Bijlage 9 Second opinion - Oprichting van een regionaal publiek integraal warmtebedrijf voor de Leidse warmteregio (Berenschot)
Tekst van het document
De
meeste
middentemperatuurwarmtenetten
houden
rekening
met
een
warmteverlies tussen de 20% en 30%. Door warmteverlies in de leidingen moet er meer warmte geproduceerd worden dan er warmtevraag is vanuit de huishoudens. De bijbehorende kosten moeten ingecalculeerd worden. Op basis van de huidige businesscase konden wij niet valideren of warmteverlies was meegenomen. Wij hebben contact met Rebel opgenomen. Rebel heeft aangegeven dat het warmteverlies wel is meegenomen, maar dat dit verwerkt is in de inputgegevens van Greenvis. Dit kunnen wij niet controleren en we zien warmteverlies ook in de inputgegevens van Greenvis niet expliciet als factor terugkomen. Wij adviseren (door te voeren): 5. Controleer in hoeverre en op welke manier warmteverlies door transport is verwerkt in de input van Greenvis en maak deze kosten transparant in de businesscase. 6. Neem een expliciete factor voor warmteverlies op in de modellering om mogelijke onderschatting van kosten te voorkomen. Mogelijk kan het warmteverlies door transport ook opgenomen worden in de gevoeligheidsanalyse.
5.3.1.4
Administratie-, beheer- en overheadkosten worden niet gemodelleerd in de pre-exploitatiefase
In de huidige doorrekening wordt gerekend met € 75 per aansluiting per jaar voor administratie- en beheerkosten, en € 100 per aansluiting per jaar voor overhead. Deze uitgangspunten lijken op zichzelf realistisch en passend voor de exploitatiefase van het warmtenet. Wat echter onderbelicht blijft, zijn de kosten die gemaakt worden in de aanloop naar de eerste aansluitingen – de zogenoemde pre-exploitatiefase. In deze fase, waarin het warmtebedrijf recent is opgericht, moeten veel processen voor het eerst worden ingericht: van het opzetten van de organisatie en het aantrekken van personeel tot het ontwikkelen van systemen, procedures en samenwerkingsstructuren.
Pagina 47 van 65
Dit vraagt om een relatief hoge inzet van menskracht en expertise, wat zich vertaalt in substantiële kosten, nog voordat er sprake is van inkomsten uit aansluitingen. In de huidige modellering worden overhead-, beheer- en administratieve kosten pas meegenomen vanaf het moment dat de eerste woningen worden aangesloten. Daarmee ontstaat het risico dat de werkelijke kosten in de preexploitatiefase worden onderschat, terwijl deze fase juist cruciaal is voor het succesvol opstarten van het project. Als deze aanloopkosten niet expliciet worden meegenomen in de businesscase, ontstaat een vertekend beeld van de financiële haalbaarheid en kan dit leiden tot onderschatting van de benodigde financiering in de eerste jaren. Wij adviseren daarom (door te voeren): 7. Neem een aparte kostenpost voor de pre-exploitatiefase (organisatie-inrichtingskosten) op in de businesscase. 8. Zorg dat deze kosten realistisch worden ingeschat en gecommuniceerd om verrassingen in de financieringsbehoefte te voorkomen. De kosteninschatting is in het globaal ontwerp gemaakt en komt neer op € 17 miljoen. Op dit moment zijn deze kosten nog niet meegenomen in de businesscase zoals opgesteld door Rebel.
5.3.1.5
Investeringen per WEQ
Doordat de CAPEX-investeringen niet zijn uitgesplitst naar de verschillende aansluitingen (woningen, utiliteiten en centrale aansluitingen) is het niet mogelijk om een CAPEX-investering per WEQ te berekenen. In vergelijkbare warmtenetprojecten zien wij dat de CAPEX-investering per WEQ rond de € 15.000 ligt. In het model is een aanzienlijke post voor onvoorziene kosten opgenomen, ter grootte van 40% van de totale investering. Hoewel dit op het eerste gezicht een ruime buffer lijkt, blijkt bij nadere beschouwing dat een deel van deze onvoorziene kosten al is ingevuld met concrete posten. Hierdoor is de daadwerkelijke ruimte voor onvoorziene risico’s beperkter dan het percentage doet vermoeden. Dit alles maakt het relevant om kritisch te kijken naar de onderbouwing van de CAPEX en de wijze waarop risico’s en onzekerheden zijn verwerkt in het model. Wij adviseren (door te voeren): 9. Analyseer de onderliggende aannames van de investeringskosten en identificeer mogelijkheden om deze te reduceren. In deze second opinion zijn de aannames van Greenvis niet getoetst. 10. Hernieuw de berekening van ‘onvoorziene kosten’ en zorg ervoor dat deze post volledig beschikbaar blijft voor echte risico’s en onzekerheden.
5.3.2
Ambitieuze aannames over inkomsten
Verder hebben we ook gekeken naar aannames in de businesscase die invloed hebben op de inkomsten van het warmtebedrijf. We identificeren drie aandachtspunten.
5.3.2.1
Ambitieuze aangenomen aansluitsnelheid
In de businesscase voor het warmtenet wordt uitgegaan van een ambitieus aansluittempo. In sommige jaren (2034 en 2035 bijvoorbeeld) moeten er circa 7.000 woningen worden aangesloten. Dit is opvallend ambitieus, gelet op de huidige (2023) landelijke realisatiecapaciteit van 11.000 woningen per jaar.8 Dat betekent dat dit project in sommige jaren bijna 70% van de totale landelijke uitvoeringscapaciteit zou moeten benutten.
De Algemene Rekenkamer. Een koud bad voor warmtenetten (2025), via: https://www.rekenkamer.nl/publicaties/rapporten/2025/02/04/een-koud-bad-voor-warmtenetten. 8
Pagina 48 van 65
Het is aannemelijk dat de uitvoeringscapaciteit voor de aanleg van warmtenetten groeit, de vraag naar uitvoeringscapaciteit zal echter ook groeien. Als beoogde aansluitingen niet op tijd gerealiseerd kunnen worden, heeft dat directe gevolgen voor de financiële prestaties van het project. Minder aansluitingen betekent minder inkomsten uit warmtelevering, terwijl de vaste kosten van de infrastructuur grotendeels gelijk blijven. Wij adviseren (door te voeren): 11. Modelleer alternatieve scenario’s met meer gematigde aansluittempo’s en schat de impact daarvan in op de kasstromen en financiële haalbaarheid. 12. Houd rekening met de landelijke realisatiecapaciteit en marktontwikkelingen bij het bepalen van de jaarlijkse aansluitcapaciteit.
5.3.2.2
Het risico van vertraagde realisatie aansluitingen is niet gemodelleerd
In de huidige businesscase wordt uitgegaan van een strak gepland aansluittempo, waarbij jaarlijks een
bepaald
aantal
woningen
wordt
aangesloten
op
het
warmtenet.
Hoewel
in
de
gevoeligheidsanalyse wordt doorgerekend wat de financiële impact is van een lager totaal aantal aansluitingen, wordt er nog geen inzicht gegeven in het effect van vertraagde aansluitingen – waarbij het aantal aansluitingen wel wordt gerealiseerd, maar later dan gepland. Dit is een belangrijk onderscheid. Wanneer aansluitingen worden uitgesteld, schuiven de bijbehorende inkomsten uit warmtelevering mee, terwijl een groot deel van de kosten – zoals investeringen in infrastructuur, organisatie en vaste lasten – al eerder wordt gemaakt. Hierdoor ontstaat een tijdelijke maar potentieel aanzienlijke negatieve kasstroom, wat de liquiditeitspositie en het rendement van het project onder druk kan zetten. Zeker in de eerste jaren van exploitatie, waarin het project nog niet op volle schaal draait, kan dit leiden tot financieringsknelpunten of een lagere interne rentabiliteit (IRR). Wij adviseren (door te voeren): 13. Neem in de businesscase scenario’s op waarin realisatie van aansluitingen wordt vertraagd, maar het totale aansluitingen gelijk blijft. 14. Maak inzichtelijk hoe vertragingen de kasstromen beïnvloeden en stel mitigerende maatregelen op, zoals het faseren van investeringen of het reserveren van extra middelen. Zo wordt de businesscase robuuster en beter bestand tegen realistische uitvoeringsrisico’s.
5.3.2.3
De hoge participatiegraad van woningen is meegenomen zonder nadere onderbouwing
De hoge participatiegraad zien wij als één van de grootste risico’s in deze businesscase. We begrijpen dat het hier gaat om een voorlopige businesscase en dat verdere uitwerking en verdieping nog zullen plaatsvinden. Desondanks willen we nu al meegeven dat de gehanteerde participatiegraden van 80% voor woonwijken en 50% voor bedrijventerreinen een absolute overschatting zijn, zeker gezien de huidige aannames. De gevoeligheidsanalyse laat zien dat een daling van slechts 10 procentpunt in de participatiegraad een aanzienlijke negatieve impact heeft op de financiële haalbaarheid van het project. Een hoge participatiegraad achten wij alleen realistisch als deze goed onderbouwd kan worden. We onderscheiden twee belangrijke aannames die zo’n hoge participatiegraad kunnen onderbouwen: 1) de inzet van beleidsinstrumenten en 2) de betaalbaarheid voor de eindgebruikers.
Pagina 49 van 65
Inzet beleidsinstrument: aanwijsbevoegdheid Wat betreft de inzet van beleidsinstrumenten is nog niet vastgesteld dat gemeenten gebruikmaken van
het
Besluit
gemeentelijke
instrumenten
warmtetransitie
(Bgiw),
dit
wordt
in
de
kwartiermakersfase verder uitgezocht. Met dit besluit hebben gemeenten de mogelijkheid om wijken aan te wijzen waar aardgaslevering stopt. Zonder deze aanwijzingsbevoegdheid is deelname van bewoners vrijwillig en sterk afhankelijk van de mate waarin het aanbod als betaalbaar en aantrekkelijk wordt ervaren. Ook wanneer de aanwijsbevoegdheid wordt ingezet, is het belangrijk om te onderkennen dat dit een langdurig juridisch en bestuurlijk traject is. De inzet ervan garandeert niet direct een snelle toename van het aantal aansluitingen. Het is zelfs niet uit te sluiten dat het proces kan leiden tot vertraging in de realisatie, waardoor de snelheid waarmee bewoners daadwerkelijk worden aangesloten op het warmtenet onder druk kan komen te staan. Betaalbaarheid voor eindgebruikers: NMDA-principe of kostprijs+ Het andere aspect dat de participatiegraad kan onderbouwen is de betaalbaarheid voor de eindgebruiker. Zolang de betaalbaarheid niet overtuigend is aangetoond, is het onzeker of deze hoge participatiegraden realistisch zijn. In de businesscase wordt uitgegaan van de door de ACM vastgestelde maximumtarieven voor warmte. Dit zien we vaker terug in vergelijkbare businesscases en is op zichzelf niet ongebruikelijk. Wij benoemen hier echter twee aandachtspunten bij: •
Ten eerste: de ACM-tarieven bieden een helder en wettelijk kader en zijn gebaseerd op het zogenoemde ‘niet-meer-dan-anders’-principe, waarbij de kosten voor warmtegebruikers niet hoger mogen zijn dan die van een gemiddeld huishouden met een gasgestookte cv-ketel. Tegelijkertijd merken we op dat het hanteren van deze maximumtarieven in de praktijk niet altijd leidt tot een aantrekkelijk aanbod voor eindgebruikers. De totale jaarlijkse kosten voor warmtegebruikers kunnen nog steeds substantieel zijn, zeker in vergelijking met alternatieven zoals individuele warmtepompen of hybride systemen. In veel gevallen ervaren bewoners het aanbod op basis van ACM-tarieven dan ook niet als financieel aantrekkelijk, wat de vrijwillige deelname aan het warmtenet kan beïnvloeden.
•
Ten tweede is het NMDA-principe niet toekomstbestendig. Hoewel het NMDA-principe op dit moment gebruikt wordt als methode om tarieven te kunnen bepalen, zal deze methodiek de komende jaren vervangen worden door de kostprijs+-methode die vanuit de Wcw wordt verplicht. Tarieven die volgen uit het NMDA-principe zijn daarmee niet toekomstbestendig. In de businesscase is al een methode opgenomen om de kostprijs+-tarieven door te rekenen, hetgeen wij verstandig achten.
Wij adviseren (door te voeren): 15. Modelleer scenario’s met lagere participatiegraden en maak de financiële impact daarvan inzichtelijk. 16. Versterk de onderbouwing van de participatiegraad door aannames te baseren op concrete beleidsinstrumenten (zoals het Bgiw) en betaalbaarheid.
Pagina 50 van 65
5.3.3
Het ontbreken van specifieke technische informatie zorgt voor onvolledig inzicht
Tot slot zien we dat specifieke informatie over twee technische aspecten ontbreekt in de businesscase.
5.3.3.1
Specifieke informatie over beschikbare bronnen ontbreekt
In de huidige businesscase is het nog niet duidelijk welke specifieke bronnen (delen van) het warmtenet op termijn zullen voeden. We begrijpen en onderschrijven de op dit moment gekozen aanpak om te werken met een generieke kostprijs voor warmte, als tijdelijke optie in afwachting van meer duidelijkheid. Deze benadering achten wij passend in deze fase van het project. Tegelijkertijd is het van belang om in de verdere uitwerking van de businesscase zo snel mogelijk duidelijkheid te krijgen
over
concrete
bronnen
die
ingezet
zullen
worden,
inclusief
de
bijbehorende
kostenkengetallen. De kostprijs van warmte is immers een van de meest bepalende factoren voor de financiële haalbaarheid en betaalbaarheid van het project. De kosten van de bronnen zitten wél in de businesscase. Maar naast de kosten is ook de timing van de realisatie van specifieke bronnen belangrijk. In gesprekken met EBN is naar voren gekomen dat geothermie naar verwachting een van de belangrijkste bronnen zal zijn voor de toekomstige warmtenetten. Geothermie biedt veel potentie als duurzame en betrouwbare warmtebron, maar kent ook een lange ontwikkeltijd. Het realiseren van geothermieputten duurt doorgaans twee tot drie jaar, exclusief de tijd die nodig is voor vergunningverlening, bodemonderzoek en het opzetten van samenwerkingsstructuren. Gelet op de geplande start van de exploitatiefase in 2029 is de huidige planning relatief krap, zeker als de bronontwikkeling nog moet starten. Daarom is het van groot belang dat in de verdere uitwerking van de businesscase zo snel mogelijk duidelijkheid wordt verkregen over de concrete bronnen die ingezet zullen worden, inclusief hun beschikbaarheid, ontwikkeltijd en kostprijs. Dit geldt in het bijzonder voor geothermie, gezien de lange doorlooptijd en de strategische rol die deze bron speelt in het toekomstige warmtenet.
Door broninformatie tijdig te concretiseren en te verwerken in het businesscasemodel, ontstaat een realistischer beeld van de haalbaarheid, fasering en financiële prestaties van het project. Dit maakt het mogelijk om tijdig bij te sturen en de risico’s van bronvertraging of brononzekerheid beter te beheersen. Wij adviseren (door te voeren): 17. Werk zo snel mogelijk uit welke warmtebronnen er worden ingezet, inclusief hun kostprijs en beschikbaarheidsdata. 18. Geef prioriteit aan de planning van bronnen met lange ontwikkeltijden (zoals geothermie) en verwerk deze in risicoanalyses. 19. Analyseer alternatieve bronopties voor het geval dat er vertraagde bronontwikkeling optreedt.
Pagina 51 van 65
5.3.3.2
Er wordt geen differentiatie tussen MT- en LT-aansluitingen aangenomen waardoor daadwerkelijke kosten niet inzichtelijk zijn
In de huidige businesscase wordt uitgegaan van een middentemperatuurwarmtenet (MTwarmtenet), waarbij alle aansluitingen als MT zijn gemodelleerd. Voor dit stadium van het project is dat een begrijpelijke keuze: het biedt een werkbare basis voor de eerste financiële doorrekening en sluit aan bij de huidige praktijk in veel warmtenetprojecten. Tegelijkertijd is het van belang om in de verdere uitwerking van het project ook expliciet onderscheid te maken tussen mogelijke lagetemperatuur- (LT) en MT-aansluitingen. Onderzoek hoeveel MT-aansluitingen en hoeveel LTaansluitingen er verwacht worden. Door dit inzichtelijk te maken is er beter overzicht wat de precieze kosten zijn. Voor de huidige fase is dit niet cruciaal maar wel belangrijk in de nadere uitwerking tijdens de kwartiermakersfase. Afhankelijk van de situatie hoeven de aanlegkosten per meter leiding voor LT- en MT-warmtenetten niet significant te verschillen, maar kunnen de totale systeemkosten bij LT-netten in sommige gevallen iets hoger uitvallen. Dit komt onder andere doordat LT-netten vanwege het kleinere temperatuurverschil vaak grotere leidingdiameters of hogere debieten nodig hebben om dezelfde hoeveelheid warmte te kunnen transporteren. Ook kunnen er hogere eisen gelden aan regeltechniek en temperatuurbeheersing.
Daarnaast kennen LT-warmtenetten ook hogere eindgebruikerskosten doordat er extra investeringen nodig zijn in de woning voor isolatie, het afgiftesysteem en de tapwaterbooster. Dit verhoogt het vollooprisico. Daar staat tegenover dat LT-netten op termijn kunnen leiden tot lagere exploitatiekosten door de lagere temperatuur van het water, wat de businesscase juist kan versterken. Wij adviseren (door te voeren): 20. Modelleer een alternatief scenario waarin onderscheid wordt gemaakt tussen aansluitingen op MT- en LT-warmtenetten. 21. Onderzoek de verhouding tussen de kosten en baten van LT-netten in de lokale context, inclusief een mogelijke verlaging van exploitatielasten op lange termijn.
Pagina 52 van 65
Bijlage 1: Uitwerking van het NBility-model #
Capabilities9
Toelichting
Sub-capabilities
1
Klanten bedienen
Het vermogen om klanten te bedienen, zodat zij onze
❑
Klanten bedienen en relaties onderhouden
producten en diensten afnemen en optimaal gebruiken.
❑
Contracten verwerven en beheren
❑
Factureren en innen
❑
Inkomstenverlies beperken
2
3
Energie transporteren
Het vermogen om energieaanbod en -afname bij elkaar
❑
Energietransport verzorgen
en opwekken
te brengen, met elkaar in balans te brengen en de
❑
Energietransport herstellen
continuïteit ervan te waarborgen, zodat de klanten
❑
Transport- en bedieningsmodellen maken
energie krijgen binnen de gestelde eisen.
❑
Warmteopwek
❑
Eventueel opslag van warmte
Ontwikkeling en
Het vermogen om energienetten te ontwikkelen en op
❑
Energienetten uitbreiden, vervangen en vernieuwen
instandhouding van
het afgesproken niveau beschikbaar te houden, zodat
❑
Energienetten in stand houden
energienetten
het energienet continu aan de gestelde eisen voldoet.
❑
Energierichtlijnen en -patronen vaststellen
Energietransport en
Het vermogen om energietransport en -netten door te
❑
Metingen van energietransport en -netten
-netten meten
meten en metingen beschikbaar te maken.
besturen 4
9
beschikbaar krijgen
Het NBility-model is een generiek model dat voor netbeheerders kan worden gebruikt. Toevoegingen specifiek op het gebied van warmte zijn cursief gemarkeerd.
Pagina 53 van 65
#
Capabilities9
Toelichting
Sub-capabilities ❑
Metingen van energietransport en -netten ter beschikking stellen
5
6
Werkzaamheden
Het vermogen om werkzaamheden aan de
❑
Werkzaamhedenportfolio opstellen en onderhouden
uitvoeren aan
energienetten uit te voeren, zoals aanleg, vervanging of
❑
Regie voeren over werkzaamheden
energienetten
onderhoud, zodat de werkzaamheden efficiënt en
❑
Werkzaamheden uitvoeren
voorspelbaar worden uitgevoerd.
❑
Werkzaamheden faciliteren
❑
Onderhoud warmtebronnen
❑
Onderhoud afleversets
Energiemarkt
Bij een warmtenet hebben warmtebedrijven in principe
❑
Data beheren
faciliteren
een monopolie. Wel moeten ze voldoen aan strenge
❑
Transparantie creëren richting klant en ACM
eisen vanuit de ACM.
❑
(Politieke) afstemming met gemeente regelen
Het bedrijf richting geven en het ondersteunen.
❑
Bedrijfsstrategie opstellen en besturen
❑
Processen en data ontwikkelen en beheren
❑
Medewerkers werven en inzetbaar houden
❑
Digitale producten ontwikkelen en beheren
❑
Goederen en diensten verkrijgen
❑
Bedrijfsgebouwen beheren en faciliteiten
Enterprise
beschikbaar stellen ❑
Financiën verkrijgen en beheren
Pagina 54 van 65
Bijlage 2: Juridische bevindingen Juridische bevindingen concept-SOK (versie 2) Artikel
Toelichting
3.2
•
De verdeling van aandelen staat nu op ‘33%’ over de drie deelnemers. Dit moet echter ‘1/3’ zijn: bij 33% is 1% van de aandelen niet in handen van een deelnemer.
3.4
•
Stuurgroep besluit op basis van unanimiteit (zie art. 4.2): geldt dit ook voor de vaststelling van het in 3.4 genoemde definitieve ondernemingsplan / de meerjarenprognose en het financieel model?
4.1
•
In de eerste zin staat ‘stuurgroep’ in plaats van ‘Stuurgroep’ of is dat bewust of staat ‘(de Stuurgroep)’ op de verkeerde plek in de tekst?
4.5
•
Gaat de benoeming van de Kwartiermaker, het aanpassen van de opdracht of het intrekken ervan op basis van art. 4.2 – dus de Stuurgroep moet hiertoe besluiten op basis van unanimiteit?
4.3 a)
•
De haakjes om ‘bij te dragen aan’ moeten verwijderd worden – anders loopt de zin niet.
4.6
•
Er staat dat er een kortere termijn kan worden gehanteerd ‘indien de aard dat rechtvaardigt’. Er is echter niet nader bepaald wie dan bepaalt welke aard doorslaggevend is en wie ertoe besluit dat de uitnodigingstermijn verkort kan worden tot minder dan 10 dagen, of ligt dit in handen van de Kwartiermaker?
4.7
•
Aanvullend op de verzending van de notulen die na het overleg aan de Stuurgroep worden gezonden binnen 10 werkdagen; moet de Kwartiermaker de ‘actiepuntenlijst’ die – naar wordt aangenomen – wordt geactualiseerd tijdens het overleg ook vervolgens (binnen een aantal werkdagen na het overleg) doorsturen aan de Werkgroep? Dit lijkt wel gepast.
5.3
•
De aanname is dat het Stappenplan in 5.3 wordt vastgesteld door de Stuurgroep op basis van een unaniem besluit (art. 4.2)?
7.1 onderdeel c
•
Op basis van art. 160 lid 2 van de Gemeentewet hebben gemeenteraden de mogelijkheid om wensen en bedenkingen in te brengen. Is er rekening mee gehouden qua doorlooptijden dat de gemeenten dit synchroon zullen moeten plannen richting de raden (en bij voorkeur gelijkluidende teksten aan de gemeenteraden)?
7.1 onderdeel f
•
Wat is hier ‘constateren’? Is bedoeld dat het hier gaat om een besluit dat met unanimiteit wordt genomen conform. art. 4.2?
Pagina 55 van 65
Artikel
Toelichting
7.2
•
‘Voorwaarden tijdig te realiseren’; waarop slaat tijdig? Is tijdig gerelateerd aan een mijlpaal, datum of besluit = RPIW WLR opgericht en aandeelhoudersovereenkomst getekend?
7.4
•
Wat is het gevolg als Partijen er niet uitkomen? Komen dan bijvoorbeeld art. 10 en/of 17 in zicht in het kader van escalatie? Wie bepaalt dat er niet aan de voorwaarden is voldaan? Vergt dat een unaniem besluit van de Stuurgroep cf. art. 4.2?
•
8.2
•
Is het gevolg van dit artikel dat de gemeente Leiden dan ook de aansprakelijkheid draagt van alle contracten omdat het uitgangspunt is dat Leiden de contractspartij zal worden? Bepaalt de gemeente Leiden dan zelf ook onder welke voorwaarden zij de contracten tekent?
8.3
•
‘… door Partijen…’; moet dat ‘… door de Stuurgroep’ zijn? Want in art. 8.2 is bepaald dat de Stuurgroep voorafgaande schriftelijke goedkeuring voor externe kosten moet geven.
8.4
•
Hoe wordt het aandeel in de kosten per deelnemer bepaald? Betekent art. 8.4 dat elke deelnemer altijd een financiële bijdrage levert (aan de gemeente Leiden)?
10.1
•
Het is onduidelijk om welke verplichtingen het gaat.
10.2
• •
Er is tweemaal sprake van ‘(ii)’; de laatste moet waarschijnlijk ‘(iii)’ zijn. Het is onduidelijk wat er wordt verstaan onder ‘nakoming van enige werkzaamheden’; betreft het dan alle werkzaamheden van de Partij die onmiddellijk opzegt? NB. Slaat ‘in dat geval’ (in de zin: ‘De betreffende Partij is in dat geval gehouden…’ alleen op onderdeel (iii) of geldt deze gehoudenheid ook voor onderdelen (i) en (ii)?
•
10.3
•
Deze bepaling gaat ervan uit dat deze overeenkomst van rechtswege eindigt en dat dit afhangt van het voldoen aan ‘alle verplichtingen’ die uit deze overeenkomst volledig zijn nagekomen. Het is onduidelijk om welke verplichtingen het gaat en wie deze verplichtingen bewaakt – zie ook opmerking bij art. 10.1.
10.4
•
Hier staat ‘beëindigt’, echter in 10.2 staat ‘opzeggen’.
16.2
•
In art. 16.2 wordt verwezen naar de DVO die op 31 januari 2024 tussen de gemeenten is gesloten en dat deze DVO geldig blijft voor de Kwartiermakersfase. Deze DVO graag nog controleren op de bepaling/bepalingen die iets zegt/zeggen over (tussentijdse) opzegging of ontbinding van de DVO; art. 16.2 in dezeconcept-SOKbepaalt namelijk dat de DVO blijft bestaan in de kwartiermakersfase.
16.3
•
Wat zijn de gevolgen indien andere publieke partijen contractspartij/Partij worden van deze SOK? Worden zij geacht ook aandeelhouder te worden (dit betekent herverdeling van de aandelen of uitgifte van nieuwe aandelen, en tegen welke waarde?) en de aandeelhoudersovereenkomst te ondertekenen? Hoe wordt het ‘instapbedrag’ bepaald voor een nieuwe gemeentelijke deelnemer?
•
Pagina 56 van 65
Juridische bevindingen outline besturing (versie 03.1) Artikel
Toelichting
Algemeen
•
Wie is eigenaar van het globaal ontwerp? Wat is de status ervan en wie stelt dit vast, en wat is de status van dit globaal ontwerp nadat de besloten vennootschap is opgericht?
Algemeen
•
De concept-statuten en aandeelhoudersovereenkomst worden te zijner tijd vastgesteld en deze kunnen nog nadere vragen opwerpen of nadere uitwerking vergen in deze outline.
Algemeen
•
Wat zijn de gevolgen als een partner uit de samenwerkingsovereenkomst treedt vóór de kwartiermakersfase en de eventuele oprichting van de besloten vennootschap RPIW WLR?
2.1
•
Tijdslijn: er is in 2026 niet opgenomen dat de gemeenteraden wensen en bedenkingen kunnen uiten richting het eigen college (art. 160 lid 2 Gemeentewet) inzake de oprichting van een privaatrechtelijke rechtspersoon en de aandeelhoudersovereenkomst (art. 169 lid 4 Gemeentewet).
2.2
•
De gemeenteraden zullen niet allemaal gelijktijdig wensen en bedenkingen uiten (raadsvergaderingen zijn veelal al vooruit gepland per jaar/datum); dit is een aspect om rekening mee te houden qua doorlooptijd; de ‘langzaamste’ gemeenteraad bepaalt de planning.
4.1
•
Algemeen: er lijkt een aanname te worden gedaan dat er sprake is van 3 blokken aandeelhouders, het gaat echter om Alliander, EBN én alle separate gemeenten (Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Oegstgeest, Voorschoten en Zoeterwoude), die allen separaat aandeelhouder zijn met elk een eigen aandelenportefeuille. Bij scenario 1: er zijn zware (te nemen met een meerderheid van 87%) en gewone (te nemen met een meerderheid van 66,7%) besluiten; wie (de Stuurgroep?) bepaalt straks wat hierover in de statuten komt (zie ook paragraaf 4.5 voor de indicatie van deze besluiten)? Bij scenario 2: idem inzake zware/gewone besluiten én: EBN en Alliander krijgen elk 37,5% van de aandelen en samen hebben ze dan 75%; daarmee kunnen zij samen altijd de gemeenten overrulen bij het nemen van gewone besluiten; wat is de stem per aandeel van de gemeenten dan nog waard als zij altijd overruled kunnen worden?
•
•
Pagina 57 van 65
Artikel
Toelichting
4.2
•
•
Het is de wens dat geen enkele WLR-gemeenten een meerderheidsaandeel heeft en dat er altijd minstens twee gemeenten nodig zijn om een besluit te nemen: – Inzake ‘meerderheidsaandeel’: bedoeld wordt te zeggen dat geen gemeente de meerderheid van alle ‘gemeentelijke’ aandelen heeft? – Inzake ‘ten minste 2 gemeenten nodig zijn om een besluit te nemen’: gelet op paragraaf 4 bij punten (1) en (2): bij gewone besluiten is theoretisch de stem vanuit één gemeentelijk aandeel al voldoende omdat slechts 66,7% al voldoende is binnen de aandeelhoudersvergadering – Firan en EBN hebben immers al 66,6%. De teksten die gaan over de positie van Leiden (50% of 49,9% en alternatieve opties) zijn dan minder relevant; Firan en EBN kunnen samen de gewone besluiten nemen als theoretisch op één ander gemeentelijk aandeel wordt meegestemd door een gemeente met Firan en EBN. De herijking op basis van WEQ’s is zeer complex en slecht uitvoerbaar (aandelenoverdracht aan andere aandeelhoudende gemeenten, waardering van aandelen, aansprakelijkheidsplicht tot volstorting van de aandelen, notaris nodig voor overdracht).
Daarnaast lijkt de herijking weinig praktisch nut te hebben omdat de gemeenten samen niet meer dan 33 ⅓ van de stemmen hebben; Firan en EBN kunnen samen de gewone besluiten nemen als theoretisch op één ander gemeentelijk aandeel wordt meegestemd met Firan en EBN; wat maakt het dan uit dat Leiden niet meer dan 50% van de totale gemeentelijke aandelen mag hebben? De opmerking / het advies van AKD over het te vaak veranderen of herijken wordt volledig door Berenschot onderschreven.
4.3
•
De storting van kapitaal per jaar: dit betekent niet automatisch dat er sprake is van volstorting van de aandelen. Bij een latere overdracht van aandelen (wegens de beoogde herijkingen) moet er wel sprake zijn van volstorting.
4.4
•
Wat wordt precies verstaan onder ‘lichtere en zwaardere meerderheid (gewoon besluit)’ bij de aandeelhoudersvergadering? Welke meerderheid is vereist? Er is geen overweging waarom er wel of niet een RvC of RvA moet zijn. In paragraaf 4.8 wordt dit aangegeven: ‘kosten beperken en daarom geen RvC’. Het kan voor RPIW WLR en de aandeelhouders zelf in de startfase mogelijk wel nuttig zijn om een RvC te hebben; anders hebben de aandeelhouders in deze startfase ook de rol van toezichthouders, terwijl een RvC juist dan als onafhankelijk orgaan de bestuurder met raad en daad terzijde kan staan.
•
4.8
•
‘Aandeelhouders hebben de voorkeur voor een externe bestuurder, maar willen de optie open houden dat een “eigen kandidaat” kan worden aangesteld’: Bij gemeenten geldt veelal een beleidslijn of gedragscode, die erop ziet dat medewerkers van de gemeente niet of met terughoudendheid een zetel in het bestuur of toezichthoudend orgaan hebben van een verbonden partij.
4.10
•
NB. Bij uittreden uit een gemeenschappelijke regeling is het de regel dat de uittreder een vergoeding betaalt voor zijn uittreding uit de samenwerking; bij een bv krijgt de aandeelhouder die zijn aandelen overdraagt juist een bedrag voor zijn aandeel en de aandeelhouder is in het algemeen alleen verplicht om zijn aandeel vol te storten.
Pagina 58 van 65
Bijlage 3: Uitkomsten van de interviews en validatiesessie Geïnterviewde partijen: •
Gemeente Katwijk
•
Gemeente Voorschoten
•
Gemeente Leiden
•
Gemeente Zoeterwoude
•
Gemeente Leiderdorp
•
EBN
•
Gemeente Oegstgeest
•
Alliander (Firan)
Bevindingen Algemene bevindingen Belang van RPIW WLR: partijen zien allemaal de meerwaarde van het warmtebedrijf. Het warmtebedrijf is een gepast middel om de collectievewarmtedoelstellingen te bereiken. Proces: strakke tijdlijn, onder hoge druk plaatsgevonden. Besluitvorming SOK: doorlopen van de interne besluitvormingsprocessen is belangrijk, verschil in procedures en tijdslijnen. Documenten: discrepantie tussen de verschillende documenten en onduidelijkheid over de status en de perceptie hierover. Onder andere twee financiële modellen. Governance en zeggenschap Rechtsvorm: gekozen voor een besloten vennootschap. Dit is in het globaal ontwerp opgenomen, maar niet onderbouwd. Mist daarnaast ook in deconcept-SOKof de outline besturing. Aandelen: •
De onderbouwing voor 3 maal 1/3 ontbreekt.
•
De gemeenten worden als één partij beschouwd in de verdeling, maar zijn in de praktijk 6 losse partijen, met ieder eigen belangen.
Pagina 59 van 65
•
Verdeling van aandelen tussen de gemeenten is op basis van het eindbeeld in WEQ’s, dat is nu nog onzeker én met betrekking tot de aansluitplanning levert dit ook vragen op over risicoverdeling.
Toetredings- en exitvoorwaarden van (nieuwe/private) aandeelhouders: nog onduidelijk hoe dit definitief wordt uitgewerkt. Eén bestuurder: er is gekozen voor het inzetten van één bestuurder. Deze bestuurder heeft veel bevoegdheden en zeggenschap over het warmtebedrijf. Raad van commissarissen: er is geen raad van commissarissen in de beginperiode. Deze keuze is vanuit financiële redenen gemaakt, maar het is onduidelijk of er is stilgestaan bij de risico’s die het met zich meebrengt om de bestuurder direct met de AVA te laten afstemmen. Raad van advies: De RvA is gewenst om lokale initiatieven een rol te kunnen geven, de rol en de inrichting zijn echter nog onduidelijk, mede omdat de bestuurder dit mag bepalen én dit vrijblijvend is ingestoken. Gemeenteraden hebben weinig sturingsmogelijkheden. De besluitvormingslijst voor de AVA: het verschil tussen ‘gewone’ besluiten en ‘zware’ besluiten is gemaakt, maar nog niet doorleefd wat dit precies betekent. Organisatie-inrichting Warmte service bedrijf: het is nog onduidelijk welke taken en verantwoordelijkheden het Warmteservicebedrijf zal krijgen. Verdeling van taken en rollen tussen gemeenten en het warmtebedrijf: veel taken van ontzorging en ondersteuning komen te liggen bij de gemeente, terwijl dit is opgenomen als missie van het warmtebedrijf.
Businesscase Uitkomst businesscase: één getal in plaats van een bandbreedte, dit terwijl er nog veel onzekerheden zijn. Hoge inschatting van volloop van 80% terwijl er nog onzekerheid is over de aanwijsbevoegdheid en in hoeverre de tarifering op het maximum volgens de ACM wordt gezet. Aannames over CAPEX worden gedaan zonder duidelijk beeld van de hoofdinfrastructuur. Aansluitplanning: ambitieuze snelheid. Rente en aflossing: het rentepercentage wordt als laag ingeschat. LT-warmtenetten en koude levering: dit ontbreekt in de businesscase. Wat is het effect hiervan op de businesscase?
Pagina 60 van 65
Financiering Inpandige kosten zijn nog nergens meegenomen, waar landen deze en wat betekent dit voor de betaalbaarheid? Beschikbare subsidies: er wordt uitgegaan van subsidies die er nog niet zijn. Wat betekent het als deze subsidies er niet komen? Risicoreserveringen: de reservering gaat ten koste van andere domeinen binnen de gemeente. Garantstelling door gemeenten: onduidelijkheid over de garantstelling door gemeenten ten behoeve van het vreemd vermogen Financiering door gemeenten op basis van eindbeeld van WEQ’s terwijl niet alle gemeenten vanaf het eerste moment aansluitingen hebben én dit eindbeeld nog niet duidelijk is. Financiering van de onrendabele top: hier zijn nog geen subsidies voor. Risicoanalyse: geen doorwerking in het weerstandsvermogen van het warmtebedrijf. In aanvulling hierop zijn nog de volgende punten naar aanleiding van de validatiesessies bij ons terecht gekomen. •
Het artikel 7.1.d voorziet enkel in een toets van de Definitieve Businesscase door de Stuurgroep, terwijl eigenlijk op het hele Stappenplan getoetst moet worden.
•
Het meerderheidsaandeel van zware besluiten van 87% is laag. Het is wenselijk om dit percentage te verhogen naar 93%, waarbij tenminste 3 van de 6 gemeenten moeten instemmen (een meerderheid van de gemeenten).
•
Tijdens de kwartiermakersfase worden wijzigingen in de conceptoprichtingsakte en conceptaandeelhoudersovereenkomst voorzien, terwijl de SOK alleen beperkte ruimte laat om deze wijzigingen ook door te voeren.
•
De projectstructurering voorziet niet in een vorm ambtelijke aansturing, waardoor inhoudelijke en operationele zaken alleen via de bestuurlijke aansturing geregeld kunnen worden.
•
De statuten en aandeelhoudersovereenkomst voorzien in een kwaliteitseis zodat alleen publieke organisaties als aandeelhouder mogen toetreden in het RPIW. Wij betwijfelen of deze kwaliteitseis nodig is om (dit) beoogde doel(en) te behalen, terwijl het de ruimte die de Wcw laat wel direct inperkt.
•
Alleen
aandeelhouders
met
een
(gezamenlijk)
aandeel
van
10%
een
aandeelhoudersvergadering oproepen. Kleine gemeenten worden hierdoor benadeelt ten opzichte van de gemeente Leiden, EBN en Firan. •
Het globaal ontwerp stelt dat de financiële bijdrage wordt gebaseerd op de opgave tot 2050, terwijl voor de statuten en de AHO een vooruitblik voor de komende 10 jaar ook voldoende is. Gemeenten zijn beter in staat om 10 jaar vooruit te kijken en dit laat de investeringen door gemeenten beter aansluiten bij de daadwerkelijke opgave.
Pagina 61 van 65
Bijlage 4: AVA – gewone en zware besluiten In de stukken wordt verschil gemaakt tussen ‘gewone’ en ‘zware’ besluiten. Gewone besluiten zijn besluiten waarbij vanuit de AVA een meerderheid van 66,7% van de aandelen nodig is. Voor zware besluiten geldt een meerderheid van 87% (uitgaande van de aandeelhoudersovereenkomst). In
de
outline
besturing
staan
de
besluiten
opgenomen
onder
paragraaf
4.5.
In
de
aandeelhoudersovereenkomst staan de besluiten opgenomen in bijlage 2 en 3. Waarbij in artikel 3.14.1 wordt verwezen naar bijlage 2 met daarbij de notitie dat voor deze besluiten een meerderheid van 66,7% nodig is. En in artikel 3.14.2 wordt verwezen naar bijlage 3 met daarbij de notitie dat de besluiten een meerderheid van 87% van de aandelen benodigen. Het is belangrijk om op te merken dat er in de outline besluiten als zwaar besluit zijn opgenomen die in de aandeelhoudersovereenkomst als gewoon besluit zijn opgenomen (bijlage 2).
Besluit:
Duiding in: outline
AHO
Het oprichten van, deelnemen in en/of het voeren van het bestuur over andere vennootschappen of ondernemingen, alsmede het afstoten of liquideren van dan wel het beëindigen van het management over zodanige vennootschappen of ondernemingen.
Zwaar besluit (>87%)
Gewoon besluit (>66,7%)
Het aanbrengen van een belangrijke wijziging in de werkzaamheden van de vennootschap.
Zwaar besluit (>87%)
Gewoon besluit (>66,7%)
Het verplaatsen, vervreemden of staken van de onderneming van de vennootschap of een belangrijk onderdeel daarvan.
Zwaar besluit (>87%)
Gewoon besluit (>66,7%)
Het vaststellen van het (vijfjarige) businessplan.
Zwaar besluit (>87%)
Gewoon besluit (>66,7%)
Het wijzigen van het (vijfjarige) businessplan dat meer dan 10% overschrijding tot gevolg heeft.
Zwaar besluit (>87%)
Gewoon besluit (>66,7%)
Het geven van een aanwijzing aan het bestuur van RPIW WLR.
Zwaar besluit (>87%)
n.v.t.
Afwijking op het goedgekeurde jaarplan of de goedgekeurde jaarbegroting, van meer dan 10% op het totaal (mogelijke met een limiet tot bijvoorbeeld maximaal 40%, daarna is dit een zwaar besluit).
Gewoon besluit (>66,7%)
n.v.t.
Pagina 62 van 65
Besluit:
Duiding in: outline
AHO
Het aangaan of verbreken van duurzame samenwerking met andere vennootschappen of ondernemingen, die van ingrijpende betekenis is voor het RPIW WLR, waaronder begrepen, maar niet beperkt tot, het aangaan van overeenkomsten voor de inkoop van warmte. Alleen met een waarde groter dan € 2,5 mln. of van groot strategisch belang.
Gewoon besluit (>66,7%)
n.v.t.
Het indienen van een aanvraag om aangewezen te worden voor een warmtekavel.
Gewoon besluit (>66,7%)
n.v.t.
Het voeren van rechtsgedingen, het aangaan van vaststellingsovereenkomsten, compromissen en akkoorden, het berusten in rechtsvorderingen, tenzij het betreft het nemen van spoedeisende maatregelen. Alleen met een waarde groter dan € 2,5 mln. of van strategisch belang.
Gewoon besluit (>66,7%)
n.v.t.
Het aanstellen van directeuren in het RPIW WLR. Hiermee wordt bedoeld medewerkers in het RPIW WLR met de functie ‘directeur’. Als het RPIW WLR groeit wordt er voorzien dat er behoefte ontstaat aan het aanstellen van directeuren (voor een bepaald deelgebied) naast de bestuurder. Daarmee wordt gezamenlijk het management van het RPIW WLR gevormd.
Gewoon besluit (>66,7%)
n.v.t.
Aangaan van financieringen / verstrekking van leningen of zekerheden / investeringen met een waarde groter dan € 2,5 mln., of van strategisch belang.
Gewoon besluit (>66,7%)
n.v.t.
Aanvraag van surseance van betaling.
Gewoon besluit (>66,7%)
Gewoon besluit (>66,7%)
Het verkrijgen, vervreemden of bezwaren van registergoederen met een waarde groter dan € 2,5 mln.
Gewoon besluit (>66,7%)
n.v.t.
Het vaststellen of wijzigen van een reglement.
Gewoon besluit (>66,7%)
n.v.t.
Uitoefenen van stemrecht op niet ter beurze genoteerde aandelen en andere stemgerechtigde effecten, waaronder begrepen het bepalen van de richting waarin zal worden gestemd
Gewoon besluit (>66,7%)
n.v.t.
Het in gebruik nemen of geven, al dan niet krachtens huur, van gebouwen met een waarde groter dan € 2,5 mln. of delen daarvan alsmede het beëindigen van zodanig gebruik.
Gewoon besluit (>66,7%)
n.v.t.
Het stellen van zekerheden.
Gewoon besluit (>66,7%)
n.v.t.
Het stichten en opheffen van nevenvestigingen.
Gewoon besluit (>66,7%)
n.v.t.
Pagina 63 van 65
Besluit:
Duiding in: outline
AHO
Het aanstellen en ontslaan van procuratiehouders alsmede het vaststellen en wijzigen van hun volmacht.
Gewoon besluit (>66,7%)
n.v.t.
In het algemeen het verrichten van alle handelingen anders dan hiervoor vermeld, met een strategisch belang voor de vennootschap of met een waarde groter dan € 2,5 mln.
Gewoon besluit (>66,7%)
n.v.t.
Uitgifte van Aandelen dan wel tot het verlenen van rechten tot het nemen van Aandelen.
n.v.t.
Zwaar besluit (>87%)
Uitgifte van Aandelen dan wel tot het verlenen van rechten tot het nemen van Aandelen, daaronder begrepen het vaststellen van de uitgifteprijs en de overige voorwaarden.
n.v.t.
Zwaar besluit (>87%)
Uitsluiting van het voorkeursrecht bij uitgifte van Aandelen.
n.v.t.
Zwaar besluit (>87%)
Het verlenen van goedkeuring tot inkoop van eigen Aandelen.
n.v.t.
Zwaar besluit (>87%)
Vervreemding van eigen Aandelen door de vennootschap.
n.v.t.
Zwaar besluit (>87%)
Kapitaalvermindering.
n.v.t.
Zwaar besluit (>87%)
Het verlenen van goedkeuring voor de overdracht van aandelen als bedoeld in artikel 5.3 Statuten.
n.v.t.
Zwaar besluit (>87%)
Het verlenen van goedkeuring voor bestuursbesluiten als bedoeld in artikel 6.1.7 Statuten.
n.v.t.
Zwaar besluit (>87%)
Het benoemen, schorsen en ontslaan van Bestuurders en het vaststellen van de bezoldiging en de overige (arbeids-)voorwaarden die van toepassing zijn op de Bestuurders.
n.v.t.
Zwaar besluit (>87%)
Het vaststellen van de vaste beloning voor Commissarissen.
n.v.t.
Zwaar besluit (>87%)
Het vaststellen van het aantal Commissarissen.
n.v.t.
Zwaar besluit (>87%)
Het verlenen van decharge aan Bestuurders en/of Commissarissen.
n.v.t.
Zwaar besluit (>87%)
Het geven van een aanwijzing als bedoeld in artikel 6.1.2 Statuten.
n.v.t.
Zwaar besluit (>87%)
Uitkering van winst dan wel uitkering van interimdividend en/of uitkering ten laste van een reserve.
n.v.t.
Zwaar besluit (>87%)
Bijlage 3 AHO
Pagina 64 van 65
Besluit:
Duiding in: outline
AHO
Goedkeuring van het reglement van de raad van commissarissen als bedoeld in artikel 7.2.10 Statuten.
n.v.t.
Zwaar besluit (>87%)
Goedkeuring van de profielschets van de raad van commissarissen als bedoeld in artikel 7.3.3 Statuten.
n.v.t.
Zwaar besluit (>87%)
Vaststelling van de jaarrekening van de vennootschap.
n.v.t.
Zwaar besluit (>87%)
Wijziging van de statuten van de vennootschap.
n.v.t.
Zwaar besluit (>87%)
Juridische fusie of splitsing van de vennootschap.
n.v.t.
Zwaar besluit (>87%)
Ontbinding van de vennootschap.
n.v.t.
Zwaar besluit (>87%)
Het aannemen van een toekomstig investeringsplan.
n.v.t.
Zwaar besluit (>87%)
Pagina 65 van 65
WIJ ZIJN BERENSCHOT, GRONDLEGGER VAN VOORUITGANG Nederland is continu in ontwikkeling. Maatschappelijk, economisch en organisatorisch verandert er veel. Al ruim 85 jaar volgen wij als adviesbureau deze ontwikkelingen op de voet en werken we aan een vooruitstrevende samenleving. De behoefte om iets fundamenteels te betekenen voor mens en maatschappij zit in onze genen. Met onze adviezen en oplossingen hebben we dan ook actief meegebouwd aan het Nederland van vandaag. Altijd op zoek naar duurzame vooruitgang. Alles wat we doen, is onderzocht, onderbouwd en vanuit meerdere invalshoeken bekeken. Zo komen we tot gefundeerde adviezen en slimme oplossingen. Die zijn op het eerste gezicht misschien niet altijd de meest voor de hand liggende. Juist deze eigenzinnigheid maakt ons uniek. Daarbij zijn we niet van symptoombestrijding. En gaan pas naar huis als het is opgelost.
Berenschot B.V. Van Deventerlaan 31-51, 3528 AG UTRECHT Postbus 8039, 3503 RA UTRECHT 030 2 916 916 www.berenschot.nl