Bijlage 2a - Bijlage Bouwbesluittoets
Tekst van het document
Project Prof. Einsteinlaan, Voorschoten Opdrachtgever Niersman Projectontwikkeling B.V. Architect PBV Architects
Omschrijving Toets en advies Bouwbesluit Datum 24-03-2022
R821047aaA0
Project Prof. Einsteinlaan, Voorschoten Opdrachtgever Niersman Projectontwikkeling B.V. Architect PBV Architects
Omschrijving
R821047aaA0
Toets en advies Bouwbesluit Datum 24-03-2022 Adviseur ir. S.A. van Hattum
Plein 4 + 2291 CC Wateringen + T 0174 285 900 + F 0174 285 901 + E info@wolfdikken.nl Wolf Dikken adviseurs is een geregistreerde handelsnaam van htv adviseurs bv, ingeschreven bij de KvK onder nummer 27155328
SAMENVATTING VAN DE UITGEVOERDE TOETS Onderstaand is een overzicht gegeven van de resultaten van de uitgevoerde toets aan de eisen uit het Bouwbesluit. In de onderstaande tabellen is de beoordeling als volgt samengevat: +
:
het plan voldoet aan de eisen
!
:
het plan voldoet aan de eisen, mits de aangegeven aanvullende maatregelen worden getroffen
x
:
het plan voldoet niet aan de eisen
-
:
het betreffende onderdeel is niet getoetst
Hoofdstuk 2
Voorschriften uit een oogpunt van
Beoordeling
AANVULLENDE MAATREGELEN
veiligheid afdeling 2.1
algemene sterkte van de bouwconstructie
-
constructeur
afdeling 2.2
sterkte bij brand
-
constructeur
afdeling 2.3
vloerafscheiding
!
zie pagina 9-10
afdeling 2.4
overbrugging van hoogteverschillen
+
-
afdeling 2.5
trap
afdeling 2.6
hellingbaan
afdeling 2.7 afdeling 2.8
!
zie pagina 12
n.v.t.
-
beweegbare constructieonderdelen
+
-
beperking van ontstaan van een
+
-
brandgevaarlijke situatie afdeling 2.9
beperking van ontwikkeling van brand
!
zie pagina 16-19
afdeling 2.10
beperking van uitbreiding van brand
!
zie pagina 20-23
afdeling 2.11
verdere beperking van uitbreiding van brand
+
-
afdeling 2.12
vluchtroutes
+
-
afdeling 2.13
hulpverlening bij brand
afdeling 2.14
hoge en ondergrondse gebouwen
afdeling 2.15 afdeling 2.16
+
-
n.v.t.
n.v.t.
inbraakwerendheid
-
architect
veiligheidszone en
-
-
n.v.t.
n.v.t.
plasbrandaandachtsgebied afdeling 2.17
aanvullende regels tunnelveiligheid
R821047aaA0 - Prof. Einsteinlaan, Voorschoten
3
Hoofdstuk 3
Voorschriften uit een oogpunt van
Beoordeling
AANVULLENDE MAATREGELEN
n.v.t.
-
gezondheid afdeling 3.1
bescherming tegen geluid van buiten
afdeling 3.2
bescherming tegen geluid van installaties
!
zie pagina 30-32
afdeling 3.3
beperking van galm
!
zie pagina 33
afdeling 3.4
geluidwering tussen ruimten
!
zie pagina 34-37
afdeling 3.5
wering van vocht
+
-
afdeling 3.6
luchtverversing
!
zie pagina 40-42
afdeling 3.7
spuivoorziening
+
-
afdeling 3.8
toevoer van verbrandingslucht en afvoer van
-
-
-
-
rookgas afdeling 3.9
beperking van de aanwezigheid van schadelijke stoffen en ioniserende straling
afdeling 3.10
bescherming tegen ratten en muizen
-
architect
afdeling 3.11
daglicht
!
zie pagina 44
Hoofdstuk 4
Voorschriften uit een oogpunt van
Beoordeling
AANVULLENDE MAATREGELEN
bruikbaarheid afdeling 4.1
verblijfsgebied en verblijfsruimte
+
-
afdeling 4.2
toiletruimte
+
-
afdeling 4.3
badruimte
+
-
afdeling 4.4
bereikbaarheid en toegankelijkheid
!
zie pagina 48-49
afdeling 4.5
buitenberging
+
-
afdeling 4.6
buitenruimte
!
zie pagina 51
afdeling 4.7
opstelplaatsen
+
-
Hoofdstuk 5
Voorschriften uit een oogpunt van
Beoordeling
AANVULLENDE MAATREGELEN
energiezuinigheid afdeling 5.1
energiezuinigheid
!
zie pagina 53-57
afdeling 5.2
milieu
+
-
afdeling 5.3
labelverplichting
-
-
afdeling 5.4
laadinfrastructuur voor elektrische voortuigen
n.v.t.
-
R821047aaA0 - Prof. Einsteinlaan, Voorschoten
4
Beoordeling
AANVULLENDE MAATREGELEN
verlichting
-
-
voorziening voor het afnemen en gebruiken
-
-
Hoofdstuk 6
Voorschriften inzake installaties
afdeling 6.1 afdeling 6.2
van energie afdeling 6.3
watervoorziening
-
-
afdeling 6.4
afvoer van huishoudelijk afvalwater en
-
-
hemelwater afdeling 6.5
tijdig vaststellen van brand
!
zie pagina 59
afdeling 6.6
vluchten bij brand
!
zie pagina 60
afdeling 6.7
bestrijden van brand
!
zie pagina 61-62
afdeling 6.8
bereikbaarheid voor hulpverleningsdiensten
!
zie pagina 63-64
afdeling 6.9
aanvullende regels tunnelveiligheid
n.v.t.
-
afdeling 6.10
bereikbaarheid van gebouwen voor
+
-
!
zie pagina 66
-
-
gehandicapten afdeling 6.11
tegengaan van veel voorkomende criminaliteit
afdeling 6.12
veilig onderhoud gebouwen
R821047aaA0 - Prof. Einsteinlaan, Voorschoten
5
INHOUD
BLZ.
1
Inleiding
7
2
Veiligheid
9
vloerafscheidingen overbrugging van hoogteverschillen beweegbare constructie-onderdelen brandveiligheid 3
Gezondheid
30
geluid van buiten installatiegeluid geluidwering tussen ruimten beperking van galm wering van vocht luchtverversing daglichttoetreding 4
Bruikbaarheid en toegankelijkheid
45
toegankelijkheid ruimten en opstelplaatsen 5
Energiezuinigheid en milieu
53
energiezuinigheid milieu 6
Installaties
59
tijdig vaststellen van brand vluchten bij brand bestrijden van brand bereikbaarheid voor hulpverleningsdiensten
BIJLAGEN Bijlage 1 – Gevels en plattegronden Bijlage 2 – Berekeningen brandoverslag Bijlage 3 – Berekeningen nagalmtijd Bijlage 4 – Berekeningen daglichttoetreding en luchtverversing Bijlage 5 – Berekening milieuprestatie Bijlage 6 – Berekeningen equivalente Rc-waarde
R821047aaA0 - Prof. Einsteinlaan, Voorschoten
6
1. INLEIDING In opdracht van Niersman Projectontwikkeling B.V. is door PBV Architects een plan ontworpen voor de nieuwbouw van 17 eengezinswoningen en 7 appartementen. Het bouwplan staat bekend onder de naam Professor Einsteinlaan en is gelegen te Voorschoten. In figuur 1 is een situatietekening van het plan weergegeven.
Figuur 1 - situatietekening
In opdracht van Niersman Projectontwikkeling B.V. is door Wolf Dikken adviseurs voor dit project een toets uitgevoerd aan de eisen volgens het Bouwbesluit, zijn bouwfysische berekeningen uitgevoerd en is advies gegeven hoe aan de gestelde eisen te voldoen. In het voorliggende rapport worden de volgende onderwerpen behandeld (tussen haken zijn de betreffende afdelingen van het Bouwbesluit aangegeven): -
vloerafscheidingen (afd. 2.3);
-
overbrugging hoogteverschillen (afd. 2.4 t/m 2.6);
-
beweegbare constructie-onderdelen (afd. 2.7);
-
brandveiligheid (afd. 2.8 t/m 2.13 en afd. 6.5 t/m 6.8);
-
installatiegeluid (afd. 3.2);
-
beperking van galm (afd. 3.3);
R821047aaA0 - Prof. Einsteinlaan, Voorschoten
7
-
geluidwering tussen ruimten (afd. 3.4);
-
wering van vocht (afd. 3.5);
-
luchtverversing (afd. 3.6);
-
spuiventilatie (afd. 3.7);
-
daglichttoetreding (afd. 3.11);
-
bruikbaarheid en toegankelijkheid (afd. 4.1 t/m 4.7, afd. 6.10 en 6.11);
-
energiezuinigheid (afd. 5.1);
-
milieu (afd. 5.2).
Het bouwplan is onderhevig aan geluidbelastingen. In opdracht van Niersman Projectontwikkeling B.V. is door K+ Adviesgroep een onderzoek uitgevoerd ter vaststelling van de geluidbelastingen ten gevolge van wegverkeer (referentie Rm210064aaA0.quro_01, d.d. 23-03-2021). Op basis van de geluidbelastingen, zoals benoemd in bovengenoemd rapportage, is tevens door K+ Adviesgroep de karakteristieke geluidwering (GA;k) van de geluidbelaste gevels van verblijfsgebieden en verblijfsruimten berekend (referentie Rm210064abA0.joha_01, d.d. 23-12-2021). Dit aspect is in het voorliggende advies derhalve buiten beschouwing gelaten. Bij de uitvoering van het onderzoek en advies is het volgende toetsingskader aangehouden: -
de op tekening aangegeven woningen in het appartementengebouw zijn aangemerkt als woonfunctie gelegen in een woongebouw c.q. “andere” woonfunctie;
-
de grondgebonden woningen zijn eveneens aangemerkt als ‘’andere’’ woonfunctie;
-
het bergingencluster is aangemerkt als overige gebruiksfunctie;
-
elke grondgebonden woning en het appartementengebouw zijn gelegen op een eigen perceel;
-
toetsing heeft plaats gevonden op basis van nieuwbouweisen.
Bij de totstandkoming van dit rapport is gebruik gemaakt van de tekeningen van de architect d.d. 29-09-2021.
R821047aaA0 - Prof. Einsteinlaan, Voorschoten
8
2. VEILIGHEID
Afdeling 2.3 Afscheiding van vloer, trap en hellingbaan Een te bouwen bouwwerk bevat voorzieningen waardoor het vallen van een vloer, een trap of hellingbaan zoveel mogelijk wordt voorkomen. Art.
Eis
Toets
2.17
Aanwezigheid
!
Een voor personen bestemde vloer, of een in art. 2.27 bedoelde trap of hellingbaan, hoger dan 1 m boven de aansluitende vloer, terrein of water heeft bij een rand een niet beweegbare afscheiding. De eis voor de afscheiding van een vloer geldt niet ter plaatse van de aansluiting van de vloer aan een trap resp. een hellingbaan. Deze eis geldt niet voor de rand van een podium, een bassin, een laadvloer, een perron of daarmee gelijk te stellen rand van een vloer.
2.18
Hoogte
!
Deze vloerafscheiding heeft een minimale hoogte van:
- 1.0 m bij vloeren tot 13 m boven aangrenzende vloer/terrein/water; - 1.2 m bij vloeren hoger dan 13 m boven aangrenzende vloer/terrein/water; -
2.19
0.85 m ter plaatse van een raam.
Openingen
!
Een afscheiding heeft geen openingen waardoor een bol kan passeren met een doorsnede groter dan:
- 0.1 meter tot een hoogte van 0.7 meter, daarboven 0.2 meter (woonfunctie); De horizontale afstand tussen een vloer, trap of hellingbaan en een afscheiding is niet groter dan 0.05 m. De bovenregel van een afscheiding heeft geen onderbreking groter dan 0.1 m.
2.20
Overklauterbaarheid
+
Een afscheiding van een grondgebonden woning, woongebouw of een constructieonderdeel dat, installatie die of onderdeel van een installatie dat aan of naast een dergelijke afscheiding is geplaatst, heeft ter voorkoming van overklauteren geen opstapmogelijkheid tussen 0.2 en 0.7 m boven de vloer.
Voorzieningen Op tekening zijn de afscheidingen ter plaatse van de trappen in het appartementengebouw niet aangegeven. Deze dienen aanwezig te zijn en een hoogte te hebben van minimaal 1.0 m boven de vloer. Tevens dient rekening te worden gehouden met de maximale afmeting van de openingen in deze afscheidingen en de eventuele aanwezigheid van opstapmogelijkheden. Ter plaatse van vloeren hoger dan 1 m boven de aansluitende vloer, terrein of water, dienen glazen afscheidingen en de beglazing in de gevels, welke doorloopt tot de aansluitende vloer, te worden uitgevoerd als veiligheidsbeglazing conform NEN-EN 1990 / 1991 of dient te worden voorzien van
R821047aaA0 - Prof. Einsteinlaan, Voorschoten
9
doorvalbeveiliging tot een hoogte van 0.85 m boven de aansluitende vloer. Ter plaatse van beweegbare ramen (met onderzijde ramen lager dan 0.85 m boven de vloer) dient een voldoende sterke doorvalbeveiliging tot een hoogte van 0.85 m boven de vloer te worden toegepast.
R821047aaA0 - Prof. Einsteinlaan, Voorschoten
10
Afdeling 2.4 Overbruggen van hoogteverschillen Een te bouwen bouwwerk heeft voorzieningen voor het veilig overbruggen van hoogteverschillen door personen. Art.
Eis
2.27
Voorziening bij hoogteverschil
Toets +
Een hoogteverschil van meer dan 0.21 m tussen vloeren of tussen vloeren en het aansluitend terrein wordt overbrugd door een vaste trap of hellingbaan. Deze eis is van toepassing op vloeren waarover een vluchtroute voert en op vloeren tussen het aansluitende terrein, vloeren van verblijfsgebieden, verblijfsruimten, toiletruimten, badruimten, of voor bezoekers bestemde vloeren en vloeren van een verkeersroute die deze ruimten met elkaar verbindt.
Voorzieningen Op basis van de tekeningen van de architect kan worden geconcludeerd dat aan de gestelde eisen wordt voldaan.
R821047aaA0 - Prof. Einsteinlaan, Voorschoten
11
Afdeling 2.5 Trap Een te bouwen trap die een hoogteverschil als bedoeld in art. 2.27 overbrugt, kan veilig worden gebruikt. Art.
Eis
Toets
2.33
Afmetingen trap
+
Een trap als bedoeld in art. 2.27 in een woonfunctie heeft afmetingen die voldoen aan:
- breedte > 0.8 m; - vrije hoogte > 2.3 m; - aantrede > 0.22 m (ter plaatse van de klimlijn); - optrede < 0.188 m; -
breedte tredevlak > 0.05 m;
- breedte tredevlak > 0.23 m (ter plaatse van de klimlijn); - afstand klimlijn tot zijkanten trap > 0.3 m. Een trap als bedoeld in art. 2.27 in niet-woonfuncties of een noodtrap heeft afmetingen die voldoen aan:
- breedte > 0.8 m; - vrije hoogte > 2.1 m; - aantrede > 0.185 m (ter plaatse van de klimlijn); - optrede < 0.21 m; - breedte tredevlak > 0.05 m; - breedte tredevlak > 0.23 m (ter plaatse van de klimlijn); - afstand klimlijn tot zijkanten trap > 0.3 m. Een trap overbrugt een hoogteverschil van maximaal 4 meter.
2.34
Trapbordes
+
Een trap als bedoeld in art. 2.27 sluit bij de bovenste trede aan op een vloer met een oppervlakte van tenminste 0.8 x 0.8 m.
2.35
Leuning
!
Een trap als bedoeld in art. 2.27 voor het overbruggen van een hoogteverschil van meer dan 1 m en met een helling groter dan 2:3 heeft een aan ten minste een zijkant een leuning. De bovenzijde van de leuning ligt op een hoogte van ten minste 0.8 m en ten hoogste 1.0 m boven de voorkant van het tredevlak.
2.36
Regenwerend
+
Voor een grondgebonden woning gelden geen eisen ten aanzien van de regenwerendheid. Een gemeenschappelijke verkeersruimte van een woonfunctie met een trap voor het overbruggen van een hoogteverschil meer dan 1.5 m is ter plaatse van de trap regenwerend. Dit geldt niet voor een trap die uitsluitend bestemd is om het bouwwerk te ontvluchten.
Voorzieningen Geconcludeerd kan worden dat aan de gestelde eisen wordt voldaan, indien de trappen van leuningen worden voorzien.
R821047aaA0 - Prof. Einsteinlaan, Voorschoten
12
Afdeling 2.6 Hellingbaan Een te bouwen hellingbaan die een hoogteverschil als bedoeld in art. 2.27 overbrugt, kan veilig worden gebruikt. Art.
Eis
Toets
2.43
Afmetingen hellingbaan
n.v.t.
Een hellingbaan als bedoeld in art. 2.27 en 6.49 heeft afmetingen die voldoen aan:
2.44
-
breedte > 1.1 m;
-
hoogteverschil < 1 m;
-
helling 1:12 voor hoogteverschil niet groter dan 0.25 m;
-
helling 1:16 voor hoogteverschil 0.25 m - 0.5 m;
-
helling 1:20 voor hoogteverschil 0.50 m - 1.0 m.
Hellingbaanbordes
n.v.t.
Een hellingbaan als bedoeld in art. 2.27 en 6.49 sluit aan de bovenzijde over de breedte van de hellingbaan aan op een vloeroppervlakte van tenminste 1.4 x 1.4 m.
2.45
Geleiderand
n.v.t.
De hellingbaan heeft aan de zijkant een aaneengesloten geleiderand met hoogte van ten minste 0.04 m. In het plan komen hellingbanen niet voor.
R821047aaA0 - Prof. Einsteinlaan, Voorschoten
13
Afdeling 2.7 Beweegbare constructie-onderdelen Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige beweegbare constructie-onderdelen dat deze geen hinder veroorzaken bij het vluchten door en bij het gebruik van een aangrenzende openbare ruimte. Art.
Eis
Toets
2.51
Hinder
+
Een beweegbaar constructie-onderdeel dat zich in geopende toestand boven een:
- weg voor motorvoertuigen of binnen 0.6 m van deze weg kan bevinden, ligt meer dan 4.2 m boven deze weg of strook;
- niet voor motorvoertuigen openstaande weg kan bevinden, ligt meer dan 2.2 m boven deze weg. Deze eis geldt niet voor een nooddeur. Een beschermde vluchtroute die langs een beweegbaar constructieonderdeel voert, heeft met het constructieonderdeel in geopende stand, een vrije doorgang van ten minste 0.6 m en een hoogte van ten minste 2.2 m. Deze eisen gelden niet voor een deur van een ruimte met een vloeroppervlak van minder dan 0.5 m2.
Voorzieningen Met de getekende voorzieningen wordt aan de gestelde eisen voldaan.
R821047aaA0 - Prof. Einsteinlaan, Voorschoten
14
Afdeling 2.8 Beperking van het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie Een te bouwen bouwwerk is zodanig dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie voldoende wordt beperkt. Art.
Eis
Toets
2.57
Stookplaats
n.v.t.
Materiaal ter plaatse van of nabij een stookplaats voldoet aan brandklasse A1 resp. A1fl indien:
2.58
-
op het materiaal een warmtestraling groter dan 2 kW/m2 kan optreden, of;
-
in het materiaal een temperatuur hoger dan 90 °C kan optreden.
Schacht, koker of kanaal
+
Materiaal aan de binnenzijde van een schacht, koker of kanaal, grenzend aan meer dan 1 (sub)brandcompartiment met een inwendige doorsnede groter dan 0.015 m2 voldoet aan brandklasse A2. Deze eis geldt niet voor:
-
een schacht die uitsluitend bestemd is voor een of meer boven elkaar gelegen toilet- of badruimten en niet door andere ruimten voert;
-
maximaal 5% van het oppervlak van de binnenzijde van de schacht, koker of kanaal;
-
het materiaal van een constructie- of installatieonderdeel dat wordt omsloten door een schacht, koker of kanaal welke voldoet aan brandklasse A2.
2.59
Rookgasafvoer
n.v.t.
Een afvoervoorziening voor rookgas is brandveilig, bepaald volgens NEN 6062. De horizontale afstand tussen een rookgasafvoer van een op vaste brandstof gestookt toestel en een brandgevaarlijk dak is ten minste 15 m.
Voorzieningen In het gebouw zijn geen stookplaatsen of rookgasafvoeren opgenomen. De binnenzijde van schachten voldoet aan brandklasse A2. Hiermee wordt aan de gestelde eisen voldaan.
R821047aaA0 - Prof. Einsteinlaan, Voorschoten
15
Afdeling 2.9 Beperking van het ontwikkelen van brand en rook Een te bouwen bouwwerk is zodanig dat brand en rook zich niet snel kunnen ontwikkelen. Art.
Eis
2.67
Binnenoppervlak
Toets !
Een zijde van een constructie-onderdeel die grenst aan de binnenlucht voldoet aan rookklasse s2 en aan:
2.68
-
brandklasse B in een beschermde vluchtroute in een woongebouw;
-
brandklasse D in een beschermde vluchtroute in een grondgebonden woning;
-
brandklasse B in een extra beschermde vluchtroute;
-
brandklasse D bij de overige constructieonderdelen.
Buitenoppervlak
!
Een zijde van een constructie-onderdeel die grenst aan de buitenlucht voldoet aan: -
brandklasse C in een extra beschermde vluchtroute;
-
brandklasse C in een beschermde vluchtroute van een woongebouw;
-
brandklasse D in een beschermde vluchtroute van een grondgebonden woning;
-
brandklasse D bij de overige constructie-onderdelen;
-
brandklasse B voor constructie-onderdeel hoger dan 13 m;
-
brandklasse B tot een hoogte van ten minste 2.5 m, mits een voor personen bestemde vloer > 5 m boven het meetniveau ligt.
Bovengenoemde eisen zijn niet van toepassing op de bovenzijde van een dak. In afwijking van bovengenoemde eisen voldoet een deur, een raam, een kozijn en daar aan gelijk te stellen constructie-onderdeel aan brandklasse D.
2.69
Beloopbaar vlak
!
In afwijking van artikel 2.67 resp. 2.68 geldt voor de bovenzijde van een vloer, een trap en een hellingbaan: -
brandklasse Cfl in een extra beschermde vluchtroute;
-
brandklasse Cfl in een beschermde vluchtroute in een woongebouw, een woonfunctie met zorg (GBO > 500 m2), en een celfunctie;
2.69a
-
brandklasse Dfl in overige situaties;
-
rookklasse s1fl.
Elektrische leidingen en pijpisolatie
!
In afwijking van artikel 2.67 geldt voor een elektrische leiding die grenst aan de binnenlucht: -
in extra beschermde vluchtroutes rookklasse s1(ca) en in overige ruimten rookklasse s2(ca), en;
-
brandklasse B2ca in een extra beschermde vluchtroute;
-
brandklasse B2ca in een beschermde vluchtroute in een woongebouw;
-
brandklasse Dca in een beschermde vluchtroute in een grondgebonden woning;
-
brandklasse Dca bij de overige constructie-onderdelen.
In afwijking van artikel 2.67 geldt voor pijpisolatie die grenst aan de binnenlucht: -
in extra beschermde vluchtroutes rookklasse s1(L) en in overige ruimten rookklasse s2(L), en;
R821047aaA0 - Prof. Einsteinlaan, Voorschoten
16
-
brandklasse Bl in een extra beschermde vluchtroute;
-
brandklasse Bl in een beschermde vluchtroute in een woongebouw;
-
brandklasse Dl in een beschermde vluchtroute in een grondgebonden woning;
-
brandklasse Dl bij de overige constructie-onderdelen.
In afwijking van artikel 2.68 geldt voor een elektrische leiding die grenst aan de buitenlucht: -
brandklasse B2ca in een extra beschermde vluchtroute;
-
brandklasse Cca in een beschermde vluchtroute;
-
brandklasse Dca in een beschermde vluchtroute in een grondgebonden woning;
-
brandklasse Dca bij de overige constructie-onderdelen.
In afwijking van artikel 2.67 geldt voor pijpisolatie leiding die grenst aan de buitenlucht:
2.70
-
brandklasse Cl in een extra beschermde vluchtroute;
-
brandklasse Cl in een beschermde vluchtroute in een woongebouw;
-
brandklasse Dl in een beschermde vluchtroute in een grondgebonden woning;
-
brandklasse Dl bij de overige constructie-onderdelen.
Vrijgesteld
+
Op ten hoogste 5% van de totale oppervlakte van de constructie-onderdelen van elke afzonderlijke ruimte, waarvoor volgens de artikelen 2.67 tot en met 2.69 een eis geldt, is die eis niet van toepassing.
2.71
Dakoppervlak
!
De bovenzijde van een dak van een bouwwerk is, bepaald volgens NEN 6063, niet brandgevaarlijk. Dit geldt niet indien het bouwwerk geen voor personen bestemde vloer heeft die hoger ligt dan 5 m boven het meetniveau, en de brandgevaarlijke delen van het dak ten minste 15 m vanaf de perceelsgrens liggen. Indien het perceel waarop het bouwwerk ligt, grenst aan een openbare weg, openbaar water, openbaar groen, of een perceel dat niet is bestemd voor bebouwing of voor een speeltuin, een kampeerterrein of opslag van brandgevaarlijke stoffen of van brandbare niet milieugevaarlijke stoffen wordt die afstand aangehouden tot het hart van de weg, dat water, dat groen of dat perceel.
Voorzieningen De materialen zoals omschreven op de materiaallijst en/of de detailtekeningen voldoen aan de volgende brandklassen: TABEL – BRANDKLASSE Brandklasse Constructie onderdeel
Materiaal
materiaal
eis
beton
A1-s1
B-s2
gipskartonplaat
A2-s1
beton
A1fl-s1fl
tegelwerk
A1fl-s1fl
Binnenoppervlak gemeenschappelijke verkeersruimten wanden vloeren
R821047aaA0 - Prof. Einsteinlaan, Voorschoten
Cfl-s1
17
plafond
beton
A1-s1
akoestisch plafond
B-s2*
B-s2
B-s2*
B-s2
metselwerk
A1
B
houten gevelbekleding
B*
beton
A1
bestrating
A1
beton
A1
deuren / kozijnen
Buitenoppervlak gevel vloeren plafond
houtwolcementplaat deuren / kozijnen
Cfl B
A2 D-s2
D
*) Bij de genoemde materialen dient rekening gehouden te worden met het onderstaande.
Bij het bovenstaande gelden met name de volgende aandachtspunten: -
cvz-kast(deur)en (grenzend aan de gemeenschappelijke verkeersruimte) zijn niet standaard verkrijgbaar in brandklasse B. Deze zijn echter wel op aanvraag leverbaar, bijvoorbeeld van het fabrikaat Jonka. Op voorhand dient derhalve in overleg met de fabrikant bepaald te worden op welke wijze aan deze eis voldaan kan worden;
-
de hoofdentree van het appartementengebouw is aangemerkt als extra beschermde vluchtroute. Dit betekent dat de overige inventaris (zoals bijvoorbeeld postkasten) dient te voldoen aan brandklasse B. Eventuele aankleding dient te voldoen aan de eisen uit art. 7.4 (de aankleding mag geen brandgevaar opleveren);
-
indien houtachtige materialen gewenst zijn voor bijvoorbeeld de dakkapellen, dienen deze een volumieke massa van ten minste 790 kg/m3 te hebben om aan de gestelde eisen te voldoen (meranti met een volumieke massa van ten minste 540 kg/m3 voldoet eveneens aan de eisen). Indien hier niet aan voldaan wordt, dienen deze materialen vooraf behandeld te zijn om aan de vereiste brandklasse te voldoen, bijvoorbeeld door toepassing van Asphalia Systeem Q, Magma Firesheen Latex of Fumona HP o.g. (voor binnengebruik) of Asphelia Systeem V of Fumona HP i.c.m. Fumona Pro Wood coating o.g. (voor buitengebruik);
-
bij de keuze van de woningentreedeuren in het appartementengebouw dient rekening gehouden te worden met de vereiste WBDBO en brandklasse (en de vereiste geluidwering). Met HPL woningentreedeuren kan aan brandklasse B-s2 worden voldaan (bijvoorbeeld door toepassing van Formica FR of GetaLit HPL), mits nadrukkelijk vermeld bij de leverancier. De leverancier dient bij de deuren een attest te leveren, waaruit blijkt dat aan de gestelde eis wordt voldaan. Hierbij dient rekening gehouden te worden met alle relevante eisen (brand- en rookwerendheid). Een stalen alternatief is bijvoorbeeld de Daloc S43 o.g.;
-
de gevels van de eengezinswoningen kunnen worden uitgevoerd met een gevelbekleding welke voldoet aan brandklasse B (zie ook hoofdstuk 2.10);
-
tevens geldt dat de bovenzijde van een dak niet brandgevaarlijk mag zijn. Verwacht wordt dat aan de gestelde eisen zal worden voldaan. Indien de dakbedekking conform de verwerkingsvoorschriften wordt verwerkt of het platte dak van het appartementengebouw is afgedekt met grind (dikte van ten minste 50 mm of een massa ≥ 80 kg/m2) wordt een dak niet geacht brandgevaarlijk te zijn;
R821047aaA0 - Prof. Einsteinlaan, Voorschoten
18
-
elektrische leidingen in een besloten extra beschermde vluchtroute (opbouw of boven verlaagd plafond) dienen te voldoen aan brandklasse B2ca en rookklasse s1(ca);
-
pijpisolatie in een besloten extra beschermde vluchtroute (opbouw of boven verlaagd plafond) dient te voldoen aan brandklasse Bl en rookklasse s1(L).
De materialisatie en detaillering ter plaatse van de gemeenschappelijke verkeersruimten in het woongebouw ontbreekt gedeeltelijk en zal in een later stadium worden getoetst. Bij de verdere materiaalkeuzen dient rekening gehouden te worden met de maximaal toelaatbare bijdrage tot brandvoortplanting en rookdichtheid van materialen in met name vluchtroutes en de gevels nabij het aansluitend terrein.
R821047aaA0 - Prof. Einsteinlaan, Voorschoten
19
Afdeling 2.10 Beperking van uitbreiding van brand Een te bouwen bouwwerk is zodanig dat de kans op een snelle uitbreiding van brand voldoende wordt beperkt. Art.
Eis
Toets
2.82
Ligging
+
Een besloten ruimte ligt in een brandcompartiment. Dit is niet van toepassing op: -
toiletruimte;
-
badruimte;
-
liftschacht (mits materialisatie voldoet aan brandklasse B en rookklasse s2);
-
technische ruimte niet groter dan 50 m2 niet bestemd voor verbrandingstoestellen met een totale nominale belasting van meer dan 130 kW.
In afwijking hiervan voert een extra beschermde vluchtroute niet door een brandcompartiment.
2.83
Omvang
+
Een brandcompartiment heeft een gebruiksoppervlak van maximaal 1.000 m2. Een brandcompartiment strekt zich uit over niet meer dan een perceel. In een brandcompartiment liggen ten hoogste een woonfunctie en nevenfuncties daarvan. In afwijking hiervan is een gemeenschappelijk verblijfsgebied een afzonderlijk brandcompartiment. Een technische ruimte met een GO van meer dan 50 m2 of met verbrandingstoestellen met een totale nominale belasting van meer dan 130 kW is een afzonderlijk brandcompartiment.
2.84
Weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag
!
De WBDBO van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment, een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert, een niet besloten veiligheidsvluchtroute en een brandweerlift is minimaal 60 minuten. In afwijking hiervan volstaat bij een woonfunctie tussen een brandcompartiment en een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert een WBDBO van 30 minuten. In een woonfunctie volstaat een WBDBO van 30 minuten indien de permanente vuurbelasting niet groter is dan 500 MJ/m2 en geen vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 7 m boven het meetniveau. In afwijking van bovengenoemde uitzonderingen is de WBDBO van een brandcompartiment naar een ruimte waardoor een veiligheidsvluchtroute voert minimaal 60 minuten.
R821047aaA0 - Prof. Einsteinlaan, Voorschoten
20
Bij het bepalen van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ruimte van een op een aangrenzend perceel gelegen gebouw wordt voor het op het andere perceel gelegen gebouw uitgegaan van een identiek maar spiegelsymmetrisch ten opzichte van de perceelsgrens gelegen gebouw. Indien het perceel grenst aan een openbare weg, openbaar water, openbaar groen, of een perceel dat niet is bestemd voor bebouwing of voor een speeltuin, een kampeerterrein of opslag van brandgevaarlijke stoffen of van brandbare niet milieugevaarlijke stoffen vindt deze spiegeling plaats ten opzichte van het hart van die weg, dat water, dat groen of dat perceel.
Voorzieningen Onderstaand is samengevat welke maatregelen getroffen moeten worden om aan de gestelde eisen te voldoen. Brandcompartimentering Het bouwplan is als volgt in brandcompartimenten ingedeeld: -
elke woning vormt een eigen brandcompartiment;
-
de bergingen grenzend aan de gemeenschappelijke verkeersruimte in het appartementengebouw vormen gezamenlijk een brandcompartiment;
-
de meterkast in de gemeenschappelijke verkeersruimte van het appartementengebouw vormt een brandcompartiment;
-
de besloten gemeenschappelijke verkeersruimte in het appartementengebouw ligt in een extra beschermde vluchtroute en is derhalve niet in een brandcompartiment gelegen;
-
de liftschacht in het appartementengebouw wordt gematerialiseerd als extra beschermde vluchtroute en ligt niet in een brandcompartiment.
Ten aanzien van de WBDBO van de scheidingsconstructies geldt het volgende (zie ook bijlage 1): -
brandcompartimenten onderling: 60 minuten;
-
woningen / gemeenschappelijke verkeersruimte: 30 minuten;
-
overige brandcompartimenten / gemeenschappelijke verkeersruimte: 60 minuten;
-
schachtwanden in het appartementengebouw: 60 minuten eenzijdig (van woning naar schacht). Doorvoeringen dienen te worden voorzien van brandkleppen en/of –manchetten. Toegepaste brandkleppen dienen bereikbaar te zijn voor inspectie en onderhoud;
-
alle deuren in brandwerende constructies dienen zelfsluitend uitgevoerd te worden;
-
de deur van de meterkast in de gemeenschappelijke verkeersruimte van het appartementengebouw is in het dagelijks gebruik op slot. Deze deur hoeft derhalve niet zelfsluitend uitgevoerd te worden.
Woningentreedeuren en de deur van de berging in besloten gemeenschappelijke verkeersruimten dienen zelfsluitend uitgevoerd te worden met toepassing van vrijloopdeurdrangers. Voor de woningen dienen deze te worden gekoppeld aan de rookmelders in de woning. Voor de berging dient de vrijloopdeurdranger gekoppeld te worden aan een rookmelder in de gemeenschappelijke
R821047aaA0 - Prof. Einsteinlaan, Voorschoten
21
verkeersruimte of in de berging zelf (een in de dranger geïntegreerde rookmelder is ook toegestaan). Deuren (en overige constructieonderdelen) in brandwerende constructies dienen rookwerend uitgevoerd te worden. De woningentreedeuren en de deuren van andere brandcompartimenten in het appartementengebouw die grenzen aan de gemeenschappelijke verkeersruimten (de berging en de meterkast) dienen te worden uitgevoerd met rookwerendheidsklasse S200. De overige brandwerende deuren dienen te worden gerealiseerd met rookwerendheidsklasse Sa. Schachten worden beschouwd als technische ruimte met een gebruiksoppervlakte kleiner dan 50 m2. In de schachten bevindt zich geen brandbaar materiaal. Om deze reden is het toegestaan dat schachten niet in een brandcompartiment liggen. Schachtwanden in het appartementengebouw dienen 60 minuten brandwerend te zijn (zoals hierboven omschreven) om voldoende WBDBO tussen brandcompartimenten onderling te waarborgen. Brandoverslag Ter bepaling van de benodigde voorzieningen ter voorkoming van brandoverslag tussen de (sub-) brandcompartimenten zijn de maatgevende situaties berekend (zie bijlage 2): -
verticale brandoverslag tussen boven elkaar gelegen appartementen;
-
horizontale brandoverslag tussen de kopwoningen en tegenoverliggende gebouwen aan de hand van spiegelsymmetrie.
Bij het uitvoeren van de berekeningen zijn de brandcompartimenten en bouwkundige constructies van de maatgevende woningtypen zo veel mogelijk geschematiseerd overeenkomstig de uitgangspunten van het rekenmodel. Op basis van de berekeningen blijkt dat in enkele situaties brandwerende beglazing vereist is. De berekeningen van deze situaties zijn eveneens in bijlage 2 opgenomen. De berekeningen zijn uitgevoerd met behulp van het computerprogramma Pintegraal V7.2 volgens NEN 6068:2020. In de berekeningen is uitgegaan van een gereduceerde brand. Een van de voorwaarden voor toepassing van de in NEN 6068 opgenomen rekenmethode is dat de gevels van de woningen voldoet aan brandklasse B. De metselwerk gevels in voorliggend plan voldoen hier aan. De resultaten van de uitgevoerde berekeningen zijn samengevat in onderstaande tabel. De in deze tabel aangegeven warmtestralingsflux is bepaald voor het uiterste moment dat aan de eis moet worden voldaan ter plaatse van het meest kritische punt. Overeenkomstig het rekenmodel wordt geacht aan de gestelde eis te zijn voldaan, indien de berekende stralingsflux, gedurende de tijd dat bescherming moet worden geboden, ter plaatse van gevelopeningen kleiner is dan 15 kW/m2.
R821047aaA0 - Prof. Einsteinlaan, Voorschoten
22
TABEL – STRALINGSFLUX brandruimte bnr 04 (ggw) bnr 18 (app)
observatiepunt
flux
nummer
omschrijving
H1
meetpunt tegenoverliggende gevel
4.1
H2
op ander perceel
4.4
V1
meetpunt onderkant
13.9
V2
bovenliggende gevelopening
13.9
V3
3.2
V4
12.6
V5 bnr 19 (app)
[kW/m2]
12.0
V1
meetpunt onderkant
7.6
V2
bovenliggende gevelopening
7.6
V3
7.8
V4
8.3
V5
7.3
V6
6.3
V7 bnr 20 (app)
6.3
V1
meetpunt onderkant
10.7
V2
bovenliggende gevelopening
9.2
V3
7.6
V4
9.4
V5
9.4
De kopgevel van de woningen met bouwnummer 01 en 17 ligt op een afstand van 1.24 m tot de erfgrens. De afstand tot spiegelsymmetrische brandruimte bedraagt derhalve 2.48 m. Deze afstand is kleiner dan drie maal de grootste afstand van enig punt van het vlamlichaam tot de geveloppervlakte betrokken op de desbetreffende gevelopeningen, gemeten loodrecht op de gevel (3 x pV;I). Deze gevelopeningen in deze gevel dienen derhalve 30 minuten brandwerend uitgevoerd te worden. De kopgevel van de woning met bouwnummer 04 grenst direct aan de openbare ruimte. De afstand tot het volgende perceel bedraagt 5.5 m. De afstand tot de spiegelsymmetrische brandruimte bedraagt derhalve ook 5.5 m. Deze afstand is kleiner dan 3 x pV;I. De gevelopeningen dienen derhalve niet brandwerend uitgevoerd te worden. Op de in bijlage 1 opgenomen geveltekeningen is aangegeven welke gevelopeningen 30 minuten brandwerend uitgevoerd dienen te worden.
R821047aaA0 - Prof. Einsteinlaan, Voorschoten
23
Afdeling 2.11 Verdere beperking van uitbreiding van brand en beperking van verspreiding van rook. Een te bouwen bouwwerk is zodanig dat de uitbreiding van brand in verdergaande mate wordt beperkt en dat veilig kan worden gevlucht. Art.
Eis
2.92
Ligging
Toets +
Een brandcompartiment van een grondgebonden woning, woongebouw is ingedeeld in een of meer subbrandcompartimenten of verkeersruimten waardoor een beschermde vluchtroute voert. Een beschermde vluchtroute ligt niet in een subbrandcompartiment. In afwijking van het eerste lid kan een verblijfsgebied voor bewaking van een grondgebonden woning, woongebouw buiten een subbrandcompartiment liggen, indien de constructie-onderdelen in dat gebied voldoen aan brandklasse B en de aankleding in dat gebied voldoet aan de eisen voor een beschermde vluchtroute volgens art. 7.4. Een verblijfsgebied ligt in een beschermd subbrandcompartiment.
2.93
Omvang
+
Een beschermd subbrandcompartiment van een andere woonfunctie en een woonfunctie in een woongebouw heeft een GO van maximaal 500 m2.
2.94
Weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag en rookdoorgang
n.v.t.
De WBDBO van een subbrandcompartiment naar een andere ruimte in hetzelfde brandcompartiment is ten minste 20 minuten, waarbij alleen het criterium vlamdichtheid met betrekking op afdichting wordt gehanteerd. De WBDBO van een beschermd subbrandcompartiment naar een andere ruimte in hetzelfde brandcompartiment is ten minste 30 minuten. Bij ministeriele regeling kunnen voorschriften worden gegeven over de rookdoorgang van een al dan niet beschermd subbrandcompartiment naar een andere ruimte.
2.94a
Weerstand tegenrookdoorgang: subbrandcompartiment
+
De WRD van een subbrandcompartiment naar een ander subbrandcompartiment is Ra. De WRD van een subbrandcompartiment naar een besloten ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert, is Ra. De WRD van een subbrandcompartiment naar een beschermd subbrandcompartiment, gelegen in een ander subbrandcompartiment, is R200. De WRD van een subbrandcompartiment naar een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert en naar een liftschacht als bedoeld in artikel 2.84, eerste lid, is R200.
R821047aaA0 - Prof. Einsteinlaan, Voorschoten
24
2.94b Weerstand tegenrookdoorgang: beschermd subbrandcompartiment
n.v.t.
De WRD van een beschermd subbrandcompartiment naar een ander beschermd subbrandcompartiment is R200. De WRD van een beschermd subbrandcompartiment naar een subbrandcompartiment is Ra. De WRD van een beschermd subbrandcompartiment naar een besloten ruimte waardoor een (extra) beschermde vluchtroute voert is R200.
Voorzieningen Met de in afdeling 2.10 omschreven maatregelen wordt aan de eisen voldaan.
R821047aaA0 - Prof. Einsteinlaan, Voorschoten
25
Afdeling 2.12 Vluchtroutes Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige vluchtroutes dat bij brand een veilige plaats kan worden bereikt. Art.
Eis
Toets
2.102
Vluchtroute
+
Op elk punt van een voor personen bestemde vloer begint een vluchtroute die leidt naar het aansluitende terrein en vandaar naar de openbare weg. De gecorrigeerde loopafstand tussen een punt in een gebruiksgebied en ten minste een uitgang van het subbrandcompartiment is niet groter dan 30 m. In afwijking van het bovenstaande wordt bij een niet nader in te delen gebruiksgebied en bij een verblijfsruimte in plaats van de gecorrigeerde loopafstand uitgegaan van een maximaal toelaatbare loopafstand van 30 m.
2.103
Beschermde vluchtroute
n.v.t.
Deze eis is niet van toepassing.
2.104
Extra beschermde vluchtroute
+
Een vluchtroute is vanaf de uitgang van het brandcompartiment waarin de vluchtroute begint in een woongebouw een extra beschermde vluchtroute, tenzij die uitgang direct grenst aan het aansluitende terrein. Deze eis is niet van toepassing op eengezinswoningen. Een extra beschermde vluchtroute voert niet langs een beweegbaar constructieonderdeel van een andere woonfunctie dan de woonfunctie waarin de vluchtroute begint. Dit geldt niet bij de toegang van een woonfunctie die recht tegenover de toegang ligt van de woonfunctie waarin de vluchtroute begint. Een extra beschermde vluchtroute voert niet door een trappenhuis. De vluchtroute mag wel door een trappenhuis of langs een beweegbaar constructieonderdeel van een andere woonfunctie voeren als: -
de uitgangen van de op die route aangewezen woonfuncties direct grenzen aan het trappenhuis, en;
-
op die route uitsluitend woonfuncties of nevenfuncties daarvan zijn aangewezen, en;
-
de uitgang van het trappenhuis direct grenst aan het aansluitende terrein, en;
-
er wordt voldaan aan één van de volgende voorwaarden: - niet meer dan 6 woonfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan voor personen bereikbaar zijn door het trappenhuis, en; - geen vloer van een verblijfsgebied ligt hoger dan 6 m boven het meetniveau. of: - het totale GO van die woonfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan die voor personen bereikbaar zijn door het trappenhuis is maximaal 800 m2, en; - geen vloer van een verblijfsgebied ligt hoger dan 12.5 m boven het meetniveau, en; - geen van de woonfuncties heeft een GO van meer dan 150 m2.
R821047aaA0 - Prof. Einsteinlaan, Voorschoten
26
Een vluchtroute in een trappenhuis waarin een hoogteverschil van meer dan 8 meter wordt overbrugd is een extra beschermde vluchtroute.
2.106
Tweede vluchtroute
n.v.t.
Indien op een vluchtroute een tweede vluchtroute begint zijn de artikelen 2.103, 2.104 en 2.105 niet van toepassing vanaf het punt dat de beide vluchtroutes door verschillende ruimten voeren. Buiten het brandcompartiment waarin de bovengenoemde tweede vluchtroute begint, voeren de twee vluchtroutes niet door eenzelfde brandcompartiment. In afwijking van bovengenoemde eis, kunnen de twee vluchtroutes vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de eerste vluchtroute begint wel door dezelfde ruimte voeren als:
-
die ruimte aan de uitgang van het subbrandcompartiment grenst;
-
de vluchtroutes in die ruimte beschermde vluchtroutes en voor zover buiten een brandcompartiment extra beschermde vluchtroutes zijn;
-
de loopafstand in die ruimte maximaal 30 m indien de ruimte besloten is, en;
-
de vluchtroutes in verschillende richtingen voeren.
Twee vluchtroutes van een woonfunctie kunnen door dezelfde ruimte voeren voor zover de vluchtroute een veiligheidsvluchtroute is. Deze veiligheidsvluchtroute voert uitsluitend door een trappenhuis.
2.107
Inrichting vluchtroute
+
De WBDBO tussen twee onafhankelijke vluchtroutes is ten minste 30 minuten. De permanente vuurlast van een trappenhuis waardoor een (extra) beschermde vluchtroute voert, bedraagt met inbegrip van de vanuit dat trappenhuis direct bereikbare ruimten maximaal 3500 MJ per bouwlaag. Indien de WBDBO naar deze ruimte minimaal 30 minuten bedraagt blijft deze ruimte hierbij buiten beschouwing. Bij de in rekening te brengen vuurlast van de dakconstructie op de bovenste bouwlaag van het trappenhuis waardoor geen veiligheidsvluchtroute voert, wordt een reductie van 50% toegepast. Dit geldt niet voor een trappenhuis als bedoeld in art. 2.104 lid 4. De permanente vuurlast van een besloten ruimte waardoor een veiligheidsvluchtroute voert, met inbegrip van de vanuit die ruimte direct bereikbare besloten ruimten, bedraagt maximaal 3500 MJ per bouwlaag. Indien de WBDBO naar deze ruimte minimaal 30 minuten bedraagt blijft deze ruimte hierbij buiten beschouwing. Een besloten trappenhuis waarin een hoogte van meer dan 20 m wordt overbrugd, wordt in de vluchtrichting uitsluitend bereikt door een afzonderlijke beschermde vluchtroute met een looplengte van ten minste 2 m. Een uitgang van een woonfunctie grenst niet aan deze afzonderlijke beschermde vluchtroute. Vrije doorgang vluchtroute, voor zover deze niet over een trap voert: - breedte vluchtroute ≥ 0.85 m; -
hoogte ≥ 2.3 m.
Indien op een trap meer dan 600 m2 verblijfsgebied is aangewezen heeft de trap een breedte van minimaal 1.2 m.
R821047aaA0 - Prof. Einsteinlaan, Voorschoten
27
Een niet besloten ruimte waardoor een vluchtroute voert heeft voldoende afvoer van rook en warmte en toevoer van verse lucht dat die ruimte gedurende langere tijd gebruikt kan worden om te vluchten en het uitvoeren van reddings- en bluswerkzaamheden.
2.107a Inrichting vluchtroute: weerstand tegen rookdoorgang
n.v.t.
De WRD van een besloten ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert naar een in de vluchtrichting aansluitende besloten ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert is Ra.
Voorzieningen De woningen in het appartementengebouw (met portiekontstluiting) hebben slechts een vluchtroute. De vluchtroute van deze woningen voert door een trappenhuis langs beweegbare constructieonderdelen van andere woonfuncties. Dit is uitsluitend toegestaan wanneer de woningen direct aan het trappenhuis grenzen, uitsluitend woningen en nevenfuncties op de vluchtroute aangewezen zijn en de uitgang van de vluchtroute direct grenst aan het aansluitend terrein. Tevens dient de totale gebruiksoppervlakte van alle woonfuncties aangewezen op de route ten hoogste 800 m2 te zijn, geen vloer van een verblijfsgebied hoger gelegen dan 12.5 m boven meetniveau te zijn en geen van de woonfuncties een gebruiksoppervlakte van meer dan 150 m2 te hebben. Tevens dient de gecorrigeerde loopafstand tussen een punt in een gebruiksgebied en ten minste een uitgang van het subbrandcompartiment is niet groter dan 30 m te zijn voor alle woningen (appartementen en eengezinswoningen). Geconcludeerd kan worden dat aan de gestelde eisen wordt voldaan.
R821047aaA0 - Prof. Einsteinlaan, Voorschoten
28
Afdeling 2.13 Hulpverlening bij brand Een te bouwen bouwwerk is zodanig dat hulpverlening binnen redelijke tijd personen kan redden en brand kan bestrijden. Eis
Toets
2.120 Brandweerlift
n.v.t.
Art.
Deze eis is niet van toepassing op eengezinswoningen en woongebouwen met de hoogste vloer minder dan 12.5 m. Vanaf een lifttoegang van een brandweerlift is vanaf een verdieping de lifttoegang op de verdieping daarboven bereikbaar via een extra beschermde vluchtroute. Een uitgang van een woonfunctie grenst niet aan deze extra beschermde vluchtroute voor zo ver die voert door een ruimte die direct grenst aan de lifttoegang.
2.121 Loopafstand
+
Deze eis is niet van toepassing op eengezinswoningen. De loopafstand tussen een punt in een gebruiksgebied en ten minste een toegang van een trappenhuis is niet groter dan 75 m. De loopafstand tussen een punt in een gebruiksgebied en ten minste een toegang van een brandweerlift is niet groter dan 120 m.
Voorzieningen Geconcludeerd kan worden dat aan de gestelde eisen wordt voldaan.
R821047aaA0 - Prof. Einsteinlaan, Voorschoten
29
3. GEZONDHEID Afdeling 3.2 Bescherming tegen geluid van installaties Een te bouwen bouwwerk biedt bescherming tegen geluid van installaties. Art.
Eis
3.8
Aangrenzend perceel
Toets !
Het karakteristiek installatiegeluidsniveau Li,A,k ten gevolge van een toilet, kraan, mechanisch ventilatiesysteem, warmwatertoestel, installatie voor verhoging van waterdruk of lift in een op een aangrenzend perceel gelegen verblijfsgebied bedraagt maximaal 30 dB. Dit geldt niet voor een op een aangrenzend perceel gelegen lichte industriefunctie of overige gebruiksfunctie. De buitenunit van een installatie voor warmte- of koudeopwekking van een woonfunctie veroorzaakt op de perceelgrens met een perceel voor een andere woonfunctie een geluidsniveau van ten hoogste 40 dB.
3.9
Zelfde perceel
!
Het karakteristiek installatiegeluidsniveau Li,A,k ten gevolge van een toilet, kraan, mechanische voorziening voor luchtverversing, warmwatertoestel, installatie voor verhoging van waterdruk of lift in een niet-gemeenschappelijke verblijfsruimte van een aangrenzende woonfunctie op hetzelfde perceel bedraagt maximaal 30 dB. Het karakteristiek installatiegeluidsniveau Li,A,k ten gevolge van een mechanische voorziening voor luchtverversing, warmteopwekking of warmteterugwinning in een nietgemeenschappelijke verblijfsruimte van de gebruiksfunctie bedraagt maximaal 30 dB. De buitenunit van een installatie voor warmte- of koudeopwekking van een woonfunctie veroorzaakt ter plaatse van een te openen raam of deur van een nietgemeenschappelijk verblijfsgebied van een aangrenzende op hetzelfde perceel gelegen woonfunctie een geluidsniveau van ten hoogste 40 dB.
Voorzieningen Met de aangegeven voorzieningen wordt in principe aan de in het Bouwbesluit gestelde eisen voldaan. Hierbij worden de volgende kanttekeningen geplaatst: -
toiletpotten dienen trillingsisolerend te zijn bevestigd aan de bouwkundige constructie. De afvoerleidingen van het toilet dienen trillingsisolerend door de schachtwand gevoerd te worden;
-
leidingen dienen met de trillingsisolerende bevestigingsmiddelen op bouwkundige constructies met een massa van ten minste 400 kg/m2 te worden bevestigd;
-
scheidingsconstructies tussen verblijfsruimten en leidingschachten bestaan uit 100 mm cellenbeton, 70 mm Gibo GZ, 100 mm Gibo GN (massa minimaal 75 kg/m2, akoestisch ontkoppeld van de draagconstructie);
-
scheidingsconstructies tussen verblijfsruimten en natte cellen bestaan uit 100 mm Gibo Hydro (massa minimaal 50 kg/m2, akoestisch ontkoppeld van de draagconstructie) of een 100 mm metalstud constructie met de volgende opbouw (akoestisch ontkoppeld van het plafond): -
12.5 mm WR gipskartonplaat aan de natte zijde;
R821047aaA0 - Prof. Einsteinlaan, Voorschoten
30
-
-
75 mm profielen;
-
12.5 mm gipskartonplaat;
de ventilatie-unit en warmtepomp van de eengezinswoningen en de appartementen op de verdiepingen zijn in een technische ruimte geplaatst. De deuren van de technische ruimten grenzen aan een verkeersruimte: -
de wanden tussen de technische ruimte en aangrenzende verblijfsruimten bestaat uit 70 mm Gibo GZ (massa ten minste 75 kg/m2);
-
wanden aan de gang bestaan uit 70 mm Gibo GN (massa ten minste 50 kg/m2);
-
deuren van technische ruimte en verblijfsruimten zijn standaard honingraatdeuren met een laboratorium geluidsisolatiewaarde van de afgehangen deurset Rw,p ≥ 17 dB. Spleet aan de onderzijde maximaal 20 mm (in ingerichte situatie met vloerafwerking);
-
de ventilatie-unit en warmtepomp van het appartement op de begane grond zijn in een technische ruimte geplaatst. De deur van de technische ruimte grenst direct aan een verblijfsruimte: -
de wand tussen de verblijfsruimte en de technische ruimte bestaat uit 100 mm Gibo GN (massa ten minste 75 kg/m2);
-
toepassing van een verzwaarde deur tussen de technische ruimte en de verblijfsruimte met een laboratorium geluidsisolatiewaarde van het deurblad Rw,p ≥ 36 dB, bijvoorbeeld een Svedex-deur of Berkvens-deur met 3-laags spaanvulling o.g.. Toepassing van een goede 3-zijdige kierdichting en een valdorpel;
-
ventilatie van de technische ruimte middels gebalanceerde ventilatie;
bovengenoemde voorzieningen zijn mede gebaseerd op de ventilatievoorzieningen zoals toegepast in de BENG-berekeningen (met een geluidvermogen van ca. 55 dB(A) voor alle woningen) en een kanaalontwerp met gladde kanalen, een kort leidingtraject, zo min mogelijk bochten en met flexibele slangen (of dempers). In een later dient de installateur aan te tonen dat aan de gestelde eisen wordt voldaan;
-
de warmtepompen dienen op rubberen trillingsdempers te worden geplaatst, met een statische invering ≥ 5 mm. Indien de compressor reeds geveerd is uitgevoerd, is dit niet vereist (maar wel aanbevolen). De warmtepomp mag niet op de zwevende dekvloer geplaatst worden, deze dient op de bouwkundige vloer gerealiseerd te worden. Leidingen monteren op een steenachtige constructie met een minimale massa van 200 kg/m2 (of trillingsvrij bevestigd);
-
de ventilatie-unit dient te worden gemonteerd op een steenachtige constructie met een minimale massa van 200 kg/m2, bijvoorbeeld op een woningscheidende wand of op de vloerconstructie;
-
aan zowel de zuig- als de afblaaszijde van de ventilatie-unit dienen geluiddempers te worden geplaatst met een lengte van 1.0 meter.
Voor de appartementen geldt aanvullend: -
leidingschachten dienen op vloerniveau te worden dichtgestort (toepassing van mantelbuizen ten behoeve van akoestische onderbreking). De overgebleven stelruimte dient te worden dichtgezet met minerale wol;
-
leidingen ten behoeve van vuilwater dienen te worden uitgevoerd in Dykastil of Geberit Silent2B20 o.g.;
R821047aaA0 - Prof. Einsteinlaan, Voorschoten
31
-
wanden van liftschachten welke grenzen aan woningen dienen te worden opgebouwd uit minimaal 250 mm beton. Aangezien de lifschacht grenst aan een woning, dient een buigslappe voorzetwand in de woning gerealiseerd te worden (bijvoorbeeld vrijstaande metalstud wand met 75 mm minerale wol voorzien van een gipskartonplaat of Isover Calibel SK 80+10). De isolatie dient ook te worden aangebracht aan de wand van de liftschacht grenzend aan de verkeersruimte van de woning.
Om geluidsproductie van de liftinstallatie zelf in het appartementengebouw te beperken dienen de volgende maatregelen te worden getroffen: -
indien metaalplaat wordt toegepast in de liftkooi, dient deze gedempt (“ontdreund”) uitgevoerd te worden, voor zo ver directe aanstoting van de metaalplaat vanuit de kooi mogelijk is;
-
de geleiding van de liftkooi en van het tegengewicht langs de geleiderails moet plaatsvinden met leidsloffen voorzien van kunststofvoering (of eventueel geleiderollen met rubber of kunststof loopvlak);
-
de geleiderails moet nastelbaar worden uitgevoerd en nauwkeurig worden gesteld;
-
voor het sluiten en vergrendelen van de schuifdeuren van de lift moet een systeem worden toegepast, dat geen overmatig geluid produceert. Het sluitsysteem van de deuren dient een geleidelijk snelheidsverloop te hebben.
In een later stadium dient door de installateur op basis van de geselecteerde installatie de geluidbelasting te worden berekend. Hierbij dient gewaarborgd te worden dat aan bovengenoemde eisen wordt voldaan.
R821047aaA0 - Prof. Einsteinlaan, Voorschoten
32
Afdeling 3.3 Beperking van galm Een te bouwen woongebouw heeft in een gemeenschappelijke verkeersruimte een zodanige geluidsabsorptie, dat geluidhinder door galm wordt beperkt. Art.
Eis
3.13
Geluidsabsorptie
Toets !
Een besloten gemeenschappelijke verkeersruimte, voor het ontsluiten van een woonfunctie, die grenst aan een niet-gemeenschappelijke ruimte van een woonfunctie heeft een totale geluidsabsorptie, bepaald volgens NEN-EN 12354-6, die niet kleiner is dan 1/8 van de inhoud van die ruimte in de octaafbanden met middenfrequenties van 250, 500, 1000 en 2000 Hz.
Voorzieningen Om aan bovengenoemde eis te voldoen is het noodzakelijk om geluidabsorberende voorzieningen in de gemeenschappelijke verkeersruimte van het appartementengebouw aan te brengen. In bijlage 3 zijn de berekeningen opgenomen ter bepaling van de benodigde voorzieningen. In onderstaande tabel is voor de noodzakelijke constructieonderdelen de soort absorberende maatregelen aangegeven. Het gehele oppervlakte dient hiermee voorzien te worden: TABEL – SAMENVATTING BENODIGDE VOORZIENINGEN TEGEN GALM constructieonderdeel
type plafond
bordessen verkeersruimte
Ecophon Focus B (20 mm)
plafond verkeersruimte
Ecophon Master B (40 mm)
R821047aaA0 - Prof. Einsteinlaan, Voorschoten
33
Afdeling 3.4 Geluidwering tussen ruimten Een te bouwen bouwwerk biedt bescherming tegen geluidoverlast tussen gebruiksfuncties en tussen ruimten in een woonfunctie voor zover in het bouwwerk een woonfunctie ligt. Art.
Eis
Toets
3.16
Ander perceel
!
Het karakteristieke lucht-geluidniveauverschil (DnT,A,k) voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een aangrenzende gebruiksfunctie is minimaal: -
52 dB ter plaatse van een verblijfsgebied;
-
47 dB ter plaatse van overige ruimten in een woonfunctie.
Het gewogen contactgeluidniveau (LnT,A) van een besloten ruimte naar een aangrenzende gebruiksfunctie is maximaal: -
54 dB tussen een woonfunctie en een verblijfsgebied van een woonfunctie;
-
54 dB tussen een woonfunctie en een verblijfsgebied van een niet-woonfunctie;
-
59 dB tussen een woonfunctie en een overige ruimten van een woonfunctie;
-
59 dB tussen een niet -woonfunctie en een verblijfsgebied van een woonfunctie;
-
64 dB tussen een niet-woonfunctie en een overige ruimten van een woonfunctie;
-
59 dB tussen een niet-woonfunctie en een verblijfsgebied van een niet woonfunctie.
3.17
Hetzelfde perceel
!
Het karakteristieke luchtgeluidniveauverschil (DnT,A,k) voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een aangrenzende woonfunctie is minimaal: -
52 dB ter plaatse van een verblijfsgebied;
-
47 dB ter plaatse van overige ruimten.
Het gewogen contactgeluidniveau (LnT,A) van een besloten ruimte naar een aangrenzende woonfunctie is maximaal: -
54 dB tussen een woonfunctie en een verblijfsgebied van een woonfunctie;
-
59 dB tussen een woonfunctie en een overige ruimten van een woonfunctie;
-
59 dB tussen een niet-woonfunctie en een verblijfsgebied van een woonfunctie;
-
64 dB tussen een niet-woonfunctie en een overige ruimten van een woonfunctie.
Bovengenoemde eisen zijn niet van toepassing op de geluidsoverdracht bij een woonfunctie: -
van een nevenfunctie naar die woonfunctie;
-
tussen gemeenschappelijke ruimten;
-
van een gemeenschappelijke verkeersruimte naar een niet in een verblijfsgebied gelegen ruimte.
3.17a
Verblijfsruimten van dezelfde woonfunctie
!
Het karakteristieke luchtgeluidniveauverschil DnT,A,k van een verblijfsruimte naar een andere verblijfsruimte van dezelfde woonfunctie bedraagt minimaal 32 dB. Het gewogen contactgeluidniveau LnT,A van een verblijfsruimte naar een andere verblijfsruimte van dezelfde woonfunctie bedraagt maximaal 79 dB. Deze eisen gelden niet indien de verblijfsruimten met elkaar in open verbinding staan, of indien de ene verblijfsruimte vanuit de andere rechtstreeks bereikbaar is door een deur.
R821047aaA0 - Prof. Einsteinlaan, Voorschoten
34
Voorzieningen Met de aangegeven voorzieningen wordt aan de gestelde eisen voldaan. Onderstaand is een overzicht gegeven van de belangrijkste toe te passen constructies: Appartementen: -
begane grondvloer: indien de woningscheidende wand een massa van minimaal 575 kg/m2 heeft, is een vloer met massa van minimaal 350 kg/m2 mogelijk. Vloeren hoeven niet ontkoppeld te worden van de bouwmuur;
-
verdiepingsvloeren: betonvloer (massa minimaal 400 kg/m2) met zwevende dekvloer (∆Llin ≥ 13 dB, bijvoorbeeld met 20 mm WTH Variso Akoestisch, 25 mm Uponor isolatierol EPS 045 DES of Rockwool zwevende vloerplaat RockFloor Base (501);
-
woningscheidende wanden: 250 mm beton (massa minimaal 575 kg/m2);
-
dragende binnenspouwbladen en dragende binnenwanden massa minimaal 350 kg/m2, bijvoorbeeld 150 mm beton;
-
niet dragende binnenwanden (massa < 350 kg/m2) dienen akoestisch ontkoppeld worden aangesloten op de bovenliggende vloer en woningscheidende wand;
-
wanden tussen woning en gemeenschappelijke ruimte 250 mm (massa ten minste 575 kg/m2);
-
gevelelementen ter plaatse van de woningscheidende wand niet star koppelen en voorzien van minerale wol;
-
schachten ten behoeve van woninginstallaties moeten op vloerniveau worden dichtgestort onder toepassing van mantelbuizen. De schachtwanden moeten worden uitgevoerd in minimaal 100 mm gasbeton;
-
platte daken: betonconstructie (massa minimaal 300 kg/m2);
-
tussen de woningentreedeur en de verblijfsruimten is een besloten gang aanwezig. Er kan aan de eisen worden voldaan met een verzwaarde woningentreedeur met zeer goede kierdichting en een laboratorium geluidsisolatiewaarde van de afgehangen deurset Rw,p ≥ 42 dB, bijvoorbeeld Daloc S43 o.g. De deur is rondom voorzien van een enkelvoudige kierdichting en met een knevelende 3-puntssluiting. De kierdichtingsprofielen dienen in de hoeken doorgelast te worden, ter plaatse van de onderdorpel is desgewenst een valdorpel toelaatbaar. De invering van de kierdichting bedraagt minimaal 4 mm. Een eventueel bovenlicht moet worden voorzien van glas met Ra ≥ 42 dB (oppervlak maximaal 0.5 m2);
-
de binnendeuren tussen de gang en de verblijfsruimten kunnen standaard opdekdeuren zijn. De spleet onder de deur dient maximaal 20 mm (in ingerichte situatie met vloerafwerking) te bedragen (in verband met de ventilatie-eisen);
-
bij de realisatie dient voor de woningentreedeuren rekening gehouden te worden met de eisen ten aanzien van brandwerendheid (WBDBO ≥ 30 minuten, brandklasse B) en energiezuinigheid (U ≤ 1.65 W/m2K).
Aanvullend advies ten aanzien van de zwevende vloerconstructies in het appartementengebouw: -
oneffenheden in de draagvloer mogen niet hoger zijn dan 0.3 maal de dikte van de verende laag in onbelaste toestand. Het aanbrengen van een uitvlaklaag kan wenselijk zijn;
-
de platen van de verende laag moeten goed op elkaar en op de kantstroken aansluiten;
R821047aaA0 - Prof. Einsteinlaan, Voorschoten
35
-
op de verende laag moet een waterdichte laag worden aangebracht (bijv. 0.2 mm folie). De stroken moeten waterdicht op elkaar en op de kantstroken aansluiten;
-
de dekvloer dient een massa te bezitten van ten minste 85 kg/m2 (anhydriet) resp. 125 kg/m2 (zandcement). In overleg met de constructeur is een dunnere zandcementdekvloer mogelijk mits de massa ten minste 85 kg/m2 bedraagt;
-
kantstroken met een dikte van ten minste 5 mm en een dynamische stijfheid van minimaal 100 MN/m3 moeten worden toegepast tussen de dekvloer en het opgaande werk. De kantstroken moeten minimaal 30 mm uitsteken boven de bovenzijde van de dekvloer. De kantstroken kunnen op de eventuele uitvlaklaag worden gesitueerd. De kantstroken moeten bij voorkeur in een zo laat mogelijk stadium worden afgesneden;
-
CV-leidingen mogen in de dekvloer worden opgenomen, mits voorzieningen tegen opdrijven worden getroffen. Het is ook mogelijk de leidingen in de verende laag op te nemen (nauwkeurig uitsnijden). Over de leidingen en over de verende laag dan circa 100 mm aan weerszijden een dunne verende laag aanbrengen met een dynamische stijfheid van maximaal ca. 40 MN/m3;
-
binnenwanden moeten (bij voorkeur) worden geplaatst op de constructieve vloer;
-
harde vloerafwerkingen (parket, tegels e.d.) mogen het opgaande werk niet raken (ca. 10 mm vrijhouden). Ook de plinten moeten worden vrijgehouden van de harde vloerafwerking;
-
verankeringen voor balkons e.d. dienen niet op, maar in de constructieve vloer te worden aangebracht.
Eengezinswoningen: -
begane grondvloer: massa minimaal 350 kg/m2, de afstand tussen bovenzijde dekvloer en bovenzijde fundering is ten minste 0.5 m. Ankerloze spouwmuur geplaatst op de betonvloer en ter hoogte van de kim voorzien van een minerale wolstrook;
-
woningscheidende wanden: ankerloze spouwmuur bestaand uit 2 x 100 mm beton (massa minimaal 2 x 250 kg/m2;
-
niet dragende binnenwanden (massa < 170 kg/m2) dienen akoestisch ontkoppeld worden aangesloten op de woningscheidende wand;
-
gevelelementen ter plaatse van de woningscheidende wand niet star koppelen en voorzien van minerale wol;
-
hellende daken: -
boven de ankerloze spouwmuur (woningscheidende wand) dient tussen de dakelementen minerale wol te worden aangebracht die de ruimte tussen de bovenzijde van de bouwmuur en de bovenzijde van de dakelementen vult;
-
aan de bovenzijde van de woningscheiding dient tussen de ankerloze spouwmuren een strook in een dampremmende folie verpakte minerale wol te worden aangebracht;
-
wanneer een verblijfsruimte op de bovenste verdieping wordt gerealiseerd, dienen de dakelementen een akoestische prestatie van DnT,A,k ≥ 52 dB te hebben;