Bijlage 6 Wensen en bedenkingen van de gemeente Voorschoten
Tekst van het document
Pagina 23 van 31
Tijdens de voorbereiding van de stukken is er discussie ontstaan over het wel, niet of aangepast opnemen van art. 7.1.c. Argumentatie hiervoor is dat de samenwerking tussen Partijen anders te vrijblijvend zou kunnen worden. In de SOK wordt het toetsen van de begroting primair bij de Stuurgroep gelegd (art. 7.1.d), en dus bij het college, terwijl ook de gemeenteraad een oordeel zou moeten kunnen vormen. Met artikel 7.1.d wordt het budgetrecht en de controlefunctie van de gemeenteraad alleen indirect geregeld. Verwijdering of aanpassing zorgt voor een onduidelijkere overeenkomst, waarbij Partijen minder goed weten waar ze aan toe zijn. Het eventueel schrappen of aanpassen van dit artikel zou reden kunnen zijn om de SOK niet te ondertekenen. De businesscase, de financiële situatie en de juridische stukken van het RPIW gaan mogelijk nog wijzigen. Onderdelen van de huidige stukken kunnen een (groot) inhoudelijk, juridisch of financieel gevolg hebben voor het warmtebedrijf en de gemeente. De globale businesscase volstaat nog niet om een oordeel te kunnen vormen over de financiële risico’s en gevolgen van de commitment die met de SOK wordt gegeven. Het is wenselijk dat de gemeenteraad op basis van de definitieve businesscase besluit over een financiële commitment.
Verder is de invulling van financiële regelingen vanuit het Rijk nog niet duidelijk en gaan alle gemeenten nog warmteprogramma’s vaststellen. De verdeling van de aandelen zal worden gebaseerd op deze warmteprogramma’s. Kortom, de stukken moeten tijdens de Kwartiermakersfase verder worden uitgewerkt. Het wordt afgeraden om de financiële commitment voor de oprichting van een warmtebedrijf aan te gaan op basis van de huidige businesscase. Met voldoende waarborgen, zoals artikel 7.1.c, kan de SOK al wel worden ondertekend. Let op! Artikel 7.1.c geeft alleen een grond om het warmtebedrijf (nog) niet op te richten. Dit staat niet gelijk aan het uittreden van een Partij bij een negatief besluit. Dit wordt geregeld met artikel 10.
A.2 De Stuurgroep moet het gehele Stappenplan voor de Kwartiermakersfase toetsen, voorafgaand aan de oprichting van een warmtebedrijf. Aanbeveling 1. Wijzig artikel 7.1.d in de volgende tekst: “[Het RPIW kan pas opgericht worden als (‘Voorwaarden’):] de Stuurgroep besloten heeft dat het Stappenplan voldoende is voltooid, en daarmee akkoord is met de definitieve oprichtingsakte, aandeelhoudersovereenkomst, definitieve planning, Businessplan en de Definitieve Businesscase.” 2. Voeg aan het Stappenplan in artikel 5.2 de volgende onderdelen toe: uitwerken van het globale ontwerp tot het definitieve ontwerp, toewerken naar definitieve versies van de oprichtingsakte en aandeelhoudersovereenkomst, risicomanagement, stakeholdermanagement, de invulling van een warmteservicebedrijf, de onderlinge relaties tussen de Partijen, invulling van de betrokkenheid van lokale initiatieven, en de personele inzet en werkafspraken van Partijen. 3. Het uitblijven van de wijzigingen kan reden zijn om de SOK niet te ondertekenen. In de voor de wensen- en bedenkingenprocedure te beoordelen versie van de samenwerkingsovereenkomst zijn de aanbevelingen voldoende doorgevoerd. De formuleringen van artikelen 7.1.d en 5.2 moeten worden aangepast. Oorspronkelijk voorzag artikel 7.1.d enkel in een toets van de Definitieve Businesscase door de Stuurgroep, terwijl er op meer onderdelen getoetst moet worden.
De Kwartiermaker stelt een Stappenplan voor de Kwartiermakersfase op. Het is wenselijk dat de Stuurgroep toetst om het succesvol uitvoeren van het gehele Stappenplan voor de Kwartiermakersfase, niet alleen de Definitieve Businesscase. Het Stappenplan omvat o.a. ook: planning, Businessplan en de definitieve stukken. Daarnaast is het Stappenplan, zoals beschreven in artikel 5.2, nog niet compleet. Het zou moeten worden aangevuld met de hierboven beschreven onderdelen.
Pagina 24 van 31
A.3 De mogelijkheden tot uittreden zijn beperkt. Aanbeveling Voeg aan artikel 10.2 toe dat iedere Partij mag uittreden bij akkoord van de andere Partijen of na betaling van een nadeelcompensatie en/of boete. In de voor de wensen- en bedenkingenprocedure te beoordelen versie van de samenwerkingsovereenkomst is de aanbeveling voldoende doorgevoerd met de toegevoegde artikelen 10.3 en 10.6. In artikel 3.1 wordt de Oprichtingsdatum geïntroduceerd. Dit is een belangrijk moment, omdat de enige manier om uit te treden hier oorspronkelijk aan gekoppeld werd (zie art. 10.2). Echter, de deelname aan een warmtebedrijf moet iets zijn dat Partijen uit eigen motivatie doen en niet alleen op basis van een bepaalde tijdsdruk. De koppeling aan de Oprichtingsdatum kan stimulansen bieden om het oprichtingsproces onnodig te vertragen of onzorgvuldig te versnellen, of om de Oprichtingsdatum strategisch te kiezen. Deze datum is nu nog niet bepaald en zal voorafgaand aan de ondertekeningen van de SOK bekend moeten zijn. Daarnaast is het wenselijk dat een Partij kan uittreden als de andere Partijen hiermee instemmen. Tegelijkertijd moet deelname aan een warmtebedrijf ook niet te vrijblijvend zijn. Het realiseren van een duurzame warmtetransitie is een belangrijke verantwoordelijkheid, er zijn hoge kosten mee gemoeid en te gemakkelijk uitstappen kan nadelige gevolgen hebben voor andere Partijen.
Daarom is het introduceren van een uittreedboete te rechtvaardigen.
A.4 Tijdens de kwartiermakersfase worden wijzigingen in de oprichtingsakte en aandeelhoudersovereenkomst voorzien. Aanbeveling Verwijder de laatste bijzin in artikel 3.1, omdat wijzigingen ook groter kunnen zijn dan ‘beperkt’. In de voor de wensen- en bedenkingenprocedure te beoordelen versie van de samenwerkingsovereenkomst is de aanbeveling doorgevoerd. Artikel 3.1 stelt expliciet dat wijzigingen in de oprichtingsakte en aandeelhoudersovereenomst slechts beperkt mogen zijn, terwijl grotere wijzigingen niet uitgesloten kunnen worden. Deze Inhoudelijke Beoordeling toont nog een aantal belangrijke aandachtspunten. Verder kunnen ook nieuwe inzichten tijdens de Kwartiermakersfase leiden tot grotere wijzigingen. Verder is niet gedefinieerd wat een beperkte wijziging is, waardoor dit kan leiden tot discussies tussen Partijen. Het gevolg is wel dat als de wijzigingen tijdens de Kwartiermakersfase toch groter blijken te zijn, er dan misschien een nieuwe wensen- en bedenkingenprocedure (W&B) noodzakelijk is. Het kan daarom wenselijk zijn om de W&B niet (alleen) nu, maar (ook) aan het einde van de Kwartiermakersfase en voorafgaand aan de oprichting te houden. Een extra W&B kan het proces tot oprichting wel vertragen. Dit kan gevolgen hebben voor het behalen van de Oprichtingsdatum en zou de kans dat Partijen uittreden kunnen vergroten.
A.5 Borging van ambtelijke aansturing of besluitvorming in de projectstructurering tijdens de Kwartiermakersfase. Aanbeveling Evalueer de huidige projectstructurering, borg een vorm van ambtelijke aansturing in de projectstructurering in de SOK, en geef de ambtelijke werkgroep een belangrijkere rol. In de voor de wensen- en bedenkingenprocedure te beoordelen versie van de samenwerkingsovereenkomst is de aanbeveling voldoende doorgevoerd met de toevoeging van artikel 4.3.
Pagina 25 van 31
Het is wenselijk om het huidige functioneren van de projectorganisatie te evalueren. Op basis daarvan kan de projectstructurering voor de Kwartiermaker beter worden vormgegeven. De huidige projectstructurering in de SOK voorziet nog niet in een vorm van ambtelijke aansturing, waardoor er alleen een politiek-bestuurlijke aansturing mogelijk is. De bestuurlijke aansturing leent zich minder goed voor inhoudelijke of operationele zaken. Binnen overheidsorganisaties is het gebruikelijk om zowel bestuurlijke als ambtelijke aansturing te organiseren. De SOK voorziet een Werkgroep, maar de invloed hiervan is beperkt. Uit de praktijk tijdens de voorbereidingsfase blijkt dat adviezen vaak terzijde worden gelegd, terwijl werkgroepleden de belangrijkste (inhoudelijke) gemeentelijke vertegenwoordiging zijn binnen WLR. Op basis van de huidige SOK zijn er ambtelijk geen mogelijkheden om het programmateam aan te sturen of om zaken te escaleren. Aansturen of escaleren op inhoud, operatie of proces kan enkel via de bestuurlijke aansturing. De bestuurlijke aansturing kan de aandacht beter op de bestuurlijke en politieke onderwerpen richten. Artikel 4.4 geeft een te beperkte omschrijving van de activiteiten.
A.6 In bepaalde situaties moet het mogelijk zijn om samenwerkingen met derden aan te gaan. Aanbeveling Maak expliciet dat artikel 16.1 alleen geldt voor het verrichten van activiteiten die zien op de oprichting van een warmtebedrijf met derden in deze regio, en sta bestaande en toekomstige samenwerkingen met derden toe als deze het belang van het RPIW dienen of als de uitvoering van het warmteprogramma anders niet mogelijk is. In de voor de wensen- en bedenkingenprocedure te beoordelen versie van de samenwerkingsovereenkomst is de aanbeveling voldoende doorgevoerd met de aanpassing van artikel 16.1 en de toevoeging van artikel 16.2. De oorspronkelijke beschrijving van artikel 16.1 luidde: “Zonder goedkeuring van de overige Partijen verricht geen van Partijen met derden enige activiteiten die onderdeel zijn van dit Project.” Deze formulering is te sterk. Er zijn in de regio al bestaande samenwerkingen die onder deze formulering geen voortgang kunnen vinden, terwijl deze positief bijdragen aan het (oprichten van een) RPIW. Ook toekomstige samenwerkingen moeten mogelijk zijn als deze een positieve bijdrage leveren. Verder moet het mogelijk zijn om met derden samen te werken en alternatieven te verkennen, als de gemeente haar wettelijke taken en regierol in de warmtetransitie anders niet goed kan uitvoeren.
Oprichtingsakte (statuten) Nr.
Onderwerp
Aanbeveling
A.7
Kwaliteitseis: enkel publieke organisaties als aandeelhouder
Verwijder de kwaliteitseis en houd mogelijkheid private partijen open
Prio
3
Timing
Wie
KMF
C
A.7 Artikel 5.1 voorziet in een kwaliteitseis zodat alleen publieke organisaties als aandeelhouder mogen toetreden in het RPIW, terwijl het valt te betwijfelen of deze kwaliteitseis nodig is. Aanbeveling Verwijder de kwaliteitseis (artikel 5.1), verwijder referenties hiernaar in alle documenten, en behoud de statutaire mogelijkheid voor private partijen om toe te treden als aandeelhouder. In de voor de wensen- en bedenkingenprocedure te beoordelen versie van de oprichtingsakte is de aanbeveling doorgevoerd. Het wetsvoorstel voor de Wet collectieve warmte voorziet in een marktordening die gericht op een publiek meerderheidsaandeel in warmtebedrijven. Het blijft echter wel mogelijk dat private partijen een minderheidsaandeel verwerven. De kwaliteitseis in artikel 5.1 staat enkel publieke
Pagina 26 van 31
partijen toe en maakt het onmogelijk voor private partijen om toe te treden als aandeelhouder. Verder laten de andere artikelen in de statuten voldoende ruimte dat aandeelhouders in overleg kunnen besluiten om alsnog alleen publieke aandeelhouders toe te staan. Private partijen hoeven niet bij voorbaat uitgesloten te worden Er zijn twee redenen om enkel publieke partijen toe te laten als aandeelhouder. 1. Op die manier kan een groot aantal diensten direct worden afgenomen van een Warmteservicebedrijf zonder dit te hoeven aanbesteden. Dit wordt ook wel inbesteden genoemd. Het Warmteservicebedrijf is een van Alliander en zal naar hun visie een volledige dochteronderneming van Alliander of Firan worden. 2. Dit kan gewenst zijn vanuit politieke ideologie. Er zijn drie redenen om ook private partijen toe te laten als aandeelhouder. 1. Private partijen, waaronder bijvoorbeeld ook pensioenfondsen, verzekeringsmaatschappijen of andere institutionele investeerders, kunnen een rol spelen in het verschaffen van het eigen vermogen, waardoor de financiële inbreng vanuit gemeenten kleiner kan blijven. 2. De wet collectieve warmte biedt deze ruimte. Er is geen reden om deze ruimte bij voorbaat in de statuten te beperken. 3. Dit kan gewenst zijn vanuit politieke ideologie. Bovenstaande afwegingen leiden tot het advies om de kwaliteitseis te verwijderen.
Aandeelhoudersovereenkomst Nr.
Onderwerp
Aanbeveling
A.8
Inschrijven van RPIW op collectieve warmtekavels
Standaard inschrijven en het niet inschrijven op een warmtekavel als bijzonder besluit opnemen
Prio
3
Timing
Wie
KMF
W
A.8 Het inschrijven op een collectief warmtekavel in de bij WLR aangesloten gemeenten is nu geen uitgangspunt voor het RPIW. Aanbeveling Neem in de aandeelhoudersovereenkomst het uitgangspunt op dat het RPIW in principe altijd inschrijft op collectieve warmtekavels in de bij WLR aangesloten gemeenten. In de voor de wensen- en bedenkingenprocedure te beoordelen versie van de aandeelhoudersovereenkomst is overweging D opgenomen die hierin voorziet. Als de gemeente Voorschoten collectieve warmte als voorkeursalternatief voor een buurt of kavel opneemt in het warmteprogramma, dan moet de gemeente ervan uit kunnen gaan dat het RPIW ook op zal inschrijven op het betreffende warmtekavel. Anders kan de regierol van gemeenten in de warmtetransitie niet goed worden ingevuld. Zonder dit uitgangspunt is het mogelijk dat er ‘cherrypicking’ van buurten of kavels door het RPIW ontstaat.
Globaal Ontwerp De inhoudelijke beoordeling is uitgevoerd op basis van versie 0.8 van het Globaal Ontwerp. Sindsdien is er gewerkt aan versie 1.0 van het Globaal ontwerp. Vanwege tijdgebrek is er geen ambtelijke controle meer geweest van de onderstaande aandachtspunten in de laatste versie. De aandachtspunten zijn hier opgenomen om context te bieden aan de gemeenteraad.
Pagina 27 van 31
Nr.
Onderwerp
Aanbeveling
A.9
De gemeentelijke rol is onduidelijk, te groot en mogelijk onhaalbaar De rol van lokale afnemers, initiatieven en derden is onduidelijk en inconsistent Kans op ‘cherrypicking’ van aantrekkelijke warmtebuurten Oprichting van het RPIW is nog niet verstandig o.b.v. de Globale Businesscase
Beperk de gemeentelijke rol tot de voorbereiding; geef daarna het warmtebedrijf de leiding Werk de lokale betrokkenheid beter uit en laat documenten op elkaar aansluiten Pas formuleringen aan en borg maatschappelijke gebiedskeuze Werk de globale businesscase in de Kwartiermakersfase uit, met focus op validatie van aannames en invoer, niet op gewenste uitkomsten Neem risicomanagement op in het Stappenplan en voeg een disclaimer toe aan het Globaal Ontwerp Maak governance en rollen visueel, benoem het in het Stappenplan en voeg een disclaimer toe aan het GO Benoem de uitgangspuntenkaders van de gemeenten expliciet in het Globaal Ontwerp Bepaal het aandeel per partij op basis van alleen tranche 1 en herijk bij tranche 2 en 3
A.10 A.11 A.12
A.13 A.14 A.15 A.16
De risicoanalyse is onvolledig en het risicomanagement in de Kwartiermakersfase te beperkt Beperkte uitwerking van governance en rolverdeling Gemeentelijke uitgangspunten worden niet expliciet genoemd in het Globaal Ontwerp Koppeling tussen financiële bijdrage en opgave tot 2050
Prio
Timing
Wie
2
KMF
S
2
KMF
S
2
KMF
S
2
KMF
W
2
KMF
W
2
KMF
W
3
KMF
W
3
KMF
W
A.9 Gemeentelijke rol is onduidelijk, te groot en mogelijk onhaalbaar Aanbeveling Beperk de rol van de gemeente tot hoofdzakelijk de voorbereidingsfase en geef het warmtebedrijf daarna de hoofdrol. De voorgestelde rolverdeling tussen gemeenten en warmtebedrijven (paragrafen 6.2 en 6.3) wijkt af van het wetsvoorstel Wcw. Gemeenten krijgen na de toewijzing van een warmtekavel aan het structureel nog verantwoordelijkheden, zoals inwonersparticipatie, die vanaf dan (wettelijk) beter bij het warmtebedrijf thuishoren. Ook wordt in paragraaf 9.3 het risico genoemd dat gemeenten het normale bedrijfsrisico van tegenvallende warmtevraagontwikkeling proberen af te schuiven. Dit is geen afschuiven maar juist een van de belangrijkste redenen om een warmtebedrijf op te richten. Als laatste ontbreekt aandacht voor de ambtelijke capaciteit om alle rollen goed te vervullen. Het is nog niet zeker of gemeenten hun rol als aandeelhouder, opdrachtgever, regievoerder, vergunningverlener en contactpersoon voor inwoners goed kunnen invullen. Een verdere uitwerking van de afbakening is nodig: laat de gemeente zich richten op de voorbereiding en geef het warmtebedrijf daarna de regie, zoals de Wcw beoogt.
A.10 De betrokkenheid en rol van afnemers, lokale initiatieven en andere derden bij het warmtebedrijf is onduidelijk en inconsistent. Aanbeveling Werk de betrokkenheid en invloed van afnemers, lokale initiatieven en andere derden beter uit tijdens de Kwartiermakersfase, en laat het Globaal Ontwerp en de juridische documenten beter op elkaar aansluiten. De rol van afnemers, lokale initiatieven en andere betrokkenen bij het warmtebedrijf is nu onduidelijk en niet consistent uitgewerkt. Het globaal ontwerp wekt de indruk van ruime betrokkenheid, maar dit wordt niet ondersteund door de juridische documenten. In paragrafen
Pagina 28 van 31
2.3 en 2.4 staat dat bewoners en bedrijven worden betrokken bij besluitvorming, wat aansluit bij de Voorschotense uitgangspunten. Toch blijft onduidelijk hoe dit in de praktijk vorm krijgt. De beschreven invulling van de Raad van Advies biedt geen helderheid over de invloed van afnemers en andere betrokkenen. Door deze raad een duidelijk mandaat en structurele rol te geven, kan de betrokkenheid van inwoners en organisaties daadwerkelijk betekenis krijgen.
A.11 Kans op ‘cherrypicking’ van aantrekkelijke warmtebuurten. Aanbeveling Pas formuleringen aan die suggereren dat alleen aantrekkelijke warmtebuurten worden gekozen en voeg het voorkomen van ‘cherrypicking’ toe aan de juridische stukken. In het Globaal Ontwerp staan formuleringen die kunnen duiden op het selectief kiezen van buurten met gunstige voorwaarden voor collectieve warmte, oftewel ‘cherrypicking’. Dit staat haaks op de uitgangspunten van de Wet collectieve warmte (Wcw), de transitievisie warmte (TVW 1.1) en de regierol die gemeenten hebben in de warmtetransitie. Deze kaders beogen juist een eerlijke, transparante en maatschappelijk afgewogen gebiedskeuze, waarbij ook minder rendabele buurten meegenomen worden in de afweging. Wanneer het ontwerp ruimte laat voor selectieve gebiedskeuze, ontstaat het risico dat kwetsbare wijken of minder aantrekkelijke gebieden achterblijven. Het warmtebedrijf moet daarom actief sturen op een integrale aanpak, waarbij publieke waarden en haalbaarheid in balans zijn. Een heldere en consistente formulering in het Globaal Ontwerp is nodig om dit risico te voorkomen en publieke regie te versterken.
A.12 Oprichting van het warmtebedrijf is nog niet verstandig o.b.v. de Globale Businesscase. De businesscase is nog niet sluitend, en het bevat nog veel onzekerheden en niet gevalideerde aannames. Aanbeveling Werk de businesscase verder uit tijdens de Kwartiermakersfase, met nadruk op de validatie van aannames en invoer, en niet op het sturen naar een gewenste uitkomst. a. Valideer investeringen (CAPEX), aanlegsnelheden en onzekerheidsmarges door meerdere aannemers, met ruime ervaring in de aanleg van collectieve warmtesystemen, te vragen naar stukprijzen en kengetallen die haalbaar zijn in de gemeenten van de WLR. b. Maak een schetsontwerp en een realisatieplanning voor het gehele werkgebied om integraal de aannames te kunnen beoordelen. c. Valideer en onderbouw de belangrijkste aannames en uitgangspunten. De globale businesscase in hoofdstuk 8 van het Globaal Ontwerp is nog niet sluitend en bevat veel onzekerheden. Er wordt uitgegaan van een investeringsgat van €458 miljoen (bijna 25% van het totaal), zonder dat duidelijk is hoe dit via subsidies of financiële instrumenten wordt opgevangen. De input van Greenvis is beperkt transparant en daardoor niet altijd goed te herleiden. Ook is de benodigde eigen vermogensinbreng van aandeelhouders onzeker: het Globaal Ontwerp noemt €326 miljoen, terwijl de businesscase zelf €249 miljoen berekent.
Cruciale aannames zijn niet onderbouwd. De participatiegraad van 80% wordt als optimistisch ingeschat en heeft grote invloed op de financiële uitkomst. De warmtevraag per aansluiting mist een duidelijke onderbouwing en ontwikkelingen als klimaatverandering en isolatie zijn niet meegenomen. Ook de realisatiesnelheid van 700 woningen per jaar per buurt is historisch ongekend en alleen gebaseerd op een prognose van Alliander, een partij met nog beperkte ervaring in de aanleg van warmtenetten. Voor de buurten Boschgeest en Bloemenwijk wordt in het tweede jaar zelfs een realisatiesnelheid van 907 aansluitingen per jaar aangenomen. Tot slot laat het wetsvoorstel Wcw ruimte voor verschillende manieren om tarieven te bepalen: nietmeer-dan-anders en kostprijs+. De implementatie en beschrijving van deze tariefsystematieken is niet consistent. Zonder een grondige validatie van deze aannames en een herziening van de planning is het te vroeg om nu al te besluiten over de financiering van het warmtebedrijf. Veranderingen in de
Pagina 29 van 31
aannames en uitgangspunten zullen leiden tot een andere businesscase, en dus een andere behoefte aan eigen vermogen. Het is raadzaam om het benodigde eigen vermogen pas bij het vaststellen van de definitieve businesscase te bepalen, aan het einde van de Kwartiermakersfase.
A.13 Onvolledige en niet gevalideerde risicoanalyse, zonder duidelijke invulling tijdens de Kwartiermakersfase. Aanbeveling Neem risicomanagement expliciet op in het Stappenplan voor de Kwartiermakersfase, geef hier zorgvuldig invulling aan met betrokkenheid van inhoudelijke experts. De risicoanalyse in het Globaal Ontwerp is tot stand gekomen via een ambtelijke workshop, zonder validatie door inhoudelijke experts. Hierdoor is de analyse onvolledig en zijn belangrijke risico’s mogelijk niet juist beschreven. Zo wordt het grootste risico – de kosten voor aansluiting – verkeerd uitgelegd: het warmtebedrijf mag volgens de Wcw geen inpandige aanpassingen doen, terwijl dit nu wel als risico wordt benoemd. De aansluitkosten van de distributieleiding tot en met de aansluiting, die het warmtebedrijf wel mag doen, zijn dan weer niet beschreven als risico. De beperkingen van deze risicoanalyse moeten beter beschreven worden in het Globaal Ontwerp. Daarnaast missen risico’s een duidelijke eigenaar; alleen de actiehouders zijn benoemd. Zonder eigenaarschap is effectieve mitigatie lastig. Ook is het onderscheid tussen risico’s voor het warmtebedrijf en voor de aandeelhouders niet helder, terwijl beide perspectieven relevant zijn. Rapportagelijnen en monitoring zijn niet uitgewerkt, terwijl deze essentieel zijn voor bestuurlijke borging.
Een robuust risicomanagement, met heldere verantwoordelijkheden en inhoudelijke toetsing, is noodzakelijk om de oprichting van het warmtebedrijf goed te onderbouwen. Dit moet beter worden uitgewerkt tijdens de Kwartiermakersfase.
A.14 Beperkte uitwerking van de governance en de rolverdeling Aanbeveling Maak de governance en rolverdeling expliciet en visueel inzichtelijk, neem dit onderwerp op in het Stappenplan voor de Kwartiermakersfase. Het Globaal Ontwerp kan beter inzicht geven in hoe de governance van het warmtebedrijf is georganiseerd. Er ontbreekt een overzicht van de rolverdeling tussen aandeelhouders en het warmtebedrijf, de besluitvorming door aandeelhoudersvergadering, en wanneer wordt besloten voor het instellen van een Raad van Commissarissen. Hierdoor is niet altijd duidelijk wie wanneer beslist en wie verantwoordelijk is voor strategische en operationele keuzes. Deze onduidelijkheid kan transparantie en bestuurlijke controle belemmeren. Een visuele weergave van de besluitvormingsstructuur, aangevuld met een toelichting op rollen en bevoegdheden, is gewenst om het functioneren van het warmtebedrijf goed te kunnen beoordelen.
A.15 De uitgangspuntenkaders van gemeenten worden niet expliciet benoemd in het Globaal Ontwerp. Aanbeveling Benoem de uitgangspuntenkaders van gemeenten expliciet als leidraad voor het Globaal Ontwerp en het warmtebedrijf. Hoewel gemeenten eigen uitgangspuntenkaders hebben opgesteld, worden deze niet herkenbaar teruggebracht in het Globaal Ontwerp. Zo ontbreken belangrijke leidende principes uit het uitgangspuntenkader van Voorschoten, zoals doelmatigheid, toegankelijkheid, beschikbaarheid, participatie en het beperken van overlast. Door deze uitgangspunten expliciet te benoemen en te integreren in het Globaal Ontwerp, wordt beter aangesloten bij lokale beleidskaders en ontstaat meer samenhang tussen bestuurlijke ambities en de uitvoering van het warmtebedrijf.
Pagina 30 van 31
A.16 Koppeling tussen financiële bijdrage en opgave tot 2050. Aanbeveling Bepaal het aandeel per partij op basis van de opgave voor de eerste tranche (10 jaar) en herijk dit bij het vaststellen van tranche 2 en 3 op basis van de Financieringsplannen. Het Globaal Ontwerp koppelt de financiële bijdrage van gemeenten aan de totale opgave tot 2050, terwijl de statuten en de aandeelhoudersovereenkomst meer uitgaan van een horizon van 10 jaar. Gemeenten kunnen deze kortere termijn realistischer inschatten, wat leidt tot een eerlijkere verdeling van de aandelen. Door nu al uit te gaan van de volledige opgave, ontstaat het risico dat gemeenten met een latere fasering relatief te veel bijdragen in de beginfase. Een gefaseerde benadering, met herijking per tranche, sluit beter aan bij de uitvoeringsrealiteit en voorkomt scheefgroei in de financiële verdeling tussen gemeenten
Pagina 31 van 31