Bijlage 2 Rapportage Technisch-economische analyse.pdf
Tekst van het document
4.3
Algemene bevindingen In Tabel 7 worden de resultaten weergegeven van onze berekeningen van de eindgebruikerskosten met het CEKER-model. In bijlage C staat een overzicht van de jaarlijkse kosten, investeringen en doorlopende kosten per techniek.
Interpretatie van modelresultaten Het is van belang om bij de vergelijking tussen de kosten rekening te houden met het feit dat de gepresenteerde kosten een resultaat zijn van modelberekeningen. In iedere modelberekening zit een vorm van onzekerheid. De resultaten zijn dus geen absolute waarheid, maar een schatting op basis van de best beschikbare informatie. In de praktijk betekent dit dat modelresultaten nuttig zijn om mee te nemen in de afweging tussen aardgasvrije technieken, maar dat dit geen absolute zekerheid biedt. Het is dus van belang om met die bril de resultaten te interpreteren.
29
200425 - Technisch-economische analyse Voorschoten – April 2021
Alhoewel de resultaten van de eindgebruikerskosten wisselen per buurt, kunnen we een aantal algemene conclusies trekken: — Over het geheel zien we dat voor eindgebruikers de investeringskosten bij een warmtepomp relatief hoog zijn vergeleken met MT-netten en de referentie hr-ketel. De investeringskosten van de warmtepomp bestaan vooral uit de aanschaf van de installatie en de isolatie tot het minimale isolatieniveau. De doorlopende kosten, zoals de energierekening, zijn daarentegen bij een warmtepomp een stuk lager dan bij de andere technieken. Dankzij het goede isolatielabel en de warmtepomp, verbruikt een woning met een warmtepomp minder energie, wat zorgt voor een lagere energierekening. — De investeringskosten van MT-netten liggen iets hoger dan bij een gasketel (onder andere vanwege het vastrecht), maar zijn een stuk lager dan die van warmtepompen en LT-netten. De doorlopende kosten zijn bij een MT-net vergelijkbaar met een gasketel en LT-net, maar een stuk hoger dan bij een warmtepomp. — Een LT-net vraagt hoge investeringen vanwege het benodigde isolatieniveau, de installatie (boosterwarmtepomp voor warm tapwater) en de aansluiting op het warmtenet. De doorlopende kosten zijn vergelijkbaar met een MT-net. Vanwege de hoge investeringskosten komt een LT-net voor geen enkele buurt in Voorschoten gunstig uit wat betreft eindgebruikerskosten.
LT-netten kunnen mogelijk wel interessant zijn in kleinere clusters met een goed isolatieniveau. — De kosten van de aardgasvrije strategieën zijn in alle buurten hoger dan de referentie hr-ketel. Dit betekent dat voor de gemiddelde Voorschotense woning aardgasvrij worden op dit moment niet woonlastenneutraal is. Dit hoeft niet voor alle individuele woningen te gelden, het gaat immers om een gemiddelde. Ook kunnen de kosten in de toekomst veranderen, bijvoorbeeld door wijziging in de energietarieven, kostenontwikkeling door innovatie, belastingen en/of subsidies.
4.4
Laagste eindgebruikerskosten per strategie Tabel 7 geeft de resultaten van onze berekeningen van de eindgebruikerskosten weer. Tabel 7 – Eindgebruikerskosten van de verschillende strategieën per buurt
30
Buurtcode
Buurtnaam
Referentie
Strategie 1
Strategie 2
Strategie 3 (LT)
Strategie 3 (MT)
BU06260001
Noord-Hofland
€ 1.907
€ 3.086
€ 2.437
€ 3.668
Gelijk aan Strategie 2
BU06260002
Adegeest
€ 1.858
€ 2.838
€ 2.504
€ 3.411
BU06260004
Boschgeest
€ 2.070
€ 3.376
€ 2.780
€ 3.966
BU06260006
Bijdorp
€ 1.844
€ 3.093
€ 2.231
€ 3.675
BU06260007
Vlietwijk
€ 1.786
€ 2.638
€ 2.394
€ 3.215
BU06260008
Starrenburg
€ 1.904
€ 2.360
€ 2.299
€ 2.989
BU06260009
Dobbewijk
€ 2.160
€ 3.678
€ 3.043
€ 4.250
BU06260010
Krimwijk
€ 1.678
€ 2.162
€ 2.157
€ 2.752
BU06260011
Centrum
€ 1.669
€ 2.413
€ 2.248
€ 2.991
BU06260012
Nassauwijk
€ 1.896
€ 2.815
€ 2.596
€ 3.391
BU06260013
Bloemenwijk
€ 2.158
€ 3.632
€ 3.005
€ 4.206
BU06260014
Buitengebied
€ 2.208
€ 3.408
€ 2.999
€ 4.024
200425 - Technisch-economische analyse Voorschoten – April 2021
Strategie 2 (MT-net) is de aardgasvrije strategie met de laagste kosten voor de eindgebruiker in de meeste buurten. De afstand met de alternatieven is het grootst in de buurten Noord-Hofland, Boschgeest, Bijdorp, Dobbewijk en Bloemenwijk. Het kostenverschil in deze buurten van een warmtepomp ten opzichte van een MT-net is meer dan 20%. In de buurten Adegeest, Vlietwijk, Centrum en Nassauwijk is het verschil in eindgebruikerskosten tussen een luchtwarmtepomp en een MT-net kleiner. Het kostenverschil ligt hier tussen de 10 en 20%. In Starrenburg is het kostenverschil zelfs minder dan 10%. In Krimwijk zijn de eindgebruikerkosten van een warmtepomp en een MT-gelijk aan elkaar. Deze kostenverschillen worden met name veroorzaakt door verschillen in de investeringskosten: in Krimwijk en Starrenburg zijn de investeringskosten van een warmtepomp ongeveer € 23.000, gemiddeld in Voorschoten is dit ongeveer € 34.000 (zie Bijlage C).
31
200425 - Technisch-economische analyse Voorschoten – April 2021
5 Ruimtelijke impact in de woning In dit hoofdstuk geven we per strategie uit de Startanalyse de ruimtelijke impact van de warmtetechnieken in de woning weer. Hierbij maken we de volgende kanttekeningen: — De transitie naar aardgasvrij verwarmen geldt uiteraard niet alleen voor woningen maar ook voor utiliteitsgebouwen. Utiliteitsbouw is een verzamelterm voor alle gebouwen in de commerciële en publieke dienstverlening, variërend van kantoorgebouwen, zwembaden tot gezondheidszorg. Binnen de utiliteitsbouw bestaat een grote diversiteit aan panden, zowel in oppervlak, gebouwkenmerken, gebruiksfunctie, als warmtevraag. De ruimtelijke impact van de warmtetechnieken variëren hiermee behoorlijk tussen gebouwen. Het is daarom niet mogelijk om één waarde te presenteren die representatief is voor alle gebouwen. — Onder Strategie 3 vallen niet enkel LT-warmtenetten, maar ook MT-warmtenetten gevoed door LT-warmtebronnen waarvan de temperatuur met een collectieve warmtepomp naar MT-niveau is gebracht (S3-MT). De ruimtelijke impact in de woning van dit type warmtenet is gelijk aan de impact van MT-warmtenetten in Paragraaf 5.2. — Voor alle warmtetechnieken geldt dat de bewoner ook gaat koken zonder aardgas: inductie koken is de meest zuinige vorm van elektrisch koken. Hiervoor zijn enkele aanpassingen aan de woning nodig, waaronder eventueel een perilex-aansluiting in de keuken.
Vaak zijn twee vrije groepen nodig in de meterkast, en een 3x25 ampèreaansluiting op het elektriciteitsnet. — In dit hoofdstuk laten we technieken die gebruikmaken van groengas en waterstof buiten beschouwing, omdat deze gassen voorlopig (in ieder geval tot 2030) niet beschikbaar zullen zijn en dus geen rol zullen spelen bij het opstellen van de TVW (zie ook Paragraaf 2.2).
5.1
Impact in de woning van de individuele elektrische warmtepomp (S1) Voor verwarmen met een elektrische (lucht-/bodem-/PVT-)warmtepomp dient er heel wat aangepast te worden aan de woning. Bovendien is er extra ruimte nodig voor de warmteinstallatie. De gasketel wordt vervangen en daarvoor in de plaats komt de warmtepomp, bestaande uit: — binnenunit; — buitenunit (in het geval van de luchtwarmtepomp); — boiler (warmtapwater); — eventueel een buffervat (ruimteverwarming). Voor de buitenunit van een luchtwarmtepomp is buitenruimte nodig (ca. 1 m 2). Een ander aandachtspunt hierbij is dat de buitenunit geluid produceert. Sinds dit jaar geldt dat de buitenunit van warmtepompen overdag maximaal 45 dB mogen produceren, en ’s nachts 40 dB.20 Om eventueel geluidsoverlast te beperken, kan een geluiddempende kast over de buitenunit worden geplaatst. In het geval dat een bodemwarmtepomp wordt toegepast, is geen buitenunit nodig maar een bodemlus (bodemwarmtewisselaar). Dit betekent dat een tuin nodig is, en dat de woning zich niet in een boringsvrijezone bevindt (in Voorschoten is dit niet aan de orde). Na het plaatsen van de bodemlus moet de tuin opnieuw worden ________________________________ 20
Bron: https://www.consumentenbond.nl/warmtepomp/geluid-warmtepomp. De eisen gaan over de geluidssterkte op de erfgrens.
32
200425 - Technisch-economische analyse Voorschoten – April 2021
ingericht. Voor verwarmen met een PVT-warmtepomp zijn in plaats van een buitenunit PVT-panelen (en omvormer) nodig. Voor appartementen ligt een collectieve warmtepomp per complex meer voor de hand. Dat scheelt ruimtebeslag in de individuele woningen. Wel is er een leidingnetwerk in het appartementencomplex nodig om de warmte naar de woningen te brengen en moeten er warmtemeters en mogelijk warmtewisselaars in de appartementen geplaatst worden. Verwarmen met een elektrische warmtepomp vereist een goed isolatieniveau van de woning, namelijk minimaal label B. Ook moeten de radiatoren worden aangepast of vervangen om te functioneren op lage temperaturen (bijv. wand- of vloerverwarming of LT-radiatoren). Mogelijk is een zwaardere elektriciteitsaansluiting nodig (minimaal 3x25A). Een luchtwarmtepomp kan behalve warmte, ook koude leveren. LT-verwarming in combinatie met goede isolatie (incl. kierdichting) zorgt voor een hoger wooncomfort. De woning wordt gelijkmatiger warm (comfortabel binnenklimaat) en de lucht is gezonder. Er is namelijk minder stofschroei doordat er minder luchtstromen (convectie) zijn, waardoor er minder stof rondzweeft. Figuur 6 en Tabel 8 geven respectievelijk de impact en het ruimtebeslag in de woning van de luchtwarmtepomp weer. Figuur 6 - Impact in de woning van de luchtwarmtepomp
Bron: (CE Delft, sd).
33
200425 - Technisch-economische analyse Voorschoten – April 2021
Tabel 8 - Ruimtebeslag van de luchtwarmtepomp in en om de woning Afmeting (m)21 Binnenunit (zonder inwendige boiler)
1,0 x 0,6 x 0,4
Buitenunit
0,8 x 0,8 x 0,4
Boiler (warmtapwater)
1,0 x 1,0 x 2,0
Buffervat (eventueel voor ruimteverwarming)
1,0 x 1,0 x 2,0
Bron: (CE Delft, sd).
5.2
Impact in de woning van warmtenetten op midden- en hogetemperatuur (S2) Voor verwarmen met een HT- of MT-warmtenet zijn geen grote installaties of ingrijpende aanpassingen aan de woning nodig. De gasketel wordt vervangen door een afleverset. De afleverset wordt in de meterkast geplaatst als de ruimte dat toelaat. Voor een goede inpassing van de afleverset in de woning, zijn meestal inpandige wijzigingen van de bestaande leidingen nodig. Het verwarmingssysteem (radiatoren) hoeft niet aangepast te worden. Figuur 7 en Tabel 9 geven respectievelijk de impact en het ruimtebeslag in de woning van een HT-warmtenet weer. Buiten de woning moet er een aansluitleiding aangelegd worden tussen de warmteleiding in de straat en de woning.
________________________________ 21
34
Gemiddelde afmeting hr-ketel: 0,7 m x 0,4 m x 0,3 m.
200425 - Technisch-economische analyse Voorschoten – April 2021
Figuur 7 - Impact in de woning van een HT-warmtenet
Bron: (CE Delft, sd).
Tabel 9 - Ruimtebeslag van een HT-warmtenet in de woning Afmetingen (m) Afleverset
0,6 x 0,2 x 0,4
Extra meterkast (bij hoogbouw)
0,8 x 0,4
Bron: (CE Delft, sd).
5.3
Impact in de woning van warmtenetten op (zeer)lagetemperatuur (S3-LT) Verwarmen met een (Z)LT-warmtenet vereist veel aanpassingen en ruimte in de woning. De gasketel wordt vervangen door een afleverset. De afleverset wordt in de meterkast geplaatst als de ruimte dat toelaat. Voor een koppeling van de afleverset met de radiatoren of vloerverwarming in de woning, zijn meestal inpandige wijzigingen van de bestaande leidingen nodig. Voor de warmtapwatervoorziening zijn een elektrische booster-warmtepomp en boiler nodig. Bij warmtepompen met een vermogen van meer dan 6 kW is een verzwaarde elektriciteitsaansluiting nodig.
35
200425 - Technisch-economische analyse Voorschoten – April 2021
Verwarmen op met een (Z)LT-warmtenet vereist een goed isolatieniveau van de woning, namelijk minimaal label B. Ook moeten de radiatoren worden aangepast of vervangen om te functioneren op lage temperaturen (bijv. wand- of vloerverwarming of LT-radiatoren. Een ZLT-warmtenet (of bronnet) kan behalve warmte, ook koude leveren. LT-verwarming in combinatie met goede isolatie (incl. kierdichting) zorgt voor een hoger wooncomfort. De woning wordt gelijkmatiger warm (comfortabel binnenklimaat) en de lucht is gezonder. Er is namelijk minder stofschroei doordat er minder luchtstromen (convectie) zijn, waardoor er minder stof rondzweeft. Figuur 8 en Tabel 10 geven respectievelijk de impact en het ruimtebeslag in de woning van een LT-warmtenet weer. Buiten de woning moet er een aansluitleiding aangelegd worden tussen de warmteleiding in de straat en de woning. Figuur 8 - Impact in de woning van een LT-warmtenet
Bron: (CE Delft, sd).
36
200425 - Technisch-economische analyse Voorschoten – April 2021
Tabel 10 - Ruimtebeslag van een LT-warmtenet in de woning 22 Afmetingen (m) Afleverset
0,6 x 0,2 x 0,4
Extra meterkast (bij hoogbouw)
0,8 x 0,4
Boosterwarmtepomp of boiler
0,6 x 0,4 x 0,4
Boilervat (eventueel)
1,0 x 1,0 x 2,0
Bron: (CE Delft, sd).
________________________________ 22
Bron afmetingen boosterwarmtepomp: https://ithodaalderop.compano.com/Data/Environments/000001/ Attachment/Bijlage/A02_Warmtepompen/A02_01_Grond/A02_01_03_Booster/A02_01_03_01_Booster/B01_04_P RT/Marktintroductie_BWP_def.pdf
37
200425 - Technisch-economische analyse Voorschoten – April 2021
6 Impact op de openbare en ondergrondse ruimte 6.1
Impact van het verzwaren van het elektriciteitsnet In de buurten die overstappen op verwarmen met elektrische warmtepompen, groeit de elektriciteitsvraag. De elektrische warmtepomp wordt niet alleen gebruikt als individuele warmtetechniek, maar ook in combinatie met een (Z)LT-warmtenet. Ook zonnepanelen en elektrische laadpalen vragen extra capaciteit op het elektriciteitsnet. Zonnepanelen en elektrische laadpalen vallen buiten de warmtetransitie, maar de opgaven zijn met elkaar verweven. De hogere capaciteitsvraag vraagt aanpassingen aan de infrastructuur.
Laagspanningsnet Elektrisch verwarmen zorgt voor een groei in de capaciteitsvraag van het elektriciteitsnet op laagspanning (LS)-niveau. In de meeste buurten moet het laagspanningsnet daardoor verzwaard worden. Daarvoor moet de straat opengebroken worden. Er kan gekozen worden om de bestaande kabels te vervangen door zwaardere, of om extra kabels te leggen. De zwaardere kabels hebben dezelfde reserveringsruimte in de ondergrond, extra kabels vragen om extra ruimte.
Middenspanningsruimtes De hogere capaciteitsvraag op laagspanningsniveau zorgt ook voor een hogere capaciteitsvraag op middenspanning (MS)-niveau. Middenspanningsruimtes zetten elektriciteit van een hoog voltage om naar een lager voltage voor gebruik in gebouwen (en andersom, van laag naar hoog, bij opwekken van elektriciteit). Verzwaring van het elektriciteitsnet betekent meestal dat er middenspanningsruimtes moeten worden bijgeplaatst of uitgebreid. De middenspanningsruimtes nemen bovengrondse ruimte in beslag in de openbare ruimte, ter grootte van een schuur. Echter moet ook rekening gehouden worden met een veiligheidsmarge richting bebouwing. Hiermee nemen deze stations circa 5x5 meter openbare ruimte in beslag. In de toekomst zullen er meer middenspanningsruimtes nodig zijn, afhankelijk van de ontwikkelingen van onder andere de warmtetechniek en elektrische mobiliteit. Liander houdt de volgende grove regels aan: — 1 kW: huidige benodigde capaciteit voor een woning; — 3 kW: benodigde capaciteit die nodig is voor elektrisch verwarmen (gemiddeld genomen, er bestaan uiteraard grote verschillen afhankelijk van de warmtevraag); — 5 kW: benodigde capaciteit voor elektrisch verwarmen en elektrisch laden. Dit komt er grofweg op neer dat er bij de overstap naar elektrisch verwarmen, voor elke bestaande middenspanningsruimte, twee additionele ruimtes nodig zijn.
Verder speelt mee dat een middenspanningsruimte op maximaal 200 meter van een woning kan leveren. De extra benodigde ruimtes moeten dus binnen een straal van 200 meter van de woningen worden geplaatst die extra capaciteit nodig hebben. Naast de plaatsing van extra ruimtes
38
200425 - Technisch-economische analyse Voorschoten – April 2021
moeten ook kabels vanuit deze ruimtes verzwaard worden. Er is dus impact in de openbare ruimte in de vorm van extra ruimtes als in de ondergrond in de vorm van verzwaring van kabels.
Onderstations in gemeente en regio Mogelijk heeft de groeiende elektriciteitsvraag ook op hoger schaalniveau gevolgen, waardoor er ook een groter onderstation nodig is of bijgeplaatst moet worden. Een onderstation zet hoogspanning om naar middenspanning. Onderstations hebben een grote omvang (van twee tot zes voetbalvelden). Figuur 9 geeft verschillende typen elektriciteitsstations weer, en Tabel 11 het ruimtebeslag van deze verschillende stations. Figuur 9 - Typen elektriciteitsstations: onderstations (l) en middenspanningsruimtes (r)
Bron: Netbeheer Nederland (2019).
39
200425 - Technisch-economische analyse Voorschoten – April 2021
Tabel 11 - Ruimtebeslag en van de verschillende elektriciteitsstations. Bron: Netbeheer Nederland (2019) Type elektriciteitsstation
Ruimtebeslag (m2)
HS/MS station
15.000-40.000
TS/MS station
2.000-10.000
MS station
200-4.000
MS/LS station
10-35
Meer informatie? Netbeheer Nederland heeft veel informatie over de energie-infrastructuur, de kosten en de ruimtelijke impact gebundeld in een handig document. Dit document kunt u hier terugvinden.
De gemeente Voorschoten wordt gevoed vanuit het onderstation in Leiden Zuid-West. Dit station loopt aan zijn maximale capaciteit. Liander is momenteel al bezig met het zoeken naar een nieuwe locatie voor een extra onderstation om te kunnen voorzien in de groei van de elektriciteitsvraag.
Capaciteit van het elektriciteitsnet in Voorschoten Liander geeft aan dat het elektriciteitsnet in Voorschoten weinig restcapaciteit heeft. Ook in de nieuwbouwwijken is maar zeer beperkte beschikbare restcapaciteit. Wel lopen er momenteel, verspreid over heel Voorschoten, projecten om middenspanningsruimtes bij te plaatsen. Netverzwaring is dus vrijwel altijd nodig in buurten die voor verwarming gebruik gaan maken van een elektrische warmtepomp (individuele elektrische warmtepomp of LTwarmtenet). Voordat deze aanpassingen starten, is het goed om ook te kijken naar de verwachte toename van elektrisch laden en zonnepanelen in de buurt. Netverzwaring vraagt om ruimte in de boven- en ondergrond. In modernere wijken is het elektriciteitsnet gemakkelijker aan te passen dan in oudere wijken. Hiermee hebben de buurten Krimwijk en Starrenburg een voordeel ten opzichte van de oudere wijken.
6.2
Impact van de aanleg van warmtenetten Voor het aanleggen van warmtenetten is ruimte nodig in de ondergrond. Dit kan met name een uitdaging zijn in dichtbebouwde historische centra. Voor het aanleggen van de leidingen moet de straat opengebroken worden.
Onderdelen van een warmtenet Figuur 10 laat zien hoe een HT-warmtenet er schematisch uitziet.
40
200425 - Technisch-economische analyse Voorschoten – April 2021
Figuur 10 - Opzet van een HT-warmtenet
Figuur 10 toont de volgende onderdelen: — Warmtebron De warmtebron geeft warmte af aan het water in de transportleiding. — Transportleiding De transportleiding transporteert warm water naar het wijk-onderstation. — Wijk-onderstation (WOS) Het wijk-onderstation geeft warmte af aan de hoofleiding. — Hulpwarmteketel (HWK) De hulpwarmteketel (HWK) zorgt ervoor dat er extra warmte wordt geproduceerd bij een piekvraag. Dit gebeurt meestal met gasketels. De HWK geeft ook warmte af aan de hoofdleiding. — Zijleiding De hoofdleiding wordt vertakt in zijleidingen die uitkomen op een OS (onderstation). — Onderstation (OS) Het onderstation verdeelt per woningblok of straat de warmtenet naar het distributienet. Bij grote appartementencomplexen kan dit onderstation ook onderin het complex zitten. In dat geval is er geen sprake van een distributienet. — Distributienet Vanuit het distributienet wordt de warmte geleverd tot aan de aansluiting in de woning. — Aansluiting Per woning of gebouw wordt met behulp van een afleverset de warmte uit het distributienet gehaald. Het afgekoelde water gaat via de retourleiding weer terug naar het onderstation waar het water opnieuw wordt verwarmd. De bronnen die een MT-warmtenet van warmte voorzien, zijn meestal aangesloten ter hoogte van het WOS. Een MT-warmtenet is dan ook kleinschaliger dan een HT-warmtenet.
Een MT-warmtenet kan worden gevoed met LT-warmtebronnen in combinatie met een collectieve warmtepomp. De warmtepomp zorgt er dan voor dat de temperatuur van het water dat bij de gebouwen aankomt hoger is dan bij een LT-warmtenet.
41
200425 - Technisch-economische analyse Voorschoten – April 2021
De warmtebronnen die een LT-warmtenet voeden zijn aangesloten ter hoogte van het WOS of zelfs het OS. Gebouwen die zijn aangesloten op een LT-warmtenet moeten goed geïsoleerd zijn of moeten met behulp van een warmtepomp de temperatuur van het water voor de ruimteverwarming zelf verder verhogen.
Impact van een warmtenet op de ondergrondse ruimte Leidingen Wanneer een warmtenet wordt aangelegd heeft dit een impact op de ondergrond. Er moeten nieuwe leidingen worden getrokken door de straten. In een straat wordt een aan- en een afvoerleiding geplaatst. Om te voorkomen dat warmte vanuit deze leidingen het water en elektranet nadelig beïnvloedt, is extra ruimte rondom de leidingen nodig. De gemiddelde totale breedte (de ruimte die nodig is voor de aanvoer- en retourbuis samen, inclusief de tussenruimte) zijn als volgt: — transportleiding ca. 2,5–3,5 m; — hoofdleiding ca. 1,7–2,2 m; — zijleiding ca. 1,3–1,7 m; — distributieleiding ca. 1,0–1,3 m. Figuur 11 geeft de ruimtelijke impact van een warmtenet in een straat weer. Figuur 11 - Schematische weergave van de ruimtelijke impact van een warmtenet
GLWC: gas, licht, water, communicatie.
42
200425 - Technisch-economische analyse Voorschoten – April 2021
De benodigde diameter van de leidingen van een warmtenet hangt samen met het benodigde vermogen en de temperatuur van het water. Hoe meer vermogen, hoe groter de diameter van de leidingen. Daarnaast geldt dat de leidingen van een LT-net een grotere diameter hebben omdat het vermogen van het water in de buiten lager is dan bij een HTnet. Daarentegen is er minder isolatie rondom de buizen nodig, omdat de warmteverliezen kleiner zijn door het geringere temperatuurverschil met de grond eromheen. De totale dikte van de buizen van een HT- en LT-warmtenet verschillen daarom niet zo veel. Een leiding van een warmtenet bestaat uit: — stalen mediumvoerende leiding; — isolatiemateriaal (PUR); — PE-mantelbuis.
Expansielussen Bij een distributienet zijn om de 150 m à 200 m expansielussen nodig om uitzetting van de leidingen op te vangen (zie Figuur 12). Deze ‘loops’ zijn circa 5 m breed (in hoofdnet oplopend tot 8 m). Deze kunnen bijvoorbeeld worden geplaatst op kruispunten van wegen, maar moeten soms ook in de straat worden ingepast. Bij lagere temperatuurnetten zijn er minder van deze expansielussen nodig. Figuur 12 - Expansielussen
Ruimtelijke impact van de warmtebron Naast het distributienet heeft de warmtebron ook een ruimtelijke impact op de omgeving. Hoeveel ruimte nodig is, verschilt per type warmtebron. Over het algemeen is de ruimtelijke impact van een warmtebron beperkt. Voor het gebruik van de meeste vormen van restwarmte is in de buurt van de warmtebron een plek nodig voor een warmtewisselaar.
43
200425 - Technisch-economische analyse Voorschoten – April 2021
Geothermie vormt hierop een uitzondering. Voor het boren naar aardwarmte is een werkterrein nodig van circa 0,5 tot 1 hectare (ongeveer één voetbalveld) en een tijdelijke toren van circa 50 meter hoog. Een aardwarmteboring neemt enkele maanden in beslag. Na het verwijderen van de boorinstallatie moet er bij de productie- en injectieput een klein gebouw (van circa 100 m2) worden geplaatst waarin de warmtewisselaars voor het warmtenet staan.
Overige aandachtspunten bij het aanleggen van een warmtenet — Een leiding van het warmtenet is niet te combineren met een waterleiding in de nabijheid. Het warmtenet zou dan namelijk het drinkwater kunnen opwarmen tot boven de 25°C, waardoor Legionella kan groeien. De warmteleidingen moeten goed geïsoleerd zijn en voldoende afstand hebben van de waterleidingen om dit te voorkomen. Daarom is het van belang om Dunea tijdig te betrekken bij verdere planvorming in de energietransitie. — Een leiding van het warmtenet is doorgaans ook niet te combineren met elektrakabels. Als de tracés parallel aan elkaar liggen zullen elektrakabels opwarmen. Door de opwarming van de elektrakabels neemt de elektrische capaciteit af. — Warmteverliezen in de leidingen zijn afhankelijk van: • lengte van het transport: hoe groter de afstand, hoe groter de verliezen; • temperatuur warmtenet: hoe hoger de temperatuur, hoe groter de verliezen; • isolatie leidingen: hoe meer isolatie, hoe lager de verliezen. — Bomen kunnen het aanleggen van warmtenet bemoeilijken. Uit de evaluatie van de Proeftuinen aardgasvrije wijken van het Economisch Instituut voor de Bouw blijkt dat de aanpak met warmtenetten veel complexiteit kent. Drukte in de ondergrond is een risico bij het aanleggen van warmtenetten, maar vaak is er onzekerheid over wat onder de grond is aan te treffen.
Als er al veel kabels in de grond liggen, is er weinig ruimte voor de aanleg van een warmtenet. Om deze kabels heen werken kost veel tijd en leidt daarmee tot hogere kosten (EIB, 2021).
Beschikbare ruimte voor warmtenetten in Voorschoten Smal opgezette, relatief oude wijken zijn minder geschikt voor het aanleggen van warmtenetten. In de buurten Bloemenwijk en Centrum zien we relatief veel vooroorlogse woningen. Beide buurten zijn niet ruim opgezet, waardoor het aanleggen van warmtenetten problemen op kan leveren.
44
200425 - Technisch-economische analyse Voorschoten – April 2021
7 Benodigde realisatietijd Om een aardgasvrije warmtevoorziening in een buurt te realiseren, zijn twee aspecten belangrijk, namelijk de infrastructuur en het aanpassen en isoleren van gebouwen. In dit hoofdstuk gaan we allereerst in op de tijd die nodig is om de benodigde infrastructuur te realiseren (verzwaren van het elektriciteitsnet en aanleggen van een warmtenet), waarna we ingaan op de realisatietijd van het aanpassen en isoleren van gebouwen.
7.1
Benodigde tijd voor het verzwaren van het elektriciteitsnet Volgens Liander variëren de doorlooptijden van netverzwaring sterk. Als het nodig is dat er een middenspanningsruimte wordt geplaatst, houdt Liander rekening met minimaal 1 jaar. Als meerdere gemeenten aan de slag gaan met de warmtetransitie, kan deze doorlooptijd oplopen, omdat Liander dan tegen capaciteitsproblemen bij de aannemers kan gaan aanlopen. Ook de aansluitingen van inwoners moeten worden verzwaard. Netbeheer Nederland heeft ook een inschatting gemaakt van de benodigde tijd voor het realiseren van de verschillende elektriciteitsstations, zie Tabel 12. Tabel 12 - Doorlooptijd voor het realiseren van de verschillende elektriciteitsstations23 Type elektriciteitsstation
Doorlooptijd
HS/MS station
5-7 jaar
TS/MS station
2,5–5 jaar
MS station
2,5–3 jaar
MS/LS station
0,5–1 jaar
Bron: Netbeheer Nederland (2019).
Gemeenten leggen in het wijkuitvoeringsplan vast wanneer de toelevering van aardgas voor een bepaalde wijk wordt beëindigd. Liander kan pas beginnen met netverzwaring als deze plannen zijn gemaakt, of als er een officiële aanvraag binnenkomt waardoor het elektriciteitsnet overbelast zal raken. Bij het verzwaren van het elektriciteitsnet houdt Liander rekening met het toekomstbestendig maken van het net.
7.2
Benodigde tijd voor het aanleggen van een warmtenet Uiterlijk eind 2021 hebben alle gemeenten de transitievisie warmte vastgesteld. Vervolgens moeten zij wijkuitvoeringsplannen opstellen voor de startwijken. Als het wijkuitvoeringsplan is vastgesteld, geldt er een termijn van maximaal acht jaar voordat het gas wordt afgesloten.24 Dit is een maximumtermijn, dit kan ook eerder gebeuren als de bewoners en vastgoedeigenaren daarmee akkoord gaan. We schatten in dat de realisatie van een warmtenet tenminste vijf jaar duurt. Voor het realiseren van het warmtenet moeten leidingen in alle straten worden ingegraven en aangesloten op de woningen. De doorlooptijd hiervan loopt erg uiteen. De exacte duur is afhankelijk van vele factoren. ________________________________ 23
Voor nieuwe MS-stations heeft de netbeheerder een vergunning nodig van de gemeente. Het realiseren van een
24
nieuw onderstation is een groot project dat een bestemmingsplanprocedure dient te doorlopen. Programma Aardgasvrije Wijken (PAW) : vraag en antwoord 13. Wat betekent de termijn van 8 jaar na het uitvoeringsplan op wijkniveau?
45
200425 - Technisch-economische analyse Voorschoten – April 2021
Gemiddeld genomen nemen projecten om nieuwe warmtenetten naar woningen aan te leggen tussen de zes en acht jaar in beslag. In Ede bijvoorbeeld is een warmtenet aangelegd voor de woningen (ca. 14.000 woningequivalenten) van woningcorporatie Woonstede (zowel bestaande als nieuwbouwwoningen). De doorlooptijd tot realisatie van dit net van circa 20 km lengte bedroeg vijf jaar. Voor buurten met veel particulier bezit zal de doorlooptijd naar verwachting langer zijn, omdat er meer tijd nodig is om tot een overeenkomst tussen bewoners, warmteleverancier en gemeente te komen. De gemiddelde duur van de aanleg voor zijleidingen en distributieleidingen in een woonwijk is ongeveer 3-6 weken per straat. Dit komt doordat er tijdens de aanleg ook rekening gehouden moet worden met bestaande leidingen en de woningen altijd bereikbaar gehouden moeten worden. Een groot deel van de realisatietijd zit in de voorbereiding. Voordat er daadwerkelijk wordt gestart met de aanleg van het warmtenet, gaat er eerst een besluitvormings- en planningsfase aan vooraf. Hierin zitten onder andere vergunningsaanvragen, maar ook andere voorbereidingen zoals de planning en een participatietraject. Woningcorporaties hebben 70% instemming nodig van de huurders, voordat ze een wijziging kunnen doorvoeren.
Bij particulier bezit speelt participatie ook een rol: de aanleg van een warmtenet heeft enkel zin als het merendeel van de bewoners aan wil sluiten op een beoogd warmtenet. Liander geeft aan dat het belangrijk is om een goede structuur te hebben in de plannen, zodat inwoners nooit zonder warmte komen te zitten. Eerst moeten de woningen aangesloten op het warmtenet en de radiatoren worden gevoed met de warmte uit het warmtenet. Ook moet worden overgeschakeld op elektrisch koken. Tot slot kunnen de gasnetten worden verwijderd.
7.3
Benodigde tijd voor het aanpassen en isoleren van gebouwen De doorlooptijd van het isoleren van gebouwen en aanpassen van de warmtetechniek wordt beïnvloed door de natuurlijke momenten van renovatie en de doorlooptijd van de handelingen zelf. De handelingen zelf zijn van korte duur (enkele maanden). De momenten van renovatie zijn dus bepalend voor de doorlooptijd. Het tempo van isoleren en aanpassen van gebouwen is in grote mate afhankelijk van de eigendomssituatie. Eengezinswoningen hebben allen een ander moment van renovatie. De persoonlijke situatie van de woningeigenaren zal in grote mate het moment van renovatie bepalen: verhuizingen, verbouwing, gezinssituatie, et cetera. Een hr-ketel is na 15 jaar aan vervanging toe. Dit is een moment waarop de woningeigenaar een alternatieve warmtetechniek kan overwegen. Hierbij is het belangrijk dat de gemeente handelingsperspectief geeft aan haar inwoners. Gaat de buurt uiteindelijk over op een elektrische warmtepomp? Als de woning al voldoende is geïsoleerd (maximale warmtevraag van 50 kWh/m2), dan kan de woningeigenaar de gasketel vervangen door een volledig elektrische warmtepomp. Een tussenoplossing, wanneer de woning nog niet voldoende is geïsoleerd, is overstappen op een hybride warmtepomp. In de tijd dat de hybride warmtepomp meegaat (15 jaar) kan de woningeigenaar de woning stapsgewijs isoleren.
Wanneer woningen in eigendom zijn van een gebouweigenaar (bijvoorbeeld een woningcorporatie) kunnen vele woningen in een keer worden aangepakt, wat de doorlooptijd aanzienlijk versnelt. Het tempo is dan afhankelijk van de investeringsplannen van de gebouweigenaar. Daarnaast geldt voor woningcorporaties dat zij 70% instemming van hun
46
200425 - Technisch-economische analyse Voorschoten – April 2021
huurders nodig hebben om grootschalige werkzaamheden uit te kunnen voeren. Om dit percentage instemming te behalen, is een participatietraject nodig, wat ook tijd kost. Figuur 13 geeft de complexen met blokverwarming weer in de gemeente Voorschoten. Complexen waar nu al een blokverwarmingsinstallatie aanwezig is, kunnen relatief gemakkelijk en snel overschakelen naar aardgasvrij verwarmen. Hier hoeft namelijk maar één installatie worden vervangen, waarmee een groot aantal woningen in één keer over kan stappen op een andere warmtetechniek. Dit kan met een aansluiting op een warmtenet of een collectieve warmtepomp. Voor verwarmen met een warmtepomp is wel een minimaal isolatieniveau nodig en een LT-warmteafgiftesysteem. Figuur 13 - Locaties met blokverwarmingsinstallaties in Voorschoten
7.4
Samenvatting Aangezien bij oplossingen die vragen om individuele aanpassing alle woningeigenaren zelfstandig keuzen moeten maken, kan hierdoor de doorlooptijd flink oplopen. Bij het ontwikkelen van een HT- of MT-warmtenet, daarentegen, heeft de gemeente meer regie over het moment waarop gebouweigenaren de keuze maken om aardgasvrij te worden. Bovendien vereist een HT- of MT-warmtenet geen verregaande isolatiemaatregelen. Als het niet mogelijk is een gehele buurt in één keer aan te sluiten op een warmtenet met duurzame warmtebron, is een gefaseerde aanpak ook mogelijk. In dat geval kunnen clusters gebouwen op een tijdelijke (aardgasgestookte) warmtecentrale aangesloten worden totdat de duurzame bron(nen) beschikbaar zijn.
47
200425 - Technisch-economische analyse Voorschoten – April 2021
Complexen waar nu al blokverwarming is, zijn gemakkelijker op het warmtenet aan te sluiten, omdat de inpandige werkzaamheden beperkt zijn. Bij particulieren is per woning toestemming nodig en bovendien is het meer werk om alle woningaansluitingen apart te realiseren.
48
200425 - Technisch-economische analyse Voorschoten – April 2021
8 Afwegingskader We streven ernaar om per buurt een voorkeurstechniek te presenteren. Dit doen we op basis van de volgende criteria: — nationale kosten; — eindgebruikerskosten; — impact in de woning; — impact op de openbare en ondergrondse ruimte; — realisatietijd. De uitkomsten van de verschillende analyses uit de hoofdstukken 3 tot en met 7 komen samen in een afwegingskader. De criteria zijn voornamelijk vanuit het perspectief vanuit de gemeente en haar inwoners. Nationale kosten, impact openbare ruimte en realisatietijd zijn vooral vanuit de gemeente geredeneerd. De eindgebruikerskosten en de impact in de woning zijn vooral vanuit de bewoner geredeneerd. Hierbij willen we graag aangeven dat het om een technisch-economisch afwegingskader gaat. Sociale of organisatorische kenmerken kunnen net zo goed doorslaggevend zijn. Deze kenmerken worden opgehaald in het participatietraject. Het afwegingskader scoort de drie gasloze strategieën (Strategie 1, 2 en 3) per buurt op elk van de criteria. Dit is een score tussen de 1 en 5, waarbij 5 de beste score is en 1 de minste. Elk criterium start op de maximale score van 5, en die verlagen we naarmate een warmtetechniek meer negatieve gevolgen heeft.
8.1
Nationale kosten De strategie met de laagste nationale kosten scoort het hoogste, een 5. De score van de andere twee strategieën hangt af van het relatieve kostenverschil met de strategie met de laagste kosten.25 Buurten met een verschil kleiner dan 10% scoren ook een 5, dit valt namelijk binnen de onzekerheid van de kostenberekeningen. Tabel 13 – Scores criterium nationale kosten op basis van relatief kostenverschil met strategie met de laagste nationale kosten Nationale kosten
Score
Laagste kosten
5
0-10% verschil
5
10-20% verschil
4
20-30% verschil
3
30-50% verschil
2
Meer dan 50% verschil
1
________________________________ 25
Het absolute kostenverschil is het verschil in nationale kosten met de strategie met de laagste kosten. Het relatieve kostenverschil is het absolute kostenverschil gedeeld door de kosten van de strategie met de laagste kosten.
49
200425 - Technisch-economische analyse Voorschoten – April 2021
8.2
Impact in de ondergrond en openbare ruimte Zowel elektrische warmtepompen (Strategie 1) als warmtenetten (Strategie 2 en 3) hebben impact op de openbare en ondergrondse ruimte. Het is lastig om dit te kwantificeren. We scoren beide type infrastructuren op een 3, maar maken uitzonderingen voor enkele buurten. De benodigde netverzwaring is in de nieuwere buurten Krimwijk en Starrenburg II makkelijker in te passen (Starrenburg bestaat uit verschillende bouwjaren, bovenstaande geldt alleen voor Starrenburg II). Deze buurten krijgen daarom een 4 voor Strategie 1. De buurten Bloemenwijk en Centrum zijn relatief oud en hebben smalle straten. Deze buurten scoren daarom een 2 voor Strategie 2 en 3.
8.3
Ruimtelijke impact in de woning De conclusies van het hoofdstuk over de impact in de woning hebben we in vereenvoudigde vorm verwerkt in het afwegingskader. De score is voor de helft bepaald door de ruimtelijke impact van de warmtetechniek zelf en voor de andere helft door de impact van isolatie. Op het onderdeel warmtetechniek kunnen de strategieën 2 punten scoren, op het onderdeel woningisolatie 3 punten.
Warmtetechniek Van de drie strategieën vragen elektrische warmtepompen (Strategie 1) de meeste ruimte. Het totale ruimtebeslag is 4-5 m3, deze techniek krijgt daarom de minimale score van 0. Voor MT- of HT-warmtenetten (Strategie 2) is de impact het kleinst, namelijk minder dan 1 m3. Deze strategie krijgt daarom de maximale score van 2. Voor warmtenetten op een LTwarmtebron hangt het af van de aflevertemperatuur. Als de warmte op MT-niveau geleverd wordt, is het ruimtebeslag gelijk aan dat van Strategie 2. Voor LT-warmte is het ruimtebeslag 1-2 m3. ZLT-warmte heeft een ruimtebeslag dat vergelijkbaar is met Strategie 1. In het afwegingskader gaan we uit van een warmtelevering op lage temperatuur. Op basis van het ruimtebeslag van 1-2 m3, scoort de techniek 1 punt. Tabel 14 – Scores criterium impact in de woning, onderdeel ruimtelijke impact warmtetechniek Warmtetechniek
Score ruimtelijke impact in de woning
Strategie 1: Elektrische warmtepompen
0
Strategie 2: MT/HT-warmtenetten
2
Strategie 3: LT-warmtenetten met LT-bron
1
Strategie 3: MT-warmtenetten met LT-bron
2
Woningisolatie Daarnaast vragen de strategieën om isolatie van de woning. Hierbij gaan we uit van de noodzakelijke minimale isolatie. Voor S1 en S3-LT is dit LT-niveau, voor S2 en S2-MT is dit MT-niveau. Het is natuurlijk mogelijk en wellicht ook wenselijk, om verder te isoleren. Die afweging ligt bij de pandeigenaar en nemen we daarom niet mee. Bij het scoren van de buurten kijken we naar het gemiddelde energielabel van de woningen en naar het percentage vooroorlogse woningen in de buurt. In buurten waar het gemiddelde label voldoet aan het vereiste energielabel, is de impact minimaal en deze buurten scoren de
50
200425 - Technisch-economische analyse Voorschoten – April 2021
maximale score van 3 punten. Buurten waarin de gemiddelde woning nog één of twee labelstappen moet maken, krijgen 2 punten. Buurten met een slechtere gemiddelde energielabels krijgen 1 punt. Vooroorlogse woningen zijn lastiger te isoleren, dus als het percentage vooroorlogse woningen in een buurt groter is dan 20%, dan verlagen we de score met 1. Buurten met gemiddeld label E-G en meer dan 20% vooroorlogse woningen krijgen dan dus de minimale score van 0. Isolatie heeft in deze woningen een grote ruimtelijke impact, maar daar staat tegenover dat deze woningen het meeste te winnen hebben bij isolatie, in reductie van de energierekening, reductie van de CO2-uitstoot en comfortverbetering. Tabel 15 – Scores criterium impact in de woning, onderdeel minimale isolatie Gemiddeld energielabel woningen in de buurt26
8.4
Score isolatie LT
Score isolatie MT
Vermindering score bij >20% vooroorlogse woningen
A+ - B
3
3
1
C
2
3
1
D
2
2
1
E
1
2
1
F-G
1
1
1
Realisatietijd De realisatietijd hangt grotendeels af van het participatietraject en mindere mate van de fysieke aanpassingen. Bij aansluiten op een MT-/HT-warmtenetten (Strategie 2) kan de gemeente meer sturen op de voortgang dan bij Strategieën 1 en 3, waarbij de pandeneigenaren zullen moeten isoleren. Daarom scoort Strategie 2 een 4 voor alle buurten, behalve Noord-Hofland. Deze buurt scoort een 5 vanwege het grote aantal blokverwarmingsinstallaties. Strategie 1 scoort een 3, voor alle buurten. Voor Strategie 3 moet er zowel geïsoleerd worden, als een warmtenet aangelegd worden. Daarom scoort deze strategie een 2 voor alle buurten, behalve Noord-Hofland. Deze buurt scoort een 3 vanwege het grote aantal blokverwarmingsinstallaties.
8.5
Eindgebruikerskosten We scoren de eindgebruikerskosten op dezelfde manier als de nationale kosten. De strategie met de laagste nationale kosten scoort het hoogste, een 5. De score van de andere twee strategieën hangt af van het relatieve kostenverschil met de strategie met de laagste kosten.27 Buurten met een verschil kleiner dan 10% scoren ook een 5, dit valt namelijk binnen de onzekerheid van de kostenberekeningen.
________________________________ 26
In deze tabel gaan we uit van energielabels. Echter zal er in de toekomst meer naar de Energie-Index (EI)
27
worden gekeken volgens de nieuwe NTA 8800-methode. Het absolute kostenverschil is het verschil in nationale kosten met de strategie met de laagste nationale kosten. Het relatieve kostenverschil is het absolute kostenverschil gedeeld door de kosten van de strategie met de laagste nationale kosten.
51
200425 - Technisch-economische analyse Voorschoten – April 2021
Tabel 16 – Scores criterium eindgebruikerskosten op basis van relatief kostenverschil met strategie met de laagste eindgebruikerskosten Eindgebruikerskosten
52
Score
Laagste kosten
5
0-10% verschil
5
10-20% verschil
4
20-30% verschil
3
30-50% verschil
2
Meer dan 50% verschil
1
200425 - Technisch-economische analyse Voorschoten – April 2021
9 Techniekkeuze per buurt Op basis van de score op de verschillende criteria uit het afwegingskader, de beschikbare warmtebronnen (zie Paragraaf 2.3) en de bebouwingskenmerken in een buurt, geven we een eerste advies over de voorkeurstechniek(en) per buurt. Voor elk van de twaalf buurten in Voorschoten hebben we een afwegingskader gevuld, zie de volgende tabellen. De informatie over gebouwkenmerken is gebaseerd op de Startanalyse en de DEGO-viewer28 (Datavoorziening Energietransitie Gebouwde Omgeving) van de VNG. In deze paragraaf geven we een voorlopig advies op basis van technisch-economische criteria. Andere overwegingen kunnen ook een rol spelen bij het tot stand komen van een voorkeurswarmtetechniek. De uiteindelijke techniekkeuze per buurt ligt dan ook nog niet vast. Bovendien moet uit het participatietraject blijken of de voorlopige voorkeurstechnieken ook kunnen rekenen op draagvlak onder de inwoners van Voorschoten. Dit kan ertoe leiden dat voorkeurstechnieken die in dit hoofdstuk naar voren komen uiteindelijk niet verder worden onderzocht. We benadrukken overigens dat niet alle gebouwen in een buurt geschikt zullen zijn voor dezelfde warmtetechniek. Het kan namelijk voorkomen dat een gebouw sterk afwijkt van de bebouwing in de rest van de buurt, waardoor een andere warmtetechniek misschien meer voor hand ligt.
Noord-Hofland In Noord-Hofland zien we dat Strategie 2 (MT-net) goed scoort op zowel de nationale kosten, eindgebruikerskosten, impact in de woning en de realisatietijd. Een MT-warmtenet met LT-warmtebron (S3-MT) scoort ook goed op deze punten, enkel zijn de nationale kosten wat hoger dan bij S2. De LT-technieken (elektrische warmtepomp en LT-warmtenet) scoren in deze buurt minder goed op de verschillende criteria. Gekeken naar de bronnen, lijkt Noord-Hofland een geschikte kandidaat om aangesloten te worden op de WarmtelinQ+. Daarnaast grenst de buurt ook aan een bestaand warmtenet in Leiden. Uitbreiding van het netwerk in Leiden is daarmee ook een mogelijkheid. Verschillende appartementencomplexen in de buurt hebben blokverwarming. Verder liggen er twee potentiële LT-restwarmtebronnen in de buurt: een supermarkt en Argulon Kunststoftechniek. Andere potentiële warmtebronnen zijn de WarmtelinQ+, geothermie (als hier meer over bekend wordt) en zonthermie. De woningen in Noord-Hofland zijn in verschillende bouwperiodes gebouwd. De woningen langs de Leidseweg zijn het oudst (voornamelijk uit de periode 1900-1945). De rest van de buurt is in blokken gebouwd. De meeste woningen tussen 1965-1974 of 1975-1991 gebouwd. Dit komt erop neer dat er een verdeling in energielabels is, maar dat de meeste woningen label C of D hebben, en daarmee matig/redelijk geïsoleerd zijn.
Voor LT-verwarming zullen de meeste woningen dus nog een aantal maatregelen moeten nemen.
________________________________ 28
De DEGO-viewer is bedoeld om gemeenten te helpen bij het werken met de data die nodig is voor o.a. een transitievisie warmte. DEGO sluit waar mogelijk zoveel mogelijk aan bij de logica van de Leidraad van het ECW. Link naar de viewer: https://dego.vng.nl/
53
200425 - Technisch-economische analyse Voorschoten – April 2021
Al met al ligt een MT-net in deze buurt het meest voor de hand. Hierbij zou er gekeken kunnen worden naar een uitbreiding van het warmtenet vanuit Leiden, of een andere MT-bron, zoals de WarmtelinQ+ of geothermie. Hoewel de nationale kosten van een warmtenet met een LT-warmtebron wat hoger zijn dan bij een bron van hogere temperatuur, zou opwaardering van een LT-warmtebron ook een oplossingsrichting kunnen zijn voor deze buurt. Tabel 17 - Afwegingskader Noord-Hofland S1
S2
S3-LT
S3-MT
Nationale kosten
4
5
4
4
Eindgebruikerskosten
3
5
1
5
Impact ondergrond
3
3
3
3
Impact woning
2
4
3
4
Realisatietijd
3
5
3
5
Adegeest Ook in Adegeest zien we dat de MT-netten (S2 en S3-MT) goed scoren op de meeste criteria, waarbij de nationale kosten van een MT-warmtenet met LT-warmtebron wat lager zijn dan de nationale kosten van MT-warmtenetten met een MT-warmtebron. Ook de elektrische warmtepomp scoort zeer goed op nationale en eindgebruikerskosten. Qua bronnen is er in Adegeest het zwembad aanwezig. Daarnaast is er aan de rand van de wijk een waterloop aanwezig, waar eventueel aquathermie zou kunnen worden toegepast. Andere potentiële warmtebronnen zijn de WarmtelinQ+, geothermie (als hier meer over bekend wordt) en zonthermie. Ondanks dat de meeste gebouwen in deze buurt uit dezelfde bouwperiode (1960-1970) komen, met uitzondering van de vooroorlogse bebouwing aan de Leidseweg, zien we in deze buurten grote verschillen in isolatieniveau van de panden. Dit verklaart waarom een warmtenet en een elektrische warmtepomp ongeveer even goed scoren op de nationale en eindgebruikerskosten: sommige woningen zijn meer geschikt voor een elektrische warmtepomp, en anderen voor een warmtenet. Op basis van de overwogen criteria bestaat een lichte voorkeur voor S2 (MT-warmtenet). Tabel 18 - Afwegingskader Adegeest
54
S1
S2
S3-LT
S3-MT
Nationale kosten
5
4
5
5
Eindgebruikerskosten
4
5
2
5
Impact ondergrond
3
3
3
3
Impact woning
1
4
2
4
Realisatietijd
3
4
2
4
200425 - Technisch-economische analyse Voorschoten – April 2021
Boschgeest In Boschgeest zien we dat de strategieën een gelijke score hebben op het criterium nationale kosten. Gemiddeld genomen scoort een MT-warmtenet in deze buurt het hoogt, dit geldt zowel voor een MT-warmtenet met een MT/HT-warmtebron (S2) als een MT-warmtenet met een LT-warmtebron (S3-MT). Vooral op de eindgebruikerskosten en de ruimtelijke impact is er een groot verschil tussen een MT-net en de andere strategieën. In deze buurt bevinden zich geen LT-warmtebronnen. In de berekening van de Startanalyse is rekening gehouden met een warmtebron buiten de buurt (de supermarkt Hoogvliet Bloemenwijk). Verder zijn de andere bronnen gelijk aan de rest van Voorschoten: WarmtelinQ+, geothermie en zonthermie. In de buurt bevinden zich voornamelijk woningen die gebouwd zijn in de bouwperiode 19651974. De energielabels zijn meestal redelijk (label C of D) met enkele uitzonderingen aan de randen, zoals de gebouwen langs de Leidseweg. Al met al lijkt in deze buurt, voornamelijk rekening houdend met de eindgebruikerskosten, een MT-net het meest voor de hand te liggen. Tabel 19 - Afwegingskader Boschgeest S1
S2
S3-LT
S3-MT
Nationale kosten
5
5
5
5
Eindgebruikerskosten
3
5
2
5
Impact ondergrond
3
3
3
3
Impact woning
2
4
3
4
Realisatietijd
3
4
2
4
Bijdorp In Bijdorp scoort een MT-net (S2 en S3-MT) het beste, zowel op nationale kosten, eindgebruikerskosten, impact in de woning en realisatietijd. De nationale kosten van de verschillende strategieën liggen in deze buurt niet ver uit elkaar, maar het is opvallend dat het verschil in eindgebruikerskosten zo groot is (in de meeste andere buurten liggen de verschillen in eindgebruikerskosten wat dichter bij elkaar). In Bijdorp zijn geen LT-warmtebronnen aanwezig. Wel ligt de buurt vlak naast de Vlietland wat een grote potentiële bron is voor aquathermie (TEO). Andere mogelijke warmtebronnen komen overeen met de rest van de gemeente: WarmtelinQ+, geothermie en zonthermie. Bijdorp is voornamelijk gebouwd tussen 1975-1991. De meeste energielabels worden geschat op label C. De stap naar LT-verwarming lijkt niet al te groot, zeker in vergelijking met buurten die eerder zijn gebouwd. In Bijdorp lijkt het verstandig om nog eens goed de verschillende factoren af te wegen. Qua kosten lijkt een MT-net de meest gunstige oplossing, bijvoorbeeld gevoed door aquathermie van de Vlietland. Qua bouwperiode en geschatte energielabels lijkt een LT-oplossing ook te overwegen, aangezien de meeste woningen nu al label C hebben.
55
200425 - Technisch-economische analyse Voorschoten – April 2021
Tabel 20 - Afwegingskader Bijdorp S1
S2
S3-LT
S3-MT
Nationale kosten
4
5
4
4
Eindgebruikerskosten
2
5
1
5
Impact ondergrond
3
3
3
3
Impact woning
2
5
3
5
Realisatietijd
3
4
2
4
Vlietwijk In Vlietwijk zien we dat S1, S2 en S3-MT alle drie ongeveer gelijkwaardig scoren op de criteria nationale en eindgebruikerskosten. Alleen S3-LT scoort beduidend lager op de eindgebruikerskosten. De MT-netten (S2 en S3-MT) scoren hoger dan de andere strategieën op de criteria ruimtelijke impact in de woning en realisatietijd. Net als in Bijdorp zijn er in Vlietwijk geen LT-restwarmtebronnen aanwezig. Wel grenst deze wijk ook aan de Vlietland, een grote potentiële bron van aquathermie. Verder zijn er wel LT-restwarmtebronnen in de omliggende buurten aanwezig, bijvoorbeeld in Centrum. Andere mogelijke warmtebronnen komen overeen met de rest van de gemeente: WarmtelinQ+, geothermie en zonthermie. In Vlietwijk staan voornamelijk woningen die zijn gebouwd tussen 1946-1964. Het lijkt erop dat in veel woningen al renovaties hebben plaatsgevonden, met name in de corporatiewoningen. Vandaar dat veel woningen een beter label (C of D) hebben dan verwacht zou worden op basis van het bouwjaar. Volgens het afwegingskader zou de techniekkeuze nog meerdere kanten op kunnen. Ook de beschikbaarheid van bronnen levert niet direct uitsluitsel: zowel een MT-net (eventueel met opgewaardeerde aquathermie als bron) als een elektrische warmtepomp lijken geschikte opties te zijn.
Gezien het hoge percentage corporatiewoningen (46%) is het verstandig de afwegingen van de corporatie(s) mee te nemen bij de keuze voor een warmtetechniek. Tabel 21 - Afwegingskader Vlietwijk S1
S2
S3-LT
S3-MT
Nationale kosten
5
5
5
5
Eindgebruikerskosten
4
5
2
5
Impact ondergrond
3
3
3
3
Impact woning
2
4
3
4
Realisatietijd
3
4
2
4
Starrenburg In Starrenburg zien we voornamelijk hoge scores bij zowel S1, S2 en S3-MT. Gemiddeld gezien scoort een MT-warmtenet met LT-warmtebron het hoogst, maar ook de elektrische warmtepomp (S1) scoort goed op zowel nationale als eindgebruikerskosten, en ook op de impact in de ondergrond. Een MT-warmtenet is dan weer sneller te realiseren en heeft een kleiner ruimtebeslag in de woning.
56
200425 - Technisch-economische analyse Voorschoten – April 2021
In Starrenburg liggen een aantal potentiële LT-restwarmtebronnen: Mobrero b.v., Valkenhorst internet b.v., en twee glastuinbouwbedrijven. Uiteraard zal nader onderzocht moeten worden of deze bronnen daadwerkelijk gebruikt kunnen worden, als dit gewenst is. Verder ligt ook Starrenburg naast de Vlietland en zou dit een potentiële bron voor aquathermie kunnen zijn. Andere mogelijke warmtebronnen komen overeen met de rest van de gemeente: WarmtelinQ+, geothermie en zonthermie. Starrenburg bestaat momenteel uit twee delen. Het derde deel (Starrenburg III) wordt de komende jaren bijgebouwd. Starrenburg I is met name eind jaren ‘80 en begin jaren ‘90 gebouwd. Starrenburg II is gebouwd na 2000. Beide delen zijn relatief goed geïsoleerd, hoewel de bebouwing van Starrenburg II een beter isolatieniveau heeft dan Starrenburg I. Daarnaast bevindt zich in deze buurt ook utiliteitsbouw. Het lijkt voor de hand te liggen dat Starrenburg II overschakelt op een elektrische warmtepomp. Ook voor Starrenburg I zou dit voor de meeste woningen een optie kunnen zijn, maar dan zijn er nog wel wat isolatiemaatregelen nodig. Een MT-warmtenet is ook een optie. De utiliteitsbouw zou kunnen aansluiten op de techniek die voor woningen wordt gekozen, of bijvoorbeeld een gezamenlijk een WKO-net kunnen aanleggen. Tabel 22 - Afwegingskader Starrenburg S1
S2
S3-LT
S3-MT
Nationale kosten
5
3
5
5
Eindgebruikerskosten
5
5
2
5
Impact ondergrond
4
3
3
3
Impact woning
3
5
4
5
Realisatietijd
3
4
2
4
Dobbewijk In Dobbewijk scoort een MT-net relatief gezien het beste in het afwegingskader. Het verschil met S1 (elektrische warmtepomp) zit vooral in de eindgebruikerskosten en deels in de impact in de woning en de realisatietijd. De Startanalyse geen kosten doorgerekend voor Strategie 3-LT in deze buurt. Ook op de andere categorieën scoort S3-LT het minst goed. In Dobbewijk liggen geen LT-restwarmtebronnen. Er loopt een kleine waterloop langs de rand van de buurt, maar het is de vraag of deze voldoende potentie bevat om gebruikt te kunnen worden voor aquathermie. Wel is er volgens Dunea een potentie van bijna 200 TJ per jaar, wat ruimschoots voldoende is. Andere mogelijke warmtebronnen komen overeen met de rest van de gemeente: WarmtelinQ+, geothermie en zonthermie. Dobbewijk bestaat voornamelijk uit utiliteitsbouw, er staan slechts ca. 100 woningen. De woningen staan voornamelijk aan en rondom de Donklaan en Papelaan, en zijn voornamelijk vooroorlogse bouw. Deze woningen zijn vaak slecht geïsoleerd. De utiliteitsbouw komt uit uiteenlopende bouwjaren. Volgens het afwegingskader zou in deze wijk een MT-net de meest logisch optie zijn. Dit kan een uitbereiding zijn van een mogelijk warmtenet in Nassauwijk.
Echter, als een warmtenet in deze buurt voor een leverancier financieel niet rendabel is (vanwege de beperkte afzet), zouden ook opties met duurzaam gas overwogen kunnen worden, mocht dit in de toekomst beschikbaar komen. In dat geval zou een hybride warmtepomp op aardgas een tussenoplossing kunnen zijn. In elk geval is
57
200425 - Technisch-economische analyse Voorschoten – April 2021
het van belang in deze wijk ook de warmtevraag en -behoefte van de aanwezige utiliteitsbouw mee te nemen. Tabel 23 - Afwegingskader Dobbewijk S1
S2
S3-LT
S3-MT
Nationale kosten
5
5
N.v.t.
5
Eindgebruikerskosten
3
5
2
5
Impact ondergrond
3
3
3
3
Impact woning
1
2
1
2
Realisatietijd
3
4
2
4
Krimwijk In Krimwijk zien we dat met name de elektrische warmtepomp (S1) als een MT-net met LT-warmtebron (S3-MT) goed scoren. Een MT-net met MT-/HT-bron scoort minder goed op de nationale kosten en een LT-warmtenet scoort minder goed op de kosten voor de eindgebruiker. Er zijn geen LT-restwarmtebronnen aanwezig in Krimwijk. Krimwijk ligt ook wat verder af van Vlietland (bron voor aquathermie), maar grenst wel aan de rivier de Vliet en daarnaast zijn kleine watergangen aanwezig in de buurt. Andere mogelijke warmtebronnen komen overeen met de rest van de gemeente: WarmtelinQ+, geothermie en zonthermie. Krimwijk is voornamelijk in twee bouwperiodes gebouwd. Het noordwestelijke deel (tussen de Leidseweg en de Krimkade) bestaat uit oudere woningen die rond de oorlog zijn gebouwd. Aan de andere kant bevindt zich een nieuwbouwwijk met woningen die na 2005 zijn gebouwd en dus zeer goed geïsoleerd zijn. Dat maakt deze nieuwbouwwijk geschikt voor verwarmen met een elektrische warmtepomp. Voor de oudere woningen zal wellicht een andere oplossing moeten worden gezocht, bijvoorbeeld een MT-warmtenet. Wellicht dat deze woningen ‘mee kunnen’ met de aangrenzende wijk Adegeest, of zal een alternatieve oplossing (bijvoorbeeld duurzame gassen) in de toekomst gezocht kunnen worden. Tabel 24 - Afwegingskader Krimwijk
58
S1
S2
S3-LT
S3-MT
Nationale kosten
5
3
4
5
Eindgebruikerskosten
5
5
3
5
Impact ondergrond
4
3
3
3
Impact woning
3
5
4
5
Realisatietijd
3
4
2
4
200425 - Technisch-economische analyse Voorschoten – April 2021
Centrum In Centrum zien we dat Strategieën S1, S2 en S3-MT vergelijkbaar scoren. Strategie 2 scoort wat beter op nationale kosten, maar minder goed op de impact in de ondergrond. Wat betreft realisatietijd hebben S2 en S3-MT ook een lichte voorsprong. S3-LT komt er op alle categorieën het minst goed uit. Alhoewel Centrum een kleine buurt is, bevinden zich hier drie potentiële restwarmtebronnen: een supermarkt, een bakkerij en een winkel. Wel moet er bij deze bronnen de vraag gesteld worden of ze echt een potentie hebben om warmte te kunnen leveren, omdat de capaciteit beperkt is en de toekomstbestendigheid onbekend. Aquathermie vanuit de Vlietland lijkt geen logische optie omdat Centrum hier niet aan grenst, tenzij het net vanuit een aangrenzende buurt (Bijdorp of Vlietwijk) uitgebreid kan worden. Andere mogelijke warmtebronnen komen overeen met de rest van de gemeente: WarmtelinQ+, geothermie en zonthermie. De bebouwingsdichtheid in de buurt Centrum is hoog. De woningen zijn afkomstig uit verschillende bouwjaren, in tegenstelling tot de meeste andere buurten die meer planmatig gebouwd zijn. Dit betekent dat ook de kosten voor de transitie naar aardgasvrij sterk kunnen variëren tussen gebouwen. Een ander kenmerk is dat er in deze buurt veel winkels (utiliteitsbouw) aanwezig zijn. In deze buurt komt niet één duidelijke voorkeurstechniek naar voren.
Wel kunnen we zeggen dat een LT-warmtenet volgens de criteria in het afwegingskader niet voor de hand ligt. De overige technieken hebben zowel voor- als nadelen. Een MT-net zorgt voor een lager ruimtebeslag in de woning, maar heeft bijvoorbeeld wel een grotere impact op de ondergrond. Tabel 25 - Afwegingskader Centrum S1
S2
S3-LT
S3-MT
Nationale kosten
4
5
4
4
Eindgebruikerskosten
5
5
2
5
Impact ondergrond
3
2
2
2
Impact woning
1
3
2
3
Realisatietijd
3
4
2
4
Nassauwijk In Nassauwijk zien we hoge scores op de criteria nationale en eindgebruikerskosten voor de Strategieën S1, S2 en S3-MT. S1 scoort wat minder goed op de ruimtelijke impact in de woning, en de MT-warmtenetten (S2 en S3-MT) scoren hoger op de realisatietijd. S3-LT scoort het laagst op vrijwel alle criteria. In Nassauwijk zijn momenteel geen potentiële LT-restwarmtebronnen te vinden. Er is een kleine waterloop in het noordwesten van de buurt, hiervan zou onderzocht kunnen worden of deze gebruikt kan worden voor aquathermie. Andere mogelijke warmtebronnen komen overeen met de rest van de gemeente: WarmtelinQ+, geothermie en zonthermie.
59
200425 - Technisch-economische analyse Voorschoten – April 2021
In Nassauwijk bestaat voor het grootste deel uit rijwoningen gebouwd tussen 1946 en 1964. Dit betekent dat het isolatieniveau in het merendeel van de buurt niet al te best is, en er dus behoorlijk wat isolatiemaatregelen plaats moeten vinden om verwarming op MT- of LT-niveau mogelijk te maken. Uitzondering hierop zijn de woning rondom de Burgermeester van der Hoevenlaan. Deze woningen zijn onlangs gebouwd en zijn geschikt voor LTverwarming (bijvoorbeeld een elektrische warmtepomp). De meest geschikte oplossing voor de rest van Nassauwijk is waarschijnlijk een MT-net (S2 of S3-MT), omdat hiervoor minder verregaande isolatiemaatregelen vereist zijn. Het is hierbij echter wel een randvoorwaarde dat er een geschikte warmtebron gevonden wordt. Tabel 26 - Afwegingskader Nassauwijk S1
S2
S3-LT
S3-MT
Nationale kosten
5
4
N.v.t.
5
Eindgebruikerskosten
5
5
2
5
Impact ondergrond
3
3
3
3
Impact woning
2
4
3
4
Realisatietijd
3
4
2
4
Bloemenwijk In Bloemenwijk scoort een MT-net (S2 en S3-MT) over het algemeen het beste in het afwegingskader. Met name de eindgebruikerskosten van S1 en S3-LT zijn beduidend minder gunstig. Ook wat betreft realisatietijd scoort een MT-net wat beter. Enkel op impact in de ondergrond heeft S1 een voordeel ten opzichte van de andere strategieën. In Bloemwijk is één potentiële LT-restwarmtebron aanwezig: de supermarkt Hoogvliet. Aquathermie lijkt geen logische optie in deze wijk, omdat er slechts een kleine gracht is. Andere mogelijke warmtebronnen komen overeen met de rest van de gemeente: WarmtelinQ+, geothermie en zonthermie. Bloemenwijk is samen met Centrum een van de oudste buurten van Voorschoten. Bovendien zijn er woningen uit uiteenlopende bouwperiodes te vinden. De meeste woningen zijn echter voor 1945 gebouwd. Bloemenwijk is daarmee een echte vooroorlogse buurt. Dit betekent ook dat de energielabels variëren. Sommige woningen hebben in de loop der jaren renovaties gekregen en andere niet. Dit betekent dat er weinig uniformiteit is. In de buurt bevinden zich ook een aantal utiliteitsgebouwen. Vanwege de oudere woningen lijkt een MT- (of in het begin zelfs HT-)warmtenet de meest voor de hand liggende oplossing. Uiteraard zullen ook de slechter geïsoleerde woningen op een gegeven moment renovaties ondergaan, maar dit is een proces wat veel tijd nodig heeft.