doel)groepen die elkaar niet verdragen (daderslachtoffer).
3.3
Uitgangspunten landsdeel Zuidwest Het meer centraal stellen van de intensieve zorgbehoefte in plaats van inrichten van het zorglandschap rondom doelgroepen leidt tot de volgende concrete (ambtelijk vastgestelde) uitgangspunten voor het landsdeel: Hybride werken: schakelen in maatregelen open-gesloten (‘grijstint AEF’) Flexibel werken: geslotenheid als onderdeel integraal traject 1 of 2 locaties totaal in Zuidwest op basis van onderwijsorganisatie* als leidend principe. 12- gesloten naar 0 (omvorming 12- naar volledig ‘open’ in 2023) 1-1-2024: Max. capaciteit 90 bedden in en voor Zuidwest + aanvullend hybride bedden (aanname ca. 45 o.b.v. capaciteit 1-1-2023) 1-1-2025: Ambitie max. capaciteit naar 54 + aanvullend hybride bedden Het aantal jongeren met herkomst Zuidwest, in zorg geplaatst bij een JeugdzorgPlus instelling op peildatum 1-1-2023 is 135. Dit aantal is uitgangspunt voor de opbouw van toekomstscenario’s van locaties en capaciteit (aantal bedden). * De randvoorwaarden en ondergrens voor een volwaardige onderwijsvoorziening zijn nader te onderbouwen door het ministerie van OC&W en Horizon Onderwijs.
3.4
Grijstinten: hybride en flexibel werken – te ontwikkelen Er zijn verschillende manieren hoe aan geslotenheid invulling gegeven kan worden. Het halen van elke ambitie is afhankelijk van de beschikbaarheid van (een mix van) alternatieven [AEF p.27-34]. Als alternatieven die op relatief korte termijn gerealiseerd zouden kunnen worden, worden onder meer enkele “grijstinten” genoemd. In Zuidwest zetten wij in op: Hybride werken: schakelen in maatregelen open-gesloten) Flexibel werken: geslotenheid als onderdeel integraal traject Omdat verwacht wordt dat daarmee jongeren relatief snel beter geholpen kunnen worden en geslotenheid verder wordt afgebouwd. Voor het landsdeel ontstaat zo de
Actualisatie Bovenregionaal plan februari 2023
12
mogelijkheid om fluctuaties in aantal benodigde gesloten bedden op te vangen (ademruimte). Hybride werken: geen kind gesloten maar geslotenheid soms wel even nodig. Op dit moment verblijft een jongere óf open, óf gesloten. Voor veel jongeren is echter niet het volledige palet aan vrijheidsbeperkende maatregelen nodig, maar bijvoorbeeld alleen dat toegang tot een telefoon beperkt kan worden, of voorkomen kan worden dat een jongere het huis verlaat in crisis. Vrijheidsbeperking wordt dan ingezet als interventie. Meer “grijstinten” tussen open en gesloten, bijvoorbeeld in lijn met de “besloten” zorg uit het verleden, zou het mogelijk maken om meer jongeren buiten JeugdzorgPlus te behandelen. Dit vraagt ook om expertiseopbouw. Daarbij wordt opgemerkt dat er voldoende borging moet zijn dat zulke grijstinten voor andere jeugdigen niet drempelverlagend werkt. Een lichte mate van geslotenheid is immers onwenselijker dan geen geslotenheid. Flexibel werken: Geslotenheid meer als onderdeel van een integraal traject. Waar wel nog tijdelijk geslotenheid nodig is, moet deze minder dan nu gezien en ingezet worden als een eigenstandig traject. In plaats daarvan moet er sprake zijn van een integraal traject, waar geslotenheid onderdeel van is. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat er een terugkeergarantie is in de open setting waar de jongere eerst verbleef.
De uitwerking van deze “grijstinten” in het toekomstig zorgaanbod in Zuidwest zal terug komen in de toekomstplannen van de zorgaanbieders en daarmee ook in de eerstvolgende actualisatie van het bovenregionaal plan.
3.5
Alternatieven - te ontwikkelen Een integraal perspectief op hoe het alternatieve aanbod eruit zou moeten zien, ontbreekt nog bij betrokkenen. In de gesprekken [in het kader van onderzoek AEF] komen vooral elementen naar voren die van belang zijn om JeugdzorgPlus verantwoord af te kunnen bouwen en kenmerken van de doelgroepen waar rekening mee gehouden moet worden. De ‘bouwstenen’ die jongeren nodig hebben volgens gesprekspartners, in het bijzonder ervaringsdeskundigen zijn onder andere: Perspectief bieden, onderwijs, meer integrale hulp en continuïteit in wonen (onvoorwaardelijkheid) [AEF p. 19]. Ondanks het ontbreken van een gedeeld beeld van welk type aanbod er nodig is voor deze jongeren zijn er door gesprekspartners wel enkele concrete vormen van toekomstig alternatief aanbod aangedragen om zo het aantal plaatsingen in JeugdzorgPlus op termijn te kunnen verminderen. (AEF p. 20 ev). We beperken ons hier tot de vormen die geen enkele mate van geslotenheid kennen. Drie vormen Intensief ambulant (o.a. MST). Multi-systeemtherapie (MST) is een bewezen effectieve, ambulante werkwijze die zich richt op jongeren tussen de 10 en 18 jaar die problematisch gedrag vertonen, samen met hun gezinsleden. Deze systeemgerichte aanpak heeft als doel om problemen te verminderen en zo
Actualisatie Bovenregionaal plan februari 2023
13
(gesloten) plaatsing in de jeugdzorg te voorkomen. MST probeert dit te bereiken door gezinnen in staat te stellen problemen in de toekomst zelf op te lossen. Andere ambulante methoden zijn o.a. Forensische Ambulante Systeem Therapie (FAST, voor jongeren met probleem- en delinquent gedrag) en Multidimensionele familietherapie (MDFT, voor jongeren met delinquent gedag en/of waar sprake is van alcohol- of drugsmisbruik). Gemene deler hierbij is de systemische benadering. Intensief open residentieel. JeugdzorgPlus onderscheidt zich op twee aspecten van het andere residentiele aanbod. Intensieve en specialistische begeleiding en behandeling enerzijds en vrijheidsbeperkende maatregelen anderzijds. Residentieel aanbod dat wel aan het eerste kenmerk voldoet, maar niet aan het tweede, ontbreekt dus nog in het landschap. Het zou volgens sommigen wel aan de ondersteuningsbehoefte van een deel van de jongeren tegemoet kunnen komen. Open aanbod in luwere omgevingen. Een tekortkoming van een deel van het open aanbod is dat het in zich bevindt in omgevingen met veel prikkels en een lage drempel om te vertrekken. Opbouw van open aanbod in wat meer afgelegen omgevingen zou volgens sommige gesprekspartners vo er een deel van de jeugdigen de noodzaak tot geslotenheid kunnen voorkomen.
Aanpak Om te komen tot nadere ontwikkeling en invulling van (een mix van) alternatieven werken de jeugdhulpregio’s samen met aanbieders en verwijzers in het regionale zorglandschap een regionale aanpak uit. Gedacht wordt om gebruik te maken van het bovenregionale expertisenetwerk (BREN) en kennis en kunde van gesloten aanbieders om escalatie naar geslotenheid te voorkomen. Elke jeugdhulpregio levert voor de volgende actualisatie een plan van aanpak hiervoor aan. Dit is nodig om de beweging te maken naar verdere afbouw van bedden richting 54 bedden en de uitvoering van de routekaart VNG.
3.6
Behoefte landelijke specialisaties Uitgangspunt is dat kwetsbare jongeren die bescherming en veiligheid nodig hebben in hun omgeving passende zorg en onderwijs krijgen8. In de huidige praktijk gebeurt dat niet altijd. In het kader van de landelijke regie is daarom, in nauw overleg met Jeugdzorg Nederland en de VNG, onderzoek9 uitgevoerd naar de mogelijke behoefte aan een specialistisch alternatief voor de regionaal georganiseerde kleinschalige gesloten jeugdhulp. De onderzoekers concluderen dat de zorg voor jongeren die nu in de gesloten jeugdhulp verblijven regionaal kan worden georganiseerd, mits er ruimte is voor het incidenteel plaatsen buiten het eigen netwerk (bijvoorbeeld bij seksuele uitbuiting) en mits de zorg voor jongeren met specifieke kenmerken (bijvoorbeeld jongeren met een hoog forensisch profiel) regionaal beter wordt georganiseerd. De staatssecretaris heeft aan de regio’s de opdracht gegeven om de uitkomsten van dit onderzoek mee te nemen in de regionale plannen van gemeenten en aanbieders.
8 9
2023 02 03 TK brief Uitvoeringsplan af- en ombouw gesloten jeugdhulp Behoefteanalyse-specialistisch-alternatief-gesloten-jeugdhulp
Actualisatie Bovenregionaal plan februari 2023
14
4
Toekomstig zorglandschap (2024/2025)
4.1
Bovenregionaal plan intensieve zorgbehoefte met machtiging Om te komen tot een bovenregionaal plan voor de groep met intensieve zorgbehoefte met machtiging afkomstig uit ons landsdeel, is het nodig dat regio’s richting geven en keuzes maken voor de periode 2024 en 2025. Zodanig dat aanbieders een duidelijke opdracht krijgen om verder uitwerking aan te geven. Hiervoor dienen 2 scenario’s uitgewerkt te worden. De volgende overwegingen horen hier bij:
Vertrekpunt huidige locaties Schakenbosch, Rijnhove, Bergse Bos, Harreveld
Scenario’s gaan alleen over capaciteit en zorg die landsdeel Zuidwest nodig heeft voor zorg aan jongeren uit Zuidwest, niet over jongeren uit andere landsdelen
Vertrekpunt scenario's is situatie is peildatum 1-1-2023 ca. 135 bedden10
De instandhouding van een locatie kent een ondergrens om expertisen in stand te kunnen houden.
Idem voor de instandhouding van school (zie ook opmerking bij 3.3)
Hybride* bedden als antwoord voor passend zorg en minder geslotenheid
Voor een compleet beeld is de capaciteit van open groepen 11 meegenomen in was-wordt tabel hierna [geen onderdeel van actualisatie].
Aanname totale hybride capaciteit 2024 is verschil tussen huidige capaciteit gesloten (135) en maximale gesloten capaciteit 90. Dit betekent voor 2024 ambitie van 45 hybride bedden.
Ambitie voor 2025 maximale capaciteit 5412 gesloten bedden. Aanname totale hybride capaciteit 2025 is 45 hybride bedden. Bij de volgende actualisatie zal dit worden herijkt.
* met hybride wordt hier nu bedoeld het kunnen aan-/uitzetten van vrijheidsbeperkende maatregelen horend bij gesloten machtiging. Definitie nader te bepalen in overleg met aanbieders.
Voor de verdere doorvertaling en uitwerking van de eerder gestelde ambities voor de langere termijn (waaronder afbouw naar 0) wordt in 2024 een procesvoorstel opgesteld in samenwerking met jeugdhulpregio’s en overige betrokkenen. De uitkomst van het AEF-onderzoek in ZW, dat er naar schatting ca. 55 gesloten bedden nodig blijven, zet de ambitie naar 0 gesloten plaatsingen in 2030 in een ander daglicht, ook dat is onderdeel van het procesvoorstel in 2024. De bovenstaande overwegingen hebben geleid tot een opzet voor 2 scenario’s voor 2024-2025.
10 Rapportage PC Zuidwest 11 12
bovenregionaal plan 3-milieu, stand Q4 2022 Vanwege groepsgrootte van maximaal 6 gaan we hier uit van 54
Actualisatie Bovenregionaal plan februari 2023
15
4.1.1
4.1.2
4.1.3
Scenario 1 Centraal in het landsdeel
Alle intensieve zorg met een gesloten machtiging centraal in het landsdeel
Centrale locatie biedt alle benodigde expertisen in Zuidwest (1-1-2025)
Bergse Bos: omvorming 12-, ‘0 gesloten’
Harreveld: verplaatsing expertise, afbouw naar ‘0 gesloten uit Zuidwest’
1 centrale locatie, aanvullend in het landsdeel een kleinschalige voorziening t.b.v. afstand dader-slachtoffer
Voorwaarde: Organisatie van onderwijs
Totale maximale toekomstige capaciteit 90-54 (AEF)
Voor 2024 ambitie van 45 hybride bedden.
Scenario 2 Twee locaties
Alle intensieve zorg met een gesloten machtiging verdelen over 2 locaties
Beide locaties bieden alle benodigde expertisen in Zuidwest (1-1-2025)
Bergse Bos: omvorming 12-, ‘0 gesloten’ (uitgangspunt ZW)
Harreveld: verplaatsing expertise, afbouw naar ‘0 gesloten uit Zuidwest’ (uitgangspunt ZW)
Voorwaarde: Organisatie van onderwijs
Totale maximale toekomstige capaciteit 90-54 (AEF)
Voor 2024 ambitie van 45 hybride bedden.
Was-wordt/ locaties (aanvullen o.b.v. continuiteitsplannen)
Locaties
Capaciteit¹
Capaciteit
Gesloten
Hybride
Gesloten
Hybride Per
locaties totaal
huidige
bedden
Per 1-1-2024
bedden
1-1-2025
gesloten
Per 1-1-2024
( max. 6)
per 1-1-2025
( max. 6)
90
45
54
45
bedden Schakenbosch
60 (+18 open)
54
Bergse bos 12-
12 (+48 open)
12
Rijnhove
6 (+ 59 open)
6
6
6
50 ( + 40
48
(algemeen) Rijnhove (‘slachtoffers’) Harreveld
open) Totaal
158 (+165)
126
Actualisatie Bovenregionaal plan februari 2023
16
Tabel ter verder aanvulling op basis van continuïteitsplannen en bij eerstvolgende halfjaarlijkse actualisatie.
4.2
Afwegingselementen Onderstaande afwegingselementen vormen de basis waarop regio’s een afwegingskader zullen baseren om tot één voorkeursscenario te komen. Daarnaast wordt een proces afgesproken over hoe de regievoering over de uitwerking van bovenregionaal plan in de Continuiteitsplannen zal worden ingevuld.
De actualisatie van het bovenregionaal plan d.d. februari 2023 vormt het kader voor de Continuiteïtsplannen van de aanbieders De inzet in Continuiteïtsplannen is gericht op activiteiten die bijdragen aan de beoogde transformatie naar meer kleinschalige en hybride (woon)vormen in de gesloten jeugdhulp, in combinatie met een afbouw van traditionele capaciteit (hoofdstuk 3 Actualisatie) De Continuiteïtsplannen zien toe op duurzame en rendabele ontwikkeling binnen de ambities zoals verwoord in het bovenregionaal plan en zijn gericht op maximaal 90 (2024) en maximaal 54 bedden (2025) aangevuld met hybride en flexibele bedden (hoofdstuk 4 Actualisatie). De Continuiteïtsplannen zijn gericht op het realiseren van samenhang in zorgaanbod en samenhang tussen zorgaanbod en onderwijs op niveau (3.2) De activiteiten staan verdere doorontwikkeling na 2025 niet in de weg. Onder kleinschalige woon- of behandelvormen wordt verstaan max. 6 plekken; onderwijsaanbod sluit aan op kleinschaligheid In de Continuiteïtsplannen is uitgewerkt hoe alle expertisen die nodig zijn in het landsdeel ook beschikbaar zijn/komen in landsdeel Bij het afstoten of herbestemmen van jeugdzorgplus-locatie(s) wordt de vestigingsgemeente(n) betrokken.
Vastgoed De geschiktheid van huidige accommodaties in de beoogde ombouwscenario’s. De toekomstbestendigheid van de huidige accommodaties in de beoogde ombouwscenario’s. Duurzaamheid van toekomstige (blijvende) accommodaties Zorgkwaliteit De geschiktheid en toekomstbestendigheid voor de huidige accommodaties voor de zorgkwaliteit die wordt beoogd in de ombouwscenario’s. Het aandeel personeel in vaste dienst Nieuwe elementen actualisatie Mate waarin een volwaardige onderwijsvoorziening nabij de zorglocatie(s) redelijkerwijs te realiseren
4.3
Onderwijs voor kwetsbare jongeren De in het bovenregionaal plan JZ+ Zuidwest 2021opgenomen paragraaf over de ontwikkelingen in het residentieel onderwijs (paragraaf 3.5) kwam tot stand in samenwerking met de regioregisseur residentieel onderwijs. In de hieronder beschreven bijdrage is een update opgenomen van onze regioregisseur over de actuele ontwikkelingen, de samenwerkingspartners en de relatie met de ‘Herbezinning Residentieel Onderwijs’.
Actualisatie Bovenregionaal plan februari 2023
17
Ombouw en bekostiging 2022-2023 In 2022 zijn instellingen voor JeugdzorgPlus gestart met de ombouw naar kleinschaliger en relatiegerichter werken. Grotendeels vindt deze ombouw plaats binnen de bestaande instellingen / locaties. Voor de scholen welke gekoppeld zijn aan deze instellingen / locaties betekent dit dat zij geconfronteerd werden met een daling van het leerlingenaantal. Om deze daling financieel te kunnen opvangen en de kwaliteit en kwantiteit van het onderwijs te kunnen garanderen krijgen de betrokken scholen voor 2022 en 2023 aanvullende capaciteitsbekostiging. Deze bekostiging kan ingezet worden voor het behouden van de onderwijsprofessionals en tevens voor een inhoudelijke doorontwikkeling van het programma in relatie tot de ombouw naar kleinschaligheid. De betrokken scholen blijven worstelen met hun complexe opdracht; het bieden van onderwijs op alle leerniveaus en beroepsrichtingen (van praktijkonderwijs tot VWO en beroepsonderwijs). De betrokken scholen, onderdeel van Horizon (locaties Zuidwest) en Stichting Aloysius (Harreveld), kunnen op basis van de aanvullende capaciteitsbekostiging onderwijs blijven bieden aan de kleiner wordende groep kinderen en jongeren binnen hun scholen.
Bredere doelgroep Net als in andere delen van het land onderzoeken de scholen verbonden aan de instellingen de mogelijkheid om de school toegankelijk te maken voor een bredere doelgroep. Hierbij valt te denken aan een combinatie van gesloten residentiële jongeren samen met open residentiele jongeren. Ook de toevoeging van reguliere VSO leerlingen is een optie. Wettelijk gezien staat deze mogelijkheid open. Daarbij wel aangetekend dat jongeren die regulier dan wel via een open residentiële plaatsing gebruik maken van de school niet mogen worden blootgesteld aan vrijheidsbeperkende maatregelen. Om de expertise van de scholen en de professionals te behouden is een uitbreiding dan wel samenvoeging van doelgroepen een zeer reële optie. Doorontwikkeling Daarnaast hebben de scholen vanaf Q3 van 2022 een start gemaakt met een inhoudelijke doorontwikkeling van hun programma. Dit doen zij in samenwerking met hun instellingspartner. Insteek hierbij is dat zij een integraal aanbod ontwikkelen welke breder inzetbaar is dan alleen voor jongeren met een machtiging JeugdzorgPlus. Het aanbod zal flexibeler worden en inzetbaar voor jongeren met complexe ondersteuningsvraag in combinatie met jeugdhulpverlening. Door deze ontwikkeling kan de expertise van de onderwijsprofessionals behouden blijven en kan ingespeeld worden op de doorontwikkeling van de JeugdzorgPlus.