Bijlage 8_Second opinion Voorschoten_EY Parthenon
Tekst van het document
Second opinion oprichting regionaal warmtebedrijf Gemeente Voorschoten Vertrouwelijk 4 september 2025 | Definitief
Reliance Restricted Gemeente Voorschoten Leidseweg 25 2252 LA Voorschoten
EY-Parthenon Prof. Dr. Dorgelolaan 12 5613 AM Eindhoven Nederland EY-Parthenon website
Second opinion oprichting regionaal warmtebedrijf (pagina 1 van 2) Geachte heer Wagemans, beste Tom, Overeenkomstig de opdrachtacceptatie d.d. 5 augustus 2025 heeft EYParthenon (“EY-P” of “wij”) een second opinion uitgevoerd betreffende de oprichting van een regionaal warmtebedrijf voor gemeente Voorschoten (hierna ‘Voorschoten’) uitgevoerd. Hierbij overleggen wij u onze rapportage (“Rapportage”). Reikwijdte en aard van de werkzaamheden De reikwijdte en aard van de werkzaamheden, waaronder de voorwaarden en beperkingen, zijn vermeld in onze offerte, de offerteaanvraag en het programma van eisen en de algemene inkoopvoorwaarden van de gemeente Voorschoten. Onze analyse is gebaseerd op informatie, prognoses, uitgangspunten en veronderstellingen welke zijn verstrekt door Voorschoten. De uitkomsten van de analyse worden in grote mate beïnvloed door de kwaliteit van deze aangeleverde gegevens. EY-P aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid als gevolg van onjuistheden in deze uitgangspunten en veronderstellingen. Deze second opinion is een momentopname en is het resultaat van een analyse van het Globaal Ontwerp, de concept samenwerkingsovereenkomst, de concept akte van oprichting (incl. statuten) en concept aandeelhoudersovereenkomst en andere documenten zoals met ons gedeeld in de periode juli/augustus 2025.
Wij hebben geen financieel (inclusief onderhanden werk en orderportefeuille), fiscaal, juridisch, commercieel en technisch due diligence onderzoek uitgevoerd. De gegevens zijn niet geverifieerd noch getoetst op juistheid en volledigheid. EY-P aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid voor het ontbreken van informatie of voor het niet correct zijn van informatie, welke expliciet of impliciet is opgenomen in deze Rapportage, noch voor omissies in de rapportering voor zover deze voortvloeien uit niet correcte of onvolledige informatie.
4 september 2025 slechts een beperkte kwalitatieve analyse uitgevoerd. Een uitgebreide kwalitatieve analyse valt buiten de reikwijdte van de opdrachtverstrekking. De informatie, aannames en veronderstellingen zoals gebruikt in deze Rapportage hebben een beperkte geldigheidsduur gezien de veranderingen in marktomstandigheden en de invloed daarvan op de geprognosticeerde resultaten.
HVG Law (“HVG”) heeft op verzoek van EY-P bepaalde in dit rapport beschreven documenten betreffende de governance beoordeeld vanuit een juridisch perspectief. De bevindingen van HVG zijn in dit rapport in het hoofdstuk ‘Governance’ opgenomen. HVG is een onafhankelijk advocatenkantoor en heeft een strategische alliantie met EY Tax en maakt onderdeel uit van het wereldwijde EY Law netwerk. Wij hebben onze werkzaamheden op woensdag 30 juli 2025 aangevangen en op 4 september 2025 afgerond. Met gebeurtenissen of omstandigheden die zich na die datum hebben voorgedaan, wordt in dit rapport dan ook geen rekening gehouden. Doel van het rapport en beperkingen in het gebruik Het rapport is ingevolge de specifieke opdracht van Voorschoten uitsluitend met het oog op de uitvoering van een second opinion op de documenten die zijn opgemaakt in aanloop naar ondertekening van de Samenwerkingsovereenkomst. Het dient voor geen enkel ander doel te worden gebruikt en er dient voor geen enkel ander doel op te worden gesteund. De Rapportage vormt een integraal geheel en mag niet in afzonderlijke delen worden opgesplitst. De resultaten van de second opinion kunnen slechts bij gebruik van de integrale Rapportage tot een juiste oordeelsvorming leiden.
Deze rapportage bevat hoofdzakelijk een kwantitatieve analyse. Door EY-P is EY-Parthenon is een handelsnaam van EY Adviseurs B.V. en heeft haar hoofdvestiging aan Boompjes 258, 3011 XZ Rotterdam, Nederland en is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel Rotterdam onder nummer 92700950. EY Adviseurs B.V. is een adviesorganisatie en geen accountantspraktijk.
Reliance Restricted Gemeente Voorschoten Leidseweg 25 2252 LA Voorschoten
EY-Parthenon Prof. Dr. Dorgelolaan 12 5613 AM Eindhoven Nederland EY-Parthenon website
Second opinion oprichting regionaal warmtebedrijf (pagina 2 van 2)
4 september 2025
Wij dragen geen verantwoordelijkheid, noch aanvaarden wij deze, en zijn niet aansprakelijk tegenover derden (‘ongeautoriseerde personen’), niet zijnde onze cliënt of enige partij met wie wij een instemmingsverklaring overeen zijn gekomen. Indien ongeautoriseerde personen verkiezen op enig gedeelte van de inhoud van dit rapport te steunen, doen zij dit op eigen risico. Toekomstgerichte financiële informatie (“TFI”) Onze dienstverlening omvat geen onderzoek naar toekomstgerichte financiële informatie (“TFI”). Wel hebben wij een analyse uitgevoerd van specifieke elementen en assumpties van de TFI, op basis van de door Voorschoten aangeleverde documenten. Tenzij anders vermeld, hebben wij geen macroeconomische of geopolitieke omstandigheden geanalyseerd of becommentarieerd die van invloed kunnen zijn op de TFI. Wij hebben geen advies, conclusie of enige vorm van zekerheid gegeven over specifieke aannames of componenten van de TFI of over de TFI als geheel. Er zullen meestal verschillen zijn tussen geschatte en werkelijke resultaten, omdat gebeurtenissen en omstandigheden zich vaak niet voordoen zoals verwacht, en die verschillen kunnen van materieel belang zijn. Wij nemen geen verantwoordelijkheid of de uitkomsten zoals weergegeven in de toekomstgerichte financiële informatie daadwerkelijk behaald zullen worden.
De verkregen informatie en de in deze Rapportage opgenomen informatie is niet aan een accountantscontrole en/of beoordeling onderworpen in overeenstemming met ‘Stramien voor assurance-opdrachten’. EY-P aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid als gevolg van onjuistheden in de gehanteerde gegevens.
Hoogachtend, EY-Parthenon
EY-Parthenon is een handelsnaam van EY Adviseurs B.V. en heeft haar hoofdvestiging aan Boompjes 258, 3011 XZ Rotterdam, Nederland en is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel Rotterdam onder nummer 92700950. EY Adviseurs B.V. is een adviesorganisatie en geen accountantspraktijk.
Inhoudsopgave 1
2
3
4
5
6
7
1 2 3 4 5 6
Management Samenvatting
5
Management Samenvatting
5 8
Inleiding vraagstelling
10
Inleiding & vraagstelling
10 9
Business case
13
Business case
Governance
13
7 8 9
Interne organisatie
51
Interne organisatie
51
Betaalbaarheid
57
Betaalbaarheid
57
Bijlagen
63
Bijlagen
63
30
Governance
Financieren
30
43
Financieren
Uitgangspunten document
Uitgangspunten document
4 september 2025 | Definitief | Second opinion oprichting regionaal warmtebedrijf | Gemeente Voorschoten
43
47
47
Pagina 4
Management Samenvatting
1
Management Samenvatting 5
4 september 2025 | Definitief | Second opinion oprichting regionaal warmtebedrijf | Gemeente Voorschoten
Pagina 5
Management Samenvatting
Inleiding vraagstelling
Management Samenvatting
Inleiding & vraagstelling
Business case
Governance
Business case
Financieren
Governance
Uitgangspunten document
Financieren
Interne organisatie
Uitgangspunten document
Betaalbaarheid
Interne organisatie
Bijlagen
Betaalbaarheid
Bijlagen
Management Samenvatting
Doel en context
De gemeente Voorschoten (“Voorschoten”) overweegt deelname aan het Regionaal Publiek Integraal Warmtebedrijf (RPIW WLR), samen met vijf buurgemeenten, EBN en Firan. Het warmtebedrijf beoogt een duurzame, betrouwbare en betaalbare warmtevoorziening in de Leidse regio, in lijn met de nationale klimaatdoelen en de aankomende Wet collectieve warmte (Wcw). De oprichting van het RPIW WLR is een strategisch besluit met aanzienlijke financiële, organisatorische en maatschappelijke implicaties. Met het uitvoeren van een second opinion wenst de gemeente inzicht verkrijgen in de financiële, juridische en organisatorische gevolgen en risico’s van deelname aan het RPIW.
Deze second opinion evalueert de haalbaarheid en risico’s op basis van het globaal ontwerp inclusief business case (“GO”), de concept-aandeelhoudersovereenkomst (“AHO”), de oprichtingsakte inclusief statuten (“AO”) en de samenwerkingsovereenkomst (“SOK”). De analyse richt zich op zes onderdelen van het Programma van Eisen: business case, governance, financiering, interne organisatie, betaalbaarheid en toetsing aan het uitgangspuntenkader dat is vastgesteld door de gemeenteraad. 1. Business case en scenario analyse Kern observaties business case • De totale CAPEX in de periode 2026 t/m 2050 bedraagt circa € 1.976 mln., inclusief 30% onvoorzien, 10% projectmanagement/engineering en 5% ontwikkeling. Dit komt neer op een gemiddelde CAPEX van € 29.527 per aansluiting. Dit is hoog, maar binnen een geïndexeerde marktbandbreedte. • De nadere kengetallen die Greenvis hanteert zoals prijzen voor leidingwerk per meter, onderstations en aansluitingskosten sluiten aan bij de markt. • Belangrijke aannames: 2% indexatie/jaar en 7% kostenreductie tot 2050; beide worden optimistisch geacht al worden deze uitgangspunten vaker gehanteerd in business cases. • OPEX – Onderhoudskosten: deze betreffen circa 1,6% van CAPEX/jaar wat gangbaar is. • OPEX – Energiekosten en energiebelasting: aannames voor gas en stroom dienen geactualiseerd te worden voor prijspeil 2025.
Energiebelasting tarieven zijn op 2024-niveau gemodelleerd en niet geïndexeerd. Het risico is dat hierdoor de energiekosten worden 4 september 2025 | Definitief | Second opinion oprichting regionaal warmtebedrijf | Gemeente Voorschoten
onderschat. Toepassing van de blokverwarmingsregeling is daarnaast expliciet een aandachtspunt (uitzoeken of uitzondering stadsverwarming van toepassing is). • SDE++: inkoopprijs duurzame warmte gemodelleerd als ~70% van de kale gasprijs, maar is niet dynamisch gekoppeld aan PBL-parameters. Dit is een aandachtspunt bij actualisatie. • Aansluitsnelheid: uitgangspunt 700 aansluitingen per wijk per jaar; model rekent feitelijk per cluster (81 i.p.v. 38 wijken) en laat gaten zien in de jaren 2038 en 2042. Een lineair aansluittempo is ambitieus, de praktijk volgt vaker een S-curve. • Volloop: participatiegraad van 80% bij woningen en 50% bij bedrijventerreinen is haalbaar maar ambitieus, zeker in bestaande bouw zonder aansluitplicht. De inzet van Wgiw-instrumenten (aanwijzing) en gerichte communicatie en ontzorging is derhalve cruciaal. Hoewel de business case voor het RPIW kansen biedt, rust deze op een samenstel van ambitieuze aannames. Deze elementen zijn afzonderlijk verdedigbaar, maar in combinatie maken ze het geheel kwetsbaar voor tegenvallers. Beperkte afwijkingen kunnen direct doorwerken in de kasstromen en leiden tot aanvullende vermogensinbreng van Voorschoten. Het betreft echter nog een concept business case. Tijdens de kwartiermakersfase wordt de business case aangescherpt en vastgesteld door de stuurgroep.
Het is aan te raden om op voorhand duidelijk te maken welke informatie nodig is voor Voorschoten om uiteindelijk de business case goed te keuren met voldoende vertrouwen ten aanzien van de commitment die moet worden afgegeven. Scenario-analyse (selectie, effect op EV-inbreng) Doorrekeningen laten zien dat de casus gevoelig is voor lagere volloop en aansluittempo, hogere investeringen, lagere CAPEX subsidies en een lagere aansluitbijdrage. Het scenario waarin de investeringen 10% hoger uitvallen heeft het grootste effect op de eigen vermogensinbreng van Voorschoten. Gezien de beperkte invloed die Voorschoten heeft op dit scenario en financiële impact, wordt de hoogte van de investeringen als belangrijkste risico beschouwd. Modelmatig verbetert het wegvallen van Leiden de ratio’s, maar bestuurlijk is dat scenario niet realistisch. Voor gemeente Voorschoten (aandeel RPIW WLR ~3,24%) bedraagt de eigen-vermogensinleg circa € 8,05 mln. in het basisscenario. De financiële impact van elk van de scenario’s is beperkt, maar wijzigingen in aandelenverhoudingen kunnen alsnog bepalend uitpakken. Pagina 6
Management Samenvatting
Inleiding vraagstelling
Management Samenvatting
Inleiding & vraagstelling
Business case
Governance
Business case
Financieren
Governance
Uitgangspunten document
Financieren
Interne organisatie
Uitgangspunten document
Betaalbaarheid
Interne organisatie
Bijlagen
Betaalbaarheid
Bijlagen
Management Samenvatting
2) Governance
Kwartiermakersfase (SOK is van toepassing) Tijdens de kwartiermakersfase is er een stuurgroep, een kwartiermaker en een werkgroep. De invloed van Voorschoten is in deze fase via hun vertegenwoordiger in de stuurgroep gewaarborgd. Names de gemeenten worden wethouders benoemd als ‘vertegenwoordiger’ in de stuurgroep. De stuurgroep besluit na de kwartiermakersfase over de definitieve business case. Op basis van de observaties, doen wij enkele suggesties. Alle aanpassingen die Voorschoten in de SOK wil doorvoeren, moeten vóór ondertekening duidelijk zijn (urgent). • Ter bevordering van de voorbereiding van de gemeenten, kan het helpen om de inhoud van het business plan (nog) beter af te kaderen in de SOK, bijvoorbeeld de voorwaarden van betaalbaarheid en haalbaarheid en taken van warmtebedrijf versus gemeenten. • Tijdens de kwartiermakersfase is het van belang dat de relatie met Alliander, EBN en de overige gemeenten een weg vindt in de documentatie. Het is daarom aan te raden om in de SOK op te nemen dat deze onderlinge relaties duidelijk uiteen worden gezet voordat wordt overgegaan tot de oprichting van het RPIW. • De kwartiermaker verspreidt de benodigde stukken vijf dagen van tevoren naar de stuurgroep, terwijl de werkgroep pas twee dagen van tevoren de stukken ontvangt. De geschetste informatievoorziening lijkt ons niet te stroken met de positie van de werkgroep.
Te overwegen is de informatievoorziening anders in te richten om ten minste de werkgroep meer tijd te bieden om informatie te verwerken en/of om informatie via de werkgroep bij de stuurgroep te brengen. Zodoende wordt een inhoudelijke waarborg geboden tegenover mogelijke politieke belangen die in een stuurgroep kunnen spelen, waardoor het meer politieke karakter van de stuurgroep niet noodzakelijkerwijs bezwaarlijk is. • De overeenkomst laat geen ruimte voor Voorschoten om na, bijvoorbeeld een onbevredigende uitkomst van de business case of een te hoge financiële bijdrage, toch af te zien van de deelneming aan het RPIW. Voorschoten is dan overgeleverd aan de goedkeuring van de overige partijen. Het is aan te raden nog een beëindigingsmogelijkheid op te nemen voor wanneer de financiële besluitvorming of de definitieve business case niet door de gemeenteraad komt. Aandeelhoudersfase (AHO en AO zijn van toepassing) Na de oprichting van het RPIW en de ondertekening van de aandeelhoudersovereenkomst, gaat 4 september 2025 | Definitief | Second opinion oprichting regionaal warmtebedrijf | Gemeente Voorschoten
de aandeelhoudersfase in. Op basis van de observaties, doen wij enkele suggesties. Indien Voorschoten belangrijke wijzigingen wil laten doorvoeren in de AHO en AO, dan moeten deze als urgent worden behandeld. • De algemene vergadering ontvangt uiterlijk op 30 september van elk jaar het concept business plan, waarna deze moet worden goedgekeurd met een 87% meerderheid. Voorschoten verliest relatief gezien haar invloed op het business plan na de oprichting van RPIW. Hierbij acht Voorschoten het, ten minste, van belang dat de gemeenten onderling een meerderheid hebben in de algemene vergadering voor (belangrijke) besluiten, zoals het vaststellen van de business plan. Conform de huidige governance is dat nu niet nodig. Een mogelijke oplossing om dit wel te bewerkstelligen zou het volgende kunnen zijn: Alliander, EBN en de gemeenten gezamenlijk, krijgen ieder één stem (stem A, B, C) onder de voorwaarde dat tenminste de gemeentelijke stem voor moet stemmen. • Het informatierecht is afhankelijk van het aantal gerealiseerde WEQ’s. Dit geldt voor het managementverslag, de winst- en verliesrekening en de verwachte nog te realiseren omzet. Wij raden aan om in de kwartiermakersfase goed te inventariseren welke informatie Voorschoten ten minste nodig heeft. Indien gewenst, zou de beperking aan de hand van het aantal gerealiseerde WEQs geschrapt moeten worden.
• Er wordt naar rato van het aandelenbelang uitgekeerd. Bij financieringen is afgesproken dat aanvullende agio wordt gestort op de aandelen, in plaats van tegen uitgifte van nieuwe aandelen. Wanneer een aandeelhouder niet meedoet met de aanvullende financieringen levert dit tot een voordeel voor aandeelhouders die minder hebben geïnvesteerd. • Het is onduidelijk tegen welke waarde de aandelen onderling worden overgedragen bij een herijking. Het is aan te bevelen om op voorhand een waardebepaling vast te stellen. • Voorschoten is verplicht voor een periode van 10 jaar aandeelhouder te blijven (lock-up periode). Behalve als er sprake is van een verplichte uittreding of wanneer de algemene vergadering daar met unanieme stemmen een schriftelijke goedkeuring voor heeft gegeven. Een suggestie zou zijn om aan te sluiten bij de samenwerkingsovereenkomst, waarbij uittreding mogelijk wordt nadat de wet- en regelgeving aanzienlijk veranderen. • Besluitvorming binnen gemeenten verloopt in beginsel in vaste cycli, in het bijzonder waar het financiële verplichtingen of begroting raakt. Het is aan te raden om in de AHO op de nemen dat rekening wordt gehouden met de gemeentelijke besluitvorming ter voorkoming dat een te late indiening van (financierings)verzoeken ten nadele van de gemeenten werkt. Pagina 7
Management Samenvatting
Inleiding vraagstelling
Management Samenvatting
Inleiding & vraagstelling
Business case
Governance
Business case
Financieren
Governance
Uitgangspunten document
Financieren
Interne organisatie
Uitgangspunten document
Betaalbaarheid
Interne organisatie
Bijlagen
Betaalbaarheid
Bijlagen
Management Samenvatting
3) Financieren
Gehanteerde parameters • De business case gaat uit van 80% gearing (verhouding eigen vermogen versus vreemd vermogen). Dit wordt realistisch geacht onder de voorwaarde dat het waarborgfonds warmtenetten (of vergelijkbare regeling) wordt opgezet. Een kanttekening hierbij is dat de gearing in de eerste jaren (opstartfase) doorgaans (bij vergelijkbare projecten) nog niet op 80% zit, maar veel lager (30%-50%). Hier wordt geen rekening mee gehouden in de WLR business case en is een belangrijk aandachtspunt bij nadere uitwerking. • Ook andere parameters zoals gehanteerde rente, looptijd en aflossingspatroon worden alleen realistisch geacht onder de voorwaarde dat gebruik kan worden gemaakt van het waarborgfonds warmtenetten (of vergelijkbare regeling). • De DSCR norm van 1,20 wordt bovendien niet in alle jaren gehaald. Dit is een potentiële opeisingsgrond voor commerciële financiers. We voorzien echter nog optimalisatiemogelijkheden in de DSCR wanneer het aflospatroon op de business case wordt afgestemd (‘sculpted’ aflossing) in plaats van lineaire aflossing. Structuurkeuze
De huidige business case gaat uit van portfoliofinanciering op RPIW WLR niveau. Portfoliofinanciering is eenvoudig en schaalbaar, maar consolideert risico’s en maakt prestaties per project minder transparant. Een gangbaar alternatief is projectfinanciering met SPV’s. Op die manier worden risico’s afgebakend per SPV/project en biedt dit tevens meer flexibiliteit in de financiering wat kan leiden tot gunstigere voorwaarden. Nadelen zijn dat projectfinanciering met meerdere SPV’s meer juridische en operationele complexiteit meebrengt en hogere transactiekosten. 4) Toetsing aan het uitgangspuntenkader
Per uitgangspunt is geëvalueerd in hoeverre daaraan is voldaan. Indien een uitgangspunt deels of onvoldoende geborgd blijkt te zijn in de concept stukken, is nader toegelicht waar dit uit blijkt en zijn beheersmaatregelen voorgesteld. Aan het grootste deel van de uitgangspunten is in voldoende mate voldaan, bij vijf uitgangspunten hebben we enkele opmerkingen:
4 september 2025 | Definitief | Second opinion oprichting regionaal warmtebedrijf | Gemeente Voorschoten
• Uitgangspunt 6: toetsing van haalbaarheid en doelmatigheid van gekozen oplossingen. Tijdens de planvorming zijn – in de transitievisie warmte van de gemeente Voorschoten – alternatieve oplossingen overwogen. Uit de ontvangen documenten blijkt dit (nog) niet geborgd voor de periode van uitvoering. • Uitgangspunt 14: risico inventarisatie en het neerleggen van risico’s bij partijen die ze kunnen dragen en beïnvloeden. In het GO staat een inventarisatie van mogelijke risico’s op WLRniveau. Deze risico inventarisatie is tijdens een workshop tot stand gekomen en er is geen risico-eigenaar aangewezen is. Aanscherping van de risico-inventarisatie, specifiek vanuit het oogpunt van gemeente Voorschoten, wordt aangeraden.
• Uitgangspunt 16: De raad neemt een besluit over aanvullende) gemeentelijke financiering, investeringen en/of subsidies. Dit was in de beschouwde SOK onvoldoende geborgd. Na ondertekening van de SOK is Voorschoten in principe gebonden aan deelname aan het warmtebedrijf aangezien realistische exit-mogelijkheden ontbreken. In de op 4 september onderhanden versie van de SOK zijn de exit-mogelijkheden verruimd en lijkt hier aandacht voor te zijn. • Uitgangspunt 16a: Opsomming van een vijftal aspecten die minimaal uitgewerkt en doorgerekend moeten zijn in de business case. De vijf punten zijn in de basis aanwezig, maar vragen op onderdelen om verdere uitwerking. • Uitgangspunt 24: Onderzoeken van mogelijkheden voor zeggenschap, invloed of betrokkenheid van afnemers in het warmtebedrijf. In het GO wordt deze intentie meermaals beschreven, de outline besturing beschrijft een Raad van Advies met externe stakeholders. Concrete structuren ontbreken echter nog en dienen in de kwartiermakersfase verder uitgewerkt te worden. • Uitgangspunt 25: Onderzoeken van mogelijkheden voor gedeeld belang, winstdeling en/of eigenaarschap van afnemers in het warmtebedrijf. Het GO voorziet in toe- en uittreding van aandeelhouders, wat ruimte biedt voor een bewonerscoöperatie als minderheidsaandeelhouder.
Dit is echter niet specifiek opgenomen in de juridische documentatie en dient nog nader uitgewerkt te worden.
Pagina 8
Management Samenvatting
Inleiding vraagstelling
Management Samenvatting
Inleiding & vraagstelling
Business case
Governance
Business case
Financieren
Governance
Uitgangspunten document
Financieren
Interne organisatie
Uitgangspunten document
Betaalbaarheid
Interne organisatie
Bijlagen
Betaalbaarheid
Bijlagen
Management Samenvatting
5) Interne organisatie
6) Betaalbaarheid
In dit onderdeel wordt geanalyseerd in hoeverre de gemeentelijke organisatie van Voorschoten is ingericht om de uit de stukken voortvloeiende taken en verplichtingen te kunnen nakomen. We onderscheiden drie: vóór SOK, de kwartiermakersfase en de aandeelhoudersfase.
In dit hoofdstuk wordt de (langjarige) betaalbaarheid geanalyseerd van de warmtelevering voor afnemers van warmte in Voorschoten. Hierbij ligt de focus op de betaalbaarheid voor de inwoners van Voorschoten. De kosten voor warmtelevering voor eindgebruikers in de business case voldoen aan de maximum tarieven die jaarlijks door de ACM worden vastgesteld.
In de kwartiermakersfase is de inzet tijdelijk zwaarder: programmaregie, juridische borging, financiële toetsing, communicatie en voorbereiding van bestuurlijke besluiten. Dit vraagt om een multidisciplinaire werkgroep met een semi-permanent karakter, een vaste overlegfrequentie en duidelijk beschreven rol- en taakverdeling. In de werkgroep zou tenminste juridische en governance expertise en financiële kennis aanwezig moeten zijn, alsmede (technischinhoudelijke) kennis van de werking en exploitatie van een warmtebedrijf en warmtenet. Gezien de toenemende belasting kan aanvullende capaciteit nodig zijn; bij voorkeur ingevuld door interne medewerkers (in plaats van tijdelijke inhuurkrachten) om kennis binnen de organisatie te borgen. Bovendien is voldoende managementbetrokkenheid wenselijk om besluiten te versnellen (slagkracht) en draagvlak in de organisatie te borgen. We raden aan om te werken met een vaste ritmekalender, duidelijke procesafspraken en “go/no-go”-momenten. In de aandeelhoudersfase verschuift de focus naar monitoring van publieke waarden, financiën en risico’s. Een compacte aandeelhoudersfunctie (vast aanspreekpunt/team, dashboard met KPI’s en kwartaalrapportage aan College en Raad) biedt continuïteit en bestuurlijke grip. Naast de rol als aandeelhouder heeft Voorschoten ook een regierol in de lokale warmtetransitie.
De gemeente zal geprikkeld worden om bewoners participatie zoveel mogelijk te stimuleren.
De betaalbaarheid wordt op drie manieren getoetst: 1) Vergelijking met alternatieve individuele warmteoplossingen (hybride en all-electric warmtepomp), 2) Langjarige kostenvergelijking met CV-ketel alternatief en 3) toepassing van TNO/CBS energiearmoede-toets. Op jaarbasis is een aansluiting op het warmtenet doorgaans duurder dan een hybride warmtepomp, al blijft het verschil beperkt. Over een langjarige periode van 15 jaar liggen de totale kosten van het warmtenet iets hoger dan bij een CV-ketel. Dit komt vooral door eenmalige instapkosten (aansluitbijdrage en binneninstallatie). Toepassing van de TNO/CBS energiearmoede-toets laat zien dat - bij de huidige aannames - de warmtequote voor lage inkomens in Voorschoten niet leidt tot energiearmoede. Voor 80% van de huishoudens zullen de energiekosten naar verwachting maximaal 7,7% van het gestandaardiseerd besteedbare inkomen uitmaken. De door TNO gehanteerde grens betreft een warmtequote van 10%. In de business case is ‘betaalbaarheid’ niet gedefinieerd. Wij raden aan om in de nadere uitwerking van de business case een door partijen geaccepteerde definitie van betaalbaarheid op te nemen.
De belangrijkste risico’s bij de interne organisatie zijn afhankelijkheid van sleutelpersonen, onduidelijke procesafspraken en - specifiek in de kwartiermakersfase - het risico dat ambtelijke expertise onvoldoende doorwerkt in besluiten omdat de stuurgroep politiek is samengesteld en de ambtelijke werkgroep adviserend is. Deze risico’s kunnen worden gemitigeerd door structurele borging van capaciteit, een strakke proces- en reviewstructuur voor de ambtelijke voorbereiding, expliciete escalatieroutes en het werken met een ritmekalender die de regionale tijdslijnen vertaalt naar interne besluitpunten. De beschikbare capaciteit bij Voorschoten lijkt toereikend, mits de werkgroep wordt geïnstitutionaliseerd, teamleden voldoende ruimte hiervoor krijgen, de werkgroep multidisciplinair blijft en de overlegfrequentie vastligt.
4 september 2025 | Definitief | Second opinion oprichting regionaal warmtebedrijf | Gemeente Voorschoten
Pagina 9
Inleiding vraagstelling
2
Inleiding & vraagstelling 10
4 september 2025 | Definitief | Second opinion oprichting regionaal warmtebedrijf | Gemeente Voorschoten
Pagina 10
Management Samenvatting
Inleiding vraagstelling
Management Samenvatting
Inleiding & vraagstelling
Business case
Governance
Business case
Financieren
Governance
Uitgangspunten document
Financieren
Interne organisatie
Uitgangspunten document
Betaalbaarheid
Interne organisatie
Bijlagen
Betaalbaarheid
Bijlagen
Inleiding & vraagstelling Analyse van de impact voor de gemeente Voorschoten bij de oprichting van een nieuw regionaal warmtebedrijf Inleiding
Vraagstelling
De gemeente Voorschoten (“Voorschoten”) werkt binnen het regionale samenwerkingsverband Warmte Leidse Regio (“WLR”) samen met vijf buurgemeenten (Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Oegstgeest en Zoeterwoude) en partners Energie Beheer Nederland (“EBN”) en Firan aan de ontwikkeling van een regionaal warmtebedrijf: Regionaal Publiek Integraal Warmtebedrijf Warmte Leidse Regio (“RPIW WLR”). Dit warmtebedrijf heeft tot doel duurzame, betrouwbare en betaalbare warmtevoorziening in de regio te realiseren, als onderdeel van de warmtetransitie en ter vervanging van aardgas.
EY-Parthenon (“EY-P” of “wij”) is gevraagd een second opinion uit te voeren voor het College van B&W en de gemeenteraad, om de zorgvuldigheid van de besluitvorming te vergroten en tunnelvisie te voorkomen. Het multidisciplinaire team van EY-P beoordeelt of relevante scenario’s en alternatieven voldoende zijn doorgerekend. Daarbij is er niet alleen aandacht voor de financiële implicaties, maar ook voor maatschappelijke doelen zoals CO₂-reductie en de overstap van aardgas naar duurzame warmtebronnen.
In mei 2025 hebben deze partijen een intentieovereenkomst getekend om de oprichting van een publiek warmtebedrijf verder te onderzoeken. Deze stap past binnen de nationale klimaatdoelen en de aankomende Wet collectieve warmte (“Wcw”), die vanaf 2026(1) zal vereisen dat nieuwe warmtenetten een publieksmeerderheid in eigendom kennen. Het oprichten van een eigen warmtebedrijf biedt kansen om de energietransitie te versnellen en lokale regie te voeren over tarieven en dienstverlening. Tegelijk brengt het aanzienlijke investeringen en risico’s met zich mee. Context en aanleiding Op basis van een aantal conceptdocumenten (o.a. een globaal ontwerp inclusief business case (“GO”), concept-aandeelhoudersovereenkomst (“AHO”) en concedpt-oprichtingsakte inclusief statuten (“AO”)) neemt Voorschoten na de zomer een besluit over het ondertekenen van de samenwerkingsovereenkomst (“SOK”). Na ondertekening van de SOK start de kwartiermakersfase De kwartiermakersfase eindigt door de oprichting van het RIPW, dit is beoogt voor eind 2026. Ondertekening van de SOK is daarmee een strategisch besluit met verstrekkende implicaties voor Voorschoten op financieel, organisatorisch én maatschappelijk vlak.
Enerzijds kan deelname bijdragen aan de gemeentelijke duurzaamheidsdoelstellingen en zorgt het voor een stem in de sturing van het warmtenet (belangrijk voor bijvoorbeeld tariefstelling en investeringen). Anderzijds legt mede-eigenaarschap van het RPIW WLR ook verplichtingen op: investeringsbijdragen, langjarige betrokkenheid en het dragen van een deel van de risico’s van het project. Met het uitvoeren van een second opinion op de SOK, AHO, AO en GO wil de gemeente inzicht verkrijgen in de financiële, juridische en organisatorische gevolgen en risico’s van deelname aan het RPIW, in lijn met het door de gemeenteraad vastgestelde uitgangspuntenkader.
Risico’s of onduidelijkheden die uit de analyse blijken, worden voorzien van concrete voorstellen om deze te mitigeren. Zo kan Voorschoten proactief voorwaarden stellen of interne maatregelen treffen om potentiële knelpunten tijdig op te lossen, nog vóórdat het definitieve besluit over deelname wordt genomen. Onderzoeksopzet & scope De second opinion bestrijkt alle zes de onderdelen van het Programma van Eisen (“PvE”) zoals uitgevraagd door de gemeente. Dit omvat: 1. Business case: Een review van de business case van het warmtebedrijf. Hierbij worden de gehanteerde aannames over CAPEX, operationele kosten, aansluitsnelheid en volloop beschouwd. Tevens worden gevoeligheidsanalyses en scenario’s uitgevoerd op kritische variabelen - zoals variaties in investeringsniveau, tempo van aansluitingen, deelname van partners en beschikbaarheid van Rijksbijdragen - om zo de financiële bandbreedtes en risico’s voor de gemeente inzichtelijk te maken. 2. Governance: Een evaluatie van de voorgenomen juridische structuur en governance van het warmtebedrijf. Op basis van de conceptafspraken (zoals SOK, AHO en AO) wordt nagegaan of de positie en invloed van Voorschoten als toekomstige aandeelhouder voldoende zijn gewaarborgd. Belangrijke aandachtspunten hierbij zijn een evenwichtige verdeling van verantwoordelijkheden en zeggenschap tussen alle partijen.
3. Financieren: Een beschouwing van de voorgestelde financieringsopzet van het RPIW en de implicaties daarvan voor de gemeente. Er wordt beoordeeld of de mate van vreemd vermogen (gearing) haalbaar is. Indien relevant worden alternatieve financieringsvormen of mitigerende maatregelen verkend (bijvoorbeeld gebruik van een waarborgfonds, fasering via een special purpose vehicle).
(1) Indien met deze wet ingestemd wordt in de Eerste Kamer
4 september 2025 | Definitief | Second opinion oprichting regionaal warmtebedrijf | Gemeente Voorschoten
Pagina 11
Management Samenvatting
Inleiding vraagstelling
Management Samenvatting
Inleiding & vraagstelling
Business case
Governance
Business case
Financieren
Governance
Uitgangspunten document
Financieren
Interne organisatie
Uitgangspunten document
Betaalbaarheid
Interne organisatie
Bijlagen
Betaalbaarheid
Bijlagen
Inleiding & vraagstelling Analyse van de impact voor de gemeente Voorschoten bij de oprichting van een nieuw regionaal warmtebedrijf 4. Uitgangspuntenkader: Een toetsing van de stukken aan het door de gemeenteraad vastgestelde Uitgangspuntenkader Warmtetransitie Voorschoten. Per beleidsuitgangspunt uit dit kader wordt geëvalueerd in hoeverre hieraan invulling wordt gegeven in de huidige voorstellen. Wanneer een bepaald uitgangspunt nog niet voldoende is geborgd, worden concrete verbetersuggesties gegeven. Deze toets heeft als doel te waarborgen dat de voorgenomen volloop in lijn is met de door de raad gestelde randvoorwaarden en doelstellingen. 5. Interne organisatie: Een evaluatie naar de interne voorbereidingsgraad van de gemeentelijke organisatie op deelname in het warmtebedrijf. Hierbij wordt in kaart gebracht welke nieuwe rollen en verantwoordelijkheden op Voorschoten afkomen (zoals aandeelhouderschap, toezicht op het warmtebedrijf) en in hoeverre de huidige organisatie daarop is ingericht. Eventuele leemtes in capaciteit of expertise worden geïdentificeerd. Vervolgens worden aanbevelingen geformuleerd om de organisatie te versterken of aan te passen, zodat de gemeente haar nieuwe taken effectief kan vervullen zonder de continuïteit van de reguliere werkzaamheden in gevaar te brengen. 6.
Betaalbaarheid eindgebruikers: Een analyse van de gevolgen van het warmtenet voor de energielasten van eindgebruikers in Voorschoten. De geprognosticeerde warmtetarieven worden vergeleken met relevante referenties, zoals de huidige en verwachte toekomstige (langjarige) kosten van aardgas en wordt er een vergelijking gemaakt met de warmtepomp. Ook wordt de TNO energiearmoede toets (voor Voorschoten specifiek) uitgevoerd, om te onderzoeken of een warmtenet zal leiden tot energiearmoede. Daarbij zal worden aangegeven welke waarborgen of flankerende maatregelen Voorschoten kan overwegen om betaalbaarheid voor alle gebruikers te verbeteren.
4 september 2025 | Definitief | Second opinion oprichting regionaal warmtebedrijf | Gemeente Voorschoten
Pagina 12
3
Business case
Business case Uitgangspunten
16 3.1
13
Uitgangspunten Scenario analyse
16 27
3.2
Scenario analyse
4 september 2025 | Definitief | Second opinion oprichting regionaal warmtebedrijf | Gemeente Voorschoten
27
Pagina 13
Management Samenvatting
Inleiding vraagstelling
Management Samenvatting
Business case
Inleiding & vraagstelling
Governance
Business case
Financieren
Governance
Uitgangspunten document
Financieren
Interne organisatie
Uitgangspunten document
Betaalbaarheid
Interne organisatie
Bijlagen
Betaalbaarheid
Bijlagen
Business case Opbouw van de business case Inleiding
In dit onderdeel van het rapport wordt de business case van het regionale warmtebedrijf geanalyseerd met nadruk op de financieel-strategische haalbaarheid en de belangrijkste risico’s voor Voorschoten. De business case bevat de kernveronderstellingen over investeringskosten (“CAPEX”), exploitatiekosten (“OPEX”), het tempo en aantal aan te sluiten afnemers, verwachte inkomsten en eventuele subsidies. Dit zijn de belangrijkste en meest invloedrijke parameters bij de oprichting van een warmtebedrijf. De uitgangspunten worden getoetst op realiteitsgehalte, onder meer door vergelijking met marktgegevens en ervaringen uit vergelijkbare warmtenetprojecten, en door na te gaan of relevante wet- en regelgeving correct zijn verwerkt. Bijlage A bevat een overzicht van de door ons ontvangen informatie. De in het dit hoofdstuk geanalyseerde uitgangspunten zijn afkomstig uit de volgende documenten: • Input Greenvis: WLR_REVIEW_
BuCa WLR_Input
buca RHR
obv
Toekomstbeeld
+ InpM v08
• Model: BuCa WLR_20250527 Opgave RPIW WLR_REVIEW_ • Input warmtevraag: WLR_MODEL_FM - NDW t.b.v. RWB - v03d - WLR - v01k • GO: GO RPIW WLR - v0.8_VASTGESTELD_REVIEW_
ontvangen. Warmte wordt dan ingekocht op prijs-minus-subsidie, wat direct de inkoopkosten in de business case drukt. • Warmtenetten Investeringssubsidie (“WIS”) kan een deel van de net-investeringen dekken, en reduceert daarmee het te financieren CAPEX-bedrag en de toekomstige kapitaallasten. Kostenstructuur 1. CAPEX: • Backbone/transport (regionale hoofdleidingen, koppeling met WarmtelinQ); • Wijkdistributie (leidingen in de wijk); • Warmteoverdrachtsstations (“WOS”) en afleversets; • Bron-inkoppeling (o.a. geothermie, restwarmte), en piek/back-up en buffers voor leveringszekerheid; 2. OPEX: • Warmte-inkoop/bron-OPEX, beheer en onderhoud van het net, storingsdienst/ICT, klantbediening en algemene organisatiekosten. Financieringslasten (rente/aflossing) worden apart zichtbaar gemaakt in de kasstroom. Financiering
Opbouw business case Inkomstenstromen 1. Warmtelevering aan klanten: •
Omzet bestaat uit vastrecht per aansluiting en een variabele prijs per gigajoule (“GJ”). Daarnaast wordt bij nieuwe aansluitingen een eenmalige aansluitbijdrage (“BAK”) in rekening gebracht binnen de Autoriteit Consument & Markt(“ACM”)-kaders. Contractering volgt per wijk/cluster de fasering van het warmteprogramma.
2. Subsidies: • Stimulering Duurzame Energieproductie Plus (“SDE++”) verlaagt de inkoopprijs van duurzame warmte (bv. geothermie/restwarmte) doordat bronontwikkelaars subsidie 4 september 2025 | Definitief | Second opinion oprichting regionaal warmtebedrijf | Gemeente Voorschoten
• De financiering wordt centraal geregeld via de balans van WLR, waarbij langlopende leningen in tranches worden aangetrokken die aansluiten op de investeringsfasen. • Waar mogelijk maakt WLR gebruik van het Waarborgfonds Warmtenetten om te profiteren van lage rente en lange looptijden. • Het eigen vermogen wordt ingebracht door de aandeelhouders – gemeenten, EBN en Firan – naar rato van hun aandelenbelang.
• Voor Voorschoten betekent dit bij een aandelenbelang van circa 3,24% een indicatieve inleg van ongeveer € 8 mln. in het basisscenario. • De verhouding tussen vreemd en eigen vermogen is gebaseerd op 80% vreemd vermogen en 20% eigen vermogen. Pagina 14
Management Samenvatting
Inleiding vraagstelling
Management Samenvatting
Inleiding & vraagstelling
Business case
Governance
Business case
Financieren
Governance
Uitgangspunten document
Financieren
Interne organisatie
Uitgangspunten document
Betaalbaarheid
Interne organisatie
Bijlagen
Betaalbaarheid
Bijlagen
Business case Belangrijkste uitgangspunten en leeswijzer Financiering (vervolg)
Leeswijzer
• De kasstroomstructuur volgt een gebruikelijke waterval waarbij eerst operationele kosten en warmte-inkoop worden betaald, daarna rente en aflossing, vervolgens reserveringen zoals de DSRA en pas daarna dividend, mits aan de financiële ratio’s wordt voldaan.
In paragraaf 3.1 wordt een nadere analyse uitgevoerd op de uitgangspunten in de business case. Deze richt zich specifiek op:
Regulering en tariefvorming
2. OPEX
• De Wcw vereist publiek meerderheidsaandeel en vormt samen met ACM-kaders de basis voor kostengeoriënteerde tariefstelling. Dit borgt publieke waarden (betaalbaarheid/transparantie) maar beperkt de ruimte om tekorten via tarieven op te vangen; efficiëntie, schaal en subsidie-inpassing zijn dus doorslaggevend voor de business case. • Bijdrage Aansluitkosten (“BAK”): de opbouw en plafonds volgen ACM-methodieken; bij broncontracten wordt SDE++ verwerkt als prijsreductie bij de bron, zodat eindtarieven binnen kaders blijven. Sources Eigen Vermogen (totaal business case) € 248,5 mln. Eigen Vermogen Voorschoten € 8,1 mln. Vreemd vermogen € 599,9 mln. WIS-subsidie € 367,7 mln. BAK inkomsten € 422,0 mln. Onrendabele top € 457,7 mln. Totaal € 2.095,8 mln.
1. CAPEX
Uses CAPEX Ontwikkelkosten Financiering rente in aanloopfase Totaal
Andere relevante parameters Gearing 80% SDE++ subsidie € 731,8 mln. Project IRR 6,0% Totaal aantal aansluitingen 70.275 Tarifering basisscenario Niet-meer-dan-anders principe Participatiegraad woonwijken 80% Part. Graad bedrijventerreinen 50% Aandelenbelang Voorschoten in RPIW WLR 3,24% Startjaar investeringen 2026 Jaar eerste aansluitingen 2029
4 september 2025 | Definitief | Second opinion oprichting regionaal warmtebedrijf | Gemeente Voorschoten
3. Aansluitsnelheid 4. Volloop In paragraaf 3.2 wordt middels een scenario-analyse de impact gemodelleerd van de volgende scenario’s : 1. Wijzigen aandelenverhouding door uitstappen kleine gemeente 2. Wijzigen aandelenverhouding door uitstappen grote gemeente
€ 1.976,2 mln. € 98,5 mln. € 21,1 mln. € 2.095,8 mln.
3. Verlaging aansluitsnelheid met 10%
4. Verlaging volloop met 10% 5. Wegvallen van 10% van de subsidies 6. Verlaging BAK met 10% 7. 10% verhoging van investeringen
Pagina 15
Uitgangspunten
3.1
Uitgangspunten 16
4 september 2025 | Definitief | Second opinion oprichting regionaal warmtebedrijf | Gemeente Voorschoten
Pagina 16
Management Samenvatting
Inleiding vraagstelling
Management Samenvatting
Business case
Inleiding & vraagstelling
Governance
Business case
Financieren
Governance
Uitgangspunten document
Financieren
Interne organisatie
Uitgangspunten document
Betaalbaarheid
Interne organisatie
Bijlagen
Betaalbaarheid
Bijlagen
CAPEX - Beschrijving Voornaamste uitgangspunten business case De totale CAPEX(2) - over de periode 2026 t/m 2050 - bedraagt ca. € 1.976,2 mln. In dit bedrag is rekening gehouden met 30% onvoorzien en 10% voor projectmanagement en engineering. De CAPEX is bovendien verdeeld over verschillende componenten: Afleversets 8%
Bron 11%
Piek & Back-up 2%
Bovengrondese infra 20%
(x € 1 mln.) Bron 216,4 Piek & Back-up 37,9 Infra 1.114,5 Bovengrondese infra 396,7 Aansluitleidingen 45,5 Afleversets 165,1 Totaal 1.976,2 Infra 57%
Bron
Piek & Back-up
Infra
Bovengrondese infra
Aansluitleidingen
Afleversets
De input voor de berekening van CAPEX is geleverd door adviesbureau Greenvis met prijspeil 2024. In de ontvangen bestanden leidt de berekening terug naar harde waarden, aanvullend hebben we enkele kengetallen ontvangen van gehanteerde prijzen per meter. De review van de CAPEX is derhalve grotendeels uitgevoerd op de totale bedragen. Voor de berekening van de CAPEX worden in de business case bovendien de volgende aannames gedaan: ►
Indexatie: 2% prijsindexatie per jaar vanaf 2026
►
Kostenreductie: 7% reductie van CAPEX in 2050 (o.b.v. businessplan Alliander)
De business case gaat uit van de afschrijftermijnen en herinvesteringspercentages zoals gepresenteerd in de tabel rechtsboven. (2) De totale CAPEX is inclusief 30% onvoorzien, 10% management en engineering, prijsindexatie en kostenreductie. ( 3) Totale CAPEX incl. 5% ontwikkelkosten 4 september 2025 | Definitief | Second opinion oprichting regionaal warmtebedrijf | Gemeente Voorschoten
Afschrijftermijn 20 20 30 20 30 20
Herinvesterings % 70% 100% 25% 70% 25% 75%
Onderstaande grafiek toont het verloop van de CAPEX per jaar van 2026 tot en met 2050. De piek in 2040 correspondeert met de start van de bouw van meerdere clusters in Katwijk, Leiden, Leiderdorp en Voorschoten. Nieuwe aansluitingen in Katwijk, Leiden, Leiderdorp en Voorschoten
160
140 120 x € 1 mln.
Aansluitleidingen 2%
Bron Piek & Back-up Infra Bovengrondese infra Aansluitleidingen Afleversets
100 80 60 40 20 -
CAPEX
Herinvesteringen
De business case gaat uit van 67.357 woning aansluitingen, 2.760 centrale aansluitingen en 159 utiliteiten, hetgeen neerkomt op een totaal van 70.275 aansluitingen in 2050. Het model geeft geen inzicht in de gemiddelde CAPEX per type aansluiting.
Gemiddelde CAPEX € 29.527 per aansluiting(3) Pagina 17
Management Samenvatting
Inleiding vraagstelling
Management Samenvatting
Inleiding & vraagstelling
Business case
Governance
Business case
Financieren
Governance
Uitgangspunten document
Financieren
Interne organisatie
Uitgangspunten document
Betaalbaarheid
Interne organisatie
Bijlagen
Betaalbaarheid
Bijlagen
CAPEX – Bevindingen Review uitgangspunten business case Gemiddelde CAPEX per aansluiting
(selectieve) kostenstijging vanwege schaarste van materialen echter aanwezig.
De gemiddelde CAPEX per aansluiting komt uit op € 29.527.
➢ WLR verwacht dat op lange termijn de investeringskosten ca. 7% lager worden door efficiëntie en innovatie. Verspreid over de periode is dit zo’n 0,2 tot 0,3% per jaar kostenverlaging. Dat is licht optimistisch, maar niet onrealistisch. Het vereist wel schaalvoordelen en technische innovaties (prefab aanleg, betere isolatie, etc.). Wel moet men bedenken dat als schaarste optreedt, kosten ook zouden kunnen stijgen in plaats van dalen.
• De CAPEX per aansluiting ligt aan de hoge kant in vergelijking met bij ons bekende andere casussen, maar ligt wel binnen een redelijke range. • Uit een 2022-studie van WarmingUpDeltares(4) blijkt voor moderne middentemperatuurnetten een bandbreedte van circa €15k–€25k per woning (prijspeil 2021). Met indexatie zou dit nu ~€18k–€30k zijn. Het huidige aangenomen bedrag van €29.500 per aansluiting zit aan de bovenkant van die range.
Opslagen CAPEX investering • 30% van de CAPEX voor onvoorziene kosten. ➢ Aanvankelijk werd gerekend met 20% onvoorziene kosten. Dit is verhoogd naar 30% vanwege de onzekerheid omtrent de uitkoppeling van WLQ en tijdelijke bronnen. Deze ophoging is direct verwerkt in de investeringsraming van de business case en beïnvloedt daarmee de totale CAPEX, de financieringsbehoefte en de berekende warmteprijs. ➢ In vergelijkbare projecten worden percentages van 20% gehanteerd. 30% is hoger dan we in andere projecten zien. Echter, biedt de gegeven toelichting over de onzekerheid van de uitkoppeling voldoende aanleiding om de onvoorzien-post te verhogen naar 30%. • 10% van de CAPEX als kosteninschatting voor projectmanagement en engineering. ➢ In vergelijkbare projecten worden ook percentages van 10% gehanteerd. • 5% van de CAPEX als kosteninschatting voor ontwikkeling. ➢ In vergelijkbare projecten worden ook percentages van 5% gehanteerd. Afschrijvingstermijnen
De gehanteerde afschrijvingstermijnen en herinvesteringspercentages zijn gangbaar in de markt, waarbij de bovengrondse delen het snelste afschrijven en de grootste herinvestering behoeven. Ontwikkelingen • 7% CAPEX kostenreductie tegen 2050. Licht optimistisch, maar niet extreem. Risico op
• In de business case wordt gerekend met een prijsindexatie van 2%. ➢ Dit is aan de lage kant. Hoewel 2% lange tijd een gemiddelde inflatiedoelstelling was, stijgen specifieke kosten binnen de energiesector momenteel veel harder. Netbeheerders verhogen bijvoorbeeld de netwerktarieven fors (Liander voorspelt ca. 7% stijging in 2025, vastrecht elektra zelfs +14%). Ook bouwkosten en energiebelastingen op gas stijgen meer dan 2%. Een algemene index van 2% onderschat mogelijk de werkelijke kostenstijging voor onderdelen als netaansluitingen en bouw op de korte termijn. Voor de middellange en lange termijn is 2% indexatie een gangbare aanname. CAPEX subsidies In de business case wordt uitgegaan van Warmtenetten Investeringssubsidie (WIS) en overige CAPEX subsidies. • WIS is gemaximeerd op € 7.000 per aansluiting of 30% van de subsidiabele investeringen. De subsidie wordt toegepast op de aanleg van het distributienet, inclusief leidingen in de wijk, warmteoverdrachtsstations (WOS) en afleversets bij klanten. De backbone valt in principe buiten WIS, tenzij deze aantoonbaar onderdeel is van een collectief warmtenet voor bestaande bouw. De WIS is nog niet toegekend waardoor dit een onzekerheid is in de business case. • In de business case is een aanvullende overige CAPEX-subsidie van € 458 mln. (onrendabele top) opgenomen om het RPIW WLR financieel sluitend te maken.
Deze extra subsidie is nodig is om de uitgaven en inkomsten van het RPIW WLR in balans te brengen. Hier is nog geen concrete invulling voor voorzien, wat de business case momenteel niet financieel haalbaar maakt. Gezien de omvang (23% van CAPEX tot en met 2050) en het belang vormt dit een materieel risico voor de business case.
(4) eindrapport-2c-aanlegkosten-warmteleidingen.pdf, met indexatie van 13,0% voor periode 2021 – juni 2025 (CBS indexatie bouwkosten Nieuwbouwwoningen; inputprijsindex bouwkosten 2021=100 | CBS) 4 september 2025 | Definitief | Second opinion oprichting regionaal warmtebedrijf | Gemeente Voorschoten
Pagina 18
Management Samenvatting
Inleiding vraagstelling
Management Samenvatting
Business case
Inleiding & vraagstelling
Governance
Business case
Financieren
Governance
Uitgangspunten document
Financieren
Interne organisatie
Uitgangspunten document
Betaalbaarheid
Interne organisatie
Bijlagen
Betaalbaarheid
Bijlagen
CAPEX - Beschrijving Voornaamste uitgangspunten business case Greenvis heeft daarnaast een aantal belangrijke kengetallen aangeleverd die zijn gebruikt bij de berekening van de CAPEX. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen integrale leidingen en prijzen per aansluiting. Onderstaand onze bevinden bij elk van deze: Integrale leidingen •
Primaire regionale leidingen: 2.898 €/m (meest voorkomende diameters zijn DN250-DN400)
De gehanteerde meterprijs van Greenvis (€2.898/m) ligt net boven het geïndexeerde gemiddelde van €2.885/m (WarmingUP/Deltares, prijspeil 2025)(5). Dit is logisch, omdat deze leidingen groot zijn (DN250–DN400) en daardoor veel materiaal en een zware uitvoering vragen. In stedelijke context spelen bovendien factoren als kabels/leidingen, verkeersmaatregelen en beperkte werkruimte een rol. De prijs van Greenvis is daarmee goed te verklaren bij een complex stedelijk tracé. • Primaire lokale leidingen: 2.465 €/m (meest voorkomende diameters zijn DN150-DN300) Voor primaire lokale leidingen hanteert Greenvis €2.465/m. Dit ligt net onder het geïndexeerde gemiddelde van €2.885/m, wat past bij de kleinere diameters (DN150–DN300) en iets minder zware uitvoering. Toch blijft de prijs relatief hoog vergeleken met de mediaan (€1.410/m), wat verklaarbaar is door stedelijke complexiteit: beperkte werkruimte, bestaande infrastructuur en fasering. •
Secundaire distributie: 1.384 €/m
De secundaire distributieleidingen zijn geprijsd op €1.384 per meter. Dit ligt onder het geïndexeerde gemiddelde van €2.885 per meter. Het rapport van WarmingUP/Deltares laat echter zien dat er een fors aantal projecten leidingen hebben gerealiseerd die beneden het gemiddelde liggen. Het is dan ook logisch dat de prijs van secundaire leidingen, gezien diens formaat, in de buurt komen van de lager geprijsde warmtetten.
Onderstations
• € 213.138 per stuk De gehanteerde investering van €213.138 per onderstation (2 MW, prefab) is marktconform. In de praktijk varieert de prijs van een onderstation doorgaans tussen de €80 en €150 per kW geïnstalleerd vermogen, afhankelijk van configuratie, regeltechniek en mate van redundantie. De prijs van Greenvis komt neer op €106/kW (€213.138 / 2.000 kW), wat goed aansluit bij deze bandbreedte. Dit bedrag is representatief voor een standaard prefab onderstation in een wijk- of stadsnet, inclusief installatie en basisregeltechniek. Aansluitingen • Grondgebonden: 4.919 €/stuk (excl. Afleverset) De prijs voor een aansluiting op een grondgebonden woning (exclusief afleverset) bedraagt €4.919. Dit bedrag ligt onder het ACM-plafond van €5.251(6) voor 2025. Daarmee is deze prijs marktconform. • Gestapeld (portiek/galerij): 3.279 €/stuk (excl. Afleverset) Voor gestapelde woningen (portiek/galerij) wordt een aansluitprijs van €3.279 gehanteerd. Dit bedrag is lager dan bij grondgebonden woningen, wat logisch is door schaalvoordelen bij collectieve aanleg. Ook deze prijs ligt ruim onder het ACM-plafond en is marktconform. In de praktijk zijn de kosten per aansluiting bij gestapelde bouw vaak lager door gedeelde tracés en minder benodigde meters per woning. • Kosten individuele indirecte afleverset: 1.721 €/stuk De prijs voor een individuele indirecte afleverset bedraagt €1.721.
Dit bedrag is marktconform: de ACM hanteert voor de huur van afleversets een jaarbedrag van circa €150, wat bij een afschrijvingstermijn van 12 jaar op een vergelijkbare CAPEX uitkomt.
De ontvangen documentatie bevat geen informatie over tracélengtes (in meters) per leidingtype. Hierdoor is geen (gewogen) gemiddelde vast te stellen voor RPIW WLR.
(5) eindrapport-2c-aanlegkosten-warmteleidingen.pdf, met indexatie van 13,0% voor periode 2021 – juni 2025 (CBS indexatie bouwkosten Nieuwbouwwoningen; inputprijsindex bouwkosten 2021=100 | CBS) (6) Tarievenbesluit warmteleveranciers 2025 | ACM 4 september 2025 | Definitief | Second opinion oprichting regionaal warmtebedrijf | Gemeente Voorschoten
Pagina 19
Management Samenvatting
Inleiding vraagstelling
Management Samenvatting
Business case
Inleiding & vraagstelling
Governance
Business case
Financieren
Governance
Uitgangspunten document
Financieren
Interne organisatie
Uitgangspunten document
Betaalbaarheid
Interne organisatie
Bijlagen
Betaalbaarheid
Bijlagen
OPEX – Beschrijving onderhoudskosten Voornaamste uitgangspunten business case
11% 8%
Aansluitleidin gen 2%
Afleversets 10%
40
Bron 34% Bovengronde se infra 18%
OPEX incl. SDE++ € 884
20 15
Piek & Backup 2%
OPEX excl. SDE++ € 1.392
OPEX Kosten 2050 Overhead SDE++ subsidie Inkoopkosten energie
30 25
38%
42%
35
x € 1 mln.
De OPEX is opgebouwd uit onderhoudskosten, energiekosten en administratie en beheerkosten en overhead. De input is wederom afkomstig van Greenvis. Hieronder is indicatief weergegeven hoe de OPEX per aansluiting is opgebouwd in 2050. Circa 81% hiervan bestaat uit onderhoudskosten en inkoopkosten energie (vóór verrekening van SDE++ subsidie). De onderhoudskosten per aansluiting komen uit op € 884 in 2050.
SDE++ Administratie en beheer Onderhoudskosten
Onderhoudskosten De onderhoudskosten worden berekend als percentage van de CAPEX. Het percentage varieert per type investering. Bij een totale CAPEX van € 1,976,2 mln. bedragen de onderhoudskosten € 32,4 mln. per jaar. Dit komt neer op ca. 1,6% van de totale CAPEX. Een omvang aan onderhoudskosten per jaar van zo’n 1,6% van de totale CAPEX wordt gangbaar geacht. Onderhoud (jaar) (x € 1 mln.) % CAPEX Bron 5,0% 10,8 Piek & Back-up 2,0% 0,8 Infra 1,0% 11,1 Bovengrondese infra 1,5% 6,0 Aansluitleidingen 1,0% 0,5 Afleversets 2,0% 3,3 Totaal 32,4 4 september 2025 | Definitief | Second opinion oprichting regionaal warmtebedrijf | Gemeente Voorschoten
5
Infra 34%
37%
10
Bron
Piek & Back-up
Infra
Bovengrondese infra
Aansluitleidingen
Afleversets
-
Onderhoudskosten
De onderhoudskosten stijgen gestaag mee met de CAPEX. In de business case wordt uitgegaan van een onderhoudsvrije periode van drie jaar. Zodoende zijn de eerste onderhoudskosten ingerekend vanaf 2029. Voor de berekening van de OPEX worden in de business case bovendien de volgende aannames gedaan: ►
Indexatie: 2% prijsindexatie per jaar vanaf 2026
►
Kostenreductie: 7% reductie van OPEX in 2050 (o.b.v. Businessplan Alliander)
Pagina 20
Management Samenvatting
Inleiding vraagstelling
Management Samenvatting
Business case
Inleiding & vraagstelling
Governance
Business case
Financieren
Uitgangspunten document
Governance
Financieren
Interne organisatie
Uitgangspunten document
Betaalbaarheid
Interne organisatie
Bijlagen
Betaalbaarheid
Bijlagen
OPEX – Bevindingen Review uitgangspunten business case Energiekosten
Naast CAPEX zijn energiekosten een van de grootste bepalende factoren voor de financiële haalbaarheid van het project. Warmte- en elektriciteitsinkoop zorgen voor structurele uitgaven die sterk afhankelijk zijn van marktprijzen en contractafspraken. Deze zijn (op basis van totaalbedragen over de gehele periode) als volgt verdeeld: Vast Gas 2%
Vast warmtelevering 16%
2025 107,29 85,00 22,29
2026 105,27 82,00 23,27
2027 102,78 78,00 24,78
2028 96,84 74,00 22,84
2029 91,73 70,00 21,73
2030 85,19 68,00 17,19
2031 80,32 67,00 13,32
• Het hanteren van hogere elektriciteitsprijzen in de business case leidt tot een conservatieve inschatting van de elektriciteitskosten. Hierdoor lijkt de kostprijs per GJ en de totale OPEX hoger dan op basis van het huidige prijspeil, wat de financiële haalbaarheid negatief kan beïnvloeden. Een actualisatie met marktconforme prijzen kan de business case verbeteren en een realistischer beeld geven van rendement en tariefontwikkeling. • In de aangeleverde modellen en documenten hebben wij geen aanname ten aanzien van leiding-/distributieverliezen kunnen vinden;
Variabel Elektriciteit 46%
Vast Elektriciteit
• Hetzelfde geldt voor de elektriciteitsprijzen, die ook structureel hoger zijn dan actuele prijzen. Elektriciteitsprijs verwachtingen in € 's Prijs opgenomen in model Actuele verwachtingen ICE Index Verschil
Vast Elektriciteit 19%
Variabel Gas 17%
Vast Gas
overschatte gasprijs zijn de warmte-inkomsten in het model waarschijnlijk te hoog ingeschat – bij actualisatie zou het rendement lager uitvallen en mogelijk extra financiële steun vereisen. Daarnaast zou ook het effect van lagere gasprijzen op de SDE++ geanalyseerd moeten worden.
• Variabel Gas
Variabel Elektriciteit
Vast warmtelevering
Als we ervan uitgaan dat in de business case geen rekening wordt gehouden met leidingverliezen, impliceert dat in de berekening GJ ingekocht/geproduceerd GJ geleverd, waardoor de energie-OPEX en kostprijs per GJ waarschijnlijk te laag uitvallen.
• Als richtwaarde geldt dat stedelijke distributienetten veelal ca. 10–15% netverlies kennen. • In de business case wordt uitgegaan van de gasprijs verwachtingen per 2023. Deze zijn niet in lijn met de actuele gasprijs tarieven, zie onderstaande tabel. Gasprijs verwachtingen in € 's Gasprijs Model (TTF 2023 verwachtingen) Actuele verwachtingen ICE Index Verschil
2025 48,04 33,77 14,28
2026 46,66 33,85 12,81
2027 45,28 30,20 15,08
2028 43,89 26,85 17,04
2029 42,51 24,95 17,56
• In het model is op het InpM tabblad Kolom AS de mogelijkheid om warmteverlies (in %) op te nemen. Deze is echter niet ingevoerd in de huidige casus.
2030 2031 41,13 … 24,95 … 16,18 16,18
• De gasprijzen in het model zijn structureel te hoog ingeschat. Soms tot wel 50% te hoog. Zolang NMDA geldt, is het maximale warmtetarief gekoppeld aan de aardgasprijs. Door de
4 september 2025 | Definitief | Second opinion oprichting regionaal warmtebedrijf | Gemeente Voorschoten
Pagina 21
Management Samenvatting
Inleiding vraagstelling
Management Samenvatting
Inleiding & vraagstelling
Business case
Governance
Business case
Financieren
Governance
Uitgangspunten document
Financieren
Interne organisatie
Uitgangspunten document
Betaalbaarheid
Interne organisatie
Bijlagen
Betaalbaarheid
Bijlagen
OPEX – Bevindingen Review uitgangspunten business case Warmtevraag per aansluiting
In de casus wordt uitgegaan van de onderstaande warmtevraag per aansluitingstype: Warmtevraag per 2029 Woning Centrale Aansluiting Utiliteit
GJ 26 68 780
WEQ 0,97 2,54 28,88
• Woningen: 26 GJ/aansluiting – dit valt in de praktijkbandbreedte voor stadsverwarming (± 25–35 GJ/jaar).
• Centrale aansluitingen (klein-zakelijk): ca. 68 GJ/aansluiting – plausibel voor kleine utiliteit/klein-zakelijk, afhankelijk van functie en gebruiksuren. • Utiliteiten: ca. 780 GJ/aansluiting – hoog, maar realistisch voor grote niet-woningen (bijv. zwembad, zorglocatie, school/campus of productie), mits dit aansluit de daadwerkelijke utiliteiten van de wijk. Daar hebben wij geen zicht op. Voor zover bij ons bekend, is bij de inschatting van warmtevraag en energiebehoefte geen onderscheid gemaakt in woningtypes (bijv. MGW en EGW). Mogelijk bestaan er ook verschillende verbruiksprofielen en technische eisen waarmee in een later stadium rekening moet worden gehouden. Deze vereenvoudigde benadering is verdedigbaar gezien de huidige status en het doel van het Globaal Ontwerp. In de volgende fase moet dit verder worden uitgewerkt, inclusief differentiatie naar verbruiksprofielen en technische eisen. Daarnaast rekent het model met 20% warmtevraag reductie in de periode tot en met 2050. na 2050 is er geen verdere reductie meer. Het uitgangspunt is dat de warmtevraag in de toekomst lager wordt als gevolg van betere isolatie. Dit achten wij plausibel. Gemeenten en overheid stimuleren momenteel actief om woningen te isoleren, bijvoorbeeld met subsidies en bouwvoorschriften. Het blijft echter belangrijk om te monitoren en eventueel bij te stellen in de toekomst.