CConstaterende datvoorschoten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Uitgangspuntenkader regionaal warmtebedrijf en collectieve warmtetransitie (vastgesteld)

Gemeenteraad Voorschoten 15 mei 2025, gemeente voorschotenBij agendapunt: Uitgangspuntenkader regionaal warmtebedrijf en collectieve warmtetransitie17.094 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Pagina 20 van 42

De ontheffingsbevoegdheid wordt in lijn met de Wcw niet proactief toegepast door het college, maar op aanvraag. Het afwegingskader voor het weigeren van ontheffingen is wettelijk bepaald; het college heeft hier niet de vrije keuze in. Zo bevat de Wcw beschermingsmechanismen tegen het ‘aan elkaar rijgen’ van kleine ontheffingsgebieden.

Andere overwegingen Bij het bepalen van de omvang van warmtekavels werkt het college nauw samen met de gemeenten binnen WLR en de RES Holland Rijnland. Het college is van plan om deel te nemen aan een nog op te richten regionaal warmtebedrijf. Het warmtebedrijf moet in staat zijn om de lokale warmtetransitie uit te voeren, zowel financieel als qua organisatievermogen. Dat betekent dat het warmtebedrijf een voldoende robuuste opdrachtportefeuille in de regio moet kunnen ontwikkelen. Daarom hanteert het college het uitgangspunt dat alle nieuwe en vanuit het college te ontwikkelen warmtesystemen binnen kavels worden toegewezen aan het op te richten regionale warmtebedrijf. De gemeente zal kavels naar verwachting pas definitief vaststellen als het warmtebedrijf operationeel is en formeel aangewezen kan worden. Het toekomstige warmtebedrijf heeft als taak om afnemers te betrekken bij de realisatie van de nieuwe warmtevoorziening. De gemeente speelt hierin ook een belangrijke rol, omdat zij de aanwijsbevoegdheid kan inzetten voor gebieden waar nieuwe warmtenetten worden gerealiseerd. Daardoor moet het college monitoren wat de voortgang van de transitie is en afnemers voldoende inspraak bieden op de gekozen warmteoplossing.

Daarnaast zal het college samen met het warmtebedrijf per (voorgenomen) kavel verkennen welke lokale initiatieven en warmtegemeenschappen beschikbaar zijn om mee samen te werken. Waar mogelijk en wenselijk kunnen deze lokale initiatieven een rol krijgen.

4.2 Aanwijsbevoegdheid De gebouwde omgeving in Nederland moet in 2050 aardgasvrij zijn. Met de Wgiw krijgen gemeenteraden de mogelijkheid om al eerder te bepalen dat een wijk van het gas afgaat: de aanwijsbevoegdheid. De gemeenteraad mag een gebied aanwijzen in het omgevingsplan. Met het inzetten van de aanwijsbevoegdheid krijgt de gemeenteraad dus meer invloed aan de achterkant van het planproces. De uitvoering van de aanwijsbevoegdheid ligt bij het college. Pas als in een wijk een volwaardig alternatief voor aardgas gerealiseerd gaat worden dat aan alle wettelijke voorwaarden voldoet, kan er sprake zijn van het ‘dichtdraaien van de gaskraan’. Dit doet de gemeente overigens niet zelf, in Voorschoten beheert Liander het gasnet. Met de Wgiw heeft de gemeente de bevoegdheid om de levering van aardgas in een gebied door de netbeheerder te laten beëindigen. Daarmee wordt het gebied aardgasvrij. De inzet van de aanwijsbevoegdheid heeft consequenties voor personen in het aangewezen gebied. De daadwerkelijke keuze voor de warmteoplossing is aan de bewoner, ook bij de inzet van de aanwijsbevoegdheid. De opt-out regeling zorgt ervoor dat iedereen kan kiezen voor een individuele oplossing of een kleinschalige gezamenlijke oplossing. De termijn waarbinnen deze alternatieve oplossing gerealiseerd moet zijn wordt wél begrensd door de “redelijke termijn” van acht jaar.

Daarnaast moet het zelfstandig gekozen alternatief net zo duurzaam zijn als de collectieve warmteoplossing. De redelijke termijn geldt ook voor de gemeente. Het college kan binnen die acht jaar in de basis niet van bewoners verlangen over te stappen op een warmtenet. Het college vindt een zorgvuldige afweging voorafgaand aan de inzet van de aanwijsbevoegdheid binnen de Wgiw noodzakelijk. In de Wgiw en het daaraan gekoppelde Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Bgiw) zitten al belangrijke waarborgen en verantwoordingen ingebouwd. Zo moet het college bij inzet van de aanwijsbevoegdheid aantonen dat de voorgenomen warmteoplossing haalbaar en betaalbaar is, en rekening houdt met de gevolgen voor de energie-infrastructuur. Daarnaast moet worden voldaan aan de keuzevrijheid (opt-out) en dient een redelijke termijn voor afsluiting van aardgas te worden gehanteerd waarbinnen het alternatief voor aardgas daadwerkelijk beschikbaar is én alle gebouwen kunnen zijn aangesloten.

Pagina 21 van 42

De richtlijn voor deze termijn is acht jaar. Vooraf aan de formele beslismomenten in het proces dient participatie plaats te vinden (o.a. bij het warmteprogramma en de uitvoeringsplannen). Het inzetten van de aanwijsbevoegdheid brengt voordelen met zich mee. Zo zorgt de overstap naar collectieve warmte voor grote delen van de gemeente voor de laagste maatschappelijke kosten. De inzet van de aanwijsbevoegdheid versterkt ook de betaalbaarheid van het warmtenet voor individuele gebruikers, omdat hierdoor het aantal aansluitingen stijgt en de businesscase voor het warmtebedrijf verbetert. Verder geeft het gemeenten de mogelijkheid om het transitieproces per buurt te versnellen en gestructureerd te doorlopen. Ook zorgt de inzet ervoor dat niet twee infrastructuren (gas en warmte) naast elkaar in stand gehouden hoeven te worden. Het college concludeert daarom dat het wenselijk is dat de aanwijsbevoegdheid wordt ingezet binnen collectieve warmtekavels. Dit helpt de gemeente om de warmtetransitie sneller, betaalbaar en haalbaar te realiseren. Het proces van aanwijzing bevat de benodigde (wettelijke) waarborgen waardoor we kunnen zorgen dat alle bewoners zo goed mogelijk kunnen meekomen met de transitie naar aardgasvrij.

Uitgangspunten inzet wettelijke instrumenten 18. Het college stelt de omvang en begrenzing van kavels zo vast dat deze, binnen de wettelijke kaders, optimaal voldoen aan de leidende principes (zie hoofdstuk 2). 19. Het college stemt de omvang en begrenzing van kavels af met relevante partijen in de gemeente, in de regio, met het aan te wijzen regionale warmtebedrijf en/of warmtegemeenschap(pen). 20. Voorafgaand aan de toewijzing van een warmtekavel inventariseert het college de aanwezigheid van lokale initiatieven en (potentiële) warmtegemeenschappen binnen de kavel, onderzoekt het gezamenlijk met het regionale warmtebedrijf en actieve warmtegemeenschappen de wensen en kansen tot samenwerking binnen de kavel, en onderzoekt het de mogelijkheid om een (warmtebedrijf van een) warmtegemeenschap zelfstandig aan te wijzen voor de kavel. 21. Het college wijst nieuwe warmtekavels toe aan het regionale warmtebedrijf, waaraan de gemeente Voorschoten zal deelnemen, tenzij uit onderzoek blijkt dat een andere toewijzing beter aansluit bij de leidende principes (zie hoofdstuk 2). 22. Het college zal op aanvraag van initiatiefnemer(s) binnen het wettelijke kader ontheffing verlenen voor de exploitatie van kleine collectieve warmtesystemen, tenzij het de situatie voor andere afnemers van warmte in de gemeente nadelig beïnvloedt of het de voorgenomen ontwikkeling van warmtekavels belemmert.

23. Het college gebruikt de aanwijsbevoegdheid in die clusters waar een aanbod voor collectieve warmte gaat worden gerealiseerd, op voorwaarde dat de inzet van de aanwijsbevoegdheid voldoet aan alle wettelijke vereisten en collectieve warmte voor dat cluster in het warmteprogramma als het beste alternatief voor aardgas is beoordeeld. De gemeenteraad bekrachtigd de aanwijsbevoegdheid in het omgevingsplan.

Pagina 22 van 42

5. Lokale betrokkenheid Voor een succesvolle warmtetransitie is lokale betrokkenheid belangrijk. Daarbij zijn verschillende aspecten van belang: aandacht voor afnemers bij de oprichting van het warmtebedrijf, goede participatie tijdens de realisatie van de collectieve warmtevoorziening, en betrokkenheid van afnemers en lokale initiatieven als het warmtebedrijf operationeel is.

Betrokkenheid bij het warmtebedrijf De warmtetransitie doen we samen. Daarom is het wenselijk dat afnemers van warmte op de een of andere manier zeggenschap, invloed of betrokkenheid hebben in het regionale warmtebedrijf. Het college wil dat afnemers van warmte kunnen meedenken, meebeslissen en/of dat hun belangen altijd gediend blijven in de onderwerpen die voor hen belangrijk zijn. Het uitgangspunt is daarom om afnemers van warmte actief bij het warmtebedrijf te betrekken. Het is ons doel dat afnemers en het warmtebedrijf niet alleen als consument en producent tegenover elkaar staan, maar ook samen aan de slag gaan om het collectieve warmtesysteem te verbeteren. Als een afnemer profiteert als de buren ook aansluiten op het warmtenet, dan zal men sneller positieve ervaringen met elkaar delen. Daarom wil het college de mogelijkheden onderzoeken voor een vorm van gedeeld belang, winstdeling en/of eigenaarschap van afnemers van warmte in het regionale warmtebedrijf, om een prikkel te realiseren voor het gezamenlijk reduceren van risico’s en kosten. Naast individuele betrokkenheid kunnen afnemers van warmte ook collectief betrokken zijn. Het college zet in op de ondersteuning van lokaal initiatief. In Voorschoten zetten veel mensen zich al in voor de energietransitie en dit omarmen we.

De gemeente ondersteunt daarom buurt-, wijken burgerinitiatieven die aan een eigen warmteoplossing willen werken. Dit doen we vooral door kennis te delen, handvatten te bieden en te zorgen dat initiatieven meer slagkracht krijgen. In sommige gevallen kan het ook gaan om financiële ondersteuning. Welke ondersteuning precies wordt geboden is maatwerk en zal verschillen per lokaal initiatief. Een voorbeeld hoe het college lokaal eigendom en warmtegemeenschappen kan stimuleren is de inzet van ontheffingen (hoofdstuk 4). Ook houdt het college aandacht voor mini-warmtenetten. Zo kan het een bewuste keuze zijn van het college om in gebieden waar een bewonersinitiatief een concreet plan ontwikkelt, geen kavel voor collectieve warmtesystemen aan te wijzen, maar in afstemming met het bewonersinitiatief een ontheffing te verlenen voor het lokale systeem. Dat heeft als voordeel dat er meer ruimte ontstaat voor eigen regie door bewoners, en met mogelijk meer draagvlak voor collectieve warmteoplossingen als gevolg. Ook het lokale warmtebedrijf kan hierbij een rol spelen met financiële of organisatorische ondersteuning aan lokale initiatieven.

Participatie rond de warmtetransitie Participatie is essentieel voor het creëren van draagvlak. Het is gericht op het verzamelen van lokale inzichten, kennis en expertise uit de gemeente, en het inventariseren van de verschillende belangen. De uitkomsten van de participatie worden meegenomen bij de keuzes en plannen, zoals het warmteprogramma en uitvoeringsplannen. De keuzes worden naar de belanghebbers uitgelegd en onderbouwd in een participatierapport, zodat het gemeentebestuur alle inbreng kan afwegen voordat zij een besluit neemt. Omdat de gevolgen van de warmtetransitie voor inwoners en ondernemers sterk kunnen verschillen per gebied, vraagt de participatieaanpak om maatwerk. Daarom koppelt het college de communicatie en participatie met inwoners in de warmtetransitie aan de gebiedsaanpakken.

Pagina 23 van 42

Concreet betekent dit dat participatie minimaal plaatsvindt rondom het vaststellen van het warmteprogramma, de uitvoeringsplannen en/of de uitgewerkte kavelplannen, en daarnaast zo vaak als nodig wordt ingezet om nieuwe inzichten voor de aanpak van de warmtetransitie te verwerven. Dit kan bijvoorbeeld zijn bij de realisatie van de collectieve warmtevoorziening.

Uitgangspunten lokale betrokkenheid 24. Het college onderzoekt de mogelijkheden van en zet zich in voor een vorm van zeggenschap, invloed of betrokkenheid voor de afnemers van warmte in het regionale warmtebedrijf, om te zorgen dat afnemers kunnen meedenken, meebeslissen en/of dat hun belangen altijd gediend blijven in de onderwerpen die voor hen belangrijk zijn. 25. Het college onderzoekt de mogelijkheden voor een vorm van gedeeld belang, winstdeling en/of eigenaarschap van afnemers van warmte in het regionale warmtebedrijf, om een prikkel te realiseren voor het gezamenlijk reduceren van risico’s en kosten. 26. Het college onderzoekt de mogelijkheden voor het regionale warmtebedrijf om samen te werken met lokale warmtegemeenschappen of andere lokale initiatieven. 27. De gemeenteraad en het college blijven lokale initiatieven stimuleren die zich inzetten voor het omschakelen naar een aardgasvrije buurt en deze initiatieven worden nauw betrokken bij het (opstellen van een) uitvoeringsplan. 28. Het college draagt zorg voor een inclusieve, duidelijke en transparante participatieaanpak, waarin maatwerk per gebied wordt toegepast. Dat betekent: laagdrempelig, toegankelijk voor iedereen en passend bij de doelgroep, met een duidelijke fasering en tijdspad.

Pagina 24 van 42

Verdiepende bijlagen Onderstaande bijlagen gaan dieper in op verschillende thema’s. A. B. C. D. E. F.

Netcongestie en de warmtetransitie Betaalbaarheid en inzet van financiële middelen Rolneming in een regionaal warmtebedrijf Aanwijzen van een kavel of warmtebedrijf Toepassen van de aanwijsbevoegdheid Planning en besluitvorming warmtetransitie

A. Netcongestie en de warmtetransitie Netbeheerder Liander heeft op basis van de ORES (open regionaal energiesysteem)-studie van de samenwerking Warmte Leidse Regio de gevolgen voor de elektrische infrastructuur doorgerekend.3 Dit is gedaan voor drie scenario’s: minimale, gemiddelde en maximale uitbreiding van warmtenetten in de gebouwde omgeving o.b.v. het benutten van WarmtelinQ (WLQ), geothermie, hoge temperatuur opslag (HTO) met aquathermie. De scenario-analyse is bedoeld om de impact van de inzet van warmtebronnen op het elektriciteitsnet te bepalen en zo inzichtelijk te maken wat de consequenties zijn als deze keuze niet gemaakt wordt. Het is niet bedoeld om sturend te zijn op waar de warmte in de regio gebruikt zal gaan worden. In het Minimale Warmtescenario komt er geen nieuwe warmtelevering in de regio. Onderstation Leiden en de substations zullen dan, ondanks de al ingeplande verzwaringen, in 2035 alweer vol of bijna vol zijn. Hierbij is rekening gehouden met het Investeringsplan 2024 van Liander, inclusief de bouw van het nieuwe onderstation Hazerswoude-Rijndijk. In het Maximale Warmtescenario zullen alle genoemde stations, na de geplande uitbreidingen van het huidige investeringsprogramma, voldoende capaciteit hebben tot ongeveer 2050 (o.b.v. de huidige kennis en scenario’s).

De optimale benutting van bestaande en nieuwe warmtebronnen in het maximale scenario verkleint dus het risico op congestie en de daarmee samenhangende rem op economische ontwikkeling en verduurzaming in de regio. Dat risico is moeilijk te kwantificeren, maar de analyse wijst uit dat de elektrische transportcapaciteit in dit scenario ongeveer vijftien jaar later uitverkocht is dan onder het Minimale Warmtescenario met individuele (all-electric) oplossingen. Warmtelevering is een belangrijk middel om de negatieve effecten van ongeremde en onvoorspelbare elektrificatie van de warmtevraag te beperken.

Impact op middenspanningsnetten De scenario-analyse doet alleen een doorrekening van het transportnet. Met behulp van een ander model van Liander kan berekend worden hoeveel middenspanningsruimtes (MSR) er naar verwachting minder in de buurten en wijken geplaatst hoeven te worden. Dat gebeurt op basis van de vergelijking tussen een collectieve warmteoplossing (bijvoorbeeld een warmtenet) en een individuele (all-electric) oplossing. In de transitievisie warmte 1.1 is ingeschat dat er met een collectief warmtesysteem ongeveer 26 MSR’s minder nodig zijn. Daarvoor zal dan 650 tot 800 m2 aan extra ruimte gevonden moeten worden.

3 https://www.liander.nl/over-ons/nieuws/2024/keuze-hoe-woningen-te-verwarmen-bepalend-

voor-toekomstige-druk-op-elektriciteitsnet-holland-rijnland

Warmte is onderdeel van het energiesysteem Het energiesysteem bevat een mix van verschillende energiebronnen. Het is die combinatie die het systeem zo sterk maakt, omdat zo de druk op de energienetten verdeeld kan worden. Een warmtenet past goed in dat beeld, doordat het gebruikmaakt van bronnen die het elektriciteitsnet minder belasten en warmte beter is op te slaan dan elektriciteit. Het draagt dus bij aan een robuust energiesysteem.

Figuur 1 - warmtenetten essentieel voor economische groei en verduurzaming, twee scenario’s

B. Betaalbaarheid en inzet financiële middelen De omschakeling naar een aardgasvrij Voorschoten kost alle partijen geld. Van bewoners en de gemeente, tot netbeheerders en woningcorporaties. Deze bijlage gaat in op de vraag hoe de warmtetransitie betaalbaar blijft.

Total cost of ownership Om de kosten voor de afnemers van warmte van verschillende warmtealternatieven te vergelijken, kijken we naar de total cost of ownership (TCO). Deze benadering geeft een aantal inzichten. •

•

De aanschaf en herinvesteringen van de warmteoplossing. Deze investeringen worden over de levensduur van de investering berekend, als jaarlijkse kosten voor aflossing en rente. Alternatieven met een hoge initiële investering krijgen hierdoor een hoger jaarlijks bedrag dan alternatieven met een lage investering. De gebruikskosten. Dit zijn variabele kosten voor de kosten van energie, inclusief het jaarlijkse reguliere onderhoud en de gebruikskosten (energie en vastrecht) voor een standaardhuishouden.

Bij elkaar opgeteld levert deze benadering inzicht in jaarlijks terugkomende kosten, waardoor alternatieven goed met elkaar te vergelijken zijn. Onderstaande figuur is een conceptuele weergave van hoe deze totale jaarlijkse kosten voor de verschillende alternatieven zich kunnen

ontwikkelen in de tijd. Het laat zien dat een overstap naar een alternatief voor gas op dit moment vaak nog niet financieel aantrekkelijk is voor de eindgebruiker. Op den duur is de verwachting dat warmtenetten juist goedkoper worden dan gas. De kosten voor gas worden steeds hoger terwijl de kosten voor warmte waarschijnlijk minder hard stijgen. De vaste kosten voor een warmtenet zijn relatief hoog, vanwege de grote initiële investering. Aan de andere kant zijn de variabele kosten relatief laag, omdat de warmte op een efficiënte manier opgewekt wordt.

Figuur 2 - Conceptuele weergave ontwikkeling van de total cost of ownership (TCO) verschillende warmtevoorzieningen (bron: UGW, Gemeente Leiden, 2024)

Kosten van een warmtenet Een warmtenet kent investeringskosten bij de aanleg en exploitatiekosten in de operationele fase. Deze kosten worden niet allemaal door huishoudens gemaakt. Het aanleggen van het warmtenet en aansluiten op de warmtebron worden vaak door het warmtebedrijf betaald. Voor de aanpassingen in de woning is de gebouweigenaar vaak aan zet. De kosten tijdens de exploitatie zijn veelal voor de gebruiker of bewoner van het gebouw. Kosten bij de aanleg 1. Warmtecentrale • Opwekinstallatie warmte • Warmtewisselaars • Piek- & backupinstallaties 2. Aanleg van het warmtenet • Transportnet • Warmteoverdrachtsstations • Distributienet • Aansluitingen op de woningen 3. Aanpassingen in de gebouwen • Isolatie en bouwkundige aanpassingen • Vervanging cv-installatie door een warmteafleverset • Aanpassen afgiftesysteem (radiatoren, vloerverwarming) • Andere aanpassingen (koken, elektra, tapwater)

Kosten tijdens de exploitatie 4. Vaste kosten: voor het gebruik van en de aansluiting op het warmtenet. Een vergoeding aan het warmtebedrijf voor de gemaakte investeringen (zie linkerkolom). 5. Variabele Kosten: de kosten die worden gemaakt om het warmtenet draaiend te houden. Voorbeelden zijn onderhoud, inkoop van energie en administratie.

Businesscase Voordat een warmtenet wordt aangelegd wordt een ontwerp van het distributienet gemaakt en op basis hiervan een businesscase. In deze businesscase wordt bekeken wat het rendement van het project is voor een warmtebedrijf. Bijvoorbeeld: is er marge voor het afdekken van de risico’s? Levert het geld op of is het verlieslatend? De businesscase geeft vaak ook inzicht in de kosten voor de afnemer van warmte en de verdeling van kosten tussen de gebouweigenaar en gebruiker. De businesscase levert de onderbouwing waarom bijvoorbeeld een woningbouwcorporatie of een particuliere woningeigenaar wel of niet zal overstappen naar het warmtenet. Voor bestaande bebouwing laten de meeste warmtenetten momenteel geen sluitende businesscase zien. Daarom vragen warmtebedrijven nu vaak een bijdrage voor de aansluitkosten (BAK) om de onrendabele top van een project te kunnen dekken. Voor bestaande bebouwing is deze BAK soms zo hoog, dat het warmtenet niet van de grond komt. Aan de andere kant gaat de situatie rond warmtenetten ook flink veranderen. Met de Wcw komen warmtenetten in publieke handen. Publieke aandeelhouders hebben mogelijk een andere winstverwachting en zullen keuzes anders afwegen. De intentie van de Wcw is om de aansluiting op een warmtenet door de publieke sturing betaalbaarder te maken.

Financiële instrumenten De betaalbaarheid voor afnemers van warmte is erg belangrijk bij de keuze om over te stappen op een warmtenet. Warmtenetten zijn (voorlopig) vaak nog duurder voor eindgebruikers dan alternatieven, terwijl de totale maatschappelijke kosten voor warmtenetten wel degelijk lager kunnen zijn. Maatschappelijke kosten zijn kosten die niet alleen door een individu, bedrijf of organisatie worden gedragen, maar ook door de samenleving als geheel worden betaald, zoals het verzwaren van het elektriciteitsnet. Dit is de reden dat het Rijk financiële instrumenten inzet om de businesscase van het warmtenet en de betaalbaarheid voor afnemers te verbeteren. Zo moet de overstap naar een warmtenet ook nu al interessant zijn voor de afnemer van warmte, en niet pas over een aantal jaren. Rijksinstrumenten Het Rijk zet instrumenten in om collectieve warmte betaalbaarder te maken voor de eindgebruiker. • • •

ISDE, SVVE of SAH: subsidies aan respectievelijk particulieren, VvE’s en woningcorporaties om aanpassingen aan gebouwen te kunnen doen. SDE++: subsidie aan bedrijven en non-profitorganisaties die grootschalig hernieuwbare energie opwekken of de CO2-uitstoot verminderen. Deze kan ingezet worden voor het realiseren van warmtebronnen. WIS: deze subsidie richt zich met name op de warmtenetten. De Warmte Investeringssubsidie is een regeling vanuit het Rijk en is bedoeld als investeringssubsidie aan het warmtebedrijf om (een deel van) het onrendabele deel van de investering te dekken. Met maximaal € 7.000 subsidie per particuliere aansluiting, verlaagt deze regeling de benodigde BAK (bijdrage aansluitkosten) voor de eindgebruikers significant.

Daarnaast zet het Rijk ook een aantal indirecte stappen om een aansluiting op het warmtenet betaalbaarder te maken. Dit zijn bijvoorbeeld een waarborgfonds en nationale deelname in warmtebedrijven om de financiering van warmtenetten goedkoper te maken. Daarnaast wordt de nieuwe tariefstructuur gebaseerd op werkelijke kosten. In een recente kamerbrief gaat de minister van Klimaat en Groene Groei in op de betaalbaarheid van warmtenetten.4

4 https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2024/10/07/kamerbrief-

randvoorwaarden-voor-de-verdere-uitrol-van-warmtenetten

Gemeentelijke instrumenten (optioneel) Naast de instrumenten van het Rijk kan de gemeente ook zelf actie ondernemen om de warmtetransitie en overstap naar een publiek warmtenet betaalbaar te maken. In elke businesscase voor een publiek warmtenet zal gekeken worden welke middelen noodzakelijk zijn om een warmtenet te kunnen realiseren en zal de gemeenteraad een afweging maken om gemeentelijke financiële middelen wel of niet in te zetten. Het is de verwachting dat alleen in de eerste periode aanvullende middelen noodzakelijk zijn. Zoals hierboven weergegeven, zullen warmtenetten in de toekomst waarschijnlijk betaalbaarder worden. Voorfinanciering: De aanleg van een warmtenet vraagt een grote investering aan het begin; de inkomsten komen pas na een paar jaar als er aansluitingen op het warmtenet zijn gerealiseerd. Dit betekent dat in de eerste jaren van een warmtenet grote aanloopverliezen zijn. Door een gemeentelijke voorfinanciering worden deze aanloopverliezen beperkt. De gemeente leent het warmtebedrijf dan geld tegen gunstige voorwaarden. Dit bespaart het warmtebedrijf rentekosten. Op het moment dat het warmtebedrijf inkomsten ontvangt wordt de lening aan de gemeente afgelost. Door de lagere financieringskosten van het warmtebedrijf kunnen de kosten voor de eindgebruiker ook lager zijn. Een ander vergelijkbaar instrument is een garantstelling.

Vollooprisicodekking: dit instrument garandeert de bijdragen aansluitkosten (BAK) voor een vooraf afgesproken aansluitpercentage van gebouwen op het warmtenet. Door met een hoger percentage aansluitingen te rekenen gaat de BAK per woning omlaag. Mocht het warmtebedrijf dit percentage uiteindelijk niet halen, dan krijgt zij van de gemeente de misgelopen BAK. Het risico van de initiële bijdrage ligt dan dus bij de gemeente. Het exploitatierisico, de lagere inkomsten als gevolg van minder warmtelevering, ligt bij het warmtebedrijf. Aansluitsubsidie particulieren: deze subsidie stelt de gemeente beschikbaar voor particulieren die aansluiten op het warmtenet. De hoogte van de subsidie bepaalt de gemeente aan de hand van de aansluit- en aanpaskosten. De verwachting is dat de inzet van deze subsidie tot een hoger aansluitpercentage zal leiden. Deze subsidie kan eventueel ook voor een specifieke doelgroep ingesteld worden (bijvoorbeeld woningen met een lage WOZ-waarde). Aanwijsbevoegdheid Wgiw: de werking van de Wgiw en de bevoegdheid tot beëindiging van aardgaslevering in een wijk is eerder in dit document uitgelegd (aanwijsbevoegdheid). Dit is strikt genomen dus geen financieel instrument. Wel vergroot het inzetten van de aanwijsbevoegdheid naar verwachting het aansluitpercentage van particuliere woningeigenaren.

Dit verlaagt het risicoprofiel van investeren in collectieve warmtenetten voor een warmtebedrijf en leidt daardoor tot lagere aansluitkosten. Daarmee is het inzetten van de Wgiw een budget-neutrale maatregel voor de gemeente met een positief effect op de betaalbaarheid. Duurzaamheidsleningen: Naast de inzet van specifieke instrumenten voor de aanleg van warmtenetten kan de gemeente ook nieuwe goedkope duurzaamheidsleningen introduceren (bijvoorbeeld via het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten) en wellicht het opzetten van een specifieke regeling in de bijzondere bijstand.

C. Rolneming in een regionaal warmtebedrijf Op dit moment is ongeveer 6,4% van de Nederlandse huishoudens aangesloten op een warmtenet. Dit aandeel zou volgens het Klimaatakkoord flink moeten stijgen. De eerste stap is de realisatie van 500.000 nieuwe warmteaansluitingen tot 2030 in bestaande bouw. Om deze opgave te bewerkstelligen, is volgens de toelichting bij het wetsvoorstel Wcw een ingrijpende herziening van het wettelijk kader nodig. Daarom beoogt het Rijk de huidige Warmtewet die op 1 januari 2014 in werking trad, te vervangen door de Wet collectieve warmte (Wcw). Warmtelevering is straks verboden, tenzij een bedrijf beschikt over een exclusieve aanwijzing als integraal verantwoordelijk warmtebedrijf om binnen een warmtekavel warmte te transporteren en te leveren aan gebruikers. De Wcw legt de verantwoordelijkheid voor het aanwijzen van warmtekavels bij de colleges van gemeenten. Het proces van aanwijzing van kavels en aanwijzing van het warmtebedrijf is beschreven in bijlage D.

Publiek meerderheidsaandeel De Wcw introduceert een nieuw marktmodel voor warmte, waarbij een warmtebedrijf en de warmtenetten voor een meerderheid in publieke handen komen. Dat wil zeggen: meer dan 50% van de aandelen moet direct of indirect in handen zijn bij de gemeente, de provincie, het Rijk of een ander openbaar lichaam. Dat betekent een grote verandering, waarbij de warmtevoorziening dus niet meer in handen is van private partijen, zoals nu meestal nog het geval is. Op deze manier is er meer publieke sturing, wat bijdraagt aan de bescherming van consumenten tegen onnodig hoge tarieven en bewaking van publieke waarden. Het uitgangspunt is dat publieke partijen de warmtevoorziening zonder winstoogmerk ontwikkelen. De publieke sturing zorgt volgens de Wcw ook voor meer transparantie, waarmee duurzaamheid, betaalbaarheid en leveringszekerheid van de warmtelevering aan huishoudens en bedrijven beter inzichtelijk zijn.

Achtergrond en doelstelling van het wetsvoorstel Wcw De Wcw beoogt de groei en verduurzaming van collectieve warmtesystemen in de gebouwde omgeving te faciliteren. a. b. c. d.

Gemeenten krijgen sturingsmogelijkheden om hun regierol in de verduurzaming van de gebouwde omgeving te kunnen uitvoeren, zoals is afgesproken in het Klimaatakkoord. Er zijn duurzaamheidsnormen opgenomen die aansturen op een efficiënte verduurzaming van de warmtevoorziening. De leveringszekerheid en de consumentenbescherming wordt beter geborgd. De consumentenbescherming is daar waar mogelijk in lijn gebracht met de bescherming bij elektriciteit en gas. Er zijn nieuwe tariefregels opgenomen, die de transparantie verhogen en stapsgewijs de warmtetarieven baseren op de werkelijke gemaakte kosten, i.p.v. de huidige gasreferentie (gasrekening van een gemiddeld huishouden). Dit zorgt voor meer transparantie en redelijke prijzen voor de warmtelevering en inkomsten voor warmtebedrijven.

Sturing via deelname als aandeelhouder Een manier waarop de gemeente Voorschoten sturing kan geven aan de aanwijzing van een warmtebedrijf voor warmtekavel(s) is door als aandeelhouder in een warmtebedrijf te stappen. Daarvoor doet de gemeente mee met de verkenning naar de oprichting van een regionaal warmtebedrijf in het kader van de samenwerking Warmte Leidse Regio (WLR). Als aandeelhouder kan de gemeente via stemrecht over belangrijke besluiten van het warmtebedrijf vrij direct invloed uitoefenen op de strategie, partners waarmee het warmtebedrijf samenwerkt, en financiën van het warmtebedrijf. In de Leidse regio zal op termijn een ingroeimodel worden ontwikkeld, waarbij de bestaande warmtenetten van Vattenfall in handen moeten komen van een warmtebedrijf dat in merendeel

publiek is. Dat betekent dat de positie van Vattenfall zal veranderen. Vattenfall zal op termijn wettelijk verplicht zijn om in ieder geval het merendeel van de aandelen in het netwerkbedrijf aan een Nederlandse overheid over te dragen. Mogelijk volgt er een verkoop van alle assets van Vattenfall. Door in een publiek warmtebedrijf te stappen ontstaat ook de mogelijkheid om zo mede-eigenaar te worden van de bestaande regionale warmte-infrastructuur.

Warmtebedrijven en duurzaamheid De Wcw legt warmtebedrijven de verplichting op om een norm te hanteren voor de maximale toegestane uitstoot van broeikasgassen per warmtekavel. Het doel is om deze norm stapsgewijs strenger te maken, zodat er in 2050 geen broeikasgassen meer worden uitgestoten bij de levering van collectieve warmte. Dit draagt bij aan de ambitie om de warmtevoorziening op een duurzamere wijze te realiseren en de impact op het milieu te verminderen. De normen worden in lagere regelgeving uitgewerkt. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) ziet toe op de prestaties van de afzonderlijke collectieve warmtesystemen ten opzichte van de normen, en kan een warmtebedrijf in het geval van overtreding een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete opleggen. In situaties waar de verduurzaming van de warmtebron of het collectieve warmtesysteem niet uitvoerbaar is kan de ACM een ontheffing verlenen.

Rechtsvorm: besloten of naamloze vennootschap Een warmtebedrijf moet een besloten vennootschap (bv) of een naamloze vennootschap (nv) zijn. Een publiekrechtelijke rechtsvorm is hier niet mogelijk, ook al geeft de Gemeentewet de voorkeur aan een publiekrechtelijke samenwerking. Uit de Wcw volgt dat een warmtebedrijf een privaatrechtelijke rechtspersoon moet zijn. Om aangewezen te kunnen worden, dient meer dan 50% van de aandelen in het publieke warmtebedrijf direct of indirect door een publieke partij gehouden te worden. Met ’aandelen’ in de zin van de Wcw wordt gedoeld op aandelen in een Nederlandse besloten vennootschap of naamloze vennootschap. Daarmee is de keuze tussen de mogelijke rechtsvormen beperkt. Gezien de definitie van aandelen in de Wcw is alleen een besloten of naamloze vennootschap een mogelijke rechtsvorm voor het warmtebedrijf.

Juridische kaders oprichting en deelname warmtebedrijf De Gemeentewet (Gemw) bepaalt de bevoegdhedenverdeling tussen het college en de raad binnen de gemeente. Het oprichten van een warmtebedrijf betekent dat de gemeente als aandeelhouder kan deelnemen in een privaatrechtelijk rechtspersoon. Hiervoor gelden de volgende regels. • • •

Het oprichten van een rechtspersoon is in principe een privaatrechtelijke rechtshandeling, waarvoor het college bevoegd is op grond van artikel 160 lid 1 onder d van de Gemw. Art. 160 lid 2 Gemw bepaalt dat voor het oprichten van een rechtspersoon nodig is dat de raad is geraadpleegd via een wensen- en bedenkingenprocedure met een ontwerpbesluit vóórdat het college een besluit neemt. Art. 169 lid 4 Gemw bepaalt dat het college de raad vooraf inlichtingen geeft over de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder d, e, f en g Gemw indien de uitoefening ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gemeente. Het college neemt geen besluit voordat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen over het oprichten van een (warmte)bedrijf.

Het besluit om een warmtebedrijf op te richten, vereist dat de raad in gelegenheid wordt gesteld om wensen en bedenkingen te uiten over de benodigde juridische en financiële stappen. Hetzelfde geldt voor een samenwerkingsovereenkomst die wordt voorzien als een nodige tussenstap om afspraken te maken met de samenwerkingspartners over de oprichting van de rechtspersoon. Daarin gaat de gemeente financiële en andere verplichtingen aan die ingrijpende gevolgen kunnen hebben. Uiteraard is het belangrijk om de gemeenteraad goed te informeren over de voorgenomen afspraken en de gevolgen daarvan. Daarnaast kan het college, ook in gevallen waarin het strikt

genomen niet verplicht is, de gemeenteraad alsnog vragen om hun wensen en bedenkingen te geven of om een besluit te nemen. Los van een initiatief vanuit het college kunnen raadsleden zelf ook stappen ondernemen via de reguliere verantwoordingsmechanismes tussen college en raad, zoals het stellen van vragen.

Voorziene besluitvorming rolneming warmtebedrijf In de raadsinformatiebrief 75 ‘Aanpak warmtetransitie 2025-2029’ (d.d. 19-11-2024) is de gemeenteraad geïnformeerd over de voorziene besluitvorming rond de warmtetransitie in de komende jaren. Gedurende deze periode is een goede informatievoorziening naar de raad belangrijk voor de uitoefening van de kerntaken van de raad (controlerend, kaderstellend en budgetstellend). In eerder communicatie met de gemeenteraad is onderstaand schema gedeeld. Hierin is zichtbaar hoe de informatievoorziening zal aansluiten op de besluitvorming.

Figuur 3 - een overzicht van de besluitvorming voor een regionaal warmtebedrijf De besluitvorming over deelname aan een regionaal warmtebedrijf is grofweg opgedeeld in drie stappen: 1. 2. 3.

Een intentieovereenkomst waarvoor geen formele raadsparticipatie vereist is (vastgesteld d.d. 10-2-2024) Een samenwerkingsovereenkomst waarbij de raad wel betrokken moet worden om wensen en bedenkingen te uiten. De oprichting van het warmtebedrijf, waarvoor raadsinstemming in de wensen en bedenkingenprocedure wordt gevraagd.

Het voorgestelde besluitvormingstraject voldoet aan de wettelijke bevoegdhedenverdeling. Daarnaast biedt het extra gelegenheid om de gemeenteraad informatie te geven over de voortgang van het proces en de laatste bevindingen. De raad wordt in de gelegenheid gesteld om bij het aangaan van juridisch bindende afspraken over oprichting en deelname aan een publiek integraal warmtebedrijf haar wensen en bedenkingen te kunnen uiten.

D. Aanwijzen van een kavel of warmtebedrijf De warmtekavel Volgens de Wcw is een kavel een aaneengesloten gebied binnen een of meerdere gemeenten waarvoor een integraal verantwoordelijk warmtebedrijf is of kan worden aangewezen. Het college stelt de omvang van de kavel vast en moet daarbij de volgende aspecten meenemen. 1. 2.

3. 4.

De omvang dient zodanig te zijn dat een warmtebedrijf binnen de warmtekavel een collectieve warmtevoorziening op een doelmatige wijze kan aanleggen en exploiteren en dat leveringszekerheid binnen de warmtekavel voldoende kan worden verzekerd. De omvang van de warmtekavel moet zodanig zijn dat dit leidt tot een efficiënte warmtetransitie in één of meerdere gemeenten. Meer concreet betekent dit dat de omvang van de warmtekavel gericht moet zijn op het kunnen realiseren van een collectieve warmtevoorziening met de laagste nationale kosten. De omvang van de warmtekavel in een gemeente moet bijvoorbeeld goed afgestemd zijn op het voorziene afzetgebied van de (potentiële) warmtebron. De beschikbaarheid en inzet van een warmtebron of een potentiële warmtebron in een nabijgelegen gemeente. De voornemens in een nabijgelegen gemeente om te kiezen voor de levering van warmte via een collectieve warmtevoorziening.

Mogelijk worden door het Rijk aanvullende regels gemaakt over het vaststellen van de kavels. Als kavels over het grondgebied van meerdere gemeenten liggen moet een ontwerpbesluit over de vaststelling van de kavel worden gedeeld met de Gedeputeerde Staten van de provincie.

Aanwijzingen binnen de warmtetransitie Onderstaand schema geeft weer hoe het gemeentelijke planproces voor de warmtetransitie er op hoofdlijnen uitziet. Hierna lichten we kort toe wat de afzonderlijke stappen inhouden.

Figuur 4 - Planproces en -producten binnen nieuw wettelijk kader van Wcw en Wgiw Warmteprogramma Volgens de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) moet het college van elke gemeente uiterlijk in 2026 een warmteprogramma vaststellen. Dit is een nieuw verplicht programma onder de Omgevingswet, gericht op de verduurzaming van de warmtevoorziening van

bestaande gebouwen en, voor zover op dezelfde locatie milieubelastende activiteiten worden verricht, de energievoorziening voor die milieubelastende activiteiten. Het warmteprogramma is de opvolger van de transitievisie warmte (TVW). In 2024 is de transitievisie warmte 1.1 van Voorschoten vastgesteld door de gemeenteraad. Het eerste warmteprogramma zal naar verwachting worden vastgesteld vooruitlopend op de aanwijzing van kavels en warmtebedrijven. Minimaal elke vijf jaar moet het warmteprogramma worden herijkt. Een warmteprogramma is niet juridisch bindend voor bewoners of andere derden, net als een beleidsregel verbindt het alleen het gemeentebestuur. Het warmteprogramma speelt een belangrijke rol bij het inzetten van de aanwijsbevoegdheid uit de Wgiw. Daarover leest u meer in hoofdstuk 4. Vaststellen warmtekavel en aanwijzen warmtebedrijf/-gemeenschap In het warmteprogramma maakt het college inzichtelijk waar in de gemeente collectieve warmte wordt voorzien. Vervolgens beslist het college waar binnen die gebieden een kavelaanwijzing nodig is. Dat zal zijn waar een groot collectief warmtesysteem voorzien wordt (meer dan 1500 aansluitingen). In andere gebieden, waar kleinere collectieve systemen of individuele oplossingen worden voorzien, is de vaststelling van een warmtekavel niet noodzakelijk.

De volgende stap na aanwijzing van een warmtekavel is het aanwijzen van een warmtebedrijf. Onderstaand schema geeft weer welke besluiten het college neemt binnen een gebied waar grootschalige collectieve warmte is voorzien. Ook is zichtbaar welke inhoudelijke voorbereiding nodig is om deze besluiten te kunnen nemen. Participatie is onderdeel van de voorbereiding.

Figuur 5 - Besluitvorming rond de kavelsystematiek (bron: UGW, Gemeente Leiden, 2024)

Bij de aanwijzing van een kavel is het wenselijk dat het college al voorafgaand aan het verzoek tot aanwijzing in overleg is met een publiek warmtebedrijf. Het warmtebedrijf werkt in die periode aan de voorbereiding van een globaal kavelplan. Dat globale kavelplan dient het publieke warmtebedrijf bij het college in als bijlage bij het verzoek om aangewezen te worden als exploitant van de kavel. Voorafgaande afstemming over de omvang van de kavel en over het globale kavelplan is in dat licht wenselijk om tot een haalbare en doelmatige businesscase voor het warmtebedrijf te komen. De gemeente heeft geen formele inhoudelijke zeggenschap over het kavelplan, maar vanuit het oogpunt van draagvlak en samenwerking is het te verwachten dat het kavelplan in onderling overleg tot stand komt. Alleen als het kavelplan dat het warmtebedrijf voorlegt bij het verzoek tot aanwijzing redelijkerwijs niet haalbaar blijkt voor afnemers of het bedrijf zelf, mag het college het verzoek afwijzen. Vaststellen uitgewerkt kavelplan en zienswijzen Na de aanwijzing verzoekt het college het warmtebedrijf om voor de kavel of een deel daarvan een uitgewerkt kavelplan op te stellen. Onderstaand schema laat de rolverdeling zien tussen het college, de raad en het warmtebedrijf in de besluitvorming binnen een warmtekavel.

Figuur 6 - Rolverdeling tussen het college, de raad en het warmtebedrijf (bron: UGW, Gemeente Leiden, 2024)

Het uitgewerkte kavelplan bevat alle details van het collectieve warmtesysteem, van bronnen tot aan leidingentracés en type afleversets. Het bedrijf moet ook aangeven op welke manier afnemers betrokken zullen zijn bij de aanleg, ontwikkeling en exploitatie van de collectieve warmtevoorziening. Het college moet instemmen met het uitgewerkte kavelplan. Het college mag alleen instemming weigeren als het uitgewerkte kavelplan afwijkt van het globale kavelplan zonder dat er een goede motivering aan ten grondslag ligt, tenzij het door de ACM zo is opgedragen. Wel kan het college het warmtebedrijf opdragen om het uitgewerkte kavelplan te wijzigen. Onduidelijk is vooralsnog op welke gronden het college zo’n opdracht mag geven. Uitvoeringsplan De gemeenteraad of het college stellen in een uitvoeringsplan vast hoe de gebiedsgerichte warmtetransitie wordt voorbereid en uitgevoerd. Een uitvoeringsplan is niet wettelijk verankerd en vormvrij. Het is ook alleen bindend voor het gemeentebestuur zelf, net als een beleidsregel. Het is niet juridisch bindend voor bewoners of bedrijven. Het speelt wel een belangrijke rol in het planproces voor de warmtetransitie, vanwege onderstaande redenen. • • • •

Verslaglegging van het participatieproces. Onderbouwing van inhoudelijke keuzes, o.a. voor het omgevingsplan. Verantwoording over waarborgen van haalbaarheid en betaalbaarheid voor bewoners. Een samenvatting van de effecten van het globale kavelplan van het aangewezen warmtebedrijf voor afnemers. Omgevingsplan

Onder de Omgevingswet heeft elke gemeente één omgevingsplan voor haar hele grondgebied, dat algemene regels voor de fysieke leefomgeving bevat. Het omgevingsplan is een belangrijk sluitstuk van de gemeentelijke besluitvorming over de collectieve warmtetransitie. Het omgevingsplan wordt door de gemeenteraad vastgesteld. In het omgevingsplan worden de nodige (maatwerk)regels opgenomen om de aanleg van warmtenetten of de toepassing van de aanwijsbevoegdheid (Wgiw) mogelijk te maken. Alle regels uit het omgevingsplan zijn juridisch bindend voor bewoners en andere derden. In het bijzonder relevant is dat er een datum wordt vastgesteld per wanneer de aardgasvoorziening eindigt en dat de ruimtelijke inpassing van warmtenetten wordt gewaarborgd. De gemeenteraad kan dit nog aanvullen, bijvoorbeeld door ook omgevingswaarden vast te stellen over geluid en andere aspecten van de fysieke leefomgeving. De inhoudelijke motivering voor het wijzigen van het omgevingsplan zal zijn opgenomen in een warmteprogramma of uitvoeringsplan. Ook kunnen een aantal onder de Omgevingswet verplichte stappen of onderzoeken worden verantwoord in een uitvoeringsplan, zoals een mer (milieueffectenrapportage) en de participatie. Daarnaast zal het warmteprogramma van het college moeten aansluiten op de maatregelen in het omgevingsplan.

Mate van keuzevrijheid bij aanwijzing warmtebedrijf Na de vaststelling van een kavel wordt een integraal verantwoordelijk warmtebedrijf aangewezen die de collectieve warmtevoorziening gaat ontwikkelen en exploiteren. Het college publiceert een uitnodiging voor bedrijven om een aanvraag in te dienen om voor een kavel aangewezen te worden. De eerste aanvraag die binnenkomt en aan de wettelijke eisen voldoet, moet het college in principe goedkeuren. Het college kan een warmtebedrijf niet weigeren als deze aan de wettelijke vereisten voldoet. Er is door de wetgever niet gekozen om een selectiesystematiek (aanbesteding) voor te schrijven, omdat het niet aannemelijk is dat twee of meer warmtebedrijven met een publieke meerderheid of een warmtegemeenschap met elkaar in concurrentie treden om dezelfde aanwijzing. De enige uitzondering op de publieke aanwijsprocedure is het uitblijven van een aanbod van een publiek warmtebedrijf. In dat geval mogen ook private bedrijven verzoeken om aangewezen te worden, waarbij het college een aantal wettelijke criteria zelf mag wegen en toepassen. Bij de totstandkoming van een publiek warmtebedrijf, dat betrokken is bij het ontwikkelen van een globaal kavelplan, wordt de aanwijzing van kavels vooraf afgestemd. Daarmee wordt

voorkomen dat een aanwijzing alsnog niet tot een aanbod van een warmtebedrijf leidt. Om die reden wijden we niet verder uit over dit laatste scenario. Verbod op aanvullende regels aan warmtebedrijf De Wcw bevat een vergaande regulering van de duurzaamheid, leveringszekerheid en doelmatigheid van collectieve warmte. Het warmtebedrijf is verantwoordelijk voor naleving van de wettelijke eisen en de ACM houdt hierop toezicht. De gemeenten mogen géén aanvullende of strengere regels hierover stellen aan het warmtebedrijf. De wet verbiedt dat. De Wcw schrijft voor dat een college wel bepaalde voorschriften en beperkingen mag verbinden aan de aanwijzing van een warmtebedrijf binnen een kavel. De toelichting bij de Wcw geeft aan dat deze voorschriften niet mogen gaan over zaken die deze wet regelt (bijvoorbeeld warmtevoorziening, tarieven, aanwijsprocedure en voorwaarden). Wel zou het mogelijk zijn om bijvoorbeeld ruimtelijke aspecten hierin mee te nemen en de termijnen voor de uitvoering vast te stellen. Zo kunnen colleges bijvoorbeeld op grond van de Omgevingswet vanuit het oogpunt van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties, regels stellen over de inpassing van een warmtenet in de fysieke leefomgeving. Verder kunnen gemeenten ook regels stellen over geluidsof milieuhinder bij de productie van warmte voor een collectief systeem.

Tarieven per kavel De kavelsystematiek binnen de Wcw bepaalt dat er op termijn één warmtetarief per kavel zal gelden. De huidige ‘niet meer dan anders’ norm wordt vervangen door een steeds meer kostengebaseerd tarief. De invoering van tariefregulering zal in fases verlopen. Onderstaand schema laat zien welke stappen daarin worden voorzien in de Wcw. Naar verwachting wordt de laatste fase rond 2033 afgerond. Binnen één kavel worden alle kosten toegerekend aan en verdeeld tussen de groep afnemers die zich binnen dat kavel bevindt. In de tarievensystematiek noemen we dit de socialisering van kosten. Dit betekent dat de gemeente geen directe invloed heeft op de tarieven voor warmte. De tarieven worden landelijk bepaald. De gemeente kan wel bepaalde financieringsinstrumenten toepassen binnen een kavel, binnen een wijk of de gehele gemeente om de kosten voor bewoners te drukken. Omdat de tarievensystematiek kostengebaseerd is, zal demping van de kosten mogelijk indirect invloed hebben op de hoogte van de tarieven. Daarom zijn er enkele uitgangspunten opgenomen die daarin voorzien.

Figuur 7- Verschillende fasen van de nieuwe tariefsystematiek in de Wcw

Ontheffingen Onder de grens van 1.500 aansluitingen, mag een warmtebedrijf ook een warmtesysteem exploiteren op grond van een ontheffing voor een klein collectief systeem. Zowel een publiek als een privaat warmtebedrijf mag een ontheffing aanvragen. De ontheffing wordt verleend door het college van de gemeente op wiens grondgebied het warmtesysteem ligt. Het college is als bestuursorgaan gebonden aan de bepalingen van de wet waarop de bevoegdheid tot verlenen van

ontheffing is gebaseerd. In dit geval is dat het wetsvoorstel Wcw en de bevoegdheid zal bij inwerkingtreding van deze wet tot stand komen. Daarnaast is het college gebonden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het gelijkheidsbeginsel en het legaliteitsbeginsel. Het college neemt elke volledige aanvraag tot ontheffing in behandeling. De wet beschrijft de (enige) gronden om een aanvraag af te wijzen. Hier is het college aan gebonden. Hieronder worden de afwijzingsronden genoemd en toegelicht. a.

Een aanvraag wordt afgewezen als het college tot de conclusie komt dat het warmtebedrijf onvoldoende beschikt over de organisatorische en technische bekwaamheid die noodzakelijk is voor de uitvoering van de taken in het gebied waarvoor ontheffing is aangevraagd en/of het warmtebedrijf onvoldoende financieel in staat is de taken uit te voeren. Dit is belangrijk, omdat ook een klein collectief warmtesysteem verbruikers heeft die voor de levering van hun warmte afhankelijk zijn van een warmtebedrijf. Dat warmtebedrijf moet daarom wel voldoende bekwaam en solvabel zijn. Deze afwijzingsgronden zijn alleen van toepassing als de ACM deze aspecten niet al heeft getoetst (artikel 3.1, achtste lid Wcw).

b.

Een aanvraag moet worden afgewezen als het klein collectief warmtesysteem onlosmakelijk verbonden is met een ander klein collectief warmtesysteem en deze systemen gezamenlijk geen klein collectief warmtesysteem zijn. Hiermee wordt voorkomen dat een collectief warmtesysteem dat eigenlijk geen klein collectief warmtesysteem is door opsplitsing in twee of meer delen gebruik kan maken van de ontheffingsmogelijkheid, terwijl deze niet voor een dergelijk groter systeem bedoeld is.

c.

Een aanvraag wordt afgewezen indien aannemelijk is dat op korte termijn het collectief warmtesysteem waarvoor ontheffing wordt aangevraagd geen klein collectief warmtesysteem meer zal zijn. Daarbij zal het meestal gaan om de verwachting dat het aantal verbruikers op korte termijn groter dan 1500 zal worden. Evenals bij de hiervoor genoemde afwijzingsgrond wordt ook met deze afwijzingsgrond beoogd te voorkomen dat warmtebedrijven de kavelsystematiek en aanwijzingsprocedure van het wetsvoorstel kunnen ontlopen.

d.

Ontheffing van een klein collectief warmtesysteem op een warmtekavel mag verduurzaming van de gebouwde omgeving in de rest van de warmtekavel waarbinnen het gebied van de ontheffing ligt niet belemmeren. Als het door de ontheffing voor het warmtebedrijf structureel niet meer mogelijk is om een redelijk rendement te behalen, dient de ontheffing te worden afgewezen. Het is aan het aangewezen warmtebedrijf om dit aan te tonen.

e.

Het college wijst een aanvraag af als het warmtebedrijf dat is aangewezen voor de warmtekavel waarbinnen het ontheffingsgebied ligt aannemelijk heeft gemaakt dat de ontheffing leidt tot een significante verhoging van de tarieven voor de resterende verbruikers van zijn collectieve warmtevoorziening. Hiermee wordt voorkomen dat door de ontheffing een collectieve warmtevoorziening niet rendabel is en de daarop aangesloten verbruikers significante nadelen daarvan zullen ondervinden.

f.

Het college wijst een ontheffingsaanvraag af als het aannemelijk is dat de in de aanvraag beschreven gevolgen voor verbruikers die op het klein collectief warmtesysteem worden aangesloten redelijkerwijs niet uitvoerbaar zijn. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan te hoge kosten voor gebouweigenaren als gevolg van noodzakelijke extra isolatie van het gebouw of aanpassing van de binneninstallatie als gevolg van een lage temperatuur van de geleverde warmte.

g.

Er kunnen zich situaties voordoen dat een aanvraag voor een ontheffing wordt ingediend voor een gebied dat buiten een warmtekavel ligt. In deze gevallen is voorgesteld dat het college de aanvraag tot ontheffing afwijst, als het door de ontheffing het moeilijk of onmogelijk wordt om in dat gebied een collectieve warmtevoorziening aan te leggen door een nog aan te wijzen warmtebedrijf. Daarbij geldt dat het waarschijnlijk moet zijn dat in de toekomst voor dat gebied een warmtebedrijf zal worden aangewezen. Dat kan blijken uit het warmteprogramma. Hiermee kan voorkomen worden dat een klein collectief warmtesysteem

de verduurzaming van de gebouwde omgeving in een bepaald gebied in de voorziene toekomst zal belemmeren. Het college moet dit aantonen en onderbouwen. Hoe verder het college is in het proces en hoe concreter de plannen zijn, hoe gemakkelijker het voor het college zal zijn om deze onderbouwing te geven.

E. Toepassen van de aanwijsbevoegdheid Met de Wgiw krijgen gemeenten de bevoegdheid om al voor de landelijk vastgestelde datum van 2050 te bepalen dat een gebied van het gas afgaat. De gemeenteraad wordt bevoegd om een gebied in het omgevingsplan aan te wijzen. Door die aanwijzing gelden de aansluitplicht en de transportplicht van de netbeheerder van aardgas niet meer voor het desbetreffende gebied. Dit heeft als gevolg dat het de netbeheerder niet meer is toegestaan om een aansluiting in het gebied te realiseren én dat de netbeheerder geen aardgas meer mag transporteren naar bestaande aansluitingen in het gebied. In Voorschoten is de netbeheerder Liander.

Waarborgen Het proces van de aanwijzing van een aardgasvrij gebied bevat belangrijke waarborgen die ervoor zorgen dat alle bewoners zo goed mogelijk mee kunnen komen met de transitie naar aardgasvrij. In het (concept) Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Bgiw) is een aantal waarborgen opgenomen met betrekking tot de voorgenomen warmteoplossing, die voldoende moeten worden aangetoond om de Wgiw te mogen inzetten. • • •

Haalbaarheid: de gemeente houdt rekening met de haalbaarheid van de warmteinfrastructuur en de gekozen aanpak, inclusief de werkbaarheid voor bewoners en gebouweigenaren. Betaalbaarheid: het uitvoeringsplan beschrijft de kosteneffectiviteit van de maatregelen (nationale kosten) en de betaalbaarheid voor bewoners, ondernemers en andere gebouweigenaren (eindgebruikerskosten). Energie-infrastructuur: de gemeente houdt rekening met de gevolgen voor de bestaande energie-infrastructuur. Het uitvoeringsplan beschrijft of netverzwaring en het verzwaren van aansluitingen nodig is en welke afspraken daarover met de netbeheerder zijn of worden gemaakt. Daar zal een inventarisatie van de opt-out aan voorafgaan.

Naast bovenstaande waarborgen van de voorgenomen warmteoplossing dient het college bij de inzet van de aanwijsbevoegdheid vanuit de Wgiw voor een wijziging van het omgevingsplan aan de volgende waarborgen te voldoen. • •

•

•

Keuzevrijheid: woning- en gebouweigenaren houden de vrijheid om te kiezen voor een alternatief voor aardgas in plaats van het voorgestelde alternatief van de gemeente. Dit heet de opt-out. Redelijke termijn: het uitvoeringsplan onderbouwt de redelijke termijn voor de datum waarop de levering aardgas wordt beëindigd door de netbeheerder. Deze termijn wordt opgenomen in het omgevingsplan. Over het algemeen is dit acht jaar, maar er zijn afwijkmogelijkheden. Vergewisplicht: het omgevingsplan bevat regels over hoe de gemeente zich ervan verzekert dat het alternatief voor aardgas daadwerkelijk beschikbaar is binnen de gestelde termijn. En dat gebouwen hierop, of op een gelijkwaardig alternatief, zijn aangesloten voordat de levering van aardgas gestopt wordt. Participatie: voor het toepassen van de aanwijsbevoegdheid is de vaststelling van de gebieden in een warmteprogramma nodig. Daarvoor is het verplicht dat de gemeente participatie toepast, passend bij deze bevoegdheid.

Vereisten warmteprogramma In het warmteprogramma staat voor de gebieden waarbinnen de aanwijsbevoegdheid uit de Wgiw wordt toegepast in ieder geval:

• • • • • •

in welke locaties wordt de aanwijsbevoegdheid aardgasvrij toegepast, het aantal daarin aanwezige gebouwen en per welke datum; de noodzakelijke isolatieopgave voor het aardgasvrij maken van de aanwezige gebouwen; de toegedachte energie-infrastructuur ter vervanging van aardgas in deze gebieden; een beschrijving van totale kosten van die energie-infrastructuur; een beschrijving van de totale verwachte gemiddelde warmtebehoefte waarvoor de aanwijsbevoegdheid wordt ingezet; een beschrijving van de resultaten van uitvoering van het vorige warmteprogramma (van toepassing vanaf de vaststelling van het tweede warmteprogramma).

Planproces aanwijsbevoegdheid Als het college of de gemeenteraad de aanwijsbevoegdheid wil inzetten, dan moet een specifiek planproces doorlopen worden. Dit planproces staat hieronder vereenvoudigd beschreven. a. b. c.

Warmteprogramma Onderbouwing, via bijvoorbeeld uitvoeringsplan en/of uitgewerkt kavelplan Wijziging van het omgevingsplan

De afzonderlijke besluiten en producten van het gemeentelijke planproces zijn algemeen toegelicht in bijlage D. Hieronder beperken we de toelichting tot wat specifiek van belang is voor het inzetten van de aanwijsbevoegdheid.

a. Warmteprogramma Om gebruik te kunnen maken van de aanwijsbevoegdheid in een gebied, moet het college al in het warmteprogramma het voornemen hebben opgenomen om in dit gebied het gebruik van aardgas te beëindigen. Voor dat gebied dient het college vast te stellen hoeveel gebouwen van het aardgas worden afgesloten en welke isolatiemaatregelen nodig zijn ter voorbereiding daarvan. Het kan namelijk zo zijn dat verwarming met een lage of middentemperatuur warmtenet alleen toereikend is bij een beter niveau van isolatie.

b. Onderbouwing In principe zal telkens per gebied een uitvoeringsplan de nodige onderbouwing bevatten voor alle waarborgen waar het toepassen van de aanwijsbevoegdheid aan moet voldoen. Het is ook mogelijk om de onderbouwing van de wijziging van het omgevingsplan een andere vorm te geven dan een uitvoeringsplan, bijvoorbeeld een uitgewerkt kavelplan.

c. Wijziging van het omgevingsplan Het omgevingsplan biedt ruimte voor het opnemen van regels over de warmtevoorziening in een gebied. Het toepassen van de aanwijsbevoegdheid wordt pas verbindend voor bewoners en bedrijven in een gebied nadat het als maatwerkregel op basis van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) is opgenomen en vastgesteld door de gemeenteraad. In het omgevingsplan worden in elk geval regels opgenomen over het gekozen alternatief voor aardgas in een gebied en de datum waarop de levering van aardgas stopt. Het is mogelijk om het omgevingsplan in één procedure te wijzigen voor meerdere gebieden waar de aanwijsbevoegdheid wordt toegepast. Een meerderheid van de gemeenteraad moet instemmen met de wijziging van het omgevingsplan.

F. Planning en besluitvorming warmtetransitie De gemeente zet zich in om te zorgen dat Voorschoten in 2050 duurzaam verwarmd wordt. De warmtetransitie is in beweging en ook in Voorschoten goed op gang. De afbeelding en de tabel op de volgende pagina geven weer wat er komende jaren op de planning staat voor de warmtetransitie in Voorschoten. Dit is een momentopname en kan veranderen over de tijd.

Eerdere besluiten I. Vaststellen transitievisie warmte (TVW) 1.0 II. TVW 1.1, WarmtelinQ en gronden WOS III. Samenwerking Warmte Leidse Regio IV. Voortzetting samenwerking Warmte Leidse Regio V. Lokale aanpak isolatie

Raadsbesluit A. Uitgangspuntenkader warmtetransitie B. Wensen & bedenkingen SOK warmtebedrijf C. Wensen & bedenkingen oprichting warmtebedrijf D. Wijziging omgevingsplan: aanwijsbevoegdheid E. Ruimtelijk besluit warmteoverdrachtsstation (WOS)

Collegebesluit 1. Vaststellen uitvoeringsplan Krimwijk 2. Ondertekenen SOK warmtebedrijf 3. Vaststellen warmteprogramma 4. Besluit inzet aanwijsbevoegdheid 5. Oprichting warmtebedrijf 6. Vaststellen warmtekavel(s) 7. Aanwijzen kavel aan warmtebedrijf 8. Vaststellen uitgewerkt kavelplan 9. Vaststellen uitvoeringsplan Noord-Hofland

Colofon Uitgave

Gemeente Voorschoten Leidseweg 25 2252 LA Voorschoten www.voorschoten.nl

Datum

Maart 2025

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duivenvoorde&id=3cb134c0-48ed-43c2-b572-95b5b05c8cf7