CConstaterende datvoorschoten
Koppel je AI →
Document · PDF

Informatiebrief 014 Resultaten haalbaarheidsonderzoek zonnevelden (incl. bijlagen).pdf

Gemeenteraad Voorschoten 17 februari 2022, gemeente voorschotenBij agendapunt: Informatiebrieven van het College van B&W15.503 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

• • •

In de stads- of dorpsrand komen vaak veel opgaven samen. Daarom liggen hier bij voorbaat kansen om verschillende ontwikkelingen aan elkaar te koppelen. Denk aan de aanleg van recreatieve routes, het versterken van beplantingsstructuren als heldere dorpsrand, inpassing van waterbergingsopgaven of het koppelen van educatieve functies aan het zonneveld. Zo kan het veld meer betekenis krijgen voor het nabije dorp/stadsdeel. Het kan worden gezien als een nieuwe stads/dorpsfunctie vergelijkbaar met een park, begraafplaats, sportveld of moestuin. Veel stads- of dorpsranden hebben betekenis als stedelijk uitloopgebied. Hier moet rekening mee gehouden worden bij het ontwerp van een zonneveld. Bij de inpassing van een zonneveld in de stads/dorpsrand is het van belang om de omgeving en alle belangen vanaf het begin van de planvorming te betrekken. Ruimtelijke principes • Het zonneveld vormt geen barrière tussen stad en land en routes worden niet afgesneden. • Houd rekening met de omwonenden. Kies voor een passende zichtbaarheid en stem de inrichting van de rand hier op af. Het kan wenselijk zijn afstand te houden tot woningen (buffer) en deze bijvoorbeeld in te richten als gemeenschappelijke parkzone, dorpsweide, boomgaard e.d. • Benut het zonneveld om de stad- of dorpsrand ruimtelijk helder te definiëren en landschappelijk beter in te passen. Sluit aan bij de

8

bestaande structuur van het dorp of stad/wijk en gebruik gebiedseigen middelen. Sluit aan bij bestaande voorzieningen, zoals sportvelden, volkstuinen, jachthavens, verblijfsrecreatie, scholen, zwembaden, winkels etc. Sluit aan op de lokale economie, cultuur en identiteit. Denk daarbij aan kunst, inzet van lokale arbeidskrachten of vrijwilligers. De omvang van het zonneveld staat in verhouding tot de omvang en energiebehoefte van het dorp.

Omgevingsbeleid Zuid-Holland

randvoorwaarden zijn nader geconcretiseerd in de richtpunten. In de omgevingsverordening is geborgd dat nieuwe ontwikkelingen voldoen aan en rekening houden met de relevante richtpunten en voorwaarden die zijn benoemd op de kwaliteitskaart.

Op 1 april 2019 is de geconsolideerde Omgevingsvisie Zuid-Holland in werking getreden. In het Omgevingsbeleid is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en een Omgevingsverordening. De verordening bevat de juridische doorwerking van het visiedeel van het Omgevingsbeleid en bevat regels voor bestemmingsplannen en daarmee gelijkgestelde ruimtelijke plannen.

De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit, zoals benoemd op de kwaliteitskaart en uitgewerkt in richtpunten. De kwaliteitskaart toont in vier lagen de gebiedskenmerken en kwaliteiten die de provincie belangrijk vindt. De vier lagen zijn samengevat in de integrale kwaliteitskaart. De vier lagen zijn: laag van de ondergrond, laag van de cultuur- en natuurlandschappen, laag van de stedelijke occupatie en laag van de beleving. Het kwaliteitsbeleid gaat uit van 'ja, mits': ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en geldt in principe voor het grondgebied van de gehele provincie. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang.

Het beleid voor zonne-energie is volgens de provinciale Omgevingsvisie gebaseerd op de volgende vijf principes: 1. Een goede ruimtelijke ordening, waarbij infrastructuur (energienetwerk) als leidend principe wordt gehanteerd. Wek energie op daar waar het gebruikt wordt (in of nabij de bebouwde omgeving) en waar aansluiting op het energienetwerk logisch is. 2. Zorgvuldig omgaan met de bestaande functies en kwaliteiten van het gebied. Bij de locatiekeuze, omvang en inrichting van een zonneveld zijn de regels voor ruimtelijke kwaliteit uit de Omgevingsverordening altijd van toepassing. 3. Meervoudig ruimtegebruik. Benut bestaande en nieuwe bebouwing (PV en warmtecollectoren) en overige functies die combinaties kunnen vormen met zonne-energie. 4. Bescherming van de schaarse open ruimte en landschapswaarden. Dit betekent dat de provincie terughoudend is met het toestaan van zonnevelden. 5. Experimenteerruimte voor zonnevelden. De provincie is terughoudend met het toestaan van nieuwe experimenten. Experimenteerruimte wordt uitsluitend nog geboden voor specifieke vraagpunten.

In deze paragraaf worden de volgende relevante thema’s uit het provinciale omgevingsbeleid nader toegelicht: - Ruimtelijke kwaliteit + beschermingscategorieën - Groenblauwe structuur - NatuurNetwerk Nederland - Archeologie - Cultureel Erfgoed - Bodemdaling - Regionale waterkeringen - Recreatietoervaartnet - Woningbouwlocaties

Daarnaast heeft de provincie ruimtelijk kwaliteitsbeleid opgesteld. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening (‘handelingskader ruimtelijke kwaliteit’). De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit. De kaart geeft randvoorwaarden voor het maken van integrale afwegingen in het begin van het planproces. De

Andere thema’s hebben weinig tot geen betrekking op de realisatie van zonnevelden, of spelen niet binnen de gemeente Voorschoten. De uitspraken uit de omgevingsvisie en de regels en/of voorwaarden die hieraan zijn gekoppeld in de omgevingsverordening, worden per thema besproken.

9

Ruimtelijke kwaliteit en beschermingscategorieën Binnen de Beschermde Gebieden heeft de instandhouding van de waarden die de gebieden vertegenwoordigen voorrang boven alle andere ruimtelijke ontwikkelingen. De Beschermde Gebieden worden onderscheiden in twee beschermingscategorieën: - Gebieden met topkwaliteit (beschermingscategorie 1): Een aantal gebieden is zo bijzonder, waardevol of kwetsbaar, dat de instandhouding en mogelijk verdere ontwikkeling van de waarden die ze vertegenwoordigen, voorrang heeft boven alle andere ontwikkelingen. Ruimtelijke ontwikkelingen in gebieden met beschermingscategorie 1 zijn in beginsel alleen mogelijk voor zover ze bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de specifieke waarden. Categorie 1 betreft NNN- inclusief Natura 2000-gebieden, de graslanden in het bollenlandschap en de Cultuurhistorische Kroonjuwelen. - Gebieden met bijzondere kwaliteit (beschermingscategorie 2): De provincie wil een aantal specifieke waarden en gebieden in stand houden omdat ze landschappelijk, ecologisch of qua gebruikswaarde bijzonder en kwetsbaar zijn. In die hoedanigheid leveren ze een belangrijke en specifieke bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit van ZuidHolland. De instandhouding van deze waarden vraagt om hierop toegespitste vormen van bescherming en ontwikkeling, naast de generieke bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit.

Ruimtelijke ontwikkelingen in deze gebieden zijn mogelijk, maar met inachtneming van het in stand houden van de specifieke waarden. Categorie 2 betreft weidevogelgebieden en groene buffers. Voorwaarden De plaatsing van zonnevelden binnen deze gebieden vormt een risico voor de instandhouding van de cultuurhistorische waarden. Ontwikkeling van duurzame energie binnen of nabij kroonjuwelen, landgoedbiotopen en beschermde natuurgebieden is niet haalbaar als de waarden of het zicht op deze waarden worden verstoord.

Overzichtskaart 3: Ruimtelijke kwaliteiten (beschermingscategorieën)

10

•

Uitgangspunt Landgoederenlandschap Dit is een herkenbaar en afwisselend patroon van historische buitenplaatsen en landgoederen, volgroeide bossen en open ruimtes met nog deels een agrarische functie. Hier is de landschapsgradiënt van duin naar veen nog herkenbaar terug te vinden. Deze gebieden hebben een hoge recreatieve en cultuurhistorische waarde. Het inpassen van nieuwe gebruiksfuncties dient dan ook met grote zorgvuldigheid te gebeuren.

•

Behouden en versterken van de oostwest oriëntatie van het strandwallen- en strandvlaktenlandschap, die versterkt wordt door de loop van de wateringen en het wegenpatroon. Herkenbaar houden van de markante ligging van boerderijen (tussen de Veenwatering en de Rijksstraatweg) op de overgang van de droge strandwal naar de vochtige strandvlakten.

Richtpunten: • Ontwikkelingen dragen bij aan het vergroten van de herkenbaarheid van het landgoederenlandschap als samenhangend geheel. • Ontwikkelingen dragen bij aan de versterking van de afwisseling tussen beboste strandwallen met landgoederen en buitenplaatsen en open strandvlakten. • Ontwikkelingen dragen bij aan de verbetering van de kwaliteit van het ensemble van het landhuis, bijgebouw, tuin en park en de herkenbaarheid van het landgoed in het landschap.

Groenblauwe structuur / groene buffer De groenblauwe stedelijke structuur is een samenhangend stelsel van verschillende groenblauwe ruimtes en routes in en rondom het stedelijk gebied. De provincie zet in op een groenblauwe stedelijke structuur waarin voldoende groen en water aanwezig zijn om de leefbaarheid, gezondheid en natuurwaarden te behouden en versterken, ook in tijden van extreme wateroverlast en extreme droogte en hitte. Er ligt een opgave om deze integrale structuur te behouden en waar nodig te versterken. In het verlengde hiervan wil de provincie de biodiversiteit in het stedelijk gebied duurzaam behouden en versterken.

Uitgangspunt Kroonjuweel Dit ensemble is opgebouwd uit enerzijds een groot aantal landgoederen met de groene uitlopers hiervan in de stad, gelegen op oude en al vroeg bewoonde strandwallen. Anderzijds behoren ook enkele gave open polders in de lagere strandvlakten hiertoe (o.a. de Veenzijdse en Duivenvoordse Polder). Dit veenachtige gebied werd in de middeleeuwen in cultuur gebracht.

Voorwaarden Zonnevelden worden niet expliciet benoemd binnen dit thema. Het uitgangspunt voor aangewezen gebieden binnen dit thema luidt: De groene buffer is een niet verstedelijkt landschap van relatief beperkte omvang tussen of grenzend aan de steden. De bufferende werking hiervan is van grote waarde. De kwaliteit “niet-verstedelijkt gebied" of luwte blijft behouden of wordt waar mogelijk versterkt.

Richtpunten: • Behouden en versterken van de kernkwaliteiten én samenhang hiertussen: de landgoederen met parkaanleg, de zichtlijnen tussen en langs de landgoederen, de open plekken ertussen (weilanden). • In stand houden van het contrast tussen het besloten, boomrijke karakter van de strandwallen en de open veenweidepolders van de strandvlakten.

Richtpunten: • Er vinden geen grootschalige nieuwe ontwikkelingen plaats in de bufferzone. • Nieuwe ontwikkelingen dragen bij aan de recreatieve gebruiks- en belevingswaarde en de contrastkwaliteit met het stedelijk gebied.

11

o

NatuurNetwerk Nederland De provincie werkt aan het realiseren van de laatste 3.300 hectare NatuurNetwerk Nederland (voorts NNN) van het totaal van 45.000 hectare NNN in Zuid-Holland. Door het fysiek inrichten en planologisch en juridisch borgen van begrensde NNN-gebieden, wordt de natuur hersteld en kan de biodiversiteit in deze gebieden weer toenemen.

o

Binnen de regio liggen geen Natura 2000-gebieden, maar liggen wel een aantal NNN-gebieden. Deze natuurgebieden zijn van nationaal belang. Ontwikkelingen die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken, of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte. Voorwaarden Zonnevelden worden niet expliciet benoemd binnen dit thema maar zorgen voor ruimtebeslag, verstoring van natuurwaarden en (vogel)soorten. Ontwikkelingen zijn in deze gebieden alleen toegestaan als de effecten gecompenseerd worden waardoor zonnevelden niet realistisch zijn. Een bestemmingsplan voor gronden binnen het NNN wijst geen bestemmingen aan die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken, of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden. Compensatie Bij compensatie worden in ieder geval de volgende voorwaarden in acht genomen: • de compensatie leidt niet tot een nettoverlies van areaal, samenhang en kwaliteit van de wezenlijke kenmerken en waarden; • de compensatie vindt plaats: o aansluitend aan of nabij het aangetaste gebied, met dien verstande dat een duurzame situatie ontstaat;

12

door realisering van kwalitatief gelijkwaardige waarden of fysieke compensatie op afstand van het gebied als fysieke compensatie aansluitend aan of nabij het gebied niet mogelijk is, of op financiële wijze als zowel fysieke compensatie als compensatie door kwalitatief gelijkwaardige waarden op korte termijn redelijkerwijs niet mogelijk is.

Cultureel erfgoed De kern van het erfgoedbeleid van Zuid-Holland is het behoud van erfgoed door het beschermen, beleven en benutten van erfgoed. Dit belang overstijgt dat van individuele gemeenten en regio’s omdat het uniek erfgoed betreft op mondiaal schaalniveau. Zonnevelden worden niet expliciet benoemd binnen dit thema. De plaatsing van zonnevelden binnen deze gebieden kunnen echter wel een risico vormen voor de instandhouding van de cultuurhistorische waarden. Ontwikkeling van duurzame energie is niet haalbaar wanneer de waarden of het zicht op deze waarden worden verstoord. Landgoedbiotopen fungeren eveneens als rustruimten in stedelijke gebieden en hebben een groen en statig karakter. Om er voor te zorgen dat dit culturele erfgoed niet verloren gaat, heeft de provincie een ‘landgoedbiotoop’ ingesteld, welke bestaat uit: - de kern van het landgoed: huis met tuin en/of park; - een bufferzone hierom heen: het zogenaamde blikveld; - waardevolle elementen, zoals: zichtlijnen, panorama’s, wegen en waterlopen waaraan het landgoed ligt. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zijn toegestaan voor zover: - geen aantasting plaatsvindt van de waarden van de landgoed- en kasteelbiotoop, of - de ontwikkeling is gericht op verbetering en versterking van de waarden van de landgoed- en kasteelbiotoop.

Ontwikkeling van duurzame energie binnen of nabij landgoedbiotopen is niet haalbaar als de waarden of het zicht op deze waarden worden verstoord. Molenbiotopen beschermen molens met een beeldbepalend element. Omdat het behoud hiervan van groot belang is, zijn er met betrekking tot activiteiten in de omgeving van molens strikte regels. Zo dient ruimtelijke ontwikkeling zich te houden aan de volgende zaken:

Overzichtskaart 4: Cultureel erfgoed

13

-

-

windvang en het zicht op de molen is vrij; binnen een straal van 100 m vanaf het middelpunt van de molen, wordt geen nieuwe bebouwing opgericht of beplanting aangebracht, hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wiek; binnen een straal van 100 tot 400 m, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, gelden hoogtebepalingen voor bebouwing en beplanting.

archeologisch onderzoek nodig is bij het uitvoeren van werken of werkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 100 m² en waarbij de grond dieper wordt geroerd dan 30 centimeter onder het maaiveld.

Binnen de zone van molenbiotopen zijn zonnevelden niet op voorhand onhaalbaar. Dit omdat de beperkte hoogte van een zonneveld naar verwachting tot minder effecten leidt op de windvang en zichtbeleving van de molenbiotopen en daardoor mogelijk is onder voorwaarden. Dit moet per project nader worden onderzocht. Archeologie De provincie draagt zorg voor het beschermen en bewaren van bekende archeologische waarden. Hierbij gaat het om bekende terreinen van provinciaal archeologisch belang en de in Unesco-verband vastgestelde waarden van de Romeinse Limeszone. Voor behoud en inpassing van archeologische waarden bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zijn kaders gesteld in de Omgevingsverordening Zuid-Holland. De provincie Zuid-Holland hanteert een aanvullende beleidscategorie die gericht is op de beleving en benutting van erfgoed. Binnen de categorie heeft de provincie een zevental erfgoedlijnen aangewezen. Dit zijn identiteitsdragers van de provincie en dragen bij aan een omgeving waarin men prettig kan wonen, werken en recreëren. Het uitgangspunt van het ruimtelijke beleid voor de erfgoedlijnen is de continuïteit van de samenhangende erfgoedelementen door middel van zowel behoud en versterking van de structuur als wel het stimuleren van eigentijdse bestemmingen van het erfgoed.

Relevante erfgoedlijnen: De provinciale verordening bevat een regeling voor de gebieden binnen de Romeinse Limeszone en gebieden met hoge en zeer hoge archeologische verwachtingswaarde. Deze regeling houdt in ieder geval in dat

14

Stads- en dorpsranden De stads- en dorpsrand is de zone op de grens van bebouwd gebied en landschap. Het is het deel van stad of dorp met potentie voor een hoogwaardig en geliefd woonmilieu, doordat hier de genoegens van stedelijk en buiten wonen bij elkaar komen; de nabijheid van voorzieningen gecombineerd met het vrije zicht en het directe contact met het buitengebied. De relatie tussen bebouwd gebied en landschap is afhankelijk van de karakteristieken van de bebouwingsrand en die van het aangrenzende landschap. Daarbij worden drie typen ‘overgangskwaliteiten’ onderscheden: front, het contact en de overlap. Daar waar recreatiegebieden voorkomen langs stads- of dorpsrand is veelal sprake van overlap. Uitgangspunt bij ontwikkelingen aan dorpsranden is de contactkwaliteit. 1. De kwaliteit van het front (contrast) Een scherpe rand tussen bebouwing en land, waarbij de bebouwing en landschap ‘met het gezicht naar elkaar’ zijn gekeerd. Er zijn verschillende situaties denkbaar, waarbij landschappelijke grenzen zorgen voor een scherp contrast tussen bebouwing en landschap. De stad aan de rivier of aan zee (waterfront, zeefront), appartementsgebouwen langs de duinrand of de bebouwingsrand rond een (verder vrij onbebouwde) droogmakerij. Stad en buitengebied brengen hun eigen eigenschappen maximaal tot expressie. Vormen van hoogbouw kunnen hier aan het karakter bijdragen.

Bij water- en zeefronten bieden combinaties met de waterkering kansen voor kwaliteit. Het ‘wegfront’ vraagt om extra aandacht voor verbindingen tussen stad en ommeland. Hier is het vaak niet het geval dat bebouwing en landschap met het gezicht naar elkaar zijn gekeerd. De grens is scherp, maar men mist de kwaliteiten van het ‘zicht op elkaar’. 2. Contactkwaliteit Bebouwd gebied en landschap zijn verbonden door zichtbare en begaanbare doorlopende structuren, zoals wegen, paden, dijken, lanen, linten of waterlopen. De structuur die stad en land verbindt, kan een herkenbare landschappelijke onderlegger hebben als een strandwal of

Overzichtskaart 5: Archeologisch erfgoed

15

rivier. In andere situaties is het kavelpatroon doorlopend. Stad en ommeland blijven beide in hun eigen hoedanigheid herkenbaar en onderscheidend, maar worden in staat gesteld in elkaar door te dringen. Deze soort overgang is typisch voor dorpen of buitenwijken, waarbij de stedenbouwkundige opzet bijvoorbeeld geënt is op het oorspronkelijke landschappelijke (kavel)patroon.

Voorwaarden Zonnevelden worden niet expliciet benoemd binnen dit thema. Het plaatsen van een zonneveld biedt in sommige gevallen de kans de waterstand in het gebied te verhogen waardoor bodemdaling afgeremd kan worden.

3. De kwaliteit in de overlap (‘contract’) Tussen bebouwd gebied en landschap is een geleidelijke overgang. Stedelijke en landelijke programma’s vloeien in elkaar over. Het zijn gebieden met een hybride uitstraling en betekenis: recreatiegebieden, sportvelden, volkstuincomplexen, golfbanen, enzovoorts. Er wordt een geïntegreerde ontwikkeling ontworpen van woon-, werk-, productie- en vrijetijdslandschappen die zoveel mogelijk aansluiten bij de ruimtelijke kwaliteiten van het omringende landschap en met een goede dooradering van recreatieve routes. Voorwaarden Ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap). Bodemdaling De provincie wil, samen met alle belanghebbende partners en partijen, de directe en indirecte maatschappelijke kosten door bodemdaling beperken. Afhankelijk van de lokale omstandigheden, mogelijkheden en maatschappelijke urgentie is dat tegengaan van bodemdaling (mitigeren) of meebewegen (adapteren). De provincie verwacht van gemeenten en anderen dat ze bij locatiekeuzes voor het ontwikkelen van nieuwe woningbouwplannen of andere ruimtelijke ontwikkelingen, de bodemdalingsgevoeligheid van een gebied expliciet meenemen vanwege het toekomstig beheer.

Ook verwacht de provincie dat rekening wordt gehouden met de gevolgen van bodemdaling bij de uitvoering van werken zoals de aanleg van rioleringen en ophoogwerkzaamheden.

Afbeelding 5 Omgevingsvisie Zuid-Holland Kaart 4: Bodemdalingsgevoelig gebied (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl)

16

Recreatietoervaartnet Ter plaatse van de recreatieve vaarverbindingen kan voorzien in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen voor zover: - de ontwikkeling geen beperking oplevert van de recreatieve bevaarbaarheid van de vaarweg rekening houdend met het huidig gebruik; of - de ontwikkeling is gericht op verbetering en versterking van de bevaarbaarheid of de recreatieve waarden van de vaarweg. Voorwaarden Inpassing van zonnevelden nabij recreatieve vaarverbindingen is wel mogelijk, zolang deze de bevaarbaarheid van de vaarweg niet beperken. Regionale waterkeringen / provinciale vaarwegen In de verordening zijn regels opgenomen voor de bescherming van regionale waterkeringen en provinciale vaarwegen. Voor bestemmingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en onderhoud van de regionale waterkeringen mogelijk maken. Nieuwe ontwikkelingen zijn mogelijk zolang er geen belemmeringen ontstaan voor het onderhoud, de veiligheid of de mogelijkheden voor versterking van de regionale kering.

Afbeelding 6 Omgevingsverordening Zuid-Holland Kaart 12: Recreatietoervaartnet (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl)

Voorwaarden Zonnevelden worden niet expliciet benoemd binnen dit thema. Inpassing van zonnevelden nabij recreatieve vaarverbindingen lijkt mogelijk, zolang deze de werking, instandhouding en onderhoud van de keringen niet beperken. Er dient voldoende afstand (beschermingszone/onderhoudszone ter weerszijden van de kering) te worden gehouden. Deze zone verschilt per waterkering en is opgenomen in de vigerende bestemmingsplannen. Ook bij de ‘reguliere’ watergangen dient 2 meter aan weerszijden van de watergang te worden vrijgehouden. Afbeelding 7 Omgevingsverordening Zuid-Holland Kaart 3: Regionale waterkeringen (Bron: Omgevingsverordening)

17

Woningbouwlocaties In de verordening zijn een aantal (grote, buitenstedelijke) woningbouwlocaties aangewezen: plaats

naam locatie

bruto opp in ha

Voorschoten

Duivenvoordecorridor

33 (bebouwing 5)

Voorschoten

Starrenburg III

5

(ontwerp) Natuurbeheerplan 2022

Voorwaarden Deze locaties zijn ongeschikt voor het realiseren van zonnevelden.

Afbeelding 9 Natuurbeheerplan (Provincie Zuid-Holland)

Open grasland (groen) Het leefgebied open grasland is kenmerkend voor de veenweidegebieden van Zuid-Holland: openlandschappen met overwegend grasland, waarvan een substantieel deel vochtig en kruidenrijk is. Het leefgebied wordt doorsneden met fijnmazige watergangen en kent ook enige opgaande begroeiing, zoals beplanting rond erven, pestbosjes, geriefhoutbosjes, opgaande begroeiing langs tiendwegen of bomenlanen. Afbeelding 8 Omgevingsverordening Zuid-Holland Kaart 19: Woningbouwlocaties, bedrijventerreinen en andere stedelijke ontwikkelingen (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl)

Het is het leefgebied van soorten zoals weidevogels, eenden, zwanen en ganzen, die gebaat zijn bij natte, kruidenrijke en open graslanden die laat in

18

het voorjaar worden gemaaid, zodat hun nesten niet worden vernietigd en hun jongen voldoende voedsel vinden om te kunnen opgroeien. Sommige weidevogelsoorten zoals de grutto, zoeken de meest open delen van het landschap en mijden opgaande begroeiing. Andere soorten zoals kievit en wulp, zijn tolerant voor de aanwezigheid van riet of opgaande begroeiing of zijn daar juist bij gebaat, zoals de noordse woelmuis. Ten slotte maken sommige soorten zoals houtduif, torenvalk, roek, kramsvogel en spreeuw, vooral gebruik van dit leefgebied voor het verkrijgen van voedsel en kunnen zij profiteren van beheermaatregelen die voor de andere soorten worden uitgevoerd.

belang hierbij is dat de waterkwaliteit, de hydrologie en de hydromorfologie - de aanwezigheid van nat-droog-gradiënten - toereikend zijn voor dit doel. Voorwaarden In deze gebieden kunnen zonnevelden leiden tot ruimtebeslag, verstoring van natuurwaarden en sterfte van (vogel)soorten. Ontwikkelingen zijn in deze gebieden alleen toegestaan als de effecten gecompenseerd worden.

De ondersteuning vanuit de provincie voor het agrarisch natuur- en landschapsbeheer is gericht op extensivering van het grondgebruik in dit leefgebied. Dit betekent: het verlagen van de beweidings- en verstoringsdruk, het verminderen van bemesting - met name net voor het broedseizoen, later maaien en het verhogen van het waterpeil. De provincie Zuid-Holland heeft een bijzondere verantwoordelijkheid heeft voor de instandhouding van de populaties weidevogels. In deze gebieden kunnen zonnevelden leiden tot ruimtebeslag, verstoring van natuurwaarden en (vogel)soorten. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn in deze gebieden alleen toegestaan als de effecten gecompenseerd worden. Natte dooradering (blauw) Het leefgebied van ‘natte dooradering’ kenmerkt zich door natte elementen binnen het agrarisch cultuurlandschap: sloten, poelen, beken, moerasjes, en plas-dras-percelen. Het grasland is vochtig tot nat, kruidenrijk en met niet te dicht gewas. Voor Zuid-Holland heeft dit leefgebied veel overeenkomsten met het leefgebied ‘open grasland’; het heeft derhalve ook een ondersteunende functie bij het weidevogelbeheer. Het beheer in dit leefgebied is gericht op de condities voor een duurzaam voortbestaan van de soorten waarvoor dit leefgebied is aangewezen. Van

19

Duivenvoordecorridor Voor een aantal gebieden nabij de stad, blijft de provincie kiezen voor behoud van en verdere ontwikkeling tot robuuste groene buffers, die vanuit hun gebiedskwaliteit en gebruikswaarde verstedelijkingsdruk kunnen en moeten weerstaan. Dit betreft Midden-Delfland, IJsselmonde, het Kaaggebied, het Eiland van Dordrecht en Duin, Horst en Weide / Wijk en Wouden. De laatste jaren is er steeds meer aandacht voor de groene potenties van het gebied Duin, Horst en Weide en de mogelijkheden deze te behouden en te versterken. Het ‘Pact van Duivenvoorde’, een samenwerkingsverband van de gemeenten Voorschoten, Wassenaar en Leidschendam-Voorburg, speelt hierin een belangrijke rol. Het richt zich op behoud en versterking van cultuurhistorie, landschap en natuur. Het Pact werkt sinds 2001 aan het behoud en de versterking van de bijzondere kwaliteiten van landschap en bebouwing en richt zich op het verbeteren van de toegankelijkheid van Duin Horst en Weide waar dat kan.

Overzichtskaart 6: Duivenvoordecorridor Afbeelding 10 Cultuurhistorische Hoofdstructuur provincie Zuid-Holland (Bron: Verordening Ruimte)

20

De Duivenvoordecorridor is het landelijk gebied tussen LeidschendamVoorburg en Voorschoten. Het is een unieke locatie door de cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten en de centrale ligging nabij het stedelijk gebied van Den Haag en Leiden.

Uitgangspunt is dat met ontwikkelingen allure aan het landschap wordt toegevoegd. Bij alle ontwikkelingen geldt dan ook dat de lat hoog ligt. Iedere ontwikkeling binnen dit gebied moet kwaliteit uitstralen. Dat geldt niet alleen voor de bebouwing met de bijbehorende tuinen en parken en erfafscheidingen, maar ook voor de ontwikkeling van de openbare ruimte als wegen en paden en de overige ontwikkelingen binnen het landelijk gebied.

De Duivenvoordecorridor is in een convenant, tussen het Ministerie VROM, de provincie Zuid-Holland, de gemeente Voorschoten en de gemeente Leidschendam-Voorburg, uit 2008 als Rijksbufferzone aangewezen. Het beleid in deze zone is erop gericht om dit gebied te transformeren tot relatief grootschalig groen gebied met diverse recreatiemogelijkheden. In het buitengebied van Voorschoten is in de loop van de jaren een verrommeld beeld ontstaan. Dat kwam omdat percelen vol stonden met kassen die het vrije zicht belemmerden. De gemeente werkt samen met partners en initiatiefnemers hard aan de verbetering van het landschap. Bijna alle kassen zijn opgekocht en gesloopt. Hiermee is het landelijke karakter van het gebied al voor een groot deel verbeterd. De bedoeling is dat al het glas verdwijnt wat er nog staat. Zo wordt het groener, krijgen planten en dieren meer kans en het karakteristieke landschap springt weer in het oog. Het gebied is de laatste jaren al een stuk aantrekkelijker en toegankelijker gemaakt voor recreatie. Ook zijn er een aantal woonlocaties aangewezen: Haagwijk, Noortveer, Oranjepolder (Laantje Van Wissen) en Roosenhorst. Beeldkwaliteitplan Alle ruimtelijke plannen binnen de Duivenvoordecorridor worden getoetst door een kwaliteitsteam.

Deze wordt gevormd door de stedenbouwkundigen van de gemeenten, vertegenwoordigers van de beide gemeentelijke welstandscommissies en externe landschapsarchitecten en stedenbouwkundigen. Het beeldkwaliteitplan treedt in de plaats van de welstandsnota van de beide gemeenten en is een aanvulling op de bestemmingsplannen, de notitie ‘Werken aan een vernieuwd historisch landschap’ en de inrichtingsplannen die beide gemeenten voor hun deel van de Duivenvoordecorridor hebben vastgesteld.

21

Regionaal beleid Regionale Energie Strategie (RES) Tijdens de klimaatconferentie van Parijs in 2015 maakten 200 landen internationale klimaatafspraken. In navolging daarvan publiceerde Nederland op 28 juni 2019 het Nationale Klimaatakkoord. Daarin is Nederland opgedeeld in 30 energieregio’s. Elke regio heeft de taak om een RES op te stellen. De RES is een instrument om de ruimtelijke inpassing van de energietransitie met maatschappelijke betrokkenheid te organiseren. De regio legt haar energiedoelstellingen vast met de daarbij behorende planning. Het is aan de gemeenten om te besluiten hoe de RES een plaats krijgt in het eigen omgevingsbeleid. Voorschoten valt binnen de RES van regio Holland Rijnland. Deze RESregio bestaat uit 13 gemeenten, de provincie Zuid-Holland, de Omgevingsdienst West-Holland, het hoogheemraadschap van Rijnland en netbeheerder Liander. De zoekgebieden die in het RES 1.0 proces zijn opgenomen zijn ongeschikt, zowel vanuit ruimtelijk als vanuit beleidsmatig oogpunt. De raad heeft ingestemd met de RES 1.0 en heeft daarbij een amendement aangenomen dat via een haalbaarheidsonderzoek de (on)mogelijkheden in Voorschoten verder onderzocht worden. • Het zoekgebied aan de N448 is ongeschikt omdat het dwars in de Duivenvoordecorridor ligt en inpassing in het landschap niet mogelijk is zonder de openheid van het landschap aan te tasten.

• Het zoekgebied aan de N447 is ongeschikt omdat in het kader van de Duivenvoordecorridor de afgelopen jaren kassen zijn gesaneerd en vervangen door beperkte woningbouw en open graslanden. Het plaatsen van zonnepanelen op een plek waar recent glas verwijderd is past niet binnen die afspraken ‘Glas voor gras’.

Afbeelding 11 RES 1.0 Kaart (Bron: wijzijnon.nl)

PlanMER Het planMER helpt om de effecten van de voorgenomen ontwikkelingen op het milieu zichtbaar te maken. Zo brengt het planMER de gevolgen voor onder meer het landschap, de natuur en de leefomgeving in beeld. Door voor RES Holland Rijnland een planMER op te stellen, komen vroegtijdig de keuzemogelijkheden in de regio in beeld en kunnen de verschillende belangen tegen elkaar worden afgewogen. Voor zonneparken worden in het planMER natuur, landschap, cultuurhistorie, archeologie en ruimtegebruik genoemd als maatgevende criteria.

22

In de RES worden een aantal randvoorwaarden benoemd. Een van deze randvoorwaarden luidt: • De beperkingen die voortkomen uit bestaand of voorgenomen beleid door het Rijk, provincie en gemeenten vragen aanpassing. Hiervoor is bereidheid nodig om deze beperkingen in overleg weg te nemen. Het meer of minder loslaten van al deze beperkingen in onze regio, is een politieke afweging. Handhaving van de huidige situatie resulteert in een bod dat evenredig met de beperkingen wordt verlaagd.

RES Rotterdam Den Haag

Afbeelding 13 Zoekgebieden voor 2030 (Bron: RES 1.0 Rotterdam Den Haag)

Afbeelding 12 Beoordelingskaart zonne-energie (Bron: Samenvatting PlanMER RES Holland Rijnland)

Afbeelding 14 Overzichtskaart kansen o.b.v. ruimtelijk beleid uit NOVI en POVI voor zoekgebieden zon (Bron: RES 1.0 Rotterdam Den Haag)

23

Natuurlijke Leefomgeving - Hart van Holland (juli 2019) De wens om middels een integrale benadering tot nieuwe inzichten te komen, heeft geleid tot het rapport “Natuurlijke Leefomgeving Hart van Holland 2040”. Hierin wordt de gezamenlijke koers voor de ontwikkeling van de natuurlijke leefomgeving beschreven voor het grondgebied van veertien gemeenten: Teylingen, Kaag en Braasem, Katwijk, Oegstgeest, Leiden, Leiderdorp, Wassenaar, Voorschoten, Zoeterwoude, Noordwijk, Hillegom, Lisse, Alphen aan den Rijn en Nieuwkoop. De boodschap van de visie is dat de natuurlijke leefomgeving de basis zou moeten zijn voor alle claims die er op het landelijk gebied worden gelegd. Dus uitgaan van en behoud van de landschappelijk belangrijke identiteiten als basis voor verstedelijking, infrastructuur etc. en niet ten koste van. Natuurlijke leefomgeving is gedefinieerd als de opgaven en ambities die verband houden met onderwerpen als landschap, groen, water, biodiversiteit en bodemdaling. Deze aspecten zijn met elkaar verweven en er is sprake van afhankelijkheid met het stedelijk gebied.

Afbeelding 15 Leidende principes (Bron: Natuurlijke Leefomgeving Hart van Holland)

24

De beperkt beschikbare ruimte, de beschermde dorpsgezichten en andere cultuurhistorisch waardevolle structuren en elementen vragen om creativiteit bij het verduurzamen van de gemeente. De landschappelijke inpassing van zonneweiden en windmolens is lastig. In regionale samenwerking worden de mogelijkheden voor een duurzame energievoorziening en innovaties verkend.

Gemeentelijk beleid Structuurvisie Voorschoten 2025 Op 9 maart 2017 heeft de gemeenteraad de structuurvisie 'Voorschoten 2025 Groen, veilig en betrokken' vastgesteld. De structuurvisie geeft de nut en noodzaak aan van het duurzaam behoud van Voorschoten voor volgende generaties met ruimte voor nieuwe ontwikkelingen. Voor het duurzaam behoud van het dorpse karakter van Voorschoten gelden de volgende pijlers: groen, veilig en betrokken. De duurzame organische ontwikkeling van het dorpse karakter speelt een rol bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het dorpse karakter is van groot belang voor Voorschoten. Het dorpse karakter behouden betekent in ieder geval: geen hoogbouw, kleinschaligheid is de maat, wijken worden door doorzichten en routes verbonden met het centrum, bebouwing is afwisselend, het sociale netwerk wordt ondersteund door maatschappelijke voorzieningen op wijkniveau, behoud van de groene structuur in en rondom Voorschoten, het behoud van de groene landgoederen, behoud van zichtlijnen in de Duivenvoorde corridor, geen aantasting van de cultuurhistorische structuren en het meewegen van de cultuurhistorische elementen bij ontwikkelingen. De gemeente streeft bij ruimtelijke (her)ontwikkelingen naar slim meervoudig ruimtegebruik (combineren van functies), waar innovatieve oplossingen voor duurzame energie in zijn geïntegreerd.

Bij slim ruimtegebruik wordt het ruimtebeslag beperkt waarbij in verband met klimaatadaptatie zo weinig mogelijk verharding/ verstening optreedt ten gunste van het waterbergend vermogen. Op deze manier worden bestaande groene en cultuurhistorische waarden en kwaliteiten zo min mogelijk bedreigd. Slim ruimtegebruik betekent ook het optimaal benutten van de potentie en kwaliteiten van de ondergrond.

Afbeelding 16 Visiekaart Voorschoten 2025 Groen, veilig en betrokken (Bron: Structuurvisie Voorschoten 2025)

25

Groenstructuurvisie

De ambitie is het behouden en ontwikkelen van een duurzame groen- en waterstructuur die aansluit op cultuurhistorische, landschappelijke en architectonische waarden. Dit geldt voor het hele gemeentelijk grondgebied.

Voorschoten hecht grote waarde aan de kwaliteit van de leefomgeving. De gemeente heeft daarom in 2009 een Groenstructuurvisie opgesteld, waarin onder meer de plannen staan voor de ontwikkeling, het behoud en het beheer van het groen. Vervolgens heeft een herijking op twee onderwerpen plaatsgevonden: de projectgebieden en snippergroen. Dit heeft geleid tot het stuk ‘Evaluatie van de Groenstructuurvisie’. Deze is medio 2013 door de raad vastgesteld. In de Evaluatie zijn kaders neergelegd waarbinnen ruimtelijke ontwikkelingen in enkele projectgebieden kunnen plaatsvinden. Ook is het beleid voor de verkoop van groenstrookjes geactualiseerd. De Evaluatie is een aanvulling op de Groenstructuurvisie.

Kadernota Erfgoed 2013-2017

De Groenstructuurvisie richt zich voornamelijk op de bebouwde kom van Voorschoten. Voor Voorschoten met haar landgoederen, groene zomen, parken, groene lijnen, groenzones en het groen in de wijken biedt de visie een belangrijk kader. Voor het buitengebied ligt het beleid vast in de Structuurvisie Voorschoten. De Groenstructuurvisie beschermt en ontwikkelt drie onderdelen van het groen die de structuur, het karakter en het beeld van Voorschoten bepalen: - De hoofdgroenstructuur; - De wijkgroenstructuur; - De beschermwaardige bomen, die zowel binnen als buiten de eerder genoemde structuren voorkomen.

Afbeelding 17 Samenhang erfgoedbeleid gemeente Voorschoten (Bron: Kadernota Erfgoed)

Het doel van het erfgoed beleid is om op een zorgvuldige en afgewogen wijze het cultuurhistorisch erfgoed in goede staat door te geven aan volgende generaties, zodat ook zij daar voor hun toekomst op kunnen voortbouwen en het kunnen blijven zien, beleven en ervaren. Het Voorschotens erfgoedbeleid is samen te vatten in de volgende punten: 1. Het behoud van het erfgoed als onlosmakelijk deel in het ruimtelijk beleid integreren; 2. Erfgoed als inspiratiebron, katalysator en toetssteen vooraan in het proces betrekken bij ruimtelijke beleid en andere relevante beleidsdoelen;

Van belang is het in stand houden en versterken van de hoofdgroenstructuur en de wijkgroenstructuur. Verder gaat het om het vasthouden van de structuur van polders en groene buffers aan alle kanten van Voorschoten. Het gaat daarbij om de groene zone langs het spoor, Papenwegsepolder en de Duivenvoordecorridor De landgoederen, weidegebieden, parken en groenzones binnen de bebouwde kom vormen het decor voor het groene lint dat loopt over de structuur van de Veurseweg-Leidseweg en de hoofdroutes van de wijken richting het buitengebied.

26

•

3. Bij gebouwd erfgoed inzetten op functieverandering en herbestemming met behoud van de belangrijkste karakteristieken, waar ontwikkelingen daar om vragen; 4. De hoogste prioriteit geven aan de instandhouding van erfgoed dat vanwege de intrinsieke en ruimtelijk kwaliteiten van essentieel belang is voor de identiteit en karakteristiek van Voorschoten; 5. Het beleid praktisch en makkelijk hanteerbaar te maken met een minimum van regels en zo veel mogelijk binnen bestaande wet- en regelgeving; 6. Bij de uitvoering van het beleid het belang van het erfgoed, en de eigen verantwoordelijkheid van de eigenaar voor zijn monument centraal stellen; 7. Bij (dreigende) leegstand wordt gestimuleerd om eerst herbestemming te onderzoeken, voordat sloop wordt overwogen; 8. Waar instandhouding van erfgoed niet mogelijk is of om zwaarwegende redenen niet wenselijk is, laten we het niet ongekend verloren gaan, maar wordt het goed gedocumenteerd; 9. Een platform bieden voor het vergroten, verzamelen en overdragen van kennis van materieel en immaterieel erfgoed; 10. Samenwerking zoeken met andere partners, vrijwilligers en beleidsvelden; 11. Kennis over erfgoed en de bewoningsgeschiedenis uitdragen naar de inwoners.

•

•

de deregulering als gevolg van een nadere uitwerking van de beperkte ministeriële adviesplicht voor rijksmonumenten; de inschakeling van de Commissie Welstand en Cultureel Erfgoed als onafhankelijk adviesorgaan dat adviseert over de toepassing van de Monumenten- en Erfgoedwet, deze verordening en het gemeentelijk erfgoedbeleid; het instellen van en het eisen stellen aan archeologisch (en overig cultuurhistorisch) onderzoek.

Archeologienota 2013 In 2014 hebben de gemeenten Leidschendam-Voorburg, Wassenaar en Voorschoten het archeologiebeleid herijkt in de ‘archeologienota herijking 2013’. De Nota archeologie vormt een globaal overzicht van het archeologische erfgoed van de pactgemeenten en de beleidsregels ten aanzien van de omgang met het archeologische bodemarchief worden geformuleerd. De archeologische beleidskaart toont de globale archeologische waarde en verwachting per (soort) gebied met de daarbij behorende beleidsregels. De bodem van de Gemeente Voorschoten is rijk aan archeologische waarden. Veel daarvan zijn echter nog niet of maar ten dele bekend. Bij gebieden waar de waarden niet bekend zijn, maar waar de bodemopbouw de aanwezigheid van archeologische waarden mogelijk maakt, wordt gesproken van een archeologische verwachting. Op de kaart wordt vermeld welke eventuele beperkende maatregelen van toepassing zijn en welk archeologisch onderzoek bij bodem verstorende activiteiten verplicht is gesteld. De gemeente Voorschoten voert een actief beleid om de bekende archeologische waarden binnen de gemeentegrenzen te actualiseren indien er nieuwe of aanvullende gegevens bekend worden.

Erfgoedverordening Voorschoten 2016 In de Erfgoedverordening Voorschoten 2016 staan regels waarmee het cultureel erfgoed binnen de gemeente kan worden behouden, beschermd en beheerd. De hoofdpunten die in de verordening worden geregeld zijn: • de aanwijzing van een onroerende zaak of terrein tot gemeentelijk monument; • het vergunningenstelsel voor gemeentelijke en rijksmonumenten; • het dereguleren van o.a. klein onderhoud en ondergeschikte wijzigingen aan gemeentelijke monumenten;

27

Structuurvisie Cultuurhistorie 2013-2028 De Structuurvisie Cultuurhistorie vormt een afwegingskader voor beleid en ontwikkelingen op het gebied van ruimtelijke ordening van cultuurhistorie. Deze visie sluit aan bij het bestaande beleid van de gemeente en hogere overheden. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de algemene Erfgoedvisie die er op is gericht dat er op een zorgvuldige en afgewogen wijze met het cultureel erfgoed wordt omgegaan. De Structuurvisie beschrijft een aantal cultuurhistorische kernkwaliteiten, die vertaald zijn in een aantal structuren. Het gaat daarbij om het water, groen en de gebouwde elementen en structuren en voorzien van beleidslijnen. Deze beleidslijnen zijn de richtlijnen ontwikkeling en uitvoering van ruimtelijke plannen binnen de gemeente. De relevante kwaliteiten met bijbehorende beleidslijnen zijn hieronder opgesomd.

•

•

erfgoedlijn beschermen, ontwikkelen en benutten voor ruimtelijke kwaliteit, en de historische infrastructuur naar de Vliet versterken voor het benutten van de recreatieve potentie van de Vliet en de Vlietlanden. Lijn 4 Streven naar behoud van de typerende diversiteit in typologieën van gebouwen en behoud van veelal water gerelateerde functiedifferentiatie en de traditionele combinatie wonen-werken langs de Vliet. Lijn 5 Bij herbestemming en herontwikkeling rekening houden met het uitgangspunt om de historische, functionele relatie van de bebouwing met de Vliet zo veel mogelijk te continueren.

2. Karakteristiek geometrisch ingericht polderlandschap met sloten, weteringen en agrarische kleine elementen als bruggen, hekken en schuurtjes.

1. Historische structuur van noord-zuid lopende landwegen en een enkele oost-west verbinding, gecombineerd met een fijnmazig stelsel aan waterwegen tussen de Vliet en de weteringen in het westen van de gemeente.

Beleidslijnen • Lijn 1 Beschermen, behouden en versterken van de aanwezige waarden in het provinciale topgebied cultureel erfgoed Duivenvoordse en Veenzijdse polder. Lijn 2 Behouden en versterken van de openheid en landelijke identiteit van het polderlandschap. • Lijn 3 Molen De Knip: beschermen, behouden en versterken van de molenbiotoop, zowel qua windvang als qua openheid van het landschap. • Lijn 4 Nieuwe ontwikkelingen moeten in positieve mate bijdragen aan of ingepast worden in het karakteristieke landschapsbeeld en bij de kenmerkende landschapsstructuur. • Lijn 5 Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen de historische (structuur)lijnen in het polderlandschap als uitgangspunt; dit geldt voor alle historische (groenblauwe) lijnen en ensembles. Er moet aantoonbaar sprake zijn van rekening houden met de kernwaarden/kwaliteiten, waarbij de visuele en ruimtelijke effecten, in het bijzonder het effect op de openheid, onderzocht dienen te worden.

Beleidslijnen • Lijn 1 In stand houden en versterken van historisch-ruimtelijke dragers en de historische gelaagdheid die direct voortkomen uit de (geomorfologische) ontstaansgeschiedenis en ontwikkelingsgeschiedenis van Voorschoten. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen deze historische landschapskenmerken als uitgangspunt. • Lijn 2 Het herstellen en/of verbeteren van de historische koppeling via vaarsloten van de Vliet met het centrum, buitenplaatsen en boerderijen, en de lanen van de boerderijen en buitenplaatsen naar de Veurseweg/Leidseweg, waardoor deze kenmerkende structuren beleefbaar worden of blijven. • Lijn 3 De Vliet, inbegrepen de cultuurhistorisch waardevolle elementen die als een functioneel en visueel kralensnoer langs de Vliet liggen, als

28

4. Een lommerrijk buitenplaatsenlandschap: a. Binnen de bebouwde kom: lommerrijke, parkachtige groengebieden met landhuizen in verbijzonderde architectuur en bijgebouwen die ondersteunend aan het ensemble zijn; b. Buiten de bebouwde kom: afwisseling van weilanden en groene bosjes, solitair geplaatste bomen en hakhoutbossen rondom een lommerrijk, parkachtig groengebied met een architectonisch verbijzonderd landhuis met bijgebouwen.

•

beschermde zone worden hoge eisen gesteld aan kwaliteit en uitstraling, waarbij de toetsing plaatsvindt op het hoogste welstandniveau. Lijn 6 Bij herbestemmingen dient tevens aantoonbaar sprake te zijn van behoud of verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Hierbij worden hoge eisen gesteld aan kwaliteit en uitstraling, waarbij de toetsing plaatsvindt op het hoogste welstandniveau.

5. Groene buffers in de vorm van weilanden, parken en plantsoenen. Beleidslijnen • Lijn 1 Handhaven en versterken van het groene karakter van het dorp door lanen als groene aders de verbindende schakels te laten vormen tussen de landgoederen. • Lijn 2 Landgoederen en parken beschouwen als ecologische hoekstenen en hun recreatief-toeristische waarde benutten. • Lijn 3 Behoud van de groene en open elementen en structuren, zoals weilanden, parken, parkbossen en plantsoenen. • Lijn 4 Bij ontwikkelingen staat het behoud van de groene buffers voorop. Verbindende schakels mogen daarbij niet doorbroken worden. Elementen en structuren van de Groene Hoofdstructuur9 mogen alleen ontwikkeld worden indien aantoonbaar sprake is van behoud van cultuurhistorische waarden en/of verbetering van de ruimtelijke kwaliteit.

Beleidslijnen • Lijn 1 Binnen de beschermde landgoederenzone beschermen, behouden en versterken van de uitzonderlijke kwaliteit van het buitenplaatslandschap conform de richtlijnen van de provincie, dat het gebied als kroonjuweel heeft aangemerkt. • Lijn 2 De buitenplaatsbiotopen en de zichtlijnen van Berbice, Beresteyn, Bijdorp, Duivenvoorde, Ter Wadding en Ter Horst beschermen, behouden en versterken. • Lijn 3 Handhaven, versterken en onderling verbinden van de bestaande parken en landgoederen als groene oases in en rondom het dorp. • Lijn 4 Via lommerrijke lanen, die de landgoederen aan elkaar koppelen en tegelijkertijd de dorpse bebouwing compartimenteren, losgelegen percelen met een groenbestemming met elkaar verbinden voor de realisatie van het gewenste lommerrijke karakter. Tevens zoveel mogelijk behouden van de karakteristieke laanbeplanting alsmede het wegprofiel van de oprijlanen. • Lijn 5 Verdichting van de bebouwing binnen de beschermde landgoederenzone is alleen mogelijk via de ‘Ja-mits-benadering’. Alleen mits hiervoor een adequate ruimtelijk-historische onderbouwing opgesteld is en er aantoonbaar sprake is van behoud van de cultuurhistorische waarden en behoud of verbetering van de ruimtelijke kwaliteit wordt hieraan meegewerkt. Bij bouwen binnen de

29

Van glas naar gras (2008) Het is de wens van de Gemeente Voorschoten en Stichting Duivenvoorde om de openheid, de landschappelijke en ecologische kwaliteit en de recreatieve betekenis van het landelijk gebied tussen LeidschendamVoorburg en Voorschoten waar mogelijk te versterken en daarmee ook de omgeving van het landgoed Duivenvoorde nieuwe luister bij te zetten. Het omvormen van verouderde glasopstanden is daartoe de afgelopen jaren een eerste middel geweest.

Afbeelding 18 Situatie met glas en situatie gras voor glas (Bron: Rapport ‘Van glas naar gras’)

30

Welstandsnota Voorschoten (2008)

Bestemmingsplannen (zie hoofdrapport uitgangspunten) • Buitengebied (2010) • Centrum (2012) • Voorschoten Oost (2012) • Noord (2012) • Bestemmingsplan West (2013) • Bestemmingsplan Dobbewijk (2012) • Landgoederen en sportvelden (2012) • Overige kleine bestemmingsplannen

De welstandsnota is een document waarin de uitgangspunten voor het welstandstoezicht en alle welstandcriteria zijn opgenomen. Het welstandsbeleid is opgesteld vanuit de overtuiging dat de lokale overheid het belang van een aantrekkelijk gebouwde omgeving dient te behartigen. De gevels van gebouwen en andere bouwwerken vormen samen de dagelijkse leefomgeving van de mensen in Voorschoten. Met het welstandsbeleid wil de gemeente streven naar het behouden en waar nodig versterken van de aanwezige ruimtelijke kwaliteiten. In de welstandsnota zijn zowel gebiedsgerichte als objectgerichte welstandscriteria opgenomen.

Afbeelding 19 Gebiedsindeling welstandsbeleid (Bron: Welstandsnota 2008)

voor

locatie-specifieke

Afbeelding 20 Zonering landgoederen (Bron: Bestemmingsplan Landgoederen en sportvelden)

31

e-mail: kuiper@kuiper.nl www.kuiper.nl Van Nelle Ontwerpfabriek Gebouw Thee 0 Van Nelleweg 3042 3044 BC Rotterdam T 010 433 00 99 F 010 404 56 69

Amendement 123

Onderwerp: Raadsvoorstel Vaststellen Regionale Energie Strategie (RES) 1.0 Holland Rijnland (Z/20/042310/241404)

De raad van de gemeente Voorschoten in zijn vergadering bijeen d.d. 9 juni 2021

gezien het Raadsvoorstel Vaststellen Regionale Energie Strategie (RES) 1.0 Holland Rijnland (het “Raadsvoorstel”), Constaterende: 

dat

in

de

RES

1.0

voor

Voorschoten

twee

zoekgebieden,

gelegen

in

de

Duivenvoordecorridor en Papenwegsepolder, voor zonnevelden zijn aangegeven langs de uitvalswegen naar Leidschendam en Wassenaar; 

de Duivenvoordecorridor een beschermde status heeft en de Papenwegsepolder een gebied is waar weidevogels broeden;

 

deze gebieden verder van waarde zijn voor het karakter van Voorschoten; omvangrijke investering zijn gedaan deze gebieden te behouden.

Overwegende: 

een haalbaarheidsonderzoek in beschermde gebieden uitvoeren naar zonnevelden een verkeerd signaal naar inwoners en partners binnen de RES geeft;

een haalbaarheidsonderzoek uitvoeren naar realisatie van werken welke in strijd zijn

met vigerend omgevingsbeleid verspillen van toch al beperkte middelen en capaciteit betekent; 

dat het instemmen met de RES 1.0 het instemmen met de zoekgebieden inhoudt en derhalve vigerend omgevingsbeleid op een later moment niet kan worden gebruikt

als argument tegen het realiseren van zonnevelden in de Duivenvoordecorridor en de Papenwegsepolder; 

dat het college zich duidelijk dient uit te spreken dat het plaatsen van zonnevelden in de Duivenvoordecorridor en de Papenwegsepolder geen optie is voor Voorschoten;

dat onderzoek naar alternatieve locaties evenwel kan worden verricht.

Besluit: Het Raadsvoorstel als volgt te wijzigen: -

-

Beslispunt 2 te vervangen door het college de opdracht te geven de haalbaarheid van

zonnevelden in Voorschoten te onderzoeken met uitzondering van de gebieden die in de Duivenvoordecorridor en de Papenwegsepolder liggen;

een nieuw Beslispunt 3 in te voegen met als tekst: het college opdracht te geven aan Holland Rijnland te communiceren dat aanleg van zonnevelden in de

Amendement 123

Duivenvoordecorridor en de Papenwegsepolder zoals aangegeven in de zoekgebieden -

in de RES 1.0 niet mogelijk is;

Beslispunten 3 en 4 te hernummeren tot Beslispunten 4 en 5.

Ondertekening en naam: B. Reinke (VVD)

M. Persoon (VLS)

C. Bremmer (CDA)

G. Zeelt (ONS Voorschoten) J. Bos (GroenLinks) J. Schroot (D66)

Aantekening griffier: het amendement is zonder stemming aangenomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duivenvoorde&id=78842e56-00a7-43a4-bf71-141241b96585