Bijlage 9 Second opinion - Oprichting van een regionaal publiek integraal warmtebedrijf voor de Leidse warmteregio (Berenschot)
Tekst van het document
Pagina 1 van 65
f
SECOND OPINION
Oprichting van een regionaal publiek integraal warmtebedrijf voor de Leidse warmteregio Eindversie Intern vertrouwelijk – 22 augustus 2025
Sylvia Temminck, Rutger Bianchi, Jesper van Overdijk, Renze Straatsma, Regine Wagenaar, Il Shik Sloover
Pagina 2 van 65
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 ...................................................................................................................... 2 Managementsamenvatting ............................................................................................... 3 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6 1.7
Achtergrond ...................................................................................................... 3 Second opinion benaderd vanuit het perspectief van RPIW WLR............................... 3 Aanpak ............................................................................................................. 3 Aandachtspunt: Kwartiermakersfase versus RPIW WLR .......................................... 4 Conclusies en aanbevelingen: Sturing en zeggenschap ........................................... 4 Conclusies en aanbevelingen: Organisatie-inrichting .............................................. 5 Conclusies en aanbevelingen: Businesscase .......................................................... 6
Hoofdstuk 2 .................................................................................................................... 13 Inleiding......................................................................................................................... 13 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5
Achtergrond ..................................................................................................... 13 Vraag .............................................................................................................. 13 Leeswijzer........................................................................................................ 14 Aandachtpunt: kwartiermakersfase versus RPIW WLR ........................................... 14 Disclaimer ........................................................................................................ 14
Hoofdstuk 3 .................................................................................................................... 15 Sturing en zeggenschap ................................................................................................. 15 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7
Aanpak: documentenvergelijking op zes onderdelen .............................................. 15 Een besloten vennootschap ................................................................................ 16 Verdeling en herijking aandelen en zeggenschap AVA ............................................ 17 Financiering van het RPIW WLR .......................................................................... 22 Inkopen en overdragen van aandelen in het RPIW WLR ......................................... 25 Bestuur en besluitvorming bestuur ...................................................................... 27 Toezicht en advies ............................................................................................ 30
Hoofdstuk 4 .................................................................................................................... 33 Organisatie-inrichting .................................................................................................... 33 4.1 4.2 4.3 4.4
Aanpak: het NBility-model ................................................................................. 33 Analyse ........................................................................................................... 34 Ondersteunende activiteiten ............................................................................... 38 Warmteservicebedrijf (WSB) en de uitwerking van kerntaken ................................. 39
Hoofdstuk 5 .................................................................................................................... 41 Review van de globale businesscase .............................................................................. 41 5.1 5.2 5.3
Aanpak: risicoanalyse ........................................................................................ 41 Analyse van de financiering ................................................................................ 42 (Businesscase)technische risicoanalyse ................................................................ 45
Bijlage 1: Uitwerking van het NBility-model ................................................................... 52 Bijlage 2: Juridische bevindingen ................................................................................... 54 Bijlage 3: Uitkomsten van de interviews en validatiesessie............................................ 58 Bijlage 4: AVA – gewone en zware besluiten .................................................................. 61
Pagina 3 van 65
Managementsamenvatting 1.1
Achtergrond
Zes gemeenten in de Leidse regio, EBN en Firan werken samen aan de oprichting van een Regionaal Publiek Integraal Warmtebedrijf (RPIW WLR) om ongeveer 100.000 woningen en gebouwen duurzaam te verwarmen met restwarmte, geothermie en mogelijk aquathermie. Het initiatief, dat publieke waarden centraal stelt, sluit aan bij de Wet collectieve warmte (Wcw) en heeft als doel om begin 2026 een samenwerkingsovereenkomst (SOK) te ondertekenen, gericht op de daadwerkelijke oprichting in 2027. Het initiatief vindt plaats in een (politiek) dynamische omgeving die volop in verandering is.
1.2
Second opinion benaderd vanuit het perspectief van RPIW WLR
Berenschot is gevraagd om een onafhankelijke second opinion te geven op de conceptstukken: het globaal ontwerp, de businesscase, de SOK, de outline besturing en de aandeelhoudersovereenkomst. De concept statuten vallen buiten scope van deze second opinion. De second opinion is bedoeld om met het oog op de oprichting te beoordelen of de wijze waarop het RPIW WLR wordt georganiseerd passend is bij de beoogde doelstelling van het RPIW WLR. Er is gevraagd om scherp te zijn en mogelijke verbeterpunten en aanbevelingen te formuleren. Berenschot is nadrukkelijk gevraagd om door de bril van het RPIW WLR te kijken en niet specifiek vanuit één van de beoogde aandeelhouders.
1.3
Aanpak
In onze aanpak is gekeken naar de vijf hierboven genoemde documenten die de basis vormen voor de oprichting van het RPIW WLR. We hebben een werkwijze gehanteerd waarbij we eerst de inhoud van de stukken grondig analyseren, daarna gesprekken voeren met betrokken partijen en vervolgens nogmaals de diepte ingaan in de stukken. De analyse hebben we gecategoriseerd in drie hoofdonderdelen: 1. Sturing en zeggenschap: dit betreft de aandelen verdeling, de sturing van de AVA en de manier waarop toezicht en tegenspraak is georganiseerd. 2. De organisatie-inrichting: dit betreft de feitelijke beschrijving van de taken van een warmtebedrijf en de manier waarop deze worden uitgevoerd. 3. De businesscase; dit betreft de technische risicoanalyse van de businesscase en een analyse van de benodigde financiering. In de eerste documentanalyse hebben we beoordeeld op volledigheid, logica en of risico. Ook hebben we een eerste juridische check uitgevoerd op de outline en de concept-SOK hebben we het model achter de businesscase gecheckt op onduidelijkheden. Na deze documentenanalyse spraken we met verschillende betrokkenen. Dit waren vertegenwoordigers van EBN, Alliander en de deelnemende gemeenten. In deze gesprekken zijn we ingegaan op de visie van elke partij ten aanzien van de oprichting van het RPIW WLR en de stukken die er liggen.
Pagina 4 van 65
De vertegenwoordigers waren elk even enthousiast over het project, maar hebben de interviews ook gebruikt om hun aandachtspunten te uiten. Deze zijn opgenomen in bijlage 3 van dit rapport. Tevens is er contact geweest met de ontwikkelaars van de businesscase. Vervolgens zijn we de diepte ingegaan. We hebben een grondige check gedaan op de stukken. We hebben de (lacunes) in de onderlinge samenhang in kaart gebracht en gekeken naar de belangrijkste aandachtspunten op het gebied van governance en zeggenschap. We hebben met behulp van het Nbility-model getoetst of de hoofdtaken en processen binnen de organisatie-inrichting goed zijn uitgewerkt. Tot slot hebben we de financiële aannames en de belangrijkste financiële indicatoren van de businesscase geanalyseerd en hebben we de belangrijkste (businesscase)technische aannames van het businesscasemodel beschouwd. De combinatie van analyse en interviews heeft ervoor gezorgd ervoor dat we een compleet beeld hebben kunnen krijgen. Dit heeft geleid tot drie categorieën advies: 1) in acht nemen, 2) heroverwegen of 3) doorvoeren. Voor elk advies hebben we bepaald in welke categorie het valt. Daarnaast hebben we bepaald of het advies kan wachten tot de kwartiermakersfase of dat het al geldt voordat de besluitvorming over de SOK plaatsvindt.
Een overzicht van alle adviezen, inclusief categorie en urgentie om dit voor de SOK uit te werken, is opgenomen in de tabellen vanaf pagina 8.
1.4
Aandachtspunt: Kwartiermakersfase versus RPIW WLR
Een aandachtspunt bij deze second opinion is het verschil tussen de projectstructurering gedurende de kwartiermakersfase en de voorziene governance van het RPIW WLR. In de concept-SOK zijn afspraken gemaakt over de besluitvorming gedurende de kwartiermakersfase (artikel 4 in de concept-SOK). De focus van deze second opinion ligt echter niet op de projectstructurering tijdens de kwartiermakersfase, maar op de governance en de onderliggende businesscase van het op te richten RPIW WLR. Hoe is die governance bedoeld en is die governance passend bij de beoogde doelstellingen?
1.5
Conclusies en aanbevelingen: Sturing en zeggenschap
We hebben gekeken naar de manier waarop de governance en de zeggenschap binnen het RIPW WLR op dit moment zijn bedoeld en vastgelegd in de verschillende documenten. Uit de analyse kwamen de volgende onderwerpen die ons inziens aandacht behoeven: de keuze voor een besloten vennootschap, de verdeling en herijking van de aandelen, de financiering van het RIPW WLR, het inkopen en overdragen van aandelen, de inrichting van het bestuur en de besluitvorming en de toezichthoudende en adviesorganen. De adviezen zijn gecategoriseerd naar 1) in acht nemen, 2) heroverwegen of 3) doorvoeren. Het overzicht van de adviezen ingedeeld naar categorie is opgenomen in tabel 1 en 2 “sturing en zeggenschap” op pagina 8 en 9 We lichten de adviezen in de zwaarste categorie (doorvoeren) eruit. Adviezen die ons inziens opvolging behoeven (doorvoeren) bevinden zich: •
op de keuze voor een besloten vennootschap (leg de keuze voor een bv bestuurlijk vast),
•
op de verdeling van de aandelen (heroverweeg de stemverdeling en bijhorende doorslaggevende percentages),
•
op de herijking van de aandelen (werk de wijze van overdracht van aandelen tussen de gemeenten uit en werk uit hoe afgeweken kan worden van de WEQ verdeling om te voldoen aan de eis dat geen van de gemeenten een meerderheidsaandeel heeft),
•
op het zeggenschap van de AVA (maak van de goedkeuring van het businessplan een besluit waar een meerderheid van >86% mee in moet stemmen),
Pagina 5 van 65
•
op de financiering van het RPIW WLR (splits de besluitvorming van de SOK van de besluitvorming van de aandeelhoudersovereenkomst en laat de besluitvorming voor respectievelijk financieringsverplichting voor tranche 1, 2 en 3 aansluiten bij de gemeentelijke begrotingsprocedures),
•
op het inkopen en overdragen van aandelen (neem alle gewenste voorwaarden voor nieuwe aandeelhouders op) en op toezicht en advies (maak duidelijk hoe en door wie de Raad van Advies kan worden ingesteld).
Vrijwel alle adviezen kunnen in de kwartiermakersfase verder worden uitgewerkt. Uitzondering hierop vormt het advies om de besluitvorming over SOK en de aandeelhoudersovereenkomst afzonderlijk te laten plaatsvinden. De aandeelhoudersovereenkomst maakt als bijlage 3 onderdeel uit van de SOK. Met de ondertekening van de SOK wordt derhalve tevens ingestemd met de aandeelhoudersovereenkomst. In deze overeenkomst zijn bepalingen opgenomen omtrent de financiële inbreng van de betrokken partijen. De eerste financiële bijdrage heeft betrekking op de periode 2027–2036 (tranche 1). Deze inbreng dient per partij te worden vastgelegd in een investeringsplan, dat vervolgens als bijlage 4 aan de aandeelhoudersovereenkomst moet worden toegevoegd. Op dit moment ontbreekt deze bijlage echter nog. Het investeringsplan (inclusief de daarbij behorende financiering) voor tranche 1 wordt naar verwachting afgerond aan het einde van het derde kwartaal of het begin van het vierde kwartaal van 2026, kort voor de geplande oprichting. De ondertekening van de SOK staat gepland voor begin 2026. Dit betekent dat bij ondertekening van de SOK de omvang van de investeringen per partij nog niet bekend zal zijn. Partijen kunnen geen financiële verplichtingen aangaan zonder dat de benodigde cijfers beschikbaar zijn.
Dit zou echter wél het geval zijn indien vooruitlopend op het investeringsplan reeds tot ondertekening van de aandeelhoudersovereenkomst wordt overgegaan. Om die reden wordt geadviseerd de besluitvorming te splitsen en de aandeelhoudersovereenkomst pas te ondertekenen zodra ook het bijbehorende investeringsplan voor tranche 1 gereed is.
1.6
Conclusies en aanbevelingen: Organisatie-inrichting
In het globaal ontwerp zijn de taken van het RPIW WLR beschreven. De uitwerking hiervan in het businessplan staat gepland voor 2026. In aanloop daarnaartoe hebben wij getoetst in hoeverre de belangrijkste bestanddelen voor de nieuw op te richten organisatie zijn beschreven in het globaal ontwerp. Hierbij is gebruikgemaakt van het NBility-model1: het gezamenlijke, open source referentiemodel van alle Nederlandse netbeheerders. Hierin worden de kerntaken van een netbeheerder beschreven. Net als elektriciteit- en gasbedrijven is een warmtebedrijf een netbeheerder. Dit model is in deze fase een goed startpunt voor de verdere uitwerking van de taken voor een warmtebedrijf. Het model maakt onderscheid tussen de kerntaken en de ondersteunende taken, deze splitsing wordt in dit rapport gehanteerd in opbouw van de adviezen. Daarnaast is de (mogelijke) inzet van het warmteservice bedrijf onder de loep genomen. Onze adviezen zijn wederom gecategoriseerd naar 1) in acht nemen, 2) heroverwegen of 3) doorvoeren. Het overzicht van de adviezen ingedeeld naar categorie is opgenomen in tabel 3 “organisatie-inrichting” op pagina10. We lichten de adviezen in de zwaarste categorie (doorvoeren) eruit. Adviezen die ons inziens opvolging behoeven (doorvoeren) bevinden zich: •
op de kerntaken (neem de taak inkomsten beperken mee, neem de taak energienet richtlijnen en patronen vaststellen mee, werk uit welke verantwoordelijkheden het warmtebedrijf zelf draagt en welke uitbesteed kunnen worden, werk uit hoe de datainfrastructuur wordt ingericht), en
Het NBility-model wordt door o.a. Firan ook gebruikt als startpunt voor de taakomschrijving van een warmtebedrijf. 1
Pagina 6 van 65
•
op het warmteservicebedrijf (werk de keuzes met betrekking tot het warmteservicebedrijf expliciet uit).
Vrijwel alle adviezen kunnen in de kwartiermakersfase uitgewerkt worden. Alleen het advies om de keuze rondom het warmteservicebedrijf expliciet uit te werken speelt voor de ondertekening van de SOK. Hoewel de beschrijving van de taken grotendeels volledig is dan wel in de kwartiermakersfase uitgewerkt kan worden, ontbreekt het nog aan een duidelijke invulling van de wijze waarop deze taken worden georganiseerd: welke werkzaamheden worden intern uitgevoerd en welke worden uitbesteed aan marktpartijen? Een mogelijke optie is het uitbesteden van taken aan het Warmteservicebedrijf (WSB) bij Alliander. Deze keuze heeft implicaties voor zowel de businesscase als de inrichting van de (start)organisatie van het warmtebedrijf. Gezien de implicaties voor de businesscase van de (start)organisatie adviseren hier nog voor tekening van de SOK op te acteren.
1.7
Conclusies en aanbevelingen: Businesscase
Bij deze second opinion-beoordeling van de businesscase hebben we ons gericht op 1) een risicoanalyse en 2) een inhoudelijke controle van de businesscase. Bij de inhoudelijke controle hebben we de juistheid van de berekeningen en de implementaties van het model gecontroleerd. In algemene zin merken we op dat het model goed is opgebouwd en dat de berekeningen zorgvuldig, netjes en gestructureerd zijn opgebouwd. Met name de gestructureerde opbouw en de veelvuldige herhaling van berekeningen op dezelfde manier zorgen ervoor dat we geen slordigheidsfouten hebben ontdekt of die nog verwachten. We hebben verder geen onvolkomenheden aangetroffen met betrekking tot de modellering. Er zijn dus geen adviezen op dit onderdeel geformuleerd. De risicoanalyse bestaat uit ook weer uit twee onderdelen: 1) analyse van de financiering en 2) een (businesscase-)technische risicoanalyse. In het eerste onderdeel hebben we de financiële aannames van de businesscase geanalyseerd en de belangrijkste financiële indicatoren van de businesscase beschouwd. Voor het tweede onderdeel is gekeken naar de belangrijkste (businesscase-) technische aannames van het businesscasemodel. De adviezen zijn wederom gecategoriseerd naar 1) in acht nemen, 2) heroverwegen of 3) doorvoeren. Het overzicht van de adviezen ingedeeld naar categorie is opgenomen in tabel 4 en 5 “businesscase” op pagina 11 en 12.
We lichten de adviezen in de zwaarste categorie (doorvoeren) eruit, dit betreft overigens een groot deel van de adviezen. Adviezen die ons inziens opvolging behoeven (doorvoeren) ten aanzien van de financiering bevinden zich: op het tekort van € 458 miljoen dat in de business case impliciet opgevangen wordt door een niet-gegarandeerde subsidie (benoem het te kort van € 458 miljoen en de kanttekening dat er nog geen aanvullende subsidie beschikbaar is en voer verkennende alternatieve scenario’s door), op de grote afhankelijkheid van de restwaarde na 2058 (maak de onzekerheden rondom de restwaarde expliciet en de aannames transparant), op de dividenduitkering (onderbouw expliciet en transparant de dividenduitkering in relatie tot de investeringsplannen) op het ontbreken van financiële impact van de risicoanalyse (voer de belangrijkste risico’s door via een kwantitatieve financiële scenario analyse) en op de rente op het vreemd vermogen (voer een gevoeligheidsanalyse uit op de 3,5% rentevoet, ga na of het waarborgfonds praktische voordelen biedt). Adviezen die ons inziens opvolging behoeven (doorvoeren) ten aanzien van de technische risico analyse bevinden zich op: het ontbreken van kostenposten in de businesscase, op ambitieuze aannames voor inkomsten en op onvolledig inzicht in financiële risico’s.
Ten aanzien van de kostenposten geldt: er is geen rekening gehouden met leegstand en debiteuren risico, het gebruik van grond is niet meegenomen, het warmteverlies in de leidingen is niet expliciet meegenomen, adminstratie- en beheers- en overheadkosten zijn niet meegenomen in de pre-exploitatiefase. Geadviseerd wordt om deze posten te controleren en door te voeren. Ten aanzien van de ambitieuze
Pagina 7 van 65
aannames geldt: er wordt uitgegaan van een ambitieuze aansluitsnelheid, het risico van vertraagde realisatie wordt niet meegenomen en er wordt uitgegaan een hoge participatiegraad van 80% zonder onderbouwing. Geadviseerd wordt om scenario’s door te rekenen en op te nemen en de effecten van de vertragingen op de kasstromen inzichtelijk te maken. We merken op dat er wel een gevoeligheidsanalyse opgenomen, maar die maakt het effect van scenarioanalyses die zich richten op vertragingen of langzamere aansluittempo’s niet inzichtelijk. Ten aanzien van het onvolledige inzicht in financiële risico’s geldt: specifieke informatie over warmtebronnen ontbreekt (denk aan de kosten en het moment van inbedrijfstelling). Daarnaast is er geen differentiatie gemaakt tussen MTen LT aansluitingen, hierdoor zijn niet alle kosten inzichtelijk en de kostenverschillen tussen de twee typen warmtenetten kunnen groot zijn. Geadviseerd wordt om uit te werken welke warmtebronnen ingezet gaan worden en scenario’s te modelleren waarin onderscheid gemaakt wordt in MT en LT aansluitingen. Kortom de businesscase vormt een goede basis, maar vraagt op meerdere onderdelen om verdere verdieping en verfijning. Door de genoemde aandachtspunten mee te nemen in de volgende fase van uitwerking, kan de businesscase sterker, realistischer en beter onderbouwd worden.
Hoewel het niet altijd mogelijk is om alle risico’s volledig te voorkomen, is het wel belangrijk om goed voorbereid te zijn op risico’s die een grote kans hebben om werkelijkheid te worden. Voor deze belangrijke risico’s moeten er duidelijke maatregelen zijn om de gevolgen te beperken (mitigerende maatregelen) en alternatieve plannen (fallback- en worst-case scenario’s) voor het geval ze toch optreden. Daarnaast is het essentieel dat er helder wordt beschreven wie verantwoordelijk is voor het beheren en mitigeren van deze risico’s. Dit kan variëren per risico en betrokken partij, zoals gemeenten, aandeelhouders of contractanten. Tot slot zien we dat de huidige businesscase meerdere warmteprojecten tot één geheel bundelt. Hoewel dit begrijpelijk is vanuit strategisch perspectief, is het voor de financiële sturing en risicobeheersing belangrijk om ook de prestaties van de afzonderlijke projecten inzichtelijk te maken. Dit maakt het mogelijk om flexibel te reageren als bepaalde projecten vertragen of niet doorgaan, en om gerichter te sturen op rendement, risico en prioritering. De
adviezen
met
betrekking
tot
de
businesscase
kunnen
doorgevoerd
worden
in
de
kwartiermakersfase mits de besluitvorming van de SOK en de aandeelhoudersovereenkomst van elkaar gescheiden wordt. Een uitgewerkte businesscase is namelijk nodig om een realistisch investeringsplan op te stellen (zie: paragraaf 1.5).
Pagina 8 van 65
Tabel 1 Overzicht adviezen hoofdstuk 3: sturing en zeggenschap (1/2)
NB. De aanbevelingen met een uitroepteken (!) zouden voor de ondertekening van de SOK doorgevoerd moeten worden. De overige aanbevelingen kunnen tijdens de kwartiermakersfase opgepakt worden.
Pagina 9 van 65
Tabel 2 Overzicht adviezen hoofdstuk 3: sturing en zeggenschap (2/2)
NB. De aanbevelingen met een uitroepteken (!) zouden voor de ondertekening van de SOK doorgevoerd moeten worden. De overige aanbevelingen kunnen tijdens de kwartiermakersfase opgepakt worden.
Pagina 10 van 65
Tabel 3 Overzicht adviezen hoofdstuk 4: Organisatie-inrichting
NB. De aanbevelingen met een uitroepteken (!) zouden voor de ondertekening van de SOK doorgevoerd moeten worden. De overige aanbevelingen kunnen tijdens de kwartiermakersfase opgepakt worden.
Pagina 11 van 65
Tabel 4 Overzicht adviezen hoofdstuk 5: Businesscase (1/2)
NB. Ons advies is om de aanbevelingen van de businesscase door te voeren voordat partijen financieel commitment moeten afgeven met het tekenen van de aandeelhoudersovereenkomst.
Pagina 12 van 65
Tabel 5 Overzicht adviezen hoofdstuk 5: Businesscase (2/2)
NB. Ons advies is om de aanbevelingen van de businesscase door te voeren voordat partijen financieel commitment moeten afgeven met het tekenen van de aandeelhoudersovereenkomst.
Pagina 13 van 65
HOOFDSTUK 2
Inleiding 2.1
Achtergrond
De gemeenten Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Oegstgeest, Voorschoten en Zoeterwoude en EBN en Firan werken samen binnen het programma Warmtetransitie Leidse Regio (WLR) en hebben een intentieovereenkomst
getekend
voor
de
oprichting
van
het
Regionaal
Publiek
Integraal
Warmtebedrijf Warmte Leidse Regio (RPIW WLR), in lijn met de Wet collectieve warmte. Het warmtebedrijf zal 100.000 woningen en gebouwen in de regio verwarmen met restwarmte (via WarmtelinQ), geothermie en mogelijk aquathermie, met de borging van publieke waarden als uitgangspunt. Begin 2026 willen de partijen er een samenwerkingsovereenkomst (SOK) worden getekend voor de oprichting van het RPIW WRL in 2027. Hiertoe zijn er voor de zomer van 2025 een aantal documenten opgesteld: 1. Globaal ontwerp RPIW WLR – versie 0.8. 2. Globale Businesscase – v03d. 3. Outline besturing – versie 5b. 4. Concept-SOK – versie 2. 5. Concept-aandeelhoudersovereenkomst – versie 31 juli 2025. Er zijn tevens statuten opgesteld maar deze vallen, in overleg met de opdrachtgever, buiten de scope van deze second opinion.
2.2
Vraag
Het oprichten van een publiek warmtebedrijf is geen eenvoudige opgave en vereist veel juridische, organisatorische, financiële en technische expertise. Bovendien zijn er nog relatief weinig gemeenten die al daadwerkelijk een warmtebedrijf hebben opgericht. Tegelijkertijd is de politieke discussie op landelijk niveau nog volop in beweging, bijvoorbeeld door het rapport Verkenning Warmtebedrijven (december 2024).2 Het blijft daarmee in zekere zin een pioniersopgave in een dynamische omgeving. Berenschot is gevraagd om een second opinion uit te voeren op de documenten van het RPIW WLR. Deze second opinion is een onafhankelijke en deskundige beoordeling van de concept-stukken voor de oprichting van het RPIW WLR. De second opinion is bedoeld om met het oog op de oprichting te beoordelen of de wijze waarop het RPIW WLR wordt georganiseerd passend is bij de beoogde doelstelling van het RPIW WLR. Er is gevraagd om scherp te zijn en mogelijke verbeterpunten en aanbevelingen te formuleren. Berenschot is nadrukkelijk gevraagd om vanuit de bril van het RPIW WLR te kijken en niet specifiek vanuit één van de beoogde aandeelhouders.
Verkenning Warmtebedrijven - Voldoende uitvoeringskracht voor doelstellingen warmtelevering | Rapport | Rijksoverheid.nl 2
Pagina 14 van 65
2.3
Leeswijzer
De second opinion kijkt naar drie onderdelen van de oprichting van het RPIW WLR: 1. Sturing en zeggenschap. 2. Organisatie-inrichting. 3. Businesscase. Deze drie onderdelen worden op deze volgorde in de volgende drie hoofdstukken beschouwd. De hoofdstukken zijn als volgt opgebouwd: eerst wordt samengevat wat er in de verschillende stukken beschreven staat, vervolgens is er gekeken naar de samenhang en discrepantie tussen de stukken, met tot slot de conclusies en de aanbevelingen. In de bijlage vindt u nog extra toelichting op: 1. de uitkomsten van de interviews 2. het NBility-model, toegepast op de organisatie-inrichting 3. een juridische check op de concept-SOK en de outline besturing 4. AVA: gewone en zware besluiten.
2.4
Aandachtpunt: kwartiermakersfase versus RPIW WLR
Aandachtspunt is het verschil tussen de projectstructurering gedurende de kwartiermakersfase en de voorziene governance van het RPIW WLR. In de concept-SOK zijn afspraken gemaakt over de besluitvorming gedurende de kwartiermakersfase (artikel 4 in de SOK). De focus van deze second opinion ligt echter niet op de projectstructurering tijdens de kwartiermakersfase maar op de governance en de onderliggende businesscase van het op te richten RPIW WLR: hoe is die governance bedoeld en is die governance passend bij de beoogde doelstellingen?
2.5
Disclaimer
Berenschot biedt met deze second opinion een onafhankelijke beoordeling en reflectie op de plannen voor de oprichting van het RPIW WLR. Deze beoordeling is uitgevoerd binnen de beschikbare tijd en middelen, op basis van aangeleverde informatie en gesprekken met betrokken partijen. Onze bevindingen zijn gebaseerd op de beschikbare informatie op het moment van opstellen; het ontbreken of onjuist zijn van gegevens kan onze conclusies beïnvloed hebben. Onze adviezen blijven beperkt tot wat binnen de gestelde kaders redelijkerwijs mogelijk is. Het succes van de realisatie en besluitvorming door derden valt buiten onze invloed, en de verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de opdrachtgever en eventuele samenwerkingspartners. Met betrekking tot de review van de globale businesscase beperken wij ons tot de beoordeling van de financiële businesscase zoals die is opgesteld. We toetsen de interne consistentie van het model, de uitkomsten en de wijze waarop de financiële parameters zijn toegepast. Daarbij gaan we nadrukkelijk niet in op het technisch ontwerp van het warmtenet, noch controleren we de juistheid of volledigheid van de aangeleverde aannames (zoals begrote investeringen voor specifieke leidingen) en invoergegevens, waaronder de input van Greenvis. Deze elementen worden als gegeven beschouwd en vallen buiten de scope van deze analyse.
Wel doen we uitspraken als wij bepaalde aannames te hoog of te laag achten op basis van onze expertise. Tot slot bevelen wij aan dat alle aannames die ten grondslag aan de businesscase voor oprichting van het RPIW WLR gevalideerd moeten worden.
Pagina 15 van 65
HOOFDSTUK 3
Sturing en zeggenschap Sturing en zeggenschap zijn belangrijke onderdelen voor een organisatie. Bij wie liggen bepaalde bevoegdheden en hoe loopt de besluitvorming? Voor een organisatie zijn hier veel verschillende mogelijkheden en keuzes in te maken, afhankelijk van de rechtsvorm en de gewenste sturing vanuit verschillende partijen. Daarbij komt ook kijken op welke manier geborgd wordt dat besluiten goed genomen worden en daar toezicht op wordt gehouden. In dit hoofdstuk komen deze onderdelen aanbod. Er wordt ingegaan op de rechtsvorm, de aandelenverhouding en de zeggenschap van de aandeelhouders, de besluitvorming, het bestuur, de financiering, de overdracht van aandelen, en het toezicht en advies.
3.1
Aanpak: documentenvergelijking op zes onderdelen
Voor sturing en zeggenschap kijken we naar de volgende onderdelen: de rechtsvorm, de aandelenverhouding en de zeggenschap van de aandeelhouders, de besluitvorming en het bestuur, de financiering, de overdracht van aandelen, en het toezicht en advies. Er zijn een viertal documenten opgesteld waarin voor het RPIW WLR de sturing en zeggenschap zijn opgeschreven: •
Het globaal ontwerp – versie 0.8.
•
Outline besturing – versie 5b.
•
Concept-SOK– versie 2.
•
Concept aandeelhoudersovereenkomst – versie 31 juli 2025.
Per document is er gekeken wat er over een bepaald onderdeel opgeschreven staat. Vervolgens is er gekeken naar drie aspecten: 1. De samenhang: in hoeverre komt de inhoud in de verschillende stukken overeen of zijn er discrepanties? 2. De conclusies: welke conclusies kunnen er getrokken worden op basis van de inhoud, waarbij gekeken is naar de volledigheid en mogelijke risico’s voor de oprichting van het warmtebedrijf? 3. De aanbevelingen: Welke stappen zouden er nog gezet moeten worden richting de oprichting van het warmtebedrijf? Hierbij zijn drie typen aanbevelingen te onderscheiden: a. Welke punten moeten er in acht genomen worden? b. Welke punten adviseren wij te heroverwegen? c. Welke punten adviseren wij nog door te voeren?
Pagina 16 van 65
3.2
Een besloten vennootschap
Het RPIW WLR wordt opgericht als een besloten vennootschap. In deze paragraaf kijken we naar wat er in de stukken staat opgeschreven over de bv-constructie. In deze paragraaf staat beschreven wat er in de verschillende stukken is opgenomen, of de stukken congruent zijn en geven we aanbevelingen.
3.2.1
Wat staat er in de stukken?
3.2.1.1
Globaal ontwerp
In het globaal ontwerp staat dat het RPIW WLR wordt opgericht als besloten vennootschap (bv). Het RPIW WLR moet voldoen aan de wetgeving, waaronder de nieuwe Wcw. Daarom moet het warmtebedrijf aandeelhouders kennen, met daarbij een meerderheid van publieke aandeelhouders. Dit kan in de vorm van een naamloze vennootschap (nv) of een besloten vennootschap (bv). Vanwege de flexibiliteit in Nederlandse regelgeving wordt er door de werkgroep gekozen voor een bv.
3.2.1.2
Outline besturing
In de outline besturing staat dat het RPIW WLR wordt opgericht en dat de notaris een aandeelhoudersovereenkomst en statuten zal opstellen.
3.2.1.3
Samenwerkingsovereenkomst
In de concept-SOK staat benoemd dat het RPIW WLR wordt opgericht en dat er een oprichtingsakte wordt opgesteld. Hierin staat niet benoemd dat de rechtsvorm van het RPIW WLR een besloten vennootschap zal zijn.
3.2.1.4
Aandeelhoudersovereenkomst
In de aandeelhoudersovereenkomst wordt gesproken over het Regionaal Publiek Integraal Warmtebedrijf Leidse Regio als besloten vennootschap (Ondergetekende, IX).
3.2.2
Samenhang, conclusies en aanbevelingen
In alle documenten wordt uitgegaan van een vennootschap, waarbij de gemeenten, EBN en Alliander allemaal aandeelhouders zijn. In het globaal ontwerp wordt deze redenering toegelicht aan de hand van Nederlandse wet- en regelgeving. In de aandeelhoudersovereenkomst wordt het RPIW WLR ook als bv opgenomen als één van de ondergetekenden.
3.2.2.1
Conclusies en aanbevelingen
De keuze voor een bv stellen wij hier niet ter discussie, maar in de aanloopfase naar de oprichting van het RPIW WLR is het belangrijk dat deze keuze bestuurlijk is vastgelegd, zodat deze keuze niet meer in twijfel getrokken wordt en de stappen voor de oprichting van een bv gezet kunnen worden zonder dat deze keuze op een later moment weer ter discussie wordt gesteld. Het is de vraag of deze keuze daadwerkelijk en afdoende is vastgelegd door deze (alleen) in het globaal ontwerp op te nemen. De keuze voor de oprichting van een bv brengt vervolgstappen met zich mee voor de manier waarop het
bedrijf
moet
worden
opgericht,
zoals
het
opstellen
van
statuten
en
een
aandeelhoudersovereenkomst. Op dit moment is AKD bezig met de uitwerking van deze stukken, maar is het niet duidelijk of de keuze voor een bv ergens bestuurlijk is vastgelegd.
Pagina 17 van 65
Dit komt onder andere door artikel 3.5 uit de SOK, waarin wordt gesteld dat het globaal ontwerp in de kwartiermakersfase wordt aangescherpt. Impliciet lezen wij hier dat de keuze voor een rechtsvorm nog kan worden aangescherpt. Wij adviseren het volgende (door te voeren): 1. Leg de keuze voor een bv bestuurlijk vast, zodat hier in de kwartiermakersfase geen discussie meer over plaatsvindt.
3.3
Verdeling en herijking aandelen en zeggenschap AVA
We kijken in deze paragraaf naar de wijze waarop de aandelen verdeeld worden en het bijbehorende zeggenschap van de algemene vergadering van aandeelhouders (AVA). In deze paragraaf staat beschreven wat er in de verschillende stukken is opgenomen, of de stukken congruent zijn en geven we aanbevelingen.
3.3.1 3.3.1.1
Wat staat er in de stukken? Globaal ontwerp
Verdeling (paragraaf 7.4) Een belangrijke keuze die partijen dienen te maken, is de grootte van het aandeel in het RPIW WLR. De grootte van het aandeel is voor een belangrijk deel bepalend voor de verhouding die ontstaat tussen de partijen én de invloed die zij kunnen uitoefenen op het (bestuur van het) RPIW WLR. Naast het aandeel dat gemeenten in gezamenlijkheid nemen in het RPIW WLR, is het ook belangrijk om afspraken te maken over de percentuele verdeling tussen gemeenten onderling. Een verdeling op basis van de warmtevraag lijkt de meest eerlijke (en daarmee de beste) verdeelsleutel. Herijking (paragraaf 7.4) Het voorstel om het verschil in timing van de warmtevraag glad te strijken, is om de gehele opgave tot 2050 als uitgangspunt te nemen en deze periodiek te herijken. Zeggenschap AVA (paragraaf 7.3) Aandeelhouders hebben op hoofdlijnen invloed op de strategie en het beleid van het RPIW WLR. Om dit te waarborgen, worden belangrijke besluiten ter goedkeuring voorgelegd aan de AVA.
3.3.1.2
Outline besturing
Verdeling (paragraaf4.1, 4.2 en 4.7) In de outline worden twee mogelijke scenario’s benoemd (artikel 4.1). Echter is het 2e scenario niet meer van toepassing. Dit betekent dat EBN, Alliander en gemeenten een aandeel van 33,3% verwerven. Paragraaf 4.2. stelt dat de WLR-gemeenten er de voorkeur geven aan om de onderlinge verdeling van het totale gemeenschappelijke aandeelhouderspercentage te maken aan de hand van de warmtevraag (uitgedrukt in warmte-equivalenten (WEQ). Daarbij is het de wens van de WLRgemeenten dat geen van de gemeenten een ‘meerderheidsaandeel’ heeft ten opzichte van een andere gemeente binnen het gemeenschappelijke aandeelhouderspercentage. In paragraaf 4.7. worden de scenario’s in het kader van de besluitvorming verder uitgewerkt, met aandacht voor wat de percentages betekenen voor de aandelen. Er worden in totaal 3.000 aandelen uitgegeven, verdeeld over de acht verschillende aandeelhouders.
Pagina 18 van 65
Herijking (paragraaf 4.2) Het voorstel is om de eerste herijking van de aandelenverhouding te doen met het vaststellen van de warmteprogramma’s in 2026, met vervolgens een herijking op 31 oktober 2036 en 31 oktober 2046. Zeggenschap AVA (paragraaf 4.4, 4.5 en 4.7) Paragraaf 4.4 stelt dat de AVA: •
het bestuur benoemt
•
beslist over zaken waar goedkeuring van de aandeelhouders voor nodig is met een lichte meerderheid (gewoon besluit)
•
beslist over zaken waar goedkeuring van de aandeelhouders voor nodig met een zware meerderheid (zwaar besluit)
•
in de statuten een bevoegdheid krijgt om aanwijzingen te geven aan het bestuur
•
op basis van de wet een zogenaamde restbevoegdheid heeft.
Paragraaf 4.5 stelt dat het businessplan jaarlijks goedgekeurd wordt door de AVA. Dit geldt ook bij contracten die meer dan 10% afwijken van het businessplan of een bedrag van € 2,5 miljoen te boven gaan. Paragraaf 4.7 stelt dat voor het nemen van zware besluiten 87% van de aandelen nodig is; voor het nemen van gewone besluiten is 66,7% van de aandelen nodig.
3.3.1.3
Samenwerkingsovereenkomst
Verdeling (artikel 3.2) In de concept-SOK wordt op dit moment uitgegaan van een verdeling van aandelen waarbij EBN en Firan allebei 33,33% van de aandelen hebben en gemeenten gezamenlijk ook 33,33% (artikel 3.2). Deze 33,33% van de aandelen wordt onder de gemeenten verdeeld op basis van het aantal woningequivalenten dat is aangesloten aan het RPIW WLR per gemeente in het eindbeeld in 2050 (artikel 3.2.3). De verdeling van de aandelen tussen de gemeenten is uitgewerkt in bijlage 4 van de SOK. Deze bijlage hebben wij niet ontvangen. Herijking (artikel 3.2.3) De onderlinge verdeling wordt herijkt per 31 december 2026 op basis van de warmtevraag van de projecten in het RPIW WLR tot 2050 (berekend op basis van de WEQ’s). Dit is nader uitgewerkt in de aandeelhoudersovereenkomst. Nota bene: de aandeelhoudersovereenkomst vormt een bijlage bij de SOK. Zeggenschap AVA Over zeggenschap is niets expliciets opgenomen.
3.3.1.4
Aandeelhoudersovereenkomst
Verdeling (overweging B) In de aandeelhoudersovereenkomst geeft onderstaande tabel de verhoudingen weer:
Pagina 19 van 65
A.
Tabel 6: verdeling aandelen (bron: aandeelhoudersovereenkomst).
Naam
Aantal Aandelen
Percentage totaal
Alliander EBN
100.000 100.000
33,33% 33,33%
Katwijk Leiden
19.300 49.200
6,42% 16,41%
Leiderdorp Oegstgeest
9.300 9.500
3,11% 3,16%
Voorschoten Zoeterwoude
9.700 3.000
3,24% 1%
Totaal
300.000
100%
Herijking (artikel 7.9, 7.10, 7.11 en 7.12) Herijking van de aandelen van de gemeenten is voorzien in artikel 7.9 op 31 oktober 2036 en 31 oktober 2046. Herijking geschiedt bij voorkeur door middel van onderlinge overdracht van de aandelen tussen de gemeenten (artikel 7.10), waarbij het streven is om het gezamenlijk aandelenbelang op 33,33% te houden (artikel 7.11). Tot slot worden partijen in de gelegenheid gesteld om hun aandeelhoudersbelang te handhaven tegen het percentage dat geldt vlak voor de desbetreffende uitgifte. Zeggenschap (artikel 3.14, 3.19, 6.2 en 6.3.) Artikel 3.14 stelt dat: •
zaken opgenomen in bijlage 2 van de aandeelhoudersovereenkomst goedkeuring van de Raad van Commissarissen (RvC) behoeven of, indien er nog geen RvC is ingesteld, van de AVA met een meerderheid van 66,7% (artikel 3.14.1)
•
zaken opgenomen onder nummer 13 in bijlage 3 van de aandeelhoudersovereenkomst goedkeuring van de AVA behoeven en de RvC (indien deze is ingesteld) met een meerderheid van 87% (artikel 3.14.2).
Artikel 3.19 stelt dat het bestuur elk jaar het concept-businessplan opstelt en ter goedkeuring voorlegt aan de AVA. Artikel 6.2 stelt dat gewone besluiten genomen worden met een meerderheid van ten minste 66,7% van de uitgebrachte stemmen. Artikel 6.3 stelt dat bijzondere besluiten genomen worden met een meerderheid van tenminste 87% van de stemmen. Nota bene: bijlagen 2 en 3 zijn opgenomen in bijlage 4 van dit rapport.
3.3.2
Samenhang, conclusies en aanbevelingen
3.3.2.1
Samenhang
De volgende punten vallen op, en dienen mogelijk eenduidig verwerkt te worden: •
De outline kent nog twee scenario’s voor verdeling van de aandelen. Alle overige documenten spreken van een verdeling in drie gelijke delen.
•
In de concept-SOK wordt niks gesteld over de zeggenschap van de AVA, dit is indirect vastgelegd via de aandeelhoudersovereenkomst in de bijlage bij de SOK.
•
De
wens
dat
geen
van
de
gemeenten
een
‘meerderheidsaandeel’
verkrijgt
bij
een
aandelentransactie is opgenomen in de outline maar heeft geen plek gekregen in de aandeelhoudersovereenkomst. •
De besluitenlijsten in de aandeelhoudersovereenkomst sluiten niet aan bij de besluitenlijsten in de outline. In de aandeelhoudersovereenkomst lijken de ‘gewone’ besluiten te ontbreken. De lijst van besluiten die in bijlage 2 van de aandeelhoudersovereenkomst staat zou een 66,7%
Pagina 20 van 65
meerderheid benodigen (artikel 3.1.4), maar wordt in de outline beschouwd als een lijst van ‘zware’ besluiten. •
Het aantal aandelen dat kan worden uitgegeven verschilt
tussen de outline en de
aandeelhoudersovereenkomst. In de outline wordt uitgegaan van in totaal 3.000 aandelen (paragraaf 4.7), in de aandeelhoudersovereenkomst zijn dit er 300.000 (Overweging B).
3.3.2.2
Conclusies en aanbevelingen
We gaan uit van de aandeelhoudersverdeling als opgenomen in de aandeelhoudersovereenkomst. Deze aandelenverhouding kent meerdere aandachtspunten. De gemeenten vormen geen unaniem blok van stemmen De gemeenten worden in deze verdeling als één partij beschouwd, maar zijn zes separate gemeenten met veschillende belangen en opgaven. In de praktijk zullen zij hierdoor geen homogeen front vormen. De gemeenten verschillen wezenlijk in hun uitgangspositie, urgentie, financiële draagkracht en mate van betrokkenheid. Als voorbeeld heeft Katwijk te maken met beperkte beschikbaarheid in de ondergrond voor warmtenetten, terwijl deze beperking voor andere gemeenten in mindere mate geldt. Zoeterwoude en Leiderdorp zijn sterk afhankelijk van bovenlokale bronnen, terwijl deze afhankelijkheid voor andere gemeenten minder opgaat. Deze verschillen leiden tot uiteenlopende belangen en risicopercepties, waardoor de gemeenten zich in de praktijk waarschijnlijk niet als één blok zullen gedragen. Wij adviseren (in acht te nemen): 2. Neem in acht dat gemeenten zich niet als een unaniem blok zullen gedragen en dat dit mogelijk vertraging oplevert in de besluitvorming van het RPIW WLR. De verdeling op basis van WEQ, met elke tien jaar herijkingsmogelijkheden De verdeling onder gemeenten is gemaakt op basis van WEQ’s in het eindbeeld in 2050.
Deze onderlinge verdeling wordt eind 2026 herijkt, wanneer alle warmteprogramma’s zijn vastgesteld. Voor de oprichting van het RPIW WLR moet een financieringsbesluit genomen worden door alle partijen. Hiervoor moet dus de aandelenverhouding duidelijk zijn. Dit betekent dat begin Q4 2026 de aandelen verdeeld moeten worden. Indien gemeenten hierna nog warmteprogramma’s vaststellen, betekent dit dat mogelijk begin 2027 de aandelen herverdeeld moeten worden. Daarnaast vindt elke tien jaar een periodieke herijking van aandelen plaats tussen gemeenten. De aandeelhoudersovereenkomst voorziet in enkele voorwaarden waaronder deze herijking van aandelen mogelijk is, maar deze voorwaarden zijn erg afgezwakt door woordkeuzes als ‘het streven is’ en ‘bij voorkeur’. Wij adviseren (door te voeren): 3. Voer een blokkeringsregeling/kwaliteitsregeling in waarin wordt vastgesteld dat bij de herijking van aandelenverdeling op basis van WEQ’s de aandelen die in handen zijn van gemeenten alleen overgenomen mogen worden door de al zittende aandeelhoudende gemeenten. Als dit niet opgenomen wordt, is het bijvoorbeeld ook mogelijk dat Firan, EBN of een nieuwe aandeelhouder de aandelen van een gemeente overkoopt. 4. Werk de wijze waarop de overdracht van aandelen tussen gemeenten plaatsvindt uit.
Hoe wordt bepaald welke gemeente de aandelen van een andere gemeente overkoopt, hoe wordt de waardering gedaan, waarmee wordt de prijs bepaald, etc.? 5. Als het de wens is dat geen van de gemeenten een ‘meerderheidsaandeel’ verkrijgt bij een aandelentransactie dient dit te worden opgenomen in de aandeelhoudersovereenkomst. Dit maakt de herijking van aandelen echter een stuk complexer. Er dient een uitzonderingsregel opgenomen te worden die harder dient te zijn dan hetgeen de outline voorschrijft. Er dient
Pagina 21 van 65
expliciet opgenomen te worden hoe er wordt afgeweken van de WEQ-verdeling om ervoor te zorgen dan niet één gemeente tot een meerderheidsaandeel kan komen. Daarbij dient ook in acht genomen te worden of er al dan niet afgeweken mag worden van de verdeling in drie gelijke delen. Zeggenschap AVA De zeggenschap binnen de AVA is met name geregeld door twee typen besluiten die zijn opgenomen in
de
besluitenlijsten.
De
besluitenlijsten
zijn,
zoals
deze
opgenomen
zijn
in
de
aandeelhoudersovereenkomst, voor de volledigheid opgenomen in bijlage 4 van dit rapport. Opvallend is dat het businessplan benoemd is als een ‘gewoon’ bestuursbesluit, waar 66,7% mee moet instemmen (bijlage 2 van de aandeelhoudersovereenkomst). Gegeven het belang van dit document ligt het in de rede om hiervan een besluit te maken waar minimaal 87% mee moet instemmen, mede vanwege de opmerking in de outline (paragraaf 4.7) dat WLR-gemeenten sturingsmogelijkheden hebben in het goedkeuren van het businessplan. Wij adviseren (door te voeren): 6. Maak de goedkeuring van het businessplan tot een besluit waar minimaal 87% van de aandelen mee in moet stemmen. Dit biedt de gemeenten de ruimte om middels het (goedkeuren van het) businessplan sturing uit te oefenen. Het huidige zeggenschapsmodel is gebaseerd op het aandelenpercentage. Dat is op zich een logische keuze, passend bij het principe wie betaalt, bepaalt. In de praktijk betekent dit echter dat Alliander en EBN samen de benodigde meerderheid hebben voor ‘gewone’ besluiten, waardoor zij deze zelfstandig kunnen nemen. Wij vragen ons af of dit wenselijk is. Er is immers bewust gekozen om gezamenlijk op te trekken met de gemeenten en daarbij ook hun inbreng op het gebied van beleid en maatschappelijke belangen te benutten.
Om te voorkomen dat de rol van de (kleinere) gemeenten ondergesneeuwd raakt, kan er worden gekeken naar alternatieve constructies. Het is een mogelijkheid om iedere partij één stem te geven, zoals ook is vastgelegd in de statuten van Alliander ten aanzien van de besluitvorming binnen Alliander. Gezien de substantiële verschillen in financiële inbreng en bijbehorende risico’s, is dat wellicht voor de grotere partijen minder aantrekkelijk. Ander mogelijkheden
zijn
het
instellen
van
een
commissie
waarin
de
gemeenten
gezamenlijk
vertegenwoordigd zijn en via die weg hun stem kunnen laten gelden, of categorieën in te bouwen waar gemeenten wel een grotere zeggenschap in hebben (naast de hieronder genoemde 87%categorie). Wij adviseren (te heroverwegen): 7. Herzie de gewenste meerderheid van 66,7% bij gewone besluiten en pas die aan, zodat er geen besluiten genomen kunnen worden door de twee grote partijen niet zijnde gemeenten. In de aandeelhoudersovereenkomst is een lijst van besluiten opgenomen die nu minimaal 87% van de in de vergadering uitgebrachte stemmen vergen. In deze lijst van besluiten staat ook het aannemen van een toekomstig investeringsplan (bijlage 3 aandeelhoudersovereenkomst onder 21), welk besluit leidt tot een financieringsverplichting per partij. Voor het goedkeuren van onder andere de investeringsplannen is daarmee ten minste altijd de instemming van Alliander en EBN vereist, maar instemming van twee (grotere) gemeenten is voldoende. Hiermee kunnen partijen dus een besluit
nemen
over
de
inzet
van
middelen
van
andere
partijen.
Los van het feit dat partijen graag zelf over hun middelen besluiten, zijn gemeenten ook gebonden aan interne begrotingsprocedures (zie paragraaf 3.4.2.2).
Pagina 22 van 65
Wij adviseren (te heroverwegen): 8. Herzie de besluiten met de meerderheid van 87% die nu opgenomen is in bijlage 3 van de aandeelhoudersovereenkomst. Het is mogelijk niet wenselijk dat die besluiten genomen kunnen worden met een meerderheid van 87%. Specifiek voor het aannemen van toekomstige investeringsplannen en mogelijk het goedkeuren van businessplannen kan unanimiteit in stemmen gewenst of zelfs noodzakelijk zijn, in verband met gemeentelijke begrotingsprocedures.
3.4
Financiering van het RPIW WLR
Het warmtebedrijf moet middelen hebben om te kunnen investeren in warmtenetten en om warmte te kunnen exploiteren. Naast de inkomsten vanuit subsidies en klanten, zijn er twee typen financiering die belangrijk zijn voor de oprichting van het warmtebedrijf: het aandeelhouderskapitaal en het vreemd vermogen. In deze paragraaf staat beschreven wat er in de verschillende stukken is opgenomen, of de stukken congruent zijn en geven we aanbevelingen.
3.4.1 3.4.1.1
Wat staat er in de stukken? Globaal ontwerp
Aandeelhouderskapitaal (paragraaf 8.3 en 7.4) Aandeelhouders dienen kapitaalstortingen toe doen om het RPIW WLR te voorzien van financiële middelen (8.3). Dit gaat over de periode van 2027 tot en met 2050. De inschatting in het globaal ontwerp is dat er een totale financiële inbreng van € 326 miljoen nodig zal zijn. Het kapitaal wordt in tranches ter beschikking gesteld, mede afhankelijk van de voortgang van projecten en de prognoses voor de voorliggende periode (7.4). Het bestuur stelt een voorstel op, dit wordt ter besluitvorming voorgelegd aan de AVA. De kapitaalinbreng wordt niet gelabeld per gemeente en wordt dus niet alleen gebruikt voor projecten binnen de eigen gemeente. Financiering vreemd vermogen (paragraaf 8.6) Eén van de uitgangspunten is dat 80% van de financieringsbehoefte wordt ingevuld met vreemd vermogen. Dit is mogelijk omdat de Rijksoverheid in het verlengde van de Wcw werkt aan instrumentarium om de financiering van collectieve warmte te ondersteunen. Voor dit vreemd vermogen gelden rentekosten van 3,5%.
3.4.1.2
Outline besturing
Aandeelhouderskapitaal (paragraaf 4.3) Iedere aandeelhouder geeft financieel commitment af voor de financiering op basis van tranches. De eerste tranche loopt van 2027 tot 2036. De daadwerkelijke storting van kapitaal vindt jaarlijks plaats. Het precieze bedrag wordt dan ook jaarlijks vastgesteld in het businessplan, met een goedkeuring van de AVA. De aandeelhouders krijgen uiterlijk 30 september het businessplan, en indien van toepassing het Voorstel financiële inbreng RPIW WLR tranche 1,2 of 3 in de jaren 2026, 2035 en 2045, waarna het uiterlijk op 31 oktober van dat jaar moet worden goedgekeurd door de aandeelhouders. Financiering met vreemd vermogen (paragraaf 4.3) Wat betreft het aantrekken van vreemd vermogen voor het RPIW WLR dient er een garantie af gegeven te worden. Onderzocht wordt of het aantrekken van vreemd vermogen aantrekkelijker is om via de aandeelhouders te laten verlopen. In de SOK, aandeelhoudersovereenkomst of statuten wordt opgenomen om dit te onderzoeken.
Pagina 23 van 65
3.4.1.3
Samenwerkingsovereenkomst
Aandeelhouderskapitaal (artikel 3.3) Er is een globale businesscase opgesteld voor het RPIW WLR. In de kwartiermakersfase wordt deze businesscase
verder
aangescherpt
tot
de
definitieve
businesscase
(inclusief
een
meerjarenprognose/ondernemingsplan). Deze businesscase geeft inzicht in de financiële inbreng van partijen en wordt bij de aandeelhoudersovereenkomst gevoegd. Financiering vreemd vermogen (artikel 5.2.5 en 7.3) De uitwerking en de voorbereiding van de financiering van het RPIW WLR vinden plaats tijdens de kwartiermakersfase, als onderdeel van het stappenplan (artikel 5.2.5). Bij het ondertekenen van de SOK gaan partijen ervan uit dat er een waarborgfonds voor warmtenetten komt (of een vergelijkbare regeling), waar het RPIW WLR aanspraak op kan maken voor de garantie van externe financiering (artikel 7.3).
3.4.1.4
Aandeelhoudersovereenkomst
Aandeelhouderskapitaal (artikel 7) Partijen committeren zich aan een bepaalde financiële inbreng in de Vennootschap, gedeeltelijk conditioneel en gedeeltelijk onconditioneel, waarbij de eerste tranche onconditioneel is en de tweede en derde tranche conditioneel (artikel 7.1.1 – 7.1.3). Iedere aandeelhouder is onvoorwaardelijk gehouden om het in het investeringsplan 2027 – 2036 opgenomen bedrag in de vorm van een agiostorting op de door hem gehouden aandelen te verrichten (artikel 7.2). Voor tranche 2 en tranche 3 geldt latere besluitvorming met ten minste een goedkeuring door een meerderheid van 87% in de AVA (artikel 7.3). Jaarlijks zullen de aandeelhouders het vastgelegde bedrag in het investeringsplan als agio op de door hem gehouden aandelen storten (artikel 7.5). Indien de financiering in een tranche onvoldoende blijkt, kan aan de aandeelhouders additionele financiering
gevraagd
worden.
Als
de
aandeelhouders
niet
binnen
drie
maanden
tot
overeenstemming komen, is er nog een periode van maximaal zes maanden om tot additionele afspraken te komen. Uiteindelijk kan geen van de aandeelhouders verplicht worden tot het verstrekken van additionele inbreng (artikel 7.8). Financiering vreemd vermogen n.v.t.
3.4.2 3.4.2.1
Samenhang, conclusies en aanbevelingen Samenhang
In het globaal ontwerp is een inschatting opgenomen van de financiële inbreng die nodig is vanuit de aandeelhouders. In de overige documenten is hier geen getal voor opgenomen. Dit is geen aandachtspunt, maar begrijpelijk omdat de businesscase nog verder wordt uitgewerkt tijdens de kwartiermakersfase. In alle documenten wordt gesproken over financiering in tranches, waarbij er drie tranches zijn: 2027 – 2036, 2037 – 246 en 2047 – 2056. Er wordt steeds per tranche commitment gevraagd aan financiering die de aandeelhouders via een agiostorting moeten leveren. Een aandachtspunt daarbij is:
Pagina 24 van 65
•
de financiering van het vreemd vermogen: in de outline is opgenomen dat de aandeelhouders een garantie dienen af te geven wat betreft het aantrekken van vreemd vermogen voor het RPIW WLR. Dit staat verder niet vermeld in andere stukken. De vraag is wat er gebeurt als er geen waarborgfonds voor warmtenetten (of iets vergelijkbaars) wordt opgericht, of als dit niet toereikend is voor het aantrekken van het vreemd vermogen voor het RPIW WLR.
3.4.2.2
Conclusies en aanbevelingen
De aandeelhoudersovereenkomst maakt als bijlage 3 onderdeel uit van de SOK. Met de ondertekening van de SOK wordt derhalve tevens ingestemd met de aandeelhoudersovereenkomst. In deze overeenkomst zijn bepalingen opgenomen omtrent de financiële inbreng van de betrokken partijen. De eerste financiële bijdrage heeft betrekking op de periode 2027–2036 (tranche 1). Deze inbreng dient per partij te worden vastgelegd in een investeringsplan, dat vervolgens als bijlage 4 aan de aandeelhoudersovereenkomst moet worden toegevoegd. Op dit moment ontbreekt deze bijlage echter nog. Het investeringsplan (inclusief de daarbij behorende financiering) voor tranche 1 wordt naar verwachting afgerond aan het einde van het derde kwartaal of het begin van het vierde kwartaal van 2026, kort voor de geplande oprichting. De ondertekening van de SOK staat gepland voor begin 2026. Dit betekent dat bij ondertekening van de SOK de omvang van de investeringen per partij nog niet bekend zal zijn. Partijen kunnen geen financiële verplichtingen aangaan zonder dat de benodigde cijfers beschikbaar zijn. Dit zou echter wél het geval zijn indien vooruitlopend op het
investeringsplan
overgegaan.
Om
reeds
die
tot
reden
ondertekening wordt
van
geadviseerd
de
aandeelhoudersovereenkomst
de
besluitvorming
te
splitsen
wordt en
de
aandeelhoudersovereenkomst pas te ondertekenen zodra ook het bijbehorende investeringsplan voor tranche 1 gereed is. Om de besluitvorming zuiver te houden adviseren wij (door te voeren): 9. Splits de besluitvorming ten aanzien van de SOK en de oprichting met bijhorende aandeelhoudersovereenkomst (en financieringsvraag). Dit biedt de gelegenheid om in de kwartiermakersfase de businesscase nader uit te werken en het investeringsplan voor tranche 1 op te stellen waarin de concrete investeringsbedragen per partij opgenomen zijn. Mogelijk volstaat het ook om in de besluitvorming ten aanzien van de SOK artikel 7.1 – 7.8 uit de aandeelhoudersovereenkomst
buiten
de
besluitvorming
te
houden
totdat
het
eerste
investeringsplan gereed is. In de concept-SOK is artikel 7.1.c weliswaar als voorwaarde opgenomen voor oprichting, maar dit artikel beschrijft niet dat het besluit tot oprichting ook het daadwerkelijke investeringsbesluit betreft. Aangezien de gemeenteraad als gevolg van artikel 189 van de Gemeentewet alleen de bevoegdheid (budgetrecht) heeft om de begroting vast te stellen, dient er voor investeringsbeslissingen die genomen dienen te worden door gemeenten aangesloten te worden bij de gemeentelijke procedures. Gemeenteraden dienen jaarlijks vóór 15 november de programmabegroting voor het volgende jaar vast te stellen (artikel 191 van de Gemeentewet). Het begrotingsjaar betreft het kalenderjaar (artikel 189 van de Gemeentewet). Er wordt een meerjarenraming (artikel 190 lid 1 van de Gemeentewet) opgesteld voor de drie op het begrotingsjaar volgende jaren, maar dit betreffen ramingen. Investeringsbesluiten verlopen conform het vaststellen van de programmabegroting zoals hierboven beschreven. Om de besluitvorming ten aanzien van de financieringsverplichting voor de verschillende tranches vlekkeloos te laten verlopen adviseren wij (in acht te nemen): 10.
Check of de besluitvorming voor respectievelijk financieringsverplichting voor tranche 1, 2 en 3 aansluiten bij de gemeentelijke begrotingsprocedures rekening houdend met de maximale termijnen waarvoor besluiten genomen mogen worden.
Pagina 25 van 65
3.5
Inkopen en overdragen van aandelen in het RPIW WLR
Bij de oprichting van het RPIW WLR wordt er een verdeling van aandelen gemaakt tussen de zes gemeenten, EBN en Alliander. Binnen een besloten vennootschap is het mogelijk om aandelen te kopen en over te dragen. In deze paragraaf staat beschreven wat er in de verschillende stukken is opgenomen, of de stukken congruent zijn en geven we aanbevelingen.
3.5.1 3.5.1.1
Wat staat er in de stukken? Globaal ontwerp
Nieuwe aandeelhouders (paragraaf 7.5) In het globaal ontwerp staat opgenomen dat nieuwe aandeelhouders mogen toetreden als ze voldoen aan kwaliteitseis dat de nieuwe aandeelhouder een publiek rechtspersoon is. Deze toetreding gebeurt via de uitgifte van nieuwe aandelen, waarbij er voorwaarden kunnen worden gesteld aan de toetreding. Fusies met andere publieke warmtebedrijven zijn mogelijk, mits goedgekeurd door de AVA. Overdragen van aandelen (paragraaf 7.5) Uittreden is mogelijk. De wet schrijft voor dat een aandeelhouder die zijn aandelen wil verkopen, deze eerst voorlegt bij de overige aandeelhouders, tenzij in de statuten anders is opgenomen. In de opzet is uitgegaan van een initieel (financieel) commitment van tien jaar (2027 tot en met 2036). Daarna is het voor aandeelhouders mogelijk om uit te treden.
3.5.1.2
Outline besturing
Nieuwe aandeelhouders (paragraaf 4.10) In paragraaf 4.10 staat dat toetreding mogelijk is. De scope is in eerste instantie gericht op de Leidse regio, later is er voor andere (omliggende) gemeenten de optie om in te stappen. In de statuten moet worden opgenomen dat het werkgebied van het RPIW WLR beperkt is tot de provincies Zuiden Noord-Holland. Voor (latere) instappers geldt dat ze een bijdrage dienen in te brengen voor de opstartkosten en/of de kosten die gemaakt zijn in de jaren voorafgaand aan het moment van instappen. Voor (latere) instappers wordt een commitment gevraagd gedurende de eerste tranche van de financiering (tien jaar). In de outline is opgeschreven dat een nieuwe gemeente die aandeelhouder wil worden van het RPIW WLR zich inkoopt binnen het totaal van gemeentelijke aandelen, waarmee het totaal van gemeentelijke aandelen 33,33% blijft. Overdragen van aandelen (paragraaf 4.10) Uittreding uit het RPIW WLR is gedurende de eerste tranche van financiering (10 jaar) niet toegestaan. Dit geldt ook voor partijen die later toetreden. Uittreden kan aan het einde van de eerste tranche, met een kennisgeving van achttien maanden voor het einde van de eerste tranche.